NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 04

Napoleon Dodenmasker 11.
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN

DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

EERSTE HOOFDSTUK (2e deel)

Napoleon verliet Malmaison niet door den hoofd-uitgang, waar de rijtuigen gereed stonden en waar zich een groote volksmenigte verzameld had, om van zijn vertrek getuige te zijn, maar langs een achterweg, waar een postwagen, met vier paarden bespannen, hem wachte. Terwijl zijn gevolg, bestaande uit Las Cases en zijn zoon, de Montholon, Planat en Résigny, met de dienst- en bagage-voertuigen over Orléans reist, gaat hij, incognito, vergezeld van drie of vier personen, over Rambouillet, Tours, Poitiers en Niort en komt den 3den Juli, des morgens om acht uur, te Rochefort. Overal – behalve te Saint-Maixent – wordt hij met gejuich en gejubel, met geroep van “Vive l’Empereur” ontvangen. Te Saint-Maixent was de bevolking, met de garde nationale aan het hoofd – onrustig en in de war gebracht door de roezige gebeurtenissen en de verwarde berichten, die kort te voren waren verspreid – toen het rijtuig van Napoleon aankwam, op de Place de l’Hotel-de-Ville verzameld. Zij omringden zijn rijtuig, dat zonder escorte reisde, en deden alle moeite om er achter te komen, wie de reizigers waren. Deze echter antwoordden niet op hun vragen en weigerden hun paspoorten te toonen, behalve aan een der leden van het gemeentebestuur. Een officier van de garde nationale bood zich aan, de paspoorten – die van de gewone afweken en eigenlijk alleen een vrijgeleide waren – aan den gemeenteraad te overhandigen. (meer…)

AUSSENKAMP 6 – BRAUNSCHWEIG SS-REITSCHULE

SS-ReitschuleOngeveer vier maanden lang, van november 1944 tot 25 februari 1945, was in Braunschweig het Kamp SS-Reitschule gevestigd, een subkamp voor vrouwelijke gevangenen van concentratiekamp Neuengamme. Het is niet bekend wie gedurende deze korte periode hier de kampleider was. Het kamp was gevestigd in de voormalige SS-Manege Braunschweig in de wijk Viewegsgarten-Bebelhof in het gebied Hans-Porner-Straße 20, Schefflerstraße 2 en Salzdahlumer Straße. Die manege had deel uitgemaakt van de SS-Junkerschule Braunschweig, die halverwege 1944 werd verplaatst naar Owinka bij Posen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Braunschweig het doelwit van talrijke geallieerde luchtaanvallen, waarbij ongeveer 90 procent van het stadscentrum en 42 procent van de hele stad werd verwoest. Het meest verwoestende was het bombardement op Braunschweig op 15 oktober 1944, waarbij 233 Lancaster-bommenwerpers van de RAF twee en een halve dag lang een woedende vuurstorm veroorzaakte door ongeveer 200.000 fosfor-, brandbommen en explosieve bommen af ​​te werpen. Bij deze aanval kwamen ruim duizend mensen om het leven. Gedurende de hele oorlog stierven in de stad ongeveer 3.500 mensen door bombardementen. Bijna de helft van hen waren krijgsgevangenen, dwangarbeiders en concentratiekampgevangenen. Na dat zware bombardement op 15 oktober 1944 diende de fanatieke nazi en Gauleiter Hartmann Lauterbacher van de Gau Südhannover-Braunschweig een aanvraag in bij Reichsführer SS Himmler voor de toewijzing van 2.000 vrouwelijke Poolse gevangenen, die geïnterneerd waren in Stalag XIB Fallingbostel. Deze gevangenen zouden dan worden ingezet bij de opruimwerkzaamheden in de zwaar gehavende stad. Het verzoek werd echter afgewezen, waarna Lauterbacher eenzelfde verzoek deed aan het concentratiekamp Bergen-Belsen. Hier kreeg hij wel een positief antwoord. (meer…)

HAPPY BIRTHDAY

ERNST KATAN

Ernst Katan 1In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.

In De Zwerver nummer 49 van 22 juni 1945 verscheen de volgende summiere oproep: ‘Ernst Katan, via Westerbork naar Duitsland getransporteerd.’

Ernst Katan (Hilversum, 30 april 1923-Westerbork, 6 september 1944) was een zoon van David Katan (Amsterdam, 12 december 1885 – Sobibor, 14 mei 1943) en de niet-Joodse Johanna Romunde (Amsterdam, 24 november 1890-Amsterdam, 8 september 1986). Vader David had in Hilversum in de Kerkstraat een juwelierszaak. In oktober 1940 verhuisde het gezin nar Amsterdam, waar ze woonden aan het Westerscheldeplein. Het echtpaar scheidde in 1941, waarna Johanna een jaar later hertrouwde. Het echtpaar had twee kinderen. Broer Hans Katan (Hilversum, 9 augustus 1919 – Overveen, 1 oktober 1943) studeerde biologie in Amsterdam. Tijdens de oorlog zat hij in de redactie van het illegale blad De Vrije Katheder en was staflid van de sabotagegroep CS-6. (meer…)

050 – GOFFERTWEG SKATEBAAN 2


.
Skatebaan aan de Goffertweg in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.

049 – GEUZENWAARD 4

.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.

KABOUTERVERHAALTJES – 1

de schoenmakerDe arme schoenmaker
Er was eens een schoenmaker. Die was buiten zijn schuld zo arm geworden, dat hem tenslotte niets meer overbleef dan leer voor één enkel paar schoenen. Nu sneed hij ’s avonds de schoenen, om ze de volgende morgen te naaien. En omdat hij een goed geweten had, ging hij rustig naar bed, bad tot God en sliep in. ’s Morgens deed hij weer zijn morgengebed, zette zich aan zijn werktafel, – daar stonden de schoenen al helemaal klaar!
Hij verbaasde zich erover en wist niet, hoe hij het had. Hij nam de schoenen in zijn hand, om ze beter te bekijken; ze waren zo mooi genaaid, dat er geen steekje verkeerd was, juist alsof het als meesterstuk moest dienen. En kort daarop kwam een koper en omdat hij de schoenen zo bijzonder goed vond, betaalde hij er meer voor dan gewoonlijk, en voor dat geld kon de schoenmaker leer kopen voor twee paar schoenen, ’s Avonds sneed hij ze, en hij wilde de volgende morgen met frisse moed gaan naaien – maar dat hoefde niet: want bij het opstaan waren ze allebei al klaar, en kopers bleven ook niet uit; en ze gaven hem zo veel, dat hij leer kon inkopen voor vier paren. (meer…)

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 03

Napoleon Dodenmasker 11.
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN

DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

EERSTE HOOFDSTUK (1e deel)

Nadat de slag bij Waterloo verloren was, haastte Napoleon zich – tegen den raad van zijn broers en van zijn ministers, die het beter vonden, dat hij te Laon zou blijven, om daar de overblijfselen van zijn leger rondom zich te verzamelen – naar Parijs, wijl hij daar zijn geslagen leger met nieuwe troepen zou kunnen versterken en ook uit vrees voor het verraad, dat hij in het ministerie, zoowel als in de Kamer voelde dreigen. Niet alleen om zijn kroon te redden, maar ook om het land tegen de gëallieerden te kunnen verdedigen, voelde hij, dat zijn tegenwoordigheid te Parijs dringend noodig was. Den 20sten Juni 1815, ’s morgens om acht uur, kwam hij uitgeput en terneergeslagen, op het Elysée aan. Gedeeltelijk door het dreigement van de Kamer, waar La Fayette tot Lucien, die er als boodschapper van den Keizer tegenwoordig was, durfde zeggen: Zeg tegen je broer dat hij ons zijn troonsafstand moet sturen. Anders sturen we hem zijn verbeurdverklaring;’ gedeeltelijk en voornamelijk, wijl hij niet de verantwoordelijkheid op zich wilde nemen, de Kamer te ontbinden en, door aan de regeering te blijven te beletten, dat Frankrijk een invasie – der gëallieerden zou ontgaan, waar deze beweerden, dat zij niet tegen Frankrijk, maar tegen hèm optraden en geen vrede wilden sluiten, zoolang hij aan het hoofd stond, besloot hij den 21sten Juni afstand van de regeering te doen en zijn zoon als zijn opvolger te benoemen. (meer…)

SARAH HEERTJES – 016

Sara HeertjeskopieEr is weinig bekend over Sarah Heertjes. Ze werd op 19 juli 1930 in Amsterdam geboren, maar in het bevolkingsregister van onze hoofdstad is ze niet terug te vinden, maar ook opsporing in andere steden of andere namen (Heertje, Sara) geeft geen hits op. Zoeken op Joods Monument onder ‘Heertjes’ geeft twee mogelijkheden. De eerste optie is dat ze een dochter was van de pensionhouders Marcus Hartog Heertjes (Amsterdam, 9 juli 1887 – Auschwitz, 8 april 1944) en Esther Heertjes-Wolf (Onstwedde, 24 januari 1894 – Auschwitz, 8 april 1944), die woonde aan de Waalstraat 72-I in Amsterdam en één kind hadden dat de oorlog overleefde. De tweede mogelijkheid is dat haar ouders de winkelier Jeremias Marcus Heertjes (Zutphen, 7 september 1881 – Bergen-Belsen, 11 februari 1945) en zijn echtgenote Rebecca Heertjes-Pimontel (Amsterdam, 10 juli 1892 – Bergen-Belsen, 2 april 1944) waren, waarvan ook de zoon Barend Marcus Heertjes (Amsterdam, 4 december 1926 – Auschwitz, 25 januari 1943) de oorlog niet overleefde, maar twee jongere kinderen dat wel deden. Dit gezin woonde in de Rijnstraat 120 huis te Amsterdam.

Sarah Heertjes werd in 1943 of 1944 eerst ondergebracht bij een gezin in Oirlo, waarschijnlijk bij een gezin Heerink want ze had hier de schuilnaam Annie Heerink. Daar was ze het enig kind in huis, wat haar behoorlijk eenzaam maakte en bovendien miste ze de drukte van de grote stad vreselijk. Daar kwam voor haar nog bij dat in het boerengezin waarin ze terecht kwam de omgangsnormen totaal anders waren dan ze gewend was. Zo werd bijvoorbeeld de broodmaaltijd in het gezin zonder borden gebruikt. Ze schreef brieven vol heimwee aan haar ouders, maar die werden door Nico Dohmen onderschept en uit veiligheidsredenen nooit verstuurd. (meer…)

OLYMPISCHE SPELEN ANTWERPEN 1920

Olympische Spelen 1920In 1920 stond bij de Olympische Spelen in Antwerpen voor de tweede maal het onderdeel Kunstwedstrijden op het programma. Opnieuw met dezelfde vijf onderdelen Architectuur, Literatuur, Muziek, Schilderen en Beeldhouwen, maar men had er nu blijkbaar iets meer werk van gemaakt. In Stockholm 1912 waren slechts vijf gouden medailles en één zilveren medaille uitgereikt, de overige negen medailles werden niet toegekend. In Antwerpen werden twaalf medailles toegekend: drie gouden, vijf zilveren en drie bronzen. Daarvan kwamen vijf medailles terecht bij Belgische inzendingen, en dat hoge aantal zal wel niet helemaal toevallig zijn geweest.

In het officiële rapport van het organiserende Olympisch Comité, een getypte exemplaar dat pas enkele jaren na het toernooi uitkwam, werd maar amper aandacht aan de kunstwedstrijden besteed en de paar alinea’s bevatte ook nog wat foutjes. Zo werd het laatste deel van de achternaam van de Noorse winnaar van de zilveren architectuur-medaille Holger Sinding-Larsen (1869-1938) verbasterd tot ‘Parsen’. Zijn winnende ontwerp ‘Project pour une Ecole de Gymnastique’ is niet meer te achterhalen. Ook de literaire prijswinnende werken zijn niet meer traceerbaar. De Italiaan Raniero Nicolai (1893-1958) had klassieke literatuur gestudeerd en was in de Eerste Wereldoorlog oorlogsinvalide geworden. Hij profileerde zich al in een vroeg stadium van zijn leven als schrijver, dichter en fervent sportliefhebber. Hij was pas 27 jaar oud toen hij de gouden medaille won met zijn elf Canzone Olimpioniche (Olympische liederen), die in 1920 ook werden gepubliceerd in het boek Elogio della vita (Lof van het leven). De liederen refereerden aan het leven van de Atheense boodschapper die in 490 v.Chr. de 42 kilometer en 195 meter van Marathon naar Athene rennend aflegde om te berichten over de zege op de Perzische vloot en daarna van uitputting bezweek. (meer…)

DANILA TKACHENKO – INVERSION

Danila Tkachenko1Voor de meesten die niet geconfronteerd worden met de directe gevolgen van de Russische inval in Oekraïne, is het conflict steeds meer een zorg op afstand geworden. Schrijnend en verontrustend, maar toch niet langer ontwrichtend voor het dagelijks leven. Om de menselijke schade van de oorlog weer onder de aandacht te brengen, installeerde de Russische beeldend kunstenaar Danila Tkachenko (Moskou, 1989) uitvergrote foto’s die de verwoesting documenteerden naast beroemde bezienswaardigheden in acht Europese steden. De foto’s waren daar in november en december 2023 te zien. Vervolgens fotografeerde Danila Tkachenko Oekraïense vluchtelingen tegen de achtergrond van deze beelden voor dit project ‘Inversion’.

Op zijn website, met geweldig ander werk van hem, heeft hij de volgende verklaring staan: ‘I demand the immediate withdrawal of all Russian occupation troops from the territory of the sovereign state of Ukraine, beyond the borders called for by international law in 1991. The terrorist Russian government and all those involved in the occupation are criminals, they must stand trial and pay reparations. Peace must be restored in all of Ukraine!’ (meer…)

049 – GOFFERTWEG SKATEBAAN 1


.
Skatebaan aan de Goffertweg in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.

048 – GEUZENWAARD 3

.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.

DE KOLONIEËN VAN BELGIË 8

08 - van Langendonck - Porte Alegro 1De opmerkelijke reis van Marie Van Langendonck

De schrijfster en dichteres Marie Barbe Antoinette Van Langendonck-Rutgeerts (Antwerpen 7 oktober 1798 – Gravatai 6 juni 1875) trouwde in 1827 met Jean Van Langendonck, een officier bij de Gidsen. Het koppel ging na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 in Charleroi wonen, waar hij directeur werd van het militair hospitaal. In deze jaren in Charleroi schreef ze twee dichtbundels: Aubepines (1841) en Heures Poétiques (1846). Toen ze in 1857 weduwe werd, besloot ze haar aangename leventje in België op te geven en begon ze aan een avontuurlijke reis naar Brazilië waar haar twee zonen in een kolonie in Santa Maria de Soledade woonden. De romantisch aangelegde moet erg onder de indruk zijn geraakt van de brieven die ze vanuit de kolonie ontving over de natuurpracht en de eenvoud ver van de Europese beschaving. (meer…)

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 02

Napoleon Dodenmasker 2.
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN

DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

VOORREDE (2e deel)

Nergens behalve in Engeland, waar de verbeelding, en nu al de volksrechtvaardigheid schrijft Cahuet verder, ‘onder de indruk waren, heeft het nieuws van de dood van de keizer de impact gehad die we vandaag de dag zouden veronderstellen. De keizerlijke legende was nog niet geboren. Hij miste het perspectief van de geschiedenis, en al in juli 1821 kon een Engelse notabel, Lord Mac Kintosh, geciteerd door Lord Brougham, terecht concluderen: ‘Welke emotie zou deze gebeurtenis negen jaar geleden hebben opgeroepen en welke emotie zal deze meer oproepen over honderdnegen jaar vanaf nu.’

Hoe meer jaren er echter na zijn dood voorbij gingen, des te grooter werd de belangstelling in het leven en de daden-van hem, die eenmaal over bijna geheel Europa had geregeerd, die bij zijn leven de aandacht van alle beschaafde en zelfs van zoovele onbeschaafde volken op zich gevestigd heeft gehouden en wiens naam bijna over de heele wereld bekend was. Zeker, de omstandigheden hebben er toe meegewerkt, dat – kort na zijn dood – de belangstelling in zijn persoonlijkheid zoo klein kon zijn en dat deze pas een halve eeuw later tot de hoogte is gestegen, waartoe zij in de laatste jaren der vorige eeuw is gegroeid en waaruit zij, nu er bijna een eeuw na zijn heengaan is verloopen, nog steeds groeiende is. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN DE LIEMERS – 3

Bevrijding 4Nu het Duitse grensgebied was veroverd, kon de Liemers worden ingetrokken. In de Paasnacht van 31 maart op 1 april 1945 werd langs de grens nog zwaar gevochten, maar op Paasmorgen kwamen de eerste bevrijders ‘s Heerenberg binnen. Vanaf februari 1945 had de stad vanuit de Duffelward onder geallieerd artillerievuur gelegen. Eerst schoten ze alleen ’s nachts, maar de laatste twee weken moesten dag en nacht in de kelders worden doorgebracht. Dat waren de kelders van het klooster van de Witte Paters en van Huis Bergh. Slechts als het even rustig was, kon men even naar buiten om de schade in de stad op te nemen. Niet altijd besefte men hoeveel risico’s dat met zich meebracht. Zo ging men soms een boer helpen met het inzaaien van haver, terwijl op 150 meter afstand Engelse splintergranaten, zgn. Shrapnells, ontploften. De boer had nog naïef opgemerkt: ‘Ze schieten heus niet op ons!’ Ergens in de stad was een provisorische bunker gemaakt die weliswaar granaatsplinters kon tegenhouden, maar niemand zou een voltreffer hebben overleefd. Dat kon men goed zien, toen enkele dagen voor de bevrijding enkele Duitse soldaten een metalen pijp in een grote struik hadden gestoken en daarna hard wegrenden. Ze wisten dat de Engelse verkenningsvliegtuigen de metalen pijp onmiddellijk zouden opmerken en zouden aanzien voor de loop van een Duits kanon. Dat klopte en binnen enkele minuten volgde vanachter de Rijn een voltreffer op de struik. De Paasnacht van 31 maart op 1 april gold als de verschrikkelijkste beschieting die men had meegemaakt, maar op Paasmorgen rolden de Canadese tanks ‘s-Heerenberg binnen. Dezelfde dag werden ook Azewijn, Terborg en Stokkum bevrijd. Bij hun aftocht uit Azewijn stapelde een Sprengkommando stro in de kerk en zette het gebouw in de brand. De Duitsers trokken zich nu steeds verder terug naar het noorden. Op 1 en 2 april werden ook Doetinchem, Ruurlo, Vorden, Hengelo, Eibergen, Enschede en andere plaatsen in Gelderland en Overijssel bevrijd. Op 13 april 1945 was met uitzondering van de provincie Friesland en delen van Gelderland bijna geheel Oost-Nederland bevrijd. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN DE LIEMERS – 2

Bevrijding 3Voor Zevenaar werd op 16 november de evacuatie afgekondigd. Daar was net een waarnemend burgemeester benoemd. Vanaf 1920 was hier Antoine van Nispen tot Pannerden (Zevenaar, 20 april 1884-Zevenaar, 20 januari 1964) de burgemeester. Hij bleef ook tijdens de oorlog in functie, tot het moment dat de Duitsers in 1944 langs de Rijn een versterkte frontlinie wilde aanleggen. Zij eisten toen van de provincie Gelderland 40.000 mannen om de werkzaamheden uit te voeren. Daarvan zouden er 300 man uit Zevenaar moeten komen. Er werden tien inwoners van Zevenaar gegijzeld om hun eis kracht bij te zetten en dreigden deze te executeren als niet voldoende mannen zich zouden aanmelden. Daarop deed Van Nispen tot Pannerden op 9 september 1944, staand op een stoel op de Markt, noodgedwongen een oproep aan de bevolking. Hij ging hierna direct met ziekteverlof. Zijn taken werden tot het eind van de oorlog waargenomen door locoburgemeester Borst. Na de oorlog zou Van Nispen tot Pannerden terugkeren op zijn post, maar in 1946 ging hij op advies van het Ministerie van Binnenlandse Zaken met pensioen. Locoburgemeester Borst, zijn naaste medewerker Huijzendveld en Ortskommandant Riebenzam gingen toen op 15 november op gesprek met dr. Emil Schneider, de Beauftragter des Reichskommissars für die Provinz Gelderland in een poging de evacuatie van Zevenaar te voorkomen. Ze betoogden dat het niet erg waarschijnlijk was dat Zevenaar midden in het strijdgebied terecht zou komen. In de winter trad de Rijn immers altijd buiten zijn oevers, wat voor de geallieerden een aanval zo goed als onmogelijk zou maken. Bovendien zou het landbouwgebied rond Zevenaar van belang zijn voor de voedselvoorziening in de regio. Het vergde enkele onderbrekingen van het overleg, maar begin van de avond was de evacuatie van Zevenaar definitief van de baan. Dacht men, want de dagen hierna doken toch weer berichten op dat de evacuatie alsnog zou doorgaan. Pas op dinsdag 21 november 1944 kwam het verlossende woord dat de inwoners van Zevenaar niet geëvacueerd hoefden te worden. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN DE LIEMERS – 1

Bevrijding 2Op 12 september 1944 trokken Amerikaanse legeronderdelen de Nederlandse grens over en werd begonnen met de bevrijding van het zuidelijke deel van Nederland. Op 13 en 14 september was Maastricht de eerste grote Nederlandse stad die werd bevrijd. Vervolgens werd vanaf 17 september Operation Market Garden ingezet, een onbesuisd plan uit de koker van de Britse generaal Montgomery. Het doel was om in één keer Nederland te bevrijden, de Rijn te over te steken en in sneltreinvaart Duitsland in te trekken. Bij Arnhem leden de geallieerden echter een zware nederlaag, waarna op 25 september de operatie werd afgeblazen. Bijna heel Nederland ten zuiden van de grote rivieren was nu bevrijd, met steden als Nijmegen, Eindhoven en Den Bosch. In het oosten vond nog de Slag om Overloon (30 september-18 oktober) plaats, waardoor de linkeroever van de Maas door de geallieerden werd ingenomen. De geallieerde strijd verplaatste daarna echter naar Zeeland, waar met de zwaarbevochten Slag om de Schelde (2 oktober-8 november) en Strijd om Walcheren (1-8 november) werd gezorgd dat de toegang tot de belangrijke aanvoerhaven van Antwerpen werd veiliggesteld. Via Operatie Nutcracker (14 november-3 december) werd het laatste Duitse bruggenhoofd aan de Maas opgeruimd en werd het westelijk front definitief verlegd naar de Maas. Het front lag nu een tijdlang aan de grote rivieren en de geallieerde opmars in Nederland was voorlopig tot stilstand gekomen. Alleen in Zuid-Limburg werd via Operatie Blackcock (14-17 januari 1945) de Roerdriehoek Geilenkirchen-Roermond-Sittard ingenomen, waardoor hier het front een beetje werd verlegd tot de Roer. De rest van het gebied ten oosten van de Maas, inclusief de steden Roermond en Venlo bleven echter stevig in Duitse handen. (meer…)

048 – OPENLUCHTZWEMBAD GOFFERTBAD 3


.
Openluchtzwembad Goffertbad in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.

047 – MUUR IN ELTEN 1

.
Muur in de Bergstrasse in Elten (Duitsland), april 2010, © Frans van den Muijsenberg.

DE KOLONIEËN VAN BELGIË 7

07 - Sao Fideles 1De bijna onbekende Colonia Vallão dos Veados

In de periode 846-1848 weken ongeveer 2.000 migranten uit naar Brazilië, vooral veel Duitsers uit het Rijnland die via de haven van Antwerpen vertrokken. Ook vanuit België zijn een paar honderd man een ongewis avontuur in het onbekende Brazilië tegemoet gegaan.

In 1847 werd door de ‘Companhia para combater o comércio dos escravos e promover a colonização’ de Colonia Vallão dos Veados opgericht. Met hulp van de regering wilde dit bedrijf dus de slavenhandel bestrijden en de kolonisatie binnen de provincie Rio de Janeiro bevorderen. De kolonie kwam dicht te liggen bij het dorp São Fidelis, tegenwoordig een stad met zo’n 40.000 inwoners. Het dorp kwam al voor op een kaart uit 1785 toen de blanken het gebied nog maar amper kende. Het waren vooral missionarissen in hun grote ijver zoveel mogelijk zieltjes te winnen die steeds verder doordrongen in de bossen van de Valão dos Veados. Tussen 1783 en 1785 ging de militair Manuel Martins do Couto Reis de  Paraíba do Sul-rivier op tot aan de monding van de Pomba-rivier en Gentio-rivier. In 1785 publiceerde hij zijn reisverslag, met een gedetailleerde beschrijving van de fysieke geografie, fauna en flora, van de inheemse volkeren en weinige eerste kolonisten, met lijsten van hoofdkapiteins en geestelijken, parochies en boerderijen. (meer…)

HET GRAF VAN DE GIERIGE DAME

Enkhuizen Zuiderkerk 1Er zijn allerlei volksverhalen in omloop over mensen die na de dood geen rust kunnen vinden. Een voorbeeld daarvan is De gestolen duit, over een overleden kind dat pas rust krijgt als het geld dat ze heeft gestolen alsnog terecht komt bij degene voor wie het bestemd was. Het Beierse sprookje Het doodshemdje van de gebroeders Grimm (KHM109) ging over een moeder die erg huilde over haar zevenjarig zoontje dat was overleden. Na de begrafenis vertoonde het jongetje zich ’s nachts op plaatsen waar hij gespeeld had. Het jongetje in zijn witte doodshemdje vroeg zijn moeder op te houden met huilen omdat hij daardoor niet kon inslapen in zijn kist. Het doodshemdje was altijd nat van haar tranen. De moeder schrok en stopte met huilen. De volgende dag kwam het jongetje terug met een kaarsje in de hand. Hij liet zien dat het hemdje bijna droog was en zei nu rust in zijn graf te hebben. De moeder legde haar verdriet in de handen van God en droeg geduldig haar lot, was de christelijke ondertoon van het verhaal dat als centrale boodschap had dat overmatige smart de doden stoort. (meer…)

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 01

Napoleon Dodenmasker 2.
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN

DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

VOORREDE (1e deel)

Meer en meer begint er in verschillende landen een Napoleon literatuur op te komen, waarvan de stroom door één persoon niet is bij te houden. Niet alleen in Frankrijk, maar ook in Engeland, in Duitschland en in Rusland, waar – bij gelegenheid van de viering van het eeuwfeest van 1812 – de Staatsarchieven een catalogus hebben uitgegeven, alléén van de stukken, op die periode betrekking hebbend, en wier aantal 15.000 bedraagt!

