HET GODDELOZE TOLHEK

Goddeloze Tolhek 5Er zijn in Friesland minstens twee plaatsen met de naam Het Goddeloze Tolhek/Tolhuis. De  eerste ligt iets ten noordoosten van Feanwâlden (Veenwouden), bij het ruige moerasgebied De Houtwiel. Er waren tal van fantastische volksverhalen in omloop over het Goddeloze Tolhuis, gelegen bij de Goddeloze Singel en de Skilige Pijp (de Schele Pijp), zoals de Goddeloze Brug ook werd genoemd. Dat kan helaas niet gezegd worden over het Goddeloze Tolhek tussen Gorredijk en Beetsterzwaag. Daar bevindt zich het terrein De Sweach. De weg die daar loopt, de Sweachterwei, is nu een bosrijke weg, met in de zomer veel ooievaarsnesten en later in het jaar prachtige herfstkleuren. Over die Sweachterwei reed vanaf 1882 een tramlijn, met halverwege een oud tolhuisje met en houten tolpoort voor de boeren die daar met paard en wagen passeerden. Het heeft pas tamelijk recent de naam gekregen Goddeloze Tolhek, denkbaar geïnspireerd op de ook hier bekende volksverhalen uit Feanwâlden of wellicht uit het nabijgelegen Hardegarijp, waar het Goddeloze Hek dat nooit dicht kon blijven. Ook in Olterterp, iets ten noordoosten van Beetsterzwaag, bestond zo’n Goddeloze Tolhek, dat steeds vanzelf open ging. Ook al maakte men die hekken nog zo goed vast, het gaat altijd vanzelf weer open. De tolpoort bij De Sweach kreeg op een geven moment ook de naam Goddeloze Tolhek omdat er in de directe omgeving steeds ongelukken gebeurden. Op een gegeven moment brandde een huis voor de tweede keer in korte tijd af, waarna de man van het tolpoortje zou hebben uitgeroepen: ‘Dat goddeloze tolpoortje!’. De twee mannen die bij de brand waren omgekomen, werden door de tolgaarder bij het tolhuisje begraven. Later is op de plaats waar het graf had gelegen een cementen steen neergelegd, met een jaaraanduiding. Het paadje naar het hek bleef voor de omwonenden altijd een onheilspellende plaats. Op een gegeven moment kwamen hier twee mannen onder de tram, maar daarover later meer. (meer…)

GREETJE FRIEDMANN – 011

Greetje Friedmann werd op 21 oktober 1933 geboren, maar het is onbekend in welke plaats of welk land. De kans is namelijk best groot dat ze oorspronkelijk uit Duitsland of Polen kwam. Er is een grote lijst van mannen en vrouwen met de naam Friedmann op de lijst oorlogsvermisten, maar nadere gegevens over hen zijn er niet. Er is slechts bekend dat ze op 1 mei 1943 via een zekere familie Goldfeder naar de familie Weerstra in het Friese IJlst is gebracht. Nu is er in Nederland maar één familie Goldfeder te vinden, namelijk de uit Rusland stammende Daniël Goldfeder (Kalisch, 2 januari 1910 – Sobibor, 16 juli 1943), zijn echtgenote Rachla Goldfeder-Hendeles (Kozminek, 26 april 1909 – Sobibor, 16 juli 1943) en hun dochtertje Ilenka Goldfeder (Amsterdam, 28 februari 1938 – ?, 28 april 1996). Daniël Goldfeder had vanaf 1941 in de Nieuwe Kerkstraat 9 in Amsterdam de besteldienst DAGO. Het is logisch te veronderstellen dat Goldfeder kennis had van een familie Friedmann in zijn directe omgeving. Op de hoek van de Nieuwe Kerkstraat – Amstel woonde bijvoorbeeld Martin Friedmann (Leipzig, 3 januari 1895 – Sobibor, 9 april 1943), een musicus en dirigent die voor de oorlog onder meer samenwerkte met René Sleeswijk en Willy Walden. Er is echter geen enkele aanwijzing dat Martin Friedmann gehuwd was of was geweest. Iets verderop, op Oosteinde 6 bovenhuis, woonde een gezin Friedmann, bestaande uit de vier broers Arthur (Masgrabowa, 14 oktober 1895 – Sobibor, 23 april 1943), Walter (Treuburg, 30 mei 1897 – Sobibor, 23 april 1943), Julius (Insterburg, 14 juli 1900 – Sobibor, 30 april 1943) en Berthold (Königsberg, 16 september 1905 – Sobibor, 9 april 1943), allemaal koopmannen en zover na te zoeken geen van allen gehuwd. De familie van Greetje Friedmann blijft dus onbekend. (meer…)

035 – TIERGARTEN KLEVE 1

.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

038 – RIJP LANGS HET MAAS-WAALKANAAL 3

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, langs het Maas-Waalkanaal, januari 2007, © Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 5

05 - Tho-Radia 19 – Het cosmeticamerk Tho-Radia

Vanaf 1932 werd in Frankrijkdoor een farmaceutisch het cosmeticamerk Tho-Radia geproduceerd ‘voor farmaceutische producten, schoonheidsproducten en parfums’. Rond 1910 kwam de apotheker Alexandre Jaboin met de theorie van ‘microcurietherapie’, geïnspireerd door het succes van curietherapie bij de behandeling van bepaalde vormen van kanker. Hij ging ervan uit dat zeer kleine doses radium levende cellen zouden stimuleren en hun energie zouden verhogen. Deze opvattingen waren niet wetenschappelijk aangetoond, maar ze veroorzaakten een rage voor met radium beladen medicijnen en cosmetica. Verschillende merken begonnen in de loop van de jaren tien de markt te exploiteren, met name Activa en Radior. Omstreeks 1920  trad apotheker Alexis Moussalli in dienst bij de farmaceutische laboratoria van Millot in Parijs. Gebruikmakend van zijn expertise op het gebied van zeldzame aardmetalen bedacht hij de schoonheidscrème Tho-Radia uit, die 0,5 mg thoriumchloride en 0,25 mg radiumbromide per 100 gr crème bevatte. Om zijn eigen merk goed in de markt te zetten, ging hij een samenwerking aan met de arts Alfred Curie, die geen enkele band had met Pierre en Marie Curie, maar de gelijke achternaam deed wonderen. Pierre en Marie Curie hebben blijkbaar nog even overwogen juridische stappen tegen het bedrijf te ondernemen. Alfred Curie registreerde het merk Tho-Radia op 29 november 1932 met de misleidende vermelding ‘naar de formule van Dr. Alfred Curie’. De gezichtscrème had vanwege de veelbelovende genezende en verfraaiende eigenschappen direct een groot succes in Parijs. Het assortiment  producten zou namelijk de bloedsomloop verbeteren en rimpels verwijderen, maar zou ook het haar en onaardse stralende glans gaven. De Tho-Radia-crèmes werden opgemerkt door hun herkenbare advertenties, waarin een jonge, blonde vrouw wordt afgebeeld die van onderaf wordt verlicht door zichtbare stralen. Vanaf 1937 werd hert gebruik van radium beperkt tot medische behandelingen en moesten producten met radium het opschrift ‘Gif’  0f ‘Toxisch’ bevatte. Het bedrijf paste nu de samenstelling aan om de productlijn te kunnen voortzetten. (meer…)

012 – NIGTEVECHT

Nigtevecht 1666Nigtevecht is het meest noordelijk gelegen dorp binnen de provincie, iets van vijf kilometer ten zuiden van het Nood-Hollandse Weesp. Het dorp werd voor het eerst vermeld in 1281 als Nigftarvechta  (aan de Vecht), als een langgerekt dorp op een rivierduin langs de linkeroever van de slingerende Vecht. Dat werd later verbasterd tot Nichtervecht en weer later tot Nigtervecht. De tekening hiernaast toont het vredige dorpje in 1666.

Toen de Franse legers op 12 juni 1672 bij Lobith het land binnentrokken, werden eerst Arnhem en Nijmegen door hen belegerd. Daarna verspreidden ze zich over de IJsselvallei. Er was een plan van de Republiek voor een IJssellinie als eerste verdedigingslijn, maar de vestigingssteden en vestingwerken lagen er al decennialang verwaarloosd en onderbemand bij. Er was ook een plan het gebied in de IJsselvallei te inunderen in geval van een aanval, maar ten tijde van de Franse aanval was dat vanwege de lage waterstand geen optie. Ook hadden inwoners al jarenlang geprotesteerd tegen het plan, zodat er geen voorbereidende werkzaamheden waren verricht. In de IJsselvallei kwam het tot wat gevechten, maar na een snelle Franse overwinning lag de rest van de Republiek helemaal open voor de Fransen. Op 19 juni 1672 viel Naarden en op 23 juni lag het onverdedigde Utrecht zich over aan de Fransen. De republiek had toen in juni 1672 met overstromingen al gezorgd dat het plan van de Hollandse Waterlinie in werking kon treden. Dat was eigenlijk te laat om de inundaties echt succesvol te laten zijn, maar koning Lodewijk XIV treuzelde lang. Hij veronderstelde dat de Republiek het hopeloze van de situatie zou inzien, snel zou capituleren en hem een aantrekkelijke oorlogsvergoeding zou betalen. Bovendien was er onder de Franse soldaten weinig animo te gaan aanvallen en het risico te lopen te sneuvelen. Ze zouden namelijk worden uitbetaald in wissels die in Amsterdam verzilverd moesten worden. Ze vreesden dat na de gewelddadige val van Amsterdam hun wissels waardeloos zouden zijn. Ook voor hen was wachten op de vrijwillige overgave van de Republiek de meest aantrekkelijkste optie. Het gaf de Republiek de gelegenheid de Hollandse Waterlinie in juli 1672 tijdig af te krijgen. (meer…)

034 – AVONDLUCHT

.
Lobith, avondlucht in de tuin, juli 2017, © Frans van den Muijsenberg.

037 – RIJP LANGS HET MAAS-WAALKANAAL 2

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, langs het Maas-Waalkanaal, januari 2007, © Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 4

04 - Radium Girls 47 –  Zelflichtgevende verven

De gevaren van radium werden aanvankelijk niet goed begrepen, de commerciële mogelijkheden des te beter. In het theater werd hoofdzakelijk de term ‘radium’ als wervend middel ingezet, van daadwerkelijk gebruik van het gevaarlijk goedje was meestal geen sprake. Dat werd bij industrieel gebruik een stuk anders. Men ging radium gebruiken voor het produceren van zelflichtgevende verven voor horloges, nucleaire panelen, vliegtuigschakelaars, klokken en wijzerplaten van instrumenten. Een zelflichtend horloge met radiumverf bevatte ongeveer 1 microgram radium. In 1917 werd in Chicago de Radium Dial Company opgericht, een divisie van de Standard Chemical Company, dat de radiumverf Undark produceerde om in hun fabriek in East Orange lichtgevende horloge- en klokwijzerplaten te produceren. Het snel werd kort daarna verplaatste naar Ottawa, Illinois om dichter bij de belangrijkste klant te zijn, de Westclox Clock Company. Op haar hoogtepunt werkte voor de Radium Dial Company ongeveer 1.000 jonge vrouwen, voornamelijk Italiaanse immigranten, die hun eigen verf mengden uit radiumpoeder. Om een ​​fijne penseelpunt te krijgen voor het schilderen van de kleine cijfers, maakten de fabrieksarbeiders de penseelpunt tussen hun lippen nat. Sommigen beschilderden zelfs hun lippen en tanden met de lichtgevende verf om hun echtgenoten en vriendjes te verrassen. Dagelijks werden door hen ongeveer 4.3000 wijzerplaten afgeleverd. In 1922 begonnen veel van de wijzerplaatschilders verontrustende gezondheidsproblemen te krijgen. Toen ze naar artsen gingen over pijnlijke zweertjes in de mond en tandbederf, waren de artsen geschokt toen ze ontdekten dat de botten in hun gezicht en kaken waren gedesintegreerd. Veel vrouwen kregen toen kanker. Artsen vermoedden dat het plotselinge begin van deze vreselijke ziekte bij gezonde jonge vrouwen werd veroorzaakt door de blootstelling aan radiumverf. Verschillende werknemers stierven als gevolg van de werkzaamheden, maar hoewel de gezondheidsrisico’s van radium van lieverlee steeds duidelijker werden, ging het bedrijf tot 1940 verder met het schilderen van fluorescerende wijzerplaten. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 53

4 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 1 4 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 2 4 - Julien Vallou de Villeneuve 1853 - 3
Foto’s van Julien Vallou de Villeneuve (1795-1866), model Henriette Bonnion

033 – OMGEVING VAN ELTEN 4

.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

036 – RIJP LANGS HET MAAS-WAALKANAAL 1

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, langs het Maas-Waalkanaal, januari 2007, © Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 3

03 - Polshorloges WO 16 – Een radium polshorloge

Militairen gebruikten voor de Eerste Wereldoorlog al veelvuldig zakhorloges. Voor officieren was het hebben van een zakhorloges een onmisbaar onderdeel van de uitrusting. Die zakhorloges waren echter onpraktisch bij het paardrijden, in de open cockpits van vroege vliegtuigen of in de krappe omstandigheden van de loopgraven. Het werd veel logischer om in het vervolg de horloge rond de pols te doen. Dat was voor militairen een behoorlijke stap, want voor de oorlog droegen meestal alleen vrouwen polshorloges. Mannen met polshorloges werden als verwijfd beschouwd. Deze trend om toch zo’n vermaledijd polshorloge te dragen zou zijn begonnen tijdens de Boerenoorlog (1899-1902), toen Groot-Brittannië oprukte naar de Boerenstaten Transvaalrepubliek en Oranje Vrijstaat. De soldaten kregen nu een hand vrij die normaal gebruikt werd gebruikt om een zakhorloge te bedienen. Tegen de tijd dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, waren de functionele voordelen van het polshorloge al zo ingeburgerd dat al een kwart van de gewone soldaten een polshorloge had. Deze eerste militaire polshorloges waren bestendig, waterdicht en hadden onbreekbaar glas. Een grote innovatieve oplossing, maar het bleef een probleem om op je horloge in het donker de tijd te zien. Het aansteken van een lucifer had het risico dat de vijand je positie kon achterhalen. Horloges met lichtgevende wijzerplaten werden daarom al snel een essentieel veiligheidselement: een must-have-gadget. In het boek Knowledge for War: Every Officer’s Handbook for the Front (1916) van Captain B.C. Lake stond op de lijst onmisbare items ‘Een lichtgevend polshorloge met onbreekbaar glas’, nog vóór ‘Veldkijkers’ en ‘Revolver’. (meer…)

TADEUSZ BOROWSKI – HIERHEEN NAAR HET GAS, DAMES N HEREN

Tadeusz Borowski (Zjytomyr, 12 november 1922 – Warschau, 3 juli 1951) werd geboren in de historische stad Zjytomyr, die toen deel uitmaakte van de Oekraïense Volksrepubliek en een grote Poolse en Joodse minderheid kende. Zijn vader Stanislaw Borowski (1890-1966) en moeder Teofila Karpińska (1897–1993) kwamen uit boerenfamilies in Oekraïne. Ze trouwden in Zjytomyr in 1917. Ze kregen twee zonen, Juliusz en Tadeusz. Stanisław werkte als accountant bij een bijenteelt- en tuinbouwcoöperatie. Sinds de Tweede Poolse Deling in 1793 maakte de stad deel uit van het Russische Rijk en was toen al een belangrijk vervoersknooppunt op een route van Kiev via Brest naar het westen. In 1861 vormde de Joden een derde van de totale bevolking en was de stad een officieel Joods centrum in het zuidelijk deel van deze streek in Oost-Europa, waar Vilnius in Litouwen indertijd dezelfde status had in het noordelijk deel. Voor de Eerste Wereldoorlog had de Joodse bevolking in de Oekraïne met regelmaat te lijden onder pogroms. Dat gold zeker gedurende de korte Oekraïense onafhankelijkheid (1918-1922) toen Zjytomyr de hoofdstad van Oekraïne was. Vanaf de oprichting van de Sovjet-Unie op 28 december 1922 kwam het land onder de heerschappij van de Sovjet-Unie. Tadeusz Borowski was toen net een weekje of zes oud. (meer…)

DENIS MESRITZ (87)

Denis Claire Baudouin Mesritz (Den Haag, 16 november 1919 – Rathenow, 16 maart 1945) was de jongste zoon van Leo Mesritz (Samarang, 1 november 1876 – Zürich, 20 oktober 1965), een advocaat aan het Gerechtshof te Den Haag, die op 15 mei 1915 op 38-jarige leeftijd trouwde met de 30-jarige Ernestine Emma Claire Tiberghien, een dochter van een advocaat aan het Gerechtshof te Brussel. Het is een schriftelijke afhandeling, want de bruidegom verkleef op dat moment in het Carlton Hotel te Edinburgh terwijl de bruid in dezelfde plaats in het Romburgh Hotel verbleef. De andere kinderen waren Marie-Claire (1919-1973), Lucien (1916-1935) en Jean (1918-1945). Stamhouder van de familie was Wolf Juda, die in 1766 werd geboren in het Pruisische stadje Meseritz, dat voornamelijk Duitse inwoners had maar toch aan de uiterste westgrens van het Poolse koninkrijk lag. Vanwege die strategische ligging werd de stad in de 17e en 18e eeuw in oorlogen meermalen verwoest. Daarnaast waren pogroms tegen de Joodse bevolking in de regio geen onbekend verschijnsel. In 1793 werd de stad bij de Tweede Poolse Deling Pruisisch, in 1807 bij het napoleontische groothertogdom Warschau gevoegd, in 1815 werd het Pruisisch gezag hersteld en bij de provincie Posen (Poznań) gevoegd. Kortom, onzekere tijden in Mesritz, dat door de Polen Międzyrzecz werd en wordt genoemd. Wolf Juda besloot in 1812 naar Nederland uit te wijken. Hier was juist in 1811 de wet aangenomen dat iedereen een vaste achternaam moest aannemen. Zoals erg gebruikelijk werd daarbij vaak de stad waaruit men afkomstig was als achternaam aangenomen. Op deze manier werd Wolf Juda in 1812 Wolf Juda Mesritz, waarbij de tweede ‘e’ uit de plaatsnaam verdween. De ondernemende familie deed het sociaal-economisch erg goed en heeft binnen enkele generaties personen op goede posities en huwelijken gesloten met vooraanstaande families. Ze waren ook lid van de Waalse Kerk, die vanaf de oprichting van de Nederlands Hervormd Kerk in 1815 onder dit kerkgenootschap valt. (meer…)

032 – OMGEVING VAN ELTEN 3

.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

035 – CREMATORIUM BEUNINGEN 1

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Crematorium Beuningen, december 2006, © Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 2

01 - Liquid Sunshine3 – De Sunshine Dinner Party

Hetzelfde bedrijf van L.D. Gardner produceerde het gepatenteerde radium-gezondheidswater Liquid Sunshine en introduceerde dat spectaculair in februari 1904 in een Sunshine Dinner. Gardner was hoofd van de amusementscommissie van het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology (MIT). Het feest was alleen toegankelijk voor mannelijke alumni en gasten van het MIT omvatte een spannende vertoning van het nieuwe middel radium. Het was de bedoeling om de aanwezigen te vermaken en om te pronken met de nieuwste wetenschappelijke nieuwigheden. Na de maaltijd werd de eetkamer verduisterd en werden de effecten van lichtgevende verf gedemonstreerd. De meningen hoe dat gebeurde verschillen. Sommigen beweren dat er glow-in-the-dark dansende skeletten en ballonnen waren en er is zelfs een melding dat de oprichter van het MIT zich vertoonde als een gloeiend menselijk skelet. Nog bizarder waren de versieringen met twee glow-in-the-dark kartonnen kippen die om een ​​ei vochten: een visuele verwijzing naar een speculatie eerder dat jaar door een boer uit Washington, dat het mengen van radium met kippenvoer zogenaamde ‘radio-eieren’ zou opleveren, die mogelijk zichzelf hard koken. Het was slechts de opmaat naar het hoofdevenement van de avond, waarbij de aanwezigen een glas ‘Liquid Sunshine’ mochten drinken. Toen de gasten aan tafel gingen, vonden ze naast hun borden een miniatuurmok met daarin een capsule aesculine (een extract uit paardenkastanjes dat net als kinine blauw fluoresceert bij blootstelling aan straling) en een kristallen glas puur, bruisend water. Op signaal van de toastmaster kregen de gasten te horen dat ze de capsule (die eerder zou zijn blootgesteld aan radium) in het glas moesten doen. De capsule zou dan oplossen en het water doordrenken met radioactiviteit, waardoor elk drankje door de fluorescerende aesculine indrukwekkend gloeide in de verduisterde kamer. Er werd daarna een toast uitgebracht, de Liquid Sunshine werd gedronken als een shot whisky en de groep ging verder met het zingen van een aantal opzwepende liedjes. Het tempo werd aangehouden door een dirigent die zwaaide met een glinsterend stokje voorzien van glow-in-the-dark verf. (meer…)

HET STICHTSE PEPERTJE

Het Stichtse Pepertje was een illegale uitgeverij die werd opgericht door een aantal medewerkers van de illegale kranten Ons Volk, den vaderlant ghetrouwe en Oranje-Bulletin in Utrecht.

