ANTOON TELLEGEN (72)

Antonius Otto Hermannus Tellegen (Zwolle, 25 mei 1907 – Overveen, 23 oktober 1943) was een Nederlandse arts die in zijn geboorteplaats Zwolle de middelbare school afmaakte en daarna in Leiden medicijnen ging studeren. Gij gold als een vooruitstrevend arts. Hij was bijvoorbeeld een van de oprichters van de bloedtransfusiedienst en ontwierp met enkele andere deskundigen een unieke operatie-auto. Die was precies bij het uitbreken van de oorlog gereed, maar de militaire geneeskundige dienst durfde de auto niet gelijk in gebruik te nemen, zodat de puntgave auto direct na de capitulatie door de Duitsers kon worden gebruikt. Hij was op 31 juli 1935 in Oosterbeek getrouwd met Henriette Catherine Westerouen van Meeteren. Het echtpaar zou vijf kinderen krijgen. In 1938 meldde Tellegen zich aan bij het leger toen hem ter ore was gekomen dat er een tekort aan militaire artsen was. Op 25 juli 1938 werd hij benoemd tot officier der tweede klasse. Op jongere leeftijd had hij een opleiding gehad tot reserveofficier bij de Bereden Artillerie en toen de rang van reserve eerste luitenant gekregen.

In die meidagen van 1940 werd hij overgeplaatst naar het hoofdkantoor van het Rode Kruis in Den Haag. Als eerste luitenant gaf Tellegen in de vroege ochtend van 10 mei 1940, vóór de officiële orders waren gegeven, de ziekenhuizen in Den Haag opdracht om alle observatiepatiënten en lopende patiënten naar huis te sturen. Een verstandig besluit, want vlak daarna moesten na de gevechten met Duitse parachutisten die boven de vliegvelden Valkenburg, Ockenburgh en Ypenburg waren gelanden veel gewonden in de Haagse ziekenhuizen worden opgenomen. Hij raakte zwaar gewond toen Duitse jachtbommenwerpers duikvluchten op de stad uitvoerden, juist op het moment dat hij op zijn motor door de stad reed in een poging Wassenaar te bereiken. Door Duitse parachutisten die zich hadden verschanst in het Haagse bos werd hij op het kruispunt Alkemadelaan-Wassenaars weg beschoten en getroffen. Pas op 4 oktober 1940 werd hij uit het ziekenhuis ontslagen en werkte hij korte tijd bij de Geneeskundige en Gezondheidsdienst in Amsterdam. (meer…)

FRIEDRICH RECK-MALLECZEWEN

Friedrich Percyval Reck-Malleczewen (Malleczewo, 11 augustus 1884 – Dachau, 16 februar1 1945) werd geboren op het landgoed Malleczewen in het toenmalige Pruisische plaatsje Malleczewen (tegenwoordig Pools en Maleczewo geheten) als de zoon van Hermann Reck (1847-1931), een grootgrondbezitter die bij de verkiezingen voor de Reichstag in 1912 namens het district Gumbinnen 6 voor de Deutschkonservative Partei in het parlement werd gekozen en tot het eind van de Eerste Wereldoorlog in november 1918 hierin zitting zou hebben. Deze partij, die in juni 1876 werd opgericht, behartigde de belangen van de adel, grootgrondbezitters, traditiegetrouwe protestanten en aanhangers van Otto von Bismarck en keizerlijke familie. Ze waren sterk gekant tegen elke vorm van centraal gezag en nog meer tegen sociaal-democratie. Friedrich wilde aanvankelijk musicus worden, maar begon uiteindelijk toch aan een studie medicijnen aan de universiteit van Innsbruck. Hij was een tijdje officier in het Pruisische leger, maar moest vanwege zijn diabetes ontslag uit het leger nemen. In 1908 trouwde hij met Anna Louise Büttner, met wie hij vier dochters en een zoon kreeg. De zoon zou gedurende de Tweede Wereldoorlog als dienstplichtig soldaat vermist raken. In 1930 scheidde het echtpaar na al jarenlang gescheiden van elkaar te hebben geleefd. In 1935 zou hij voor de tweede maal trouwen, met Irmgard von Borcke, waarmee hij opnieuw drie dochters kreeg. Na zijn afstuderen in 1911 was hij een jaar lang scheeparts op een Amerikaans schip. Daarna vestigde hij zich in Stuttgart, waar hij voor de Süddeutsche Zeitung journalist en theatercriticus werd. Vlak voor aanvang van de Eerste Wereldoorlog verhuisde hij naar een klein landgoed bij Pasing, dat toen nog een zelfstandige gemeente was maar sinds 1938 een buitenwijk van München is. (meer…)

LUANDA (1641-1648) – 005

Queen Nzinga 1657Op 11 februari 1575 landde de Portugese ontdekkingsreiziger Paulo Dias de Novais (c. 1510 – 9 mei 1589) op de kuststrook van het huidige Angola. Hij werd gevolgd door een paar honderd mensen die zich als kolonist in het gebied wilden vestigen en ongeveer vierhonderd soldaten. Hij was de kleinzoon van de beroemde zeevaarder en ontdekkingsreiziger Bartolomeu Dias (ca. 1450 – op zee nabij Kaap de Goede Hoop, 29 mei 1500), die in 1488 als eerste Europeaan Kaap de Goede Hoop rondde en daarmee het voorbereidende werk deed voor de eerste tocht door Vasco da Gama naar India. Paulo Dias de Novais stichtte aan de kust het stadje São Paulo de Luanda, beschut gelegen achter het eiland Luanda. De stad zou al snel slechts als Luanda bekend staan. Het is momenteel de grootste stad en hoofdstad van Angola. Paulo Dias de Novais was er op zoek naar de mysterieuze zilvermijnen van Cambambe. Dat verder landinwaarts gelegen gebied zou pas in 1604 door de Portugezen worden bereikt en gekoloniseerd. Vanaf 1575 tot 1850 was Luanda het Portugese centrum voor de slavenhandel naar Brazilië. In 1618 bouwde de Portugezen bij het stadje de vesting Fortaleza Sao Pedro da Barra; in 1634 werd een tweede vesting voltooid: Fortaleza de Sao Miguel. Vanaf 1627 was Luanda het bestuurlijke centrum van Angola, met uitzondering van 1641 tot 1648 toen de West-Indische Compagnie er de baas was. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 39

3 - Ethiopië2 - Ethiopië1 - Ethiopië
Ethiopië, omstreeks 1890

DE EXPEDITIE NAAR LUANDA EN SAO TOMÉ (2) – 004

De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641

De overtocht begon al niet echt voorspoedig. Een eerste vereiste om op de juiste manier Angola te bezeilen was om eerst voldoende naar hert zuiden te gaan en daarna gebruik te kunnen maken van de juiste wind om goed uit te komen. De om de Noord gaande stroom langs de kust van Brazilië was sterker dan gebruikelijk, zodat maar matige voortgang werd bereikt. Op 4 juni was nog maar drie mijl naar het zuiden gevorderd. Bovendien moest Jol rekening houden met twee langzame boten in zijn vloot, de Eendracht en de Coninck David. Pas op 14 juni werd op 18° zuiderbreedte de Abrolhos Archipel gepasseerd, vijf onbewoonde eilandjes aan de kust van de staat Bahia in het zuidoosten van Brazilië, berucht vanwege haar vervaarlijke koraalriffen in ondiep water, scherpe rotsen of zandbanken. Vanaf dit punt werd gebruikelijk de koers naar het oosten ingezet.

Met de nieuwe koers werd eerst flinke vooruitgang geboekt, maar vanaf 23 juni ging de wind draaien. De vloot kreeg te maken met plotseling wisselende winden, met flinke wervelbuien en regenvlagen. De zeilschepen konden moeilijk allemaal dezelfde koers aanhouden, zodat Cornelis Jol moeite had ervoor te zorgen dat geen enkele boot van zijn vlag afdwaalde. Op 1 juli was de vloot afgedwaald naar de 27e breedtegraad, te ver naar het zuiden om gebruik te kunnen maken van de gunstige wind. De vloot kwam terecht in een gebied met rustige en verraderlijke wind. Jol riep de Breeden Raad bijeen om de toestand te bespreken. Er was voorzien in een reis van vier weken, maar die waren nu verstreken met weinig progressie en veel onzekerheid hoelang de reis nog zou duren. De watervoorraden waren flink geslonken. Enkele schepen hadden maar voor twintig dagen aan drinkwater ter beschikking ‘twelck op soo lange voyage als voor handen was niet en mach strecken indien Godt de Heere ons niet merckelijck en segent ende een goede wint verleent’. Er werd besloten daarom het waterrantsoen terug te brengen van acht naar vijf mutskens (een mutske is ongeveer 40 cl.) per hoofd en per dag, maar tegelijkertijd per week iedereen twee mutskens brandewijn extra te geven. (meer…)

DE EXPEDITIE NAAR LUANDA EN SAO TOMÉ (1) – 003

De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641

De West-Indische Gids, een uitgave van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde dat in de periode 1919-1959 verscheen, publiceerde in de nummers 1 en 2 van de jaargang 1942 twee artikelen van de historica Mej. J.B. van Overeem, geboren in Batavia in 1912, over het optreden van admiraal Cornelis Corneliszoon Jol in de Caraïbische zee. Midden in de oorlog artikelen over een Nederlandse zeeheld, met veel verwijzingen naar nog beroemdere Nederlandse zeehelden die de toenmalige wereldoverheerser Spanje met succes bestreden. Het kan worden gezien als een daad van wetenschappelijk-historisch verzet. Van Overeem zou later directrice worden van het Maritiem Museum Prins Hendrik in Rotterdam. Op 2 februari 1974 werd door haar en prinses Beatrix een buste van prins Hendrik van Oranje-Nassau (1820-1879) onthuld (zie foto hieronder). Inmiddels Prins Hendrik verdwenen uit de naam van het museum, de buste van wel ergens in het archief staan. Van Overeem heeft een groot aantal publicaties over de vaderlandse maritieme geschiedenis op haar naam staan. De sloot de artikelen af met de opmerking: ‘In 1641 hebben de Heeren XIX hem naar de kust van Guinee laten gaan, om, voordat vrede met Portugal werd gesloten, het slavendepöt Angola te bemachtigen. Hij heeft zijn opdracht volvoerd, doch ten koste van zijn leven. In hem verloren de Bewindhebbers een trouw en moedig scheepskapitein, die alom in de West-Indiën schrik had verspreid en menige Spaansche prijs had opgebracht.’ (meer…)

CORNELIS CORNELISZOON JOL (1597-1641) – 002

Cornelis Corneliszoon Jol (Scheveningen, 1597 – São Tomé, 31 oktober 1641) werd geboren in een Scheveningse schippersfamilie, maar woonde later in Amsterdam. Hij was getrouwd met Aeltje Jans, met wie hij drie kinderen had, een dochter en twee zoons. Beide zoons werden schipper bij de VOC. Zijn jongste zoon Cornelis was tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog (1652-1654) ook kapitein van het schip De Leyden en vocht toen dus ook, net als zijn vader in 1639, onder aanvoering van Maarten Tromp. In 1626 werd Cornelis Jol sr. in dienst genomen door de West-Indische Compagnie (WIC). Namens de WIC stak hij negen keer de Atlantische Oceaan over om de Spanjaarden en Portugezen langs de Braziliaanse kust en in de Caraïben te bestrijden. Jol was illustratief voor de soort admiraals die de compagnie in dienst had. In de Republiek der Zeven Provinciën was Jol een volksheld vanwege zijn grote moed, groot vakmanschap als navigator en zijn grote successen in de strijd met Spaanse en Portugese zeevaarders. Daarnaast had hij ook de reputatie zeer menswaardig om te gaan met krijgsgevangenen, want in tegenstelling tot enkele collega’s en zeker tot veel piraten en boekaniers werden bij Jol de bemanningen van veroverde schepen niet achteloos overboord gegooid. Jol voer met kaperbrieven, wat betekende dat hij als een kaper-kapitein van een particulier schip van de WIC toestemming had om schepen van vijandige landen aan te vallen en hun lading in beslag te nemen. De kaapvaart was dus een vorm van toegestane zeeroverij in oorlogstijd. Het merendeel van de buit moest worden afgestaan aan het land dat de kaperbrief had gegeven, maar er bleef ruim voldoende over om het een aantrekkelijke business te maken. Via de kaperbrief was de kapitein en zijn bemanning bovendien vrijgesteld van vervolging vanwege piraterij. Dit gold uiteraard niet in de vijandige landen en landen die daarmee bevriend waren. Daar volgde na arrestatie bijna zonder uitzondering een veroordeling tot de doodstraf wegens piraterij. (meer…)

GORÉE (1617-1677) – 001

Goree met Nassau 1628 en Orange 1639Gorée is een eiland op drie kilometer van Dakar, voor de kust van Senegal. Over de oorsprong van de Franse benaming Gorée bestaan twee versies. Volgens de ene versie is het eden Franstalige verbastering van de eerdere Nederlandse naam Goeree, een verwijzing naar het voormalige Zuid-Hollandse voormalig eiland Goeree. In de tweede versie is het afgeleid van het ook Nederlandse ‘Goe Ree’ ofwel Goede Rede, wat de betekenis van ‘Goede Haven’ Heeft. De oorsprong van de naam verwijst dus naar het kortstondige Nederlandse verblijf. Het eilandje, dat oorspronkelijk Barsaguiche heette en maar 900 meter bij 300 meter groot was, werd in 1444 door de Portugese kapitein Dinis Dias ontdekt. Deze Diaz maakte in dienst van Hendrik de Zeevaarder minimaal twee reizen naar de Afrikaanse kust. In 1442 bereikte hij Kaap Blanc in het huidige Mauritanië. In 1444 verkende hij de westelijkste punt van Afrika (het huidige Guinea en Senegal) en ontdekte de Kaapverdische Eilanden en het eilandje Barsaguiche, dat hij de naam Ilha de Palma gaf. Dinis Dias was de eerste Portugese ontdekkingsreiziger die de opdracht kreeg om gericht op slavenvangst te gaan om daarmede de hoge kosten van de Portugese ontdekkingsreizen ge compenseren. Opdrachtgever Hendrik de Zeevaarder (1394-1460), de derde zoon van de Portugese koning, was overigens zelf alles behalve een groot reiziger, maar vooral de grote initiator en financier van veel reizen. Hij gaf de aanzet voor het Portugese wereldrijk én de Europese bemoeienis met de slavenhandel. In 1536 werd door de Portugezen op Ilha de Palma een slavernijhuis opgericht. (meer…)

LEENDERT VALSTAR (71)

Leendert Marinus Valstar (Naaldwijk, 10 augustus 1908 – Vught, 4 september 1944) was een tuinder uit Naaldwijk, in het centrum van de tuinbouwstreek Het Westland. In 1931 trouwde hij met Neeltje Dekker (’s-Gravenzande, 1904), met wie hij een kind kreeg. Hij was de zoon van Fulps Vincentinus Valstar (1879-1944), die in Naaldwijk een eigen tuinbouwbedrijf had en dit ook aanhield ondanks zijn drukke bestuurlijke werkzaamheden, zoals lid van de Raad van Toezicht van de Coöperatieve Boerenleenbank De Voorschotbank Naaldwijk (1909 – 1927), bestuurslid van de Veiling Naaldwijk (1910-1912), secretaris en penningmeester van de Bond Westland (1911-1917), medeoprichter en voorzitter van het Centraal Bureau van de Nederlandse Tuinbouwveilingen (1917-1944), Regeringscommissaris voor Groenten-, Fruit- en Sierteelt voor de uitvoering van de Landbouwcrisismaatregelen op het terrein van de tuinbouw en Voorzitter van het bestuur van het Hoofdbedrijfschap voor Tuinbouwproducten, onder Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd (1933-1944)

Na de crisis in de dertiger jaren kwam de Westlandse tuinbouw er weer langzaam bovenop, maar de belangrijke export naar Duitsland stortte geheel in toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Toen in mei 1940 de Duitsers ook ons land binnenvielen werd het ergste gevreesd, maar in de twee eerste bezettingsjaren ging het onverwachts goed met de tuinbouw. Pas in de tweede helft van 1942 begon de situatie te verslechteren. Na de problemen met de voedselvoorziening gedurende de Eerste Wereldoorlog en crisisjaren was in 1937 het Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd opgericht, waarbij het vrijemarktprincipe werd losgelaten en overheidsingrijpen de norm werd. Na de Duitse inval werd door de bezetter al op 17 mei besloten dat doorgedraaide (onverkoopbare) producten niet meer mochten worden vernietigd, maar moesten worden geëxporteerd naar Duitsland. Al de volgende dag werden de eerste wagonladingen groenten tegen een vooraf bepaalde vaste prijs naar Duitsland verzonden. Niet lang na de invoering van deze maatregel bepaalden de Duitsers ook dat 50% van de op de veiling aangevoerde producten direct tegen maximumprijzen aan Duitsland verkocht moesten worden. In 1941 werd dit zelfs verhoogd tot 80%. (meer…)

SAMUEL ESMEIJER (70)

Samuel Esmeijer (Driebergen, 20 december 1920 – Apeldoorn, 28 november 1944) bracht zijn jeugdjaren door in Driebergen, maar het gezin Esmeijer later naar Rotterdam. Daar volgde Esmeijer de HBS. Hij was lid van de Gereformeerde vereniging Calvijn, een soort van debatingclub voor oudere jongens, en van de padvinderij. Hij groeide op met een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, sportieve bekwaamheid, zwijgzaamheid en hulpvaardigheid. Omdat hij nogal druk was met allerlei activiteiten binnen de jongerenverenigingen, vlotte de studie aan de HBS niet erg. Toen de oorlog eenmaal was uitgebroken en Rotterdam zwaar was getroffen door het bombardement was hij meer betrokken bij hert geven van hulp aan de slachtoffers van dat bombardement dan bezig met studeren. Op 13 augustus 1942 trad hij af als secretaris van Calvijn, rondde alsnog zijn studie aan de HBS af en trad vrijwillig in dienst bij de politie in Driebergen. Zijn tante Teet had hiervoor bemiddeld bij haar kennis, de chef van het plaatselijke politiekorps. Hij vond onderdak bij zijn tante, die een bejaardenhuis beheerd, ging aan de slag als klerk en volgde in zijn vrije tijd een opleiding tot politie-inspecteur. In de herfst van 1942 oefende Esmeijer met een pistool in de bossen van Driebergen, hoewel hij op dat moment geen uniform droeg en wapen mocht hebben. Hij was toen al begonnen aan zijn ondergrondse ‘carrière’ door Joodse gezinnen te waarschuwen voor een op handen zijnde deportatie en raakte hij betrokken bij de hulp aan onderduikers. Hij waarschuwde ook het verzet een paar keer voor een aanstaande acte van de politie. Het was de korpsleiding wel duidelijk dat ergens binnen het korps een lek moest zitten. Voor Esmeijer was het even duidelijk dat hij er goed aan deed te verkassen. Bovendien wist hij dat hij op de nominatie stond naar Schalkhaar te worden gestuurd, waar zich een opleidingsinstituut bevond waar politieagenten werden geschoold in de nationalistische leer. Hij verzette zich hiertegen, war uiteindelijk leidde tot oneervol ontslag. (meer…)

CHARLES VAN DER SLUIS

Na het bombardement op Rotterdam in de meidagen 1940 duurde het even voor de bewoners van de stad weer waren opgekrabbeld. In vooral Den Haag ontstond direct verzet tegen de bezetter, maar in Rotterdam waren op dat moment eerst allerlei hulporganisaties actief. In eerste instantie was iedereen hier vooral bezig met zelfbehoud. ‘Eerst weer een dak boven het hoofd en weer werk hebben’, leek stilzwijgend het motto ge zijn. Voor verzet was helemaal geen tijd. Dat gild ook voor de meeste studenten die zoveel mogelijk probeerden door te gaan met hun leventje, hun studie en simpelweg de oorlog zo veel mogelijk buiten de deur te houden. Terwijl Rotterdam voor een belangrijk deel in puin lag, wilden zij vooral studeren, feesten, ontgroenen en kroegtochten houden. Dat conformisme gold ook de hoger onderwijsinstellingen zelf die gewoon wilde doorgaan met onderwijs en het weer opbouwen van de stad. De Nederlandsche Economische Hoogeschool in Rotterdam, de voorloper van de Erasmus Universiteit, telde toen ongeveer achthonderd studeten en was nog behoorlijk klein en jong. Bij de hogeschool waren ook veel bedrijven betrokken en een niet onaanzienlijk aantal daarvan werkte samen met de Duitsers. Voor hen was het ‘business as usual’, maar met andere machthebbers. Het Rotterdamse bedrijfsleven collaboreerden op grote schaal. Op een gegeven moment raakten steeds meer studenten bij het verzet betrokken, waardoor ze uiteindelijk in het Rotterdamse verzet goed vertegenwoordigd waren. Dat is voor een deel toe te wijzen aan het gegeven dat ze geen gezin en/of baan hadden en dus minder verantwoordelijkheden waarmee ze rekening moesten houden. (meer…)

RIEN VAN DER STOEP (69)

Rien van der Stoep (Beesd, 27 september 1917 – Rotterdam, 6 april 1945) was in Rotterdam een vooraanstaand persoon in de illegaliteit. Hij was er leider van zijn eigen onafhankelijke knokploeg, van de Landelijke Knokploegen Rotterdam (LKP-Rotterdam) en was districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Van der Stoep, die werkzaam was als assistent-bedrijfsleider in de Jaminfabriek aan de Hugo de Grootstraat, woonde in Rotterdam op kamers. Hij startte in het verzet door de illegale krant Ons Volk te verspreiden. Bij dat blad had Gustaaf Gelder een belangrijke rol. Af en toe stelde hij voor de verspreiding een auto van Jamin beschikbaar. Het blad verscheen voor de eerste maal op 7 oktober 1943 en werd voor de laatste keer op 7 juli 1945 uitgegeven. Tot september 1944 verscheen het blad maandelijks, daarna twee keer per maand. De inhoud bestond vooral uit opinieartikelen en binnenlandse berichten. De oplage varieerde in de ongekend hoge oplage van 55.00 tot 120.000 exemplaren, wat de nodige organisatorische problemen bij de verspreiding met zich meebracht. Op 21 januari 1944 viel de Sicherheitspolizei bij de groep binnen, wat de arrestaties van veel kopstukken betekende. Van Gelder pleegde bij de inval zelfmoord. Het merendeel van de kopstukken van Ons Volk zou de oorlog niet overleven. Anderen namen de verspreiding echter over. (meer…)

TREBLINKA 1943

Michal Wojcik is een Poolse historicus en journalist, die voor radio, televisie en tijdschriften werkt. Hij publiceerde vorig jaar in Polen het boek Treblinka’43, dat er een grote bestseller werd en de Newsweek Award kreeg voor het beste boek van het jaar. Nu moet gezegd worden dat de opstand in augustus 1943 binnen het vernietigingskamp Treblinka in Polen een enorme rol in de discussie speelt over de rol van het Poolse verzet en de mogelijkheden voor de Joodse Polen om in opstand te komen tegen de Duitse vernietigingsmachine. Daarover hieronder meer. In Nederland is Treblinka altijd een onbekend kamp gebleven, want geen van de 102 treinen die tussen woensdag 15 juli 1942 en woensdag 13 september 1944 uit Westerbork, Vught, Apeldoorn of Amsterdam vertrokken, ging naar Treblinka. Waarschijnlijk is geen enkele Nederlander in dit kamp om het leven gebracht.