Meer en meer dan ook komt de figuur van den grooten Keizer in een zuiverder, helderder en veel meer waar licht te staan, dan tot nog toe het geval was, en krijgt men een anderen blik op zijn persoonlijkheid en een ander oordeel over zijn daden, dan men tot voor betrekkelijk korten tijd had. Men ziet er uit, dat hij niet – zooals hij nog altijd door een menigte personen, vooral in ons land, genoemd wordt – een “geweldenaar,” “een overweldiger” een “dwingeland,” een “onderdrukker,” ja zelfs een “bloedhond” was, “die s ‘lands zonen ter slachtbank voerde,” maar dat de meeste oorlogen, die hij heeft gevoerd, hem zijn opgedragen of opgedwongen en dat hij eigenlijk meer een vredes- dan een oorlogs-vorst was. Een neutrale en zooveel mogelijk eerlijke geschiedenis van de oorlogen, die hij als Keizer met de Europeesche landen heeft gevoerd, is nog niet geschreven en er is nog niet uitgemaakt in hoeverre en welke oorlogen van Frankrijk aan de schuld van de andere mogendheden of aan zijn schuld moeten worden geweten. Napoleon zelf zegt, sprekend over zijn daden, (meer…)

ARTHUR GINSBERG – 15

Stolpersteine Arthur GinsbergArthur Ginsberg (Frankfurt am Main, 24 maart 1927 – Auschwitz, 16 oktober 1944) was de zoon van koopman Benjamin Ginsberg (Jedrzejow, 7 september 1893 – Auschwitz, 16 oktober 1944) en Rosa Ginsberg-Rosen (Wisnicz, 10 juni 1897 – Auschwitz, 31 oktober 1944). Beide ouders waren afkomstig uit Polen. Vader Benjamin werd geboren in Jedrzejow, gelegen in Zuid-Polen, 38 km van Kielce en 78 km van Krakau. Vanaf het einde van de negentiende eeuw nam het aantal Joodse inwoners van de stad toe. Halverwege deze eeuw maakten ze nog ,maar 2,6% van de inwoners uit, maar in 1921 was dit al 39% en in de jaren dertig steeg dat zelfs tot 47%. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden omstreeks 4.000-5.000 Joden in Jedrzejow. Joden. In het interbellum vond in de stad een anti-Joodse pogrom plaats, wat voor hen reden was een Joodse delegatie te sturen naar de toenmalige Poolse leider Josef Pilsudski om hulp te vragen. Deze liet echter weten dat ‘de Joodse kwestie nu erg ingewikkeld is’ en adviseerde de Joden om het probleem zelf op te lossen door naar Palestina te verhuizen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Joodse bevolking samengedreven in een getto. Bijna alle Joodse inwoners van de stad zouden gedurende de oorlog worden vermoord in Auschwitz. Moeder Rosa kwam uit Wisnicz, een kilometer of dertig van Krakau verwijderd. In 1890 woonde in dit stadje 3.791 personen, waarvan 2.278 Joden ofwel 60% van de bevolking. In latere jaren daalde dit tot 48%, voornamelijk vanwege het vertrek van de belangrijke rabbi Shlomo Halberstam (1847-1906). Ook Wisnicz werd niet gespaard van pogroms. Tijdens de oorlog vestigde de Duitsers er eerst een Joods werkkamp, vanaf 1942 werd de Joodse bevolking weggevoerd naar Auschwitz. (meer…)

SALOMONSOORDEEL 3

Gaspar de Crayer (Antwerpen, 18 november 1584 – Gent, 27 januari 1669) was een kunstschilder en tekenaar uit de Antwerpse School. Hij verhuisde al op jonge leeftijd naar Brussel waar het hof van de landvoogd was gevestigd en dus vele aantrekkelijke opdrachten te verkrijgen waren. Waarschijnlijk was De Crayer een leerling van Raphael Coxie (circa 1540-1616), de hofschilder van aartshertogen en de zoon van de beroemde Mechelse schilder Michiel Coxie. De Crayer werd al snel een van de belangrijkste zeventiende-eeuwse schilder van de stad. Hij had er de leiding over een atelier en leverde werk voor de aartshertogen Albrecht en Isabella, was hofschilder van kardinaal-infant Ferdinand en van aartshertog Leopold Willem. Daarnaast vervaardigde Gaspar de Crayer tijdens zijn hele carrière een groot aantal altaarstukken voor kerken, kloosters en abdijen. Het zijn schilderijen die op contrareformatorische leest geschoeid waren. Ook voor een stad als Gent maakte hij werk en spendeerde er de laatste vijf jaar van zijn leven. Opdrachten voor bestellingen van altaarstukken vanuit Duitsland en Spanje waren geen zeldzaamheid. Veel van zijn motieven ontleende hij aan Peter Paul Rubens, zodat hij wel in contact moet hebben gestaan met deze schilder. Tot 1630 werd De Crayer erg door hem beïnvloed, daarna werd de invloed sterker van Anthony van Dyck, die bovenstaand portret van De Crayer maakte. Omstreeks 1620-1622 schilderde hij ‘Het oordeel van Salomo’ over het wijze Salomonsoordeel uit de Bijbel. Het schilderij van Gaspar de Crayer hing oorspronkelijk in het Gravensteen in Gent, in de zaal waarin recht gesproken werd. Het bevindt zich nu in het Museum van Schone Kunsten in Gent. (meer…)

047 – OPENLUCHTZWEMBAD GOFFERTBAD 2


.
Openluchtzwembad Goffertbad in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.

046 – REGENBOOG BOVEN LOBITH

.
Regenboog boven Lobith op een zomerse avond, augustus 2011, © Frans van den Muijsenberg.

DE KOLONIEËN VAN BELGIË 6

06 - Dr. Jean FaivreDe utopie van dr. Faivre

En dan was er de Franse arts, onderzoeker en vrijmetselaar Jean Maurice Faivre (Combe Rallard, 21 september 1795 – Colonia Teresa Cristina, 30 augustus 1858), die in Parijs medicijnen had gestudeerd en tot 1826 het vak van arts had uitgeoefend. In dat jaar verhuisde hij naar Brazilië en werkte in Rio de Janeiro in het Hospital Militar da Corte. Omdat hij de privéarts was van keizer Pedro II en keizerin Teresa Cristina en bevriend was met vooraanstaande personen als de Franse ontdekkingsreiziger Gustave Rumbelsperger had hij binnen de Braziliaanse samenleving snel veel aanzien. In juni 1829 was hij een van de oprichters van de Rio de Janeiro Society of Medicine (nu de National Academy of Medicine). Hij voor de oprichter van een organisatie die gratis hulp aan armen verstrekte. Zijn persoonlijke vriend keizer Pedro II verleende hem de Keizerlijke Orde van de Roos en de Keizerlijke Orde van Onze Heer Jezus Christus, beide in de rang van Ridder. Op 54-jarige leeftijd trouwde hij in 1840 met de vijfentwintig jaar jongere Taulois, een nichtje van Gustave Rumbelsperger. In mei 1841 stierf zij echter na een maand eerder te zijn bevallen van een doodgeboren dochtertje. (meer…)

TILLY HARTOGS EN SARA HEIMANN – 014

Tilly Hartoghs 1Mathilda Elly Hartogs (Amsterdam, 6 februari 1933 – Auschwitz, 6 september 1944), roepnaam Tilly,  was de dochter van Conrad Alexander Hartogs (Rotterdam, 31 december 1880 – Auschwitz, 17 september 1942) die voorheen getrouwd was met Henriette Hartogs (Rotterdam, 25 mei 1891 – Auschwitz, 16 augustus 1942), waarschijnlijk neef en nicht van elkaar wat indertijd niet erg ongebruikelijk was.  Henriette keerde na de scheiding terug naar Rotterdam, waar ze werkte als typiste. Het echtpaar had twee dochters. Emma Mathilda Hartogs (Rotterdam, 10 februari 1909 – Sobibor, 2 juli 1943), zat van 1921 tot in 1924 op het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam zat, maar verder is over haar leven niets bekend. Waarschijnlijk is ze in de oorlog een tijdje ondergedoken geweest. Ze werd op dinsdag 29 juni 1943 met transport 69 vanuit Westerbork overgebracht naar Sobibor, waar alle 2.397 gedeporteerden, waaronder 482 kinderen, direct na aankomst werden vermoord. De tweede dochter Tilly Hartog werd in 1912 geboren en overleed in 1931 op negentienjarige leeftijd. Conrad Hartogs was toen al hertrouwd met Elisabeth Hartogs-Wolf (Amsterdam, 10 februari 1886 – Auschwitz, 17 september 1942), die het nakomertje Mathilde Elly Hartogs kregen, 24 jaar jonger dan haar grote zus. Ze kreeg dezelfde roepnaam als haar overleden zus, Tilly. Het echtpaar woonde bij hun arrestatie aan de Badhuisweg 48 in Scheveningen, waar Conrad Hartogs directeur was van een niet nader bekend bedrijf. Op dat adres woonde op dat moment ook de vroedvrouw Ester Bego (Rotterdam, 13 juni 1908 – Auschwitz, 14 september 1942), die gezien de overlijdensdatum op dezelfde dag is gearresteerd en op transport gezet naar Auschwitz. (meer…)

LE MORT DE NAPOLEON

Napoleons laatste levensjaren 1De arts, criminoloog en letterkundige Arnold Aletrino publiceerde in de periode januari – oktober 1908 in de Nieuwe Gids in negen delen het verhaal Moewe Jaren, dat pas in 2018 bij uitgeverij Sylfaen voor het eerst in boekvorm zou verschijnen. Na die tijd publiceerde hij nog hoogstzelden een kort verhaal in een literair tijdschrift. Hij hield zich vanaf 1908 bijna geheel bezig met letterkundige kritieken en boekbesprekingen voor de Nieuwe Gids. Aletrino was in 1891 getrouwd met Rachel Mendes da Costa, die in 1897 zelfmoord pleegde. Dat leidde bij Aletrino tot depressies. In 1898 trouwde hij voor de tweede maal, met Emilie Julia van Stockum. Vanaf 1908 werd Aletrino ziek en werden ook de depressies weer heftiger. In die fase raakte hij steeds meer verslaafd aan morfine. In 1909 vestigde hij en zijn echtgenote zich om gezondheidsredenen in Chernex bij Montreux (Zwitserland). Daar verzorgde hij tot 1913 nog steeds veel kritieken en boekbesprekingen, maar vanaf 1913 hield hij zich bijna volledig bezig met de figuur van Napoleon Bonaparte. In de Nieuwe Gids verschenen tussen januari 1913 en juni 1915 negen uitgebreide besprekingen van boeken over het leven van de voormalige Franse keizer. In totaal bijna tweehonderd pagina’s. Op  26 december 1915 resulteerde dat leeswerk in het korte artikel ‘Het sterfbed van Napoleon’, dat later in geen enkele bundel van Aletrino werd opgenomen. In 1828 vervaardigde Baron Charles Steuben het beroemde schilderij Le mort de Napoleon, waarin precies is afgebeeld welke personen zich allemaal aan het sterfbed van Napoleon bevonden. Het verschijnen van het artikel in De Amsterdameer gebeurde kort voor het overlijden op 16 januari 1916 van Arnold Aletrino in Chernex. In maart en april 1915 verschenen postuum twee fragmenten van elk twintig pagina’s van ‘Napoleons laatste levensjaren’ in De Nieuwe Gids. Eind 1916 verscheen bij de Amsterdamse uitgeverij Van Holkema & Warendorf de integrale versie van  Napoleons laatste levensjaren. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 057

057 - Constant PermekeConstant Permeke zei in 1938 over hert beeldhouwen, wat gefrustreerd over de beperkingen die anderen hem wilde opleggen: ‘Beeldhouwen is een kunst voor blinden. Ik worstel nu met klei die opdroogt en instort, met het pleister dat breekt en verrot, met de gebakken aarde die krimpt, met het hout dat barst. En hoed u voor specialisten in het vak – bronsgieters, steenkappers en anderen. Slaaf van wat ze geleerd hebben, van oude gewoonten die ze met kunst verwarren, knippen zij de vleugels kort aan alle vrije en vroolijke uitvinding.. .De boetseertechniek is geen confectiepak dat voor alle beelden past. Er bestaat maar één echte uitdrukkingswijze; deze welke men uitvindt naarmate men haar noodig heeft.’  Hij begon zijn beeldhouwwerken in een ruwe expressionistische stijl, maar al snel werd zijn stijl gepolijster. Zijn eerste werk werd overigens niet door iedereen goed ontvangen. Hij richtte zich in zijn beeldhouwwerk bijna uitsluitend op het vrouwelijk naakt. De oorlogsperiode was voor hem een tragedie, want zijn werk werd als ‘entartet’ bestempeld. In oktober 1941 werd zijn tentoonstelling in de Brusselse galerie Breughel door de Duitsers gesloten en werd het hem verboden  nog langer te schilderen. Tijdens de oorlogsjaren maakte Permeke honderden kleine schetsen als voorstudies voor beeldhouwwerken. Begin 1944 werden 130 van zijn grote en kleinere naakttekeningen tentoongesteld in het Paleis van Schone Kunsten in Brussel, maar de recensies waren opnieuw negatief (‘entartete Kunst’) en het paleis werd kort daarna tijdelijk gesloten. In 1948 overleed zijn echtgenote, een klap die Permeke emotioneel nooit te boven kwam. Tegelijkertijd kreeg zijn werk weer steeds meer waardering. Zijn werk werd ook steeds milder, zachter, verfijnder. Daar getuigen onder meer de twee beelden De Drie Gratiën uit 1949 van. De eerste was een voorstudie in gips, de tweede de definitieve versie in brons. Constant Permeke overleed op 4 januari 1952 en werd naast zijn vrouw begraven op het kerkhof in Jabbeke. Permeke wilde dat na zijn overlijden zoveel mogelijk van zijn werk bij elkaar zou blijven door zijn woning De Vier Winden in Jabbeke om te vormen tot museum. In november 1952, tien maanden na zijn overlijden, werd het domein De Vier Winden opengesteld voor het publiek. In 1960 kocht de provincie West-Vlaanderen het domein aan met alle werken erin en opende een jaar later het Permekemuseum. Later werd ook de nalatenschap van Beatty en Thérèse Permeke, zijn twee dochters, toegevoegd aan de collectie. De tekening en onderstaande twee beelden van De Drie Gratiën bevinden zich in MuZee Oostende. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 56

Lehnert Landrock - Aisha 2 Lehnert Landrock - Aisha 3 Lehnert Landrock - Aisha 4 Foto’s van Rudolf Franz Lehnert en Ernst Heinrich, van het Tunesische model Aisha.

046 – OPENLUCHTZWEMBAD GOFFERTBAD 1


.
Openluchtzwembad Goffertbad in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.

045 – GEUZENWAARD 2

.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.

DE KOLONIEËN VAN BELGIË 5

05 - Honorio Hermeto Carneiro LeaoAndere Braziliaanse avontuurtjes

Voordat Charles Van Lede in 1844 met zijn Compagnie belgo-brésilienne de Colonisation en met koninklijke goedkeuring op pad ging naar Santo Catarina in Zuid-Brazilië was al een eerdere Belgische kolonisatiepoging ondernomen. Die eerste poging staat op naam van Ludgero Joseph Nelis, geboren in een familie van handelaars en kleine linnenfabrikanten in het Oost-Vlaamse Zele. Zele was al eeuwenlang een textielcentrum voor vlas. Vanwege het afvalproduct van vlas dat in balen werd geperst hadden de Zelenaars de spotnamen Kloddezakken of Kloddelopers meegekregen. In de 19e eeuw hoorden Zele en buurgemeente Hamme tot de meest verpauperde plaatsjes in Vlaanderen. Het stadje had het typische uiterlijk van het arme Vlaamse platteland: vele cafés, enkele brouwerijen, een distilleerderij en ongeveer 12 molens. Voldoende om alle ellende weg te zuipen. Veel reden ook om weinig verandering te verwachten, want alle misstanden in de plaatselijke fabrieken werden door de burgerlijke en religieuze overheden keurig afgedekt. Het is dus niet verwonderlijk dat juist uit Zele een poging werd gedaan uit de misère te ontsnappen en zijn heil te zoeken in het verre Brazilië waarover zoveel fantastische verhalen d ronde deden. (meer…)

PROVINCIALE EN LOKALE KRUIZEN

01 - Vlag hertogdom Gelre90e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Lange tijd was het hebben van een officiële vlag beperkt tot landen, provincies en grote steden. Van lieverlee is het echter mode geworden dat elke streek, elke organisatie en elk dorp zijn eigen vlag moest hebben. Neem nu de provincie Gelderland, met zijn blauw-geel-zwarte vlag. De provincie heeft een lange geschiedenis en was in de middeleeuwen een van de belangrijkste vorstendommen in de Lage Landen. Het huidige Gelderland behoorde tussen 1339 en 1795 tot het Hertogdom Gelre, officieel ‘hertogdom Gelre en graafschap Zutphen’, dat zich ook uitstrekte over delen van het huidige Noord- en Midden-Limburg en het daaraan grenzende noordwesten van de Duitse Nederrijn. Het hertogdom werd op 7 september 1543 met de ondertekening van het Verdrag van Venlo, ook de Pacificatie van Venlo genoemd, door keizer Karel V aan zijn Nederlandse bezittingen toegevoegd. Het betekende het einde van de ambities van hertog Willem de Rijke van Kleef en Gulik om Gelre aan zijn rijk toe te voegen en ook het einde van de Gelderse Oorlogen, die in 1502 waren begonnen. Vanaf 1543 was Gelre een van de Zeventien Provinciën (1543-1585), die eindigde met de Acte van Verlatinghe (1581) toen de Noordelijke Nederlanden van de Zuidelijke Nederlanden al min of meer werden afgescheiden. De feitelijke scheiding vond plaats met de Val van Antwerpen (1585) en officieel werd de scheiding tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Spaanse Nederlanden pas in 1648 door de Vrede van Münster. (meer…)

HET STERFBED VAN NAPOLEON – 2

Steuben - Mort de NapoleonVanaf 10 december 1815 verbleef Napoleon Bonaparte in Longwood House op zijn verbanningsoord Sint-Helena, een godsverlaten eilandje in het zuiden van de Atlantische Oceaan, ruim tweeduizend kilometer ten westen van de Afrikaanse kust. Longwood House had tot dat moment dienst gedaan als residentie van de Engelse gouverneur van het eiland, die er tijdens warmere periodes verbleef. Napoleon heeft het eiland vanaf het begin ervaren als onprettig om te leven. Niet onbegrijpelijk want zo midden op de oceaan had men te kampen met een zeer wisselend klimaat. Er was op het eiland, slechts half zo groot als Ameland, zelfs een microklimaat met op de lagere delen zoals de haven windstil en vrij warm en op hetzelfde moment op de hogere delen veel wind en gure omstandigheden. De voormalige keizer sleet zijn dagen met het maken van aantekeningen van zijn veldslagen en verslagen van zijn bewind. Ook legde hij een groentetuin en maakte veel wandelingen. Longwood House, waarvan Napoleons huisknecht Louis-Joseph Marchand een aquarel maakte die de situatie precies weergaf, ligt op ongeveer zes kilometer van de hoofdstad Jamestown. Het huis is nu eigendom van de Franse staat en dient het als museum. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 056

056 - Constant PermekeDe Belgische schilder en beeldhouwer Constant Permeke (Antwerpen, 31 juli 1886 – Oostende, 4 januari 1952) geldt als een van de leidende figuren van het Belgische expressionisme. In 1893 stichtte zijn vader Henri Permeke, die landschapsschilder was, in Oostende het Stedelijk Museum voor Kunst. Permeke studeerde van 1903 tot 1906 aan de Brugse Academie, waar Achiel Van Sassenbrouck een van zijn medeleerlingen was. In 1906 verbleef hij voor zijn militaire dienstplicht in Gent, waar hij zich aan de Universitaire Compagnie’ inschreef voor avondlessen. Hier ontmoette hij Frits van den Berghe (1883-1939) en de broers Gustaaf De Smet (1877-1943) en Léon De Smet (1881-1966). Na zijn militaire diensttijd keerde hij in 1908 terug naar Oostende waar hij bij Gustaaf De Smet introk. Een jaar later keerde hij terug naar Sint-Martens-Latem, waar hij ook tijdens zijn militaire diensttijd verbleef. Hier woonde hij in kluizenaarschap en zijn werk werd in deze periode gekenmerkt door ‘een zwaar penseel’, met veel expressieve kracht door brutale vormen en donkere kleuren. In 1912 trouwde Constant Permeke en vestigde ze zich in Oostende. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Permeke opnieuw opgeroepen voor militaire dienst en ingezet bij de verdediging van Antwerpen. Hij raakte toen in Duffel zwaargewond en werd vanuit het lazaret van Antwerpen overgebracht naar Groot-Brittannië om te herstellen. Na de oorlog keerde hij terug naar Oostende, waar zijn werk door zijn eigen levenservaringen maar ook door de constante confrontatie met het harde leven van de vissersfamilies in zijn directe omgeving erg duister en depressief was. In de twintiger en dertiger jaren kreeg zijn werk steeds meer waardering en had hij tentoonstellingen in Parijs en in Zwitserland. In 1929 verhuisde hij naar Jabbeke, waarmee het onderwerp van zijn schilder- en tekenwerk veranderde van het harde vissersleven naar het leven van de ploeterende boerenbevolking. (meer…)

DE GESTOLEN DUIT

de gestolen duit 1Het verhaal De gestolen duit komt oorspronkelijk uit Kassel en werd onder de naam Der gestohlene Heller onder het nummer KHM154 door de Duitse taalkundigen Jacob Ludwig Karl Grimm en Wilhelm Karl Grimm opgenomen in hun sprookjesverzameling Kinder- und Hausmärchen (1812-1822). In 1852 begonnen zij met het Deutsches Wörterbuch, dat echter pas voltooid werd in 1961. Het verhaal wil dat de gebroeders Grimm jarenlang door de Duitse landen zouden hebben rondgetrokken om de vele sprookjes te verzamelen. In werkelijkheid werden de teksten hen toegestuurd door vrouwen uit de hogere kringen. De Kinder- und Hausmärchen (KHM) omvat 201 sprookjes en 10 kinderlegenden, waarvan de sprookjes zijn genummerd, de kinderlegenden bleven ongenummerd. Sinds 2005 staat de sprookjesverzameling op de Werelderfgoedlijst voor documenten van UNESCO. Ludwig Bechstein (1801-1860), een andere Duitse verzamelaar van sprookjes, nam het verhaal in 1856 onder de titel Das Hellerrlein en met geringe wijzigingen op in zijn Neues deutsches Märchenbuch.

Het verhaal valt onder de categorie naloop-verhalen. Dat zijn volksverhalen waarin rusteloze zielen steeds op een bepaalde plaats terugkeren omdat een bepaalde zaak niet is opgelost. Dat kan gaan om een belofte die men vanwege het overlijden niet heeft kunnen nakomen of een ongedoopt gestorven kind dat alsnog gedoopt wil worden.

Een voorbeeld hiervan is het volgende korte verhaal: Op een verlaten weg vraagt een geest ’s nachts aan iedere toevallige voorbijganger: “Waar moet ik hem laten?” Mensen beginnen hierdoor de weg te mijden. Tot op een keer een dronken boer de vraag gesteld krijgt en antwoordt: “Waar je hem hebt gevonden.” De geest antwoordt: “Daar heb ik jaren op gewacht.” De geest blijkt een landmeter die een grenssteen op een verkeerde plek had neergezet en daarna overleed. Na de ontmoeting met de boer komt de geest niet meer terug. Moraal van dit verhaal: het blijkt van belang af te maken waar je mee bezig bent voor het einde komt. Als je onverhoeds in je slaap zou komen te overlijden, dan zou je als geest kunnen terugkomen. (meer…)

HET GOFFERTPARK

In 1668 duikt in de Nijmeegse archieven de ‘Evert Reindershoff’ op, die in 1740 onder de naam ‘De Goffert’ terugkeerde toen ene Jonas Reijnen van de raad toestemming kreeg om op de door hem gepachte percelen bouwland gelegen op de ‘Hasencamp’ onder Hatert ‘een huijs off schuur te mogen setten daerinne te stellen een tropje schapen, die althans bij Jan Derkse den Goffert aen de heijde waren leggende en welke schapen aen de heijde soude blijven weijde”. Die Jan Derkse den Goffert (de bijnaam duidde op een groot en dik persoon) bezat of pachtte een boerderij op de toenmalige Malderheide. Later is zijn bijnaam overgegaan op de boerderij, de Goffertboerderij. Die naam kwam pas voor het eerst voor in 1780 toen het Borger Kinderen Weeshuis uit Nijmegen zijn bezittingen op de Malderheide, de zogenaamde Weezenheide, uitbreidde met de aankoop van een hofstede met bouw- en weiland, waarbij werd opgetekend dat deze vanouds Maldenburg, Maldenbij, Maldenbeim of De Goffert werd genoemd en afkomstig was uit de nalatenschap van een zekere kapitein W. Keizer. Sinds 1817 waren de boerderij en omliggende percelen eigendom van het Protestants Kinderen Weeshuis, dat  bij iedereen bekend stond als het Borgeren Kinderen Weeshuis.