Ons Volk ontstond in de zomer van 1943 doordat studenten en pas afgestudeerden van de universiteiten in Leiden en Utrecht een nieuw illegaal periodiek wilde opzetten, dat in grote oplage kon worden verspreid, een populaire stijl had en zo veel Nederlanders zou aanspreken. Op die manier kon dan de geest van verzet onder de bevolking worden gestimuleerd. Omdat er geen overeenstemming kon worden bereikt over de opzet van het blad, besloten Han Gelder (Indologische Studies te Leiden), en Wim Eggink (kandidaat sociale geografie te Utrecht) om samen de redactie en uitgave te gaan verzorgen. Zij vonden dat er behoefte was aan echte verzetsliteratuur tegen aantasting van ‘de humaniteit’. Ons Volk verscheen vanaf 7 oktober 1943 tot en met 5 juli 1945 in gedrukte vorm vooral in Amsterdam, Utrecht en Den Haag, tot september 1944 maandelijks, daarna ongeveer 2 keer per maand. De oplage varieerde tussen de 55.000 en 120.000 exemplaren. (meer…)

TITUS WILLEM DE TOURTON BRUIJNS (86)

Titus Willem de Tourton Bruijns (Teteringen, 15 mei 1898 – Buchenwald, 6 april 1943) was een telg uit een militair geslacht. De achternaam ontstond nadat Willem von Bruyns (1771-1864) halverwege de negentiende eeuw toestemming kreeg de achternamen van zijn ouders Jan von Bruyns en Elizabeth Maria de Tourton samen te voegen. Deze Willem von Bruyns was in 1788 werkzaam aan het hof van stadhouder Willem V en 1e Luitenant in het Duitse Infanterieregiment 15 von Zach en daarna majoor bij het Koninklijke Nederlands-Indische Leger (KNIL). Deze Willem von Bruyns, inmiddels Willem de Tourton Bruijns, overleed in 1864 op 92-jarige leeftijd in Kampen, waar dat jaar zijn kleinzoon werd geboren. Titus Willem was de zoon van Titus Willem de Tourton Bruijns (Kampen, 1864), eerste luitenant van de artillerie van het Oost-Indische Leger, en Sara Magdalena Jakoba Immink (Bergh, 1863). Het echtpaar had al twee dochters. Drie dagen voor de geboorte van Titus Willem jr. was de vader al verhuisd naar Amsterdam, op 12 augustus 1898 werden ook de moeder en drie kinderen in het Amsterdamse geboorteregister ingeschreven, met de Tweede Oosterparkstraat 234 als definitieve adres van het gezin. Titus woonde bij het uitbreken van de oorlog in Amsterdam, waar hij Inspecteur van de Registratie en Domeinen was.  Die waren belast met het bijhouden van registers, het vorderen van vertalingen, de vermelding van een verklaring op de akte, de registratie van meerdere akten als een akte, het waarmerken van renvooien en het nummeren van de akten. Voorts waren zij belast met het afgeven van ontvangstbewijzen en verklaringen. Op 14 mei 1940 was Titus Willem de Tourton Bruijns een van de oprichters van het Legioen Oud-Frontstrijders (LOF), een van de vroegste verzetsorganisaties in Nederland. Een andere oprichter was Sybrand Marinus van Haersma Buma (Den Haag, 30 december 1903 – Neuengamme, 11 december 1942), die in 1929 op 26-jarige leeftijd burgemeester werd in Stavoren en in 1938 van Wymbritseradeel. (meer…)

031 – BEVROREN VIJVER 3

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

034 – ST. STEVENSKERK 8

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 1

01 - RadiumRadium is een chemisch element, waarvan alle isotopen radioactief zijn; de meest stabiele isotoop is radium-226 met een halfwaardetijd van 1.600 jaar. Wanneer radium vervalt, zendt het als bijproduct ioniserende straling uit die fluorescerende chemicaliën kan opwekken en radioluminescentie kan veroorzaken. Radium werd in 1898 ontdekt door Pierre Curie en Marie Curie toen ze bij het onderzoeken van het mineraal uraniniet na het verwijderen van het uranium uit het mineraal, bemerkte dat het residu nog steeds radioactief was. In 1910 werd radium voor het eerst geïsoleerd in zijn metaalachtige toestand door Marie Curie en André-Louis Debierne door de elektrolyse van radiumchloride. Nadat wetenschappers in Europa in vroege experimenten met succes kankercellen hadden gedood met radium, steeg de vraag naar het element enorm. Zieke patiënten over de hele wereld eisten behandeling met ‘het wonderbaarlijke radium’. Terwijl sommige artsen serieus experimenteerden met een radiumgeneesmiddel voor ziekten als kanker, tuberculose en lupus, werd hun werk overschaduwd door gewetenloze zakenlieden en kwakzalvers die radiumgeneeswijzen voor bijna elke kwaal op de markt brachten. Radium fascineerde de wereld met zijn radioactieve en lichtgevende eigenschappen. Omdat er geen inzicht was in de nadelige gevolgen van stralingsvergiftiging, werd radium een modieuze trend, een medisch wondermiddel en een industrieel wonder. Kranten stelden zich toekomstige steden voor die verlicht zouden worden door radiumlampen, restaurants die glow-in-the-dark radiumcocktails en snoep zouden serveren, radiumkunstmest die de opbrengst van boerderijen zou verbeteren en artsen die radium gingen gebruiken om kanker voor altijd te genezen. De zakenlieden en kwakzalvers maakten echter op agressieve wijze reclame met hun radium-producten en verkochten met enorm succes radiumcrèmes, dranken, zouten en zetpillen die beweerden acne, bloedarmoede, artritis, astma, kaalheid, moedervlekken, blindheid, constipatie, diabetes, struma, verharde slagaders, hoofdpijn, impotentie, krankzinnigheid, rachitis, tandbederf en wratten te genezen. In dit en volgende delen enkele ‘fraaie’ producten uit de ‘Radium-dagen’, die grotendeels duurde van omstreeks 1904 tot 1927. (meer…)

DE TELEPORTATIE VAN GIL PÉREZ

Op 26 oktober 1593 had de soldaat Gil Pérez de wacht buiten het paleis van de gouverneur in Manilla. Extra waakzaamheid was geboden, want een dag eerder was Gómez Pérez Dasmariñas (Betanzos, 1539 – 25 oktober 1593), de zevende Spaanse gouverneur-generaal van de Filipijnen, vermoord. Dasmariñas had bij zijn aanstelling in 1590 de opdracht gekregen om de Audiencia van Manilla op te heffen en de verdediging van de stad te versterken. Hij hief die Audiencia snel op en stuurde de president en de rechters van het tribunaal terug naar Spanje. Voor e verdediging van de stad werd een garnizoen van enkele honderden manschappen opgericht en er werd rond de stad een muur gebouwd, die begin 1593 gereedkwam. Hij liet ook een versterkt Fort Santiago bouwen en spoorde de bewoners van Manilla aan in het vervolg stenen in plaats van houten gebouwen neer te zetten. In 1592 werd de nieuwe stenen Kathedraal van Manilla afgeleverd. Langs de kust liet hij versterkingen bouwen en hij stuurde zijn zoon Luis Pérez Dasmariñas op militaire expedities naar opstandige gewesten of delen van de archipel waar de Spanjaarden nog niet waren geweest. In 1593 organiseerde Dasmariñas een vloot en troepenmacht van zo’n 900 mensen naar het eiland Ternate van de Molukken om daar het stenen fort van de Hollanders te veroveren. Dasmariñas zou de expeditie persoonlijk leiden. Op 24 oktober 1593 vertrok hij in een galei met Chinese roeiers vanuit Cavite naar Pintados, waar zich de vloot onder leiding van zijn zoon bevond. Op de tweede dag van de reis daarheen kwamen de Chinese roeiers echter in opstand, waarbij gouverneur-generaal Dasmariñas en diverse andere Spanjaarden om het leven kwamen. Zijn zoon Luis Pérez Dasmariñas volgde hem op als gouverneur-generaal van de Filipijnen. (meer…)

ANDRÉ RENÉ DE NORMANDIE S’JACOB

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Wie kent of heeft gekend André René de Normandiër ’s Jacob in het concentratiekamp Engerhafen bij Aurich?

André René de Normandie s’Jacob (Staverden, 8 september 1921 – Neuengamme, 5 februari 1945) werd geboren op het landgoed Staverden als zoon van de grootgrondbezitter Herman Theodoor s’Jacob en van Elizabeth Jacoba van der Leeuw. Van het geslacht s’Jacob begon de stamreeks met René (Renier) Jacob, in rond 1630 in de omgeving van het Franse Châteaudun geboren, later werkzaam in het lakenbedrijf te Delft en in die plaats in 1708 overleden. Zijn kleinzoon Josué (1693-1776) werd in 1717 poorter van Rotterdam. Het geslacht kende in de loop der jaren vele bestuurders en in de persoon van Frederik s’Jacob (Den Haag, 25 februari 1822 – Utrecht, 3 april 1901) van 12 april 1881 tot 20 januari 1884 een gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. In 1911 werd het geslacht opgenomen in het genealogische naslagwerk Nederland’s Patriciaat en vanaf 7 november 1925 werd per Koninklijk Besluit de toch al ongebruikelijke achternaam ‘sJacob voorafgegaan met de toevoeging ‘de Normandie’, waarschijnlijk als verwijzing naar de afkomst van verre voorvader René Jacob. (meer…)

AUSSENKAMP 3 – AURICH-ENGERHAFE

Naam van het subkamp: Aurich-Engerhafe
Periode van bestaan: 21 oktober 1944 tot 22 december 1944
Aantal gevangenen: 2000 mannen
Type werk: Bouw van vestingwerken en Tankgrachten (Project Friesenwall)
Opdrachtgever: Reichsverteidigungskommissar im Wehrkreis X Militair district X

Tijdens het nationaalsocialistische tijdperk was in alle plattelandsgemeenschappen in Oost-Friesland sprake van een vergelijkbare situatie. Na de machtsoverdracht in het Duitse Rijk zette dit zich ook door in de gemeentelijke instellingen. In de gemeenten Engerhafe, Oldeborg, Upende en Fehnhusen werden in 1933 alle burgemeesters ingeruild voor partijleden of mensen die dicht bij de NSDAP stonden. Ook werden er geen gemeenteraadsleden meer gekozen, maar benoemd uit de rangen van de partij. De lokale leider van de NSDAP had het laatste woord over alle besluiten van het gemeentebestuur en de burgemeester. Met ingang van 1 april 1938 werden op bevel van de president van de provincie Hannover de gemeenten Engerhafe, Oldeborg, Upende en Fehnhusen samengevoegd tot de gemeente Oldeborg. De belangrijkste reden was dat de NSDAP niet genoeg gekwalificeerde mensen naar voren kon schuiven voor de diverse politieke functies. In de zomer van 1933 werd op basis van een Reichswet een verkiezing van kerkenraden verplicht, waarin de politieke bestuurders een grote inbreng hadden. Een enorme inbreuk door de nationalistische staat op het traditionele kerkelijk recht, maar er was geen enkel verzet van de regionale kerk. (meer…)

030 – BEVROREN VIJVER 2

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

033 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

DE RAMP MET DE SS NORGE

SS NorgeIn de buurt van Rockall bevinden zich Hasselwood Rock (200 meter ten noorden van Rockall) en Helen’s Reef (2 km ten oostnoordoosten van Rockall), twee verraderlijke klippen die alleen op zeldzame momenten bij laag water zichtbaar worden, maar verder alleen te herkennen zijn aan de golfpatronen. Hasselwood Rock, op het breedste punt dertien meter en met een oppervlakte van 130 m2, ligt bij laag water slechts één meter boven de zeespiegel en normaliter slechts te herkennen aan brekende golven op de rotsen onder de oppervlakte. Helen’s Reef bestaat uit een serie van rotsachtige eilanden, die ook bijna altijd net onder het wateroppervlakte liggen. Het rotseiland Rockall en deze omliggende klippen bestaan voornamelijk uit fijnkorrelige stollingsgesteente gabbro, dat erg rijk aan olivijn is. Doordat die veel ferromagnetische mineralen bevatten, is er een magnetische anomalie waardoor scheepskompassen in het gebied tot zo’n 15 km afstand van het eiland onbetrouwbaar zijn. Gekoppeld aan de geringe hoogte van de rots en de twee verraderlijke klippen kan dit een groot aantal scheepsrampen in het gebied verklaren. (meer…)

DE NEDERLANDSE VULKANEN

Tot 1948 telde het Koninkrijk der Nederlanden honderden vulkanen, bijna allemaal gelegen in het toenmalige Nederlands-Indië. De topografie van Indonesië wordt gedomineerd door honderden vulkanen, die zijn ontstaan doordat de Euraziatische Plaat en de Indo-Australische plaat onder elkaar schuiven (subductie). De Indonesisxche vulkanen maken deel uit van de zogenaamde Pacifische Ring van Vuur, een hoefijzervormig gebied rondom de Grote Oceaan met veel aardbevingen, zeebevingen en vulkaanuitbarstingen die worden veroorzaakt door verschillende subductiezones van tektonische platen. In deze Ring of Fire treft men vaak diepe troggen in de oceaan aan of een boog van vulkanen. Over een lengte van ruim 40.000 kilometer loopt de gordel rond de Grote Oceaan, te beginnen bij Nieuw-Zeeland en loopt dan via een aantal eilandengroepen naar Indonesië, de Filipijnen, Japan, de Russische eilandengroep de Koerilen, het Russische schiereiland Kamtsjatka en Alaska. Vanaf hier gaat de ring verder langs de westkust van Canada, Amerika, Mexico en de volledige westkust van Midden- en Zuid-Amerika. Er zijn in totaal 452 vulkanen in dit gebied, waarvan 128 actieve vulkanen en daarvan gelden 65 vulkanen als extreem gevaarlijk. Bij het gebied van Sumatra tot Flores in Indonesië schuift de Australische plaat met een snelheid van ongeveer 6 centimeter per jaar onder de Euraziatische plaat. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 52

AUSSENKAMP 2 – ALT GARGE

Kraftwerk Alt GargeNaam van het subkamp: Alt Garge
Periode van bestaan: 24 augustus 1944 – 15 februari 1945
Aantal gevangenen: 500 mannen
Type werk: Bouw van elektriciteitscentrales
Opdrachtgever: HEW, Fa. Rosseburg, Grün & Bilfinger, Wayss & Freytag

Alt Garge was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hoofdzakelijk een industriegebied met spaarzame bewoning van het personeel van de daar gevestigde bedrijven. Het lag zo’n zes kilometer zuidoostelijk van Bleckede aan de westoever van de Elbe, op bijna tachtig kilometer van Hamburg. In de jaren dertig steeg in Duitsland de vraag naar elektrische energie sterk vanwege het sterk toenemende particuliere elektriciteitsgebruik. Steeds meer huizen en bedrijven kregen elektrisch licht, gaslantaarns werden massaal vervangen door elektrische verlichting en elektromotoren vervingen de stoomaandrijving. Er was een  enorme groei van energie-intensieve industrieën, met name voor de wapenindustrie ter voorbereiding op de aanstaande oorlog, die op volle toeren draaide. De Hamburgische Electricitäts-Werke AG (HEW), een bedrijf dat in 1894 werd opgericht om voor Hamburg elektriciteit en stadsverwarming te leveren, plande in Alt Garge een ​​nieuwe, ultramoderne energiecentrale met een vermogen van ongeveer honderdveertig megawatt om te voorzien in de groeiende elektriciteitsbehoefte van Hamburg en de industriële gebieden in het oosten van Nedersaksen en Mecklenburg. (meer…)

029 – BEVROREN VIJVER 1

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

032 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

AUSSENKAMP 1 – ALDERNEY

Alderney 1

Naam van het subkamp: Alderney (I. SS-Baubrigade)
Periode van bestaan: 5 maart 1943 – 22 september 1944
Aantal gevangenen: 1000 mannen
Type werk: Bouw van verdedigingswerken
Opdrachtgever: Opperbevel van de Wehrmacht, Organisation Todt

Het lege eiland Alderney was op 2 juli 1940 door de Wehrmacht bezet. Een maand eerder had Groot-Brittannië de 1.400 inwoners al van het eiland naar Engeland geëvacueerd. Voor de Duitsers moesten de Britse Kanaaleilanden deel gaan uitmaken van hun Atlantikwall. In januari 1942 richtte Organisation Todt op het Britse Kanaaleiland Alderney vier werkkampen in, die allemaal een naam kregen die verwees naar de Oost-Friese eilanden. De vier werkkampen moesten zorgen voor de bouw van verdedigingswerken op het eiland, om het Derde Rijk te kunnen beschermen tegen een gevreesde invasie vanuit Groot-Brittannië. Voor de bouw maakte Organisation Todt gebruik van dwangarbeiders, maar in hun terminologie waren het vrijwilligers (Hiwi’s) die in werkkampen gehuisvest waren. Werkkampen die ze eerst zelf moesten bouwen. Het Lager Borkum lag dicht bij het centrum van Alderney en was het kleinste van de vier kampen. Hier werkte voornamelijk Duitse technici en echte vrijwilligers uit diverse landen. Het Lager Helgoland lag in de noordwestelijke hoek van het eiland; hier werkte voornamelijk Russische Hiwi’s. De mannen in deze twee kampen werden voor hun werk (karig) betaald, maar hun werkomstandigheden en de behandeling door de kampleiding waren uitzonderlijk streng en bijna gelijk aan de beide andere kampen. Deze twee kampen bleven tot het eind van de oorlog onder de bewindvoering staan van Organisation Todt. Van Lager Borkum resteren momenteel nog slechts de toegangspoorten in een open veld, van Lager Helgoland zijn geen sporen meer te vinden op het eiland. (meer…)

028 – OMGEVING VAN ELTEN 2

.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

031 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

CONCENTRATIEKAMP NEUENGAMME 2

Neuengamme 1Begin 1945 waren er voor het hele kamp ongeveer 49.000 gevangenen geregistreerd, waarvan ongeveer 10.000 vrouwen. Alleen al het hoofdkamp was drie keer overvol met 12.000 gevangenen. Het hele kamp Neuengamme werd beheerd door 2.211 SS-leden. Inclusief de subkampen werden tussen januari 1945 en de ontruiming van het kamp minstens 9.000 doden geregistreerd. Op 15 maart 1945 begon de repatriëring van de Scandinavische gevangenen, vanaf 24 maart 1945 werden de subkampen ontruimd, als eerste de Emsland-kampen. Naar schatting 20.000 gevangenen werden overgebracht naar opvangkampen zoals Bergen-Belsen , Stammlager XB in Sandbostel of Wöbbelin. Vele duizenden gevangenen stierven van de honger. Op 8 april 1945 bombardeerde het Britse leger een gevangenentrein, waarbij ongeveer 2.000 gevangenen omkwamen. Het 9e Amerikaanse leger bevrijdden op 14 april 1945 3.000 vrouwen uit het kamp Salzwedel. Vanaf 19 april 1945 werd het hoofdkamp geëvacueerd. In Neuengamme voerde SS-arts Kurt Heißmeyer (1905-1967) tuberculose-experimenten uit op gevangenen. In de nacht van 20 op 21 april 1945, slechts enkele dagen voor het einde van de oorlog, werden twintig Joodse kinderen vermoord in de kelder van de school aan de Bullenhuser Damm in Hamburg-Rothenburgsort, een gebouw dat sinds oktober 1944 als subkamp werd gebruikt. Hun vier verzorgers en 24 Sovjet-krijgsgevangenen werden samen met de kinderen vermoord. De moord was bedoeld om elk bewijs van menselijke experimenten te verdoezelen voor de naderende Britse troepen. Tussen 20 en 26 april 1945 werden zo’n 9.000 gevangenen naar Lübeck vervoerd en op de schepen Cap Arcona, Thielbek en Elmenhorst geplaatst. Het zinken van de Cap Arcona bij Neustadt op 3 mei 1945 eiste ongeveer 7.100 levens, waaronder 6.600 gevangenen. Ook de stoomschepen Olga Siemers en Rheinfels werden in april 1945 ingezet om concentratiekampgevangenen uit Neuengamme te vervoeren. Eind april 1945 werden de laatste 600 tot 700 gevangenen geëvacueerd, alle dossiers werden vernietigd en het kamp werd gedeeltelijk ontmanteld en opgeruimd. De laatste gevangenen werden overgebracht naar de speciale eenheid SS Dirlewanger. Op 2 mei 1945 troffen Britse troepen het concentratiekamp leeg aan. De laatste gevangenen werden op 10 mei 1945 in Flensburg vrijgelaten. (meer…)

CONCENTRATIEKAMP NEUENGAMME 1

Neuengamme 1In 1938 begon het SS-bedrijf Deutsche Erd- und Steinwerke GmbH met de stad Hamburg de onderhandelingen voor de aankoop van een terrein van vijftig hectare in de wijk Neuengamme. Daar stond een steenfabriek die al jaren gesloten was, maar er waren hier gebieden die geschikt waren voor de kleiwinning. De contractpartners kwamen overeen een door de stad gefinancierd Concentratiekamp Neuengamme te bouwen, dat zou functioneren als een subkamp van het concentratiekamp Sachsenhausen in Oranienburg (bij Berlijn). Het concentratiekamp moest jaarlijks twintig miljoen stenen gaan leveren voor de herontwikkeling van de oevers van de Elbe. De steenfabriek begon op 12 december 1938 met honderd gevangenen uit het concentratiekamp Sachsenhausen, die door veertig SS’ers uit het concentratiekamp Buchenwald werden bewaakt. Na een inspectie van Heinrich Himmler in januari 1940 werd besloten dat de productie van stenen voor de bestuurdersgebouwen aan de oevers van de Elbe de belangrijkste taak van het kamp zou worden. Hiervoor moet op het terrein een grotere steenfabriek worden gebouwd, moest een spoorverbinding worden aangelegd, een zijkanaal naar de Dove Elbe (een achttien lange zijrivier van de Elbe) worden gegraven, een nieuw havenbekken worden gerealiseerd en moest de Dove Elbe stroomafwaarts worden verbreed.