In de zomer van 1941 werd vlak bij het dorp Treblinka in het noordoosten van Polen, op iets meer dan honderd kilometer van de hoofdstad Warschau, het Straf-Arbeitslager Treblinka 1 gebouwd. Dit werkkamp had een ‘gemengde’ bezetting van Polen en Joden, die gedwongen werden te werken in de steengroeve vlak bij het kamp of op het station van Małkinia, een dorpje aan de spoorlijn Warschau-Bialystok. Daarnaast waren een paar gevangenen (de zogenaamde Lagerkommandos) die in het kamp zelfs moesten werken en was er een kampboerderij waar een klein aantal vrouwen tewerkgesteld waren gesteld. Er konden in totaal 1.000-1.200 personen tegelijkertijd gevangen worden gehouden, maar de bezetting wisselde snel omdat het sterftecijfer hoog was. In totaal hebben hier ruim 20.000 personen gezeten, waarvan meer dan de helft is overleden ten gevolge van honger, marteling of executies vanwege een overtreding van de kampregels.

(meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 042


.
Frans van den Muijsenberg, 21 augustus 2021, begraafplaats Tyne Cot, Zonnebeke, België.

BOB OOSTHOEK (68)

Bob Oosthoek (Rotterdam, 25 juni 1912 – Hengelo, 12 oktober 1944) was een Nederlandse toneelspeler, regisseur en verzetsstrijder. In Rotterdam ging hij naar het Erasmiaans Gymnasium, het stedelijk gymnasium dat al lang bestond voor de naamgever Desiderius Erasmus (1467–1536) verscheen. De school werd al omstreeks 1300 en daarmee ‘het Erasmiaans’ een van de oudste scholen voor voortgezet onderwijs en het op drie na oudste gymnasium van Nederland. Omdat op het gymnasium bleek dat hij aanleg voor toneelspel had besloot hij in 1931 naar de Toneelschool in Amsterdam te gaan. In 1934 deed hij hier eindexamen. Hij werd daarna direct in dienst genomen door Cor van der Lugt Melsert, die de leiding had van het Vereenigd Rotterdamsch-Hofstad Tooneel. Dat toneelgezelschap werd in 1923 opgericht als fusie van de toneelgroepen het Rotterdamsch Tooneel en het Hofstad Tooneel, die beiden al onder directie van Cor van der Lugt Melsert stonden. Het nieuwe gezelschap kende een keur aan gerenommeerde toneelspelers/speelsters (onder meer Fie Carelsen, Mary Dresselhuys, Annie van Ees, Theo Frenkel jr., Leo de Hartogh, Adriaan van Hees, Fien de la Mar, Nap de la Mar, Else Mauhs, Enny Meunier, Bob Oosthoek, Alexander Pola, Bets Ranucci-Beckman en Jacques Snoek.

Het gezelschap kwam al snel in de problemen met het stadsbestuur van Rotterdam over de toegezegde financiële ondersteuning. Het gezelschap week daarna al in 1925 uit naar Den Haag, waar een aanzienlijk hogere subsidie werd toegezegd en het gezelschap vaste bespeler mocht worden van de Koninklijke Schouwburg. Daar waren echter wel voorwaarden aan verbonden, die Van der Lugt Melsert accepteerde, maar ook hier tot problemen ging leiden. Het repertoire moest voor minstens de helft bestaan uit artistiek verantwoorde stukken, wat door het college van Burgemeester en Wethouders moest worden, na een advies van de schouwburgcommissie. Ook diende er zoveel mogelijk eerste opvoeringen van Noord-Nederlandse stukken plaatsvinden én er moest één volksvoorstelling per jaar worden gebracht in Rotterdam, Utrecht, Haarlem en Amsterdam. (meer…)

LIMMEN – DE EXECUTIES VAN 7 JANUARI 1945

Op zaterdag 6 januari 1945 werd op de Provincialeweg Alkmaar-Uitgeest, vlakbij de gemeentegrens van Castricum en Limmen, het lijk gevonden van de 54-jarige Duitser Johann Obmann, wachtman van het Marine-Lazarett in Heiloo, een hospitaal voor gewonde mariniers dat was gevestigd in de St. Willibrordus in Heiloo. Dat was voor de oorlog een rooms-katholieke instelling voor verpleging van psychiatrische patiënten. Tijdens de oorlog had de Kriegsmarine langs de Noordzee en Oostzee tachtig ziekenhuizen voor marinepersoneel. In Nederland waren er drie, namelijk in Eindhoven, Bergen op Zoom en Heiloo. De St. Willibrordus was voor de Duitsers gunstig gelegen, dichtbij de havens van IJmuiden en Den Helder. De Duitsers lieten er een zwembad aanleggen, dat na de oorlog nog decennia lang werd gebruikt. De achtergrond van de dood van de Duitser is nooit achterhaald, maar de bezetter vermoedde direct dat het een aanslag van de Nederlandse illegaliteit was. Burgemeester Nieuwenhuijsen van de gemeente Limmen verklaarde dat nog de gemeente of enige ingezetene er iets mee te maken had, maar dat werd door de Duitsers slechts ter kennisgeving aangenomen.

Op zondag 7 januari 1945 arriveerde rond het middaguur op de Provincialeweg een Duitse auto met twee officieren en twee vrachtauto’s, die stopte tussen twee boerderijen. In de eerste vrachtauto zat een executiepeloton van een man of tien. In de tweede vrachtauto zaten tien door de Duitsers ter dood veroordeelde verzetsstrijders, die gevangen zaten in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. Hanns Rauter, hoofd van de Duitse politie en SS in Nederland, had het bevel gegeven dat de tien Nederlandse gijzelaars als vergelding voor de gevonden Duitse soldaat standrechtelijk gefusilleerd, conform het zogenaamde Niederwachungsbefehl. Willy Lages, bevelhebber van de veiligheidsdienst in bezet Nederland, gaf Untersturmführer Adolf Golder opdracht om als commandant van het executiepeloton op te treden. (meer…)

JAN VAN HANXLEDEN HOUWERT (67)

Jan Coenraad Heriold Folmer van Hanxleden Houwert (Medemblik, 8 april 1906) werkte sinds 1938 in het in- en exportbedrijf en groothandel in specerijen en koloniale waren van zijn vader in Amsterdam. Medio mei 1940 kreeg hij de leiding over het bedrijf. Bij een tegenaanval op 12 mei 1940 onderscheidde hij zich als dienstplichtig sergeant van het 29 Regiment Infanterie bij gevechten nabij de Grebbeberg. Bij Koninklijk Besluit nr. 26 kreeg hij op 12 november 1947 postuum het Bronzen Kruis voor zijn dapper optreden als militair. Vanaf 1942 was Houwert actief in het verzet, waarbij hij de schuilnamen Bleumer, Bolland en Jan Houwing gebruikte. In het begin helpt hij alleen binnen de hulpverlening aan Joodse onderduikers, maar later ging hij ook ondergedoken studenten, arbeiders en spoorwegpersoneel ondersteunen. Als medewerker van Henk van der Tweel (Amsterdam, 20 maart 1917 – Amsterdam, 13 mei 1997) van de Persoonsbewijzencentrale (PBC) van Gerrit van der Veen kon hij makkelijk zorgen voor vervalste persoonsbewijzen, geld, distributiebescheiden en onderduikadressen. De cardioloog Van der Tweel was de meestervervalser medewerker van de Persoonsbewijzencentrale.

Vanaf 1942 werkte hij ook voor de Sectie V van het Algemeen Hoofdkwartier van de Ordedienst (AKH-OD), waarvoor hij Duitse verdedigingsobjecten in beeld bracht. Hij werkte hierbij nauw samen met Dirk Kroon. Met de schetsen en foto’s die hij maakte werden op het hoofdkwartier kaarten vervaardigd. Na de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten werkte Houwert mee aan het begeleiden van wapentransporten. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 38

DIRK KROON (66)

Dirk Mara Rijk Hendrik Kroon (Den Haag, 27 mei 1909 – Limmen, 7 augustus 1945) verhuisde samen met zijn ouders in 1937 van zijn geboortestad Den Haag naar Soest. Hij was in mei 1940 dienstplichtig sergeant bij de Genie. Na de capitulatie keerde hij terug naar huis en vestigde zich als zelfstandig werktuigbouwkundige/ elektrotechnicus; hij was als vrijwilliger ook betrokken bij de (bos)brandweer. Vanaf 21 mei 1943 moesten alle jongemannen uit de geboortejaren 1922,1923 en 1924 zich verplicht melden bij de Arbeidsinzet. Burgemeester Loek des Tombe (De Bilt, 19 februari 1907 – Apeldoorn, 12 juni 1987), een CHU’er die vanaf oktober 1934 burgemeester was geweest van de gemeenten Abcoude-Baambrugge en Abcoude-Proostdij en in oktober 1939 tot burgemeester van Soest was benoemd, wist dat dit betekende dat de bezetter het bevolkingsregister zouden controleren en gaf aan brandweercommandant Groart de opdracht het register te verdonkeremanen. Groart gaf Gerbrand Zoetelief, Marinus de Moraaz Imans en Dirk Kroon, drie brandweermannen die hij volledig vertrouwde, de opdracht in het gemeentehuis in te breken en te zorgen dat het bevolkingsregister werd ‘gestolen’. Op 25 mei 1943 ging het drietal tot actie over, maar ze hadden hun taak wat te licht opgevat. Ze veronderstelden dat ze met een bakfiets alle persoonskaarten in één keer konden meenemen, maar ze moesten de route van gemeentehuis naar de woning van Kroon aan De Wieksloot twee keer afleggen. Het archief werd daar in een sloot begraven, waarbij Kroon werd geholpen door ‘Addie en Ellie’, twee onderduikers in zijn woning. Wachtcommandant Voet en agent Entrop van de politie, die op de hoogte was gebracht van de actie, hielden zich op de avond van de inbraak ‘doof en blind. De dag daarop konden inspecteur Voerman en rechercheur Meyer niets opmerkelijks vinden en de Rijksspeurhond Wanda nieste zich suf van de ruimschoots gestrooide peper. De bezetter voelde natuurlijk nattigheid en verhoorde korpschef Bakker, maar hij kwam er vanaf met twee jaar voorwaardelijke celstraf gekregen. Burgemeester des Tombe zou aansluitend weigeren werkkrachten aan te wijzen voor Duitse tewerkstelling. Als gevolg daarvan moest hij in oktober 1944 in de buurt van Soest onder te duiken. Al enkele uren na de bevrijding keerde hij terug in Soest, enthousiast onthaald door de bevolking.

(meer…)

RICHARD SCHOEMAKER (65)

Richard Schoemaker (Roermond, 5 oktober 1886 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) stamde uit een officiersgeslacht. In 1905 begon hij als cadet aan een opleiding tot officier der Genie aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. Aansluitend volgde hij aan de Technische Hogeschool de opleiding tot bouwkundig ingenieur. Hij was toen actief in diverse sporten, maar vooral als schermer zeer bedreven. In 1908 nam hij als schermer op het onderdeel ‘sabel individueel’ deel aan de Olympische Spelen in Londen. Hij overleefde daar de eerste ronde, maar eindigde in de tweede ronde op de derde plaats. Het zouden de enige Spelen voor hem blijven, want hij vertrok in 1912 hij samen met zijn broer Charles naar Nederlands-Indië. In Bandoeng begon hij als 1e luitenant; drie jaar later werd hij bevorderd tot kapitein der genie. In deze functie ontwierp en bouwde hij het Paleis van de Legercommandant. In 1920 aanvaarde hij het hoogleraarschap aan de Technische Hogeschool in Bandoeng, die in 1918 werd opgericht. Hij zou deze functie vier jaar bekleden en was daarnaast actief als architect, vaak samen met zijn broer Charles.

Charles Prosper Wolff Schoemaker (Banyubiru, Semarang, 25 juli 1882 – Bandung, 22 mei 1949) was in Nederlands-Indië geboren als oudste van drie zonen van een Nederlands militair. Een deel van zijn jeugd bracht hij door in Roermond, waar in 1886 zijn jongere broer Richard werd geboren. Ook Charles studeerde aan de KMA, waar hij als ingenieur afstudeerde. Hij was in Nederlands-Indië korte tijd als militair actief bij de Genie van het KNIL, daarna directeur gemeentewerken in Batavia en daarna had hij een eigen architectenbureau te Bandoeng. Hij werd een van de belangrijkste Nederlandse architecten in Nederlands-Indië en verwierf de bijnaam ‘de Frank Lloyd Wright van Indië’ vanwege zijn bouwstijl die elementen van de Amerikaanse architect combineerde met de Indonesische wereld. (meer…)

DE ORDEDIENST 4

In drie eerdere blogs is al ingegaan op de Ordedienst en organisaties die daaraan nauw verwant waren en vaak ook onderling samenwerkte, zoals de groep rondom Joan Schimmelpenninck, de Mekelgroep, de Schoemakergroep. Er was ook nog de Stijkelgroep, die haar naam dankt aan Han Stijkel, een jonge academicus uit Den Haag die door de Duitsers werd beschouwd als de leider van de verzetsgroep. Stijkel streefde ernaar de verschillende verzetsgroepjes die direct na de bezetting actief waren onder één noemer te brengen. Ook wilde hij voorbereidingen treffen om na de verwachte snelle aftocht van de Duitsers de rust en orde te kunnen handhaven. Een streven dat alle genoemde groepen ook hadden. Aanvankelijk bestond de groep slechts uit een verzameling kleine verzetsverbanden uit Den Haag, de Zaanstreek en Amsterdam, met een zeer uiteenlopende signatuur. Er was een actieve groep uit Koog aan de Zaan, die vooral voortkwamen uit de AJC, de socialistische jeugdbeweging. Maar uit Koog aan de Zaan kwam ook Evert Honig, de directeur van de levensmiddelen-fabriek Honig, het echtpaar Edo-Chambon die eigenaar waren van café-restaurant-hotel De Waakzaamheid en de directeur van autobedrijf Zwart. Alle losse groepjes wisselden onder andere spionagemateriaal met elkaar uit omdat ze manieren zochten om informatie naar Engeland te krijgen. Een duidelijke structuur was er nog niet, de ontwikkeling was nog in volle gang toen de groep werd opgerold.

(meer…)

LOU JANSEN (64)

Lou Jansen (Amsterdam, 28 maart 1900 – Scheveningen, 9 oktober 1943) was een Nederlandse communist en verzetsman. Tot 1938 was hij kantoorbediende en vertegenwoordiger, daarna kwam hij in dienst van het secretariaat van de CPN. Van die partij was hij in 1930 lid geworden. In 1935 was hij namens de CPN lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en lid van de Amsterdamse gemeenteraad. In mei 1940 moest de communistische partij na de Duitse inval ondergronds en werd Lou Jansen met Paul de Groot (1899-1986) en Jan Dieters (1901-1943) gekozen in het driemanschap dat de illegale partij ging leiden. Jansen zou zich vooral bezighouden met Amsterdam, waar de partij veel leden had. Dieters moest het contact met de andere districten in het land te onderhouden, wat hij deed vanuit Noord-Brabant en later de IJsselstreek. Op 25 februari 1941 verspreidde de CPN in Amsterdam een manifest, dat een grote invloed had op het uitbreken van de Februaristaking van 25 en 26 februari 1941. Het was de eerste grootschalige verzetsactie tegen de Duitse bezetter in Nederland en het enige massale en openlijke protest tegen de Jodenvervolging in bezet Europa. De aanleiding waren de eerste razzia’s in Amsterdam waarbij honderden Joodse mannen opgepakt werden. Lou Jansen was de belangrijkste samensteller van dit manifest. Een tweede poging van Jansen op 6 maart 1941 en nieuwe staking uit te roepen mislukte echter.

(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 37

FRITS NIEUWENHUIJSEN (63)

Frits Nieuwenhuijsen (Amsterdam, 3 oktober 1905 – Haarlem, 12 februari 1945) volgde in zijn geboortestad eerst de HBS, studeerde aansluitend werktuigbouwkunde aan de MTS en na dat diploma te hebben gehaald studeerde hij bedrijfseconomie aan de universiteit van Amsterdam. Zijn ouders leefden in goede welstand. Zijn vader was directeur/mede-eigenaar van de technische handelsonderneming Stieltjes & Co. Het gezin was begin twintiger jaren verhuist naar Hilversum, toen de nieuwe spoorverbinding forenzen naar Amsterdam mogelijk maakte. Toen Frits net zijn kandidaatsexamen had afgerond, vond in New York de beurskrach plaats, die vaders bedrijf zwaar zou treffen. Binnen een paar jaar ging de onderneming failliet, maar omdat vader Nieuwenhuijsen al zijn geld in dat zinkende schip had gestoken, hing ook alle privévermogen verloren. Vanwege deze financiële malaise moest Frits zijn studie afbreken. In 1932 kreeg hij toen via een kennis van zijn ouders een baan bij de Hollandse Sociëteit van Levensverzekeringen (een bedrijf dat rond 1968 gefuseerd tot Delta Lloyd). Daar werd Nieuwenhuijsen als stagiair aangenomen op het regiokantoor in Utrecht. Na zes maanden werd hij benoemd tot hoofdagent. In 1937 kreeg Frits de opdracht in Rotterdam een nieuw kantoor voor de Hollandse Sociëteit op te bouwen. In Rotterdam richtte deze afdeling zich vooral op een totaal nieuw product van de verzekeringsmaatschappij, namelijk op het afsluiten van collectieve bedrijfsverzekeringen met de Rotterdamse zakenwereld. Eind mei 1940, twee weken na het bombardement op Rotterdam, werd Nieuwenhuijsen overgeplaatst naar het hoofdkantoor in Amsterdam en kreeg daar eerst de functie van generaal-agent voor collectieve zaken en snel daarna tot generaal-agent in algemene dienst. Dat hield in dat hij werd belast met de coördinatie van de binnen- en de buitendienst en de publiciteit voor het bedrijf. Vanwege deze overplaatsing verhuisde Frits en zijn gezin in juni 1940 van Hillegersberg naar Amstelveen.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 8

Protectoraat Albanië (1939-1943) – Deel 2

Nadat de Italianen en Grieken in 1920 na de Vlora-oorlog waren vertrokken werd Albanië formeel een vorstendom, maar omdat er geen koning was benoemd en er ook geen sterke regering was, werd het land in de praktijk geregeerd door grootgrondbezitters en krijgsheren. In januari 1925 riep de machtige krijgsheer Ahmed Zogu, stamhoofd van de machtige islamitische Mati-stam, de republiek uit en benoemde zichzelf als president en premier. Zogu had in de voorgaande jaren heel wat politieke moorden op zijn naam staan en volgens de Albanese eerwraak mocht hij daarom door familieleden van omgekomenen worden gedood. Daarbij gold dat dit niet mocht gebeuren als hij werd vergezeld door een vrouw, zodat Zogu ervoor zorgde dat hij bij de zeldzame keren dat hij het paleis verliet door zijn moeder werd vergezeld. Zogu verplaatste de hoofdstad naar Tirana. In 1928 werd hij als Zog 1 koning van Albanië en voerde een despotisch regime. Om zich te beschermen tegen een steeds toenemend aantal vijanden zocht hij bescherming bij Italië, dat de olievoorraden mocht exploiteren en de Bank van Albanië ging runnen. Door de samenwerking met de Italianen kon elke mogelijke Joegoslavische invloed in het land worden gepareerd. In de jaren 1925-1939 werden door Italië en Albanië diverse verdragen gesloten: (meer…)

KOLONIËN ITALIË 7

Protectoraat Albanië (1939-1943) – Deel 1

Italië had al direct na de stichting van de staat in 1870 koloniale ambities, om in de pas te lopen met de andere Europese landen. Al bij het Congres van Berlijn (1878) lieten de Italianen al weten dat ze bij de opdeling van het Osmaanse Rijk graag het eiland Rodos en de andere eilanden van de Dodekanesos voor zichzelf opeisten. Ook keek men al met een begerig oog naar de provincie Albanië. De prille staat kon op dat moment die ambities niet realiseren. Bij de Koloniale Conferentie van Berlijn in 1886 verkreeg Italië de koloniën Eritrea en Somaliland. Als Italiaans-Eritrea (1886-1960) en Italiaans-Somaliland (1886-1960) zouden ze tot 1960 eerst koloniën van Italië zijn en na de Tweede Wereldoorlog een Italiaans mandaatgebied. In 1960 werd het met Brits-Somaliland samengevoegd tot het huidige Somalië. In Oost-Afrika zouden de Italianen in 1935 ook Abessinië, het huidige Ethiopië, veroveren, maar hier moesten ze hun territoriale ambities al in 1941 opgeven. In Noord-Afrika hield Italië het twee jaar jaren vol. In 1911 had men Libië verovert, maar halverwege de Tweede Wereldoorlog werden de legers van Mussolini definitief uit Libië verdreven, waarbij niet op een oorlogsmisdaad meer of minder werd gekeken. In 1911 kon Italië eindelijk de lang gekoesterde Europese ambities tot uitvoering brengen. Op 25 september 1911 verklaarde Italië de oorlog aan het sterk verzwakte Ottomaanse Rijk en veroverde het, naast Libië in Noord-Afrika, ook de eilandengroep Dodekanesos op het Ottomaanse Rijk.