In 1921 werd dit terrein De Goffert met een grootte van 63 hectare door de gemeente Nijmegen aangekocht als toekomstig bouwterrein. In 1931 besloot de raad echter om een gedeelte van De Goffert geen woongebied te maken, maar te bestemmen als een voor het publiek toegankelijk bosterrein. Vanaf de eeuwwisseling werden in verschillende Duitse en Engelse steden grote ‘volksparken’ aangelegd, waar stadsbewoners zich konden ontspannen en recreëren. Ze waren een mix van educatieve tuinen, bossen en grote ligweiden waar grootschalige evenementen konden worden gehouden. De parken moesten ook fungeren als groene longen van de vaak snel groeiende steden. Burgemeester Joseph Steinweg moet zoiets in gedachten hebben gehad toen hij in 1932 het idee lanceerde ook in Nijmegen een dergelijk stadsplan aan te gaan leggen. (meer…)

044 – GEUZENWAARD 1

.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.

DE KOLONIEËN VAN BELGIË 4

04 - koning Leopold INederzetting in het Braziliaanse Santa Catarina

Santa Catarina is een deelstaat in het zuiden van Brazilië, gelegen aan de Atlantische Oceaan. Aan het begin van de 19e eeuw was de regering van de jonge staat Brazilië erg geïnteresseerd in het bevolken van de lange kust. Zeker twee eeuwen lang was die kustlijn het doelwit was van Spaanse, Nederlandse, Engelse en Franse expedities en slavenhandel. Brazilië, net iets meer dan twintig jaar onafhankelijk, had een overvloed aan vruchtbare gronden en rijkdom aan ertsen als kolen, ijzer en goud, maar had door de afschaffing van de slavernij een groot tekort aan arbeidskrachten. De Braziliaanse grootgrondbezitters wilden graag arbeidskrachten uit Europa te importeren, dus de regering ging het vestigen van kolonisatiecentra aanmoedigen. Vooral de koffieboerderijen in het zuidoosten van het land trokken massaal Europeanen aan. De Braziliaanse regering had belang bij het bevolken van het zuiden van het land omdat er territoriale geschillen waren met Uruguay dat in 1925 ook zelfstandig werd. een onafhankelijke natie werd. De bevolking van het gebied met Europese migranten die droomden van een eigen stuk grond kon wel eens beslissend zijn bij dat soort conflicten. Vooral de zuidelijke regio was voor Europese erg aantrekkelijk omdat daar nog veel onontgonnen grond was en er een klimaat was dat vergelijkbaar was met dat in Europa. Er was daar een uitstekende mogelijkheid om andere landbouwgewassen te ontwikkelen, dit ter vervanging van suikerriet dat sinds de afschaffing van de slavernij niet langer exploitabel was. In de deelstaat woonde omstreeks 1830-1840 nog veel indianen in de bossen, maar toen er steeds meer kolonisten verschenen werden die steeds meer naar het binnenland verdreven of simpelweg uitgemoord. (meer…)

CIMON EN PERO 20

20 - François-Xavier FabreDe Franse kunstschilder baron François-Xavier Fabre (Montpellier, 1 april 1766 – Montpellier, 16 maart 1837) begon zijn opleiding aan de kunstacademie van Montpellier, waar hij enkele jaren doorbracht voordat hij in Parijs terecht kwam bij het atelier van Jacques-Louis David (1748-1825), de leidende figuur van het neoclassicisme in Frankrijk en erg invloedrijk op vele generaties schilders na hem. Hij schilderde vele ‘nuchtere’ historiestukken en portretten, wat in het werk van Fabre terug te vinden. Ook Fabre schilderde vele historische onderwerpen en portretten. De opleidingen van Fabre werden betaald door de financier en kunstverzamelaar Philippe-Laurent de Joubert, de vader van Laurent-Nicolas de Joubert waarvan Fabre een portret schilderde dat zich nu in het Getty Museum bevindt. In 1787 won Fabre de prestigieuze Prix de Rome, waarna de 22-jarige schilder op reis kon gaan naar Italië. Tijdens de Franse Revolutie woonde hij dan ook veilig in Florence,  waar hij docent werd aan de Florentijnse Academie. Hij werd in Florence  tekenleraar, kunstverzamelaar en kunsthandelaar. Onder zijn leerlingen in Florence was Emilio Santarelli. Hij werd in de stad ook populair onder de Italiaanse aristocraten en toeristen van de stad, die werden aangetrokken door de elegantie, realisme en precisie van zijn portretten. Hij maakte in die periode in Italië vele vrienden, waaronder de toneelschrijver en dichter Vittorio Alfieri (1749-1803), die vaak wordt omgeschreven als ‘de uitvinder van de Italiaanse tragedie’. Alfieri was getrouwd met prinses Louise van Stolberg-Gedern (1752-1824), de vrouw van de Jacobijnse troonpretendent Karel Eduard Stuart van het Verenigd Koninkrijk, die deze echter had verlaten vanwege de slechte manier waarop ze werd behandeld. Nadat Alfieri was overleden trouwde Fabre in het geheim met Louise. Toen Louise in 1824 stierf werd ze begraven in hetzelfde graf als Alfieri, haar grote liefde. Naast de grote graftombe liet Fabre een monument plaatsen, waarvoor hij het grafschrift ter ere van de gravin schreef. De erfenis van Louise ging naar Fabre, die er in zijn geboortestad Montpellier een kunstacademie mee oprichtte. De rest van het geld schonk hij aan het stadsbestuur om er een museum, het huidige Musée Fabre, te openen. Fabre was tot aan zijn dood in 1837 de eerste voorzitter van de kunstacademie en van het museum. Na zijn dood liet François-Xavier Fabre zijn kunstcollectie na aan de stad, wat de basis zou vormen voor het museum. (meer…)

HET STERFBED VAN NAPOLEON – 1

Steuben - Mort de NapoleonHet sterfbed van Napoleon
Arnold Aletrino, De Amsterdammer, 26 december 1915

De 30ste April gaat in kalmte voorbij. Hij voelde zich veel beter; hij heeft geen koorts meer en zijn pols is weer opgekomen. Maar plotseling, tegen middernacht, wordt zijn lichaam koud als ijs en houdt zijn hart bijna met kloppen op; hij heeft geen adem meer en wordt door een hardnekkige hik geplaagd. Vignali richt in de eetzaal het altaar op en begint de gebeden der stervenden te zeggen.
En zijn doodstrijd begint. Den eersten Mei is hij dood-zwak en beklemd. Hij zweet voortdurend, zijn pols is uiterst klein en hij wordt steeds door de hik geplaagd. Hij weigert alles wat men hem wil geven, voedsel en geneesmiddelen en is zóó in de war, dat hij geen der beide geneesheeren, noch Arnott, noch Antommarchi, die den geheelen dag aan zijn bed zitten, herkent, ze herhaaldelijk met den naam Stokoë aanspreekt en vraagt of O’Meara hem niet meer behandelt. 

Den tweeden Mei is hij heelemaal in den war en dicteert aan Marchand – die doet alsof hij schrijft – een testament voor zijn zoon, betreffende zijn bezittingen op Corsica, die hij niet heeft. Zijn ademhaling is kort en snel, hij hikt bijna voortdurend, zijn pols is bijna onvoelbaar en hij braakt nu en dan. (meer…)

AUSSENKAMP 5 – BOIZENBURG

BoizenburgBoizenburg/Elbe is de meest westelijke stad van Mecklenburg, gelegen op het drielandenpunt van Nedersaksen en Sleeswijk-Holstein. Hier stroomt de Boize in de Sude, waarna goede een kilometer verder de Sude in de Elbe uitkomt. De stad wordt nu weer gerekend tot de ‘Metropolregion Hamburg’, waarbij het traditioneel behoorde. In de naoorlogse jaren lag het echter in de DDR en liep de grens precies langs het plaatsje. Een enorme wachttoren iets ten zuiden van Boizenburg herinnert nog aan die tijd en bij het Grenzmuseum Leisterförde, iets ten noorden van Boizenburg, is op originele grootte een stukje van de voormalige muur op de paar kilometer tussen de gehuchten Leisterförde en Fortkrug nagebouwd. Bij binnenkomst van Boizenburg vanuit de richting Hamburg over de voormalige snelweg 5 staan nog twee gebouwen van de voormalige transitcontrolepost 4, waar DDR-volkspolitieagenten van 1973 tot 1990 het autoverkeer richting de grens controleerden en het grensgebied in de gaten hielden. Met een geluidsinstallatie in de toren wordt het leven in het verboden gebied nagebootst, in bijzonder bij ontsnapping en gedwongen deportatie. Vlak bij deze torens staat ook een barak, die getuigt van het voormalige subkamp van concentratiekamp Neuengamme. Het is het enige gebouw dat van het voormalige kamp is overgebleven. (meer…)

JUDITH EN HOLOFERNES – HEER HALEWIJN – HALLOWEEN 7

Lucas Cranach de OudeOok in het zevende deel blijven we nog even in de het verhaal van Judith en Holofernes uit het deuterocanonieke/apocriefe boek Judith. Dat Bijbelse verhaal is in het eerste deel van de serie uiteengezet. Het populaire thema werd door Italiaanse schilders als Donatello, Michelangelo, Botticelli en Caravaggio (tweede deel) geschilderd, maar in de Nederlanden maakte Rembrandt er een lang onbegrepen versie van (vierde deel). In de loop der eeuwen maakte vele andere kunstenaars er hun interpretatie van, tot op de huidige dag (derde deel). In het vijfde deel is teruggegrepen op het relatief onbekende verhaal van Jalila’s moord op de Jemenitische tiran Tubba, een episode uit het Arabische volksepos van al-Zir. Het kan goed de inspiratie zijn geweest voor de latere onbekende Aramese mythe en het bekende Bijbelse verhaal Judith en Holofernes. Tot slot is in het zesde deel beschreven op welke fantastische manier de manier de Oostenrijkse schilder Gustav Klimt de gruweldaad twee maal schilderde, bijna onherkenbaar voor de oppervlakkige kijker.

Aanzienlijk minder onherkenbaar deed dat de Middeleeuwse schilder Lucas Cranach de Oude (Kronach, 1472 – Weimar, 16 oktober 1553), die we eerder hebben gezien in zijn versie van de Drie Gratiën. Cranach heeft veel portretten, religieuze en mythologische werken geschilderd. Niet verwonderlijk we bij hem de Drie Gratiën en Judith en Holofernes tegenkomen. In 1505 werd hij in Wittenberg de hofschilder van Friedrich de Wijze van Saksen. Cranach maakte de rest van zijn leven schilderijen, muurschilderingen en decoraties voor verschillende hertogelijke residenties in Wittenberg. Die muurschilderingen bestaan helaas niet meer. (meer…)

043 – KLEINE GELDERSCHE WAARD

.
Herwen, Kleine Geldersche Waard vanaf de Aerdtseweg bij Herwen, maart 2024, © Frans van den Muijsenberg.

045 – ST. STEVENSKERK 9

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

DE KOLONIEËN VAN BELGIË 3

03 - Kamehameha IIIEen poging in Hawaï die in de kiem werd gesmoord

In 1843 sloot Leopold I een contract met het bedrijf Ladd & Company met in het achterhoofd de gedachte het prille koninkrijk Hawaï te koloniseren. In 1794 had Kamehameha I (1758-1819) van de Britten kanonnen gekocht, wat hem in staat stelde met geweld zijn macht uit te breiden over alle Hawaïaanse eilanden. Alleen Kauai trad in 1810 vrijwillig toe tot het koninkrijk. Een jaar later riep Kamehameha I zich uit tot de eerste koning van Hawaï, dat tot de inlijving in 1893 door de Verenigde Staten een onafhankelijke staat zou blijven. In de eerste jaren van zijn regering slaagde hij er met Britse steun in om een relatief stabiele monarchie op te bouwen en de Russische pogingen te dwarsbomen om op Hawaï een basis te stichten. Onder Kamehameha II (1797-1824) werd in 1819 het oude kastenstelsel afgeschaft, kregen vrouwen meer rechten, werden mensenoffers verboden en werd de Hawaïaanse godsdienst afgeschaft, vooral onder invloed van de komst in 1820 van de eerste Amerikaanse protestantse missionarissen. Onder Kamehameha III (1814-1854) veranderde het land van een absolute monarchie in een constitutionele monarchie. In 1840 kreeg Hawaï een grondwet en parlement. Onder zijn regering had het land te maken met grote epidemieën, overgebracht door de Europeanen en Amerikanen. Ook was er een steeds verdere inmenging van buitenlandse staten. In 1831 werden op advies van protestantse raadslieden de katholieke missionarissen van de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria uitgewezen; ze konden pas na 1839 terugkeren toen het Franse fregat Artémise de haven van Honolulu binnenvoer en de vrijheid van godsdienst afdwong. In 1842 werd een handelsverdrag gesloten met de Verenigde Staten, dat daarna zijn invloed in Hawaï steeds verder uitbreidde. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 55

6 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 1 6 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 2 6 - Julien Vallou de Villeneuve 1853
Foto’s van Julien Vallou de Villeneuve (1795-1866), model Henriette Bonnion.

16 – BIR TAWIL & HALA’IB-DRIEHOEK

Bir Tawil 8Op de grens van Egypte en Soedan ligt een zeer bijzondere regio … the land that no country wants. Een stukje woestijn dat groter is dan Londen en New York, zonder vaste bewoners en alleen interessant voor nomadische groepen die door de uitgebreide woestenij van Egypte en Soedan trekken. Een geschil dat al zo’n 140 jaar oud is en minstens zestig jaar internationale wetgevers voor een lastig probleem plaatst. Het heet Bir Tawil, wat in het Arabisch ‘grote waterbron’ betekent. Dat klinkt een aantrekkelijke plaats in de woestijn, maar noch Egypte, noch Soedan doen enige moeite het gebied aan hun grondgebied toe te voegen.

De geschiedenis van de Bir Tawil gaat terug tot de Britse bezetting van Egypte in 1882. Er werd toen een oplossing voor de korte termijn gezocht om de Britse monetaire belangen in het land te beschermen. Groot-Brittannië wilde hier de lokale handel controleren, het Ottomaanse Rijk verzwakken en zijn positie rond het Suezkanaal versterken. Bovendien was de inbeslagname het startsein voor de Wedloop om Afrika. Voor de Britten een periode van grote instabiliteit omdat de Britse troepen in Egypte meerdere nederlagen leden tegen islamitische nationalisten. De genadeslag werd toegebracht bij het Beleg van Khartoum in 1885 en de nederlaag en dood van generaal Charles Gordon, een keizerlijke held die alom gerespecteerd werd door het publiek. Britse troepen trokken zich terug uit Soedan en zouden pas tien jaar lang terugkeren. (meer…)

JULES BERCHMANS

Berchmans - Soldaten 1Jules Étienne Berchmans (Les Waleffes, 6 mei 1883 – Brussel, 30 december 1951) Was een Belgische schilder en beeldhouwer die in het dorpje Les Waleffes in de Belgische Ardennen werd geboren in een familie van schilders. Zijn vader was de kunstschilder Henri Berchmans (1856-1911), die van 1885 tot 1911 professor was aan de Académie royale des beaux-arts in Luik, waarvan ook de broer Émile-Édouard Berchmans (1843-1914) kunstschilder was, maar vooral en grote reputatie opbouwde als graveur, illustrator en ontwerper van affiches. Émile-Édouard had twee zonen die ook het artistieke pad opgingen: de schilder, graveur en affiche-ontwerper Émile Berchmans (1867-1947) en de beeldhouwer Oscar Berchmans (1869-1950). Jules Berchmans vertrok in 1914 naar Griekenland en sloot zich daar aan bij de École française d’Athènes, een van de zeventien buitenlandse archeologische instituten in de Griekse hoofdstad. De Efa uit 1846 was hiervan het oudste buitenlandse instituut. Vanaf de vroege oprichting tot zeker de Tweede Wereldoorlog kon de prestigieuze instelling cultureel worden gezien als verbonden aan het Franse philhellenisme en politiek gezien met de Franse Oost-Middellandse-Zeestrategie van die tijd. Kort daarna wrak de Eerste Wereldoorlog uit en werd Jules Berchmans gemobiliseerd. Na de oorlog werd hij verbonden aan de Académie des beaux-arts van Brussel. Daar had hij enkele exposities van zijn werk, dat vooral uit beelden van naakten bestond. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 055

055 - Frank StoopmanFrank Stoopman begon als beeldhouwer op de Vrije Academie te Rotterdam, war hij onder meer les kreeg van Veri van Dormolen. Gedurende zijn carrière zijn de inspiratiebronnen voor hem geweest: de klassieke periode, de Renaissance (Donatello, Cellini, Michelangelo), de impressionistische beelden van Rodin en Claudel en beelden uit de latere Art Deco. In de beelden van Stoopman staat de mens centraal, met schoonheid en beweging als de bepalende elementen. Zijn vrouwfiguren zijn uitdagend en nodigen uit om ze aan te raken. Het zijn verstilde figuren waarbij houding en anatomie essentieel zijn. Zijn beelden van kinderen daarentegen zijn een en al beweging waarbij hij er perfect in slaagt om een wereld te creëren die bij de toeschouwer herkenning oproept van het universele ‘kind’. Zelf zegt Stoopman over deze beelden: ‘Voordat het beeld is gecreëerd heb ik me al ingeleefd in het ‘beeld’ dat beeld moet worden. Inleving is de enige weg om herkenning op te roepen dat een beeld wil uitdrukken: zoeken, invoelen en afstand nemen zijn de tools tot het beeld dat ik bedoel. Met name bij kinderfiguren is verstilde beweging en het zoeken naar uitersten in spanning mijn drijfveer. Naast de esthetische kant wil ik ook de schalkse en humoristische kant van het leven in mijn beelden uitdrukken: laten we zeggen met een knipoog’. Stoopman maakte ook een versie van de Drie Gratiën, maar niet als van drie volwassen naakte vrouwen, zoals ze klassiek worden uitgebeeld, maar drie spelende en dansende kinderen. Werken van hem zijn onder meer te vinden in de galerie Lieve Lambrecht in het Belgische Merendree (bij Gent) en galerie Oudenhove te Epe. Daar staat onder meer zijn Drie Gratiën.

(meer…)

042 – KLEINE GELDERSCHE WAARD

.
Herwen, Kleine Geldersche Waard vanaf de Aerdtseweg bij Herwen, maart 2024, © Frans van den Muijsenberg.

044 – DE HOEFKAMP

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, oktober 2006.

DE KOLONIEËN VAN BELGIË 2

02 - Félix de MerodeMet mislukte avontuur in Santo Tomas de Castilla

In 1821 had het huidige Guatemala de onafhankelijke status gekregen, maar de eerste jaren verliep de onafhankelijkheid. De bestuurders vroegen daarom Britse kolonisatiemaatschappijen het helpen met de ontwikkeling van het land.  Als tegenprestatie kregen de Britse maatschappijen een concessie in Guatemala toegewezen. Omdat de Britse maatschappijen rond 1840 failliet gingen, mislukte de samenwerking en ging Guatemala op zoek naar andere landen en maatschappijen om hen bij te staan. Net op dat moment dat koning Leopold I laten weten dat de nieuwe staat België graag ook wilde beschikken over een kolonie, die niet alleen goedkope grondstoffen zou kunnen leveren maar ook een geschikte afzetmarkt moest zijn voor de Belgische industrie. Bovendien wilde België graag wat ongewenste onderdanen (werkelozen, kleine criminelen, kansarmen, mensen van ‘lage zeden’ en avonturiers) willen deporteren naar een afgelegen gebied om een mogelijk binnenlands conflict te vermijden. Er werd onder deze bevolkingsgroepen intensief propaganda gemaakt voor een emigratie met de belofte van ongekende mogelijkheden in het beloofde land ‘Verapaz’. Er werden met valse brieven van zogenaamde migranten uit dit Verapaz in omloop gebracht, die het land bejubelden en ook verschenen er exotische gravures van het paradijs Guatemala. De Belgische agenten die op zoek waren naar een geschikt land kwamen dan ook al snel uit bij Guatemala en deden het Midden-Amerikaanse land een voorstel. (meer…)

SALOMONSOORDEEL 2

02 - Salomon - Gustave DoréIn een gravure uit de Bijbel van 1870, een uitgave van D.A. Thieme te Arnhem, beeldde Gustave Doré koning Salomon af als een oude, maar ook wat vermoeid ogende man. Misschien om zijn oudheid in overeenstemming te laten zijn met de aan hem toegedichte wijsheid, die immers eerder aan ervaren ouderen dan aan onervaren jongeren wordt toegedicht. Het was echter de vraag of de oude Salomon nog steeds zo wijs was als in zijn jonge jaren. Willem de Poorter maakte rond 1640 een schilderij waarop koning Salomon omringd werd door een groep vrouwen, aan de voet van een beeld met Venus en Cupido als symbolen van de aardse liefde. Salomon knielt, er is een priester en de man links brengt nog wat hout voor het altaar. In ‘1 koningen 11’ wordt het hele verhaal over Salomon’s ontrouw verteld:

(1) En de koning Salomo had veel vreemde vrouwen lief, en dat benevens de dochter van Farao: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische. (2) Van die volken, waarvan de HEERE gezegd had tot de kinderen Israëls: Gijlieden zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zekerlijk uw hart achter hun goden neigen; aan deze hing Salomo met liefde. (3) En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijwijven en zijn vrouwen neigden zijn hart; (4) Want het geschiedde in den tijd van Salomo’s ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David. (meer…)

TOTENTANZLIED

Elsa Laura von Wolzogen 2In 1916 componeerde de Nederlander L. van der Lende, waarover verder elke snipper informatie ontbreekt, het nummer De Vlaamse Dodendans, met de terugkerende eindregels in het refrein ‘Vlaand’ren in nood. In Vlaand’ren rijdt de dood. In Vlaand’ren rijdt de dood’. Vlaanderen was op dat moment een van de plaatsen waar in de Eerste Wereldoorlog grote slachtpartijen plaatsvonden, met honderdduizenden slachtoffers bij beide strijdende partijen. De melodie zou teruggaan op een begrafenislied uit het Rijnland of een Nonnentanzlied uit de 15e eeuw. Van der Lende inspireerde zijn anti-oorlogslied op de Eerste Slag om Ieper die in oktober en november 1914 plaatsvond. Op 10 november 1914 viel het Duitse leger aan bij het dorpje Langemarck, met als gevolg zware verliezen in de regimenten die grotendeels bestonden uit jonge militaire vrijwilligers. De Oberste Heeresleitung (OHL) propageerde van de strijd echter een verheerlijkte versie met een andere locatie, wat later bekend zou worden als ‘de Langemarck-mythe. Die mythe werd nog versterkt door de speech van voormalig soldaat Josef Magnus Wehner, die zelf gewond was geraakt aan het westelijk front, bij de huldiging op 10 juli 1932 van het Langemarck-monument op de Duitse militaire begraafplaats Langemark. De tekst van De Vlaamse Dodendans verwijst naar de ruiters van de Apocalyps, zoals beschreven in de Openbaring van Johannes, terwijl personen als de Landsknecht (de huurling), het meisje, de Dood als danser en ruiter doen denken aan personages uit middeleeuwse Dodendans. (meer…)

EDGAR KELLNER – 013

Sjaak GielenVan Edgar Kellner is aanvankelijk slechts bekend dat hij in september 1943 moet zijn geboren en verbleef bij het echtpaar Sjaak Gielen (Venray, 17 mei 1912 – Venlo, 12 maart 1984) (foto links) en Marie Gielen-Janssen (Meerlo, 15 november 1911 – Tienray, 25 juni 1993). Het echtpaar trouwde op 22 april 1939 in Meerlo, waar ze gingen wonen in de buurtschap Moleneind, iets ten noorden van Meerlo, tegenover frietkraam De Hap. De buurtschap Moleneind kent momenteel dertig huizen en heeft 75 inwoners. Dat zal in de oorlogsjaren waarschijnlijk nog iets minder zijn geweest. Het echtpaar is kinderloos gebleven. Eind 1943 heeft men dus de Joodse baby Edgar Kellner in huis genomen, ongetwijfeld op verzoek van mensen uit de groep van Hanna van der Voort, die dit een betrouwbaar en veilig adres vonden. Het echtpaar was snel zeer verknocht geraakt aan het mannetje, dat als nieuwe voornaam Eddie of Jacky schijnt te hebben gekregen. Het enige bericht dat ik over hen vond, sloot af met de kille mededeling: ‘De moeder van het mannetje heeft de oorlog overleefd en het jongetje weer afgehaald’.