De consequentie was dat het subkamp in het voorjaar van 1940 door de grote uitbreiding een onafhankelijk concentratiekamp werd. De eerste maand had SS-Sturmbannführer Walter Eisfeld (1905-1940) de leiding van het kamp. In april 1940 werd Martin Gottfried Weiß (1905-1946) als tweede kommandant belast met de opbouw van het kamp. Hij was in 1933 een van de medewerkers in het eerste concentratiekamp Dachau en had in de daarop volgende jaren veel ervaring opgedaan met het begrip ‘Vernichtung durch Arbeit’. De eerste taak die de gevangenen van de SS kregen was een nieuw kamp te bouwen. Eind 1940 werkten hiervoor al 2.900 gevangenen, die zich naast de bouw van hun eigen gevangenkamp ook werkzaam waren in de werkploegen ‘Dove Elbe’ en ‘Klinkerwerk’ om de eerste kleiputten bloot te leggen. Kommandant Weiß onthield de gevangenen elke medische zorg en liet het toezicht op de gevangenen uitvoeren door criminele gevangenisfunctionarissen, die wreder en dus gevreesder waren dan de meeste politieke gevangenisfunctionarissen. Tegen het einde van het jaar waren al 430 gevangenen omgekomen. (meer…)

DE VN-VERKLARING VAN 17 DECEMBER 1942

In de Verenigde Staten was vanaf de dertiger jaren al goed bekend dat antisemitisme een centraal onderdeel was van de nazi-ideologie. Gedurende de jaren van grote economische depressie vanaf 1929 was de NSDAP van Adolf Hitler snel populair geworden, waarbij consequent de Joden werden afgeschilderd als de verantwoordelijken voor alle politieke, sociale en economische problemen waarmee de Duitse bevolking werd geconfronteerd. Daarbij grepen ze terug op al langer bestaande vooroordelen op sociaal-economisch en religieus gebied ten opzichte van de Joodse minderheid. Nadat ze in januari 1933 aan de macht waren gekomen, werd deze lijn dor de nazi’s steeds sterker doorgevoerd. Vanaf 1933 werd een groot aantal anti-Joodse wetten en maatregelen afgekondigd, waarbij de rechtvaardiging steeds was dat de Joden streefden naar wereldheerschappij en daarbij parasiteerde op de Duitse samenleving. Om het beleid te verdedigen gebruikte de nazi’s een keur van raciale argumenten, maar werd ook gebruik gemaakt van negatieve stereotyperingen: communistische subversieve elementen, oorlogsprofiteurs, zwarthandelaren en niet-loyale staatsburgers. Er volgden boycots tegen Joodse winkeliers en boekverbrandingen. In 1935 werden de Rassenwetten van Neurenberg aangenomen waarmee en strikte scheiding tussen Ariërs en niet-Ariërs werd afgekondigd. Tijdens de Kristallnacht in november 1938 werden in Duitsland 1400 synagogen en 7.500 Joodse winkels en bedrijven vernietigd. Ook Joodse huizen, scholen, begraafplaatsen en ziekenhuizen kregen de maken met vernietigende aanvallen. De brandweer en politie was het verboden in te grijpen. Ook in Oostenrijk en Sudetenland werden Joden aangevallen en hun bezittingen vernield. Er zouden minstens vierhonderd Joden zijn vermoord of tot zelfmoord gedreven. Daarnaast werden ongeveer 30.000 Joden overgebracht naar de concentratiekampen in Duitsland, waar ook al snel ongeveer duizend doden vielen. Nadat Duitsland in september 1939 Polen was binnengevallen, in het voorjaar van 1940 West-Europa door hen was overrompeld en ze in juni 1941 waren begonnen aan de veldtocht tegen Rusland, was het voor elke Amerkaan wel duidelijk hoe groot het gevaar vanuit nazi-Duitsland was. IN de beter ingelichte kringen begon ook het besef te komen dat het antisemitisme wel eens kon uitmonden in een grootschalige genocide. (meer…)

027 – OMGEVING VAN ELTEN 1

.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

030 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

DE FRIESENWALL

Om de veiligheid van Duitsland te waarborgen gaf Hitler al direct na zijn aantreden in 1933 opdracht voor de bouw van de Westwall, een aaneenschakeling van (ondergrondse) bunkers, betonnen tankversperringen, mitrailleursnesten, loopgraven, prikkeldraadversperringen en mijnenvelden. De Westwall werd gebouwd tussen 1936 en 1945, waarbij de leiding van de werken vanaf 1938 berustte bij ingenieur Fritz Todt. De linie was overigens een reactie op de Franse Maginotlinie, een gigantisch fortenstelsel langs de Duitse grens dat de Duitsers veel ontzag inboezemde. De verdedigingslinie van 630 kilometer liep vanaf Kleef aan de Nederlandse grens tot aan de Zwitserse grens. De Geallieerden noemde het liever de Siegfriedlinie, wat door de Duitsers niet erg werd gevonden omdat deze naam veel beter dan het neutrale Westwall de gewenste ‘onoverwinnelijkheid’ uitstraalde. Toen in 1941 heel West-Europa was bezet, werd het plan gelanceerd een Neue Westwall te bouwen, die  langs de kust van Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland, België en Frankrijk moest lopen, een totale lengte van 5.000 kilometer. Met deze verdedigingslijn zou het Derde Rijk worden behoed voor een eventuele invasie van de geallieerden. Bovendien kon via deze ijzersterke linie een groot aantal troepen van de kustverdediging worden vrijgemaakt  en worden ingezet om aan het oostfront tegen de Sovjet-Unie te vechten. Om propagandistische redenen werd de linie later de Atlantikwall. (meer…)

029 – ST. AGNETENWEG 1

St Agnetenweg 1
.
St. Agnetenweg, wijk 41 van De Kamp, deel van de Lindenholt, kadastraal Neerbosch-West
© Frans van den Muijsenberg.

JOOP VAN COEVORDEN – 010

Op de lijst van Joodse kinderen die via de onderduikadressen van Hanna van der Voort de Tweede Wereldoorlog overleefden komen helaas nogal wat foutjes voor. Zo wordt hierop melding gemaakt van ene Joop van Coevorden, die op 15 november 1933 in Groningen zou zijn geboren en onder de schuilnaam Joop Stolk in Melderslo zat ondergedoken bij de weduwnaar Grad van Helden. In werkelijkheid werd Joop van Coevorden op 15 november 1932 in Haarlem geboren. Hij was de zoon van de handelsreiziger Joshua van Coevorden (Amsterdam, 8 december 1900 – Gleiwitz, 18 januari 1945) en van Grietje (Gré) Waag (Groningen, 13 september 1905 – Haarlem, 25 november 1988). Op 24 juli 1942, in de periode dat de eerste deportaties van Joden begonnen, stond in Het Joodsche Weekblad een advertenties waarin hun beide kinderen Joop en Henny lieten weten het 12,5 jarige huwelijk van hun ouders te herdenken. Op dat moment woonde het gezin aan de Marsstraat 95 in Haarlem-Noord. Op 5 november 1942 berichtte het Algemeen Politieblad dat de Commissaris van Politie van Haarlem de opsporing, aanhouding en voorgeleiding verzocht van Josua van Coevorden, die ervan werd verdacht van woonplaats te zijn veranderd zonder daartoe de vereiste vergunning te hebben. Wat voor de goede verstaander betekende dat Joshua was ondergedoken en de rest van het gezin ongetwijfeld ook. Josua zou op een gegeven moment toch worden opgespoord. Op 24 maart 1944 kwam hij terecht in Westerbork, verbleef daar tot 5 april 1944 toen hij op transport werd gezet naar Auschwitz, waar hij twee dagen later aankom. Joshua zou op 18 januari 1945 sterven in Arbeitslager Gleiwitz IV, een buitenkamp van Auschwitz. In dit kamp, dat in juni 1944 in gebruik werd genomen, werkte de overwegend Joodse gevangenen voor Organisation Todt aan het vliegveld, de haven, bouwden voor de bedrijven Zieleniewski Maschinen en Waggonbau GmbH legervoertuigen om zodat ze op houtverbranding konden rijden, ruimden na bombardementen de ingestorte gebouwen op en bouwden schuilkelders. Op 18 januari 1945 werden de gevangenen die nog fit genoeg waren op transport gezet naar het kamp Blechhammer, een ander buitenkamp van Auschwitz. De ongeveer zestig gevangenen die voor deze zware reis niet fit genoeg waren, werden geëxecuteerd. De 42-jarige Joshua van Coevorden was een van hen. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 51

KERSTMIS 1914 IN DE WESTHOEK 2

De Britse kunstenaar Andy Edward ontwierp in 2014 een levensgroot kunstwerk over het befaamde kerstbestand in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog. Op het kunstwerk met de titel All Together Now reikte een Britse en Duitse soldaat elkaar de hand reiken, terwijl een voetbal aan hun voeten lag. Een polyester voorontwerp van het kunstwerk werd in december getoond tijdens de voetbalmatch in de Engelse Premier League tussen Stoke City en Chelsea. Een fraaie verwijzing naar de mythische voetbalwedstrijd tussen Duitse en Engelse militairen, eindigend in een 3-2 zege voor de Duitsers. Een wedstrijd die misschien wel nooit heeft plaatsgevonden en zeker niet op die eerste kerstdag. Op woensdag 24 december 2014, aan de vooravond van de honderdste verjaardag van het historische kerstbestand, kwam het kunstwerk aan in Mesen aan, waar het gedurende een paar weken lang op de Markt stond. Daarna stond het ontwerp een tijdje bij de Menenpoort in Ieper en vervolgens begon het model aan een reizende tentoonstelling door Europa, waarbij het onder meer werd tentoongesteld in de buurt van de gebouwen van het Europees Parlement in Brussel en van de Unesco in Parijs. Op 7 juni 2015 zou het ontwerp zijn Europese rondreis beëindigen bij de vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Ierland en Engeland in Dublin. Daar werd echter door de autoriteiten en stokje voor gestoken, omdat men vond dat de betreffende wedstrijd geen enkele relatie had met Duitsland en men bovendien een herhaling vreesde van de supportersrellen die twintig jaar eerder plaatsvonden bij de laatste ontmoeting tussen de Ieren en Engelsen. Het standbeeld was in mei 2015 wel aanwezig bij de Engelse Cup Final in het Wembley stadion. Nadat hiervoor voldoende financiën waren verworven kon het echte standbeeld worden vervaardigd. Op dinsdag 22 december 2015 werd het standbeeld officieel onthuld op de markt in Mesen, voor de ingang van het bezoekerscentrum dat het historische verhaal van Mesen tijdens de Eerste Wereldoorlog toont. (meer…)

KERSTMIS 1914 IN DE WESTHOEK 1

Niemand had verwacht dat de oorlog zo lang zou duren. De Duitse legerleiding had de stellige verwachting dat na ‘eine kurze und fröhliche Krieg’ de manschappen half september in Parijs zouden staan. Al snel werd die hoop de grond in geboord. Na de Eerste Slag bij de Marne (5-12 september 1914) groeven de legers zich in en begon een loopgravenoorlog, die uiteindelijk vier jaar zou duren. Tegen Kerstmis 1914 was aan het westelijke front meer dan een miljoen soldaten gesneuveld, gewond, vermist of krijgsgevangen. De Britse legerleiding vreesde een spontaan kerstbestand van de Geallieerde en Duitse militairen. Dat was immers ook gebeurd tijdens de Krimoorlog (1853-1856), de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) en de Tweede Boerenoorlog (1899-1902), toen de vijanden op vriendschappelijke manier samen Kerstmis vierden. Generaal Horace Smith-Dorrien berichtte op 5 december 1914 aan alle hogere officieren: ‘Met Kerstmis vermindert de aanvalsbereidheid.  Daarom moeten alle officieren ervoor zorgen dat het vijandbeeld versterkt wordt.  Elke vriendelijke omgang met de vijand en alle onofficiële wapenbestanden zijn absoluut verboden.’

Wel kregen de Britse militairen voor de kerstdagen pakjes van thuis en werden er honderdduizenden Princess Mary’s Gift Boxes uitgedeeld, officieel een geschenk van de enige dochter van koning George V, die sigaretten, tabak en een reep chocola bevatten. De legerleiding had voor zichzelf een welverzorgd kerstdiner van ‘koud blikjesvlees en een stuk koude kerstpudding’. (meer…)

028 – NEERBOSCH-OOST 1

Neerbosch-Oost kerk 1
.
Uitzicht over Neerbosch-Oost, met op de achtergrond de St. Stevenskerk.
© Frans van den Muijsenberg.

026 – LOBITH – HOME SWEET HOME 1

bloem 1 bloem 2 .
.
Lobith, Home Sweet Home, de eigen tuin, 21 juni 2010, copyright F. van den Muijsenberg.

027 – DE GILDEKAMP 2

IZAAK CREVELD – 009

Izaak Levie Creveld (Utrecht, 8 juni 1932 – Utrecht, 28 maart 1992) was de zoon van Benjamin Creveld (Utrecht, 19 december 1903 – Utrecht, 19 januari 1978), waarvan als beroep in de archieven staat dat hij ‘bedrijfsleider en vleeshouwer’ was, dus waarschijnlijk een slager met eigen zaak. Hij was op 24 juni 1931 in Arnhem getrouwd met Eva Bromet (Arnhem, 16 maart 1905 – Amsterdam, 16 december 1989), op het moment van haar huwelijk een ‘rijkstelefoniste’ bij de gemeente Arnhem. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Izaak Levie en Rebecca, roepnaam Rita (1937).  Van dit gezin van vier personen zou iedereen de oorlog overleven. Voor andere familieleden gold dat niet. De ouders van Benjamin hadden acht kinderen, waarvan de moeder al in 1934 was overleden, maar de vader Izaak Crefeld (1874), de kinderen Emmanuel (1905), Simon (1909) (zie foto hieronder met zijn echtgenote Jet Keizer), Esther (1912), Mietje (1914), Joseph (1918) en Bertha (1922), hun partners en kinderen werden allemaal vermoord in Auschwitz of Sobibor. Slechts de zonen Samuel en Benjamin (1903) en Samuel (1908) zouden de oorlog overleven. Van de familie van Eva Bromet, de moeder van Izaak Levie Crefeld, kwamen de beide ouders Levie Bromet (1877) en Frederika Kaufman (1880), haar drie zussen Sophia (1909), Cornelia (1913) en Sara (1915), hun drie partners en twee jonge kinderen om in de Duitse vernietigingskampen. Tegenover het geluk van het gezin van Izaak Levie’s gezin staat dus de diepe ellende dat bijna de gehele rest van de uitgebreide familie de oorlog niet had overleefd. (meer…)

025 – SPIJK 2


.
Wellman Recycling aan de Spijksedijk, halverwege tussen Spijk en Lobith, 16 december 2007, © Frans van den Muijsenberg.

026 – DE GILDEKAMP 1

electriciteitshuisje01a.
Elektriciteitshuisje in De Gildekamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.

011 – DE VERNIETIGING VAN HET DORP WAVERVEEN 2

Andries Schoemaker - WaverveenWaverveen is een klein dorp in de polder Groot-Mijdrecht, het gebied en voormalige waterschap bij de plaatsen Mijdrecht en Wilnis, ten westen van de Vinkeveens Plassen. Al in de middeleeuwen stond de heerlijkheid Waverveen op de kaart, midden in een agrarisch gebied. De heerlijkheid hoorde bij het graafschap Holland en het baljuwschap Amstelland. Het heerlijkheidswapen was dan ook nauw verbonden met de wapens van onder meer Amsterdam, Amstelveen, Ouder-Amstel en Nieuwer-Amstel. Allemaal wapens die zijn afgeleid van het wapen van Jan van Persijn, met zijn kenmerkende andreaskruizen als zinnebeeld van goddelijke kracht en bescherming tegen het kwade geesten, demonen en onheil. Het teken werd om die reden ook vaak gebruikt bij muurankers als bescherming tegen blikseminslag. Het Wapen van Waverveen had een rood schild met daarop een zwarte horizontale balk waarop twee zilveren andreaskruizen. Vanaf begin zeventiende eeuw werd het landbouwgebied steeds meer gebruikt voor de winning van turf. Tijdelijk erg winstgevend, maar door de grote plassen die ontstonden, verarmde het gebied langzaam. In 1731 verkochten de Staten van Holland de heerlijkheid Waverveen. In 1795 werd Waverveen na de Bataafse Omwenteling met de drie aangrenzende heerlijkheden Waveren, Botshol en Ruige Wilnis samengevoegd tot één gemeente. Het waren inmiddels sterk verarmde gebieden die voor het grootste deel uit water bestonden. Op 1 januari 1819 ging de gemeente van de provincie Noord-Holland over naar de provincie Utrecht. Op 1 januari 1841 werd de gemeente toegevoegd aan de gemeente Vinkeveen en Waverveen, die op 1 januari 1989 opging in de gemeente De Ronde Venen. (meer…)

010 – DE VERNIETIGING VAN HET DORP WAVERVEEN 1

Andries Schoemaker - WaverveenIn 1672 werd het echter duidelijk dat Frankrijk onder leiding van koning Lodewijk XIV van plan was op korte termijn een oorlog met de Republiek te beginnen. In februari 1672 werd weer gesproken over het bouwen van de waterlinie. De Staten-Generaal wilde een gezamenlijke defensie tegen de te verwachte invasie door te zorgen voor een troepenopbouw bij Maastricht, langs de Gelderse IJssel en in de Kleefse barrière. De Staten van Holland en Staten van Utrecht voelden daar weinig voor en onderzochten net als in 1589 twee opties: een waterlinie in de Grebbevallei en een waterlinie langs de Vaartsche Rijn en Vecht, aansluitend op het Horstermeer, Naardermeer en de Hollandse vesting Naarden. Omdat voor Utrecht de verdedigingslinie in de Grebbevallei al snel op grote bezwaren stuitte, resteerde slechts de optie van verdediging langs de Utrechtse Vecht. Op 22 april sloten beide provincies een overeenkomst om een gezamenlijke verdedigingslinie te gaan bouwen, maar al op 11 mei 1672 werden de werkzaamheden stilgelegd. De Staten van Holland hadden hier al geanticipeerd met de benoeming in april 1672 van een commissie die moest onderzoeken of op Hollands grondgebied een eigen waterlinie kon worden gerealiseerd. (meer…)

024 – SPIJK 1


.
Wellman Recycling aan de Spijksedijk, halverwege tussen Spijk en Lobith, 16 december 2007, © Frans van den Muijsenberg.

025 – ST. STEVENSKERK 7

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

HENNY EICKENBOOM – 008

Henny Eickenboom (Den Haag, 22 februari 1933) woonde bij het uitbreken van de oorlog met haar ouders in Maastricht. Haar oorspronkelijke naam was Henny Fresco, de dochter van de ongehuwde Adriana Eleonora Fresco (Den Haag, 9 maart 1911), die op 28 september 1938 in Den Haag zou trouwen met Peter Anton Eickenboom‏‎ (Wesel, 7 november 1909 – Amstelveen, 28 januari 2001), die in het Amsterdamse Gemeentearchief stond ingeschreven als kantoorbediende en musicus. Hij was de kleinzoon van de Maastrichtse porseleinwerker Piet Eikenboom (Maastricht, 28 juni 1845), die in 1884 met zijn gezin verhuisde naar het Duitse Poppelsdorf, in de omgeving van Bonn. In 1894 emigreerde het gezin voor de tweede keer, nu naar Longwy in de Franse Elzas. Daar raken vader Piet, moeder Jantje en drie van hun zoons in conflict met de familie Balthasar, wat leidde tot wat slagen over en weer en enkele verwondingen. Elk gezinslid kreeg een boete van vijf frank en men keerde weer terug naar Duitsland. Zoon Willem Eikenboom (Maastricht, 9 januari 1878 – Rotterdam, 21 december 1953), de vader van Peter Anton, verhuisde in 1910 voor een paar jaar naar Engeland, maar het is bekend of zijn vrouw en pasgeboren zoon toen meegingen. Peter Anton groeide verder op in Duitsland, de reden dat zijn achternaam toen werd gewijzigd in ‘Eickenboom’. Na de oorlog keerde de gebruikelijke Nederlandse achternaam weer terug. Blijkbaar verhuisde het gezin Eickenboom-Fresco naar Maastricht, de thuisbasis van de echtgenoot. Er werden daar nog drie kinderen geboren: Louis, Lilian en Boudewijn Eickenboom‏‎. Henny Fresco werd blijkbaar door Piet, de roepnaam van Peter Anton, erkend als zijn dochter en kreeg de naam Henny Eickenboom. Het was blijkbaar geen gelukkig huwelijk, want op 30 maart 1942 werd het huwelijk na slechts iets meer dan drie jaar ontbonden. Het is ook niet ondenkbaar dat het feit dat het een huwelijk was met een Joodse vrouw een rol speelde. Adriana Fresco bleef gewoon in Maastricht wonen, waar ze op 4 augustus 1945 na een ongelukkige val van de trap op slechts 34-jarige leeftijd zou overlijden. Ex-partner Piet Eickenboom was op 91-jarige leeftijd in Amstelveen overlijden. (meer…)

DR. A. BOSCHEE’S GERMAN SYRUP en GREENS AUGUST FLOWERS

Col. George Gill Green (1842-1925) werd geboren in Clarksboro, New Jersey als zoon van de slager Lewis M. Green (1818-1894). In de zestiger jaren studeerde hij twee jaar lang medicijnen aan de University of Pennsylvania, maar verliet de opleiding in 1864 zonder te zijn afgestudeerd. Op dat moment was de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) in volle gang en Green meldde zich bij het 142nd Illinois Volunteer Infantry Regiment, waar hij vanaf 1864 tot het einde van de burgeroorlog dienst deed. In 1867 begon hij in Baltimore een groothandel in medicijnen, maar de fabriek werd na enkele jaren door brand geheel verwoest. Hij verhuisde toen naar Ohio om te trouwen met Angie Brown. Het echtpaar Brown-Green kreeg hier hun eerste kind. Later zou nog drie kinderen volgen.