(meer…)

MAX LÉONS

Max Nico Léons (Rotterdam, 24 november 1921 – Amsterdam, 2 november 2019) werd geboren in een liberaal joods gezin. Begin 1942 weigerde hij een baantje bij de Joodse Raad.  Op 12 juli 1942 kreeg het gezin Léons een oproep om zich te melden voor deportatie naar Polen. Max was er van overtuigd dat alle Joden daar zouden worden vermoord en adviseerden zijn ouders om onder te duiken. Het hele gezin zou op diverse adressen de oorlog overleven. Begin 1943 kwam Max terecht in Nieuwlande, waar hij onder de schuilnaam Nico actief werd in hert verzet. Max had zich aangeleerd plat te praten, waardoor hij minder opviel. Samen met Arnold Douwes zorgde hij in het dorp en directe omgeving voor steeds nieuwe onderduikadressen, zorgde voor het transport van die onderduikers en onderhield alle noodzakelijke contacten. Douwes en Léons zorgde daarmee voor her vreedzame deel van de verzetsactiviteiten van de organisatie van Post, die zelf het gewapende verzet voor zijn rekening nam. Douwes en Léons redden gedurende oorlog het leven van enkele honderden Joden.

In het voorjaar van 1944 moest Léons elders onderdak zoeken, omdat de Duitsers Post en de zijnen steeds meer op het spoor waren. In het najaar van 1944 werd ook Léons opgepakt en in gevangenschap gemarteld. Hij overleefde de oorlog echter wel en werd toen herenigd met zijn ouders, broer en zus. Rond 1950 startte Léons een eenmanszaak als verzekeringsagent. Als Jood kon Léons niet worden onderscheidde door Yad Vashem, omdat het voor Joden een vanzelfsprekende plicht (mitswa) was om andere Joden te redden. Op 23 november 2011 ontving hij als eerste buiten Israël een onderscheiding van The Jews Rescued Jews during the Holocaust Committee en de The B’nai B’rith World Center. Max Léons overleed in 2019 op 97-jarige leeftijd.

Over de belevenissen van Max Leons en Arnold Douwes is een boek verschenen getiteld: ‘Mitswa en christenplicht, bescheiden helden uit de illegaliteit’.

ARNOLD DOUWES

Arnold Douwes (Laag-Keppel, 26 januari 1906 – Utrecht, 7 februari 1999) groeide tussen vijf zusters en twee broers op in een gezin in Laag-Keppel, waar zijn vader dominee van de Gereformeerde Gemeenten was, maar Arnold had al vroeg een belangstelling voor het communisme. Van jongs af was hij een eigenzinnige en onaangepaste persoontje. Hij werd om die reden twee keer van de lagere school gestuurd. Zo stak hij uit een tram hert bordje ‘Verboden te roken’ en hing dat aan de lessenaar van een pijprokende meester. De tweede keer dat hij van school werd gestuurd, had hij een ander gestolen bordje ‘Zeven zitplaatsen’ op de deur van het toilet geschroefd. Hij ging na de lagere school niet naar het voortgezet onderwijs, kwam echter in Nederland niet aan een baantje en vertrok toen naar Noord-Amerika. Tien jaar lang zwierf hij rond door de Verenigde Staten en Canada, maar ook daar lukte het de rusteloze Douwes niet een gezin te stichten en een carrière op te bouwen. Op een gegeven moment had hij zich aangesloten bij de International Labor Defense, een organisatie die streefde naar gelijke burgerrechten. Omdat deze ILD werd verdacht van communistische sympathieën moest Douwes de VS verlaten. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij weer in Nederland, waar hij in Boskoop ging wonen en op een boomkwekerij aan de slag ging als hovenier.

(meer…)

NIEUWLANDE

Nieuwlande is een dorp dat is ontstaan als veenkolonie, op een plaats waar vroeger maar liefst vijf gemeente bij elkaar kwamen: Oosterhesselen, Dalen, Hoogeveen, Coevorden en Hardenberg. Bij de gemeentelijke herindeling van 1 januari 1998 zijn de eerste twee onderdelen overgeheveld naar de gemeente Hoogeveen, simpelweg door de gemeentegrens van Hoogeveen ongeveer 1,5 kilometer naar het oosten op te schuiven. Enkele Nieuwlandse huizen bleven echter binnen de gemeenten Coevorden en Hardenberg liggen. In elk geval loopt de gemeentegrens sindsdien niet meer dwars door het dorp.

In de negentiende eeuw liep door het gebied waarop Nieuwlande zou ontstaan de Coehoornsdijk, genoemd naar de vestingbouwkundige Menno van Coehoorn (Britsum, maart 1641 – Den Haag, 17 maart 1704), die vaak de evenknie wordt genoemd van de beroemde Franse vestingbouwer Sebastien Vauban. Van Coehoorn liet de dijk omstreeks 1680 aanleggen als onderdeel van de fortificatie van de stad Coevorden. In 1816 werden voor het gebied vergunningen voor de veenwinning gegeven; rond 1850 vestigden de eerste veenarbeiders zich in het gebied. In 1890 stonden er ongeveer veertig woningen. Op het afgegraven veen werd eerst bos aangeplant, waarvan het hout in diverse Europese landen werd gebruikt om de gangen in kolenmijnen te stutten; de schors ging naar leerlooierijen in onder andere Hoogeveen. Na 1900 verdwenen de bossen echter en maakte men de grond gereed voor landbouw. De Hoogeveense eigenaren verkochten deze grond vooral aan jonge gereformeerde Groninger boeren, die na de eerdere veenarbeiders de tweede groep immigranten in de streek waren. Nu waren het echter kapitaalkrachtige nieuwelingen, die in dertig jaar tijd zo’n vijftig kapitale boerderijen in Nieuwlande lieten bouwen. De naam ontstond pas in nadat in 1909 een van die boeren in de dakpannen van zijn nieuwe boerderij de naam Nieuwlande liet aanbrengen, en dan nog pas na enkele decennia. Het verschil tussen de arme, hervormde veenarbeiders en de rijke, gereformeerde landbouwers bleef tot ver na de Tweede Wereldoorlog merkbaar. Pas nadat veel kanalen waren gedempt en er een grootschalige sanering van het veengebied had plaats gevonden verdwenen de vroegere sociologische tegenstelling.

(meer…)

GERRIT SCHOONMAN (62)


Geert Schoonman (Wormerveer, 31 augustus 1917 – Vliegveld Twente, 13 oktober 1944) groeide op in Zaandam. Een opvallende verschijning van bijna twee meter lang en een rode haardos. Vanwege zijn handigheid en kennis van techniek komt hij in het Nederlandse leger bij de genie. Hij was sergeant-capitulant bij de genietroepen toen de oorlog uitbrak. In de meidagen van 1940 vocht Geert op de Grebbeberg. Na zijn mobilisatie op 15 juli 1940 kreeg hij een baan als ambtenaar bij de belastingen als grenscommies in Glanerbrug. Via collega-douanier Harry Saathof ontmoette hij in januari 1941 Johannes ter Horst, die op dat moment al zeer actief was in de illegaliteit. Geert werd daarna ingezet om uit Duitsland gevluchte Franse krijgsgevangenen in veiligheid te brengen. In een latere fase hielp hij Joden en neergeschoten geallieerde piloten aan een onderduikadres. Dit laatste in samenwerking met Johannes ter Horst en Jules Haeck. Hij werkte daarbij onder de schuilnaam Rooie Geert.

Op 5 oktober 1942 werd Schoonman overgeplaatst naar Zundert, maar op  12 december 1943 liet hij zich terugplaatsen naar Glanerbrug en ging wonen in Enschede. In februari 1944 werd hij lid van de KP-Enschede, die onder leiding stond van Ter Horst, die inmiddels een goede vriend van hem was geworden. Deze knokploeg voerde diverse acties uit, waaronder de zeer gewaagde bevrijding op 11 mei 1944 uit de Koepelgevangenis in Arnhem van onder meer ds. Frederik Slomp (‘Frits de Zwerver’) en Henk Kruithof, twee kopstukken van hert Twentse verzet. Ook Harry Saathof was hierbij betrokken. Hij werd als vermeende arrestant opgebracht door Johannes ter Horst en Geert Schoonman. Het Arnhemse Huis van Bewaring werd op 11 juni 1944 voor de tweede keer door Ter Horst en Schoonman bezocht, waarbij het tweetal maar liefst 56 gevangenen wisten te bevrijden, de grootste en meest succesvolle bevrijdingsactie uit de bezetting. Beide acties stonden onder leiding van de LKP-leider Liepke Scheepstra.

(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 36

JULES HAECK

Jules Haeck (Croix, Frankrijk, 1 september 1894 – Weerselo, 7 oktober 1944) was vanuit zijn geboorteland Frankrijk in 1918 naar Hengelo verhuisd, nadat hij aan het eind van de Eerste Wereldoorlog uit het Franse leger was gedeserteerd en eerst naar België was getrokken en daar ontsnapte gevangenen had geholpen. In Hengelo werd hij eerst kostganger in het gezin van de familie van Sietse Dekema. In 1925 begonnen hij samen met Sietse een groothandel in groente en fruit, de firma S. Dekema & J. Haeck. De firma zou tot 1931 blijven bestaan. In sommige publicaties over Haeck wordt abusievelijk gezegd dat hij in Hengelo een groenteventer was. Bij de Dekema’s ontmoette hij Manie Jetten. Ze besloten niet in het huwelijk te treden, maar als partners verder samen te leven. In september 1933 verhuisde naar Arnhem, waar in januari 1934 werd hier de tweeling René en Irene geboren. In november 1934 waren ze weer terug in Hengelo en zette Jules een nieuwe groothandel in groenten en fruit op. De zaak zou bij een bombardement op 7 oktober 1944 volledig worden verwoest.

Al in 1941 werd Jules Haeck benaderd om een ontsnapte Franse krijgsgevangene te helpen. Een logische keuze omdat hij de Franse taal uiteraard volledig beheerste en familie in Frankrijk had wonen om verdere ondersteuning te kunnen geven. Het mondde uit in het opzette van een omvangrijke ontsnappingsroute waardoor tientallen gevluchte Franse krijgsgevangenen en geallieerde piloten richting Frankrijk konden worden doorgesluisd. In ‘De lijst van Haeck’, een boek van H.B. van Helden werd Haeck’s hulpverlening, dat een zeer omvangrijke biografie geeft van Jules Haeck en de hulp aan piloten, globaal in drie fasen onderverdeeld: (meer…)

NIEDERMACHUNGSBEFEHL 2

De opeenvolgende Duitse nederlagen, het toenemende verzet in de bezette gebieden, de aanslag van Von Stauffenberg en Hitlerbefehl D-762 hadden ook grote gevolgen op de manier waarop de Duitse bezetter omging met het Nederlandse verzet. In het algemeen werd tot juli 1941 uitgegaan van ‘rechtvaardige’ vonnissen, uitgesproken door rechtbanken die weliswaar werden geacht precies te doen wat de bezettende macht van hen verlangde, maar toch de schijn ophielden dat correct via het recht en de vastgelegde procedures werd gehandeld. Vooral de steile jurist Arthur Seyss-Inquart werkte graag via deze lijn. Hij was overigens ook niet te beroerd hier in noodgevallen onverbiddelijke van af te wijken. Tijdens de Februaristaking op 25 en 26 februari 1941 naar aanleiding van de eerste razzia’s in Amsterdam waarbij honderden Joodse mannen werden opgepakt, stapte hij over op standrecht om met de demonstranten af te rekenen. De Duitsers braken de staking met geweld, intimidatie en meedogenloos ingrijpen. Er waren negen doden en 24 zwaargewonden te betreuren; vele demonstranten werden gearresteerd. Amsterdam kreeg een boete opgelegd van vijftien miljoen gulden, Zaandam van een half miljoen gulden en Hilversum 2,5 miljoen gulden. De Joodse communist Leendert Schijveschuurder, die op 5 maart 1941 werd betrapt op het aanplakken van nieuwe stakingsoproepen, werd de andere dag als eerste Nederlander standrechtelijk geëxecuteerd. Op 13 maart 1941 werden op de Waalsdorpervlakte drie communistische Februaristakers (Hermanus Coenradi, Joseph Eijl en Eduard Hellendoorn) en vijftien leden van de Geuzen-verzetsgroep door een Duits vuurpeloton gefusilleerd. Daarnaast werden 22 communisten veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen die in Duitsland moesten worden uitgezeten.

(meer…)

NIEDERMACHUNGSBEFEHL 1

In juni 1944 werd SS-generaal Karl Eberhard Schöngarth (Leipzig, 22 april 1903 – Hamelen, 16 mei 1946) een nieuwe functie binnen het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), de overkoepelende veiligheidsdienst van het Derde Rijk die op 27 september 1939 door Heinrich Himmler was opgericht. Deze organisatie was een samenvoeging van de Sicherheitsdienst, de Gestapo en de Kriminalpolizei en had als doel alle ‘vijanden van het Rijk’ (zoals communisten, vrijmetselaars, Joden, zigeuners en andere ‘ongewenste rassen’) te bestrijden, zowel binnen als buiten Duitsland. Schöngarth werd in Nederland de bevelhebber van de Sicherheitspolizei en Sicherheitsdienst, en kwam daarmee rechtstreeks onder Generalkommissar für das Sicherheitswesen, Hanns Albin Rauter.

Schöngarth, de zoon van een bierbrouwer in Leipzig, zou in 1920 hebben meegedaan aan de Kapp-putsch, een mislukte staatsgreep. Van 1922 tot 1924 was hij lid van de NSDAP en de Sturmabteilung (SA). In de periode 1924-1929 studeerde hij  rechten en trad daarna in dienst van de Pruisische overheid. In 1935 aanvaarde hij een baan bij de Gestapo en spoedig daarna bij de Sicherheitsdienst (SD). Vanaf 1936 was hij opnieuw lid van de NSDAP en ook van de SS. In 1940 was hij als reserve-luitenant van de Luftwaffe betrokken bij de Slag om Frankrijk. Daarna werd hij luitenant-kolonel van politie. Van begin 1941 tot midden 1943 was hij Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD in het Poolse Generaal-Gouvernement. In juli 1941 leidde hij een Einsatzkommando zur besonderen Verfügung (onderdeel van de zogeheten Einsatzgruppen), die in Lemberg verantwoordelijk was voor de moord op zeker twintig professoren en anderen medewerkers van de universiteit. Een actie die onderdeel was van een campagne van de nazi’s om de Joodse en Poolse intellectuele elite uit te roeien. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 6

Kos 1912Italië had al direct na de stichting van de staat koloniale ambities, om in de paste lopen met de andere Europese landen. Bij het Congres van Berlijn (1878) lieten de Italianen al weten dat ze bij de opdeling van het Osmaanse Rijk graag het eiland Rodos en de andere eilanden van de Dodekanesos voor zichzelf opeisten. Ook keek men al met een begerig oog naar de provincie Albanië. De prille staat kon op dat moment die ambities niet realiseren. Meer succes had men tijdens de Koloniale Conferentie van Berlijn (november 1884 – februari 1885), waar veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd Afrika verdeelden. Italië kreeg Somalië-Eritrea en Libië toebedeeld, wat eigenlijk een teleurstelling voor hen was, omdat men vooral belangstelling had voor Tunesië. Daar waren in 1881 de Fransen hen echter te slim af geweest, waarna de interesse verschoof naar de Osmaanse provincies Cyrenaica, Tripolitanië en Fezzan. In 1902 sloten Italië en Frankrijk een overeenkomst, waarmee Italië de vrije hand kreeg in die drie provincies, terwijl Frankrijk de vrijheid kreeg in Marokko. In 1911 werd Marokko een Frans protectoraat en begon Italië met de verovering van Libië. De Italianen wilden van de zwakte van de Osmanen ook gebruikmaken door haar oude ambities in de Balkan en het oostelijk deel van de Middellandse Zee te realiseren. Op 25 september 1911 verklaarde Italië de oorlog aan het Ottomaanse Rijk.

De Italiaanse-Turkse Oorlog begon op 29 september 1911 en eindigde op 18 oktober 1912. De oorlog staat ook bekend als de Tripolitaanse Oorlog of als Italiaanse verovering van Libië, want daar lag de kern van de oorlog. Hoewel de Italianen vele malen sterker waren dan de Osmaanse Turken, die nog volop bezig waren met de modernisering van hun leger, wisten de Osmaanse legers met de hulp van Libische stammen onverwacht veel weerstand te bieden. Vanwege de moeizame oorlog in Libië, zochten de Italianen daarop steun op de Balkan. Daar stonden de Bulgaren, Grieken, Serven en Montenegrijnen in een gezamenlijke liga klaar om de wapens op te nemen tegen hun overheersers. Op 13 maart 1912 kwamen deze vier christelijke volken in opstand, wat in 1912-1913 zo leiden tot de Eerste Balkanoorlog.

(meer…)

ALBERT KEUTER (61)

Albert Keuter (Blokzijl, 7 januari 1892 – Bergen-Belsen, 10 maart 1945) was eerst predikant geweest in Oost- en West Graftdijk (1917), Twisk en Medemblik (1920) en Akkrum (1925), voordat hij predikant werd bij het Doopsgezinde Broederschap in Den Haag. Tot die dorpsgezinde gemeente behoorden ook de honorair consul van Finland A.J.Th. van der Vlugt en Lambertus Neher (Amsterdam, 13 september 1889 – Voorst, 22 augustus 1967), die vanaf 1935 directeur van het Haagse telefoniebedrijf. Hij werd in 1943 door de Duitsers ontslagen omdat hij zich actief ingezette bij een ambtenarenactie tegen de verplichte Arbeitseinsatz. Onder de verzetsnaam Dijkstra was Neher actief in het verzet. Als lid van het Nationaal Comité van Verzet zorgde hij voor de coördinatie van het inlichtingenwerk verzorgde. Voor de Ordedienst zette Neher een uitgebreid illegaal telefoonnet op en samen met Herman Jan van Aalderen zette hij een geheim telefoonnetwerk op via het seinwezen van de Nederlandse Spoorwegen. In de zomer van 1944 werd hij lid van de Contactcommissie van de Groote Advies-Commissie der Illegaliteit en ook was hij lid van het College van Vertrouwensmannen, die vanuit Londen werd opgezet.

In Den Haag werkte Keuter nauw samen met ir. Casper ter Galestin, die ook lokale verzetsgroep van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) leidde. Ook zijn zoon Barend Klaas (‘Jons’) was lid van deze verzetsgroep Ter Galestin die zich bezig hield met de coördinatie van de hulpacties voor bemanningen van neergeschoten geallieerde vliegtuigen. Elke week werden neergeschoten Britse piloten uit Friesland gesmokkeld. Dit gevaarlijke werk combineerde Keuter met het onderbrengen van joden en met zijn taak in de gemeente. Op 2 januari 1944 preekte hij met de tekst ‘Sta op en ga uit’, een felle aanklacht tegen de bezetter.

(meer…)

KAREL DERKZEN VAN ANGEREN (60)

Karel Hendrik Derkzen van Angeren (Hof van Delft, 2 februari 1903 – Keulen, 25 november 1943) was de zoon van Antoon Derkzen van Angeren (Delft, 21 april 1878 – Bedford (Canada), 14 juni 1961), een Nederlands etser, graficus, kunstschilder en van 1917 tot 1943 docent aan Academie voor Beeldende Kunsten te Rotterdam. Hij wordt gezien als grondlegger en nestor van de Rotterdamse grafiek. In 1952 emigreerde hij met zijn vrouw naar Canada. Toen de oorlog uitbrak was Karel Derkzen van Angeren de procuratiehouder bij Quick Dispatch in Antwerpen, een bedrijf dat was gespecialiseerd in de overslag van bulkgoederen. Het bedrijf was eigendom van Henk van Dulken en zijn zoon Frans, die met Anna Maria Swarttouw was getrouwd. Henk van Dulken was in Antwerpen ook de voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging. Een latere telg van de Swarttouw-dynastie was Frans Swarttouw (Den Haag, 15 december 1932 – Amsterdam, 3 februari 1997) die eind twintigste eeuw probeerde vliegtuigbouwer Fokker van de ondergang te redden en voor de Rotterdamse havens de overgang naar containervervoer stimuleerde.

Tijdens de meidagen van 1940 stelde Derkzen van Angeren zich met zijn auto ter beschikking van de Koninklijke Landmacht.
In december 1941 werd Derkzen door C.L. Kist gerekruteerd om inlichtingen in te winnen over Duitse vliegvelden en munitiedepots. Dat was binnen het spionagenetwerk van majoor J. de Mascureau, die onder de schuilnaam Roger le Saule opereerde. Die was in 1939-1940 de Franse militair attaché in Den Haag geweest en had toen Jan Somer (Assen 22 oktober 1899 – Bussum, 3 april 1979) leren kennen, een Nederlands militair die eerst bij de KNIL in Nederlands-Indië had gediend en vanaf 1928 als leraar was verbonden aan de KMA in Breda. (meer…)

IK ZAL HANDHAVEN


De Leidse verzetsgroep ‘Ik zal handhaven’ bestond vooral uit studenten en was actief in spionage- en sabotageacties. Van 1 oktober 1940 tot en met 1 december 1943 gaven zij het illegale blad ‘Ik zal handhaven’ uit, dat praktische aanwijzingen bevatte voor de techniek en tactiek van het openlijk verzet, vooral bestemd voor personen die direct met de bezettingsautoriteiten te maken hadden, zoals ambtenaren. De betrokkenen waren onder meer de studenten drs. J .F. van Walsem, een chemicus en de vermoedelijke oprichter, H. ’t Hart, D.A.E. de Loos, F.N.F. van der Schrieck en de officieren C.L. Kist en Sj. Nauta en de cadet-vaandrig A.C.L. de Klerck. Deze aspirant-officieren hadden hun toevlucht gezocht bij de Leidse universiteit.
Het blad verscheen in Leiden van de herfst in 1940 tot december 1943 een tijdje regelmatig (maandelijks) in een oplage van 500 stuks, maar na de herfst van 1941 werd de uitgave onregelmatig. Het waren stencils waarvan de inhoud voornamelijk bestond uit binnenlandse berichten, humor en opinieartikelen. De exemplaren werden ook onder de Duitse Weermacht verspreid. Rond september 1941 werd door de redactie een lijst opgesteld van verraderlijke en onbetrouwbare officieren, studenten en dames uit deze kringen. Deze lijst werd in een oplage van 1000 exemplaren verspreid en later vele malen aangevuld en opnieuw vermenigvuldigd.