Wie was nu deze moeder? Op Joods Monument komt de naam Kellner maar vier keer voor, waaronder Juliana Halberstad-Kellner (Schwarzbach, 10 april 1877 – Auschwitz, 3 augustus 1944), lerares Berta Kellner (Praag, 9 september 1894 – Auschwitz, 17 september 1943) en Lilli Kellner (Keulen, 12 juli 1925). Lilli arriveerde op 22 november 1938 als dertienjarige vluchtelinge in Nederland, waar zij werd opgevangen in enkele verzamelplekken voor Palestina-Pioniers. Van 5 januari 1940 tot 7 december 1942 woonde zij als pupil in het Jeugd-Alijah tehuis in Paviljoen Loosdrechtse Rade te Loosdrecht. Hierna dook zij onder en probeerde vanuit haar onderduikadres samen met zeven andere Palestina-Pioniers naar Zwitserland te ontsnappen. De groep werd echter aan de Belgische grens opgepakt. Lilli Kellner werd op 31 oktober 1942 met transport XVII van Mechelen naar Auschwitz gedeporteerd en is daar op een onbekende datum overleden. Geen van de drie vrouwen kan de moeder van de kleine Edgar Kellner zijn geweest. (meer…)

DE POLITIEK VAN HET KLEINSTE KWAAD

Abraham AsscherBart van der Boom (1964) studeerde na het behalen van zijn atheneumdiploma in Doetinchem een jaar in Minneapolis en daarna Geschiedenis en Amerikanistiek aan de Universiteit van Amsterdam. In 1990 schreef hij een biografie over de NSB’er Kees van Geelkerken (1901-1976), in 1931 een van de medeoprichters van de Nationaal-Socialistische Beweging en sindsdien de vaste rechterhand van Anton Mussert. In 1995 promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op het proefschrift ‘Den Haag in de Tweede Wereldoorlog’. Hij kreeg hiervoor de tweejaarlijkse Littéraire Witte Prijs, een prijs voor een letterkundig werk van een Haagse auteur of over een Haags onderwerp. Daarna publiceerde hij ‘Atoomgevaar? Dan zeker B.B. De Geschiedenis van de Bescherming Bevolking’ (2000), ‘We leven nog. De stemming in bezet Nederland’ (2003) en ‘Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust’ (2012). In dat laatste boek onderzocht hij aan de hand van oorlogsdagboeken wat bij de ‘gewone Nederlander’ in de oorlogsjaren bekend was over de uitroeiing van de Joden. Voor dit boek ontving hij de Libris Geschiedenis Prijs. Met zijn nieuwste boek onderzocht hij het functioneren van de Joodse Raad, ‘…in een poging te onderzoeken hoe goede bedoelingen de weg naar de ondergang plaveiden.’ (meer…)

041 – BOSJE VANAF DE AERDTSEWEG

Herwen, Bosje vanaf de Aerdtseweg bij Herwen, maart 2024, © Frans van den Muijsenberg.

043 – DE HOEFKAMP

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, oktober 2006.

DE KOLONIEËN VAN BELGIË 1

01 - koning Leopold IInleiding

Met de Belgische Revolutie (25 augustus – 4 oktober 1830) werd de facto de afscheiding van de zuidelijke provincies van het Koninkrijk der Nederlanden een feit en werd België onafhankelijk. Koning Willem I van Nederland weigerde echter negen jaar lang halsstarrig de Belgische onafhankelijkheid te erkennen. Aan zijn volhardingspolitiek kwam as een eind met de ondertekening op 19 april 1839 van het Verdrag van Londen, waarmee ook de grenzen tussen beide landen werden vastgesteld. Met de onafhankelijkheid in 1830 kwam in de nieuwe staat onmiddellijk de wens op ook zelf koloniën te bezitten. In de voorgaande twee decennia hadden diverse Vlamingen en Walen belangrijke rollen toebedeeld gekregen in Nederland en haar koloniën. Zo was Leonard du Bus de Gisignies, een hoge ambtenaar en politicus uit de omgeving van Moeskroen, werd in 1818 benoemd als voorzitter van de Tweede Kamer en werd hij op 10 augustus 1825 benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, telkens als eerste Zuid-Nederlander in die positie. Vooral de laatste benoeming werd met argwaan bekeken in Noord-Nederland omdat men een groeiende koloniale invloed vanuit het zuiden bemerkte. De afscheiding werd in België vanaf 1830 economisch goed merkbaar. De belangrijke industriestad Gent verwerkte in 1829 nog 7,5 miljoen kilo katoen, maar dat was in 1832 geslonken tot amper 2 miljoen kilo. In de stad waren veel arbeiders werkeloos geworden en de lonen waren in 1832 gezakt tot net 30% van het loon van drie jaar eerder. Ook in andere industriesteden als Luik en Charleroi waren vergelijkbare cijfers te zien. Voor de havenstad Antwerpen was de ramp nog veel groter. (meer…)

DE WERELD VAN DE KRUIZEN 2

06 - Wiederkreuz89e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

In het eerste deel een algemeen overzicht van de basisvormen van een kruis. Op de swastika, het Griekse Kruis en het Latijnse Kruis zijn een groot aantal varianten in omloop. In dit deel de varianten op de beide laatste. De swastika wordt in een volgend deel besproken.

Bij een kruis waarop op drie of vier van de armen het Griekse Kruis wordt herhaald, spreekt men van een Herkruist Kruis of Wiederkreuz. In Engeland wordt veelvuldig een herkruist kruis met spitse voet gebruikt, maar met name in Duitsland en Roemenië schijnt de variant met vier herkruizingen vaak voor te komen. Er wordt daar dan ook soms gesproken van een Duits Kruis of een Roemeens Kruis. Fraaie voorbeelden zijn de stadswapens van Mertesheim en Neufahrn (Duitsland), Sør-Trøndelag (Noorwegen), Liperi (Finland) en Iwanytschi (Oekraïne) en de Roemeense oorkondes de Orde van de Ster van Roemenië en het Herinneringskruis voor Dames.

Afbeeldingen achtereenvolgend: Brabanterkreuz, Lazaruskreuz, Kruis van Sint-Joris, Krukkenkruis, Kaiser Heinrich Kreuz, Wapen van de Wilgolfsbund, Tatzenkreuz, Jerusalemkruis, Godfried van Bouillon met gele Jerusalemkruis, Ehrenzeichen der Verdienst, Maltezer Kruis, Sint-Janskruizen, Prankenkreuz, Andreaskruis, Vlag van Noorwegen, Vlag van Doniawerstal. (meer…)

DE WERELD VAN DE KRUIZEN 1

00 - Vaterländisches Front88e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Het Oostenrijkse Vaterländische Front waarvan de kunstenaar Rudolf Klaudus in de dertiger jaren lid was, was een nationalistische partij die zich verzette tegen de dreiging van aansluiting met Duitsland en streed voor een ‘sociaal, christelijk en Duits karakter van Oostenrijk. Het symbool van het Front was een rood krukkenkruis, wat behoorlijke associaties opriep met de swastika van de gevreesde noorderburen.

Het kruis was al voor onze jaartelling een sacraal symbool. In het Stenen Tijdperk werden kruizen aangebracht in rotstekeningen, maar in latere perioden werd het kruis gebruikt in Aziatische, Europese en Latijns-Amerikaanse culturen. Voor het christendom was het kruis een heilig symbool, bijvoorbeeld als wagenwiel of zonnekruis als symbool van de zon, als hakenkruis als teken van geluk of als hengselkruis als teken van leven. Oude kruistekens met aparte vormen die vandaag de dag in allerlei vormen en betekenissen nog steeds voorkomen. (meer…)

GERTRUDE VAN TIJN

De gezaghebbende Britse historicus Bernard Wasserstein beschrijft in zijn laatste boek de rol van de Joodse maatschappelijk werkster Gertrude van Tijn bij de concentratie van de Nederlandse Joden in Westerbork en de daarop volgende deportatie naar de Duitse vernietigingskampen. Het verhaal begint in de eerste dagen van april 1941, toen Gertrude van Tijn vanuit Berlijn per vliegtuig aankwam in Lissabon om daar met vertegenwoordigers van de Portugese overheid en het American Jewish Joint Distribution Committee (meestal kortweg de Joint genoemd) in opdracht van de Duitse bezetter in West-Europa te onderhandelen over een grootschalig vertrek van Europese Joden naar geallieerd of neutraal terrein. De missie had weinig kans van slagen omdat de Amerikaanse en Britse overheid nog maar mondjesmaat vluchtelingen toelieten. Van Tijn keerde onverrichter zake terug naar Amsterdam om haar werk voort te zetten bij de afdeling Emigratie van de Joodse Raad. Ze bleef zich daar gedurende de eerste jaren van de oorlog intensief inzetten om zoveel mogelijk mensen via emigratie uit de Duitse klauwen te houden. In een latere fase, toen de kansen op emigratie eigenlijk nog slechts een utopie waren, werd de afdeling omgevormd tot de afdeling Hulp aan Vertrekkenden, die mensen die door de bezetter naar Oost-Europa gedeporteerd werden, voorzag van advies en hulpmiddellen.

Gertrude van Tijn werd op 4 juli 1891 als Gertrud Francisca Cohn in Braunschweig geboren in een welgestelde familie. Als twintigjarige vertrok ze naar Londen, waar ze min of meer toevallig in de vrouwenbeweging terecht kwam. Ze werd er lid van de organisatie van Millicent Garrett Fawcett, die zich in tegenstelling tot de aanzienlijk strijdbaardere suffragettes in de strijd om het vrouwenkiesrecht strikt aan de wet hield. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, kwam Gertrude als veronderstelde ‘vijandelijke buitenlander’ in een loyaliteitsconflict, dat voor haar begin 1915 werd opgelost door het besluit van de Britse overheid dat ze per direct het land diende te verlaten. Ze koos voor het neutrale Nederland, waar ze een nieuwe passie ontdekte: het zionisme. Tot dan hadden zij en haar familie nog maar amper het besef dat ze Joods waren. (meer…)

ANTI-JOODSE MAATREGELEN VANAF 1940

1940
01-07-1940
  Verbod voor Joden om in de luchtbeschermingsdienst te werken.

06-09-1940  Verbod om Joden in overheidsdienst aan te nemen. Joden die al in dienst zijn mogen niet bevorderd worden. Kort daarop wordt dit uitgebreid van departementen en universiteiten naar alle gesubsidieerde instellingen.
26-09-1940  Verbod op publicatie van Joodse kranten, met uitzondering van Het Joodsche Weekblad
05-10-1940 Alle medewerkers aan universiteiten, departementen en gesubsidieerde instellingen moeten een Ariërverklaring invullen over hun afstamming.
22-10-1940  Alle Joodse zakenlieden moeten hun onderneming laten registreren. Deze verordening regelt in grote lijnen ook wie wel en wie niet als Jood beschouwd dient te worden. Hier is deze omschrijving bedoeld om ervoor te zorgen dat de bedrijven niet te makkelijk op naam kunnen worden gezet van anderen. De definitie zal echter later bij de deportaties veelvuldig worden toegepast: Joods is iedereen met drie of meer Joodse grootouders en zelf lid is van een Joodse kerkelijke gemeente of met een Jood is getrouwd.
04-11-1940  Aankondiging dat per 21 november alle Joodse ambtenaren zullen worden geschorst en later ontslagen.
19-12-1940  Verbod voor Joden om Duits huishoudelijk personeel in dienst te hebben.
(meer…)

040 – OUDE RIJN BIJ HERWEN

.
Oude Rijn bij Herwen, maart 2024, © Frans van den Muijsenberg.

042 – WIJKCENTRUM WATERKWARTIER 2

.

Wijkgebouw in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg. 

GUSTAVE DORÉ

Gustave Doré 1867Gustave Doré (Straatsburg, 6 januari 1832 – Parijs, 23 januari 1883) werd geboren in de Rue de la Nuée-Bleue, dat tot 1872 ook de Duitse naam ‘Blauwolken-Gasse had) in Straatsburg als zoon van Pierre Louis Christophe Doré, ingenieur in dienst van het Corps des ponts et chaussées, de overheidsdienst die verantwoordelijk was voor de bouw van bruggen en wegen. Zijn vader, geboren in Koblenz, dat van 1801 tot 1814 onder Frankrijk hoorde, en zijn moeder Alexandrine Pluchart (Parijs, 20 juni 18060 kregen nog twee zonen: Ernest (1830) en Émile Paul (1834), later respectievelijk componist/bankmedewerker en generaal in het Franse leger zouden worden. Van jongsaf kon Gustave zich helemaal aan een kunstopleiding wijden. Gustave Doré had zijn hele leven een sterke band met zijn moeder. Ze was trots op het talent van haar zoon, die ze vaak als een genie omschreef. Zijn vader daarentegen wilde zijn zoon een ​​minder onzekere carrière geven en wilde hem inschrijven aan de École Polytechnique.

Vanaf zijn vijfde toonde Gustave Doré een scherp observatievermogen en uitzonderlijk talent voor tekenen. Zodra hij zijn eerste verfpalet kreeg, maakte hij tekeningen en schetsen. Hij illustreerde zijn schoolschriften en maakte zijn eerste karikaturen, waarvoor mensen in zijn directe omgeving het onderwerp waren. Zijn verbeeldingskracht werd nog versterkt door lezingen en vroege inspiraties, wat uitzonderlijk was voor zijn leeftijd. Doré tekent bijvoorbeeld Mr. Fox, een serie van zes grafiettekeningen geïnspireerd op het werk van de beroemde Franse karikaturist en illustrator Grandville. Omstreeks 1840 maakte zijn enkele ‘verhalen inprenten’, geïnspireerd door twee andere karikaturisten Cham (1818-1879) en Rodolphe Töpffer (1799-1846). In 1840 stelde hij ter gelegenheid van de vierhonderdste verjaardag van de uitvinding van de boekdrukkunst en de inhuldiging van een standbeeld van Gutenberg in Straatsburg, zijn schoolvrienden voor om de historische processie te houden. Hij organiseerde alles, versierde de praalwagens en bestuurde de praalwagen van het gilde van glasschilders. (meer…)

VOORZITTER VAN DE JOODSE RAAD

David CohenDe historicus Erik Somers is sinds 1977 in dienst van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Hij heeft nu aan zijn lange lijst van publicaties over de Tweede Wereldoorlog een boek toegevoegd over en van David Cohen. Deze was tijdens de oorlog, samen met Abraham Asscher, voorzitter van de omstreden Joodse Raad. Deze raad lag al tijdens de oorlog zwaar onder vuur binnen de joodse gemeenschap. Toen al was de centrale vraag of via de werkzaamheden voor de Joodse Raad nu sprake was van onaanvaardbare collaboratie of van een zinvolle poging om erger te voorkomen en nuttige tijdwinst te bewerkstelligen. Een vraag die in wezen nimmer bevredigend beantwoord kan worden. Hoe kan men immers ooit objectief vaststellen tot waar in barre tijden sprake is van zuiverheid en verantwoordelijkheidsgevoel en waar de kritische grens wordt gepasseerd en wordt overgegaan tot verwijtbaar gedrag en laakbaar optreden. Zeker als men in overleg wil treden met een partij die men in essentie vijandig gezind is.

Het boek bestaat in wezen uit twee delen, onderverdeeld in vijf hoofdstukken. De kern van het boek bestaat uit de ‘Herinneringen’ die David Cohen in 1956 op verzoek van de historici Lou de Jong en Sam Presser schreef. Het document zou lang een niet openbaar stuk blijven en pas in mei 1982 worden gepubliceerd in het Nieuw Israëlitisch Weekblad, voorzien van allerlei aanvullingen en commentaren door historici en journalisten. In de hoofdstukken 1 t/m 4 wordt in ruim veertig pagina’s eerst een biografisch schets van het leven van David Cohen gegeven en wordt in een aantal kanttekeningen het functioneren van de Joodse Raad beschreven. Vervolgens wordt ingegaan op de totstandkoming van de ‘Herinneringen” en de reacties in 1982 op de publicatie in het NIW in 1982. Erg nuttige en zeer leesbare stukken, die onontbeerlijk zijn om de ‘Herinneringen’ van David Cohen binnen zijn juiste context te kunnen lezen en begrijpen. (meer…)

15 – PIC DE MONTMALÚS

pic-montmalkus 1Erg mag worden verwacht dat de lange lijst van betwiste gebieden in de diverse talen gelijkluidend zijn. Maar in de Nederlandse lijst wordt melding gemaakt van een dispuut tussen Spanje en Andorra over de grensdemarcatie in het gebied rondom de Montalmus, terwijl dat dispuut in geen van de andere lijsten voorkomt. In de Spaanse lijst is zelfs een keurige plattegrond toegevoegd, waarin Andorra groen gemarkeerd staat. Die kleur geeft aan dat een land met geen enkel ander land een grensconflict heeft. Ook Nederland staat trouwens groen ingekleurd, terwijl we wel degelijk een sluimerende discussie hebben met Duitsland.

In de zoektocht toch opheldering te krijgen, komen we eerst terecht bij een al lang beslecht conflict tussen Frankrijk en Spanje over hetzelfde hoekje in de Pyreneeën. Van 1618 tot 1648 werd Europa geteisterd door de Dertigjarige Oorlog, een reeks conflicten tussen enerzijds de Spaanse Habsburgers en de katholieke staten van het Heilige Roomse Rijk tegenover de protestantse Duitse staten van het Heilige Roomse Rijk, die werden gesteund door naburige Europese machten met een protestantse meerderheid (de Verenigde Provinciën en de Scandinavische staten). Frankrijk ging zich op een gegeven moment ook met de zaak bemoeien om Spanje en Oostenrijk te verzwakken, waar ze goed in slaagde. Hun inmenging zorgde ervoor dat in de oorlog van de Republiek der Nederlanden tegen Spanje de positie van de Spanjaarden zeer snel verslechterde. Met de Vrede van Westfalen werd en eind gemaakt aan een hele reeks van internationale oorlogen, waaronder de Vrede van Münster om onze Tachtigjarige Oorlog te beëindigen. (meer…)

CIMON EN PERO 19

19 - Godfried ZöllnerLang geleden leerde Godfried Zöllner klassiek schilderen aan de Rijksacademie in Amsterdam, maar tien jaar later zei hij het kunstenaarschap opzij en zocht een loopbaan in het zakenleven. Later ging het toch weer kriebelen en begon weer te schilderen. Hij werkt al weer jarenlang aan grote realistische schilderijen (200×100 cm.) en tekeningen met indringend geschilderde moralistische thema’s in een klassieke barokke stijl. In de negentiger jaren gaf hij les in aquarelleren aan de Gooise Academie te Laren. Zijn werk is opgenomen in collecties in Bonn, Amsterdam, Den Haag, Parijs en Houston. Over zijn versie van Cimon en Pero schreef Zöllner: ‘Het is een fors ding, 1 x 2 meter, als je het in mijn atelier ziet staan, … maar een bescheiden werk als het in een grote ruimte zou hangen, bijvoorbeeld in een kerk. Voor dat soort plekken maak ik mijn werk. Voor een ruimte waar je als toeschouwer de tijd neemt om goed te kijken, waar je een houding aanneemt om na te denken, of die je binnenstapt als je bijvoorbeeld even devoot wil zijn. Misschien zijn mijn schilderijen wel deuren naar spiritualiteit, contemplatie. Ik zie het niet snel in iemands huiskamer hangen, maar in een aardige hal zou het best wel kunnen. Als je vluchtig kijkt, dan schrik je misschien van de roze en rode bloederige kleuren en van de verwrongen lichaamsdelen, maar ik hoop natuurlijk altijd dat iemand zich verdiept in het waarom en het hoe. Dit schilderij is bijvoorbeeld juist een heel hoopvol werk. Ik geloof wel dat je dat ontdekt als je de tijd neemt om er naar te kijken. In de Renaissance en Barok was deze legende nog een geliefd thema. Rubens maakte er bijvoorbeeld een groot schilderij van, Rembrandt een ets en ook schilders die bij het grote publiek niet meer bekend zijn, maakten gretig gebruik van het dankbare thema. En ik sluit aan bij deze traditie. Ik hou van dat grote verhaal, de gruwelijkheid ervan en ook de grote schoonheid. Ik heb de kronkelende oude vader geschilderd, met zijn tong uit zijn mond van de dorst. Daarnaast de lieflijke dochter en daarboven de bewonderende cipier. In één beeld drie grote emoties.’ (meer…)

AMÉLIE LE GALL

Amelie Le Gall 1Amélie Le Gall (Quintin, Bretagne, 19 maart 1869 – ?) was een Franse wielrenster, die ook de namen Lisette Marton, Mille Lisette en Lisette de Quintin gebruikte. Ze was het jongste van de vijf dochters en een zoon van Marie en Louis Le Gall, een timmerman en houthakker. Als klein meisje moest ze als herderin meehelpen in het karige inkomen van het grote gezin aan te vullen. In 1882 verhuisde het gezin naar Puteaux, een klein plaatsje aan de Seine, dat inmiddels geheel door Parijs is opgeslokt. Daar moest ze op dertienjarige leeftijd gaan werken in een fabriek. Door het loodzware leeftijd, de lange werkdagen en waarschijnlijk slechte woonomstandigheden van het gezin was haar gezondheid wankel. Ze viel meerdere keren per week flauw. In 1891 ontmoette ze Émile Christinet, een 42-jarige elektricien uit Zwitserland, die tegenover de fabriek in een winkel werkte. Het leeftijdsverschil belette niet dat het stel een jaar later trouwde. Christinet was wielrenner en lid van de Franse Touring Club. Hij adviseerde haar na ruggenspraak met een arts ook te gaan fietsen. Hierna herstelde Amélie snel. Binnen een maand of vier knapte ze zienderogen. Vanaf 1893 trainde ze onvermoeibaar op steeds langere routes door de regio, tot wel honderd kilometer, wat haar een ijzeren gezondheid gaf.

In de zomer van 1894 reed Amélie onder de wielrennaam Lisette Marton haar eerste wedstrijd, in Courbevoie bij Parijs een rit over twee kilometer. Vijf dames namen aan de wedstrijd deel. Lisette staat geheel links op onderstaande foto. Op 16 augustus dat jaar stond ze aan de start van een koers over twintig kilometer die door de krant L’Écho de Paris werd gesponsord in de Normandische badplaats, die beroemd is geworden door Marcel Proust. De man met de bolhoed en zwarte snor is Émile Christinet, met wie ze twee jaar eerder getrouwd is. Lisette wordt tweede achter de Belgische Hélène Dutrieu. Tien dagen later, op 26 augustus 1894, startte ze in een wedstrijd van honderd kilometer voor dames en heren in Longchamp in het Bois de Boulogne. Ze eindigde als achtste, elf minuten achter winnaar Louis Méline, maar ze werd daarmee wel de snelste vrouw en gekroond tot Franse kampioene. Eind november 1895 eindigde ze bij de Six Days in het Royal Aquarium in Londen als tweede achter de Engelse Monica Harwood, maar op 2 mei 1896 versloeg ze Harwood wel. Op 1 oktober vestigde ze een nieuw uurrecord op de baan met een gangmaker op de Vélodrome Buffalo in Parijs: 43 kilometer en 46 meter. Daarmee verbeterde ze Dutrieu’s vorige uurrecord van 39,190 km uit hetzelfde jaar. De Franse krant Le Petit Parisien beschreef haar: ‘We vinden dat mademoiselle Lisette een zeer klein postuur heeft, met een stevig frame en een stevig been met een mannelijke uitstraling, met een blik vol energie en kracht.’ (meer…)

039 – TIERGARTEN KLEVE 3

.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

041 – WIJKCENTRUM WATERKWARTIER 1

.

Wijkgebouw in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg. 