In 1872 nam hij van zijn vader de patentrechten over van twee gepatenteerde geneesmiddelen, wat betekende dat het vrij verkrijgbaar (zonder recept) geneesmiddelen of medicinaal preparaten waren die door een handelsnaam en soms ook een octrooi werden beschermd. Lewis M. Green verkocht zijn elixer onder de naam ‘L.M. Green’, maar George Green introduceerde voor zijn twee handelsproducten de namen ‘Green’s August Flower’ en ‘Dr. Boschee’s German Syrup’. George Green begon daarna een uitgebreide marketingcampagne met onder meer de verspreiding op grote schaal van gratis proefexemplaren en de distributie van duizenden almanakken. Er werd over George Green opgemerkt: ‘It’s not the ingredients that make Green’s August Flower and Dr. Borchee’s German Syrup so fascinating; it’s the marketing genius behind them. If there was a hall-of-fame for peddlers of patent medicines and cure-alls, George Gill Green would be at the top of the heap.’ (meer…)

MARY WINNIK

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 48 van 15 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Wil lange, donkere man, die zich Juli-Augustus 1944 vervoegd heeft bij DAMES, Hofmeyerstraat 25 II, met de mededeeling, dat Mary Winnink in of op weg naar het Westerbork ontsnapt is, zich met ons in verbinding stellen onder nr. 16 van ons blad.’

Mary Winnik (Amsterdam, 22 augustus 1937 – Auschwitz, 6 september 1944) en Annie Koekoek (Amsterdam, 5 december 1935 – Auschwitz, 6 september 1944) (hieronder twee foto’s van haar) zaten ondergedoken op de adressen Vilgert 247 en Vilgert 267 in Velden, een buurtschap bij Venlo. Ze waren twee van de vele Joodse kinderen uit Amsterdam die door de groep rond Hanna van der Voort in de omgeving in een onderduikadres waren geplaatst. Op dinsdag 4 juli 1944 werden zij daar door opperwachtmeester Johan Berendsen en zijn compagnon Geert Kannegieter, een agent uit Ommen, opgehaald. Omstreeks 17.30 uur werden ze afgeleverd op het politiebureau in Venlo. Uit de notitie in het dagrapport van de gemeentepolitie valt geen emotie af te lezen: “17.30 In bewaring. Voor Berendsen in bewaring gesteld twee Joodsche kinderen genaamd: Marij Winnik en Annie Leesma.” De daaropvolgende dagen werd volstaan met minimale notities. Om acht uur ’s ochtends controleerde men of de gevangenen nog in de cel zaten: “8 (uur) In bewaring … Winnik, Leesma, …” ‘Leesma’ was de onderduikachternaam van Annie, haar echte achternaam was Koekoek. (meer…)

023 – EMMERICH AM RHEIN – RHEINBRÜCKE 1


.
Rheinbrücke bij Emmerich am Rhein, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

024 – ST. STEVENSKERK 6

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, grafzerk.
© Frans van den Muijsenberg

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 50

JAN GOTTLIEB

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Jan Gottlieb, geb. 13 Januari 1916, overgebracht naar Scheveningen op 12 October 1944.’

Hendrikus Martinus Jan Gottlieb (Den Haag, 13 januari 1916 – Waalsdorpervlakte, 6 november 1944) was de zoon van een Haagse politieagent, later rechercheur. Na eerst twee jaar de Mulo te hebben gevolgd, ging hij vier jaar lang naar de kleermakersschool. Na afronding van deze studie ging hij werken als gediplomeerd coupeur. In 1934 verbond hij zich als aspirant voorgeoefend sergeant bij het Landstormverband ’s Gravenhage van de Vrijwillige Landstorm. Deze organisatie was aan het begin van de Eerste Wereldoorlog (1914) opgericht voor vrijwilligers bij het Nederlandse leger en gericht op het verdedigen van Nederland. Aanvankelijk lag de focus op het beschermen tegen een mogelijke socialistische revolutiepoging, maar vanaf begin jaren dertig zag men als grootste gevaar het nationaalsocialisme vanuit Duitsland en de opkomst van de NSB in eigen land. De Vrijwillige Landstorm groeide uit tot een grote organisatie ‘om steun te geven aan het wettige gezag’ met bijna 100.000 leden, verdeeld over ongeveer 1.300 steden en dorpen. Er werd wekelijks geoefend met schieten en er waren jaarlijkse landdagen met grote opkomst. In mei 1940 vocht de Vrijwillige Landstorm met ongeveer 42.000 man mee met het Nederlandse staande leger van 240.000 man tegen de binnenvallende Duitse troepen. Honderden vrijwilligers komen bij de gevechten om het leven. Na de capitulatie werd de Vrijwillige Landstorm door de bezetter opgeheven. (meer…)

022 – EMMERICH AM RHEIN 1


.
Landschap bij de Rheinbrücke bij Emmerich am Rhein, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

023 – ST. STEVENSKERK 5

LEO MOONEN (85)

Leo Moonen (Heerlen, 31 augustus 1895 – Bergen-Belsen, 2 april 1945) was de zoon van een bakker. Hij werd in 1923 op 28-jarige leeftijd in Heerlen tot priester gewijd. Van 1923 tot 1927 studeerde hij in Nijmegen theologie aan de Rooms Katholieke Universiteit. Toen in mei 1940 Nederland bij de Tweede Wereldoorlog werd betrokken was Leo Moonen al enkele jaren werkzaam als secretaris van het bisdom Roermond. Guillaume Lemmens, de bisschop van Roermond, was een fervent tegenstander van het nationaalsocialisme en wees elke vorm van samenwerking met de Duitse bezetter af. Guillaume Lemmens, Johannes Huibers, zijn collega in het bisdom Haarlem en aartsbisschop Johannes de Jong uit Utrecht, liet gedurende de oorlog verschillende herderlijke brieven uitgaan waarin het beleid en de maatregelen van de Duitsers scherp werden veroordeeld. Aartsbisschop De Jong gaf daarbij leiding aan de katholieke verzet tegen de Duitse bezetter. De Jong kondigde een door Titus Brandsma ontworpen verbod uit over het opnemen van NSB-advertenties in de rooms-katholieke dagbladen. Op 21 februari 1943 werd een gezamenlijke bisschoppelijke brief in de kerken voorgelezen over de Duitse misdaden en in een bisschoppelijk mandement van 16 mei 1943 werd geageerd tegen de verplichte tewerkstelling van Nederlanders in Duitsland. Gelovigen werden steeds opgeroepen in de lijn van deze brieven niet met de bezetter samen te werken. Door deze principiële afwijzing van de Duitse aanwezigheid en hun beleid werden veel lagere geestelijken en gelovigen ook actief verzet en gingen hulp bieden aan degenen die onder het Duitse beleid grote problemen ondervinden. (meer…)

EMMERICH AM RHEIN

OpelFahrrad a quintEmmerich am Rhein, een naam die het pas sinds 1 februari 20011 heeft, daarvoor was het gewoon Emmerich en in het dagelijks gebruik wordt door iedereen dat ‘am Rhein’ ook consequent weggelaten, werd in 828 voor het eerst schriftelijk vermeld onder de naam Emmerik, wat tot de stad door het koninkrijk Pruisen werd overgenomen in 1816 ook de officiële naam was. Emmerik ontwikkelde zich in de Middeleeuwen tot een belangrijke handelsplaats aan de Rijn. Tussen 1307 en 1570 was Emmerik een hanzestad. Tot 1233 berustte het gezag en de rechtspraak over de handelsnederzetting Emmerik bij het kapittel van Sint-Maarten namens de bisschop van Utrecht. Op 12 mei 1233 kwam de stad onder de bescherming van graaf Otto II van Zutphen en Gelre, maar nog twee jaar lang behield de Utrechtse bisschop de rechten op de parochiekerk, het tol- en muntrecht en de rechten op de jaarmarkten. Toen graaf Otto II op 31 mei 1233 aan Emmerik stadsrechten gaf, droeg hij ok de rechtspraak over aan de stad. Door de stadsrechtverlening breidde Otto II zijn gezag en territorium flink uit, allemaal ten koste van de Utrechtse bisschop. Koning II verklaarde echter op de rijksdag van 5 september 1310 te Worms dat deze stadsrechtverlening ongeldig was, omdat de graaf hiertoe net zonder koninklijke goedkeuring had mogen besluiten. Tot 1402 bleef Emmerik behoren tot het hertogdom Gelre . In de 17e eeuw was het fort van Emmerik deel van de Kleefse barrière, de benaming voor een zestal Rijnforten in het Hertogdom Kleef: Rees, Orsoy, Wezel, Emmerik, Büderich en Rijnberk. Ten tijde van het Rampjaar 1672 had de Republiek der Zeven Provinciën er tevergeefs op vertrouwd dat deze forten de Franse opmars flink zouden vertragen, misschien wel tegenhouden. De forten waren trouwens niet in het bezit van de Republiek, maar ze kregen wel toestemming hier garnizoenen te legeren. De Fransen konden de forten zonder slag of stoot innemen, waarmee een definitief einde kwam aan de Nederlandse aanwezigheid en invloed in deze zes plaatsen. (meer…)

022 – ST. STEVENSKERK 4

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

LENNIE BOAS – 007

Lennie Boas (Lenie van de Bergh) werd op 16 juli 1931 in Amsterdam geboren. Haar vader Mozes Boas (Amsterdam, 12 oktober 1898 – Auschwitz, 28 januari 1944) was een koopman, die met zijn echtgenote Roosje Boas-Cohen (Amsterdam, 18 augustus 1902 – Auschwitz, 28 januari 1944) en twee dochter Sipora Leny Boas (Amsterdam, 12 december 1924 – Auschwitz, 28 januari 1944) en Lennie Boas woonde op Rijnstraat 129-iii te Amsterdam. Lenie is de enige overlevende van het gezin. De drie anderen werden eind januari 1944 vanuit Westerbork op transport gezet en na aankomst vermoord.

Lennie was toen uit vanuit de hoofdstad overgebracht naar Limburg waar ze werd ondergebracht bij de familie Rutten-Linders in Meerlo. Lennie schijnt het haar onderduikouders niet erg gemakkelijk te hebben gemaakt. Herman van Rees merkt in zijn boek ‘Vervolgd in Limburg. Joden en Sinti in Nederlands Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog’(2013) over haar op: ‘Soms werden gastgezinnen werkelijk tot wanhoop gedreven door het gedrag van hun pleegkind. Lenie Boas was via Hanna van de Voort ondergedoken bij een familie in Meerlo. Haar gedrag was onuitstaanbaar. Toch wisten de pleegouders het met haar vol te houden tot na de bevrijding. Toen was de maat vol. Zij zetten Lenie buiten de deur en stuurden haar naar Hanna, met een briefje: Wij zijn zo vrij geweest Lenie naar Tienray te sturen. Vermoedelijk had u ze al eerder verwacht. Enfin, vanmiddag heb ik haar weggejaagd, na er eerst nog een bord (dat jammer genoeg tegen de muur in plaats van tegen haar hoofd is terechtgekomen), een vork en een asbak aan gewaagd te hebben. Het afscheid was zo dat een goed geschoolde woonwagenbewoner van de ergste en brutaalste soort haar niet had kunnen verbeteren, wat het bezigen van schimpscheuten en scheldwoorden betreft. Het tekent de solidariteit van de gastouders in Noord-Limburg, dat er toch een gezin in Melderslo werd gevonden dat bereid was het nog eens met Lenie te proberen.’ Dat tweede gezin was de familie Van Gerven-Reinders in Melderslo, waar ze bleef tot ook de rest van Nederland was bevrijd. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 7)

Deel 7 – Anton de Kom over reis naar Suriname

In 1934 verscheen Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, waarin hij onder de titel Weerzien en afscheid (pagina 205-222) beschreef hoe hij zijn verblijf van zes maanden had ervaren. De notities aan het eind van de tekst zijn overgenomen uit de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (BDNL).
De Kom was al begin dertiger jaren begonnen met het schrijven van het boek. In 1931 had hij de eerste versie klaar. Samen met de latere uitgever redigeerde hij de tekst verschillende keren. Eind 1931 was de tekst klaar. De Kom ging toen terug naar Suriname en het duurde daarom tot 1934 voor het boek kon worden gepubliceerd. In het voorwoord werd vermeld dat in de tekst een paar wijzigingen waren aangebracht om uitgave mogelijk te maken. Het is onduidelijk of hier sprake was van regelrechte censuur en in hoeverre dit gebeurde door de uitgever uit voorzorg was niet in conflict te komen met de inlichtingendienst. Het originele manuscript van deze uitgave is verloren gegaan. In Suriname mocht het niet op de markt worden gebracht.
Na de oorlog was de tekst van de eerste druk niet meer beschikbaar en raakte De Kom in de vergetelheid. In de jaren zestig ontdekte een Surinaamse studente het boek in de universiteitsbibliotheek van de Universiteit Leiden. Vervolgens typte een groep studenten het boek over en stencilde het om het te verspreiden, een roofdruk die ook in Suriname werd verspreid. In 1971 verscheen daarop de tweede druk, met aantekeningen, een jaar later al een derde druk en in 2020 verscheen de 16e druk. Er zijn ook vertalingen in het Engels en Duits verschenen.

Weerzien en afscheid – deel 2.

Voller en voller worden mijn schriften der ellende. Feller en feller worden de hetzartikelen in de blanda pers, ‘de West’ en ‘de Surinamer’. Voorop de pers der Katholieke geestelijkheid. De ‘echo’s uit de missie’ jammerden over de ‘arme misleiden’. Hadden het tegelijkertijd over ‘communistische Creolen en zwarte deernen’. Over ‘sluw overlegd plan’. Men sprak van moorden, brand stichten in huiveringwekkende geheimzinnigheid. Door de straat ratelen nog altijd, dag aan dag, de motorbrigades. En toch, wat kan ik voorloopig anders doen dan in de harten het beginsel der solidariteit planten, het eerste zaadje waaruit naar ik hoop eenmaal de sterke, goedgefundeerde organisatie zal groeien die wij noodig hebben. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 6)

Deel 6- Anton de Kom over reis naar Suriname

In 1934 verscheen Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, waarin hij onder de titel Weerzien en afscheid (pagina 205-222) beschreef hoe hij zijn verblijf van zes maanden had ervaren. De notities aan het eind van de tekst zijn overgenomen uit de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (BDNL).
De Kom was al begin dertiger jaren begonnen met het schrijven van het boek. In 1931 had hij de eerste versie klaar. Samen met de latere uitgever redigeerde hij de tekst verschillende keren. Eind 1931 was de tekst klaar. De Kom ging toen terug naar Suriname en het duurde daarom tot 1934 voor het boek kon worden gepubliceerd. In het voorwoord werd vermeld dat in de tekst een paar wijzigingen waren aangebracht om uitgave mogelijk te maken. Het is onduidelijk of hier sprake was van regelrechte censuur en in hoeverre dit gebeurde door de uitgever uit voorzorg was niet in conflict te komen met de inlichtingendienst. Het originele manuscript van deze uitgave is verloren gegaan. In Suriname mocht het niet op de markt worden gebracht.
Na de oorlog was de tekst van de eerste druk niet meer beschikbaar en raakte De Kom in de vergetelheid. In de jaren zestig ontdekte een Surinaamse studente het boek in de universiteitsbibliotheek van de Universiteit Leiden. Vervolgens typte een groep studenten het boek over en stencilde het om het te verspreiden, een roofdruk die ook in Suriname werd verspreid. In 1971 verscheen daarop de tweede druk, met aantekeningen, een jaar later al een derde druk en in 2020 verscheen de 16e druk. Er zijn ook vertalingen in het Engels en Duits verschenen.

Weerzien en afscheid – deel 1.

Sranang, mijn vaderland, ik heb U weergezien, en uwe schoonheid was zooals ik die vaak gedroomd heb, verlangend woelend in mijn bed in Holland. Over het diepe blauwe water van den Oceaan draagt de ‘Rensselaer’ mij naar uw kusten. Vliegende visschen, als dansende diamantjes, schrikken op bij het naderen van de boot, vliegen vijf à zes meter verder, werpen zich dan opnieuw, een zilveren spoor teekenend, in het water. De lucht is vochtig en frisch, een sterke passaatwind waait om mij heen met den adem der vrijheid. Als het monotone geluid der meeuwen zingt door mijn hart verlangen naar het weerzien. (meer…)

WILLEM HANEGRAAF

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Willem Hanegraaf, geb. 20-9-’21, wonende te Den Haag, P. v. Troostwijkstr. 255; gearresteerd 12 October 1944 en naar Scheveningen gebracht.’

Willem Hanegraaf (Nijmegen, 20 september 1921 – Waalsdorpervlakte, 6 november 1944) was een ongehuwde zoon van het gereformeerde Nijmeegse echtpaar Govert Hanegraaf (Gameren, 13 augustus 1893) en Antje de Zwart (Boksum, 11 november 1892). Hij werkte bij het uitbreken van de oorlog in Den Haag als kantoorbediende bij het Bedrijfschap Zuivel. In mei 1941 raakte hij bij het verzet betrokken toen in Rijswijk en Delft werd herdacht dat een jaar eerder de Duitse inval had plaatsgevonden. Er werden in beide plaatsen duizenden enveloppen met illegaal vervaardigde circulaires verspreid. In mei 1943 hielp Hanegraaf mee bij het verzenden door het verzet van duizenden circulaires waarin Nederlandse officieren en militairen werd opgeroepen geen gehoor te geven aan de Duitse oproep zich te melden voor krijgsgevangenschap. (meer…)

021 – TOLKAMER 4


.
Zicht vanaf Tolkamer op voorbijvarende schepen op de Rijn, juli 2007, © Frans van den Muijsenberg.

021 – MAASPLEIN 4

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 8)

Yisrael Meir Lau werd op 1 juni 1937 geboren in Piotrków Trybunalski en was een van de zeer weinige uit zijn geboortestad die de oorlog overleefde. Zijn vader, rabbijn Moshe Chaim Lau (Lviv, 22 mei 1891 – Treblinka, oktober 1942) was de laatste opperrabbijn van deze stad en werd op 51-jarige leeftijd vermoord in het vernietigingskamp Treblinka. Toen Yisrael Meir Lau nog maar amper zes jaar oud was werd hij overgebracht naar het concentratiekamp Treblinka en daar gescheiden van zijn vader Moshe en moeder Chaya Fraenkel-Teomim (Chrzanow, 1 januari 1900–Ravensbrück, 1945), die uiteindelijk in de loop van 1945 in het Duitse concentratiekamp van ontbering zou sterven. Ook bijna alle andere kinderen van het gezin zouden de oorlog niet overleven. Slechts Yisrael Meir Lau en zijn oudere broer Naphtali Lau-Lavie (1926-2014) zouden wel overleven en naar Palestina emigreren. Op 21 augustus 1943 werd Treblinka ontmanteld en werd het gehele terrein omgebouwd tot een boerderij. Een Oekraïense bewaker bleef achter om de indruk te wekken dat er niets bijzonders was gebeurd en ook om te voorkomen dat de lokale bevolking zou gaan zoeken naar mogelijk achtergebleven kostbaarheden. De laatst overgebleven Joodse gevangenen werden overgebracht naar Sobibór. In november 1943 resteerde er niets meer van Treblinka, waar na Auschwitz de meeste Joden werden vermoord. De jonge Yisrael Meir Lau kan dus nooit erg lang in dit concentratiekamp hebben verbleven. Hij werd uiteindelijk op 11 april 1945 bevrijd in het concentratiekamp Buchenwald, nog geen acht jaar oud. Dat hij die erbarmelijke omstandigheden wist te overleven schreef Yisrael later toe aan de heldhaftige inspanningen van zijn oudere broer Naphtali Lau-Lavie, die hem samen met andere gevangenen de hele tijd verborgen hield. (meer…)

CILIE BLITZ – 006

Cilie Blitz (Tineke Kuipers en Anneke Schouten) was de dochter van Louis Blitz en Anna van Lochem, die beiden op 4 juni 1943 in Sobibor werden vermoord. De ouders van Anna van Lochem waren Elias van Lochem (Amsterdam, 25 maart 1880 – Amsterdam, 12 juni 1929) en Eva van Dal (Amsterdam, 15 september 1880-Sobibor, 23 april 1943) die op 18 juni 1902 in hun beide geboortestad trouwde. Op het moment dat Elias werd opgeroepen voor de keuring voor militaire dienst was hij diamantversteller, maar ten tijde van zijn huwelijk was hij venter van beroep. Vanaf 1903 woonde aan de Verwersstraat, waar de beide kinderen Salomon van Lochem en Anna van Lochem werden geboren. Daarna verhuisden men nog een paar keer. Vanaf 1923 hadden Eva en Elias allebei marktkaarten voor de Nieuwmarkt met ‘kanten en stroken’. Eva stond ook zelf op de markt aan de Westerstraat met ‘borduursels en modeartikelen’. Elias overleed op 12 juni 1929 in Amsterdam. In 1930 trouwde dochter Anna met Louis Blitz. Zoon Salomon trouwde in 1933 en Eva trok toen in bij haar dochter Anna en schoonzoon Louis, die toen aan de Slingerbeekstraat 25 III hoog in de Rivierenbuurt woonden. Na een paar maanden vertrok Eva naar de Geulstraat 19 II hoog, waar ze bleef wonen tot 9 december 1942. Ze trok toen in hij haar zoon Salomon en zijn vrouw aan de Maasstraat 140 III hoog. Dit is haar laatst bekende woonadres, want ze werd opgepakt en naar Westerbork gebracht. (meer…)

FRED BENEDIK – 005

Fred Benedik (Beek, 18 juli 1911-Sittard, 3 december 1974) was bij de familie Dinghs in Castenray, ook door de bemiddeling van Hanna van der Voort (foto). Hij trouwde op 16 augustus 1946 te Venray voor de burgerlijke stand en op 3 september 1946 werd in Castenray het kerkelijk huwelijk voltrokken met Petronella Hubertina Dinghs, de dochter van de zijn onderduikgezin. Hij zette later in Landgraaf  de voormalige slachterij Benedik op. Fred Benedik was al volwassen toen hij als Jood moest onderduiken. Zijn vader Jacob Benedik (Schimmert, 27 januari 1870-Sobibor, 14 mei 1943) stamde uit een familie van handelaars, aanvankelijk in dierenhuiden, later in vee en vlees. In 1899 trouwde hij met de Duitse Johanna Brückheimer (Külsheim, 18 oktober 1875-Sobibor, 14 mei 1943). Het jonge echtpaar vestigde zich in Beek en kreeg vier kinderen: Selma (1900), Leo (1902), Bertha (1903) en Fred (1911). Jacob vormde samen met veehandelaar Joep Wolf het bestuur van de Joodse hulpsynagoge in Beek. De twee ondertekenden in januari 1943 een brief waarin zij weigerden de heilige wetsrollen uit de synagoge van Beek elders veilig onder te brengen. Op 24 augustus 1942 overhandigden Beekse politiemensen aan Joden die jonger waren dan 60 jaar een schriftelijke ‘oproeping’ met het bevel zich op 25 augustus te melden op een verzamelplaats in Maastricht om vervolgens te worden overgebracht naar Westerbork. De twee zonen Leo en Fred kregen ook een oproep. Fred dook dankzij de hulp van twee Beekse vrienden onder en kwam terecht in Castenray. Leo Benedik meldde zich wel in Maastricht en werd op 28 augustus 1942 gedeporteerd. Bij een tussenstop in Cosel werd hij uit de trein geselecteerd en ingezet bij dwangarbeid in Silezië voor de Organisation Schmelt. Op 30 april 1943 bezweek hij op een onbekende plaats in Midden-Europa. (meer…)

020 – PANNERDEN DE POL 2

2 - Pannerden De Pol 04

Galerie en beeldentuin De Pol in Pannerden, © Frans van den Muijsenberg, 2008.