(meer…)

LOUIS KIST

Cornelis Louis Kist (Bandoeng, 19 juli 1916 – Leusden, 24 juni 1943) was een 2e luitenant van de infanterie KNIL, die op 26-jarige leeftijd op de Leusderheide werd gefusilleerd. Met hem werden daar zeven andere verzetsmannen door de Duitsers vermoord. Dat waren Johannes Hendricus van Dongen (05-11-1916), chemicus Johannes Hovenkamp (16-10-1913), militair Adriaan Cornelis Laurens Klerck (21-06-1917) en militair Cornelis Spaans (14-07-1922), die op 6 augustus 1942 betrokken waren bij de liquidatie van verrader Izak Anthonie Daane bij Schipborg in Drenthe. Verder stratenmaker Henri Pieter Drenth (20-10-1917), monteur Willem Hendrik ’t Hart (27-10-1916) en militair Adriaan Cornelis Laurens Klerck (21-06-1917), die lid waren van de Zeeuwse verzetsgroep Van Beest, die samen met enkele andere leden van deze verzetsgroep hadden deelgenomen aan de aanslag op de verrader Gerard Stellbrink op 14 oktober 1941 in Haarlem. Louis Kist werd na de oorlog postuum onderscheiden met de Bronzen Leeuw, een onderscheiding die op 30 maart 1944 bij Koninklijk Besluit werd ingesteld en kon worden toegekend aan Nederlandse militairen die zich in de strijd tegenover de vijand door het bedrijven van bijzonder moedige en beleidvolle daden hadden onderscheiden. De Nederlandse Oorlogsgravenstichting plaatste op haar website onderstaand artikel over Louis Kist.

(meer…)

EDZARD BOSCH VAN ROSENTHAL (59)

Edzard Jacob Bosch ridder van Rosenthal (Dordrecht, 27 mei 1892 – Almen, 2 april 1945) was een telg uit het geslacht Van Rosenthal, die vermoedelijk uit Wesel stamde en waarvan Hans Heinrich Conrrad von Rosenthal (1762-1822) in 1787 met hert Pruisische leger naar Nederland kwamen. Hij huwde in 1790 met Louisa Anna Bosch, dochter uit een Culemborgse familie. Sindsdien voerde deze Nederlandse tak van de familie de naam Bosch van Rosenthal. Twee van hun zonen werden in 1834 en 1843 ingelijfd in de Nederlandse adel. De mannelijke leden mogen de titel ridder voeren; de vrouwelijke leden jonkvrouw.

Edzard Bosch van Rosenthal was watergraaf van het Waterschap De Berkel in Oost-Gelderland. Het waterschap was in 1882 door de Provinciale Staten van Gelderland opgericht voor het waterbeheer van de rivieren de Berkel en de Groenlose Slinge. Het waterschap is in 1997 opgegaan in het Waterschap Rijn en IJssel. De Berkel ontspringt in Duitsland ontspringt, stroomt door de Achterhoek en mondt bij Zutphen in de IJssel. De Groenlose Slinge is een laaglandbeek die ontspringt achter Winterswijk en mondt tussen Lochem en Borculo uit in de Berkel. Hij woonde in Huis Den Dam te Eefde, een monumentaal landhuis dat vroeger een van de 36 erkende havezaten in het kwartier Zutphen was. Het is sinds 2015 een rijksmonument. Zijn broer L.H.N. Bosch van Rosenthal was de Commissaris der Koningin in de provincie Utrecht en sinds 1944 voorzitter van het College van Vertrouwensmannen, dat door het kabinet-Gerbrandy I was ingesteld om vanaf de bevrijding tot de terugkeer van de regering in Nederland als haar vertegenwoordiger op te treden en zo te voorkomen dat er tijdelijk een gezagsvacuüm zou ontstaan. De door de regering aangewezen leden uit het bezet gebied waren voormalige politici en vertegenwoordigers van het verzet.

(meer…)

ROELOF JAN DAM (58)

Roelof Jan Dam (Barneveld, 18 november 1896 – Assen, 10 april 1945) studeerde in 1922 af toen hij al twee jaar docent klassieke talen aan het gereformeerde gymnasium in Kampen was. Van 1925-1930 gaf hij les op het christelijke lyceum in Zutphen, waarna hij weer terugkeerde naar Kampen als rector. In dat voormalige lyceum in nu een zaal naar hem genoemd, de Dr. R..J. Damzaal. Dat jaar behaalde hij cum laude zijn doctorsgraad aan de rijksuniversiteit in Utrecht. Dam was zeer calvinistisch en rechtlijnig. Hij was ouderling van de gereformeerde kerk in Kampen en was een volgeling van Klaas Schilder en volgde hem in de Vrijmaking in augustus 1944.

Hij kwam al vroeg in verzet tegen het nationaalsocialisme. In 1940 woonde hij bijeenkomsten bij van de Lutherse Kring en als lid van de Anti-Revolutionaire Partij ARP) had hij contact prof. Mr. Victor Henri Rutgers (‘s-Hertogenbosch, 16 december 1877 – Bochum, 5 februari 1945), een advocaat, ARP-Tweede Kamerlid, vooraanstaand lid van de Gereformeerde Kerken en kortstondig minister van Onderwijs in het eerste kabinet-Colijn. Hij was in de jaren 1933-1934 en 1940-1942 rector van de Vrije Universiteit. Rutgers was fel anti-Duits en zat vanwege zijn rol in het verzet in oktober-november 1940 enkele weken vast. In april 1943 werd hij opnieuw gearresteerd, toen op verdenking lid te zijn van het Groot Burger Comité, dat voorlichting en adviezen gaf aan de regering in Londen en maatregelen voorbereidde voor het geval er in ons land een gezagsvacuüm zou ontstaan. Aan de werkzaamheden van het comité kwam een einde, toen begin april 1943 alle leden door toedoen van de V-Mann Van der Waals werden gearresteerd. Begin september 1943 werd Rutgers weer vrij gelaten. Op 26 april 1944 probeerde hij vergeefs in een gammel bootje naar Engeland te gaan. Hij kreeg een straf van twee jaar tuchthuis en overleed vlak voor de bevrijding in de gevangenis van Bochum. Een ander vooraanstaand ARP-lid waarmee Dam contact had en die zijn deelname aan het verzet beïnvloedde was dr. Dr. Sieuwert Bruins Slot, die later van 1956 tot 1963 de Tweede Kamerfractie van de ARP zou leiden. In de oorlog nam hij ontslag als burgemeester en speelde in het verzet een belangrijke rol bij het illegale Trouw, waar hij na de oorlog als hoofdredacteur aan verbonden bleef.

(meer…)

STRIJDEND NEDERLAND

De historica Lydia Winkel (Semarang, 4 mei 1913 – Guignes, 12 april 1964) schreef in 1954 het standaardwerk ‘De ondergrondse pers 1940-1945’. In de jaren 1941-1942 was zij betrokken bij het verzetsblad Vrij Nederland. In die periode kwam ze in contact met prof. N.W. Posthumus, die haar vroeg om mee te helpen bij het verzamelen en bewaren van Nederlandse illegale bladen en pamfletten uit de Tweede Wereldoorlog. Daardoor kwam Winkel direct na de bevrijding als eerste medewerkster in dienst van het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Ze bracht een imposante collectie van illegale bladen en pamfletten bijeen. Van 1176 titels (zowel bladen als pamfletten) had ze één of alle uitgaven achterhaald, maar ook steeds zoveel mogelijk feiten bijeen gesprokkeld omtrent het ontstaan en de verdere geschiedenis van de titels. Tijdens het schrijven van het boek kwamen er nog 14 titels bij. In een herziene uitgave in 1989 was het aantal illegale publicaties gestegen van 1190 naar bijna 1300 titels. Een van die 1.300 titels is Strijdend Nederland; het contact met de vrije wereld, dat vanaf 1 augustus 1943 tot 17 april 1945 in Kampen werd uitgegeven, drie keer per week en in een oplage tussen de 14 en 600 exemplaren. Initiatiefnemer voor het blad was Roelof Jan Dam, rector van het Gereformeerd Gymnasium van Kampen en vertegenwoordiger van de verzetskrant Trouw voor de vier noordelijke provinciën.

(meer…)

DIRK ARIE VAN DEN BOSCH (57)


Dirk Arie van den Bosch (Hazerswoude, 23 oktober 1884 – Amersfoort, 20 maart 1942) was de zoon van een veeboer. Het nakomertje in het gezin heeft echter weinig affiniteit met het boerenbestaan. In hervormde kring omschreef men dat als volgt: ’Als kind kent hij al het verlangen om in Gods wijngaard werkzaam te zijn’. Hij kreeg op school bijles om hem klaar te stomen voor het gymnasium in Leiden. In Leiden ging hij ook theologie studeren. Op 4 september 1910 werd hij als predikant bevestigd in Nieuw-Vennep, nadat hij in het huwelijk was getreden met Catrien Fortgens, de dochter van zijn leermeester in Hazerswoude. In 1914ging hij naar het Groningse Stedum. Twee jaar later aanvaardde hij een betrekking in Den Haag, tot diepe teleurstelling van de Stedumers. Een ervan verwoordde zijn teleurstelling: ‘Ik mag lijden dat hij met zijn hele verhuisboel de gracht inrijdt.’ In Den Haag kreeg hij de verantwoordelijkheid voor een wijk met 11.000 adressen en zo’n 20.000 zielen. In korte tijd maakte hij naam als bewogen prediker, trouw pastor en begaafd spreker. Het leverde hem de bijnaam ‘de Haagse Spurgeon’ op, een verwijzing naar de 19e-eeuwse Engelse baptistenpredikant Charles Haddon Spurgeon (Kelvedon, 19 juni 1834 – Menton, Frankrijk, 31 januari 1892) die een grote reputatie had binnen de protestante kerk. Duizenden kwamen af op de preken van Van den Bosch, waarin hij van leer trok tegen het nazisme en de Jodenvervolging in Duitsland. Zoals veel mensen uit de christelijke wereld had hij een grote afkeer van het nationaalsocialisme. Scherp veroordeelde hij de Jodenvervolging in Duitsland. Meermalen sprak hij op toogdagen van Elim, de Nederlandsche Vereeniging voor Zending onder Israël. Op 26 juni 1940, anderhalve maand na de inval van de Duitsers, opende de moedige predikant in Den Haag een zendingshuis voor Joden, die onder Elim wordt geplaatst. Begin 1941 wordt het pand door de Duitsers in beslag genomen en leeggeroofd. Op dat moment zit Van den Bosch al in hechtenis.

(meer…)

LUDO BLEYS (56)

Pater Ludovicus Adrianus Bleys werd op 17 oktober 1906 geboren in de Tilburgse wijk Veldhoven in het gezin van schoenmaker Adrianus Bleijs en Joanna Maria Meijers. Om onduidelijke redenen is zijn naam later gewijzigd in Bleys. Hij werd op 30 mei 1931 tot priester gewijd en was onder andere pater-kapelaan in de Kapel in ’t Zand naast het redemptoristenklooster in Roermond. De Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Congregatio Sanctissimi Redemptoris, C.Ss.R.) is een katholieke congregatie, meestal de redemptoristen genoemd, die een sterk christocentrische spiritualiteit hebben en erg zijn gericht op retraites, deels in eigen retraitehuizen, deels in volksmissies en vastenprediking. In de oorlog was hij onder de verzetsnaam Lodewijk actief op allerlei fronten en betrok vele jonge mensen bij zijn verzetsactiviteiten. Hij was vanaf het begin tegenstander van de gelijkschakeling met de Duitse opvattingen en methoden en werd lid van de Nederlandsche Unie omdat hij in deze beweging een mogelijkheid zag zich af te zetten tegen het nationaalsocialisme. Toen in Limburg onder leiding van reserve-generaal-majoor b.d. J.R.L. Jans de Ordedienst (OD) actief werd, werd Bleys belast met de geestelijke verzorging. Hij was de raadsman van iedereen die onder de verplichtingen van de arbeidsdienst vielen. Zijn bemoeienissen hadden tot gevolg dat hij zich moest verantwoorden bij de procureur-generaal in ‘s-Hertogenbosch, maar daar wist hij zich vrij te pleiten. Hij was later in zijn woonplaats Roermond een van de oprichters van de Limburgse Onderduikorganisatie (LO), die eind 1943 onderdeel werd van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). De Venlose onderwijzer Jan Hendrikx werd hun regionale vertegenwoordiger. Nadat de LO was gedwongen zich te reorganiseren, was Hendrikx ook lid van de zgn. Landelijke Top. Pater Bleys had contact met Jan Hendrix en stond ook in voortdurend contact met drs. J.L. Moonen, de secretaris van de bisschop van Roermond.

(meer…)

HENK BEERNINK (55)

Henk Beernink (Hendrikus Dirk Jan) (Lichtenvoorde, 3 februari 1910 – Zwolle, 8 februari 1945) woonde van januari 1932 tot eind november 1933 in Oldenzaal. Hij was toen leerling machinist bij de Nederlandse Spoorwegen. Hij was in de kost bij de wed. G. Kuijers aan de Julianastraat 51, later bij G. T. Derksen een paar huizen verderop. Daarna vertrok hij weer naar zijn ouders en zus in Winterswijk. In Mei 1938 trouwde hij met Riek te Riet, een jaar later verhuisden ze naar de Harculostraat 6 te Zwolle, waar in april 1940 hun dochtertje Rineke (Renée) werd geboren. Hij was inmiddels telegraafwerker bij de Nederlandse Spoorwegen. Op 8 februari 1947 zou de Harculostraat naar hem worden vernoemd. Hij was eerste telegraafwerker bij de Nederlandse Spoorwegen te Zwolle en gaf les aan aankomende technici bij de spoorwegen. In het eenvoudige milieu waarin hij opgroeide gold een technische basisopleiding als het hoogst haalbare. Hij had grote belangstelling voor geschiedenis en genealogie, was politiek liberaal georiënteerd en Nederlands-hervormd van gezindte. Niet bijzonder kerks, maar wel religieus geïnspireerd in zijn kijk hoe je met mensen omging. Beernink stond bekend als een wat introverte man, niet altijd even makkelijk in de omgang, maar wel erg wel toegankelijk. En zeer sociaal iemand, bij wie ‘alles kon’. Er was bij hert gezin Beerninks altijd volk over de vloer, zowel overdag als ’s nachts. Het was een voortdurend komen en gaan van mensen, plotselinge eters en slapers. De drukte, rommel en vuile schoenen maakte Henk en zijn vrouw niets uit.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 5

Op 1 maart 1911 begonnen de Italiaanse Nationalistische Vereniging een wekelijkse krant, L’Idea Nazionale. De verschijningsdatum 1 maart was niet toevallig, maar werd gekozen vanwege de 15e verjaardag van de voor Italië verpletterende nederlaag in de Slag bij Adwa. Italië had in de jaren 1885-1890 de Afrikaanse gebieden Eritrea en Somalië veroverd en zocht daarna uitbreiding naar het buurland Ethiopië. Keizer Menelik II van Ethiopië was hier zeer fel tegen, maar stemde ermee in om een verdrag met Italië te sluiten. Hij droeg een aantal gebieden van Ethiopië aan Italië over in ruil voor de verzekering dat Ethiopië onafhankelijkheid zou blijven en van Italië financiële en militaire hulp kreeg. Op 2 mei 1889 tekenden koning Menelik II van Shewa (later de keizer van Ethiopië) en Graaf Pietro Antonelli van Italië in het kleine Ethiopische stadje Wuchale het Verdrag van Wuchale, waarmee enerzijds de Italiaanse bezetting van Eritrea werd erkend en anderzijds de vriendschap en handel tussen Italië en Ethiopië werd vastgelegd. Het doel was een langdurige, vreedzame onderlinge relatie op te bouwen, maar door kleine verschillen in de Italiaanse en Amhaarse versie van het verdrag ontstond er al snel een conflict tussen beide landen. De Italiaans versie verklaarde dat Ethiopië verplicht was alle buitenlandse zaken via Italiaanse autoriteiten te regelen, waardoor Ethiopië in feite een Italiaans protectoraat werd. De Amhaarse versie gaf Ethiopië aanzienlijke autonomie, met de mogelijkheid om via de Italianen met derde mogendheden te communiceren. Dit verschil leidde ertoe dat Menelik II in 1893 het verdrag opzegde. De Italianen wilden via oorlog alsnog hun gelijk af te dwingen, maar de Eerste Italiaans-Ethiopische Oorlog (1895-1896) eindigde voor hen in een nederlaag. In 1895 haalden Italiaanse troepen vanuit Eritrea voortgang, maar al snel worden ze door Ethiopische troepen gestopt. Die vielen daarna de Italiaanse posities aan en zorgde ervoor dat de Italianen het belegerde fort Mekele moesten opgeven. De Italiaanse nederlaag kwam daarna tot stand bij de Slag bij Adwa, waar het Ethiopische leger de zwaar in de minderheid zijnde Italiaanse soldaten en Eritreeërs versloegen en dwongen tot een smadelijke terugtocht naar Eritrea. De Ethiopiërs hadden hun wapens geleverd gekregen door Drankrijk en Rusland. Sommige Eritreeërs, die door de Ethiopiërs als verraders werden beschouwd, werden gevangengenomen en verminkt. De oorlog eindigde op 23 oktober 1896 formeel met de Verdrag van Addis Abeba, waarmee het Verdrag van Wuchale nietig werd verklaard en Ethiopië als een onafhankelijk land werd erkend. Aansluitend sloten ook Frankrijk (januari 1897) en Groot-Brittannië (mei 18970 verdragen met Ethiopië. Het was de eerste overwinning van Afrikaanse troepen op een Europese koloniale macht, waardoor deze oorlog het symbool werd van panafrikanisme. In 1936 veroverde de Italianen Ethiopië alsnog, maar daarover later meer.

(meer…)

DE ORDEDIENST 3

In de periode november 1941- september 1942 waren de Duitsers er op uit om de Ordedienst volledig uit te schakelen, want ze veronderstelde dat het een bewapende strijdgroep was, die niet alleen de Engelsen kon helpen om Duitsland aan te vallen, maar ook al eerder tot sabotage, inlichtingenwerk en andere vormen van daadwerkelijk verzet kon overgaan. Had de organisatie niet een militaire structuur met commandanten, leden door het hele land en een schriftelijk plan met richtlijnen voor het handelen? Het gevolg was een grote arrestatiegolf,wat niet alleen het resultaat was van hardnekkige vervolging door de Duitse bezetter, maar ook van onvoorzichtigheid, van informatie uit eerdere verhoren, van pure pech én van verraad. De organisatie was namelijk geïnfiltreerd door ‘vertrouwensmannen’ die voor de Duitsers werkten zoals Mozes Brandon Bravo, Engelbertus Brune, Johnny de Droog, George Ridderhof en Anton van der Waals. De Sicherheitspolizei kreeg bovendien hulp van twee Haagse politiemannen, Leo Poos en Marten Slagter, die betrokken waren bij arrestaties en verhoren van personen die in het verzet zaten. 