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 54

 5 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 3 5 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 2 5 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 1
Foto’s van Julien Vallou de Villeneuve (1795-1866), model Henriette Bonnion

GLUËNDE GERRIT

gloeiige 6De schilder, illustrator, boekbandontwerper en schrijver Gustaaf van de Wall Perné (Apeldoorn, 18 mei 1877 – Amsterdam, 27 december 1911) nam in zijn postuum uitgegeven Veluwse Sagen, bundel II (1912) het verhaal De Woeste Hoeve op, waarin Gluënde Gerrit de hoofdrol speelde.
De Woeste Hoeve was al in de Middeleeuwen een uitspanning op het kruispunt van de oude Hanzeweg van Arnhem naar Deventer en de hessenweg van Steenderen naar Barneveld. Er ontstond later het gehucht ‘op Woest Hoef’, dat helemaal is verdwenen, maar nadat de oude herberg was afgebrand werd op dezelfde locatie een nieuwe uitspanning gebouwd. In 1811 verbleef keizer Napoleon Bonaparte hier met zijn tweede echtgenote, Marie Louise. Ook koning Willem III bezocht de herberg regelmatig, op doorreis naar paleis het Loo. De Woeste Hoeve is vooral bekend vanwege de aanslag op SS-generaal Hanns Albin Rauter in de nacht van 6 maart op 7 maart 1945, waarna als represaille honderden gevangenen door de Duitsers werden geëxecuteerd.
Een gloeiige is in het volksgeloof een geest of spookverschijning, namelijk een gedaante die ’s nachts opdook in moerassen en drassige heidevelden. Een gloeiige werd ook wel vuurman genoemd en dan is er vaak sprake van vuurballen. De verklaring van deze waarnemingen is waarschijnlijk dat in moerasgassen op onverklaarbare manier licht werd gezien, wat bijvoorbeeld wolken glimwormpjes waren. Het volksgeloof vertaalden het dat het personen die na hun dood rondspookten en probeerden een vreselijke fout te herstellen om eindelijk rust te vinden. Eerder zagen we zo’n mythe al opduiken in het verhaal bij Blaauw Garrit en bij Dove Peter en Dove Waander. (meer…)

ABRAHAM ASSCHER

Abraham Asscher werd op 19 september 1880 in Amsterdam geboren. Zijn vader en diens broer werkten in de diamanthandel en hadden in 1891 een eigen bedrijf opgericht, de Diamantmaatschappij. Later werd Abraham Asscher de directeur en enige aandeelhouder van het bedrijf. Onder zijn leiding verwierf de firma wereldwijde bekendheid. Het absolute hoogtepunt in de geschiedenis van Asschers diamantfabriek was ongetwijfeld het slijpen van de Cullinan, de grootste diamant die ooit ter wereld werd gevonden. Asscher behoorde van jongs af tot de Joodse religieuze elite, hoewel hij zeker geen orthodox levende of vroom opgevoede Jood was. Slechts op hoogtijdagen bezocht hij de synagoge. Zijn politieke betrokkenheid was beduidend groter dan zijn religieuze engagement. Al op jeugdige leeftijd was hij de lijsttrekker en fractievoorzitter van de Liberale Staatspartij, waarvoor hij in 1917 lid werd van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Zoals gebruikelijk onder de Joodse religieuze elite waarvan hij een prominent lid was, had Asscher een enorme afkeer van het socialisme, de politieke stroming die juist onder het Joodse proletariaat een enorme aanhang kende. Als belangrijk industrieel en vooraanstaand politicus was hij een man met grote status binnen de Amsterdamse wereld en verbonden aan bijna alle belangrijke Joodse instituten en commissies. Asscher was een man die alles groots aanpakte. Het liefst sprak hij voor volle zalen met prominente mensen in het publiek. Als bestuurder en vertegenwoordiger van de Joodse gemeenschap volgde hij dr. Dünner op als voorzitter van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, de koepelorganisatie van de Joodse gemeenten in Nederland. Verder maakte hij deel uit van het bestuur van de kerkenraad van de grootste lidorganisatie van deze koepel, de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge Amsterdam . Ook zat hij in het bestuur van Keren Hajesod, een opbouwfonds voor Palestina. Vanwege zijn grote verdiensten benoemde men hem in 1935 tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Die onderscheiding kreeg hij opgespeld in aanwezigheid van vele vooraanstaande mensen uit politiek en bestuurlijk Nederland. (meer…)

DAVID COHEN

David Cohen werd op 31 december 1882 te Deventer geboren als oudste zoon van koopman, makelaar en taxateur Hartog (Herman) Cohen en Rebecca van Essen. Later zouden nog drie broers en één zus volgen. Hij doorliep in zijn geboortestad de lagere school, de Joodse godsdienstschool en het gymnasium; daarna studeerde hij klassieke talen in Leipzig, Göttingen en Leiden. Zijn grote belangstelling ging uit naar egyptologie, papyrologie en de Joodse geschiedenis. Vanaf 1910 combineerde hij zijn studie met een baan als leraar aan het Nederlands Lyceum in Den Haag. In 1912 promoveerde hij in Leiden cum laude op een proefschrift over de Joodse geschiedenis in de Hellenistische tijd. In 1922 werd hij privaatdocent aan de Rijksuniversiteit Leiden en twee jaar later aan deze universiteit bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de Hellenistische tijd. In 1926 werd hij gewoon hoogleraar in de Oude Geschiedenis en de Griekse en Romeinse Antiquiteiten aan de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam (de huidige Universiteit van Amsterdam), een functie die hij tot 1953 zou vervullen. Cohen was een hoogleraar die zijn vakgebied in de volle breedte beheerste, maar meer docent dan onderzoeker was. Tot oorspronkelijk wetenschappelijk werk kwam hij weinig, zijn voorliefde ging uit naar het onderwijs. Hij verzorgde enkele belangrijke leerboeken over de klassieke oudheid en begeleidde vele promovendi. Deze klassieke oudheid was voor hem de ideale wereld, waarin het goede en schone overheerste. Hij haalde uit deze wereld zijn voorbeelden om te tonen hoe de moderne wereld vormgegeven diende te worden. Hij was bepaald geen kamergeleerde, zoals hij door sommigen ten onrechte werd genoemd, maar iemand die erg betrokken was bij de actualiteit en vol mededogen voor de onderdrukten in de samenleving. (meer…)

JUDITH EN HOLOFERNES – HEER HALEWIJN – HALLOWEEN 6

Gustav KlimtHet zesde deel van een serie over de manier waarop het Bijbelse verhaal over Judith en Holofernes in de Middeleeuwen zijn eigentijdse vertaling kreeg in de geschiedenis van Heer Halewijn, waarna het in de huidige tijd in een sterk aangepaste stijl voortleeft als Halloween. En nog steeds zijn we in dit zesde deel nog pas bij Judith en Holofernes. In het eerste deel van de serie is ingegaan op het verhaal over Judith en Holofernes uit het deuterocanonieke/apocriefe boek Judith. Dat verhaal was waarschijnlijk weer gebaseerd op een Aramees origineel van 100 v.Chr. De stad Betulia werd belegerd door de legendarische Holofernes, een gevreesd legeraanvoerder, die van Nebukadnessar II, de machtigste koning van het Nieuw-Babylonische Rijk, de opdracht kreeg de hele wereld te veroveren. Het enorme Assyrische leger trok naar het westen en leek onoverwinnelijk. Judith, een rijke, vrome en aantrekkelijke weduwe, wist de stadsbestuurders ervan te overtuigen op God te vertrouwen en de stad niet over te geven. Samen met een bediende trok ze naar de Assyrische legerkamp, waar ze Holofernes wist te verleiden en uiteindelijk te onthoofden. De bediende nam het hoofd in een reiszak mee terug naar Betulia, waar het op de stadsmuur tentoon werd gesteld. Het Assyrische leger sloeg op de vlucht, op de hielen gezeten door de Joodse belegerden. Het dramatische en bloederige verhaal werd rond 1600 door veel kunstenaars opgepakt, in de periode dat de katholieke kerk in felle strijd was met het protestantisme en een moord in het kader van de bestrijding van ketterij niet als een misdaad maar als een heroïsche, bijna heilige daad werd gezien. (meer…)

038 – SONDERWYCKSTRASSE TE ELTEN 2

.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

040 – SPOORBRUG 2

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, de Spoorbrug, Landhoofd en Snelbinder, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg

AUSSENKAMP 4 – BAD SASSENDORF

Bad Sassendorf 2In maart 1942 werd door SS-Obergruppenführer Oswald Pohl het SS-Wirtschafts-Verwaltungshauptamt (SS-WVHA) opgericht, dat twee andere organisaties die onder leiding van Pohl stonden combineerde: het SS-Hoofdbureau voor Bestuur en Economie en het Hoofdbureau voor Begroting en Gebouwen van het Rijksministerie van Binnenlandse Zaken. De WVHA, dat nauw samenwerkte met de SS, beheerde de industrieën, ambachten en bedrijven van de SS in de concentratiekampen en voegde deze samen in hun eigen bedrijven. Vanaf 1942-1943 stond het hele concentratiekampsysteem onder de exclusieve controle van Oswald Pohl. De SS-WVHA bestond uit vijf bureaugroepen: Bureau A: Troepenadministratie onder SS-brigadeleider Heinz Fanslau ; Bureau B: Troepenbeheer onder leiding van SS-groepsleider Georg Lörner, Kantoor C: Bouw onder leiding van SS-groepsleider Hans Kammler, Bureau D: Concentratiekampsysteem onder SS-groepsleider Richard Glücks en Office W: Zakelijke ondernemingen onder direct beheer van Pohl. (meer…)

14 – ACHZIVLAND

Achzivland IsraelVan de zesde tot vierde eeuw voor Christus was Az-Zeeb een Kanaänitische stadje aan de kust van Fenicië. De Feniciërs ontwikkelden de haven van Az-Zeeb, die een belangrijke basis was voor hun maritieme commerciële reizen. Ze verfijnden hier ook de glasindustrie en creëerden geweven stoffen die paars gekleurd waren met een kleurstof geproduceerd uit de Middellandse Zeeslak. Vele van deze glaswerken bevinden zich in het Hecht Museum van de Universiteit van Haifa. In de tijd van de Kruisvaarders werd het tot een gefortificeerde stad werd omgebouwd en heette toen Casale Umberti, naar de ridder Hubert van Pacy, die het in bezit kreeg van de kruisvaarderskoning Boudewijn I nadat die in 1104 bij de Slag om Akko deze stad en omliggende gebied met buitensporig geweld had veroverd. De Mammelukse legeraanvoerder Baibars veroverde het plaatsje in 1271 in zijn veldtocht tegen de Syrische kruisvaardersburchten Chastel Blanc en Krak des Chevaliers, de laatste christelijke bolwerken. Hij zou vanaf 1273 tot zijn dood in 1277 sultan van Egypte en Syrië zijn. Az-Zeeb werd een behoorlijk onbeduidend Palestijns vissersdorpje. De meeste ruïnes die vandaag de dag zichtbaar zijn, zijn de overblijfselen van het oude dorp en het kruisvaardersfort dat hier lag. (meer…)

DE EERSTE VREDESPOGINGEN VAN PIUS XII

StrevenVan 6 februari 1922 tot 10 februari 1939 was Pius XI (1857-1939)hoofd van de rooms-katholieke kerk. Tijdens het interbellum werd hij geconfronteerd met de opkomst van communistische en fascistische regimes en bedreigingen voor de kerk en religie. Hij liet in zijn regeerperiode van 17 jaar maar liefst 31 encyclieken uitvaardigen, die erg richtingbepalend waren voor het denken en optreden van katholieken en het kerkinstituut. Veel van de encyclieken waren krachtige diplomatieke protestnota’s tegen maatschappelijke ontwikkelingen. In Iniquis Afflictisque (1926), Acerba Animi (1932) en Nos es muy conocida (1937) veroordeelde hij in harde bewoordingen de vervolging van rooms-katholieken in Mexico. In Dilectissima Nobis (1933) en Non abbiamo bisogno (1931) deed hij datzelfde over de positie van de kerk in Spanje en Italië. In andere encyclieken veroordeelde hij de destructieve gevolgen die de leer van Karl Marx had op de kerk en op de samenleving, specifiek in de Sovjet-Unie. Zijn bekendste encycliek is de Duitstalige Mit brennender Sorge van 14 maart 1937 over de toestand van de katholieke kerk in Duitsland. Het nationaalsocialisme met haar racisme werd scherp veroordeeld en de totalitaire staat afgewezen. Deze encycliek werd hoofdzakelijk geschreven door zijn pauselijke staatssecretaris Eugenio Pacelli, de latere paus Pius XII. Pius XI sloot in 1929 met de fascistische regering van Italië ook het Verdrag van Lateranen, waardoor de soevereiniteit van Vaticaanstad erkend werd met de paus als staatshoofd. (meer…)

DAVID EN DUIFJE GANS – 012

Duifje Gans 2Op Bataviastraat 38-2 (het huidige nummer 31) in Amsterdam woonde vanaf 1939 het gezin van Aron Gans (Amsterdam, 9 november 1905 – Amsterdam, 17 augustus 1986), die knecht was bij een expeditiebedrijf. Aron was op 23 juli 1930 in het huwelijk getreden met Rijntje van Gelderen (Amsterdam, 23 mei 1912 – Amsterdam, 3 januari 1939), die al op 26-jarige leeftijd overleed. Het echtpaar had vijf kinderen: David, Duifje, Esther, Dora en Mozes. Aron hertrouwde op 24 januari 1940 met Josephina Loyen (Antwerpen, 9 januari 1902 – Amsterdam, 30 januari 1985). De ouders van Aron, de poelier David Gans (1881-1943) en Esther Gans-Lisser (1880-1943), hadden negen kinderen, waarvan zeven kinderen en hun partners en 24 kleinkinderen in de oorlog werden vermoord. Een nabestaande schreef over de omgekomen familieleden deze tekst: ‘Wij zijn nu zestig jaar bevrijd, maar jullie is niet eens een graf bereid. Jaren zijn jullie belaagd en toen zo maar weggevaagd. We zijn beroofd van alle mooie dingen waarmee we elkaar hebben kunnen omringen. Het was voor de nabestaanden ook geen leven, want waar waren jullie in vredesnaam gebleven? Waar moesten we jullie zoeken gaan? Maar nu is er een laan in Sobibor gemaakt om te gedenken. Daar hebben we jullie een boom kunnen schenken. Een boom met een steen met jullie namen erop geschreven. Een steen, een monument een mensenleven.’ Ook de familie van Rijntje van Gelderen kende tientallen personen die in de Duitse concentratiekampen weden vermoord: haar beide ouders Manuel van Gelderen (1882-1942) en Ester van Gelderen-Hilversum (1894-1942), acht van hun kinderen en vele kleinkinderen. (meer…)

WILLEM MULDER / COR VAN RIJN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Twee van de zeventien terechtgestelden waren:

Willem Mulder (Amsterdam, 20 december 1888), was een leraar scheikunde te Amsterdam, maar op de slachtofferlijst van Kamp Amersfoort wordt ‘kantoorbediende’ als beroep opgegeven. Er is slechts een jeugdfotootje van hem beschikbaar, want hij moet in de oorlogsjaren eind vijftig zijn geweest. Er is verder alleen nog maar van hem overgeleverd dat hij waarschijnlijk betrokken was bij Vrij Nederland en verspreiding van illegale bladen. Dat ‘waarschijnlijk’ is veelzeggend. Er moet een relatie zijn geweest met de groep-Schimmelpenninck en Ordedienst, maar meer dan dat hij onderdak heeft geboden aan Cor van Rijn is niet te achterhalen. Samen met deze Cor van Rijn werd hij op 16 april 1942 opgepakt. Hij heeft dus in elk geval een tijd doorgebracht in kamp Amersfoort en is van daaruit vervoerd naar kamp Haaren. Hij was een van de leden van de Ordedienst die op 27 april 1943 in kamp Haaren ter dood werden veroordeeld en op 3 mei 1943 op de Leusderheide werd geëxecuteerd. Deze fusilladeplaats van het kamp lag op een paar honderd meter afstand van begraafplaats Rusthof te Amersfoort. Veel geëxecuteerden zijn later herbegraven op deze begraafplaats, waaronder de 17 geëxecuteerden van het Tweede OD-proces. Er liggen verder 150 slachtoffers uit Kamp Amersfoort begraven, waaronder verzetsstrijders,politieke gevangenen, gijzelaars en onderduikers. Ook Willen Mulder heeft waarschijnlijk hier zijn laatste rustplaats. (meer…)

037 – SONDERWYCKSTRASSE TE ELTEN 1

.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

039 – SPOORBRUG 1

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, de Spoorbrug, Landhoofd en Snelbinder, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg

JACOB KNOL

Jacob KnolJacob (Jaap) Knol (Amsterdam, 17 april 1914 – Gröditz, 19 maart 1945) was het oudste kind van Hendrik Knol (Amsterdam, 19 oktober 1889) en Elisabeth Cornelia Batteram (Weesp, 14 januari 1889) die op 26 juni 1913 in Weesp in het huwelijk waren getreden. Hij woonde bij het uitbreken van de oorlog op de Donarstraat 5 – 3 hoog in de Amsterdamse Stadionbuurt. Op 21 augustus 1940 trouwde Jacob Knol de 26-jarige leeftijd met Clasina Johanna de Jager. Hij werkte als kantoorbediende bij een bank en volgde een avondstudie boekhoudkunde om leraar middelbaar onderwijs te worden. Hij was als belijdend lid van de Gereformeerde Kerk in Amsterdam-Zuid ook erg geïnspireerd in de politieke ontwikkelingen in Nederland en Duitsland. Deze Gereformeerde Kerk zat in eerste instantie in de Schinkelkerk, op de hoek van de Amstelveenseweg en de Eerste Schinkelstraat, pal naast het Vondelpark. Het tamelijk sobere vormgegeven bakstenen gebouw was gebouwd toen in de Nederlandse Hervormde Kerk in 1886 onder onder leiding van dominee Abraham Kuyper een scheiding plaatsvond, de Doleantie. De Schinkelkerk werd in 1890 opgeleverd naar ontwerp van architect Tjeerd Kuipers (1857-1942). Op dat moment lag de kerk nog in de gemeente Nieuwer-Amstel, maar in 1896 en 1921 werd de gemeente door Amsterdam geannexeerd. In 1924 hield dominee Johannis Geelkerken de deze kerk een preek waarin hij in de ogen van een broeder te losjes sprak over het bijbelboek Genesis, specifiek de vraag of de slang in het paradijs nu wel of niet letterlijk had gesproken. De dominee werd na veel gedoe ontslagen en begon met aanhangers in 1926 een nieuw kerkverband: de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, die de Parkkerk toegewezen. In 1930 nam de Gereformeerde Kerk in de Apollobuurt aan het Raphaëlplein 27 haar tweede kerk in gebruik, de Raphaëlkerk. De Schinkelkerk bleef tot 1975 in gebruik en kende daarna tal van bestemmingen: duiksportcentrum, tuincentrum, antiekwinkel en sinds 2019 een sportschool. (meer…)

OLYMPISCHE SPELEN STOCKHOLM 1912 – 2

Tijdens die zesde editie van de moderne Olympische Spelen in Stockholm in 1912 (na Athene 1896, Parijs 1900, St. Louis 1904, Athene 1906 en Londen 1908) werd voor het eerst het onderdeel Kunstwedstrijden aan het programma van de Olympische Zomerspelen toegevoegd. In de vijf categorieën Architectuur, Literatuur, Muziek, Schilderen en Beeldhouwen werden dus medailles uitgereikt voor werken die op de sport waren geïnspireerd. De kunstwedstrijden werden voor het laatst bij de Spelen van 1948 in Londen op het programma gezet. Vanaf 1952 werden niet langer medailles aan kunstenaars uitgedeeld en weerden de Spelen omlijst met een niet-competitief en cultureel festival. Achteraf bepaalde het Internationaal Olympisch Comité (IOC) dat de kunstwedstrijden eigenlijk nooit een officieel onderdeel was geweest van de Olympische Spelen. De ‘wedstrijden’ komen dan ook niet meer voor in de olympische database en medaille-overzichten.

Daar is heel wat voor te zeggen. In de categorie Literatuur ging de medaille naar Pierre de Frédy, baron de Coubertin, de grondlegger van de moderne Olympische Spelen. Hij had voor de competitie onder het dubbele pseudoniem Georges Hohrod en M. Eschbach zijn boekje ‘Ode au Sport’ ingestuurd. Een niemendalletje in het Duits en Frans, waarin op acht pagina’s de grote bijdrage aan de wereldvrede werd bezongen. Twee jaar later stond dezelfde wereld in brand. Er werden geen zilveren en bronzen medaille uitgereikt., terwijl er toch vijf andere inschrijvingen waren: de Fransen Marcel Boulenger (1873-1932), Maurice Pottecher (1867-1960), Gabriel Letainturier-Fradin (1864-1949) en Paul Adam (1862-1920) en de roemruchter Italiaan Gabriele D’Annunzio (1863-1938). Allemaal aanzienlijk betere schrijvers dan de prijswinnaar, maar die had dan weer het voordeel voorzitter van de Olympische organisatie te zijn. (meer…)

OLYMPISCHE SPELEN STOCKHOLM 1912 – 1

Tussen 5 mei en 22 juli 1912 werden in Stockholm de Olympische Zomerspelen 1912 gehouden, officieel de Spelen van de V Olympiade. Eigenlijk de zesde keer dat de moderne Olympische Spelen werden gehouden, na de edities van Athene 1896, Parijs 1900, St. Louis 1904, Athene 1906 en Londen 1908. De tussentijdse editie van 1906 werd nooit echt meegeteld. Er deden 28 landen en 2.408 deelnemers, waaronder 48 vrouwen, mee aan 102 evenementen in 14 sporten. Met uitzondering van tennis (vanaf 5 mei) en voetbal en schieten (beide vanaf 29 juni) werden de wedstrijden binnen een maand gespeeld met een officiële opening op 6 juli. Het waren de laatste Olympische Spelen die massief gouden medailles uitreiken en ook de Spelen waarin voor het eerst een Aziatisch land deelnam, Japan vaardigde twee atleten af. Ook waren er nieuwe onderdelen, zoals kunstwedstrijden, duiken en zwemmen voor vrouwen, de 5.000 en 10.000 meter voor mannen, de tienkamp en moderne vijfkamp. Een noviteit was de invoering van elektrische timing in de atletiek. Gastland Zweden verbood verder het boksen en kunstschaatsen, dat laatste ter bescherming van hun Nordic Games, uiteindelijk de voorloper van de Olympische Winterspelen. Bovendien hadden de organisatoren het hele programma ontdaan van alle overtolligheden, wat betekende dat slechts veertien disciplines werden overgehouden. Dat optreden en met name de verwijdering van ‘the noble art of selfdefense’ was voor het Internationaal Olympisch Comité (IOC) aanleiding te besluiten dat vanaf dat moment een organiserend land niet langer meer verantwoordelijk was voor de samenstelling van het olympisch programma. In de medaillespiegel stond de Verenigde Staten bovenaan (25 keer goud), maar won Zweden de meeste medailles (65 keer). België won zes medailles en Nederland slechts drie bronzen medailles. (meer…)

CIMON EN PERO 18

18 - Gerrit van HonthorstGerard Hermansz. van Honthorst (Utrecht, 4 november 1592 – Utrecht, 27 april 1656) was de zoon van een decoratieschilder en kreeg zijn opleiding van zijn vader en van Abraham Bloemaert. Hij reisde voor zijn verdere opleiding naar Italië, waar hij vanaf 1616 Venetië, Florence en Rome bezocht. Hij werkte er veel samen met Guido Reni, met wie hij een belangrijke beschermheer had in wiens paleis ze mochten wonen en kennis maken met de indrukwekkende kunstcollectie in het paleis, waaronder veel werken van Caravaggio. Van Honthorst zal later doorgaan voor een van de meest begaafde volgelingen van Caravaggio en een vooraanstaand lid van de Utrechtse caravaggisten. Hij was van die groep kunstenaars een van de weinige schilders met een internationale faam. Hij kreeg in Italië belangrijke opdrachten. In 1620 keerde hij terug naar Utrecht, waar hij twee jaar later lid werd van het Sint-Lucasgilde. Hij kon er na enkele jaren een groot huis kopen, waar hij een atelier met ongeveer 25 leerlingen had. Hij kreeg opdrachten van de Engelse koning Karel I. Honthorst stond toen op het hoogtepunt van zijn roem. Hij kreeg van het koningshuis een goed paard, het Engelse staatsburgerschap en een jaargeld. Nieuwe opdrachten kwamen van prins Frederik Hendrik en van koning Christiaan IV van Denemarken. Om aan de vraag te kunnen voldoen opende hij in 1637 een tweede atelier in Den Haag, op het Westeinde. Gerard van Honthorst werd in Den Haag de hofschilder van stadhouder Willem II en werkte mee aan de decoratie van de paleizen in Rijswijk en Honselersdijk en het Huis ten Bosch. Hij schilderde veel portretten, die nu te bewonderen zijn in het gebouw van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Uiteraard heeft ook het Rijksmuseum een behoorlijk aantal van zijn schilderijen. Honthorst schilderde historiestukken (Bijbelse, mythologische, allegorische en literaire onderwerpen), genrestukken van drinkers en muzikanten en talloze portretten. Zijn reputatie berust voornamelijk op zijn Caravaggistische periode, waarin de bron van het licht niet te zien is, maar Gerard van Honthorst week daar van af door juist wel de lichtbron te schilderen, vaak een kaars. Zijn versie van Cimon en Pero is daar een mooi voorbeeld van. (meer…)

FRITZ TODT EN ZIJN ORGANISATION-TODT

Fritz TodtFritz Todt werd op 4 september 1891 in Pforzheim geboren als zoon van een industrieel. Van 1911 tot 1920 studeerde hij in Karlsruhe en München  voor bouwkundig ingenieur. Een studie die tijdens de Eerste Wereldoorlog werd onderbroken door in het Duitse leger te dienen als officier en vliegtuigwaarnemer, waarbij hij in augustus 1918 zwaargewond raakte. Van 1921 tot 1925 werkt hij bij een waterkrachtcentrale en daarna tot 1933 als technisch directeur bij Sager & Wörner, een bedrijf dat actief was in de wegenbouw. Het bedrijf kwam in 1927 met het voorstel om onder Todt’s leiding de eerste Autobahn in Duitsland aan te leggen, een traject van 25 kilometer tussen München en Würmsee. In 1931 promoveerde hij tot doctor met het proefschrift Fehlerquellen beim Bau von Landstraßen aus Teer und Asphalt.