020 – MAASPLEIN 3

maasplein 05
.
Maasplein in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 7)

Het district van Arthur Greiser stond niet alleen met de massale deportaties in de voorhoede van ‘interne rassenzuivering’ volgens nazi-idealen. Twee SS’ers die direct onder Greisers bevel stonden, SS-Standartenführer Ernst Damzog en SS-Obergruppenfüfrer Wilhelm Koppe, zorgde in mei-juni 1940 voor de deportatie van geestelijk gehandicapten aan het Sonderkommando van Herbert Lange, die in de Reichsgau Oost-Pruisen verantwoordelijk was voor het vergassen van duizenden patiënten uit psychiatrische inrichtingen. Greiser zorgden voor de hervestiging van Volksdeutsche vluchtelingen uit op de Sovjet-Unie veroverde gebieden. Tussen oktober en december 1939 werden bijna 60.000 Volksduitsers vanuit de Baltische staten Estland en Letland naar Duitsland overgebracht. Later werden ruim 100.000 Volksduitsers, voornamelijk boeren en plattelandsmensen, geëvacueerd uit Wolynië en Oost- Galicië naar de omgeving van Lódz, dat intussen was aangewezen als het belangrijkste opvangcentrum van de Volksdeutsche Mittelstelle (VoMi). In mei 1940 werden nog eens 30.000 Volksduitsers overgeplaatst vanuit het Generalgouvernement overgeplaatst naar Greisers Reichsgau. Vanaf juni 1941, tijdens de Duitse invasie en bezetting van de Sovjet-Unie, werden nog eens 300.000 etnische Duitsers uit Rusland en Oekraïne naar Reichsgau Wartheland geëvacueerd. Daar werd Posen inmiddels beschouwd als de meest gegermaniseerde stad in de veroverde gebieden. Dat werd op 3 augustus 1943 in aanwezigheid van kopstukken als Martin Bormann, Joseph Goebbels en Heinrich Himmler feestelijk gevierd. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 5)

Deel 5- Anton de Kom in LinksRichten

In Links Richten, nummer 5-6 van maart 1933 verschenen twee artikelen over de reis van Anton de Kom naar Suriname.
Het eerste, korte artikel bevatte een kort berichtje van Adekom, het weinig verhullende pseudoniem van De Kom, en een redactionele toevoeging over diens snelle arrestatie na aankomst.
In het tweede artikel, ‘Hoe Van der Sleen Suriname zag’, gaf De Kom zijn eerste impressies van de levensomstandigheden in Suriname voor de arbeiders, waarin de auteur ingaat op de lezingen die de Nederlandse schrijver en ‘ontdekkingsreiziger’ Wicher van der Sleen eind 1932 had gehouden over zijn bezoeken aan Indonesië en Suriname. Het geeft een aardig beeld van hetgeen hij in januari 1933 aan zijn Surinaamse toehoorders moet hebben gemeld en wat het gezag ter ore moet zijn gekomen.
In nummer 8 van LinksRichten iets later in 1933 verscheen een gedicht van Bertus Meijer, waarin de inmiddels weer in Nederland teruggestuurde Anton de Kom en zijn Surinaamse medestanders een hart onder de riem werd gestoken. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 4)

Deel 4- Anton de Kom in Suriname

Anton de Kom (Paramaribo, 22 februari 1898 – Kamp Sandbostel, Neuengamme, 24 april 1945) was een Surinaamse antikoloniale schrijver en nationalist en tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland een verzetsstrijder. De Kom was de zoon van de boer Adolf Damon de Kom en Judith Jacoba Dulder. Zijn vader was nog geboren in slavernij en behoorde toe aan de slavenmacht van plantage Molhoop, in eigendom toebehorend aan Hendrik Jan Veldwijk. Zijn naam is waarschijnlijk afgeleid van een plantage-eigenaar Mok. Zijn moeder kwam uit een familie die in 1841 werd vrijgekocht; ze had een winkel. Anton de Kom vertrok eind 1920 naar Nederland, waar hij omstreeks 1925 vertegenwoordiger in koffie, thee en tabak was voor de Haagse koffiebranderij Reuser en Smulders. Hier leerde hij zijn latere echtgenote Nel Borsboom, met wie hij vier kinderen zou krijgen. Hij was actief in diverse socialistische en antikoloniale organisaties. Zo was hij in 1927 aanwezig op de oprichtingsvergadering in Brussel van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking. Hij riep daar Mohammed Hatta en andere Nederlands-Indische leiders op om op te staan tegen het kolonialisme. Ook was hij betrokken bij Indische studentenverenigingen die zich afzetten tegen het kolonialisme en bij Links Richten, een vereniging met sympathie voor het Russische communisme, en het communistische dagblad De Tribune. De Centrale Inlichtingendienst (CID) had hem in 1929 al in het vizier en had het over één West-Indiër die zich ophield bij de antikoloniale beweging Perhimpoenan Indonesia. (meer…)

JOUNO BIRNBAUM – 004

Jouno Birnbaum (Joke Pereboom) werd op 4 april 1939 in Rotterdam geboren. Zijn vader Henri Birnbaum was daar administrateur van het Joodse kerkhof. Henri Birnbaum had drie broers en een zus, die alle vier in Auschwitz of Sobibor om het leven kwamen: Marcus Birnbaum (1891-1943), Louise Cahn-Birnbaum (1892-1943), Betsij Workum-Birnbaum (1893-1943) en Simon Sigmund Birnbaum (1894-1943). Ook hun echtgenoten, kinderen en aangetrouwde familieleden werden tijdens de oorlog bijna allemaal vermoord.

Alleen van Simon Sigmund Birnbaum (Amsterdam, 17 juni 1894-Sobibor, 23 juli 1943), de oom van Jouno Birnbaum is een redelijke beschrijving te vinden. Op 17 november 1924 trouwde Simon met Jeanne Charlotte Lang (Zürich, 11 augustus 1904-Sobibor, 23 juli 1943). Het echtpaar kreeg drie kinderen. De eerste twee werden in Amsterdam geboren: Eugène Arthur op 2 september 1925 en Doris Sabine op 27 april 1928. In februari 1931 verhuisde de familie Birnbaum van Amsterdam naar Hilversum. Daar werd op 13 februari 1936 Elly Rosalie geboren. De verhuizing naar Hilversum was nodig vanwege de aanstelling van Simon als directeur van het Bioscooptheater Casino (voorheen Feest- en Concertgebouw Trianon). Het pand met een voor die tijd vooruitstrevende architectuur werd in 1912 gebouwd als autogarage en showroom voor de welgestelden uit Hilversum en omstreken. Simon was actief in het Hilversumse Joodse leven: hij was penningmeester van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Hilversum en tijdens de oorlog werd hij plaatselijk Hoofdvertegenwoordiger van de Joodse Raad te Hilversum. In 1939 nam men de Duits-Joodse vluchteling Heinz Erich Pfifferling (1926-1945) in huis. (meer…)

JOHN BLOM – 003

John Blom (Jan Blom) werd op 27 oktober 1930 geboren als tweede zoon van Maurits Blom (Amsterdam, 21 september 1894 – Sobibor, 16 juli 1943) en Rachel Blom-Maij (Amsterdam, 29 september 1894 – Auschwitz, 19 november 1943), aan Rijnstraat 58 in Amsterdam een luxe banketbakkerij annex chocolaterie genaamd ‘Maison Blom’ hadden, bekend van de orgeade- en gemberbolussen. De clientèle kwam uit de hele stad. Zijn acht jaar oudere broer Daniel Gerrit  Blom (Amsterdam, 24 mei 1922 – Sobibor, 4 juni 1943) was na de middelbare school het diamantvak ingegaan bij de Firma May op de Ceintuurbaan, ongetwijfeld familie van moederskant. In het gezin werden veel boeken gelezen en werd naar klassieke muziek geluisterd. Het gezin was niet godsdienstig, maar onderhield wel bepaalde joodse tradities. John Blom publiceerde in 2008 als enig overlevende kind uit dit gezin zijn levensverhaal ‘Nooit meer naar huis. Mijn ontsnapping uit de Hollandsche Schouwburg’. John verbleef sinds 1 september 1943 tot 1 augustus 1944 bij het gezin Custers-Claessens in Swolgen. Daarna was hij nog een tijdje bij een pleeggezin in Sint Hubert. Op Joods Monument plaatste hij in januari 2011 drie korte ‘Herinneringen aan het gezin Blom-Maij’ ter herinnering aan zijn beide ouders en broer. John Blom heeft zijn ervaringen opgeschreven in het boek ‘Nooit meer naar huis : mijn ontsnapping uit de Hollandsche Schouwburg’. (meer…)

019 – PANNERDEN DE POL 1

019 – MAASPLEIN 2

2006-07-10 Maasplein2

Maasplein in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 6)

Arthur Karl Greiser (1897-1946) is een van de tienduizenden onbekende Duitse ‘Schreibtischtäter’, die Hannah Arendt in haar beroemde boek in 1963 over het proces tegen Adolf Eichmann al beschreef en betitelde als ‘the bureaucracy of murder“  en ‘the modern, state-employed mass murderers’.  De soort moordenaars die vaak wegkomt met alle wandaden die ze onder hun verantwoordelijkheid hebben laten plegen, terwijl de ondergeschikten wel vaak (en terecht) zwaar moeten boeten voor de door hen medegepleegde massamoorden. De nazi-politicus, SS-Obergruppenführer, Gauleiter en Reichsstatthalter van de Reichsgau Wartheland had niet dat geluk. Hij was primair verantwoordelijk voor het organiseren van de holocaust in zijn deel van bezet Polen en voor tal van andere misdaden tegen de menselijkheid. Hij werd in 1945 door de Amerikanen gearresteerd en in 1946 in Polen berecht, veroordeeld en geëxecuteerd door ophanging.

Greiser werd op 22 januari 1897 geboren in Schroda (nu Środa Wielkopolska) in de toenmalige Duitse provincie Posen als zoon van een lokale gerechtsdeurwaarder, in de omgeving van Poznan. Tijdens zijn jeugd binnen een overwegend Poolse gemeenschap leerde hij vloeiend Pools spreken. Na de lagere school volgde hij eerst twee jaar de middelbare school en daarna het Königlich-Humanistisches Gymnasium in Hohensalza, een oud Poolse stadje dat centraal ligt in de driehoek Lódz-Poznan-Bydgoszcz. Die naam kreeg het pas in 1904, voorheen heette het Inowrocław, dat het na 1945 weer aannam. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, verliet de zeventienjarige Greiser de school zonder een diploma te hebben behaald om op 4 augustus 1914 vrijwillig dienst te nemen in de Duitse Keizerlijke Marine. Van augustus 1914 tot juli 1915 was hij gelegerd bij de marine in Fort Korügen, en Fort Laboe, die tot 1919 op de oostelijke rivierkant deel uitmaakte van forten voor de landverdediging van de belangrijke marinebasis in Kiel. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 3)

Deel 3- Wolfenbüttel als strafkamp

Het opsluiten van Louis Doedel, een van de organisatoren van de Hongeroproer in 1931, in de psychiatrische inrichting Wolfenbüttel was geen eenmalige actie van het koloniale bewind. De link tussen Surinaamse namen van plantages en nederzettingen met Duitsland, waarvan Wolfenbüttel er slechts een van de velen is, is uiteengezet in een artikel op Buku-Bibliotheca Surinamica van Carl Haarnack. In 1737 werd voor het eerst melding gemaakt van de ‘coffiegrond Wolffenbuttel, gelegen aan het reypad’’, vlakbij Paramaribo. Rond 1891 besloot het koloniaal bestuur om een stuk land van 85 ha groot bij plantage Wolfenbüttel aan te kopen om te dienen als ‘bewaarplaats voor de geesteszieken’. In 1895 kon in de directe omgeving van Plantage Wolfenbüttel de inrichting voor psychiatrische patiënten in gebruik worden genomen. De inrichting werd in de volksmond vaak ‘Kolera’ genoemd, omdat voorheen psychiatrische patiënten werden opgesloten in barakken die eerder waren gebruikt om cholerapatiënten in quarantaine op te sluiten. Op 10 augustus 1896 werd dr. F.C. Dobberke, psychiater en geneesheer aan het provinciaal gesticht voor krankzinnigen Meer en Berg in de gemeente Bloemendaal benoemd tot eerste geneesheer-directeur van het krankzinnigengesticht. Er werd begonnen met veertig patiënten (26 mannen, 14 vrouwen) bij een capaciteit van honderd bedden en een personeelsbestand van zeven personen. De patiënten werden toen nog steeds in isolatie gehouden, maar er werden, zonder grote successen overigens, wel door de uit Nederland overgekomen Dobberke nieuwe behandelingsmethoden toegepast, zoals koortsbehandeling, badtherapie, therapieën waarbij insuline en cardiazol werd gebruikt en elektroshocktherapie. In 1912 werd de Krankzinnigenwet afgekondigd, waarin werd bepaald dat de procureur-generaal verantwoordelijk was voor de opname en verpleging van krankzinnigen in het gesticht. (meer…)

ZILLI BAK – 002

OpelFahrrad a quintZilli Bak (Thea Maarschalkerweerd), geboren op 14 mei 1937, was de dochter van winkelier Benediktus Bak (Den Haag, 4 mei 1909 – Auschwitz, 30 juni 1944) en Debora Bak-Lehrer (Mochnate, 15 november 1913 – Auschwitz, 28 januari 1944), die van Poolse afkomst was. Benedictus Bak was een zoon van Joël Bak en Kaatje Bak-Gobes die in de Wagenstraat 165 te Den Haag een winkel in belegde broodjes hadden, waar het echtpaar ook woonde. Ze hadden ook nog een winkel in Scheveningen. Het echtpaar had drie kinderen: Benedictus, Joseph en Betsy. Vader Joël Bak overleed onverwachts op zestigjarige leeftijd in Amsterdam op 12 augustus 1942.

Benedictus (bekend als Ben) en Joseph (Joop) werkten in de broodjeszaken, die bekend waren om hun heerlijke om hun kroketten. Ze woonden toen in de Koningin Wilhelminalaan 21 in Leidschendam. Er woonden aan het begin van de oorlog slechts 25 Joden in Leidschendam, inclusief Stompwijk dat in 1938 bij Leidschendam was gevoegd. Eind 1940 werd in Leidschendam Hendrik Banning benoemd tot burgemeester, nadat hij omstreeks oktober 1940 na slechts een half jaar moest vertrekken als burgemeester van Tubbergen om plaats te maken voor een nationaalsocialist. Al twee maanden na zijn benoeming vond In Leidschendam een aanslag plaats op zijn ambtswoning, waar geen gewonden bij vielen, want er waren grote twijfels over de politieke gezindheid van de nieuwe burgemeester. Dat bleek niet terecht en in 1942 werd hij door de Duitsers dan ook vervangen door NSB-burgemeester Simonis. (meer…)

LEA SZANOWSKI – 001

Lea Szanowski (Lenie de Groot) was de dochter van de Amsterdamse kleermaker Abram Szanowski (Lodz, 28 juli 1907-Mauthausen, 10 oktober 1941) en Gitel (Guta) Goldblum (Lodz, 15 februari 1914 – Buenos Aires, 16 september 2003). De ouders van Abram hadden in Lodz een kruidenierswinkel. Begin 1926 vertrok broer Jacob vanuit Lodz naar Amsterdam, Abram volgde hem in 1928. Beide broers waren kleermaker en vonden werk bij de confectiefabriek van David Nord op de Nieuwendijk. Jacob had nog een tijdje een ijswinkel, maar later begonnen de broers samen in de Van Swindenstraat 3 in Amsterdam-Oost, waar Abram vanaf eind 1933 woonde, de ‘Weener Kleerdermakerij’ waar ze klleding op maat maakten. Toen Abram in 1936 voor een bezoek terugging naar zijn geboortestad, ontmoete gij daar Gittel Goldblum. Op 13 augustus 1936 traden ze in Lodz in het huwelijk, maar pas bijna een jaar later kon Gitel zich bij haar man voegen die toen in de Van Swindenstraat in Amsterdam woonde. In november 1938 werd hun eerste dochtertje Lea geboren en op 8 januari 1941 hun tweede, Estera (roepnaam Elli), die was vernoemd naar Abrams zus, die ook naar Nederland was gekomen maar in het kraambed was gestorven. Abram zou zijn jongste dochtertje maar zes weken mee. Toen hij op zondag 23 februari 1941 naar het centrum van de stad ging om boodschappen te doen, werd hij bij de tweede razzia opgepakt. Als gevolg van al maandenlange spanningen en conflicten tussen enerzijds leden van de nationaalsocialistische Weerbaarheidsafdeling (WA) van de NSB en anderzijds communistische knokploegen en de Joodse bevolking in de stad, culminerend in de dood van WA-man Hendrik Koot en rellen rond diens begrafenis, voerde de Duitsers op 22 en 23 februari 1941 twee razzia’s uit. Er werden ongeveer 400 Joden opgepakt en overgebracht, waar de meeste om het leven kwamen. De twee razzia’s leidden tot een golf van ontzetting onder de Amsterdamse bevolking en waren de directe aanleiding voor de Februaristaking (25-26 februari 1941). Abram Szanowski was een van de opgepakten. Hij kwam via kamp Schoorl en Buchenwald in Mauthausen terecht, waar hij op 10 oktober 1941 stierf. (meer…)

PANNERDEN

Pannerden werd voor het eerst omstreeks het jaar 1.000 genoemd. Het is dan een nederzettinkje in de omgeving van een versterkt huis, waarschijnlijk de Heukelumshof dat later bekend zou worden als het Kasteel Byland. Het kasteel zou rond 1726 door de rivier zijn weggespoeld. De nederzetting behoorde in die tijd toe aan de bisschop van Luik. In 1284 werd de nederzetting Pannerden door de Proost van Luik verkocht aan het kapittel van Emmerik, die het daarna in erfpacht uitgaf aan Willem Doys, die al het Kasteel Byland (ook wel Kasteel Scate genaamd) van de Graaf van Kleef in leen had. Door het huwelijk van Willem’s kleindochter Sophia met de Graaf van Bergh in 1346 werd Pannerden een leen van het Huis Bergh, wat het tot 1801 zou blijven. In dat jaar werd de heerlijkheid Pannerden gekocht door Carel Herman van Nispen. In 1600 was Pannerden tijdens de reformatie gereformeerd geworden, maar van de Pannerdense kerk werd slechts het koor van de kerk door de gereformeerden voor de diensten gebruikt. Het kerkschip raakte in verval en op die plaats werd toen een schooltje gebouwd. In 1878 werd een nieuwe kerk gebouwd, de Sint-Martinuskerk.

Tot 1817 behoorde Pannerden tot het koninkrijk Pruisen, maar werd in dat jaar overgedragen aan het Koninkrijk der Nederlanden en werd op 1 januari 1818 een zelfstandige gemeente. Op die dag werd de gemeente Herwen verdeeld door het ene gedeelte verder te laten gaan als gemeente Pannerden en de andere helft als de gemeente Herwen en Aerdt, waartoe ook de opgeheven gemeente Lobith werd gevoegd. (meer…)

018 – MAASPLEIN 1

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 2)

Deel 2- Het tragische leven van Louis Doedel

Over de activiteiten van De Kom in Suriname wordt in de delen 4, 5 en 6 ingegaan. Eerst echter het tragische verhaal van hoe het Louis Doedel vanaf het vertrek van Anton de Kom in mei 1933 is vergaan.