Terwijl in april 1942 het Eerste OD-proces tegen leden van de Ordedienst, de Mekel-groep en de Schoemaker-groep door de Sicherheitsdienst lopend was, werd door dezelfde Duitse dienst het Tweede OD-proces al voorbereid. Op dat moment zaten namelijk in de gevangenis van het ‘Oranjehotel’ te Scheveningen zo’n driehonderd gearresteerde leden van de Ordedienst, waarvan er uiteindelijk ongeveer honderd ‘Todeskandidaten’ werden uitgezocht om voor de rechtbank te verschijnen. Een Todeskandidat was onder het nazi-regime een gevangene die op een lijst stond om als represaille voor een aanslag van het verzet gefusilleerd te worden. De fusillades vonden meestal plaats nabij de plek waar de aanslag had plaatsgevonden. Ter voorbereiding op de nieuw rechtszaak werden in het najaar van 1942 de beklaagden uit de gevangenissen/kampen van Scheveningen, Amersfoort en Vught overgebracht naar Kamp Haaren gebracht. Polizei- und Untersuchungsgefängnis Lager Haaren, zoals de Duitsers het noemden, was gevestigd in het grootseminarie Haarendael in Oisterwijk (Noord-Brabant) en functioneerde van 8 december 1941 tot 5 september 1944 als gijzelaarskamp en huis van bewaring in gebruik Voor de Sicherheitsdienst. Van 8 december 1941 tot 1 februari 1944 had SS-Obersturmführer Heinrich Wacker de leiding over de gevangenen, die enerzijds bestond uit personen die gegijzeld waren en anderzijds uit personen die Grenzübertritt (verzetsmensen, Nederlandse agenten die vanuit Engeland gedropt waren, piloten, parachutisten, ontsnapte gevangenen en onderduikers). Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) werd het kamp ontruimd en werden de gevangenen naar Kamp Vught gebracht. Gijzelaars zonder papieren werden vrijgelaten. De resterende 2800 mannen werden naar Sachsenhausen gedeporteerd; 650 vrouwen werden naar Ravensbrück gebracht. In het gebouw van het grootseminarie in Haaren zaten tussen 13 juli 1942 en begin 1943 ongeveer 600 min of meer bekende Nederlanders, waaronder de latere minister-president Jan de Quay, de reder Willem Ruys, de latere hoge Brusselse ambtenaar Max Kohnstamm, de schrijver Jan Campert, de componist Hendrik Andriessen, de concertpianist Willem Andriessen, de goochelaar Henri Nolles, de cabaretier Lou Bandy en Jan Goudriaan (president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen). Onder de gijzelaars waren 150 leiders van ondernemingen, 133 mensen uit de vrije beroepen, 60 hoogleraren, leraren en onderwijzers, 103 ambtenaren, 60 geestelijken, 3 vakbondsleiders en 5 studenten. Tweemaal, op 15 augustus 1942 en op 16 oktober 1942, werden er (totaal 85) gijzelaars uit Haaren gefusilleerd. (meer…)

WILLEM HERTLY / GERARD VINKESTEIJN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Twee van de zeventien terechtgestelden waren:

Willem Hendrik Hertly (Engwierum/Oostdongeradeel, 2 januari 1891) was hoofdambtenaar bij het Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf te Den Haag en was getrouwd met Frederika Rauws (Den Haag, 14 september 1887). Hij was actief betrokken bij het verzet van de Ordedienst, waarbij hij samenwerkte met Jan Velu (Malang, 29 juni 1882 – Sonnenburg, 31 mei 1944). Velu was een luitenant-kolonel van het KNIL, die tegelijk met Hertly door verraad op 25 juli 1942 werd gearresteerd en onder andere werd opgesloten in de kampen Vught en Haaren. Uiteindelijk kwam hij als Nacht und Nebel-gevangene om in het KZ-Aussenkommandi Sonnenburg, een buitenkamp van Buchenwald, waar krijgsgevangenen dwangarbeid moesten verrichten voor de Thüringer Zahnradwerke mbH Sonneberg, een dochteronderneming van Maschinenfabrik G. E. Reinhardt uit Leipzig. Hij stierf daar op 31 mei 1944 aan de ontberingen. Hertly stond bij het Tweede OD-proces terecht, werd door het Feldgericht des kommandierenden Generals und Befehlhabers im Luftgau Holland ter dood worden veroordeeld vanwege spionage, sabotage en wapenbezit en op 29 juli 1943 op de Leusderheide worden geëxecuteerd. Hertly ligt begraven op de Algemene Begraafplaats Rusthof te Amersfoort. Postuum is hem het Verzetsherdenkingskruis verleend. Er is van hem gen foto bewaard gebleven, slechts de overlijdensadvertentie.

Gerardus Joannes Franciscus Vinkesteijn (Schiedam, 22 maart 1907) was een binnenhuisarchitect te Wassenaar. Hij was voor de oorlog al lang bevriend met de Engelandvaarder Chris Krediet en sinds 1940 met Adriën Moonen, met wie hij ook deelnam aan activiteiten van de Ordedienst. Vinkesteijn stelde zijn huis ter beschikking voor het verzet en probeerde geld bij elkaar te brengen om voortvluchtige mensen te helpen. Op 5 januari 1942 probeerde hij naar Engeland te gaan, maar werd vier dagen later in de trein opgepakt. Vinkesteijn stond terecht bij het Tweede OD-proces, werd door het Feldgericht des kommandierenden Generals und Befehlhabers im Luftgau Holland ter dood worden veroordeeld vanwege spionage, sabotage en wapenbezit en werd op 29 juli 1943 op de Leusderheide worden geëxecuteerd. Voor de executie schreef hij een klein berichtje: ‘Gun me mijn onmetelbaar geluk.Ik zie dankbaar terug op mijn leven, dat soms streng,maar dikwijls ook ontstellend mild voor me is geweest. Mag Marie mijn rozenkrans hebben, hij is het die tot het laatst bij me was. Ik zal voor U bidden bij Gods troon en Uw zorgen aanbevelen. Adieu. Gerard‘. Aan zijn moeder liet de 36-jarige Vinkesteijn een langere brief na. Hij ligt begraven op de Algemene Begraafplaats Rusthof te Amersfoort, vak 12, rij C, nummer 146.

ADRIËN MOONEN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Adrien Lambert Jacques Emile Marie Moonen, bijgenaamd “Broer” (Den Haag, 16 december 1914 – Amersfoort, 7 augustus 1943), was een Nederlands politieman en verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog. Hij trad op 1 mei 1936 als ambtenaar in opleiding in dienst van de Haagse gemeentepolitie. Op 1 april 1938 werd hij bevorderd tot adjunct-inspecteur. Gedurende de mobilisatie van 1939-1940 diende hij van 24 augustus 1939 tot 25 mei 1940 als reserve eerste luitenant bij het 6e Regiment veldartillerie. Na de mobilisatie hervatte hij zijn werk bij de gemeentepolitie. Op 15 september 1940 werd hij bevorderd tot inspecteur van politie 2e klasse. Na de Nederlandse capitulatie besloot Moonen in het verzet te gaan. Hij sloot zich aan bij de Ordedienst. Hij ving Engelse agenten op die in Nederland gedropt werden. Als inspecteur van politie kon hij zich in spertijd, de periode dat een gewone burger niet op straat mocht komen, vrijelijk bewegen. Bij zijn verzetswerk werkte Moonen samen met onder anderen Peter Tazelaar, die hij in contact bracht met Aart Alblas en Gerard Dogger. Hij zorgde er ook voor dat Johannes Terlaak een onderduikadres kreeg.
(meer…)

KOLONIËN ITALIË 4

Nadat de Ottomaanse troepen uit Libië waren weggetrokken, werd de strijd door de Libiërs voortgezet. Dit gebeurde onder aanvoering van de Libiër Omar Mukhtar, bijgenaamd de Leeuw van de woestijn. Hij voerde twintig jaar lang een guerrillaoorlog tegen de Italianen en werd in 1931 gevangengenomen. Hij was toen inmiddels al zeventig jaar oud, maar de Italianen beschouwden hem als een belangrijke en gevaarlijke gevangene, die zware kettingen om zijn armen en benen kreeg. Volgens zijn ondervragers las Omar Mukhtar op uit de Koran op de momenten dat hij werd gemarteld. Muktar werd door de bezetter na een kort showproces ter dood veroordeeld en op 16 september 1931 in Benghazi in het openbaar opgehangen. Tegenwoordig staat zijn beeltenis In Libië op het briefpapier van 10 Libische dinar. In 1981 kwam er de film Lion of the Desert uit over de laatste jaren van zijn leven, met onder anderen Anthony Quinn, Oliver Reed en Irene Papas. Er zijn ook overal straten naar hem vernoemd, niet alleen in Libië, maar ook in andere Arabische landen, want hij geldt als een voorbeeld voor moslims in onderdrukte gebieden.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 3

Italië was net als Duitsland pas laat in de 19e eeuw een eenheidstaat geworden, dus veel te laat om op koloniaal gebied nog echt een rol van betekenis te spelen. Wat beide landen er overigens niet van weerhield grote dromen te hebben. Bij de Koloniale Conferentie van Berlijn (november 1884-februari 1885) werd door veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd het Afrikaanse continent verdeeld. Groot-Brittannië en Frankrijk pikten het grootste deel van Afrika in, Duitsland kreeg Duits-Oost-Afrika, Namibië, Kameroen en Togo, België kreeg de begeerde vette kluif Congo, Portugal voegde Angola en Mozambique toe aan het koloniale rijk toe en Spanje bezette het zuiden van Marokko. En de Italianen mochten Libië, Somalië en Eritrea bezetten. Vanaf 1886 werden Somalië en Eritrea onmiddellijk door de Italianen bezet.

De bezetting van Libië liet aanmerkelijk langer op zich wachten. In 1882 had Italië met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije een verdrag gesloten (de Triple Alliantie) met de afspraak dat ze elkaar zouden steunen indien een van hen door twee of meer grootmachten zou worden aangevallen. Het verdrag was vooral gericht tegen Frankrijk, dat in 1881 Tunesië had bezet. In haar expansiedromen naar de overkant van de Middellandse Zee hadden de Italianen nu juist Tunesië als eerste op het oog. De gespannen relatie met het militair aanzienlijk sterkere Frankrijk, plus de inspanningen vanwege de kolonisatie van Somalië en Eritrea zorgden ervoor dat de bezetting van Libië niet de hoogste prioriteit had. En verder was Libië natuurlijk nog steeds deel van het Ottomaanse Rijk, dat weliswaar in verval was maar nog altijd een geduchte tegenstander.

(meer…)

EDUARD ALEXANDER LATUPERISSA

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Eduard Alexander ‘Eddy’ Latuperisa (Koedoes, 9 april 1902), de kapitein van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) die bij het uitbreken van de oorlog in Den Haag woonde, is meteen zeer actief in het verzet. Hij maakt deel uit van de Ordedienst, een groep van voornamelijk militairen, die de basis wil vormen van een nieuwe Nederlandse krijgsmacht na de oorlog. Deze Ordedienst moest bestaan om ongeregeldheden te voorkomen, die kunnen ontstaan na de oorlog, na het vertrek van de Duitsers. Onvermijdelijk ontwikkelt de Ordedienst zich vrijwel meteen tot verzetsorganisatie. Men wil bijvoorbeeld militaire steun bieden bij geallieerde landingen. Al in het eerste oorlogsjaar worden spionage- en sabotage-activiteiten gesteund en ondernomen. Kapitein Latuperisa staat in Den Haag in direct contact met een van de hoofdfiguren van de Ordedienst, jonkheer Johan Schimmelpenninck. In opdracht van deze Schimmelpenninck organiseert hij onder meer bridgeavonden, die in feite zijn bedoeld om cadetten van de officiersopleiding en adelborsten (aspirant zeemachtofficieren) tot de Ordedienst toe te laten treden. Hij trachten ook om wapens en een wapenopslagplaats te regelen, met geld van Schimmelpenninck.

Als een briefje uit de gevangenis is gesmokkeld over het transport van een gevangene is het Latuperisa die bij Schimmelpenninck aandringt een vrachtwagen te regelen om de gevangene (de Indische Johan Nout) te bevrijden. Latuperisa is ook betrokken bij de poging van drie mannen (Peter Tazelaar, Wiadi Beckman en Frans Goedhart) om in de nacht van 17 op 18 januari 1942 vanaf Scheveningen naar Engeland te vluchten. De poging mislukt, Tazelaar ontkomt, de andere twee worden opgepakt. Ook Latuperisa wordt op 13 maart 1942 aangehouden, twee maanden na het voorval op het Scheveningse strand. De aanklacht tegen de KNIL-kapitein luidt: ‘Sabotage, Feindbegünstigung (hulp aan de vijand), politischer Bestätigung und Wortbruch.’ (meer…)

HENRI FRANÇOIS RIKKEN

Henri François Rikken (Paramaribo, 30 mei 1863 – Paramaribo, 17 mei 1908) was een Surinaams prozaschrijver. Hij werd een maand voor de afschaffing van de slavernij geboren. Zijn vader was Jacobus Henricus Rikken, een sergeant-fourier bij de militairen, en zijn moeder was de ‘kleurling’ Elisabeth Maria Jantke, die rond 1825 was geboren. Hij bezocht er tot zijn veertiende jaar de burgerschool van frater Eduard en gaf toen al zijn ogen en oren goed de kost om kennis van de natuur en de mensen van zijn land te vergaren. In 1877 werd de veertienjarige Rikken naar Nederland gestuurd om een priesteropleiding te volgen. Daar schreef hij onder andere voor de Katholieke Illustrator. In Nederland bracht hij talrijke uren door in de Koloniale Bibliotheek in Den Haag en in archieven van Nederland, op zoek naar kennis over de Surinaamse geschiedenis en de folklore van de slaventijd. Op 24 mei 1892 kwam hij terug aan in Suriname waar hij als redemptorist ging werken in Coronie, Para, Vierkinderen, Chattilon en Nickerie. Omdat het Surinaams zijn eigen taal was, die hij door studie nog grondiger leerde en omdat hij ook een uitstekend redenaar was, waren zijn preken zeer geliefd en druk bezocht. Hij organiseerde de missie onder de Chinezen, waartoe hij hun taal leerde, bestudeerde de geschiedenis en folklore van Surinamem, verdiepte zich in het Sranantongo (de taal der Creolen) en ten behoeve van de Antilliaanse gouddelvers en spoorwegwerkers in het Papiaments (de Portugese Creoolse taal). In totaal schreef hij drie historische romans die als feuilleton verschenen in dagbladen en tijdschriften. Hij schreef verder ook enkele korte verhalen. In 1901 publiceerde hij Tokosì of Het Indiaansch meisje. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 35

SIEG VAZ DIAS

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Salomon Vaz Dias (Amsterdam, 1 juni 1904) was een Nederlands journalist, fotograaf en verzetsstrijder, die in de dagelijkse omgang door iedereen Sieg werd genoemd. Hij was de zoon van de kunsthandelaar Jacob de Salomon Vaz Dias en Hana Hamburger, die al voor de oorlog naar Groot-Brittannië waren geëmigreerd. Hij had één zus, Selma Vaz Dias (23 november 1911 — 30 augustus 1977), die ook in Amsterdam was geboren maar al op jonge leeftijd naar Groot-Brittannië was verhuisd en daar een carrière als actrice, schrijfster en schilderes opbouwde. Ze trad onder meer op in films van Alfred Hitchcock’s (The Lady Vanishes, 1938) en Michael Powell (One of Our Aircraft Is Missing, 1942), Ernest Morris (The Tell-Tale Heart, 1960). Verder zorgde ze dat het werk Good Morning, Midnight (1939) van de schrijfster Jean Rhys via theater en radio bekendheid verkreeg en introduceerde het werk van Jean Genet in het verenigd Koninkrijk. Sieg Vaz Dias was voor de oorlog als journalist verbonden aan De Telegraaf, waar Frans Goedhart een collega was. Gedurende de oorlog zouden beiden in de illegale Parool-groep  samenwerken. Sem Presser was in 1935 zijn leerling bij De Telegraaf. Het is niet uitgesloten dat Sieg familie was van Mozes Salomon Vaz Dias (Amsterdam, 22 mei 1881 – Amsterdam, 4 januari 1963), een Nederlands journalist en oprichter in 1904 van het Persbureau M.S. Vaz Dias, dat onder meer persberichten leverde aan dagbladen en in 1922 het eerste live-radioverslag ter wereld van een voetbalwedstrijd gaf. Het persbureau had ook een wereldprimeur door als eerste de moord op de aartshertog Franz Ferdinand en zijn echtgenote in Sarajevo op 28 juni 1914 wereldkundig te maken. Voor deze Mozes Salomon Vaz Dias is aan de Weesperstraat net ten zuiden van de M.S. Vaz Diasbrug het Monument Vaz Dias van Herman van der Heide geplaatst. Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zat Vaz Dias met fotojournalist Henk Temme bij de contraspionage, als medewerker van de Generale Staf sectie III (GS III), de eerste moderne Nederlandse inlichtingendienst die op 25 juni 1914 was opgericht om militaire gegevens over diverse Europese landen te verzamelen. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 2

Twee jaar later werd de Italiaanse koloniale droom een klein beetje ingevuld. Tussen 15 november 1884 en 26 februari 1885 werd de Koloniale Conferentie van Berlijn gehouden, waar veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd Afrika verdeelden. Groot-Brittannië richtte zich op het bezitten van een ononderbroken strook van Egypte tot aan Zuid-Afrika, dus het oosten en zuiden van het continent. Dat Nigeria en Zuidelijk Afrika Brits werden was grotendeels het gevolg van particulier initiatief. Het Britse streven werd doorkruist door dat van de Fransen die een west-oostverbinding wilden, een strook die het gehele continent bestreek vanaf de Atlantische Oceaan, via de Sahara, tot aan de Rode Zee. Op het snijpunt kwam het bijna tot een gewapend treffen, het Fashoda-incident. Het Britse streven werd ook doorkruist door de Duitse aanwezigheid in Duits-Oost-Afrika (het huidige Tanzania). Duitsland had behalve Tanzanië ook Namibië, Kameroen, en Togo toegewezen gekregen. België kreeg de begeerde vette kluif Congo, die privébezit van koning Leopold II zou worden. Portugal voegde Angola en Mozambique toe aan hun bezittingen en Spanje bezette het zuiden van Marokko. En de Italianen mochten Libië, Somalië en Eritrea bezetten. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 1


Vanaf de 17e eeuw was de macht van de Italiaanse stadstaten flink gedaald. In de klassieke oudheid was het Italiaanse schiereiland de kern van het Romeinse Rijk en toen een absoluut hoogtepunt wat betreft politieke, economische en culturele invloed. Vanaf de inval van de Longobarden in de vroege Middeleeuwen ging het rijk langzaam ten onder, hoewel het gebied ondanks de staatkundige verdeeldheid en onderlinge oorlogen nog redelijk belangrijk bleef. Het Apennijns Schiereiland kende rijke handelsrepublieken zoals Florence, Genua en Venetië en ook cultureel was de invloed nog steeds erg groot. Zo was de regio Toscane de oorsprong van de renaissance. Het Italiaans gebied was verder van belang omdat Rome de zetel van de paus was.

De macht van de Italiaanse staten slonk echter vanaf de 17e eeuw aanzienlijk. De wereldlijke en geestelijke macht in Europa van de paus ging door toedoen van de protestantse reformatie achteruit. Het Ottomaanse Rijk controleerde steeds meer de gehele Middellandse Zeegebied en de opkomst van West-Europese koloniale machten op de wereldmarkt verminderde de economische en militaire macht van alle Italiaanse staten. Het Italiaanse grondgebied, inclusief de eilanden, werd een speelbal van Spaanse, Franse en Habsburgse vorstenhuizen. In de Tweede Coalitieoorlog (1799-1802) versloeg Napoleon de Habsburgse monarchie. Deze nederlaag dwong Oostenrijk in 1801 tot het tekenen van de Vrede van Lunéville, waardoor een groot deel van Italië in Franse handen kwam. In 1805 liet Napoleon zich eveneens kronen tot koning van Italië. Het zou tot 1814 duren vooraleer hij het hele schiereiland, rechtstreeks of indirect, onder zijn heerschappij kreeg. (meer…)

DIETRICH VON SAUCKEN

Dietrich Friedrich Eduard Kasimir von Saucken (Fischhausen, 16 mei 1892 – Pullach im Isartal, 27 september 1980) was een Duits aristocraat, een telg uit het oude Pruisische geslacht Von Saucken. Hij werd geboren in Fischhausen in Oost-Pruisen, vlak bij Köningsberg. Het was een van de oudste nederzettingen in de regio. Het stadje werd na heftige gevechten van 21 tot 24 april 1945 door de Russen veroverd en bijna compleet verwoest. Sindsdien hoort de plaats tot de oblast Kalinigrad in Rusland, onder de naam Primorsk. Uit de Duitse tijd resteren nog het station, een brug en de ruïne van de kerk. In 1996 werd er een Duitse oorlogsbegraafplaats ingewijd. Von Saucken was de zoon van de Landrat, de hoogste gezagvoerder van een Duitse Landkreis, een bestuurlijke laag tussen de gemeenten en een Regierungsbezirk, (een van de districten waarin een deelstaat is verdeeld). Elke Landkreis heeft een eigen, gekozen volksvertegenwoordiging, de Kreistag en een Landrat als hoofdbestuurder. Deze hoogste ambtenaar op lokaal niveau wordt via directe verkiezingen gekozen door de inwoners. Ze is verantwoordelijk voor bepaalde bovengemeentelijk zaken zoals een ziekenhuizen, afvalverwerking, rijbewijzen, monumentenzorg en dergelijke.De jonge Von Saucken ging in Köningsberg naar het  Collegium Fridericianum, een zeer prestigieus gymnasium, waar hij in 1910 afstudeerde. Als student liet hij als zien artistieke kwaliteiten te hebben, wat door zijn moeder en Georg Ellendt, de directeur van het gymnasium, werd aangemoedigd. Hij bezocht dan ook vaak de kunstenaarskolonie Nidden (tegenwoordig Nida in Litouwen), waar beroemde schilders en dichters als Lovis Corinth, Max Pechstein, Alfred Lichtwark, Karl Schmidt-Rottluff, Alfred Partikel, Julius Freymuth, Eduard Bischoff, Ernst Wiechert, Carl Zuckmayer, Ernst Kirchner, Ernst Mollenhauer, Franz Domscheit, en Herrmann Wirth vaak vertoefden. (meer…)

BOB WIJNBERG

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Abraham ‘Bob’ Wijnberg (Groningen, 17 oktober 1913) was een zoon van Mozes Wijnberg (Leek, – Vught, – Sobibor, 15 juli 1909 – Sobibor, Vrouwgien (Groningen, 6 augustus 1911) overleefde als enige van het gezin de oorlog. Bob was getrouwd met Mimi Gobits (Den Haag, 29 december 1914), het oudste kind van stoffeerder Samuel Gobits en Rebecca Leeuwin. Haar ouders hadden in Dordrecht twee goedlopende meubelzaken aan de Voorstraat. Het gezin was traditioneel joods. Alle feestdagen werden gevierd en het huishouden was koosjer. Dat gold ook voor het gezin Wijnberg, al hield zoon Bob zich niet bepaald aan de spijswetten. Hij was vooral geïnteresseerd in de linkse zionistische jeugdbewegingen, zoals zoveel joodse jongeren – net als zijn aankomende vriendin Mimi. In 1932 ontmoetten Bob en Mimi elkaar tijdens een bijeenkomst van de Nederlandse Zionisten Bond. Ze waren eerst van plan naar Palestina te emigreren, maar het lukte Bob niet er vast werk te vinden en hij keerde terug. De jonggeliefden trouwden en kregen op 6 juli 1942 een dochter: Chawwa Hadassah Riwka. In 1941 ging Bob in het gewapend verzet, maar op 24 juli 1942 werd hij in Ede gearresteerd. Als gevolg van die arrestatie moeten Mimi en Chawwa in juli 1942 in Ilpendam onderduiken, wanneer ze nog maar zestien dagen oud is. Ze zouden de oorlog overleven, honderden familieleden werden echter vermoord in de vernietigingskampen. (meer…)

EERSTE NIEUWSBRIEF VAN PIETER ‘T HOEN

Op 25 juli 1940 verscheen van Frans Goedhart het eerste gestencilde krantje dat de naam De nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen had gekregen, een verwijzing naar de Nederlands journalist, dichter en politicus Pieter ’t Hoen (1744-1828) die als Patriot ten strijde was getrokken tegen het absolutisme van zijn tijd. Vlijmscherp legt Goedhart uit dat de neutraliteitspolitiek die Nederland jarenlang navolgde wel gedoemd moest zijn te mislukken en dat een enorme misrekening van de nationaalsocialistische dadendrang eraan ten grondslag lag. Goedhart stuurde het stencil op aan een aantal bekende Nederlanders en een aantal kapperszaken. Zijn pamfletten werden binnen Amsterdam en directe omgeving snel populair. Om de oplage te kunnen vergroten en de verspreiding te verbeteren was al snel samenwerking nodig met anderen. Met drukkers bijvoorbeeld, want voor grotere oplagen kon niet langer worden volstaan met stencils. Met andere journalisten, omdat het ondoenlijk was alle journalistieke werkzaamheden in je eentje te doen. Met medestanders die hetzelfde sociaaldemocratische gedachtegoed aanhingen. Met mensen die zorgden voor de financiën en organisatie. Met vrijwilligers die zorgden dat de kranten telkens weer bij die tienduizenden abonnees terecht kwamen. Vanaf 10 februari hield De nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen op te bestaan en werd het illegale werk via de nieuw opgerichte krant Het Parool voortgezet. Op 27 september 1943 zou Het Parool als allereerste uitgave in Nederland berichten over het bestaan van gaskamers in Duitse Kampen. Frans Goedhart hoorde dit in groot detail van Poolse medegevangenen toen hij in Kamp Vught vast zat. Twee pagina’s werden er gewijd aan het begrip concentratiekamp en de afschuwelijkheden die er gaande waren in deze kampen. Volgens Madelon de Keizer, die een boek schreef over het verzetsblad in oorlogstijd, verschenen na het eerste nummer van 25 juli 1940 nog 26 stencils van De nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen. De laatste verscheen op 10 april 1941, met de kanttekening dat van bij drie nummers geen exemplaren overgebleven zijn en vraagtekens kunnen worden geplaatst bij hun verschijning. Hieronder de eerste memorabel uitgave van Frans Goedhart.