Al in 1922 was Todt lid geworden van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP), waarbij hij tot de eerste leden van de partij hoorde. In 1931 werd hij hoofdcommandant van de Sturmabteilung (SA), de knokploeg die in 1921 door Hitler was opgericht om de partij-vergaderingen van de NSDAP te beschermen tegen politieke tegenstanders. De ‘Bruinhemden’ werden echter vooral ingezet bij het gewelddadig intimideren van politieke tegenstanders. Toen de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen werd Todt op 5 juli 1933 benoemd tot algemeen inspecteur voor de Duitse wegen en kreeg daarmee de algehele leiding bij de aanleg van de rijkssnelwegen. Ook werd hij verantwoordelijk voor het gehele Duitse wegennet en werd lid van de raad van bestuur van de Duitse spoorwegen. In november 1934 nam Todt ook de leiding over van de Nationalsozialistischen Bundes Deutscher Technik (NSBDT) en het Amtes für Technik, später Hauptamts für Technik van de NSDAP en werd hij benoemd tot lid van de raad van bestuur van het Duitse Museum. (meer…)

036 – TIERGARTEN KLEVE 2

.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

SPOORBRUG, LANDHOOFD EN SNELBINDER

Spoorbrug Nijmegen 1879De aanleg van een nieuwe spoorlijn was eind negentiende eeuw een onderneming van belang. Het spoorwegennet was pas enkele decennia echt amper in ontwikkeling. Allerlei steden gevochten om ook zo snel mogelijk een aansluiting op het landelijk spoorwegnet te krijgen. Daar was niet alleen veel geld en prestige mee gemoeid, maar soms speelde ook militair-strategische afwegingen een rol. Nijmegen wilde uiteraard ook een aansluiting, maar omdat Nijmegen omstreeks 1870 nog steeds een vestingstad was, was vanwege deze strategische positie een spoorwegverbinding over de Waal steeds onbespreekbaar. In 1860 begon het Nijmeegsch Spoorwegcomité met een lobby om alsnog een spoorverbinding te krijgen. Dit leidde in 1863 tot de oprichting van de Nijmeegsche Spoorwegmaatschappij (NSM), die in 1865 het spoorlijntje Nijmegen-Kleef wist te realiseren. Het lijntje liep via Groesbeek en Kranenburg naar Kleef, waar men een verdere aansluiting had op het Duitse spoorwegennet. De wens echt aansluiting te hebben op het Nederlandse net bleef bestaan, maar Nijmegen was een belangrijke schakel in de gordel van steden en forten die Nederland moest beschermen tegen invallen. De Waal was de belangrijkste ‘slotgracht voor Fort Holland’ en een spoorbrug zou dan zorgen voor een ernstige verzwakking van de landsverdediging. (meer…)

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 6

06 - Radiadocrinator 213 – De Radiendocrinator

De Radiendocrinator was een snufje voor de superrijken die ook van de voordelen van radioactieve straling wilden profiteren. Het werd in de markt gezet als het allernieuwste dat de wetenschap op dit terrein naar voren had gebracht. Voor de prijs van 150 dollar kon men al een goedkope uitvoering van de Radiendocrinator bezitten, maar de prijs voor de oorspronkelijke, luxe uitgave bedroeg 1.000 dollar. Hert kleinood werd aangeleverd in een kleine leren cassette, binnen afgewerkt met blauw satijn waarop de van bladgoud voorziene Radiendocrinator de gelukkige eigenaar glimmend toekeek. De kern van het apparaatje bestond uit ongeveer zeven met radium doordrenkte vloeipapierachtige stukjes papier, ongeveer zo groot en vorm als een creditcard. Deze waren bedekt met een dun stuk doorzichtig plastic en twee gouddraadschermen. Het kleinood was bedoeld bij het slapen te worden geplaatst bij het een deel van het endocrien systeem, ‘… which have so masterful a control over life and bodily health’. Het product werd vanaf 1922 uitgegeven door American Endocrine Laboratories uit New York City, dat was opgericht door William J. Bailey, die het bedrijf in 1925 of 1926 van de hand deed omdat hij meer heil zag in de productie van de al besproken Radithor, zijn meest beruchte product. Aanvankelijk was de eerste versie van het apparaat, de ‘Clinic Type Radiendocrinator’ genaamd, ongeveer zo groot als een voetbal, eivormig en op een standaard gemonteerd. Die kon niet in massa worden geproduceerd en verkocht, zodat men wilde overstappen op een kleiner product dat werd omschreven als: ‘Het nieuwste type Radiendocrinator voor thuisgebruik is een heel klein apparaatje en wordt geleverd met adapters om het aan het lichaam te bevestigen.’ (meer…)

HET GODDELOZE TOLHEK

Goddeloze Tolhek 5Er zijn in Friesland minstens twee plaatsen met de naam Het Goddeloze Tolhek/Tolhuis. De  eerste ligt iets ten noordoosten van Feanwâlden (Veenwouden), bij het ruige moerasgebied De Houtwiel. Er waren tal van fantastische volksverhalen in omloop over het Goddeloze Tolhuis, gelegen bij de Goddeloze Singel en de Skilige Pijp (de Schele Pijp), zoals de Goddeloze Brug ook werd genoemd. Dat kan helaas niet gezegd worden over het Goddeloze Tolhek tussen Gorredijk en Beetsterzwaag. Daar bevindt zich het terrein De Sweach. De weg die daar loopt, de Sweachterwei, is nu een bosrijke weg, met in de zomer veel ooievaarsnesten en later in het jaar prachtige herfstkleuren. Over die Sweachterwei reed vanaf 1882 een tramlijn, met halverwege een oud tolhuisje met en houten tolpoort voor de boeren die daar met paard en wagen passeerden. Het heeft pas tamelijk recent de naam gekregen Goddeloze Tolhek, denkbaar geïnspireerd op de ook hier bekende volksverhalen uit Feanwâlden of wellicht uit het nabijgelegen Hardegarijp, waar het Goddeloze Hek dat nooit dicht kon blijven. Ook in Olterterp, iets ten noordoosten van Beetsterzwaag, bestond zo’n Goddeloze Tolhek, dat steeds vanzelf open ging. Ook al maakte men die hekken nog zo goed vast, het gaat altijd vanzelf weer open. De tolpoort bij De Sweach kreeg op een geven moment ook de naam Goddeloze Tolhek omdat er in de directe omgeving steeds ongelukken gebeurden. Op een gegeven moment brandde een huis voor de tweede keer in korte tijd af, waarna de man van het tolpoortje zou hebben uitgeroepen: ‘Dat goddeloze tolpoortje!’. De twee mannen die bij de brand waren omgekomen, werden door de tolgaarder bij het tolhuisje begraven. Later is op de plaats waar het graf had gelegen een cementen steen neergelegd, met een jaaraanduiding. Het paadje naar het hek bleef voor de omwonenden altijd een onheilspellende plaats. Op een gegeven moment kwamen hier twee mannen onder de tram, maar daarover later meer. (meer…)

HET GODDELOZE TOLHUIS

Goddeloze Tolhuis 4Er zijn in Friesland minstens twee plaatsen met de naam Het Goddeloze Tolhek. De  eerste ligt iets ten noordoosten van Feanwâlden (Veenwouden), bij het ruige moerasgebied De Houtwiel. Het natte gebied bestaat uit allerlei poelen, plassen, petgaten, sloten en rietvelden en het is dan ook niet vreemd dat het een ideale plaats is voor roerdompen. Een mooi gebied met een laarzenpad van vijf kilometer en een uitzichttoren, dat  dus ideaal is voor vogelspotters. Vroeger liep door het gebied een belangrijk middeleeuws kloosterpad, de Goddeloze Singel, tussen het klooster Klaarkamp bij Rinsumageest en de kloosters bij Burgum en Smalle Ee, beiden al lang verdwenen. Deze zogenaamde Goddeloze Singel was niet echt een geliefd traject. Reizen was vroeger namelijk geen ongevaarlijke onderneming. Mensen waren bang op dit goddeloze terrein beroofd te worden en in de nevels van de venen zagen ze geestverschijningen opdoemen. De naam ‘singel’ zou moeten duiden op een rij bomen langs het pad, maar sinds mensenheugenis hebben er altijd maar twee bomen weten te overleven in het kale landschap. De Goddeloze Singel kruist de Falomster Feart (Valomstervaart), een kanaal uit de zestiende eeuw voor de afwatering van het moerassige gebied en het afvoeren van de turf uit het veengebied. Op het punt van de kruising liggen het Goddeloze Tolhuis en De Goddeloze Brug op deze route. Vanuit de Skierstins (Schierstins) in Feanwâlden, een uit bakstenen opgetrokken woontoren uit de veertiende eeuw en de enige overgebleven middeleeuwse stins in Friesland, loopt het Bonifatius Kloosterpad via De Houtwiel en het Goddeloze Tolhuis (de Goddeloze Singel wordt vermeden) naar Dokkum, een tochtje van 17,4 kilometer. Het oude tolhuis is al voor de Tweede Wereldoorlog afgebroken, maar er staat een nieuw huis met dezelfde naam. (meer…)

GREETJE FRIEDMANN – 011

Greetje Friedmann werd op 21 oktober 1933 geboren, maar het is onbekend in welke plaats of welk land. De kans is namelijk best groot dat ze oorspronkelijk uit Duitsland of Polen kwam. Er is een grote lijst van mannen en vrouwen met de naam Friedmann op de lijst oorlogsvermisten, maar nadere gegevens over hen zijn er niet. Er is slechts bekend dat ze op 1 mei 1943 via een zekere familie Goldfeder naar de familie Weerstra in het Friese IJlst is gebracht. Nu is er in Nederland maar één familie Goldfeder te vinden, namelijk de uit Rusland stammende Daniël Goldfeder (Kalisch, 2 januari 1910 – Sobibor, 16 juli 1943), zijn echtgenote Rachla Goldfeder-Hendeles (Kozminek, 26 april 1909 – Sobibor, 16 juli 1943) en hun dochtertje Ilenka Goldfeder (Amsterdam, 28 februari 1938 – ?, 28 april 1996). Daniël Goldfeder had vanaf 1941 in de Nieuwe Kerkstraat 9 in Amsterdam de besteldienst DAGO. Het is logisch te veronderstellen dat Goldfeder kennis had van een familie Friedmann in zijn directe omgeving. Op de hoek van de Nieuwe Kerkstraat – Amstel woonde bijvoorbeeld Martin Friedmann (Leipzig, 3 januari 1895 – Sobibor, 9 april 1943), een musicus en dirigent die voor de oorlog onder meer samenwerkte met René Sleeswijk en Willy Walden. Er is echter geen enkele aanwijzing dat Martin Friedmann gehuwd was of was geweest. Iets verderop, op Oosteinde 6 bovenhuis, woonde een gezin Friedmann, bestaande uit de vier broers Arthur (Masgrabowa, 14 oktober 1895 – Sobibor, 23 april 1943), Walter (Treuburg, 30 mei 1897 – Sobibor, 23 april 1943), Julius (Insterburg, 14 juli 1900 – Sobibor, 30 april 1943) en Berthold (Königsberg, 16 september 1905 – Sobibor, 9 april 1943), allemaal koopmannen en zover na te zoeken geen van allen gehuwd. De familie van Greetje Friedmann blijft dus onbekend. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 054

Eric de Nie (Leiden, 1944) was jarenlang kunstdocent op drie hogescholen, namelijk de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten en de Rijksacademie van beeldende kunsten in Amsterdam. Van 2004 tot 2009 was hij lid van de Raad van Advies bij de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Als kunstenaar is hij vanaf de vroege zeventiger jaren actief. Zijn werk wordt geëxposeerd in binnen- en buitenland en verschillende musea hebben zijn werk in de collectie opgenomen zoals het Stedelijk Museum in Amsterdam, Museum Boymans van Beuningen, Gemeente Museum Den Haag, Museum Belvédère in Heerenveen en het Frans Hals Museum in Haarlem. In de beginjaren was zijn werk zeer realistisch, waarvan onderstaande Drie Gratiën een perfect voorbeeld is. Het is bijna niet voor te stellen dat dit werk afkomstig is van dezelfde kunstschilder die kort daarna volledig abstract ging werken. In de jaren negentig maakte hij gebruik van een druppeltechniek om de verf op het doek aan te brengen. Het leverde veelal werken op in twee kleuren, wel herkenbar en uniek, maar over de schoonheid valt te twisten. Daarna maakte Eric van Nie werken die bestaan uit vele kleurige lijnen in verschillende diktes, waarbij dunne vloeiende verf via spuitflacons of penselen wordt aangebracht langs de bovenrand van het doek of papier. De verf vloeit daarna naar beneden vloeien en ontstaan verticale of horizontale lineaire composities. Sinds 2009 worden de gedropen lijnen soms ook gecombineerd met brede kwaststroken. Een van de galerieën die zijn werk vertegenwoordigen zegt over zijn werk: ‘De schilderijen van Eric de Nie weerspiegelen een boeiende en emotionele dualiteit tussen vrij stromende verf en gecontroleerde penseelstreken. Met een speelse benadering kantelt de kunstenaar af en toe het doek, zowel horizontaal als verticaal, en volgt met een gevoelig oog en vloeiende handen de kleurrijke sporen van lijnen, druppels en vegen verf. Door het sturen van het toeval ontstaat een complex geheel van ritmische verbanden tussen kleur, lijn, vlak en ruimte, waardoor een nieuw beeld ontstaat dat zowel concreet als poëtisch is’. Het is mijlenver verwijderd van zijn in acrylverf vervaardigde Drie Gratiën uit 1976, die in het bezit is van Boymans van Beuningen in Rotterdam. (meer…)

035 – TIERGARTEN KLEVE 1

.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

038 – RIJP LANGS HET MAAS-WAALKANAAL 3

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, langs het Maas-Waalkanaal, januari 2007, © Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 5

05 - Tho-Radia 19 – Het cosmeticamerk Tho-Radia

Vanaf 1932 werd in Frankrijkdoor een farmaceutisch het cosmeticamerk Tho-Radia geproduceerd ‘voor farmaceutische producten, schoonheidsproducten en parfums’. Rond 1910 kwam de apotheker Alexandre Jaboin met de theorie van ‘microcurietherapie’, geïnspireerd door het succes van curietherapie bij de behandeling van bepaalde vormen van kanker. Hij ging ervan uit dat zeer kleine doses radium levende cellen zouden stimuleren en hun energie zouden verhogen. Deze opvattingen waren niet wetenschappelijk aangetoond, maar ze veroorzaakten een rage voor met radium beladen medicijnen en cosmetica. Verschillende merken begonnen in de loop van de jaren tien de markt te exploiteren, met name Activa en Radior. Omstreeks 1920  trad apotheker Alexis Moussalli in dienst bij de farmaceutische laboratoria van Millot in Parijs. Gebruikmakend van zijn expertise op het gebied van zeldzame aardmetalen bedacht hij de schoonheidscrème Tho-Radia uit, die 0,5 mg thoriumchloride en 0,25 mg radiumbromide per 100 gr crème bevatte. Om zijn eigen merk goed in de markt te zetten, ging hij een samenwerking aan met de arts Alfred Curie, die geen enkele band had met Pierre en Marie Curie, maar de gelijke achternaam deed wonderen. Pierre en Marie Curie hebben blijkbaar nog even overwogen juridische stappen tegen het bedrijf te ondernemen. Alfred Curie registreerde het merk Tho-Radia op 29 november 1932 met de misleidende vermelding ‘naar de formule van Dr. Alfred Curie’. De gezichtscrème had vanwege de veelbelovende genezende en verfraaiende eigenschappen direct een groot succes in Parijs. Het assortiment  producten zou namelijk de bloedsomloop verbeteren en rimpels verwijderen, maar zou ook het haar en onaardse stralende glans gaven. De Tho-Radia-crèmes werden opgemerkt door hun herkenbare advertenties, waarin een jonge, blonde vrouw wordt afgebeeld die van onderaf wordt verlicht door zichtbare stralen. Vanaf 1937 werd hert gebruik van radium beperkt tot medische behandelingen en moesten producten met radium het opschrift ‘Gif’  0f ‘Toxisch’ bevatte. Het bedrijf paste nu de samenstelling aan om de productlijn te kunnen voortzetten. (meer…)

HET SPROOKJE VAN DE TWAALF MAANDEN

Josef WenzigHet is vandaag een schrikkeldag, de zestigste dag in een schrikkeljaar. Die dag werd in 46 v.Chr. ingevoerd door Julius Caesar bij de hervorming van de kalender. In de oude Romeinse kalender had men maanden van 29 dagen, waardoor een jaar maar 355 dagen telde. Om de maanden nu te laten aansluiten op de seizoenen moest om de twee jaar een schrikkelmaand worden ingevoerd door de pontifex maximus. Julius Caesar had dit echter steeds nagelaten, zodat de kalender op een moment maar liefst tachtig dagen achterliep op de seizoenen. Bij de kalenderhervorming werkte hij in één klap de hele achterstand weg door eenmalig drie schrikkelmaanden in te voeren. Door de invoering van de juliaanse kalender werden de schrikkelmaanden afgeschaft en werden de 29 dagen van de tweejaarlijkse schrikkelmaand verdeeld over de maanden, waardoor de maanden april, juni, september en november 30 dagen kregen en de maanden januari, maart, mei, juli, augustus, oktober en december 31 dagen gingen tellen. De maand februari behield 28 dagen, terwijl die ook makkelijk naar 30 dagen kon worden gebracht door twee van de andere maanden hun 31ste dag te ontnemen. Dat heeft men om onduidelijke redenen nagelaten. In elk geval had men nu een jaar van 365 dagen, wat mooi synchroon aan de seizoenen liep. (meer…)

012 – NIGTEVECHT

Nigtevecht 1666Nigtevecht is het meest noordelijk gelegen dorp binnen de provincie, iets van vijf kilometer ten zuiden van het Nood-Hollandse Weesp. Het dorp werd voor het eerst vermeld in 1281 als Nigftarvechta  (aan de Vecht), als een langgerekt dorp op een rivierduin langs de linkeroever van de slingerende Vecht. Dat werd later verbasterd tot Nichtervecht en weer later tot Nigtervecht. De tekening hiernaast toont het vredige dorpje in 1666.

Toen de Franse legers op 12 juni 1672 bij Lobith het land binnentrokken, werden eerst Arnhem en Nijmegen door hen belegerd. Daarna verspreidden ze zich over de IJsselvallei. Er was een plan van de Republiek voor een IJssellinie als eerste verdedigingslijn, maar de vestigingssteden en vestingwerken lagen er al decennialang verwaarloosd en onderbemand bij. Er was ook een plan het gebied in de IJsselvallei te inunderen in geval van een aanval, maar ten tijde van de Franse aanval was dat vanwege de lage waterstand geen optie. Ook hadden inwoners al jarenlang geprotesteerd tegen het plan, zodat er geen voorbereidende werkzaamheden waren verricht. In de IJsselvallei kwam het tot wat gevechten, maar na een snelle Franse overwinning lag de rest van de Republiek helemaal open voor de Fransen. Op 19 juni 1672 viel Naarden en op 23 juni lag het onverdedigde Utrecht zich over aan de Fransen. De republiek had toen in juni 1672 met overstromingen al gezorgd dat het plan van de Hollandse Waterlinie in werking kon treden. Dat was eigenlijk te laat om de inundaties echt succesvol te laten zijn, maar koning Lodewijk XIV treuzelde lang. Hij veronderstelde dat de Republiek het hopeloze van de situatie zou inzien, snel zou capituleren en hem een aantrekkelijke oorlogsvergoeding zou betalen. Bovendien was er onder de Franse soldaten weinig animo te gaan aanvallen en het risico te lopen te sneuvelen. Ze zouden namelijk worden uitbetaald in wissels die in Amsterdam verzilverd moesten worden. Ze vreesden dat na de gewelddadige val van Amsterdam hun wissels waardeloos zouden zijn. Ook voor hen was wachten op de vrijwillige overgave van de Republiek de meest aantrekkelijkste optie. Het gaf de Republiek de gelegenheid de Hollandse Waterlinie in juli 1672 tijdig af te krijgen. (meer…)

RUDOLF KLAUDUS

Rudolf Klaudus87e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Rudolf Klaudus (Nebersdorf, 19 oktober 1895 – Eisenstadt, 26 maart 1979) werd in een Kroatische boerenfamilie in Burgenland geboren. In Wenen bezocht hij de Höhere Graphische Bundes-Lehr- und Versuchsanstalt en aansluitend was hij in Zagreb leerling aan de Akademie der Bildenden Künste. Terug in Burgenland in 1926 werd hij in Deutschkreutz docent aan een middelbare school. In deze plaats richtte hij met Aflfred Pahr en Franz Erntl ook een kunstenaarsgroep op. Pahr was een leraar tekenen en handenarbeid aan een evangelische school in Oberschützen. Erntl was docent aan een middelbare school in Neufeld an der Leitha. Het drietal zette zich met hun vereniging af tegen gevestigde namen in de artistieke wereld in Burgenland, zoals Albert Kollmann en Franz Elek-Eiweck. Klaudus werd ook lid van de Burgenländischen Kunstverein en nam deel aan de tentoonstellingen die de vereniging met regelmaat organiseerde. Hij schreef ook regelmatig artikelen voor de Kroatische krant Hrvatske Novine en spande zich er voor in dat voor de Kroatische jeugd op school lesboeken in de eigen taal beschikbaar waren. (meer…)

LANGE WAPPER 4

De verhalen over Lange Wapper zoals die in 1929 werden opgetekend door Victor de Meyere en hier in de Nederlandse versie zijn weergeven, eerst in twaalf kleine ‘vertelselkens’ en daarna in de resterende dertien boevenstreken van Lange Wapper. Die waren merendeels al opgenomen in het verhaal De Lange Wapper, een van de vier verhalen die Domien Sleeckx (Antwerpen, 2 februari 1818 – Luik, 13 oktober 1901), een Vlaamse taalkundige, journalist en schrijver van verhalen, romans, essays, drama’s en blijspelen, in 1843 opnam in zijn Kronyken der straten van Antwerpen, deel 3. Sleeckx schreef vanaf 1840 enkele romantische volksverhalen in de sentimenteel-idealistische traditie van Hendrik Conscience, het grote voorbeeld van hele generaties Vlaamse schrijvers. Het verhaal De Lange Wapper stamt uit 1840 een moet een van de eerste van zijn Vlaamse verhalen zijn geweest.

De Vlaamse volksschrijver Hendrik Conscience (Antwerpen, 3 december 1812 – Elsene, 10 september 1883), de schrijver waarvan wordt gezegd dat hij ‘zijn volk leerde lezen’, publiceerde in 1838 zijn meesterwerk De Leeuw van Vlaanderen, een historische roman over de Guldensporenslag in1302 die het gevolg was van de Vlaamse Opstand, een gewapend conflict van 1297 tot 1305 tussen het graafschap Vlaanderen en het Franse koninkrijk. Het boek zou sterk bijdragen tot de Vlaamse bewustwording in de negentiende eeuw. Een jaar eerder was van Conscience het boek Phantazy (drukkerij L.J. Cort op de Paddegragt, 1937) verschenen, een bizarre mengeling van fantastische verhalen en poëzie. Achteraf was Conscience zelf ontevreden over het boek (hij noemde het ‘een dwaasheid’) en hij heeft de inhoud nooit laten herdrukken. De oplage bedroeg 800 exemplaren, waarvoor drukker L.J. De Cort de schrijver 1.000 frank aanrekende. Er waren 279 intekenaars à 3 frank per exemplaar, maar gelukkig kreeg Conscience van koning Leopold, de Belgische staat en de provincie Antwerpen in totaal 1.000 frank subsidie, zodat de auteur zijn broek niet scheurde. Het kleine boekje is nu een echt collectors item. (meer…)

034 – AVONDLUCHT

.
Lobith, avondlucht in de tuin, juli 2017, © Frans van den Muijsenberg.