In 1933 zette Louis Doedel een ‘Kantoor voor Algemene Zaken’, dat een vakliedenbeurs kende om beter zicht te krijgen op de omvang van de werkloosheid en om te bemiddelen bij werk. In de jaren daarna gaf hij een hele serie pamfletten, manifesten en kranten uit, waaronder De Banier, De Meidoorn en Jong Suriname. Hierin vroeg hij voortdurend aandacht voor de problemen waarmee arbeiders, kleine boeren en werklozen in Suriname te kampen hadden. In alle publicaties verweet hij consequent het koloniaal bewind een krachteloos beleid te voeren tijdens de jarenlange economische crisis. Door zijn politieke activiteiten en geprononceerde stellingname raakte Doedel onvermijdelijk in conflict met de koloniale autoriteiten. In 1934 raakte Doedel in conflict met procureur-generaal Frans van Haaren over het artikel ‘Welk parool?’ in zijn maandblad ‘Jong Suriname’, met een heftige aanval op de Nederlandse kruidenierspolitiek ten aanzien van Suriname. In 1935 publiceerde hij crisismanifesten, waarin hij twee jaar ‘laissez-faire-bestuursbeleid’ van gouverneur Johannes Kielstra (die in oktober 1933 gouverneur Rutgers had opgevolgd) onder de loep nam. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 1)

Deel 1- De voorgeschiedenis

Vanaf eind achttiende eeuw bevond de economie van Suriname zich in een neerwaartse spiraal. De opkomst van concurrerende producten zoals bietsuiker uit Europa en katoen uit de Verenigde Staten was goed merkbaar. De afschaffing van de slavernij in 1863 was een tweede factor van betekenis. Door de opening van het Suezkanaal waren er steeds betere investeringsmogelijkheden in het toenmalige Nederlands-Indië, wat ten koste ging van investeringen in Suriname. Bovendien volgde de Nederlandse regering een laissez-faire politiek in plaats van problemen planmatig aan te pakken. Als gevolg van dit alles verlieten vele voormalige slaven de plantages in de binnenlanden en trokken naar de steden, met name naar Paramaribo. Het koloniaal bestuur speelt hierop amper en in bleef krampachtig vasthouden aan de plantagelandbouw en de eind negentiende eeuw opkomende grondstoffenexploitatie. Toen vanaf 1929 een mondiale economische crisis uitbrak, was Suriname dan ook zeer slecht uitgerust om hier weerstand tegen te bieden.

Op politiek terrein werd het land sinds 1866 geregeerd door de Koloniale Staten, die slechts de elitaire bovenlaag van nog geen 2% van de bevolking vertegenwoordigden. Alle bevoegdheden tot het nemen van beslissingen berustte bij de gouverneur, een Nederlandse ambtenaar die door de Nederlandse regering werd benoemd. Alle politieke macht was dus in feite in handen van de Nederlandse regering. Er waren geen politieke partijen en de pers, vaak gerund door Statenleden, hadden een belangrijke politieke rol. De zogenaamde volksklasse had vanwege het censuskiesrecht niets in te brengen en kon haar stem slechts laten horen door bijvoorbeeld plichtsverzuim, stakingen, opstanden en vakbondsorganisatie. Gelukkig voor het koloniale gezag waren al die acties lokaal gericht, kenden geen lange-termijndoelstellingen en ontbrak het altijd aan goede leiding en organisatie, ook bij de vakbondjes die vanaf 1900 opkomen. (meer…)

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 5)

De Duitsers annexeerde op 8 oktober 1939 de veroverde Poolse gebieden en verdeelde het westelijk-noordelijke deel in vier Reischgaue en in het oosten werd het Generalgouvernement opgericht. Piotrków Trybunalski kwam te liggen in de Reichsgau Posen, waarvan SS-Obergruppenführer Arthur Greiser tot Gauleiter werd benoemd. Hij zou die functie gedurende gehele oorlog behouden. Op 29 januari 1940 werd de Reichsgau Posen omgedoopt tot de Reichsgau Wartheland. Piotrków Trybunalski werd benoemd tot de hoofdstad van een Kreis, die deel uitmaakte van het nieuw gecreëerde Regierungsbezirk Litzmannstadt (District Lódz) binnen de Reichsgau. De Wehrmacht onder bevel van General der Artillerie Walter Petzel vestigde zich in Posen (Poznan) en bestuurde van daaruit haar militaire operaties over het gebied, dat overwegend werd bewoond door etnische Polen. Er was een redelijke Duitse minderheid (16,7%) en een kleine Joodse bevolking.  De Duitse overheid streefde naar het volledig germaniseren van het geannexeerde Poolse gebied, waarmee in 1939 in de nieuwe Reichsgau Wartheland moest worden begonnen. De Poolse bevolking diende te worden geherhuisvest en hun plaatsen diende te worden ingenomen door Duitse militaire en civiele kolonisten, waaronder Oost -Europees Volksdeutsche. De Joodse bevolking werd in eerste instantie vooral bijeengedreven in het getto van Łódź, ongeveer 25 kilometer ten noorden van Piotrków Trybunalski, en vervolgens binnen twee jaar werden uitgeroeid in Vernichtungslager Kulmhof (Chełmno). (meer…)

ROB KORPERSHOEK

Al vanaf het begin van de oorlog was er in Hilversum en omstreken een groepje zeer jeugdige scholieren die zich afzette tegen de Duitse bezetting. Dat waren onder meer Rob Korpershoek (1926-2014), Wouter Albers, Wim Freni, Guus Dull en Leo de Zoeten. Ze lieten hun onvrede merken door illegale bladen en pamfletten te maken en die door de stad te verspreiden. Het amateuristische maar ook de jeugdige spontaniteit, zich amper bewust van de risico’s die ze liepen, spat er vanaf. Zo weerden artikelen ondertekent met ‘Simon Saboteur’ en Rob Korpershoek ondertekende altijd met een simpele ‘M’, die was afgeleid van de eerste letter van zijn schuilnaam ‘M.O.F. Fenhater. Vanaf 1943 gebruikte het groepje de naam NV De Strijders en publiceerde ze onder meer het blad Ons Verzet (nr. 580 in L. Winkel, De Ondergrondse Pers). Ook werd een jaarlijkse Vrijheidskalender uitgegeven, die in 1944 in een oplage van 100 exemplaren en een tarief van 50 cent werd verspreid onder geïnteresseerden. Op 15 januari 1945 publiceerde Korpershoek een prent tegen aanmelding tegen de Arbeitseinsatz, die tegen het eind van de oorlog bijzonder aansloeg.

In de Boekenlage1987 van Vrij Nederland verscheen onder de titel ‘Jongeren in de illegaliteit. Hilversumse scholieren in het verzet 1940-1945) onderstaand artikel van Hans Mulder. Dit naar aanleiding van het boek van Jet Baruch en Jenny Smit, ‘Oorlog met de tekenpen Verzet van jongeren in het Gooi, 1940-’45’ en de tentoonstelling die daarover tot maart 1988 in het Rijksmuseum liep. Ter illustratie daarbij de beroemde tekening die Rob Korpershoek maakte voor een strooibiljet, dat in een oplage van maar liefst 400.000 exemplaren werd verspreid. Vanwege die grote oplage werd lang gedacht dat het biljet vanuit de geallieerde propagandamachine kwam. (meer…)

HANNA VAN DER VOORT

Hanna van de Voort (Meerlo, 26 november 1904 – Utrecht, 26 juli 1956) was de dochter van een banketbakker in het Limburgse Meerlo, een dorpje langs de Maas en vlak bij Venray. Bij het uitbreken van de Tweede Oorlog was ze in het nabijgelegen Tienray kraamverzorgster. De oorlog zou bijna rustig aan haar voorbij zijn gegaan als ze niet in mei 1943 door twee Limburgse jongens die in Amsterdam studeerde was benaderd met de vraag of ze niet pleeggezinnen kende die een tijdje Joodse kinderen uit Amsterdam wilde opvangen. Dat waren Karel Ex (Venlo, 1923 – Amsterdam, 1999) en Joe Russell uit Tegelen, de zoon van de mede-eigenaar van het Tegelse keramiekbedrijf N.V. Russel-Tiglia was een keramiekbedrijf. Hanna vroeg na deze onverwachtse vraag om advies aan haar hulpbehoevende moeder Marie van de Voort-Everts, die direct antwoordde: ‘Duizend kinderen, Hanna! Die moeten we helpen!’ Hanna organiseerde vervolgens in Tienray de hulp aan joodse onderduikertjes. Ze werden hierin bijgestaan door de joodse onderduiker Kurt Löwenstein en de ondergedoken student Nico Dohmen.

Kurt Löwenstein (Allenstein, 17 november 1925 – Beverly Hills, 8 mei 2017) waas de zoon van een Joodse advocaat die zich nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen noodgedwongen Berlin moest vestigen waar een grotere Joodse gemeenschap was, dus meer kans op werk. Zijn oudere broer Heinz was enkele maanden voor het uitbreken van de oorlog naar Groot-Brittannië uitgeweken. Kurt en zijn ouders hadden de pech dat uitgerekend op de dag dat ze vanuit Rotterdam de overtocht naar de Verenigde Staten zouden maken, de Duitsers Nederland binnenvielen. Zijn vader kon door zijn werk bij de Joodse Raad in Amsterdam nog een tijdlang vrijstelling van deportatie krijgen, maar in juni 1943 kwam het drietal toch terecht in Kamp Westerbork. (meer…)

018 – LOBITH – CARVIUM NOVUM 12


.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.

MAASPLEIN NIJMEGEN

OpelFahrrad a quintHet Maasplein en omgeving ligt in het oudste gedeelte van het Waterkwartier en is genoemd naar de rivier de Maas, die in Frankrijk op het plateau van Langres ontspringt. De bijna geheel gekanaliseerde rivier heeft een lengte van 925 kilometer en komt bij Maastricht ons land binnen. Op 25 mei 1921 werd in Nijmegen het raadsbesluit genomen dit deel te bebouwen. In dat raadsvoorstel stonden onder meer de namen Amstelplein en Amstelstraat, Maasplein en Maasstraat, Merwedestraat, Rijnstraat en Waalstraat. Bij de Maasstraat en het Maasplein werd wel onderscheid gemaakt tussen de straat en het plein, maar het Maasplein was dan ook aanmerkelijk groter dan het zogenaamde Amstelplein. De buurt waar die straten en pleinen liggen, heette oorspronkelijk de Rivierenbuurt. Logisch gezien de namen. Al vanaf het begin kwam bij de bevolking echter de naam Waterkwartier in zwang en werd de officiële benaming helemaal verdrongen. Bij de Volkstelling 1960 werd de wijk- en buurtindeling aangepast en werd de naam Waterkwartier vervangen door Biezen. Meer dan zestig jaar later is deze nieuwe naam nog steeds niet erg ingeburgerd en wordt nog steeds gesproken over het Waterkwartier. Deze naam is nooit formeel door de gemeenteraad vastgesteld en komt ook niet voor in de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). Officieel bestaan het Amstelplein en het Waterkwartier dus niet. In 1922 werden in dit oudste gedeelte van het Waterkwartier 314 arbeiderswoningen gebouwd. Op 28 Januari 1923 besloot de Gemeenteraad tot aankoop van verschillende percelen om de verbinding tussen de Maasstraat (het oudste gedeelte) en de Biezenstraat te verbeteren. Per Raadsbesluit van 1 februari 1928 werd dit nieuwe gedeelte ook Maasstraat genoemd. Bij Raadsbesluit d.d. 14 mei 1997 kreeg een deel van de Maasstraat alsnog de naam Maasplein op grond van onder meer de volgende argumenten: (1) De tekst van de raadsbesluiten van de straatnamen Maasplein en Maasstraat wijkt af van de feitelijke situatie; (2) De huisnummering van de betreffende woningen is al op basis van de daadwerkelijke situatie vastgesteld. (meer…)

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 4)

Volgens het register van 1940 waren er 20.421 Joden in de provincie Piotrków. Het getto van Piotrków Trybunalski werd van 15 tot 21 oktober 1942 geliquideerd. Van juli tot september 1942 schoten de Duitsers zestig mensen dood in de bossen van Raków. Tijdens de liquidatie van het getto werden ongeveer 22.000 mensen afgevoerd naar het Duitse vernietigingskamp in Treblinka. Honderdvijftig mensen werden neergeschoten en de rest – in totaal 2,4 duizend – opgesloten in werkkampen. De laatsten uit deze kampen werden op 25 november 1944 naar Duitsland vervoerd. Gevangenen werden naar de kampen Buchenwald en Ravensbrück gestuurd. In 1945 waren er nog 372 Joden in Piotrków Trybunalski. Maar de overgrote meerderheid van hen verliet de stad in de daaropvolgende jaren. Binnen enkele jaren was een einde gekomen aan een eeuwenlang bloeiende Joodse gemeenschap binnen het Poolse stadje, waarvan in 1928 maar liefst 65% van alle ambachtslieden en kooplieden Joods was. Het stadje kende Joodse ondernemers met een sodawaterfabriek, een paar leerlooierijen, een oliemolen, een ijzergieterij, een timmermanswerkplaats, een zagerij, een steenfabriek, een triplexfabriek, een stoomzagerij, een vatenfabriek, drie graanmolens en tal van kruideniers- en kledingswinkels. Plus een rijk cultureel en religieus leven. Ruim 20.000 Joodse inwoners van Piotrków Trybunalski waren tussen 1942-1945 door de Duitsers vermoord. Twintigduizend, dat is een hoog aantal, maar zegt tegelijkertijd zo weinig omdat het slechts een getal is, een abstract gegeven. We kunnen er geen twintigduizend gezichten bij voorstellen, zoals we wel gezichten kunnen voorstellen  bij een ongeluk waarbij vijf mensen om het leven komen of een misdrijf waarbij vier mensen worden vermoord. Daarom spreekt het verhaal van Anne Frank zo aan, een jonge Joodse puber, die een dagboek naliet en waarvan wat foto’s dat trieste levensverhaal ondersteunen. Daarom is het boek In Memoriam van Guus Luijters ook zo overdonderend, want naast de lijst met namen van kinderen die naar de concentratiekampen werden getransporteerd, staan de foto’s die de schrijver van die kinderen heeft kunnen achterhalen. Van de inwoners van het getto in Piotrków Trybunalski in 1942 is het samenstelling van zo’n portrettengalerij onmogelijk. Een overzicht van enkele inwoners van het stadje in 1919-1920 geeft een aardig beeld van wat bruut werd vermoord. (meer…)

WESTERWEELGROEP

Joop Westerweel (Zutphen, 25 januari 1899 – Vught, 11 augustus 1944) was de zoon van een drukker in Zutphen. Zijn ouders werden later lid van de Vergadering van Gelovigen, een uit Engeland afkomstige protestantse vernieuwingsbeweging. Inspiratiebron voor hen waren de eerste christelijke bewegingen, gekoppeld aan eerbied voor het Oude Testament. Joop brak al jong met de Vergadering, maar de bijbel bleef voor hem een inspiratiebron. Hij was rond 1920 politiek actief ter linkerzijde van sociaaldemocratische SDAP. Als pacifistische christenanarchist geloofde hij sterk in een geweldloze oplossingen van conflicten. Hij werd dan ook onvermijdelijk dienstweigeraar toen hij opgeroepen werd voor militaire dienst. Hij was op dat moment werkzaam als onderwijzer in Nederlands-Indië. Hij kreeg een gevangenisstraf en werd het land uitgewezen. In Nederland ging hij werken aan de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven, een algemeen-bijzondere school met basisonderwijs en voortgezet onderwijs die in 1926 was opgericht door Kees Boeke en zijn vrouw Betty Cadbury. De school bestaat nog steeds en is onveranderd gebaseerd op hun pedagogische opvattingen waarbinnen de strijd tegen militarisme en geweld en het streven naar een vreedzame samenleving de centrale gedachten zijn. Voor de oorlog organiseerde Westerweel daar de opvang van Duitse en Poolse Joodse vluchtelingen en zorgde ervoor dat hun kinderen onderwijs kregen. (meer…)

JOHAN BERENDSEN, deel 2

Weer een dag later werd door Johan Berendsen met dezelfde meedogenloosheid Willem Kohlen (1881-1944) geëxecuteerd. Op 19 september liet de bezetter weten dat de binnenstad van Venlo moest worden ontruimd omdat het centrum Sperrgebiet zou worden. Ook het echtpaar Willem en Johanna Kohlen laden het broodnodige op een kar om hun woning te verlaten. Er ontstond commotie toen een medebewoonster van de Hakkesplaats de 63-jarige koopman en kraamverhuurder Kohlen, die de reputatie had nooit een blad voor de mond te nemen, ervan beschuldigde een portret van Adolf Hitler bij de vuilnis te hebben gezet en linnengoed van haar te hebben gestolen. Kohlen schamperde dat hij haar ‘stinkonderbroek’ niet nodig had. De jonge vrouw was echter in gezelschap van enkele Duitsers, die Kohlen een paar klappen gaven, zijn huis insleurden en daar verder mishandelden. De buurvrouw, werkzaam in het Deutsches Haus, en de Duitsers gingen vervolgens naar het pakhuis van de koopman en verdwenen iets later met twee kisten. Kohlen sloeg het advies in de wind zo snel mogelijk te verdwijnen. Toen de Duitsers terugkwamen, werd hij gearresteerd. Daarna werd door hen Johan Berendsen gebeld om naar de Ortskommandant in de Paterskerk te komen, Daar werd hem bevolen om een plunderaar te executeren. Berendsen en een AKD-collega, wachtmeester Sytze Blaauw, namen Willem Kohlen die avond mee en brachten hem bij de machineloods van de Maasbuurt-Spoorweg dicht bij het oude station met acht tot tien kogels om het leven. Een pater van de Sint-Josephparochie die het Heilig Oliesel wilde toedienen, werd door Berendsen weggestuurd. Een monteur van de Maasbuurt Spoorweg, L. Heurkens, had gezien wat er was voorgevallen en in oktober 1945 bleken ook twee andere personen getuigen te zijn geweest. Een van die getuigen beet hij toe: ‘Dit doen we met plunderaars!’ en in een rapport noteerde hij dat de man bij een vluchtpoging was neergeschoten. Het stoffelijk overschot van Wiel Kohlen werd overgebracht naar de begraafplaats aan de Kerkhofweg. Sytze Blaauw kreeg na de oorlog de doodstraf, maar werd later omgezet in een lange vrijheidsstraf. Mejuffrouw B., de boosaardige buurvrouw, werd ondanks halsstarrig ontkennen veroordeeld tot 3,5 jaar opsluiting in een Rijkswerkinstelling. (meer…)

JOHAN BERENDSEN, deel 1

Johan Berendsen (Avereest, 2 september 1912 – Vught, 2 mei 1947) werd geboren in Avereest, een Sallands dorpje in de omgeving van Dedemsvaart. In oktober 1939 trouwde hij met Annie de Vries (Blerick, 7 juli 1917 – Blerick, 15 april 1917), de dochter van een fanatiek NSB’er, en vestigde het echtpaar zich in haar woonplaats. Waarschijnlijk heeft Berendsen haar leren kennen toen hij daar zijn militaire dienstplicht vervulden. Daarna trad hij in dienst bij de politie in Venlo. Toen in mei 1940 de Duitsers Venlo aanvielen, maakte Berendsen deel uit van de bemanning van een van de bunkers bij de Maasbruggen in Blerick, waar hij een van de mitrailleurs bediende om de Duitse invallers te bestoken. Na zijn krijgsgevangenschap en ontslag uit de Nederlandse krijgsmacht werd hij in juli 1940 lid van de NSB-kring Venlo, waar hij vanaf december 1940 commandant was van de knokploeg van de Venlose NSB, de Weerbaarheids Afdeling (WA), door een Venlose amateurhistoricus treffend omschreven als ‘een irritant stelletje straatschenders’. Na een paar maanden van straatterreur bleek dat de leidinggevende capaciteiten van Berendsen ontoereikend waren. Hij stapte toen over naar de Nederlandsche SS, maar bedankte hiervoor al in 1941 omdat een dreigende gang naar het Oostfront hem afschrok.

In februari 1942 werd het eerste kind van het echtpaar Berendsen geboren, in maart 1943 volgde er nog een tweeling. In juli 1943 werd Johan Berendsen toegelaten op de Politieschool Schalkhaar (ook Politieopleidingsbataljon Schalkhaar genoemd), de centrale opleiding voor de Nederlandse politie. Vanaf juli 1941 werden daar in de Westenbergkazerne Nederlandse politiemensen in zes weken tijd onder Duits toezicht geschoold in de SS-ideologie om betere controle te krijgen over het Nederlandse politieapparaat. Na de opleiding werden deze agenten toegevoegd aan reguliere korpsen. Berendsen keerde op 16 augustus 1943 onder de rang van wachtmeester terug naar het korps in Venlo. Daar was een maand eerder de gevreesde SS’er Otto Couperus tot commandant was benoemd. In oktober 1943 werd Berendsen na een gunstige beoordeling bevorderd tot opperwachtmeester. (meer…)

017 – LOBITH CARVIUM NOVUM 11


.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.

DE JOODSE INVALIDE

De rebbe Meyer de Hond (Amsterdam, 30 augustus 1882 – Sobibór, 23 juli 1943), geboren in een armlastig gezin in de Jodenbuurt en zeer begaan met de sociale ellende van de arme Joden, schreef begin 1911 de brochure ‘Een joods hart klopt aan uw deur’, waarin hij aandacht vroeg voor het lot van Joodse invaliden en ouderen, waarvoor amper aandacht was binnen de Joodse gemeenschap. De Hond was binnen de gemeenschap een controversieel figuur. Hij nam afstand van het socialisme en zionisme, bestreed het formalisme in het orthodoxe jodendom en ageerde tegen d Joodse elite die het niet zo nauw namen met de voorschriften. In 1904 kon hij nadat hij kandidaat-rabbijn was geworden door tegenstand van opperrabbijn Joseph Hirsch Dünner, de rector van het seminarium, zijn studie tot rabbijn niet vervolgen en nadat hij dit in Berlijn en Würzburg alsnog had gedaan, weigerde dezelfde Dünner deze prestigieuze opleiding te erkennen omdat ze niet in Nederland was gevolgd. Ondanks zijn tomeloze inzet via diverse verenigingen en zijn succesvolle toneelstukken met schetsen ut het dagelijkse Joodse leven zou De Hond in de Joodse bovenlag zijn verdere leven persona non grata blijven.