(meer…)

FRANS GOEDHART

Frans Goedhart (Amsterdam, 25 januari 1904 – Amsterdam, 3 maart 1990) was een Nederlands politicus, verzetsstrijder en journalist. Vanaf zijn zesde jaar groeide hij op in verschillende weeshuizen, nadat zijn vader overleden was en zijn moeder niet in staat was hem te verzorgen. Na afronding van zijn MULO-opleiding in Dieren in 1922 werd hij als leerling-journalist aangenomen bij de Velpsche Courant. Een jaar later kwam hij in dienst bij de Provinciaalsche Geldersche en Nijmeegsche Courant. In 1924 trad hij in dienst van De Telegraaf, maar na anderhalf jaar werd hij ontslagen omdat hij aan astma leed. Hij slaagde er daarna nauwelijks in het hoofd boven water houden en greep de kans aan een baan te krijgen bij de Belgische krant Het Laatste Nieuws, een krant die in juni 1888 in Brussel was opgericht en een liberale en vrijzinnige karakter had. De krant was aanvankelijk een spreekbuis van het radicaal antiklerikalisme, maar later werd een ruimer publiek bereikt door een gematigdere stijl, meer regionaal nieuws en een verruimde sportkatern. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou het blad onder Duitse censuur blijven verschijnen. Hier beleefde Goedhart de eerste jaren van de economische depressie. Omdat hij in 1931 deelnam aan een grote typografenstaking werd hij hier ontslagen. Hij en zijn echtgenote (hij was op 10 juli 1929 in het huwelijk getreden met Maria van den Ring, met wie hij een zoon kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 12 november 1945. Op 13 december 1945 hertrouwde hij met Maria van Alebeek, lerares Nederlands en geschiedenis, met wie hij een dochter en een zoon kreeg) keerde begin 1932 terug naar Nederland. (meer…)

MEER DAN ALLEEN AUSCHWITZ

Kevin Prenger (1980, hoofdredacteur bij Traces of War) heeft een aantal boeken over de Tweede Wereldoorlog geschreven, waaronder biografieën van Kurt Gerstein (‘Een boodschapper uit de hel’), Konrad Morgen (‘Een rechter in Auschwitz’) en Arthur Nebe (‘Het masker van de massamoordenaar’). Drie SS’ers die enerzijds volop meedraaide in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds claimde betrokken te zijn in het Duitse verzet. Ook schreef hij aardig boeken over de manieren waarop aan de diverse fronten gedurende de oorlog Kerstmis werd gevierd (‘Kerstmis onder vuur’) en over de laatste Duitse propagandafilm en de ondergang van het stadje Kolberg (‘Kolberg’). In zijn laatste boek vertelt hij twaalf verhalen die de Holocaust beschrijven ‘vanuit een ander perspectief dan gebruikelijk’. Verhalen die makkelijk onafhankelijk van elkaar kunnen worden gelezen, maar tezamen een brede blik op verschillende facetten van de Jodenvervolging geven.

De titel geeft wat dat betreft de intentie van de auteur treffend weer: de Holocaust was meer dan alleen Auschwitz. Dat vernietigingskamp is niet ten onrechte het symbool van de massamoord geworden, maar is in de loop der jaren zo allesoverheersend geworden dat soms het idee postvat dat de zes miljoen vermoorde Joden allemaal in de gaskamers van dat Duitse kamp in Polen om het leven werden gebracht. In Auschwitz zijn volgens de meest accurate schatting 1,1 miljoen mensen vermoord, waaronder ongeveer 200.000 niet-Joden (140.000 Polen, 23.000 zigeuners, 15.000 Russische krijgsgevangenen en ruim 25 000 slachtoffers van andere etniciteiten). De andere vijf miljoen Joden die gedurende de oorlog het leven verloren werden dus elders omgebracht. (meer…)

PIETER ‘T HOEN

Pieter ’t Hoen (gedoopt 18 oktober 1744 in Utrecht – Amersfoort, 9 januari 1828) was een Nederlands journalist, dichter en politicus die een belangrijke rol speelde tijdens de Patriottentijd als de redacteur van De Post van den Neder-Rhijn. Hij was de zoon van een Utrechtse kruidenier en kaashandelaar. Pieter begon in 1755 een studie aan de hoog aangeschreven Hiëronymusschool (een Latijnse school in Utrecht), maar was zo onhandelbaar dat hij op verzoek van zijn ouders op 29 december 1761 veroordeeld werd om voor een jaar opgesloten te worden in De Vurige Kolom, een verbeterhuis in de Lange Nieuwstraat in Utrecht. Hier mocht hij in november 1762 weer van vertrekken. In april 1763 trouwde de negentienjarige Pieter met de toen zeventienjarige Annemietje Nihot, dochter van een Leidse textielkoopman. Ze zouden bijna 63 jaar gehuwd blijven en tussen 1764 en 1781 vier zonen en vier dochters krijgen. Het paar trok in bij zijn ouders op de Neude in Utrecht, waar hij waarschijnlijk tot 1777 werkzaam werd in het bedrijf van zijn vader. Via zelfstudie probeerde hij de afgebroken schoolopleiding weer goed te maken en tegelijkertijd probeerde hij toegang te krijgen tot de literaire kringen van eind 18e eeuw. Dat lukte hem en in de loop der jaren werd hij een succesvol schrijver van poëzie, vooral van kinderrijm en toneelstukken. In 1777 werd hij benoemd tot rentmeester van het Collegium Willebrordi, een internaat dat was verbonden aan de Hiëronymusschool. Hij kreeg nu meer tijd om zich te wijden aan zijn literaire werk en de functie gaf hem toegang tot de wereld van de Utrechtse regenten en de Utrechtse politiek. (meer…)

JOHAN DE JONGE MELLIJ

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Johan Frederik Henri de Jonge Mellij (Amsterdam, 16 oktober 1905) was een eerste luitenant der infanterie, die in 1938 bij het Kaderbataljon te Laren werd geplaatst en woonachtig was in Bussum. Hij maakte in Den Haag deel uit van een informele groep van cadetten van de KMA te Breda, die de onderlinge contacten intact wilde houden. Tot die groep behoorde onder meer de tweede-luitenant Chris Navis, de kornet Fridtjof Dudok van Heel en de cadet Ton Abbenbroek. Het roepje zou later deel uitmaken van de verzetsgroep van Joan Schimmelpenninck, een groep die later geruisloos zou opgaan in de Ordedienst. De Jonge Mellij werd door Pierre Versteegh gevraagd om voor de Ordedienst koerier te worden en wapens te verzamelen. Nadat Versteegh was gearresteerd werd op dezelfde manier doorgewerkt door De Jonge Mellij onder leiding van respectievelijk Schimmelpenninck, Abbenbroek en Gerard Dogger. Hij pleegde bijvoorbeeld sabotage op het vliegveld Soesterberg en wist wapens te bemachtigen uit door Duitsers bewaakte magazijnen.

Op 18 januari 1942 was er op de Scheveningse Boulevard een ‘afhaaloperatie‘ van de groep-Hazelhoff Roelfzema, die Wiardi Beckman en Frans Goedhart met een torpedoboot naar Engeland zouden brengen. Deze operatie mislukte waarbij Wiardi Beckman, Goedhart en Willem Pasdeloup werden gearresteerd. Pasdeloup kreeg bij zijn arrestatie te maken met twee beruchte Haagse agenten, Leo Poos en Marten Slagter, die de Sicherheitspolizei hielpen bij de opsporing en hardhandige ondervraging van verzetslieden. Het duo was onder meer betrokken bij de arrestaties en verhoren van Joan Schimmelpenninck, Stuuf Wiardi Beckman, Frans Goedhart, Willem Pasdeloup, de groep van Velu en Hertly, sergeant-majoor Hoekstra, Pim Boellaard, Cor Gootjes, de Bastiaans-Nout en de studenten Bekkie de Loos en Frits van der Schrieck. (meer…)

ROWWEN HÈZE

CHRISTIAAN HESEN

Christiaan Hesen (Horst, 19 mei 1853 – Tegelen, 5 februari 1947) was een dorpsfiguur uit het Limburgse dorp America, die postuum legendarisch zou worden. Hij was de zoon vaneen arme  dagloner, de jongste van acht kinderen. Met z’n 1,61 meter was hij betrekkelijk klein van stuk en zijn dikke neus en ronde kin maken hem tot een markant figuur. Hij trouwde op 30 november 1883 in Horst met de drie jaar jongere Maria Scheeres uit Roggel. Kort daarna verhuisde het echtpaar naar America, waarschijnlijk omdat werk te vinden was in dat dorp van veenarbeiders dat pas enkele decennia bestaat. Door verbeterde landbouwmethoden en de uitvinding van kunstmest vonden in de loop van de negentiende eeuw in de Peel kleinschalige ontginningen plaats van de immense heidevelden, wat steeds gepaard ging met de bouw van boerderijen. De ontwikkeling van America tot dorp hing ook samen met de aanleg van de spoorlijn Venlo-Eindhoven. Op de plaats waar een karrenspoor de spoorlijn kruiste, werd in 1866 Wachtpost 16 gebouwd, wat uitgroeide tot een dorpskern met onder meer een school (1888), een kerk (1892) en een bakkerij met maalderij, winkel en café (1892). Werk is vooral te vinden in het naburige Griendtsveen, waar op grote schaal turf wordt gewonnen en verwerkt, onder impuls van de familie Van de Griendt. Jan van de Griendt (1804 – 1882), een koopman uit Den Bosch, was de aannemer van het traject Helmond-Venlo van de spoorlijn geweest. In 1853 was hij een van de oprichters van de Maatschappij tot ontginning en vervening van de Peel, later omgedoopt in Maatschappij Helenaveen. Hij stichtte het dorp Helenaveen, dat in Noord-Brabant ligt. Zijn zoons Jozef en Eduard zetten zijn werk voort en stichtten in Limburg het dorp Griendtsveen, waar de Griendtsveen Turfstrooisel Maatschappij actief was. Beide door de familie gestichte dorpen waren verbonden door de Helenavaart, een 15,7 km lang kanaal dat van 1853-1880 door de Maatschappij Helenaveen werd gegraven om turf af te voeren uit verveningsgebieden en ter ontwatering van het veengebied. (meer…)

RUDOLF HARTOGS

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Rudolf Hartogs (Berlijn, 1918) was een boekhouder te Amsterdam. Hij werd op 18 april 1942 in Amsterdam opgepakt, samen met Jacob Knol. Er is nergens te achterhalen voor welk misdrijf beide mannen werden aangehouden en hoe het direct daarna is verlopen. Van Jakob Knol (Amsterdam, 17 april 1914) is bekend dat hij op van 6 november 1942 tot 16 januari 1943 gevangen zat in kamp Amersfoort, daarna tot 11 maart in kamp Vught, daarna tot 25 oktober 1943 op een onbekend gebleve locatie verbleef, op 25 oktober 1943 op transport werd gezet naar Natzweiler en van daaruit op 6 september direct naar Dachau. Sommige bronnen zeggen dat hij ook van daaruit direct werd doorgestuurd, nu naar concentratiekamp Flossenburg, waar hij op 27 september 1944 zou zijn overleden, pas dertig jaar oud. Een andere bron meldt echter dat hij pas op 2 april 1945, vlak voor zijn 31ste verjaardag, zou zijn in Aussenlager Gröditz, dat van 27 september 1944 tot 17 april 1945 een buitenkamp van concentratiekamp Flossenbürg was en waar in totaal bijna 1.000 mannen tewerkgesteld waren aan de bouw van Flak-afweergeschut voor de Mitteldeutsche Stahlwerke van het Flick-concern. Ze werkten en waren ondergebracht in een afgescheiden deel van de machinebouwfabriek. Van Rudolf Hartogs is het traject niet bekend. Hij was een van de leden van de Ordedienst die op 27 april 1943 in kamp Haaren ter dood werden veroordeeld en op 3 mei 1943 op de Leusderheide werd geëxecuteerd.

BOUDEWIJN DE GROOT

DE STORMRAMP VAN 1863 – 2

In de nacht van 3 op 4 december 1863 woedde een zeer zware storm in het Noordzeegebied en ook elders in Europa was het aan de kust aanhoudend uitzonderlijk zwaar weer. De hele week werd beheerst door storm; van het Skagerrak tot aan Zuid-Spanje hadden de kusten het hevig te verduren.

De grootste scheepsramp tijdens de stormramp van 3-4 december 1863 was die van de Duitse bark Wilhelmsburg op de Boschplaat bij Terschelling. Het schip, genoemd naar een havenwijk van Hamburg, was in 1853 gebouwd voor vervoer van landverhuizers. De Wilhelmsburg kwam ’s nachts bij Oost-Terschelling in moeilijkheden. Het schip was op 25 november 1865 uit Hamburg vertrokken met 29 bemanningsleden en ruim driehonderd passagiers aan boord, die op weg waren naar Moretonbay, Queensland in Australië, waar ze een nieuw bestaan wilden opbouwen. Moreton Bay en de gelijknamige eilanden ligt vlak voor de kust van Brisbane. Vermoedelijk waren de landverhuizers op weg naar Brisbane, maar zouden ze in de Moreton Bay aan land gaan. Vanaf woensdag 2 december had het schip te kampen met harde storm uit het westen, die op donderdag 3 december in de middag toenam en uit West Zuid West kwam. De zee was toen al ‘schrikwekkend hoog’. Om negen uur in de avond van 3 december was de wind toegenomen tot orkaankracht waardoor het schip door de zee overstelpt werd en op haar kant kwam te liggen. Rond middernacht was de wind west-noord-west, een hevige orkaan met hagel en regen. Om twee uur ’s nachts raakte het schip grond op de Boschplaat ten oosten van Terschelling, waarna werd besloten de masten te breken. Om drie uur begon het schip in stukken te breken. (meer…)

DE STORMRAMP VAN 1863 – 1

In de nacht van 3 op 4 december 1863 woedde een zeer zware storm in het Noordzeegebied en ook elders in Europa was het aan de kust aanhoudend uitzonderlijk zwaar weer. De hele week werd beheerst door storm; van het Skagerrak tot aan Zuid-Spanje hadden de kusten het hevig te verduren. Op 3 december was het overdag meteen als raak. In de loop van de dag bereikte het centrum van de depressie via de Britse eilanden de Noordzee, die door de orkaan werd opgezweept tot een ontembaar monster. In de avond van 3 december daalde het weerglas op Terschelling plotseling tot ongekende laagte. Het centrum van de depressie zou die nacht langs de Waddeneilanden trekken, een spoor van menselijk leed achterlatend. De Harlinger Courant berichtte later: ‘In de namiddag van de 3de december 1863 wakkerde de wind steeds meer aan en bereikte in het begin van de avond stormkracht. De bergplaatsen der locomotieven en wagons waren reeds vroeg ingestort. In de nacht begon het steeds harder te waaien, hetgeen gepaard ging met donder en bliksem, terwijl de storm haar grootste kracht scheen te bereiken. De volgende dag durfde zich haast niemand op straat te begeven, daar het hoogst moeilijk was om staande te blijven en de neerstortende dakpannen, schoorstenen, gevels of gedeelten daarvan iedere dreigde te verpletteren. Met het aanbreken van de dag zag onze stad er uit alsof zij een kanonnade had doorstaan. Overal puinhopen, aan alle zijden verwoesting en zelfs ingestorte gebouwen’. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 34

FRITJOF DUDOK VAN HEEL

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Fritjof Dudok van Heel (Semarang, 19 april 1918) was de zoon van een administrateur van een suikerfabriek in de buurt van Kendal, ten westen van Semarang. Het gezin keerde na de crash van 1929 naar Europa terug en vestigde zich in 1932 in Bussum. In de zomer van 1938 behaalde Fritjof zijn diploma HBS-B aan het Christelijk Lyceum in Bussum. Aanvankelijk was hij vrijgesteld van militaire dienst vanwege ‘broederdienst’, maar die vrijstelling kwam te vervallen. Vanaf 10 oktober 1938 was hij in actieve dienst, per 2 januari 1939 bij het 1e Regiment Huzaren. Hij werd geplaatst op het depot van de cavalerie in Amersfoort: ‘alles meldt zich hier aan, tot de lichting 1929 toe. Dat zijn mensen die al zo’n veertien jaar uit de dienst zijn, getrouwde mannen, die nu net als de groenjassen (nieuwelingen), opnieuw afgericht moeten worden, door ons, piepjonge wachtmeesters.’ Als kornet was hij in de meidagen van 1940 commandant van het 3e peloton van het 3e eskadron van het 4e regiment Huzaren. Dat was gelegerd in Winssen, iets ten westen van Nijmegen in Gelderland. Al op 9 mei om 22.00 uur bereikten het eskadron alarmerende berichten. ‘Volgens vastgesteld plan werden de orders van Staf Brigade B, voor verhoogde en volledige strijdvaardigheid, uitgevoerd, waaronder bruggen bezetten, springladingen en versperringen aanleggen, e.d.’ In een verslag van 12 februari 1941 beschreef Dudok van Heel de oorlogshandelingen van de volgende vier dagen van zijn peloton. Op 12 en 13 mei raakten zij betrokken bij de gevechten rond Rhenen. Daarna moesten ze zich noodgedwongen terugtrekken. Toen het regiment op 14 mei in Achtersloot, ten zuidwesten van Utrecht, was gelegerd hoorden ze in de vooravond het bericht van de capitulatie. ‘Het 3e Peloton is gedurende alle oorlogsdagen volledig in de hand geweest. Er hebben zich geen ontvluchtingspogingen voorgedaan. Ordonnansen zijn steeds teruggekeerd en Huzaren die gewonden naar achteren vervoerden, hebben zich later weer teruggemeld bij hun commandant’, zo besloot hij zijn rapport. Fritjof meldde zich aan bij de School voor Suikerindustrie in de Van Breestraat in Amsterdam en werkte als volontair bij de Suikerfabriek Holland in Halfweg. Maar dat hij zich bij het verzet zou aansluiten, lag voor hem voor de hand: ‘Ben trouw aan Koningin verschuldigd, dus moet ook werken voor Vaderland. Daadwerkelijk meehelpen is wat anders dan met de mond.’ Hij was niet de enige in het gezin. Zijn jongere zus Mun was koerier bij de Geheime Dienst Nederland. De familie had onderduikers in huis en een stencilmachine voor verzetswerk. Zijn vader stierf aan een hartaanval op oudejaarsavond 1942, toen hij op straat werd aangehouden.

Nadat Gerard Dogger, Peter Tazelaar en Stuuf Wiardi Beckman een aantal malen tevergeefs op het strand op Erik Hazelhoff Roelfzema hadden gewacht, besloot Dogger in december 1941 om ‘hulptroepen’ mee te nemen. Zijn verzetsvrienden van de Ordedienst Chris Navis en Fritjof Dudok van Heel zouden de andere piertjes bewaken ‘om de weg te wijzen als die amateurs uit Engeland verkeerd landen’. Fritjof Dudok van Heel en Gerard Dogger kenden elkaar uit de verzetsgroep rond jonkheer Joan Schimmelpenninck. Toen die hem op 7 november 1941 had gevraagd om zich geheel aan het illegale werk te wijden, had Dudok van Heel dat verzoek aanvaard en was naar Den Haag verhuisd. Eerder al, direct na de capitulatie was hij met enkele vrienden, ongeorganiseerd, aan illegale activiteiten begonnen. Daartoe voelde hij zich als reserve kornet van de Cavalerie verplicht. In augustus en september 1941 trad hij enkele malen op als ordonnans van kolonel Peter Versteegh, toen chef-staf van de Ordedienst. Die woonde op de Jacoblaan 16, op een steenworp afstand van Dudok van Heels ouderlijk huis op de Busken Huetlaan 10 in Bussum. Fritjof was verloofd met Versteeghs stiefdochter Bé der Kinderen.