037 – RIJP LANGS HET MAAS-WAALKANAAL 2

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, langs het Maas-Waalkanaal, januari 2007, © Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 4

04 - Radium Girls 47 –  Zelflichtgevende verven

De gevaren van radium werden aanvankelijk niet goed begrepen, de commerciële mogelijkheden des te beter. In het theater werd hoofdzakelijk de term ‘radium’ als wervend middel ingezet, van daadwerkelijk gebruik van het gevaarlijk goedje was meestal geen sprake. Dat werd bij industrieel gebruik een stuk anders. Men ging radium gebruiken voor het produceren van zelflichtgevende verven voor horloges, nucleaire panelen, vliegtuigschakelaars, klokken en wijzerplaten van instrumenten. Een zelflichtend horloge met radiumverf bevatte ongeveer 1 microgram radium. In 1917 werd in Chicago de Radium Dial Company opgericht, een divisie van de Standard Chemical Company, dat de radiumverf Undark produceerde om in hun fabriek in East Orange lichtgevende horloge- en klokwijzerplaten te produceren. Het snel werd kort daarna verplaatste naar Ottawa, Illinois om dichter bij de belangrijkste klant te zijn, de Westclox Clock Company. Op haar hoogtepunt werkte voor de Radium Dial Company ongeveer 1.000 jonge vrouwen, voornamelijk Italiaanse immigranten, die hun eigen verf mengden uit radiumpoeder. Om een ​​fijne penseelpunt te krijgen voor het schilderen van de kleine cijfers, maakten de fabrieksarbeiders de penseelpunt tussen hun lippen nat. Sommigen beschilderden zelfs hun lippen en tanden met de lichtgevende verf om hun echtgenoten en vriendjes te verrassen. Dagelijks werden door hen ongeveer 4.3000 wijzerplaten afgeleverd. In 1922 begonnen veel van de wijzerplaatschilders verontrustende gezondheidsproblemen te krijgen. Toen ze naar artsen gingen over pijnlijke zweertjes in de mond en tandbederf, waren de artsen geschokt toen ze ontdekten dat de botten in hun gezicht en kaken waren gedesintegreerd. Veel vrouwen kregen toen kanker. Artsen vermoedden dat het plotselinge begin van deze vreselijke ziekte bij gezonde jonge vrouwen werd veroorzaakt door de blootstelling aan radiumverf. Verschillende werknemers stierven als gevolg van de werkzaamheden, maar hoewel de gezondheidsrisico’s van radium van lieverlee steeds duidelijker werden, ging het bedrijf tot 1940 verder met het schilderen van fluorescerende wijzerplaten. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 53

4 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 1 4 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 2 4 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 3
Foto’s van Julien Vallou de Villeneuve (1795-1866), model Henriette Bonnion

JULIEN VALLOU DE VILLENEUVE

01 - Liquid SunshineJulien Vallou de Villeneuve (12 december 1795 – 4 mei 1866) was een Franse schilder, lithograaf en fotograaf. Hij studeerde bij Jean-François Millet, die later zo’n grote invloed zou hebben op Vincent van Gogh. In 1814 begon De Villeneuve zijn carrière op de Salon met schilderijen die het dagelijks leven, mode, regionale kostuums en naaktstudies weergaven. Als schilder is De Villeneuve echter zo goed als in de vergetelheid geraakt. Al vroeg in zijn leven startte hij met een serie erotische lithografieën: in 1828 publiceerde Types des Femmes, in 1830 werkte hij mee aan het compendium Erotica Imagerie Galante  en in 1839 maakte hij Les Jeunes Femmes, Groupes de Tetes, een lithografische erotische serie op folioformaat waarin pittige episodes uit het leven van jonge vrouwen en hun geliefden werden afgebeeld. In 1842, al snel na de ontwikkeling van de fotografie, begon De Villeneuve met fotografie als aanvulling en hulpmiddel bij zijn grafische werk. Hij produceerde enkele daguerreotypieën, overwegend zachtgekleurde afdrukken van gezouten papier van papieren negatieven die retouchering voor een artistiek effect mogelijk maakten. Volgens de methode van Humbert de Molard fixeerde hij zijn prenten met ammonia om het verbleken van de highlights in zoutafdrukken te vermijden Het zorgde er ook voor dat deze foto’s langer bewaard konden worden, zodat ze nog steeds bestaan. Veel van zijn prenten liet hij maken door fotolithograaf Rose-Joseph Lemercier (1803–1887). (meer…)

LANGE WAPPER 3

Tweede deel van de serie anekdotes van Lange Wapper die in 1929 werden opgetekend door dichter, schrijver, folklorist en etnoloog Victor de Meyere (Boom, 13 april 1873 – Antwerpen, 27 december 1938) in De Vlaamsche vertelselschat, deel 3 (1929), CCLXXIII-CCXCVII – De vertelselkens van Langen Wapper en van den reus. Gisteren de eerste twaalf kleine ‘vertelselkens, vandaag de resterende dertien boevenstreken van Lange Wapper.

13 – Lange Wapper in de Danszaal.

Het was in de tijd van de zwetende ziekte. Het was gedaan met alle plezier en vermaak. Elke dag liep de bevolking in een lange stoet door de stad, God den Heer aanroepend en Hem smekend om het onheil af te weren. Er was toen aan de Berchemsche poort een herberg, waar nog steeds werd gedanst. Er kwamen daar elke avond een paar lichtzinnige vrouwen bij elkaar en zij dansten constant. Als er geen mannen kwamen, dansten die vrouwen ondereen. Op een zondag namiddag, ton die vrouwen weer onder elkaar aan het dansen waren, kwam een vreemde man binnen. Hij was daar met de diligence aangekomen. Hij wilde graag dansen, dat hadden de vrouwen direct in de gaten en ook dat hij graag wilde zingen. Onmiddellijk was hij bezig met de belhamel van de bende. Maar hoor eens wat er toen gebeurde! Toen de dans begon, werd de danser steeds groter. Het leek of bij elke stap die hij en zijn danseres deden het vuur uit de grond sloeg. En dat was inderdaad ook zo. Die vreemde danser had gloeiende voeten gekregen en daarmee trapte hij door de houten vloer, die overal begon te branden. Toen alles in vuur en vlam stond, liet de danser zijn danseres midden in de vlammen staan en liep weg in de richting van het schipperskwartier. Toen ook zag iedereen wie die danser was geweest: Lange Wapper en niemand anders! Naarmate hij verder liep, werd hij ook groter en groter, zo groot dat men hem op het laatst, heel ver weg zag staan als een toren zo hoog. Van ver gezien zou men gezworen hebben dat er naast de toren van Ons Lieve Vrouwen een tweede toren stond. (meer…)

LANGE WAPPER 2

Lange Wapper duikt op in allerlei anekdotes die eeuwenlang in Antwerpen werden verteld, van generatie op generatie doorverteld. De dichter, schrijver, folklorist en etnoloog Victor de Meyere (Boom, 13 april 1873 – Antwerpen, 27 december 1938) beschreef er vijfentwintig in De Vlaamsche vertelselschat, deel 3 (1929), CCLXXIII-CCXCVII – De vertelselkens van Langen Wapper en van den reus. In de toelichting over de anekdotes van Lange Wapper schreef hij: ‘Deze kleine vertelsels, met sage-thema’s, zijn slechts een keus uit den meer specialen Antwerpschen vertelselschat. Vóór een honderdtal jaren waren zij goede bekenden in elk Antwerpsch huisgezin. Maar toenmaals was Lange Wapper nog voor allen, zoo grooten als kleinen, een gevreesd personage. Overal was hij aan of omtrent en gestadig mocht men zich aan zijn kwâpitserijen en boevenstreken verwachten. Door de indringing van de vreemde elementen, inlandsche zoowel als buitenlandsche, in het leven van de Scheldestad, die zich voortdurend en geweldig naar alle kanten uitbreidde, naar Oost en West, langs Noord en Zuid, is de geheugenis aan Langen Wapper stilaan te loor gegaan, gelijk zoovele schilderachtige gewoonten en gebruiken te niet gingen, vergeten, verloochend en geweerd door hen, die nooit de ziel van Antwerpen zullen begrijpen. Alleen een oude sinjoor zal u wellicht, hier of daar in oen traditioneel gebleven hoekje van de stad, nog over Langen Wapper vertellen. Hij zal het doen met weemoed in de stem en tranen in de oogen’. In deze aflevering de eerste twaalf ‘vertelselkens’. (meer…)

033 – OMGEVING VAN ELTEN 4

.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

036 – RIJP LANGS HET MAAS-WAALKANAAL 1

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, langs het Maas-Waalkanaal, januari 2007, © Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 3

03 - Polshorloges WO 16 – Een radium polshorloge

Militairen gebruikten voor de Eerste Wereldoorlog al veelvuldig zakhorloges. Voor officieren was het hebben van een zakhorloges een onmisbaar onderdeel van de uitrusting. Die zakhorloges waren echter onpraktisch bij het paardrijden, in de open cockpits van vroege vliegtuigen of in de krappe omstandigheden van de loopgraven. Het werd veel logischer om in het vervolg de horloge rond de pols te doen. Dat was voor militairen een behoorlijke stap, want voor de oorlog droegen meestal alleen vrouwen polshorloges. Mannen met polshorloges werden als verwijfd beschouwd. Deze trend om toch zo’n vermaledijd polshorloge te dragen zou zijn begonnen tijdens de Boerenoorlog (1899-1902), toen Groot-Brittannië oprukte naar de Boerenstaten Transvaalrepubliek en Oranje Vrijstaat. De soldaten kregen nu een hand vrij die normaal gebruikt werd gebruikt om een zakhorloge te bedienen. Tegen de tijd dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, waren de functionele voordelen van het polshorloge al zo ingeburgerd dat al een kwart van de gewone soldaten een polshorloge had. Deze eerste militaire polshorloges waren bestendig, waterdicht en hadden onbreekbaar glas. Een grote innovatieve oplossing, maar het bleef een probleem om op je horloge in het donker de tijd te zien. Het aansteken van een lucifer had het risico dat de vijand je positie kon achterhalen. Horloges met lichtgevende wijzerplaten werden daarom al snel een essentieel veiligheidselement: een must-have-gadget. In het boek Knowledge for War: Every Officer’s Handbook for the Front (1916) van Captain B.C. Lake stond op de lijst onmisbare items ‘Een lichtgevend polshorloge met onbreekbaar glas’, nog vóór ‘Veldkijkers’ en ‘Revolver’. (meer…)

TADEUSZ BOROWSKI – HIERHEEN NAAR HET GAS, DAMES N HEREN

Tadeusz Borowski (Zjytomyr, 12 november 1922 – Warschau, 3 juli 1951) werd geboren in de historische stad Zjytomyr, die toen deel uitmaakte van de Oekraïense Volksrepubliek en een grote Poolse en Joodse minderheid kende. Zijn vader Stanislaw Borowski (1890-1966) en moeder Teofila Karpińska (1897–1993) kwamen uit boerenfamilies in Oekraïne. Ze trouwden in Zjytomyr in 1917. Ze kregen twee zonen, Juliusz en Tadeusz. Stanisław werkte als accountant bij een bijenteelt- en tuinbouwcoöperatie. Sinds de Tweede Poolse Deling in 1793 maakte de stad deel uit van het Russische Rijk en was toen al een belangrijk vervoersknooppunt op een route van Kiev via Brest naar het westen. In 1861 vormde de Joden een derde van de totale bevolking en was de stad een officieel Joods centrum in het zuidelijk deel van deze streek in Oost-Europa, waar Vilnius in Litouwen indertijd dezelfde status had in het noordelijk deel. Voor de Eerste Wereldoorlog had de Joodse bevolking in de Oekraïne met regelmaat te lijden onder pogroms. Dat gold zeker gedurende de korte Oekraïense onafhankelijkheid (1918-1922) toen Zjytomyr de hoofdstad van Oekraïne was. Vanaf de oprichting van de Sovjet-Unie op 28 december 1922 kwam het land onder de heerschappij van de Sovjet-Unie. Tadeusz Borowski was toen net een weekje of zes oud. (meer…)

DENIS MESRITZ (87)

Denis Claire Baudouin Mesritz (Den Haag, 16 november 1919 – Rathenow, 16 maart 1945) was de jongste zoon van Leo Mesritz (Samarang, 1 november 1876 – Zürich, 20 oktober 1965), een advocaat aan het Gerechtshof te Den Haag, die op 15 mei 1915 op 38-jarige leeftijd trouwde met de 30-jarige Ernestine Emma Claire Tiberghien, een dochter van een advocaat aan het Gerechtshof te Brussel. Het is een schriftelijke afhandeling, want de bruidegom verkleef op dat moment in het Carlton Hotel te Edinburgh terwijl de bruid in dezelfde plaats in het Romburgh Hotel verbleef. De andere kinderen waren Marie-Claire (1919-1973), Lucien (1916-1935) en Jean (1918-1945). Stamhouder van de familie was Wolf Juda, die in 1766 werd geboren in het Pruisische stadje Meseritz, dat voornamelijk Duitse inwoners had maar toch aan de uiterste westgrens van het Poolse koninkrijk lag. Vanwege die strategische ligging werd de stad in de 17e en 18e eeuw in oorlogen meermalen verwoest. Daarnaast waren pogroms tegen de Joodse bevolking in de regio geen onbekend verschijnsel. In 1793 werd de stad bij de Tweede Poolse Deling Pruisisch, in 1807 bij het napoleontische groothertogdom Warschau gevoegd, in 1815 werd het Pruisisch gezag hersteld en bij de provincie Posen (Poznań) gevoegd. Kortom, onzekere tijden in Mesritz, dat door de Polen Międzyrzecz werd en wordt genoemd. Wolf Juda besloot in 1812 naar Nederland uit te wijken. Hier was juist in 1811 de wet aangenomen dat iedereen een vaste achternaam moest aannemen. Zoals erg gebruikelijk werd daarbij vaak de stad waaruit men afkomstig was als achternaam aangenomen. Op deze manier werd Wolf Juda in 1812 Wolf Juda Mesritz, waarbij de tweede ‘e’ uit de plaatsnaam verdween. De ondernemende familie deed het sociaal-economisch erg goed en heeft binnen enkele generaties personen op goede posities en huwelijken gesloten met vooraanstaande families. Ze waren ook lid van de Waalse Kerk, die vanaf de oprichting van de Nederlands Hervormd Kerk in 1815 onder dit kerkgenootschap valt. (meer…)

HET PARISOORDEEL 4

.
Le jugement de Paris
Pierre-Auguste Renoir
1913-1914
Hiroshima Bijutsukan.

De Franse kunstschilder Pierre-Auguste Renoir (Limoges, 25 februari 1841 – Cagnes-sur-Mer, 3 december 1919) maakte dit schilderij van het Parisoordeel in circa 1913-1914. Het schilderij (olieverf op linnen, 73 × 92,5 centimeter) toont de Trojaanse prins Paris die als scheidsrechter optreedt in een schoonheidswedstrijd tussen de drie godinnen Hera, Athena en Aphrodite. Renoir was toen de leeftijd van zeventig jaar al eventjes gepasseerd. In die laatste jaren woonde en werkte hij in het bergdorpje Le Cannet, wat ‘klein Cannes’ betekent. Nu is het dorpje opgeslokt door de flatgebouwen en autoboulevards van het uitdijende Cannes. Rond de eeuwwisseling was het echter een pittoresker streek met plantages met citroenbomen en daardoor een aantrekkelijk streek voor kunstenaars om zich er tijdelijk te vestigen. De kunstschilder Pierre Bonnard woonde er meer dan twintig jaar en in Le Cannet is sinds 2011 het aan hem gewijd Musée Bonnard te bezoeken. Ook Renoirs voormalige atelier zijn hier nog te bezoeken te Zijn. Renoir maakte in het dorp onder meer het fantastische schilderij Le Cannet. Renoir leed toen al aan artritis en zat in een rolstoel, maar werkte onvermoeibaar door. Tijdgenoten zeiden dat hij het penseel aan zijn pols vastbond zodat hij het nog steeds kon begeleiden. (meer…)

LANGE WAPPER 1

Lange Wapper is een reus uit de Antwerpse folklore, waarvan de geschiedenis heel ver teruggaat. Eeuwen geleden zou het bos rond Antwerpen hebben gekrioeld van demonen, goblins en allerlei kwaadaardige wezens. Die werden echter zo lastig dat de stedelingen een massale aanval organiseerden, waarbij ze priesters mobiliseerden en zichzelf bewapenden met een bel, een boek, een kaars en iconen van de Maagd Maria. Het platteland werd uitgekamd en elk monster dat ze tegenkwamen werd verdreven en naar de zee verbannen. Er werd echter vergeten ook het water te controleren, waardoor één wezen aan hun aandacht kon ontsnappen door rustig te wachten tot iedereen weer was vertrokken. Het wezen begaf hij zich vervolgens naar de grachten van Antwerpen, waar hij zich vestigde en zijn wrok jegens de mensheid koesterde. Dat wezen was Lange Wapper, die geen vast uiterlijk of formaat had. Hij kon groter zijn dan gebouwen of zo klein als een muis. Het liefst had hij echter lange, magere benen waarmee hij over het water liep. Deze benen konden zich enorm uitstrekken, waardoor hij door ramen kon kijken en de bewoners bang kon maken. Door de vreemde bewegingen die hij op die steltachtige benen maakte, kreeg hij zijn naam: wapper is een verouderde term voor ‘evenwicht’ en een nog oudere term voor ‘grote man’. (meer…)

032 – OMGEVING VAN ELTEN 3

.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

035 – CREMATORIUM BEUNINGEN 1

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Crematorium Beuningen, december 2006, © Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 2

01 - Liquid Sunshine3 – De Sunshine Dinner Party

Hetzelfde bedrijf van L.D. Gardner produceerde het gepatenteerde radium-gezondheidswater Liquid Sunshine en introduceerde dat spectaculair in februari 1904 in een Sunshine Dinner. Gardner was hoofd van de amusementscommissie van het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology (MIT). Het feest was alleen toegankelijk voor mannelijke alumni en gasten van het MIT omvatte een spannende vertoning van het nieuwe middel radium. Het was de bedoeling om de aanwezigen te vermaken en om te pronken met de nieuwste wetenschappelijke nieuwigheden. Na de maaltijd werd de eetkamer verduisterd en werden de effecten van lichtgevende verf gedemonstreerd. De meningen hoe dat gebeurde verschillen. Sommigen beweren dat er glow-in-the-dark dansende skeletten en ballonnen waren en er is zelfs een melding dat de oprichter van het MIT zich vertoonde als een gloeiend menselijk skelet. Nog bizarder waren de versieringen met twee glow-in-the-dark kartonnen kippen die om een ​​ei vochten: een visuele verwijzing naar een speculatie eerder dat jaar door een boer uit Washington, dat het mengen van radium met kippenvoer zogenaamde ‘radio-eieren’ zou opleveren, die mogelijk zichzelf hard koken. Het was slechts de opmaat naar het hoofdevenement van de avond, waarbij de aanwezigen een glas ‘Liquid Sunshine’ mochten drinken. Toen de gasten aan tafel gingen, vonden ze naast hun borden een miniatuurmok met daarin een capsule aesculine (een extract uit paardenkastanjes dat net als kinine blauw fluoresceert bij blootstelling aan straling) en een kristallen glas puur, bruisend water. Op signaal van de toastmaster kregen de gasten te horen dat ze de capsule (die eerder zou zijn blootgesteld aan radium) in het glas moesten doen. De capsule zou dan oplossen en het water doordrenken met radioactiviteit, waardoor elk drankje door de fluorescerende aesculine indrukwekkend gloeide in de verduisterde kamer. Er werd daarna een toast uitgebracht, de Liquid Sunshine werd gedronken als een shot whisky en de groep ging verder met het zingen van een aantal opzwepende liedjes. Het tempo werd aangehouden door een dirigent die zwaaide met een glinsterend stokje voorzien van glow-in-the-dark verf. (meer…)

HET STICHTSE PEPERTJE

Het Stichtse Pepertje was een illegale uitgeverij die werd opgericht door een aantal medewerkers van de illegale kranten Ons Volk, den vaderlant ghetrouwe en Oranje-Bulletin in Utrecht.

Ons Volk ontstond in de zomer van 1943 doordat studenten en pas afgestudeerden van de universiteiten in Leiden en Utrecht een nieuw illegaal periodiek wilde opzetten, dat in grote oplage kon worden verspreid, een populaire stijl had en zo veel Nederlanders zou aanspreken. Op die manier kon dan de geest van verzet onder de bevolking worden gestimuleerd. Omdat er geen overeenstemming kon worden bereikt over de opzet van het blad, besloten Han Gelder (Indologische Studies te Leiden), en Wim Eggink (kandidaat sociale geografie te Utrecht) om samen de redactie en uitgave te gaan verzorgen. Zij vonden dat er behoefte was aan echte verzetsliteratuur tegen aantasting van ‘de humaniteit’. Ons Volk verscheen vanaf 7 oktober 1943 tot en met 5 juli 1945 in gedrukte vorm vooral in Amsterdam, Utrecht en Den Haag, tot september 1944 maandelijks, daarna ongeveer 2 keer per maand. De oplage varieerde tussen de 55.000 en 120.000 exemplaren. (meer…)

JESÚS RAFAEL SOTO

Jesús Rafael Soto (Ciudad Bolívar, 5 juni 1923 – Parijs, 14 januari 2005) was de oudste van vier kinderen van Emma Soto en Luis Garcia Parra, een violist. Al op jonge leeftijd wilde hij geld verdienen om ter helpen het gezin financieel te steunen, maar hij zocht het wel uitdrukkelijk in de artistieke richting. In het begin speelde hij gitaar als straatartiest, daarna begon hij beroemde kunstwerken die hij in verschillende boeken, tijdschriften en almanakken vond na te schilderen. Op zestienjarige leeftijd kreeg hij een baantje bij de bioscopen in Ciudad Bolivar, waarvoor hij posters ging schilderen. Hij zei hierover later: ‘Op die leeftijd waren de enige kunstenaars die ik kende de letterschilders. Mijn familie was heel gelukkig. Ik kon wat geld verdienen, letters schilderen tot het einde van mijn dagen. Niemand keek verder dan dat…’ In 1938 sloot Soto zich aan bij een studentengroep die de ideeën van het surrealisme promootte en publiceerde hij in het plaatselijke tijdschrift enkele gedichten waarin hij de samenleving op de hak nam. In de groep leerde Soto over schrijven en maken van houtskooltekeningen. De portretten die hij maakte leidde ertoe dat hij in 1942 een studiebeurs kreeg die het hem mogelijk maakte in de hoofdstad Caracas een kunst- en onderwijsopleiding aan de Escuela de Artes Plásticas y Artes Aplicadas te volgen. Tot zijn medeleerlingen behoorden ook de schilder-kunstenaar Alejandro Otero (1921-1990) en Carlos Cruz-Diez, die een bekend kinetisch en op-art kunstenaar zou worden. Vooral Cruz-Diez raakte snel in de ban van de geometrische abstractie, waarin rechte lijnen de hoofdrol speelden. Hij werd duidelijk geïnspireerd door Piet Mondriaan en De Stijl. In 1947 haalde Soto aan zijn opleiding zijn onderwijsbevoegdheid en had daarna drie jaar lang de leiding aan de kleine Escuela de Artes Plásticas in Maracaibo. Toen hij daar les gaf, ontving hij een overheidssubsidie om naar Frankrijk te reizen en zich in Parijs te vestigen. In 1950 vertrok hij naar Parijs, waar hij werd opgewacht door zijn vrienden Otero en Cruz-Diez en andere kunstenaars uit Venezuela. Die brachten hem in contact met groeperingen van abstracte kunstenaars. In 1951 bezocht Soto met enkele vrienden Nederland, waar hij het Kröller-Müller Museum en het Stedelijk Museum Amsterdam bezocht, vooral om het werk van Piet Mondriaan te zien. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 053

Rob Scholte (Amsterdam, 1 juni 1958)  studeerde van 1977 tot 1982 aan de Gerrit Rietveld Academie. Daarna maakte hij onder meer deel uit van het kunstenaarscollectief W139, waar hij met Sandra Derks in 1982 debuteerde met het ‘meesterwerk’ Rom 87, dat deel uitmaakt van de collectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en in bruikleen is gegeven aan Museum Boijmans Van Beuningen. Het is een reeks in vrije stijl geschilderde variaties op een boek kinder-kleurplaten. Vanaf 1984 verving hij deze stijl door minutieus geschilderde werken die hij exposeerde in de pas opgerichte galerie The Living Room te Amsterdam. In de jaren daarna kregen zijn tentoonstellingen zowel veel lof als veel kritiek. Zijn werken waren onder meer te zien op de documenta (1987) en op de Biënnale van Venetië (1990), waar hij het Nederlandse paviljoen inrichtte. In 1991 kreeg hij de opdracht een 1200 vierkante meter grote wand- en plafondschildering te vervaardigen op het Huis Ten Bosch Resort in Nagasaki, Japan. Op 9 augustus 1995, de dag dat herdacht zou worden dat vijftig jaar eerder in Nagasaki de atoombom viel, zou de opening plaatsvinden van zijn schildering Après nous le déluge, over de voortdurende herhaling van oorlog, maar dat moest worden uitgesteld wegens een aanslag op Scholte. Op 24 november 1994 stapten Rob Scholte en zijn echtgenote Micky Hoogendijk bij de Laurierstraat in Amsterdam in zijn donkerblauwe BMW 525i. Kort daarna ontplofte een handgranaat onder de auto. Bij Rob Scholte moesten beide benen boven de knie worden geamputeerd; Micky Hoogendijk kreeg een miskraam. De dader van de aanslag is nooit gevonden. Een van de theorieën was dat de aanslag was bedoeld voor de advocaat Oscar Hammerstein, die eenzelfde type BMW in dezelfde kleur en met bijna hetzelfde nummerbord had. Andere theorieën hielden verband met het schimmige milieu van kunstenaars, cocaïnedealers en witwaspraktijken waarin Scholte zich indertijd bewoog. De aanslag zou een afstraffing zijn geweest voor gokschulden, cocaïneschulden of niet nagekomen verplichtingen. Scholte zelf beschuldigde aanvankelijk zijn collega-kunstenaars Paul Blanca en Koos Dalstra. De aanslag is nooit opgehelderd. In 2013 opende hij met beperkte middelen een aan hem gewijd museum in het voormalige Hoofdpostkantoor in Den Helder, maar een later conflict tussen de gemeente Den Helder en Scholte eindigde in een financieel drama voor Scholte, die zijn gehele collectie kunstwerken door de gemeente geconfisqueerd en geveild zag worden. (meer…)

TITUS WILLEM DE TOURTON BRUIJNS (86)