De door hem in 1905 opgerichte vereniging Touroh Our (‘De leer is het licht’) had het initiatief genomen om voor joodse bejaarden en invaliden, die verzorgd werden in het stedelijke werkhuis in de Roetersstraat, te zorgen voor kleding en andere extra’s. Het Nederlandse Israëlitische Ziekenhuis (NIZ) aan de Nieuwe Keizersgracht had niet voldoende ruimte voor deze groep, die werd ondergebracht naar het stedelijk Werkhuis. NIZ zorgde er wel voor dat drie keer daags een koosjere maaltijd werd verzorgd en had ook gezorgd voor een zaaltje voor het samenkomen op sjabbat en tijdens de feestdagen. In zijn brochure beschreef De Hond in welke erbarmelijke en mensonwaardige de bejaarden en invaliden hun dagen moesten slijten.  Tegelijkertijd met het verschijnen van de brochure in 1911 richtte hij de vereniging De Joodsche Invalide op. (meer…)

VERZETSGROEP DE WITTE ANJER

Op 8 mei 1945 werd het Rijksbureau voor Documentatie van de geschiedenis van Nederland in Oorlogstijd opgericht, waarvan al in oktober dat jaar de naam werd gewijzigd in het handzamere Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Die naam werd eerst afgekort tot RvO, later tot RIOD. Op 1 januari 1999 veranderde de naam in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Op zaterdagmiddag 22 november 1947 had het RIOD een onderhoud met mevrouw A.J. Kropff-Minderman op haar adres Maastrichtsestraat 82 te Scheveningen. Doel van het overleg meer inzicht te krijgen in het functioneren van de verzetsgroep De Witte Anjer, waarvan Ans Kropff-Minderman en haar echtgenoot Herman Kropff deel hadden uitgemaakt. Het overleg resulteerde in onderstaand verslag, waarvan het overgrote deel al in de korte biografie van Herman Kropff werd vermeld.

In 1940 richtten H. Kropff, Wim Merz en nog anderen – hoeveel en wie kan Mevrouw Kropff niet mededelen – de sabotage- en inlichtingengroep “De Witte Anjer” op. Medio 1941 is de Heer Kropff tot de O.D. ‘s- Gravenhage toegetreden. Of zijn medewerkers dit ook hebben gedaan is Mevrouw Kropff niet bekend. De leden van de Witte Anjer hadden zelf een zender gebouwd en slaagden er in daarmede contact te krijgen met de overkant. Mevrouw Kropff meent dat een dergelijk contact al in de Meidagen door haar echtgenoot was voorbereid. Alles wat maar op militair gebied voor de geallieerde oorlogvoering van belang kon zijn, werd overgeseind. Eind 1940 werd de zender echter door de S.D. overvallen. De jongens wisten nog net te ontkomen. Zij togen snel aan het werk om een nieuwe zender te bouwen, zodat zij weer spoedig in de lucht waren. Zij spraken soms op de golflengte van de Duitse radio Hilversum na sluitingstijd om 10 uur ’s avonds. Ze wekten de Nederlandse bevolking op zich tegen de Duitsers te keren. Toen de groep in de O.D. overging hielden zij de zender echter voor zich en opereerden daarmee niet in O.D. verband. (meer…)

017 – ST. STEVENSKERKHOF EN KERKBOOG 3

016 – TOLKAMER 3


.
Zicht op Tolkamer vanaf het Bijlandsch Kanaal / de Rijn, december 2007, © Frans van den Muijsenberg.

PIETER, WILLEM en ARNOLD BREEBAART

Het verslag van het overleg op zaterdagmiddag 22 november 1947 van het RIOD met mevrouw A.J. Kropff-Minderman om inzicht te krijgen in het functioneren van de verzetsgroep De Witte Anjer, waarvan zij en haar echtgenoot Herman Kropff deel hadden uitgemaakt, werd afgesloten met de zin: ‘Tenslotte vestigt Mevrouw Kropff nog de aandacht op de familie Breebaart uit Rijswijk. Van het gezin kwamen twee zoons en de Vader om. Een zoon is teruggekomen. Zij verzorgden een zender.’

Drie overledenen in één gezin, een vader en twee zoons. Een tragedie waarvan je zou veronderstellen, dat hierover het een en ander te vinden is in de talrijke websites over de Tweede Wereldoorlog en de (gesneuvelde) verzetshelden. Dat viel bitter tegen. In elk geval werd duidelijk dat het geheugen Ans Kropff-Minderman in de steek had gelaten. Vader Abraham Benjamin Breebaart (Leiden, 10 september 1889), elektrotechnicus van beroep, overleefde de oorlog. Drie van zijn zonen stierven echter in Duitse concentratiekampen. De vierde zoon, Abraham ‘Bram’ Benjamin Breebaart (Rijswijk, 20 november 1919 – Rijswijk, 1898) overleefde de oorlog. In het Jaarboek 2014 van de Historische Vereniging Rijswijk staat in het artikel over de fotograaf Cornelis Hageman (1876 – 1951) dat deze op het moment dat elektriciteit nog slechts werd geleverd aan bedrijven en instanties, hij beschikte over krachtstroom. Hij kon daardoor voor de verzetsgroep van Th. J. C. Beijersbergen ‘s nachts de accu’s vullen. De groep zou begin 1945 worden opgepakt; alle leden werden gefusilleerd. Ook ontwikkelde Hageman foto’s voor de verzetsgroep Breebaart. Bram Breebaart stuurde een zestienjarige jongen met een rolletje geheime foto’s naar de fotograaf. Zodra het rolletje was ontwikkeld en door de fotograaf in orde was bevonden, kreeg de jongeman te horen: ‘Zeg maar aan de heer Breebaart dat het gelukt is’. Blijkbaar wist Breebaart sr. aan arrestaties te ontsnappen of wist hij het concentratiekamp te overleven. Drie van zijn vier zonen hadden niet dat geluk. (meer…)

016 – ST. STEVENSKERKHOF EN KERKBOOG 2

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 49

015 – LOBITH CARVIUM NOVUM 10

BAREND JAN KEUTER

De student Wouter Frederik Brave (Amsterdam, 11 september 1918 – Den Haag, 12 april 1984), die in 1940 als  22-jarige student in het verzet belandde, tekende hierover later op dat hij in dat studentenverzet onder meer Leo Voogd en Barend Klaas Keuter (Oost Graftdijk, 14 augustus 1918 – Bergen-Belsen, 5 maart 1945), bijgenaamd ‘Jons’, tegenkwam. Op 16 september 1940 verhuisde Barend Jan vanuit Den Haag naar Delft om te studeren voor civiel ingenieur. Voogd en Keuter waren oud-schoolvrienden van het Haganum. Via hen kwam hij in contact met Ir. Freddy ter Galestin en Herman Kropff. Deze twee leden van de Groep ‘ter Galestin’ beschikte over een eigen zender en hield zich hoofdzakelijk bezig met inlichtingenwerk, economische sabotage (vooral chemische industrie) en het opzetten van een ontsnappingsroute voor Engelse Australische en Amerikaanse piloten. De leden van de groep brachten deze beurtelings naar Rotterdam, Utrecht en later naar Amsterdam, waarna ze via de ‘Escape-line’ verder werden gebracht. Via zijn zoon kwam ook ds. Albert Keuter in contact met het verzet. Keuter bood vooral hulp aan ondergedoken Joden.Albert Keuter (Blokzijl, 7 januari 1892 – Bergen-Belsen, 10 maart 1945) was een dominee bij het Doopsgezinde Broederschap in Den Haag. Daarvoor stond hij in Oost- en West Graftdijk (1917), Twisk en Medemblik (1920) en Akkrum (1925).

(meer…)

ANJERDAG

Op 29 juni 1940 vierde prins Bernhard zijn 29e verjaardag. De eerste verjaardag binnen het koninklijk huis sinds de Duitse inval, zes weken eerder. De prins had droeg al sinds zijn studententijd in de twintiger jaren bij iedere gelegenheid een anjer op de borst, conform de toenmalige modieuze gewoonte. Na zijn studententijd bleef hij volharden in deze buiten het studentenleven wat excentrieke gewoonte. Op deze dag staken in veel delen van het land mensen de Nederlandse vlag uit, anderen deden een oranje strikje in. In Den Haag knoopte op deze dag veel mensen ook een anjer in hun knoopsgat. Burgemeester De Monchy had voor 29 juni alle demonstraties verboden, maar de bevolking legde toch bloemen neer bij het beeld van Willem de Zwijger bij paleis Noordeinde. Een politieman gaf daarop opdracht aan paleismedewerkers om de bloemen binnen te leggen. De Monchy, die was langsgekomen om de situatie te bekijken, liet de bloemen toch weer buiten leggen. Toen een afgevaardigde van generaal Winkelman kwam om het felicitatieregister in paleis Noordeinde te tekenen, begon het publiek te joelen, het Wilhelmus te zingen en anti-Duitse leuzen te schreeuwen. Ook in tal van andere steden vonden georganiseerde bijeenkomsten plaats om steun aan het koninklijk huis te laten blijken en daarmee tegelijkertijd te protesteren tegen de Duitse bezetting. In Amsterdam werd het monument voor de koningin-moeder Emma op het Emmaplein bedolven onder de bloemen. Opvallend was dat bij het Monument voor Koningin Emma in Benoordenhout in Den Haag, in het zogenaamde Rosarium aan het Jozef Israëlsplein, door massaal aanwezige NSB’ers ook bloemen werden gelegd, want ook onder de Nederlandse nationaalsocialisten was er grote bewondering voor het Huis van Oranje en werd de verjaardag van de prins aangegrepen uiting te geven aan de pro-Oranje gevoelens, waarbij er wel op werd gelet geen aansluiting te zoeken met de bloemenlegging bij paleis Noordeinde vanwege de anti-Duitse stemming die er heerste. Voor de NSB’ers ging op dat moment pro-Oranje en pro-Duits nog prima samen. Lou de Jong geeft in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 4. Mei ’40- maart ’41, pagina 282-288 een overzicht van de verschillende georganiseerde en spontane acties, die onder de naam Anjerdag de geschiedenis zou ingaan. Het was de eerste keer dat in Nederland openlijk geprotesteerd werd tegen de Duitse bezetting. (meer…)

015 – ST. STEVENSKERKHOF EN KERKBOOG 1

014 – ZICHT OP ELTEN 2

.
Zicht op Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

ST. STEVENSKERKHOF, KERKBOOG EN ST. STEVENSTOREN

De St. Stevenskerkhof is in de loop der jaren vele keren van naam veranderd. In de 17e eeuw werd het gebied rond de St. Stevenskerk aangeduid als Achterste Kerkhof, Hooge Kerkhof of Groote Kerkhof. In de 17e en 18e eeuw werd een deel van het kerkhofdoor een hek afgesloten, dat vervolgens de naam Binnen ’t Hekken kreeg. In 1812 heette het gebied Kerkhof, vanaf 1822 Het Kerkhof of Om het Kerkhof. In 1882 werd het kerkhof afgegraven, waarna tien jaar later de naam werd gewijzigd in st. stevenskerkhof. In 1924 werden de hoofdletters ingevoerd en kreeg het gebied zijn huidige naam: St. Stevenskerkhof. Op maandagen wordt al zeer lang hier een markt gehouden waar allerlei gebruikte artikelen te koop worden aangeboden. Het St. Stevenskerkhof wordt daarom in de volksmond vaak ‘de Luizenmarkt’ genoemd.

De Kerkboog (eerder De Kerk Boog, sinds 1924 Kerkboog) verbindt het St. Stevenskerkhof met de Grote Markt. De poort bestond al in 148, werd in 1545 herbouwd en in 1606 voorzien van een bovenbouw. In de middeleeuwen kon de Stevenskerk alleen worden bereikt via een kleine doorgang in de lakenhal, die uit 1382 stamt. Nijmegen had toen een bloeiende lakenhandel, waarvan de handel plaatsvond in de het Gewandhuis of Lakenhal, een vijftig meter lang gebouw aan de westzijde van de Grote Markt. Dat gebouw besloeg de gehele westwand van de Grote Markt. Gelijkvloers waren arcaden, een soort winkeltjes, die aan verschillende neringdoenden werden verpacht. Via een trap buitenom kon de eerste verdieping worden bereikt, waar in een grote hal het textiel werd geweven en geverfd. Deze hal was verdeeld in vakken, die door de handelaren gehuurd werden. Alleen hier mochten lakenhandelarenhandel drijven. Op de rechterhoek van de Lakenhal bevond zich sinds 1542 café ‘In de Blaauwe Hand’, het oudste café van Nijmegen. De kelder van het café werd door het lakengilde gebruikt als opslagplaats voor bier en wijn voor feesten en partijen. Op 9 februari 1546 schijnt keizer Karel V in de lakenhal aanwezig te zijn geweest op een groot feest. De naam ‘In de Blaauwe Hand’ verwijst naar het gebruik van de kleurstof indigo, dat erg afgaf aan de handen. Degenen die ermee werkten, waren al gauw van de vingers tot aan de elleboog blauw. Aan de lakenververs die hier wat gingen drinken, nog steeds meer blauwe handen, dankte de kroeg haar naam. (meer…)

013 – ZICHT OP ELTEN 1

zicht op Elten 1 zicht op Elten 2
.
Zicht op Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

GASPER GALESTIN

Gasper John Alfred Galestin (Batavia, 15 december 1905 – Vught, 5 september 1944) werd in Nederlands-Indië geboren als zoon van de koopman Moses Nazareth Galestin. De roots van de familie liggen is Isfahan, maar ook wordt gewezen op Armeense oorsprong van de familie. Hij had een broer, Theodoor Astvatzattur Paul Galestin (1907-1980), die na de oorlog aan de universiteit van Leiden hoogleraar archeologie en kunstgeschiedenis werd en een zus, Johanna Martha Galestin. In allerlei documenten werd Gaspers naam foutief vermeld als Casper ter Galestin, waar die ‘toegevoegde ‘ter’ vandaan komt is onduidelijk, net als de verbastering van zijn voornaam in ‘Casper’. Zijn roepnaam was trouwens Freddy. Net als zijn broer Theo ging Freddy al op jonge leeftijd naar Nederland om te studeren. In Delft studeerde hij af als scheikundig ingenieur en was daarna als ambtenaar werkzaam bij het Rijksbureau voor Chemische Producten. In 1934 trouwde hij in Den Haag met Johanna Adrienne Thole, net als hij met Indische roots, Semarang.

Toen de oorlog uitbrak ging Galestin in Den Haag in het verzet. Hij richtte een inlichtingendienst op, die over een zender beschikte, bediend door Herman Kropff, om berichten naar Londen te kunnen doorseinen. Andere leden van de verzetsgroep waren onder meer Barend Klaas Keuter, diens vader dominee Albert Keuter, Leo Voogd, Wouter Brave en Jan Michiel Hillenius. Ook zorgde de groep ervoor dat via Parijs berichten naar Spanje kunnen worden gestuurd. Via contacten met een chemische fabrikant van surrogaatzeep kwam Freddy in aanraking met een pilotenlijn. (meer…)

014 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

012 – LOBITH CARVIUM NOVUM 9

THE ISLAMIC ROOTS OF THE MODERN HOSPITAL

Uit: Aramcoworld, march-april 2017, by Davod W. Tschanz.

In the late ninth century, leading physician and polymath Muhammad ibn Zakariya al-Razi helped establish a bimaristan—hospital—in Baghdad staffed with 25 doctors, optometrists, surgeons and bonesetters. The illustration, from a 13th-century European translation of Al-Razi’s Compendium of Medical Treatises, shows him treating a patient. The policy statement of the bimaristan of al-Mansur Qalawun in Cairo, c. 1284, stated: ‘The hospital shall keep all patients, men and women, until they are completely recovered. All costs are to be borne by the hospital whether the people come from afar or near, whether they are residents or foreigners, strong or weak, low or high, rich or poor, employed or unemployed, blind or signed, physically or mentally ill, learned or illiterate. There are no conditions of consideration and payment; none is objected to or even indirectly hinted at for non-payment. The entire service is through the magnificence of God, the generous one.’

The modern West’s approach to health and medicine owes countless debts to the ancient past: Babylon, Egypt, Greece, Rome and India, to name a few. The hospital is an invention that was both medical and social, and today it is an institution we take for granted, hoping rarely to need it but grateful for it when we do. Almost anywhere in the world now, we expect a hospital to be a place where we can receive ease from pain and help for healing in times of illness or accidents. We can do that because of the systematic approach—both scientifically and socially—to health care that developed in medieval Islamic societies. A long line of caliphs, sultans, scholars and medical practitioners took ancient knowledge and time-honored practices from diverse traditions and melded them with their original research to feed centuries of intellectual achievement and drive a continual quest for improvement. Their bimaristan, or asylum of the sick, was not only the true forerunner of the modern hospital, but also virtually indistinguishable from the modern multi-service healthcare and medical education center. The bimaristan served variously as a center of treatment, a convalescent home for those recovering from illness or accident, a psychological asylum and a retirement home that gave basic maintenance to the aged and infirm who lacked a family to care for them. (meer…)

JACOB SANDERS

Jacob Sanders (Sneek, 23 februari 1887 – Midden-Europa, 28 februari 1945) legde op 19 april 1913 aan de universiteit van Amsterdam zijn artsexamen af. In 1915 was Jacob Sanders als huisarts gevestigd aan de Mathenneserlaan 42 te Rotterdam, een lange en brede laan vanuit het centrum van Rotterdam. De laan was een belangrijk onderdeel van het stedenbouwkundige plan uit 1887 van Gerrit de Jongh, directeur van Gemeentewerken Rotterdam. Vanaf het begin van de twintigste eeuw verrezen langs de Mathenneserlaan de gezichtsbepalende grote herenhuizen van vier en vijf lagen, die zowel als woonruimte, kantoor of praktijkruimte konden worden gebruikt. Er woonden hier voor de oorlog veel Joden en ook waren er diverse Joodse organisaties gevestigd: een Joodse jeugdbeweging (nr. 137), het Israëlitisch Weeshuis (nr. 208), de vereniging Joodse Kindzorg (nr. 220), de Hebrew Immigrant Aid Society (HIAS) (nr. 223) en de Vereniging Israël, afdeling Rotterdam (nr. 451). In 1920 huwde hij met Henriette Hendrika Salomonson (Rotterdam, 18 december 1889), met wie hij twee kinderen zou krijgen: Rolina Regina (Rotterdam, 30 juli 1922) en Leonie Edith (Rotterdam, 31 mei 1925). Na zijn huwelijk verhuisde hij zijn woonadres en huisartsenpraktijk naar de Heemraadsingel 240 in Rotterdam, opnieuw een chique straat met veel welgestelde Joodse bewoners. Tijdens de oorlog zouden de Duitsers er veel van hun organisaties vestigen. Terwijl praktiserend arts in Rotterdam was hij op 6 mei 1918 aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op het proefschrift ‘Ziekte en sterfte bij Joden en niet-joden te Amsterdam’. De Joodse huisarts Herman Pinkhof (Rotterdam, 10 mei 1863 – Westerbork, 16 juli 1943), bekend als auteur van een geneeskundig woordenboek, als wijkarts bij het Nederlandsch Israëlitisch Armbestuur, kenner van de Talmoed, schrijver van de medische handleiding voor de ‘mohelim’ (kerkelijke besnijders) en zijn vele artikelen over ‘beroepsbelangen’ )zoals beroepsgeheim, vrije artsenkeuze, inentingsdwang, kindersterfte, homeopathie en farmacotherapie) voor het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, schreef er een lovende recensie over. Sanders onderzocht op basis van statistische gegevens de verschillen tussen Joden en niet-Joden in gevoeligheid voor verschillende ziekten, waarbij ‘raseigenschappen’ en ‘uitwendige invloeden’ de twee bepalende factoren zijn. Sanders merkte ook op dat de Joodse gezondheid vooral verbeterd kon worden door het bevorderen van een vrij, onafhankelijk leven van het Joodse volk in een eigen land. Bij Sanders ging zijn eugenetische levensvisie dus hand in hand met een zionistische ideologie. (meer…)

013 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

011 – LOBITH CARVIUM NOVUM 8

.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.