Bij de Ordedienst werd Fritjof verbindingsofficier. Zo verzorgde hij enige tijd de verbinding met de gewestelijke Ordedienst-organisaties in Friesland, Limburg, Overijssel en de Achterhoek en was betrokken bij de financiering van de organisatie door Auguste van Lennep. Na de arrestaties in de top van de Ordedienst, moest Fritjof samen met Chris Navis vanaf maart 1942 de organisatie overeind proberen te houden. Ze zagen elkaar eens in de veertien dagen, ‘waarbij wij elkaar in groote lijnen onze vorderingen mededeelden en beiden nogal geheimzinnig waren’, zo schreef Navis na de oorlog. Dudok van Heel was maar net ontkomen toen er begin maart een inval gedaan werd op zijn adres in de Piet Heinstraat. Zijn hospita had de Gestapo naar de bovenverdieping gestuurd, terwijl hij beneden sliep. Navis had vervolgens de spullen uit zijn kamer gehaald. Maar op 14 juli liep het fout. Cees van der Put, die sinds een maand als koerier van Dudok van Heel fungeerde, haalde hem op in Amersfoort, waar Fritjof bij zijn schoonzus logeerde. Daarna werden ze beiden opgepakt. Van der Put verraadde alles bij zijn verhoor en werd vrijgelaten. Dudok werd gevangen gehouden: tot 7 november 1942 verbleef hij in strenge Einzelhaft in Scheveningen, tot ongeveer 18 januari 1943 was hij geïnterneerd in Amersfoort, tot 12 maart in Vught.

Uit de gevangenis in Haaren had Fritjof een groot aantal boodschappen naar zijn verloofde Bé der Kinderen weten te sturen. Bé werd na de oorlog een van de belangrijke verslagleggers van de geschiedenis van de Ordedienst. Over Scheveningen schreef hij: ‘Einzelhaft (streng) ohne Begünstigung, Briefverkehr oder Lüften. Daarmee zonderen ze je volkomen af van elk ander levend wezen. Toen ik na 3 mnd. eindelijk een boek in handen had, kon ik wel huilen van plezier.’ Sachbearbeiter Walter Bartels had tijdens de verhoren gedreigd zijn ouders en zusje gevangen te nemen. ‘Niet hard geslagen, doch veel geplaagd met kruisverhoren op gekste momenten. ’s Nachts uit bed gehaald of vlak voor eten als dit reeds in gang is gehoord. Onthouding van maaltijd. Eerste 2 dagen niets gekregen. Wel roken. Duizelig van slapte en langdurig verhoor, soms 6 à 7 man tegelijk.’ Het regime dat hij in de Kampen Amersfoort en Vught meemaakte was barbaars. Mishandeling, ondervoeding, doodslag en moord, vernedering, uitputting. Het ‘ophitsen van half afgerichte honden’, de volstrekt onvoldoende kleding, het staan in de kou, de willekeur en het sadisme. De Joodse gevangenen hadden het het zwaarst te verduren.

Op 15 maart 1943 begon in Haaren het zogenoemde Tweede OD-proces waar Dudok van Heel met 99 anderen werd aangeklaagd. Over het proces in Haaren schreef hij dat vanwege de vele verhoren en confrontaties, de Ordedienst-mensen er snel achter kwamen als anderen meer toegaven dan zij. Uit zijn 24 pagina’s lange verklaring moest Dudok van Heel woorden, soms hele bladzijden intrekken, ‘als uit andere getuigenverklaringen [het] tegendeel bleek’. Eerste luitenant Pieter Vroom, die met Navis had samengewerkt en Van der Put bij de Ordedienst had geïntroduceerd, bleek mee te werken: ‘Practisch alle Gew.[estelijke] Ctn.[Commandanten] genoemd. Belofte dan rest vrijuit […].’ Hij kwam ook bij Fritjof: ‘Zeg nu maar alles, het mes moet erin gezet om erger te voorkomen.’ Op 27 april werden 21 van de aangeklaagden ter dood veroordeeld. Ze werden naar het Huis van Bewaring in Utrecht gebracht. Daarna was het afwachten. Zou een gratieverzoek werken, revisie? Als sabotage en spionage niet bewezen konden worden, leek er nog hoop te zijn. Op 5 juli schreef Dudok van Heel in de clandestiene correspondentie aan Bé der Kinderen: ‘Inderdaad is onze zaak hoopvol, doch alles hangt ten slotte toch aan een zijden draad. Hangt er nu maar van af, of die draad sterk genoeg is voor het gewicht.’ Dat bleek niet het geval. Er werden slechts vier gratieverzoeken verleend, aan Willem Kolff, Nicolaas Tibo, Jan Velu en Willem Roëll. Zestien mannen werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide gefusilleerd, onder wie Joan Schimmelpenninck, Gerard Vinkesteijn, Anton Abbenbroek, Eddy Latuperisa, Johan de Jonge Mellij, Lex Althoff, Sieg Vaz Dias en Fritjof Dudok van Heel. Broer Moonen werd wegens ziekte later gefusilleerd, op 7 augustus. (overgenomen van www.wiardibeckman.com)

THE ANIMALS

NICO ROST

Nicolaas Rost (Groningen, 21 juni 1896 – Amsterdam, 1 februari 1967) was een Nederlands schrijver, vertaler, journalist en verzetsman. Actief antifascist en communist. Liefhebber van de Duitse literatuur. Rokkenjager. Levensgenieter. Hij heeft Kafka ontmoet, was aanwezig bij de begrafenis van Lenin en sprak met Trotski. Bevriend met tal van schrijvers en kunstenaars uit binnen- en buitenland. Zijn naam heeft bij de lezer van nu nog een bekende klank door zijn boek Goethe in Dachau, dat duidelijk maakt dat zijn oorlogs- en kampervaringen hem niet weerhielden van de Duitse cultuur en literatuur te blijven houden. Niet Duitsland was verkeerd, de nazi’s waren dat.Hij was de oudste van twee kinderen in een keurige familie in Groningen, dat woonde in een deftig huis aan een van de singels. Er was een kenmerkende tweedeling in de familie. Moeder en zus Lidi verlieten het huis altijd door de voordeur, terwijl vader en Nico door de achterdeur gingen waar ze uitkwamen in het armoedig deel van de stad, waar voornamelijk Joden woonden. In De vrienden van mijn vader (1956) liet Rost een gevoelig portret na van de Joden die in Groningen in en rond de Folkingestraat hebben geleefd. Het boek is een monument voor deze vrijwel geheel uitgemoorde groep mensen en vertelt over hun dagelijks leven, hun armoede, vroomheid en studiezin. De jonge Nico kwam dus al jong in aanraking met allerlei soorten mensen en vooral ook met armoede. Hij zag de grote sociale ongelijkheid, war de kiem moet hebben gelegd voor zijn latere communistische sympathieën. Zijn gymnasiumopleiding aan het Praedinius Gymnasium in Groningen maakte hij niet af, want Nico had teveel andere dingen waar hij mee bezig was. Hij las heel veel, had literaire aspiraties en wilde schrijver worden. Dat werd in het burgerlijk milieu niet op prijs gesteld, want daar werd verondersteld dat hij zijn vader zou opvolgen. Zijn eerste werk werd slecht ontvangen, maar desondanks kon hij na zijn militaire diensttijd wel van zijn schrijfwerk leven. In 1919 was hij al het huis uitgezet en werd zijn toelage ingetrokken omdat hij wilde trouwen met de 19-jarige Maud Kok. Het stel trouwde in Amsterdam, waar in 1920, op een lekkende zolderkamer onder een omgekeerd opgehangen paraplu, hun dochtertje Molly werd geboren. (meer…)

LEX ALTHOFF

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Adrianus Aloijsius Felix (Lex) Althoff (Haarlem, 12 september 1904) was een Nederlands journalist, die in 1924 zijn loopbaan begon bij het Haarlem’s Dagblad. Hij trouwde op 2 februari 1927 met Elisabeth van Loenen. Hij was katholiek opgevoed, maar in 1932 zette hij daar een punt achter. Hij volgde als journalist nauwgezet de ontwikkelingen in nazi-Duitsland en schreef daarover romans. Daarna ging hij op 1 februari 1932 voor Het Volk werken. Hij werd daar chef van de nachtredactie. Omdat hij niet bij een nationaalsocialistische krant wilde werken, nam hij op 20 juli 1940 ontslag bij Het Volk. Hij ging in het verzet en was vanaf het begin medewerker bij de illegale krant Het Parool. Na een onenigheid in de redactie in maart 1942 stopte hij zijn medewerking. Althoff zou begin 1942 op uitnodiging van de regering in ballingschap als vervanger van Koos Vorrink naar Londen proberen te reizen. Erik Hazelhoff Roelfzema en Chris Krediet die hem op 11 mei met een motorboot van het strand zouden ophalen, bereikten echter de Nederlandse kust niet. Op 22 mei 1942 werd hij bij een nieuwe poging in Rotterdam met allerlei belastend materiaal gearresteerd. Hij werd verhoord op het Binnenhof in Den Haag, maar wist tijdens de rit naar de gevangenis in Scheveningen uit de auto te ontsnappen. Later werd hij echter opnieuw opgepakt. Lex Althoff bracht een jaar door in gevangenissen in Scheveningen, Haaren en Utrecht. In de gevangenis hield hij zich bezig met schrijven van onder andere zijn dagboek. Op 27 april 1943 werd hij ter dood veroordeeld en op 29 juli 1943 samen met zijn groep bij de Leusderheide gefusilleerd. Zijn lichaam werd naamloos in een kuil begraven. Althoff werd op 21 november 1945 opnieuw begraven op begraafplaats Rusthof in Leusden.

RALPH VAUGHAN WILLIAMS

CHRISTIAAN BOERS

Christiaan Boers (Den Haag, 24 oktober 1889 – Oranienburg, 3 mei 1942) was een Nederlandse beroepsmilitair, kapitein bij de Koninklijke Landmacht. Hij bracht zijn jeugd door in Den Haag. Zijn ouders stuurden hem naar een particuliere school en daarna begon hij aan een militaire opleiding. Na de Koninklijke Nederlandse Militaire Academie in Breda en komt hij in Amersfoort terecht. In 1921 woonde de Eerste Luitenant der Infanterie op de Utrechtseweg 100, was hij getrouwd met Helena Wiepkes uit de gemeente ‘Wijk aan Zee en Duin’ en ze had het echtpaar twee zoontjes, Henk (1919) en Dirk (1921). Het huwelijk met Helena liep echter op de klippen en eind twintiger jaren volgde een echtscheiding. In 1933 trouwde hij opnieuw, met de 26-jarige Janna Metz . Christiaan was toen al bevorderd tot Kapitein der Infanterie.

Tijdens de Duitse aanval op Nederland in mei 1940 was hij commandant over de zeer moderne Stelling Kornwerderzand, waar 255 manschappen waren ondergebracht in diverse zware betonnen kazematten. Het complex had een groot aantal bunkers met mitrailleurs en licht geschut; het was voorbereid op een lange geïsoleerde belegering. De verdediging van de open dijk en de maritieme naderingszone was de enige taak van het detachement waar Boers het bevel over voerde. In de eerste oorlogsdagen rukten de Duitsers langzaam op richting Afsluitdijk, waar ze op 13 mei 1940 eerst een ‘gewapende verkenning’ uitvoerde om de paraatheid van de defensie bij Kornwerderzand te testen. Ze openden het vuur op de stelling en stuurden verkenners en stoottroepen op fietsen de Afsluitdijk op. Boers wachtte rustig af tot de Duitsers op circa achthonderd meter waren genaderd en liet toen vuur uitbrengen uit kazemat VI. Daarna werden de vluchtende Duitsers vanuit kazemat II onder vuur genomen. Na anderhalf uur was de strijd voorbij; er volgden verder geen Duitse aanvallen meer. De Slag om de Afsluitdijk was afgelopen en werd op basis van geruchten en militaire overdrijvingen een mythische overwinning op het Duitse leger, een van de weinige plaatsen in West-Europa waar de Duitse troepen tijdens de Blitzkrieg niet wisten door te breken en ze zware verliezen leden. Gesproken werd over vele honderden gesneuvelde Duitsers, terwijl er in werkelijkheid slechts vijf Duitsers het leven verloren en een paar vliegtuigen werden beschadigd of neerstorten. In werkelijkheid besloot de Duitse bevelvoerders dat de Nederlandse capitulatie al nabij was en het zinloos was zwaar strijd om de Afsluitdijk te gaan voeren. Boers was echter zo euforisch over het met succes afslaan van de voorzichtige Duitse aanval dat hij op 14 mei 1940 voorstelde een tegenaanval te lanceren om Friesland schoon te vegen. Een dag later capituleerden de Nederlandse strijdkrachten echter. (meer…)

SLAG OM DE AFSLUITDIJK

De Slag om de Afsluitdijk geldt in veler ogen nog steeds als een poging van nazi-Duitsland om in mei 1940 de Afsluitdijk in te nemen. Een poging die mislukte door heldhaftig optreden van de ongeveer 255 Nederlandse soldaten, onder aanvoering van Christiaan Boers, de commandant van de Stelling Kornwerderzand. Hoewel in de minderheid en minder goed bewapend, wisten de Nederlandse militairen de 1e Duitse cavaleriedivisie bij de Stelling Kornwerderzand tegen te houden. De Stelling Kornwerderzand was de verdedigingslinie op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand (Friesland), die vanwege de aanwezigheid van de uitwateringssluizen voor de Afsluitdijk een belangrijke rol speelden bij de plannen voor een mogelijk inunderen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Toen de Afsluitdijk was gerealiseerd, werd de Vesting Holland en de marinebasis in Den Helder kwetsbaar voor een buitenlandse aanval over land vanuit het oosten. Als een aanvallend leger de uitwateringssluizen zou veroveren, konden ze het waterpeil van het IJsselmeer laten zakken en geïnundeerde terreinen weer droog laten vallen. De stelling op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand was een van de drie defensieve werken die dit moesten zien te voorkomen. De stelling werd in 1932-1933 gebouwd en niet als één groot en daardoor kwetsbaar verdedigingswerk, maar met gespreide opstellingen van kleine verdedigingswerken. De kazematten werden gemaakt van gewapend beton, op de meest kwetsbare plekken aangevuld met pantserstaal, en moesten bestand zijn tegen een intensieve beschieting van geschut opgesteld op diverse plaatsen langs de Friese kust. Bij het uitbreken van de oorlog waren er zeventien kazematten, verdeeld over twee kazematlinies. De eerste linie was gericht op het5t oosten, van waaruit een aanval normaliter te verwachten was. Vanuit de tweede linie kon ook het westen onder vuur worden genomen in geval vijandelijke troepen op de Afsluitdijk zouden landen en de stelling in de rug zouden aanvallen. (meer…)

CHRIS VAN DEN BERG

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Christiaan Frederik van den Berg (Arnhem, 27 juli 1901) was een kapitein der infanterie die actief was in het verzet in Den Haag voor de Ordedienst. Hij hield zich vooral bezig mer het verzamelen van inlichtingen. Hij was getrouwd met Cornelia Johanna van den Berg-van der Vlis die na zijn dood bij haar broer in Leeuwarden ging wonen en daar begon met verzetsactiviteiten. Ze zou later postuum worden onderscheiden met het Verzetskruis 1940-1945.

In februari 1942 was hij betrokken bij een paar belangrijke wapendroppings, maar op dat moment was zijn verzetsgroep al geïnfiltreerd door de V-Mann Mathijs Ridderhof, eerst via enkele leden van de Ordedienst in Zeeland, daarna in Rotterdam en ten slotte bij Van den Bergh. Via Van den Bergh hoorde Ridderhof over de afhaaloperatie op het Scheveningse strand en wist hij verder door te dringen in het verzet. Daardoor werden vele verzetsmensen opgepakt en uiteindelijk viel op 16 juni 1942 ook Van den Bergh in handen van de Sicherheitsdienst. Van den Berg werd gefusilleerd op de Leusderheide op 29 juli 1943. Na de oorlog werd hij postuum onderscheiden met de Bronzen Leeuw per Koninklijk Besluit van 11 september 1952. Ook ontving hij postuum het Verzets-herdenkingskruis.

RY X

ARNOLD BORRET 6

Het werk van Arnold Borret (1848-1888) omvatte vooral veel kleurenportretten en zwart-witportretten van de Surinaamse bevolking, zoals hij die tussen 1878 en 1882 aantrof. Het is niet bekend waarom hij maar zo weinig landschapstekeningen heeft gemaakt. Hij heeft mooie tekeningen gemaakt van de melaatsenkolonie Batavia, van de voormalige plantage Bleyendaal en van het indiaanse vissersdorp Kalebaskreek. Werken die duidelijk tot het beste uit zijn werk horen. In de laatste aflevering in de Borret-reeks een tekening van een afgodsboom. Her is niet onwaarschijnlijk dat ook deze tekening is gemaakt in de buurt van Kalebaskreek. De katholieke priesters in Batavia spraken namelijk ook wel van ‘Lazaruskreek’ of ‘Lazaretkreek’, naar de Bijbelse patroon van de lepralijders. De kalebasvrucht nam bij de oorspronkelijke bewoners een belangrijke plaats in, omdat een piaiman de kalebas bij het uitvoeren van rituelen vulden met stenen. Het geluid dat hiermee gemaakt kan worden gaf informatie van de goden door. Een piaiman was een religieus of geestelijk leider binnen hun gemeenschap. Iemand die optrad als ziener en genezer, die door gebruik te maken van bepaalde voorwerpen en ceremonieën contact kon leggen met de wereld van de geesten en boodschappen kon overbrengen.Dergelijk ceremonieën werden uitgevoerd bij afgodsboom, waarvoor ook wel de naam ‘mamaboom’ in gebruik was. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 041


.
Frans van den Muijsenberg, 19 oktober 2003, Dalyan, Turkije

THEO VAN DOORN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:
.
Jhr Willem Theodoor Cornelis van Doorn (Den Haag, 31 mei 1911 – Leusderheide, 29 juli 1943) zat op de lagere school in Den Haag en Gouda en daarna op het gymnasium in Den Haag en Kampen. In 1931 ging hij rechten studeren in Leiden. Hij was race-roeier en voorzitter van de Pro Patria. Na zijn kandidaats stopte hij met zijn studie om zich verder aan de Oxfordbeweging (1833) te wijden. Dat was een groep anglicaanse geestelijken die uit onvrede met de calvinistische en rationalistische invloeden in de Engelse ‘lagere’ kerk de nadruk legde op het katholieke, ‘hoogkerkelijke’ karakter van de Church of England, die bijzondere belangstelling aan de dag legde voor de liturgische tradities, de sacramenten, devoties en het priesterschap, waarmee de Katholieke Kerk weer meer in zicht kwam. Toen Van Doorn moest in dienst, ging hij naar de school Reserve Officieren Cavalerie in Amersfoort. Hij werd reserve-officier bij het 3de Regiment Huzaren in Den Haag. Tijdens de meidagen van 1940 zat hij bij een Eskadron Wielrijders, onder meer bij Schiebroek.

Als vooraanstaand lid van de Ordedienst werd het nodig gevonden dat de 29-jarige Van Doorn naar Engeland vertrok. Hij had een sportbrevet en een militair brevet en besloot een vliegtuigje te kopen om daarmee vanaf het Tjeukemeer naar Engeland te vliegen. Hij werd gearresteerd, maar wist te ontsnappen en dook onder. In de nacht van 18-19 april 1941 besloot hij een tweede poging te wagen, samen met de Poolse viceconsul Tolo Saryusz Makowski. Door Oscar de Brey en Dirk van Swaay werd een opvouwbare kano geregeld, die in het tunneltje bij het Zeehospitium bij Katwijk aan Zee werd verstopt. Nadat ze in die kano vanuit Katwijk waren vertrokken, stak er een storm op. De Katwijkse vissersboot KW 32, de Sakina, redde hen. Aangezien er twee Duitsers aan boord waren, moest kapitein Willem Ouwehand hun geld en paspoort afnemen, maar stuurman Nico van Beelen fluisterde hun toe dat ze in de haven van IJmuiden niet aan de kade zouden afmeren maar tegen een ander schip, in de buurt van het station. Daar zou hij de Duitsers afleiden zodat ze konden ontsnappen. Van Doorn en Makowski wandelden rustig naar het station en waren weer vrij. De kapitein en de stuurman werden gearresteerd en verhoord maar vervolgens weer vrijgelaten. Van Doorn verrichtte daarna spionagewerkzaamheden voor de Ordedienst totdat hij in november 1941 in opdracht van de Ordedienst naar Vichy vertrok. Onderweg viel de lange, blonde Nederlander op en werd in Reims gearresteerd. Toen bleek dat hij wapens en belastende papieren bij zich had, werd hij naar een gevangenis in Parijs gebracht en vandaar naar het Oranjehotel, Kamp Amersfoort en kamp Vught. In maart 1943 werd hij naar kamp Haaren overgeplaatst voor het Tweede OD-proces. Op 29 juli 1943 werd hij op de Leusderheide gefusilleerd. Hij werd op begraafplaats Rusthof in Leusden begraven.