Titus Willem de Tourton Bruijns (Teteringen, 15 mei 1898 – Buchenwald, 6 april 1943) was een telg uit een militair geslacht. De achternaam ontstond nadat Willem von Bruyns (1771-1864) halverwege de negentiende eeuw toestemming kreeg de achternamen van zijn ouders Jan von Bruyns en Elizabeth Maria de Tourton samen te voegen. Deze Willem von Bruyns was in 1788 werkzaam aan het hof van stadhouder Willem V en 1e Luitenant in het Duitse Infanterieregiment 15 von Zach en daarna majoor bij het Koninklijke Nederlands-Indische Leger (KNIL). Deze Willem von Bruyns, inmiddels Willem de Tourton Bruijns, overleed in 1864 op 92-jarige leeftijd in Kampen, waar dat jaar zijn kleinzoon werd geboren. Titus Willem was de zoon van Titus Willem de Tourton Bruijns (Kampen, 1864), eerste luitenant van de artillerie van het Oost-Indische Leger, en Sara Magdalena Jakoba Immink (Bergh, 1863). Het echtpaar had al twee dochters. Drie dagen voor de geboorte van Titus Willem jr. was de vader al verhuisd naar Amsterdam, op 12 augustus 1898 werden ook de moeder en drie kinderen in het Amsterdamse geboorteregister ingeschreven, met de Tweede Oosterparkstraat 234 als definitieve adres van het gezin. Titus woonde bij het uitbreken van de oorlog in Amsterdam, waar hij Inspecteur van de Registratie en Domeinen was.  Die waren belast met het bijhouden van registers, het vorderen van vertalingen, de vermelding van een verklaring op de akte, de registratie van meerdere akten als een akte, het waarmerken van renvooien en het nummeren van de akten. Voorts waren zij belast met het afgeven van ontvangstbewijzen en verklaringen. Op 14 mei 1940 was Titus Willem de Tourton Bruijns een van de oprichters van het Legioen Oud-Frontstrijders (LOF), een van de vroegste verzetsorganisaties in Nederland. Een andere oprichter was Sybrand Marinus van Haersma Buma (Den Haag, 30 december 1903 – Neuengamme, 11 december 1942), die in 1929 op 26-jarige leeftijd burgemeester werd in Stavoren en in 1938 van Wymbritseradeel. (meer…)

031 – BEVROREN VIJVER 3

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

034 – ST. STEVENSKERK 8

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 1

01 - RadiumRadium is een chemisch element, waarvan alle isotopen radioactief zijn; de meest stabiele isotoop is radium-226 met een halfwaardetijd van 1.600 jaar. Wanneer radium vervalt, zendt het als bijproduct ioniserende straling uit die fluorescerende chemicaliën kan opwekken en radioluminescentie kan veroorzaken. Radium werd in 1898 ontdekt door Pierre Curie en Marie Curie toen ze bij het onderzoeken van het mineraal uraniniet na het verwijderen van het uranium uit het mineraal, bemerkte dat het residu nog steeds radioactief was. In 1910 werd radium voor het eerst geïsoleerd in zijn metaalachtige toestand door Marie Curie en André-Louis Debierne door de elektrolyse van radiumchloride. Nadat wetenschappers in Europa in vroege experimenten met succes kankercellen hadden gedood met radium, steeg de vraag naar het element enorm. Zieke patiënten over de hele wereld eisten behandeling met ‘het wonderbaarlijke radium’. Terwijl sommige artsen serieus experimenteerden met een radiumgeneesmiddel voor ziekten als kanker, tuberculose en lupus, werd hun werk overschaduwd door gewetenloze zakenlieden en kwakzalvers die radiumgeneeswijzen voor bijna elke kwaal op de markt brachten. Radium fascineerde de wereld met zijn radioactieve en lichtgevende eigenschappen. Omdat er geen inzicht was in de nadelige gevolgen van stralingsvergiftiging, werd radium een modieuze trend, een medisch wondermiddel en een industrieel wonder. Kranten stelden zich toekomstige steden voor die verlicht zouden worden door radiumlampen, restaurants die glow-in-the-dark radiumcocktails en snoep zouden serveren, radiumkunstmest die de opbrengst van boerderijen zou verbeteren en artsen die radium gingen gebruiken om kanker voor altijd te genezen. De zakenlieden en kwakzalvers maakten echter op agressieve wijze reclame met hun radium-producten en verkochten met enorm succes radiumcrèmes, dranken, zouten en zetpillen die beweerden acne, bloedarmoede, artritis, astma, kaalheid, moedervlekken, blindheid, constipatie, diabetes, struma, verharde slagaders, hoofdpijn, impotentie, krankzinnigheid, rachitis, tandbederf en wratten te genezen. In dit en volgende delen enkele ‘fraaie’ producten uit de ‘Radium-dagen’, die grotendeels duurde van omstreeks 1904 tot 1927. (meer…)

DE TELEPORTATIE VAN GIL PÉREZ

Op 26 oktober 1593 had de soldaat Gil Pérez de wacht buiten het paleis van de gouverneur in Manilla. Extra waakzaamheid was geboden, want een dag eerder was Gómez Pérez Dasmariñas (Betanzos, 1539 – 25 oktober 1593), de zevende Spaanse gouverneur-generaal van de Filipijnen, vermoord. Dasmariñas had bij zijn aanstelling in 1590 de opdracht gekregen om de Audiencia van Manilla op te heffen en de verdediging van de stad te versterken. Hij hief die Audiencia snel op en stuurde de president en de rechters van het tribunaal terug naar Spanje. Voor e verdediging van de stad werd een garnizoen van enkele honderden manschappen opgericht en er werd rond de stad een muur gebouwd, die begin 1593 gereedkwam. Hij liet ook een versterkt Fort Santiago bouwen en spoorde de bewoners van Manilla aan in het vervolg stenen in plaats van houten gebouwen neer te zetten. In 1592 werd de nieuwe stenen Kathedraal van Manilla afgeleverd. Langs de kust liet hij versterkingen bouwen en hij stuurde zijn zoon Luis Pérez Dasmariñas op militaire expedities naar opstandige gewesten of delen van de archipel waar de Spanjaarden nog niet waren geweest. In 1593 organiseerde Dasmariñas een vloot en troepenmacht van zo’n 900 mensen naar het eiland Ternate van de Molukken om daar het stenen fort van de Hollanders te veroveren. Dasmariñas zou de expeditie persoonlijk leiden. Op 24 oktober 1593 vertrok hij in een galei met Chinese roeiers vanuit Cavite naar Pintados, waar zich de vloot onder leiding van zijn zoon bevond. Op de tweede dag van de reis daarheen kwamen de Chinese roeiers echter in opstand, waarbij gouverneur-generaal Dasmariñas en diverse andere Spanjaarden om het leven kwamen. Zijn zoon Luis Pérez Dasmariñas volgde hem op als gouverneur-generaal van de Filipijnen. (meer…)

ANDRÉ RENÉ DE NORMANDIE S’JACOB

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Wie kent of heeft gekend André René de Normandiër ’s Jacob in het concentratiekamp Engerhafen bij Aurich?

André René de Normandie s’Jacob (Staverden, 8 september 1921 – Neuengamme, 5 februari 1945) werd geboren op het landgoed Staverden als zoon van de grootgrondbezitter Herman Theodoor s’Jacob en van Elizabeth Jacoba van der Leeuw. Van het geslacht s’Jacob begon de stamreeks met René (Renier) Jacob, in rond 1630 in de omgeving van het Franse Châteaudun geboren, later werkzaam in het lakenbedrijf te Delft en in die plaats in 1708 overleden. Zijn kleinzoon Josué (1693-1776) werd in 1717 poorter van Rotterdam. Het geslacht kende in de loop der jaren vele bestuurders en in de persoon van Frederik s’Jacob (Den Haag, 25 februari 1822 – Utrecht, 3 april 1901) van 12 april 1881 tot 20 januari 1884 een gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. In 1911 werd het geslacht opgenomen in het genealogische naslagwerk Nederland’s Patriciaat en vanaf 7 november 1925 werd per Koninklijk Besluit de toch al ongebruikelijke achternaam ‘sJacob voorafgegaan met de toevoeging ‘de Normandie’, waarschijnlijk als verwijzing naar de afkomst van verre voorvader René Jacob. (meer…)

AUSSENKAMP 3 – AURICH-ENGERHAFE

Naam van het subkamp: Aurich-Engerhafe
Periode van bestaan: 21 oktober 1944 tot 22 december 1944
Aantal gevangenen: 2000 mannen
Type werk: Bouw van vestingwerken en Tankgrachten (Project Friesenwall)
Opdrachtgever: Reichsverteidigungskommissar im Wehrkreis X Militair district X

Tijdens het nationaalsocialistische tijdperk was in alle plattelandsgemeenschappen in Oost-Friesland sprake van een vergelijkbare situatie. Na de machtsoverdracht in het Duitse Rijk zette dit zich ook door in de gemeentelijke instellingen. In de gemeenten Engerhafe, Oldeborg, Upende en Fehnhusen werden in 1933 alle burgemeesters ingeruild voor partijleden of mensen die dicht bij de NSDAP stonden. Ook werden er geen gemeenteraadsleden meer gekozen, maar benoemd uit de rangen van de partij. De lokale leider van de NSDAP had het laatste woord over alle besluiten van het gemeentebestuur en de burgemeester. Met ingang van 1 april 1938 werden op bevel van de president van de provincie Hannover de gemeenten Engerhafe, Oldeborg, Upende en Fehnhusen samengevoegd tot de gemeente Oldeborg. De belangrijkste reden was dat de NSDAP niet genoeg gekwalificeerde mensen naar voren kon schuiven voor de diverse politieke functies. In de zomer van 1933 werd op basis van een Reichswet een verkiezing van kerkenraden verplicht, waarin de politieke bestuurders een grote inbreng hadden. Een enorme inbreuk door de nationalistische staat op het traditionele kerkelijk recht, maar er was geen enkel verzet van de regionale kerk. (meer…)

MARTIAL RAYSSE

Martial Raysse (Golfe-Juan, 12 februari 1936) groeide op in een gezin van keramisten in Vallauris in het district Alpes-Maritimes. Op twaalfjarige leeftijd begon hij met schilderen en schrijven van poëzie. Het gezin woonde ook in Nice, waar Raysse literatuur studeerde. Hij was gefascineerd door de schoonheid van plastic en struinde goedkope winkels af op zoek naar allerlei prullaria voor zijn verzameling, dat hij later in plexiglas kisten presenteerde. In 1957 exposeerde hij een aantal van zijn werken in Galerie Longchamp in Nice. Hij noemde zijn visie op de consumptiemaatschappij vision hygiene. Hij maakte zeefdrukken met fluorescerende kleuren en combineerde zijn objecten met contouren in neonlicht. In 1959 ontdekt hij in een warenhuis de onversleten schoonheid van opeengestapelde objecten, die onbesmet, onverbruikt, hygiënisch en vrij van interpretatie waren. In oktober 1960 was hij met zijn jeugdvrienden Arman en Yves Klein en de kunstenaars François Dufrêne, Raymond Hains, Daniel Spoerri, Jean Tinguely, Jacques Villeglé en kunstcriticus en filosoof Pierre Restany een van de oprichters van de Nouveaux Réalistes. Pierre Restany had op 14 april 1960 in zijn eerste Manifeste du Nouveau Réalisme de beweegredenen van de groep al omschreven: ‘De traditionele middelen zijn uitgeput; er is geen andere reactie mogelijk dan de afschaffing van het schilderij…’ In het tweede manifest, dat het jaar daarop verscheen, verklaarde hij: ‘De nieuwe realisten zien de wereld als een schilderij, een groot fundamenteel waarvan zij zich wezenlijke fragmenten eigen willen maken’. Een eerste collectieve manifestatie vond plaats tijdens het Festival d’avant-garde, te Parijs in november-december van 1960. Daarop volgde in mei 1961 een tweede expositie, in de ‘Galerie J.’, met het thema Quarante Degrés au-dessus de Dada. De ‘nieuwe realisten’ exposeerden vervolgens in juni te Stockholm en in juli te Nice. In 1961 en 1962 werd aan hun werk een speciale zaal gewijd tijdens de Parijse Salon Comparaisons. In juli 1961 waren ze te zien op de expositie Paris-New York van de Galerie Rive droite en in juni 1962 op de expo Donner à voir I van de Galerie Creuze. De kunstenaars confronteerden de kijker met de hun bewerkingen van alledaagse dingen uit de urbane omgeving. De Nouveau Réalisme was de Franse evenknie van de Nederlandse NUL-beweging en Zero-bewegingen in andere Europese landen en in Japan. Later sloten zich ook César, Mimmo Rotella, Niki de Saint Phalle en Christo aan bij de Nouveaux Réalistes. De groep wilde de werkelijkheid op een nieuwe manier benaderen en wel door de twintigste-eeuwse consumptiemaatschappij een plaats te geven in hun werk. (meer…)

030 – BEVROREN VIJVER 2

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

033 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

DE RAMP MET DE SS NORGE

SS NorgeIn de buurt van Rockall bevinden zich Hasselwood Rock (200 meter ten noorden van Rockall) en Helen’s Reef (2 km ten oostnoordoosten van Rockall), twee verraderlijke klippen die alleen op zeldzame momenten bij laag water zichtbaar worden, maar verder alleen te herkennen zijn aan de golfpatronen. Hasselwood Rock, op het breedste punt dertien meter en met een oppervlakte van 130 m2, ligt bij laag water slechts één meter boven de zeespiegel en normaliter slechts te herkennen aan brekende golven op de rotsen onder de oppervlakte. Helen’s Reef bestaat uit een serie van rotsachtige eilanden, die ook bijna altijd net onder het wateroppervlakte liggen. Het rotseiland Rockall en deze omliggende klippen bestaan voornamelijk uit fijnkorrelige stollingsgesteente gabbro, dat erg rijk aan olivijn is. Doordat die veel ferromagnetische mineralen bevatten, is er een magnetische anomalie waardoor scheepskompassen in het gebied tot zo’n 15 km afstand van het eiland onbetrouwbaar zijn. Gekoppeld aan de geringe hoogte van de rots en de twee verraderlijke klippen kan dit een groot aantal scheepsrampen in het gebied verklaren. (meer…)

DE NEDERLANDSE VULKANEN

Tot 1948 telde het Koninkrijk der Nederlanden honderden vulkanen, bijna allemaal gelegen in het toenmalige Nederlands-Indië. De topografie van Indonesië wordt gedomineerd door honderden vulkanen, die zijn ontstaan doordat de Euraziatische Plaat en de Indo-Australische plaat onder elkaar schuiven (subductie). De Indonesisxche vulkanen maken deel uit van de zogenaamde Pacifische Ring van Vuur, een hoefijzervormig gebied rondom de Grote Oceaan met veel aardbevingen, zeebevingen en vulkaanuitbarstingen die worden veroorzaakt door verschillende subductiezones van tektonische platen. In deze Ring of Fire treft men vaak diepe troggen in de oceaan aan of een boog van vulkanen. Over een lengte van ruim 40.000 kilometer loopt de gordel rond de Grote Oceaan, te beginnen bij Nieuw-Zeeland en loopt dan via een aantal eilandengroepen naar Indonesië, de Filipijnen, Japan, de Russische eilandengroep de Koerilen, het Russische schiereiland Kamtsjatka en Alaska. Vanaf hier gaat de ring verder langs de westkust van Canada, Amerika, Mexico en de volledige westkust van Midden- en Zuid-Amerika. Er zijn in totaal 452 vulkanen in dit gebied, waarvan 128 actieve vulkanen en daarvan gelden 65 vulkanen als extreem gevaarlijk. Bij het gebied van Sumatra tot Flores in Indonesië schuift de Australische plaat met een snelheid van ongeveer 6 centimeter per jaar onder de Euraziatische plaat. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 52

AUSSENKAMP 2 – ALT GARGE

Kraftwerk Alt GargeNaam van het subkamp: Alt Garge
Periode van bestaan: 24 augustus 1944 – 15 februari 1945
Aantal gevangenen: 500 mannen
Type werk: Bouw van elektriciteitscentrales
Opdrachtgever: HEW, Fa. Rosseburg, Grün & Bilfinger, Wayss & Freytag

Alt Garge was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hoofdzakelijk een industriegebied met spaarzame bewoning van het personeel van de daar gevestigde bedrijven. Het lag zo’n zes kilometer zuidoostelijk van Bleckede aan de westoever van de Elbe, op bijna tachtig kilometer van Hamburg. In de jaren dertig steeg in Duitsland de vraag naar elektrische energie sterk vanwege het sterk toenemende particuliere elektriciteitsgebruik. Steeds meer huizen en bedrijven kregen elektrisch licht, gaslantaarns werden massaal vervangen door elektrische verlichting en elektromotoren vervingen de stoomaandrijving. Er was een  enorme groei van energie-intensieve industrieën, met name voor de wapenindustrie ter voorbereiding op de aanstaande oorlog, die op volle toeren draaide. De Hamburgische Electricitäts-Werke AG (HEW), een bedrijf dat in 1894 werd opgericht om voor Hamburg elektriciteit en stadsverwarming te leveren, plande in Alt Garge een ​​nieuwe, ultramoderne energiecentrale met een vermogen van ongeveer honderdveertig megawatt om te voorzien in de groeiende elektriciteitsbehoefte van Hamburg en de industriële gebieden in het oosten van Nedersaksen en Mecklenburg. (meer…)

CIMON EN PERO – 17

17 - Pompeï - Giuseppe Chiantarelli 1838De legende van Cimon en Pero in het jaar 31 opgetekend door de Romeinse schrijver Valerius Maximus in zijn negendelige werk Facta et dicta memorabilia (‘Negen boeken memorabele daden en uitspraken’) dat hij opdroeg aan keizer Tiberius. In het korte verhaal wordt Myco (ook wel Cimon genoemd) veroordeeld tot verhongering in de gevangenis, maar als zijn dochter Pero hem bezoekt, ziet ze ‘een man op extreem hoge leeftijd’ die hongerig en vuil is. Ze legt hem ‘als een baby aan haar borst en voedt hem.’ Er zou overigens een soortgelijk verhaal hebben bestaan over een naamloze dochter die haar veroordeelde moeder voedt ‘met de hulp van haar eigen melk’. De jury die de zaak van de moeder beslechtte, bemerkte deze vrome daad en vergaf de moeder haar vonnis. Maximus kende het verhaal uit een muurschildering die een grote indruk op hem had gemaakt. Misschien wist hij ook dat er ook in Pompeï muurschilderingen van dit verhaal waren. Muurschilderingen die bij de uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79 verdwenen onder de dikke lag as die Pompeï eeuwenlang deed verdwijnen. Deze muurschilderingen laten vermoeden dat de legende uit de Griekse mythologie afstamde, wat verder zou worden ondersteund doordat op een van de muurschilderringen de naam niet als Cimon, maar als Micon werd gespeld. Aan het eind van de zestiende eeuw werden de eerste overblijfselen van Pompeï weer ontdekt en werden er vanaf de 18e eeuw vele archeologische opgravingen verricht, waardoor de oude stad grotendeels werd blootgelegd. Daarbij kwam ook de muurschildering met Cimon en Pero weer tevoorschijn. In 1838 maakte Giuseppe Chiantarelli een schilderij van een deel van een muur in een atrium (de centrale ruimte in een gebouw), met de muurschildering van Cimon en Pero in het midden van de muur. De vierkanten fresco van 53,7 centimeter bevindt zich nu in het Museo Archeologico Nazionale in Napels. (meer…)

029 – BEVROREN VIJVER 1

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

032 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

13 – ROCKALL

Rockall 3Rockall is een piepklein onbewoonbaar granieten eilandje in de Noord- Atlantische Oceaan: een oppervlakte van 0,0007843 km², 31 meter lang, 25 meter breed en met een hoogste punt dat 17,15 meter boven de zeespiegel uitstijgt. Oorspronkelijk was dat 21,4 meter hoog, maar in 1971 is door het Britse leger met Operation Top Hat de top met explosieven geëgaliseerd om er een lichtbaken op te kunnen plaatsen. De geschatte afstanden van de eenzame rotspunt in de oceaan tot de dichtstbijzijnde eilanden in elke richting zijn: 301,3 kilometer / 162,7 zeemijl ten westen van Soay, Schotland; 423,2 kilometer / 228,5 zeemijl ten noordwesten van Tory Island, Ierland ; 700 kilometer / 380 zeemijl ten zuiden van IJsland. De dichtstbijzijnde permanent bewoonde plaats is North Uist, een eiland in de Buiten-Hebriden van Schotland, 370 kilometer / 200 zeemijl naar het oosten. Eeuwenlang had geen enkele van deze landen enige belangstelling voor die rots, maar sinds in de naoorlogse jaren het vermoeden rees dat hier wel eens diep in de bodem olie te vinden zou zijn en tegelijkertijd de bescherming van visserijrechten steeds belangrijker werden, is Rockall en zijn directe omgeving een betwist gebied tussen Groot-Brittannië (namens Schotland), Ierland, IJsland en Denemarken (namens de Faeröer-eilanden). (meer…)

BERNARD AUBERTIN

Bernard Aubertin 1Bernard Aubertin (Fontenay-aux-Roses, 29 juli 1934 – Reutlingen, 31 augustus 2015) studeerde van 1955 tot 1957 schilderkunst in Parijs. In die periode maakte hij figuratieve kunst, vooral landschappen, stillevens en portretten, maar verdiepte hij zich ook in het kubisme en futurisme. In 1957 ontmoette hij Yves Klein (1928-1962), die al in 1946 zijn eerste Monochromes maakte, panelen in een uniforme zuivere kleur. Klein exposeerde in 1955 exposeerde in Parijs zijn Monochromes in de Galerie des Solitaires, een jaar later stelde hij zijn Propositions monochromes voor in de Galerie Colette Allendy. In de avantgardistische kunstkringen werd Klein al snel een bekende naam en vanaf 1957 had hij talloze tentoonstellingen in binnen- en buitenland met zijn ultramarijn blauw (IKB). In 1960 maakte hij zijn bekendste werk Le saut dans le vide, een spectaculaire duik in de onsterfelijkheid of eigenlijk in de leegte, zoals de iconische titel aangeeft. Geïnspireerd op de ultramarijne kunstwerken van Klein, ging Aubertin aan de slag met het maken van monochrome rode paneelschilderijen, waarin hij het beeldoppervlak structureerde met behulp van spatels, de achterkant van lepels, messen of vorken. In 1959 werden nog meer monochrome, rode structuurafbeeldingen gemaakt. Hij concentreerde zich op de kleur rood als een uitdrukking van vuur om ruimtes van kleur en licht te creëren. (meer…)

BLAAUW GARRIT

Blaauw Garrit (ook Blauwe Gerrit of Blauwbroek genoemd) was een plaaggeest die in verschillende sagen uit de Veluwe voorkwam. Hij was een aapachtig en vaak onzichtbaar wezen, dat als een blauw licht door de bossen op de Veluwe danste, met ogen die gloeiden als schoteltjes. Tussen de huizen van mensen had hij weinig macht, want als natuurwezen hoorde hij thuis in de duisternis en de eenzaamheid. De ene keer was hij lucht, de andere keer bijna van vlees en bloed. Hij kon licht als een veertje op iemand neerdalen, maar ook als een zwaar gewicht op een persoon drukken zodat men nog amper kon bewegen. Meestal konden mensen hem niet zien, maar zijn gewicht en gelach verraadden zijn aanwezigheid. Blaauw Garrit viel alleen mensen met snode plannen aan als onrecht dreigde plaats te gaan vinden. In de meeste verhalen deed hij echter niemand kwaad en was hij vooral kwajongensachtig en plagerig. In sommige verhalen sprong Blaauw Garrit op zwaarbeladen wagens waarvan de voerlieden te veel hadden gedronken. De kar was nu zo zwaar geworden dat ze niet meer vooruit was te krijgen. Hij voorkwam zo dat er ongelukken zouden gebeuren. Zodra de voerman was nuchter was, verliet Blaauw Garrit de wagen en kon de voerman veilig verder reizen. In andere verhalen sprong Blaauw Garrit op verlaten plekken mensen op de schouders, die vanwege het zware gewicht niet verder konden of slechts uitgeput hun bestemming bereikten. Soms duwde hij wandelaars die in een karrenspoor liepen ruw aan de kant, vooral op die punten waar twee wegen paden elkaar kruisten. (meer…)

AUSSENKAMP 1 – ALDERNEY

Alderney 1

Naam van het subkamp: Alderney (I. SS-Baubrigade)
Periode van bestaan: 5 maart 1943 – 22 september 1944
Aantal gevangenen: 1000 mannen
Type werk: Bouw van verdedigingswerken
Opdrachtgever: Opperbevel van de Wehrmacht, Organisation Todt

Het lege eiland Alderney was op 2 juli 1940 door de Wehrmacht bezet. Een maand eerder had Groot-Brittannië de 1.400 inwoners al van het eiland naar Engeland geëvacueerd. Voor de Duitsers moesten de Britse Kanaaleilanden deel gaan uitmaken van hun Atlantikwall. In januari 1942 richtte Organisation Todt op het Britse Kanaaleiland Alderney vier werkkampen in, die allemaal een naam kregen die verwees naar de Oost-Friese eilanden. De vier werkkampen moesten zorgen voor de bouw van verdedigingswerken op het eiland, om het Derde Rijk te kunnen beschermen tegen een gevreesde invasie vanuit Groot-Brittannië. Voor de bouw maakte Organisation Todt gebruik van dwangarbeiders, maar in hun terminologie waren het vrijwilligers (Hiwi’s) die in werkkampen gehuisvest waren. Werkkampen die ze eerst zelf moesten bouwen. Het Lager Borkum lag dicht bij het centrum van Alderney en was het kleinste van de vier kampen. Hier werkte voornamelijk Duitse technici en echte vrijwilligers uit diverse landen. Het Lager Helgoland lag in de noordwestelijke hoek van het eiland; hier werkte voornamelijk Russische Hiwi’s. De mannen in deze twee kampen werden voor hun werk (karig) betaald, maar hun werkomstandigheden en de behandeling door de kampleiding waren uitzonderlijk streng en bijna gelijk aan de beide andere kampen. Deze twee kampen bleven tot het eind van de oorlog onder de bewindvoering staan van Organisation Todt. Van Lager Borkum resteren momenteel nog slechts de toegangspoorten in een open veld, van Lager Helgoland zijn geen sporen meer te vinden op het eiland. (meer…)