HET BOMBARDEMENT OP VILLA KLEYKAMP 2

Bombardement op Kleykamp 2Door het bombardement op Villa Kleykamp kwamen onderstaande 60 personen om het leven die in of bij de Villa Kleykamp verbleven. De meeste waren werkzaam bij het Centrale Bevolkingsregister. Enkele personen verdronken doordat zij in de kelder zaten die volliep met bluswater. Slechts een klein aantal medewerkers was lid of sympathisant van de NSB. Enkele medewerkers waren actief in het verzet en betrokken bij de illegale uitreiking van vervalste persoonsbewijzen. Bij bijna allen is de overlijdensdatum vastgesteld op 11 april, omstreeks 15.00 uur, enkelen stierven binnen enkele dagen alsnog aan hun verwondingen. (meer…)

HET BOMBARDEMENT OP VILLA KLEYKAMP 1

In Den Haag was de Koninklijke Kunstzaal Kleykamp van het echtpaar Pieter en Ermina Kleykamp een begrip. Pieter Gabriel Kleykamp (1867-1942) was een ondernemer en een telg uit een Rotterdamse familie van mandenmakers, de firma Wed. C.G. Kleykamp die al sinds 1790 bestond. Ermina Kleykamp (1868-1931) was de dochter van een succesvol zeekapitein en ondernemer met een bergingsbedrijf. Vanwege haar sterke karakter noemde haar vader haar ‘Bismarck 2’. Het echtpaar trouwde op 14 mei 1891 in Rotterdam en kreeg drie zonen. Na hun huwelijk hielp Ermina haar echtgenoot met het moderniseren van het mandenmakersbedrijf en wist de omzet flink te verhogen met de verkoop van in eigen beheer gemaakte bamboe en rieten meubelen én decoratieve oosterse voorwerpen (lantaarns, waaiers, parasols, ceramiek en Japanse prenten). In 1903 werd de mandenmakerij door het echtpaar afgestoten en begon met reizende verkoopexposities van Japanse kunst- en sierobjecten, waarvan vooral Ermina de initiatiefnemer was. Tot 1909 organiseerde de firma jaarlijks zo’n zes reizende tentoonstellingen, met gemiddeld vijfhonderd objecten. Dat was zo succesrijk dat in 1908 een kunsthandel aan de Zuidblaak in Rotterdam werd geopend. In 1909 werd besloten te stoppen met de reizende tentoonstellingen en hun kunstzaal naar Den Haag te verhuizen, waar ze een betere klandizie verwachtten. Ze vestigden zich vlakbij Paleis Noordeinde en trokken voor de verfijnde inrichting van de zaak de sierkunstenaar Theo Neuhuys aan, die hun vaste adviseur zou worden. Er was niet alleen oosterse kunst te koop, maar ook eigentijdse schilderijen. De kunstzaal was een gigantisch succes, vooral dankzij de moderne marketingtechnieken die Ermina Kleykamp gebruikte. Ze was behalve in de kunsthandel ook erg actief in de Haagse Soroptimisten Club, die in 1927 werd opgericht. (meer…)

012 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

010 – LOBITH CARVIUM NOVUM 7

DE FRANS-PRUISISCHE OORLOG 9 – EEN STAPJE TERUG IN DE TIJD

De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus 1870 de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen, waarvan de Vlaamse journalist en schrijver August Snieders in 1872 in zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, uitgebreid verslag deed. In Saarbrücken werd door de Franse keizer een monument geplaatst om te herdenken dat de veertienjarige zoon en kroonprins Napoleon Eugène Lodewijk Bonaparte (1856-1879) hier zijn eerste gevechtshandeling had verricht, de zogenaamd Lulustein. Daarna beperkte de Fransen zich tot wat beschietingen vanaf de heuvels op de omliggende dorpen. In de tussentijd trokken de Duitse legereenheden zich rustig terug om een Franse aanval te kunnen weerstaan.

De Fransen verkeerden begin 1870 nog in de veronderstelling dat de vrede in Europa verzekerd was. Nog in juni 1870  wilde de Franse regering, daarin ondersteund door maarschalk Edmond Leboeuf (1809-1888) (kop artikel) die een jaar eerder ook minister van Oorlog was geworden, het aantal legermanschappen terugbrengen van 100.000 naar 90.000 man. Al snel bleek dat in Pruisen dit plan niet werd gevolgd, maar de Franse regering en met name door regeringsleider Émile Ollivier (1825-1913) bleven overtuigd dat de vrede in Europa gewaarborgd was. In Oost-Europa werd die vrede namelijk verzekerd door het traktaat van 1856 en via het Verdrag van Praag na de slag bij Sadowa zou Duitsland worden beteugeld. (meer…)

JACOB LENTZ

Jacobus (Sjaak) Lambertus Lentz (Den Haag, 23 juli 1894 – 18 augustus 1963) is het prototype van de ambtenaar die blindelings elke opdracht van bovenaf opvolgt, die geheel geobsedeerd is door zijn eigen expertise en geen oog heeft voor de vaak desastreuze gevolgen die dat alles voor derden heeft. IN de dertiger en veertiger jaren streefde hij het ideaal na van een volmaakte registratuur (een systeem van ordening van archiefstukken) en schreef later in zijn memoires trots dat dat ook was gelukt. Lentz werd in 1913 op twintigjarige leeftijd aangesteld bij het bevolkingsregister in Den Haag. In 1919 trouwde hij met Suzanna Maria Roelijn (1894-1989), na al een eerder huwelijk te hebben gehad. In 1923 behaalde hij zijn diploma ‘gemeentelijke bevolkingsadministratie’, werd in 1926 hoofdfunctionaris bij de afdeling Algemene Zaken en Bevolkingsregister op het Haagse stadhuis en kreeg in 1932 de leiding over de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters, die binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken in het leven werd geroepen. Lentz werkte intensief; hij werkte regelmatig halve nachten door. Hij verwaarloosde dan ook zijn gezin, dat bovendien in de oorlog met afschuw zag hoe hij zijn werk in dienst van de bezetter met hetzelfde fanatische voortzette. In april 1943 scheidde zijn vrouw. Zij en de twee kinderen, een dochter van 22 en een zoon van 9, verbraken bijna alle contacten met hem. Lentz ging noodgedwongen bij zijn nicht in pension.

Jacob Lentz was echter geen nationaalsocialist. Integendeel zelfs, want begin jaren dertig was hij in Voorburg bestuurslid van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB), vanaf 1901 een progressief-liberale politieke partij die in 1946 grotendeels opging in de PvdA, maar veel D66-leden zien hun partij als een voortzetting van de VDB. In het interbellum was de partij erg fel tegen het nationaalsocialisme in Duitsland en Nederland, maar ook tegen de rooms-katholieke zuil die steeds invloedrijker werd. Begin 1935 was hij een van de 365 prominenten die namens het neutrale Nederland optraden bij een volksraadpleging over de status van het Saargebied. (meer…)

BEGRAAFPLAATS RUSTOORD NIJMEGEN

Begraafplaats Rustoord is een begraafplaats en rouwcentrum met een karakteristiek poortgebouw in neoclassicistische stijl, dat werd ontworpen door W.J. Maurits en A. Wijers. De Nederlands Hervormde gemeente Nijmegen kreeg in 1895 van de gemeente Groesbeek toestemming om aan de Kwakkenbergweg een begraafplaats aan te leggen. Begraafplaats Rustoord werd op 26 juli 1897 officieel in gebruik genomen en is vanaf die datum de laatste rustplaats voor veel bekende Nijmegenaren. Door gemeentelijke herindelingen tussen Berg en Dal, Groesbeek en Nijmegen werd op 1 januari 1915 het grootste deel van de Kwakkenberg, waaronder de begraafplaats Rustoord, bij Nijmegen gevoegd. Vanaf die datum ligt Begraafplaats Rustoord aan de Postweg in Nijmegen-Oost.

In de Tweede Wereldoorlog werden op Heldenfriedhof Rustoord zo’n tweehonderd Duitse militairen en Nederlandse collaborateurs begraven. Bij dat eerste groepje hoorde ongeveer twintig Duitse militairen die om het leven kwamen bij het ‘vergissingsbombardement’ op Nijmegen op 22 februari 1944. Bij dat laatste groepje hoorde de Nijmeegse politiecommissaris Anton van Dijk (1905-1943), als overtuigd SS’er de hoofdverantwoordelijke was voor de arrestatie van vijfhonderd Joden en voor het verzet zo’n groot gevaar was geworden dat hij op 31 augustus 1943 werd geliquideerd. Een half jaartje eerder, op 14 maart 1943 werd op het Heldenfriedhof een Heldengedenktag gehouden. (meer…)

009 – TOLKAMER 2


.
Zicht op Tolkamer vanaf het Bijlandsch Kanaal / de Rijn, december 2007, © Frans van den Muijsenberg.

BOB DE LEEUW

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Nicolaas Rudolf de Leeuw, geb. 21-1-’05, wonende Kievietslaan 3, Eindhoven. In Brussel gepakt op weg naar Engeland. 5-10-’43 naar Duitschland na proces voor het Landesgericht in Utrecht 7-5-’45. Laatste verblijfplaats: Melk in Oostenrijk.’
 

Nicolaas Rudolphe de Leeuw (Amsterdam, 21 januari 1905 – Natzweiler, 23 maart 1945) woonde bij het uitbreken van de oorlog in Eindhoven (Kievitlaan 3), waar hij afdelingschef was op de Hollandsche Afdeling van Philips. Tijdens de Duitse bezetting was Bob hij actief in het verzet, onder voor de Groep Mellema. Deze verzetsgroep staat onder leiding van mr. dr. Cornelis Mellema (Groede, 9 september 1895 – Siegburg, 10 mei 1945), die bij Philips werkzaam was als octrooi-technicus voor Philips. De groep verzamelde inlichtingen die naar Engeland moesten worden gestuurd. In de zomer van 1942 werkte hij voor dat inlichtingenwerk aan een geheime zender. De nog niet voltooide zender bracht hij naar de woning van zijn ouders in Wassenaar, maar de Duitse Sicherheitsdienst is dan door een verrader al op de hoogte gebracht van zijn activiteiten. (meer…)

011 – HATERTSE EN OVERASSELTSE VENNEN

008 – TOLKAMER 1

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 48

HENDRIK VENNIK

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 49 van 22 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Hendrik Vennik, geb. 24-9-’93, op 5 Sept. vervoerd uit Vught naar Duitsland.’

Hendrik Vennik (Meppel, 24 september 1893 – Ravensbrück, 5 april 1945) was de zoon van de Meppelse sigarenmaker Stellink Vennik en zijn echtgenote Wijbigje Remerie. Op 23 juni 1946 werd hij in zijn woonplaats Woerden gearresteerd vanwege verzetsactiviteiten, na door iemand te zijn verraden. Bij zijn arrestatie wordt genoteerd dat hij woonachtig was op het adres Nieuwendijk 16, dat hij gehuwd was met Gerrigje van Dijk (1897-1970) en dat zijn beroep is ‘ass. dir. bel. inv. en acc.’, wat zich het best laat vertalen als ‘assistent-directeur bij de Belastingdienst, afd. Invoerrechten en Accijnzen’. Het echtpaar, dat 21 september 1922 was getrouwde, had één dochtertje, Frieda Vennik. Elders wordt echter aangegeven dat hij op 30 juni 1944 in Rotterdam is gearresteerd. Wellicht is hij na een week gevangen te hebben gezeten in het politiebureau in zijn woonplaats voor verder verhoor overgebracht naar het Huis van Bewaring Noordsingel in Rotterdam. Over de aard van zijn verzetswerk is verder niets te achterhalen. (meer…)

010 – HATERTSE EN OVERASSELTSE VENNEN

TOLKAMER

Tolkamer ligt een kilometer verwijderd van Lobith en is vanuit Duitsland gezien de eerste aanlegplaats aan het Bijlandsch Kanaal, de ongeveer drie kilometer lange waterweg tussen Tolkamer en Millingen aan de Rijn. Het kanaal begint op het punt waar de Oude Waal zich van de hoofdstroom splitst, maar sommige kaarten laten het ten onrechte beginnen op het punt waar de Rijn ons land binnenkomt. Het grootste deel van het Bijlandsch Kanaal is de grens tussen Nederland en Duitsland. Die grens eindigt vlak voor Millingen aan de Rijn. Het laatste stukje, tot de splitsing in Waal en Pannerdensch Kanaal, is het kanaal geheel Nederlands gebied. Het kanaal werd gegraven tussen 1773 en 1776 dwars door de Bijlandsche Waard, dat nu vooral een belangrijk watersportrecreatiegebied is, met waarschijnlijk op de bodem van de Bijland een oud Romeins fort (castellum). Het kanaal diende om een scherpe meander in de toenmalige Boven-Waal af te snijden. Die meander was al door de Waaldijk gebroken en dreigde nu ook door de dijk van de Oude Rijn te breken. Dat zou betekenen dat  veel water van de Boven-Waal terecht zou komen in de Nederrijn, Lek en IJssel, een hoeveelheid die de dijken van die rivieren niet aankonden. Ten behoeve van de scheepvaart en de veiligheid van het gebied was daarom tussen 1701 en 1709 al het Pannerdensch Kanaal gegraven. Het gebied had in de loop der tijd behoorlijk wat ervaringen opgedaan met overstromingen, vaak met rampzalige gevolgen. (meer…)

CEES COLIJN

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 48 van 15 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Hiermede een vriendelijk verzoek aan ieder, die inlichtingen kan geven over mijn man, CORNELIS COLIJN, geb. 12-4-1905 te Voorhout. Hij is eerst in Dachau geweest. Daarna heb ik een niet-officieel bericht ontvangen, dat hij tijdens een bombardement, 4 October 1944 te Heil(s)ingen, overleden is in een kamp. Inlichtingen onder nr. 17 van ons blad.’

Cornelis Colijn (Voorhout, 12 april 1905 – Hersbruck, 4 oktober 1944) was de zoon van een bloemenbollenkweker uit Voorhout, gelegen in de Bollenstreek, ten noorden van Leiden. In 1924 woonden de Colijns in Bergen onder de rook van Alkmaar en werd Cees Colijn ingeschreven in de militieregisters met de toevoeging dat hij bestemd was om de opleiding tot onderofficier te gaan volgen. Op 30 september 1925 ging hij met groot verlof, een dag later volgde de benoeming tot sergeant. Volgens de militie-inschrijving ging hij op 25 augustus 1928 voor een tweede maal en op 28 februari voor de derde maal met groot verlof. Op 5 september 1935 trouwde hij op 26-jarige leeftijd in Alkmaar met de even oude Antje Teitsma, de dochter van een politieagent in Alkmaar. Op moment van trouwen waren de ouders van Cees Colijn al woonachtig in Anna Paulowna en was Colijn inwonende in Heiloo, iets ten zuiden van Alkmaar, waarschijnlijk werkzaam in een tuindersbedrijf. Het huwelijk zou kinderloos blijven. Het echtpaar vestigde zich aan de Zandvaart 24 in het Noord-Hollandse Breezand, gemeente Anna Paulowna. (meer…)

LODEWIJK PIETER KRIJGER

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 49 van 22 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Ir. L. P. Krijger. 20 Aug. 1944 door Landwacht in Obdam b, Alkmaar gearresteerd. Zou begin Sept. ’44 nog in kamp Amersfoort gezeten hebben’.

Lodewijk Pieter Krijger (Rotterdam, 5 mei 1897 – Neuengamme, 28 november 1944) was een ingenieur die op 1 november 1921 in Rijswijk was getrouwd met Eva van den Broek (Hellevoetsluis, 22 november 1896). Het echtpaar woonde bij het begin van de oorlog in Santpoort. Op 4 mei 1942 werd hij op zijn werk op last van de bezetter door twee Nederlandse rechercheurs opgehaald, zonder verder mededeling te doen. Men was zeer vriendelijk, want Krijger kreeg eerst gelegenheid afscheid te nemen van zijn echtgenote, kreeg op het politiebureau in Velsen een warme maaltijd en mocht voor een tweede keer even langs huis voordat hij werd overgebracht naar het politiebureau in Alkmaar. ‘De belangstelling op de Kanaalkade deed mij daarbij veel goed. In Alkmaar werd ik door veel lotgenoten uit de stad en omgeving begroet’. Daarna ging het gezelschap onder grote publieke belangstelling verder, met onbekende bestemming. In de periode 4 mei 1942 tot 8 april 1943 was hij als een van de honderden gijzelaar geïnterneerd in het gijzelaarskamp Beekvliet in St. Michielsgestel. Dat kamp was die dag geopend, gevestigd in het kleinseminarie Beekvliet. De eerste bewoners waren 460 Todeskandidaten, vooraanstaande Nederlanders die eerder die dag waren opgepakt: politici, burgemeesters, hoogleraren, geestelijken, advocaten, schrijvers en musici. De nazi’s dachten met deze mensen als onderpand het verzet konden beteugelen. Het kampregime was erg licht, want de Duitse en Nederlandse bewakers hadden de opdracht om de gijzelaars met rust te laten zolang ze zich maar niet misdroegen. De gevangenen hoefden ook geen arbeid te verrichten en mochten zich binnen het kamp vrij bewegen. Lodewijk Krijger schreef over zijn verblijf in het gijzelaarskamp Beekvliet een dagboek, dat later in het bezit werd gesteld aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. (meer…)

009 – HATERTSE EN OVERASSELTSE VENNEN

ven2

.
Hatertse en Overasseltse Vennen, een uitgebreid vennen-, bos- en heidegebied ten zuidwesten van Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

007 – LOBITH ELTENSEWEG 1

JEHUDA CHAIM DE LIVER

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen
In De Zwerver nummer 47 van 3 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Jehuda Chajim (Janus) 3 jaar oud. Bijzonderheden: 3e en 4e teen aan elkaar gegroeid’.

Jehuda Chaim de Liver was het zoontje van Joseph (Jos) de Liver (Maastricht, 23 oktober 1906 – Auschwitz, mei 1945) en Sophia (Fia) de Liver (Amsterdam, 9 maart 1906 – Palermo, 23 december 1978), volle neef en nicht van elkaar.  Vanaf 1931 woonde het echtpaar aan de Stadionkade 154-III. Jos de Liver was een scheikundige die als leraar verbonden was aan de Joodse HBS in Amsterdam. Vanwege zijn geringe gestalte werd hij door de leerlingen altijd plagend ‘Plukkie’ genoemd, die bij iedereen een geliefd en gerespecteerd leraar was. Vanaf september 1941 mocht hij zijn beroep niet meer uitoefenen en ging hij op het adres Olympiaplein 156-2 een cursus voor analisten verzorgen. Jos en Fia kregen op 20 november 1936 in Amsterdam een zoontje, Jitschak, dat echter al op 25 juni 1941 vanwege een zwakke gezondheid overleed. Op 30 juni 1942 kreeg het echtpaar De Liver-De Liver een tweede zoontje, dat Jehuda Chaim werd genoemd maar Juneke als koosnaam had. Hij werd geboren in een inktzwarte periode voor de Joodse gemeenschap, waarin de Jodenvervolging steeds heftiger werd. In het Amsterdamse bevolkingsregister werd op 23 februari 1943 bij de namen van beide ouders de aantekening ‘VOW’ geplaatst, ofwel ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’. (meer…)

HATERTSE EN OVERASSELTSE VENNEN

De Hatertse en Overasseltse Vennen is een vennengebied van ca. 520 hectare in de Gelders gemeentes Heumen en Wijchen; het ligt ten zuidwesten van Nijmegen. Het gebied is ooit ontstaan door de Maas en Waal, die inmiddels een behoorlijk eind verder liggen, maar door de rivierklei die beide rivieren indertijd achterlieten heeft het gebied nu ongeveer twintig benoemde vennen en een uitgebreid rivierduin-, heide- en bosgebied. Op de voedingsarme en zure bodems groeien planten zoals veenmossen, kleine en ronde zonnedauw. Staatsbosbeheer maakt gebruik van schapen om de vegetatie kort en open te houden. Er leven wilde dieren zoals reeën, eekhoorns, dassen, konijnen, vossen en de zeldzame knoflookpad. Ook zijn er tientallen soorten broedvogels voor.

Vanaf 2010 werd door de provincie Gelderland, het Waterschap Rivierenland en Staatsbosbeheer de verdroging in het vennengebied aangepakt. In eerste instantie wilde men zeventig ha bos kappen, wat neerkwam op elf procent van alle bos. In de periode juni-december 2013 werden grote stukken bos gekapt en omgezet in heide, werden vier dichtgegroeide vennen uitgebaggerd zodat ze opnieuw voldoende water bevatten en werden enkele stukken landbouwgrond omgevormd in natuurgebied. In 2019 was het Vennenproject afgerond: de waterpeilen waren gestegen, de heide had zich goed hersteld en er werd een ruimtelijk verbonden heidegebied verwezenlijkt. (meer…)

THE WORST CRIME – CAREL AUGUST GUNKEL

In 1859 verscheen bij de Haagse uitgeverij Belinfante een boekwerkje van 108 pagina’s met de titel ‘Regtsgeding tegen C.A. Gunkel, beschuldigd van vergiftiging, voor het Provinciaal Gerechtshof in Zuidholland’, waarbij voor de terechtstelling op de eerste pagina in de Akte van Beschuldiging dat deze betreft: ‘G.A. Gunkel, volgens zijne opgave oud 84 jaren, gepensioneerd luitenant-generaal, geboren en laatst gewoond hebbende te ’s Gravenhage, thans gedetineerd in het huis van arrest aldaar’ en aansluitend verklaart de procureur-generaal dat uit de instructie van de procudure resulteert: ‘dat Louisa Catharina Elisabeth Esbra, wonende te ’s Gravenhage, sedert ongeveer elf jaren in betrekking hebben gestaan tot den beschuldigde, gewoon was iedere week des Dinsdags en des Vrijdags bezoeken van dezen te ontvangen, die echter, wat betreffenden laatstgemelden dag, in het laatste half jaar niet meer zoo geregeld als vroeger plaats hadden, bij gelegenheid van welke bezoeken de beschuldigde haar nu en dan eenige versnapering meebragt, waaronder somtijds een stuk leverworst; dat de beschuldigde op Dinsdag, den 4 Januarij 1859, des namiddags ten half twee ure, haar weder zoodanig stuk worst, ongeveer twee palmen lang, heeft gebragt, bij het overhandigen zeggende: “die moet je nu eens proeven, die heb ik in een net winkeltje gehaald,” doch dat hij, op hare uitnodiging, er niet van wilde medeproeven, voorgevende dit niet te kunnen doen, vermits hij dien morgen Malaga zou hebben gedronken; dat het dadelijk de aandacht der vrouw heeft getrokken, dat deze worst zoo veel dikker was dan de vorige, en dat de oppervlakte van het doorgesneden gedeelte niet glad was, zoo als gewoonlijk bij een afgesneden worst, maar dat het onooglijk en knoesterig was’. (meer…)

006 – LOBITH CARVIUM NOVUM 6

.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.