AL STEWART

ARNOLD BORRET 5

Het werk van Arnold Borret (1848-1888) omvatte vooral veel kleurenportretten en zwart-witportretten van de Surinaamse bevolking, zoals hij die tussen 1878 en 1882 aantrof. Het is niet bekend of hij voor 1878 al veel tekende, maar dat lijkt wel waarschijnlijk. Er is echter niets van bewaard gebleven. Het is ook onduidelijk waarom hij de laatste zes levensjaren niet meer tekende, maar wellicht is daar een verband te vinden mer het feit dat hij in datzelfde jaar alle functies binnen de rechterlijke macht opgaf en toetrad tot de orde der redemptoristen. in 1882 stuurde hij ook alle tekeningen die hij de voorgaande jaren had gemaakt naar zijn broer, waarschijnlijk met als doel dat er een boekwerk van zou verschijnen.dat is echter niet gerealiseerd. Het is ook onduidelijk waarom hij maar zo weinig landschapstekeningen heeft gemaakt. Hij heeft mooie tekeningen gemaakt van de melaatsenkolonie Batavia en van de voormalige plantage Bleyendaal, die duidelijk tot zijn beste werken horen. In dit deel van de Borret-serie een drietal tekeningen van een indiaans vissersdorp, waarschijnlijk allen uit Kalebaskreek, een inheems vissersdorp in het district Saramacca, genoemd naar een gelijknamige kreek aan de rivier de Coppename. Kalebaskreek ligt oostelijk van de Coppename, bij een ondiep gedeelte, ongeveer 13 km ten zuiden van het punt waar de Coppename en Saramacca-rivier uitmonden in de Atlantische Oceaan. Kalebaskreek telde maximaal vijftig woningen, dicht bij elkaar en met bewoners die allemaal familie van elkaar waren. Dat waren overwegend Karaïben, een inheems volk van de Zuid-Amerikaanse kuststreek van Venezuela tot Brazilië. Aanvankelijk werd het dorp door Nederlanders Celebes-kreek genoemd. De gelijknamige Kalebas-kreek was de zuidgrens van een voormalige cacaoplantage, later leprozerie Batavia. Het is dus niet verwonderlijk dat Borret hier graag tekende. De katholieke priesters werkzaam op Batavia spraken ook wel van ‘Lazaruskreek’ of ‘Lazaretkreek’, naar de Bijbelse Lazarus die als patroon van de lepralijders werd beschouwd. Het is mogelijk dat de kalebas (de vrucht) bij de oorspronkelijke bewoners een belangrijke plaats innam. Zo bestond onder de inheemse Surinamers het rituele gebruik dat een piaiman of ‘medicijnman’ een kalebas vult met bepaalde stenen; het geluid dat hiermee gemaakt kan worden gaf informatie van de goden door. (meer…)

TON ABBENBROEK

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Anton Willem Marie (Ton) Abbenbroek (Den Haag, 9 december 1917), in het verzet ook bekend onder de schuilnaam Thierens, maar binnen de groep werd hij door zijn medestrijders/vrienden ‘Ab’ genoemd. Hij was bij het uitbreken van de oorlog cadet aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. In de zomer van 1940 namen Abbenbroek en jonkheer Joan Schimmelpenninck, alias ‘Oom Alexander’, het initiatief om een verzetsorganisatie op te richten. Hij deed verzetswerk als verbindingsofficier van de inlichtingengroep. Nadat Schimmelpennink op 13 november 1941 was gearresteerd nam hij samen met Gerard Dogger tijdelijk de leiding van de Ordedienst op zich. Zijn woonadres in Den Haag functioneerde toen als hoofdkwartier van de Ordedienst).

Op 6 maart 1942 werd Abbenbroek door verraad gearresteerd en opgesloten in de gevangenis van Scheveningen (het Oranjehotel, cel 634). In november 1942 werden hij en de andere gevangen leden van de Ordedienst onder zware bewaking met de trein naar Kamp Amersfoort gebracht. Begin februari 1943 werden zij per trein naar het concentratiekamp Vught overgeplaatst en op 11 maart 1943 naar kamp Haaren. Hier werd Abbenbroek ter dood veroordeeld. In Utrecht was hij op 7 juni 1943 in de echt verbonden met Annie Kientz, met wie hij zes jaar verloofd was geweest. Dit zou gebeurd zijn op verzoek van zijn vader, die hoopte dat dit gratie voor zijn zoon zou opleveren. (meer…)

MAURICE RAVEL

ARNOLD BORRET 4

Arnold Borret (1848-1888) maakte in de jaren 1878-1882, de korte periode waarin al zijn tekeningen zijn gedateerd hoofdzakelijk kleurenportretten en zwart-witportretten van sw Surinaamse bevolking. Er zijn echter ook een aantal groter zwart-wit landschaps-tekeningen van hem bewaard gebleven. Dat betreft onder meer de leprozenkolonie Batavia, waar hij eigenlijk het liefst had willen werken maar helaas voor hem had het hoofd van de in Suriname actieve congregatie van de Redemptoristen, waarvan Arnold Borret deel uitmaakte, andere plannen met hem. Een van de andere tekeningen betrof de voormalige plantage Bleyendaal aan de Pauluskreek. De Pauluskreek ontspringt in de Surnaukreek en mondt uit in de Surinamerivier. Aan de kreek lagen maar liefst achttien plantages (Aurora, Belasoir, Bischoffsbeeck, Bitterzorg, Bleyendaal, Brandenburg, De Hoop, Hermitage, Hoop, Land van Laarwijk, La Paix, Land van Merveille, Mon Repos, Paracabo, Puttensorg, Sandgrond, ’t Yland, Weergevonden). De suikerplantage  Bleyendaal was in 1737 gestart door Jan Labbadie en was toen 1.000 akkers groot. Labbadie had de onderneming tot 1770. In beschrijving van de plantage in 1819 werd vermeld: ‘suikerplantage in Nederlands-Guiana, kol. Suriname, aan de Pauluskreek, ter regterzijde in het opvaren, palende bovenwaarts aan het verl. Land van Laarwijk en benedenwaarts aan de Suriname. Zij is 1.054 akk. groot, en wordt door 121 slaven bewerkt. Men heeft er eenen door beesten gedreven molen.’ (meer…)

JOAN SCHIMMELPENNINCK (54)

Jonkheer Joan Schimmelpenninck (Rhenen, 30 september 1887 – Leusderheide, Amersfoort, 29 juli 1943), binnen de vriendenkring Jaat genaamd, wasirecteur van hert Nederlandse kantoor van de Franse wijnfirma Mähler-Besse & Cie uit Bordeaux, die in Nederland twwe kantoren had, in Amsterdam aan de Prinsengracht en in Den haag aan de Anna Paulownastraat. Hij was een aangetrouwde neef van de luitenant-generaal b.d., oud-commandant Veldleger jonkheer W. Röell. Hij was goed ingevoerd in de hogere kringen in het Amsterdamse en Haagse wereldje. Voor de oorlog had Joan Schimmelpenninck nauwe contacten onderhouden met François van ’t Sant (Den Helder, 11 februari 1883 – Rotterdam, 3 juni 1966). Op 13 mei 1940 scheepte die zich in op hetzelfde schip als koningin Wilhelmina en stak over naar Londen. Zijn gezin bleef achter en zijn woning Huize Windekind werd later gevorderd door de Duitsers die er de Sicherheitsdienst onder brachten. In Londen werd Van ’t Sant raadsadviseur bij het ministerie van Justitie en hoofd van de Centrale Inlichtingsdienst (CID). Daarnaast bleef hij de particulier secretaris van de koningin. De opeenstapeling van functies leidde tot kritiek en op 14 augustus 1941 trad hij af als hoofd van de CID. Op aandringen van de koningin werd hij per 22 april 1942 benoemd tot hoofd van de afdeling Politie. In 1944 werd hij echter onder druk van Winston Churchill, Anthony Eden en Pieter Gerbrandy, die de hardnekkige geruchten rond Van ’t Sant omtrent het Englandspiel als een bezwaar gingen zien, door Wilhelmina ontslagen als haar secretaris. Na de oorlog keerde hij echter weer terug in als adviseur van Wilhelmina en Juliana. In de zomer van 1940, na de Nederlandse capitulatie, nam jhr. Joan Schimmelpenninck, alias ‘Oom Alexander’, het initiatief tot het oprichten van een verzetsorganisatie, waarvan de leden werden gerekruteerd uit de kringen van adelborsten en cadetten. Deze beweging had twee doelstellingen. Ten eerste dacht zij dat de bezetting niet lang zou gaan duren en het moment van bevrijding zouden de geallieerden gesteund moeten worden en zou het ontstane machtsvacuüm tijdelijk moeten worden opgevuld ter voorkoming van wanorde. Deze gedachtegang lag geheel in lijn met die van de Ordedienst. De tweede doelstelling was het verzamelen van militaire inlichtingen voor de geallieerden. De inlichtingen moesten dus naar Engeland verstuurd worden, naar koningin Wilhelmina en waarschijnlijk via Van ’t Sant met wie Schimmelpenninck immers contacten had gehad. Beide mannen wisten dat ze elkaar konden vertrouwen, geen onbelangrijk gegeven. (meer…)

DE ORDEDIENST 2

De interne beveiliging van de Ordedienst en van andere verzetsorganisaties uit het begin van de oorlog was allesbehalve waterdicht. Op 3 april 1941 was Johan Westerveld al gearresteerd. Zijn plaatsvervanger Pierre Versteegh werd op 12 september 1941 gearresteerd en zijn opvolger Joan Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 opgepakt. De vierde man die de leiding had, Anton Abbenbroek, ging op 6 maart 1942 richting gevangenis in Scheveningen. Vanaf dat moment zat de Ordedienst een tijdlang zonder algehele leiding. Eind maart 1942 worden 65 leden van de Ordedienst door de Duitsers gevangen gehouden. End maart begon in hotel de Witte op de Amersfoortse Berg, vlak bij Kamp Amersfoort het zogenaamde Eerste OD-proces, waarbij door de Duitse Sicherheitsdienst (SD) leden van drie verzetsorganisaties voor de rechtbank worden gebracht: de Ordedienst, de Delftse Mekel-groep en de Schoemaker-groep. Verder werden dertien beroepsofficieren berecht, die ondanks het ondertekenen van de erewoord-verklaring buiten een georganiseerd verband verzet hadden gepleegd.

De Mekel-groep was een verzetsgroep die onder leiding stond van de Delftse professor Jan Mekel. Die had contacten met enkele Nederlandse officieren die lid waren van de Ordedienst. Deze waren in het bezit van een aktetas met geheime Duitse documenten, doordat een van hen, Goris Mante,, een inspecteur voor de scheepvaart en voormalig onderzeebootcommandant, deze aktetas in de zomer van 1940 ergens had gevonden of (wat waarschijnlijker is) van een Duitse officier had gestolen toen hij deze moest begeleiden. Een wat lichtzinnige daad die zware gevolgen zou krijgen. (meer…)

BAP

ARNOLD BORRET 3

In de 19de eeuw voltrokken zich grote veranderingen in Suriname. Het was niet langer een particuliere kolonie maar onderdeel van het nieuwe koninkrijk. In het midden van de eeuw werd er de verfoeilijke slavernij afgeschaft. Het was ook een eeuw waarin verschillende reizende (amateur)kunstenaars de kolonie aandeden. Zij toonden de wereld hun indrukken en deze vormen tot vandaag een voorname bron van informatie over de kolonie en haar bewoners. Arnold Borret (1848-1888) was een relatieve laatkomer in het rijtje 19de-eeuwse illustratoren. Hij werd in Maastricht geboren in een gegoed katholiek milieu. Na een gedegen katholieke opleiding besloot Borret, na een retraite, Jezuïet te worden. Familieomstandigheden maakten dat echter onmogelijk. De diepgelovige jongeman begon aan een studie rechten aan de universiteit van Leiden en toen deze succesvol was afgerond, werd hij advocaat in Rotterdam. Een advies van goedbedoelende familieleden om een carrière in Nederlands Oost-Indië op te bouwen wees hij af omdat hij ‘de gevaren vreesde, waaraan de zedelijkheid aldaar is blootgesteld’. Het priesterleven bleef aan hem trekken en dat zal zeker zijn gestimuleerd toen bleek dat hij een niet erg succesvolle advocaat was. Opnieuw moest een retraite uitsluitsel geven over de vraag of hij ‘een roeping’ had. Het werd hem echter niet duidelijk. Zijn leven werd nog gecompliceerder toen er een aardige dame bleek te zijn die ‘genegenheid voor hem koesterde’. Arnold besloot toen om dan maar naar de Oost te gaan. Op advies van de minister van Justitie werd het echter een benoeming tot griffier aan het Hof van Justitie in Suriname. Dat was iets, waar Arnold Borret nog nooit aan had gedacht: ‘Ik wist nauwelijks dat het bestond’. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 33

PJOTR ILJITSJ TSJAIKOVSKI

ARNOLD BORRET 2

In mei 1878 vertrok Arnold Borret (1848-1888) naar Suriname. Hij was 29 jaar, jurist en had een aanstelling als griffier van het Hof van Justitie in Paramaribo op zak. Al spoedig werd hij rechter en later ook lid van de Koloniale Staten. In 1882 gaf hij al zijn hoge functies op om toe te treden tot de orde der redemptoristen. Ook hier klom hij snel op in de hiërarchie. Hij werd priester en later provicaris. In 1888 maakte de tyfus een einde aan zijn leven. Borret was een gedreven tekenaar en schilder. Hij legde zijn indrukken van Suriname vast in een album. Begin 1882 stuurde hij dit naar zijn broer Theodoor in Nederland. Deze schonk het in 1911 aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Enkele jaren geleden zijn alle 148 tekeningen uit het album gereproduceerd. Tevens bevat dit boek vier tekeningen die zijn gevonden in het archief van de redemptoristen in Wittem, Limburg. Deze publicatie laat zien hoe Borret tegen Suriname aankeek, een land dat hem, zoals hij zelf schreef, voor zijn vertrek geheel onbekend was. Wat gaf hij weer van de natuur, de mensen, de verschillende bevolkingsgroepen met hun kleding en gebruiken? Meteen als zijn schip in Frankrijk van wal steekt, begint hij te tekenen. De aquarellen, pen- en potloodtekeningen en een enkele krijttekening, laten ons delen in Borrets verwondering en belangstelling voor zijn nieuwe land.

Hieronder een aantal van kleurenportretten die Borret maakte. (meer…)

DE ORDEDIENST 1

De Ordedienst was een belangrijke illegale Nederlandse verzetsorganisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de Ordedienst speelden cadetten en adelborsten een belangrijke rol gespeeld. De toekomstige officieren van de land- en zeemacht werden opgeleid aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda en het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) in Den Helder. Toen Nederland op 15 mei 1940 capituleerde werden de cadetten (landmacht-officier in opleiding) en adelborsten (marine-officier in opleiding) naar huis gestuurd, terwijl de KMA en het KIM op 2 juli 1940 op last van de Duitse bezetter werden gesloten en opgeheven. Om hun belangen bij studiefinanciering en dergelijke bij het Afwikkelingsbureau van het Departement van Defensie te behartigen en onderling het sociale contact te onderhouden werd een Contact Commissie Cadetten (CCC) gevormd. Deze bevond zich in Den Haag. De adelborsten hadden een soortgelijke vereniging opgericht, de Contact Commissie Adelborsten (CCA). Er werden onder anderen borreluurtjes, lunches en onderlinge sportwedstrijden georganiseerd. De CCC en de CCA waren dus in eerste aanleg allerminst subversieve organisaties, maar waren gezelligheidsverenigingen zonder commercieel doel. Ze hadden daarom geen toestemming van de Duitse autoriteiten nodig. De onderlinge contacten hadden later wel tot gevolg dat verschillende cadetten en adelborsten binnen de Ordedienst zeer nauw zouden gaan samenwerken. In mei 1940 werden alle officieren en andere manschappen van het voormalige Nederlandse leger door de bezetter in krijgsgevangenschap genomen. Korte tijd later werden ze al weer vrijgelaten in het kader van een Duits charme-offensief. De bezetter veronderstelde dat de Nederlandse bevolking niet echt vijandig tegen hen zouden staan en wilden op deze manier de veronderstelde welwillende houding van de Nederlandse bevolking niet frustreren. Een groot aantal ex-militairen bleef echter met elkaar contact houden en vormden op initiatief van Johan Hendrik Westerveld  in 1940 een organisatie die ze Ordedienst (binnen het verzet meestal afgekort naar OD) noemden. Deze dienst richtte zich in eerste instantie alleen op de bevrijding in de naïeve veronderstelling dat het Duitse leger wel binnen een jaar zou worden verslagen. Met de gebeurtenissen na de Eerste Wereldoorlog in gedachten verwachtte men na de bevrijding communistische revolutiepogingen. In de onvermijdelijke chaos en het gezagsvacuüm na de bevrijding zou de Ordedienst dan de orde moeten handhaven. Ook zouden de Ordedienst de helpende hand moeten bieden aan de geallieerde bevrijders.  (meer…)

PIERRE VERSTEEGH (53)

Pierre Versteegh (Kedung Banteng, Centraal-Java, 6 juni 1888 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) was een Nederlands luitenant-kolonel der artillerie, een olympisch springruiter en verzetsman. Hij was een broer van generaal Willem Versteegh, de eerste Nederlandse militair mer een vliegbrevet en de man die aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië enkele vliegtuigen en manschappen van de Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij wist over te brengen naar Australië. Daar werd hij later commandant van het 19e Transport Squadron. Pierre Versteegh begon op 2 oktober 1906 als cadet artillerie zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Op 24 juni 1909 werd hij benoemd tot tweede luitenant en ingedeeld bij het vierde regiment veldartillerie, ingedeeld bij de derde afdeling te Ede. Op 14 oktober 1912 werd hij bevorderd tot eerste luitenant. Tijdens het Concours Hippique in mei 1914 te Breda behaalde hij bij een jachtrit voor officieren en heerrijders (een in de vergetelheid geraakt woord, waarmee iemand werd aangeduid die voor zijn plezier paard reed) met zijn paard Irish Laddy de eerste prijs, wat hem een vergulde zilveren medaille en 75 gulden opleverde. In dezelfde wedstrijd haalde hij met een ander paard, Salomé, de vijfde prijs, goed voor 25 gulden. In juli 1920 won Versteegh tijdens het springconcours voor springpaarden in alle klassen met zijn paard Noske de derde prijs; in 1922 werd hij, dan districtscommandant der Marechaussee te Groningen, eerste met zijn paard Not Yet tijdens het Concours Hippique in het Stadspark te Groningen. In januari 1924 werd hij overgeplaatst naar de marechaussees te Amsterdam als commandant van het district en werd hij woonachtig te Bussum. Op 1 februari 1925 werd hij bevorderd tot kapitein. Hij bleef de jaren daarop doorgaan met wedstrijdrijden. In 1928 behaalde Versteegh een bronzen medaille op de Olympische Spelen van Amsterdam, op het onderdeel dressuurrijden voor teams heren, samen met Jan van Reede en Gerard le Heux. Aan dat Olympisch toernooi deed namens Nederland ook Charles Labouchere mee, die als gedoodverfd kampioen er niet in slaagde de gouden medaille te veroveren. In februari 1928 trouwde hij in London met Emmy Hijmans. Hij was eerder getrouwd geweest met Flora Oudshoorn en had met haar drie kinderen. Emmy was eerder gehuwd geweest met Floris der Kinderen. Mogelijk heeft hij haar via de paarden leren kennen. In 1927 werd in de kranten bericht dat Versteegh met het paard Matador, eigendom van Emmy der Kinderen, deelnam aan springwedstrijden. Het echtpaar vestigde zich op 12 maart 1928 in Bussum. Het was een ruim huis, maar volgens het bevolkingsregister moest het dan ook onderdak bieden aan de drie kinderen van Versteegh en de twee van Hijmans. Waarschijnlijk bood het perceel ook mogelijkheden om een paard aan huis te hebben. (meer…)

BRIAN ENO

ARNOLD BORRET 1

Arnold Borret (Maastricht, 28 oktober 1848 – Paramaribo, 6 februari 1888) is een Nederlandse jurist die actief werd in de kolonie Suriname als rechter, priester en kunstenaar. Zijn teken- en schilderwerk geeft een breed beeld van het Suriname op het eind van de negentiende eeuw. Hij stamde uit een voorname Bossche, katholieke familie. Zijn vader Eduardus Borret (‘s-Hertogenbosch, 17 augustus 1816 – Den Haag, 10 november 1867), een zoon van Antonius Borret die van 1842 tot 1850 gouverneur van Noord-Brabant was, was een bestuurder en politicus. Hij was eerst advocaat-generaal in Maastricht en later in de Tweede Kamer behoorde hij als katholiek tot de conservatieven. Hij was dertien jaar staatsraad en werd in het kabinet-Van Zuylen van Nijevelt minister van Justitie. Hij overleed in deze functie. Toen Arnold vijf jaar oud was overleed zijn moeder. Op tienjarige leeftijd ging hij naar het college der Jezuïeten te Katwijk. Vanaf zijn achttiende studeerde hij rechten aan achtereenvolgens de universiteiten van Leuven, Leiden en Utrecht. In 1872 promoveerde Borret en vestigde hij zich als advocaat in Rotterdam. In 1878 werd Borret benoemd tot griffier aan het Hof van Justitie in Paramaribo. Twee jaar later werd hij, na het ontslag van J.H. Gilquin, aan dat hof als rechter geïnstalleerd. Daarnaast was hij vanaf 1881 minder dan een jaar een door de gouverneur benoemd lid van de Koloniale Staten van Suriname, de volksvertegenwoordiging van Suriname binne het Koninkrijk der Nederlanden. Borret was bevriend met monseigneur J.H. Schaap (Amsterdam, 27 september 1823 – 19 maart 1889), de apostolisch vicaris van Nederlands Guyana-Suriname en titulair bisschop van Etalonia, die net als hij in Katwijk en Leiden had gestudeerd. In 1882 gaf Borret al zijn hoge functies op en trad toe tot de congregatie der redemptoristen, waarbinnen hij in 1883 tot priester werd gewijd. In 1887 werd hij door mgr. Schaap, bij diens reis naar Europa, benoemd tot plaatsvervangend overste van de missie in Suriname. Borret preekte zowel in het ‘Negerengelsch’ als in het Hindoestaans. Arnoldus Borret stierf op veertigjarige leeftijd aan tyfus. (meer…)

KOENO GRAVEMEIJER

Koeno Henricus Eskelhoff Gravemeijer (Oosthem, gemeente Wymbritseradeel, 25 februari 1883 – Wassenaar, 13 februari 1970) was een Nederlandse calvinistische predikant, secretaris van de Algemene Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk en, samen met kardinaal de Jong, leider van het kerkelijk verzet in de Tweede Wereldoorlog. Hij was afkomstig uit een oud Oostfries predikantengeslacht. Hij studeerde theologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en werd eerst hulpprediker in Leeuwarden en daarna predikant in Giessen-Oudekerk (1911), Voorburg (1915) en Den Haag (1920). Gravemeijer trouwde in 1911 met Baukje van Popta, die op 23 oktober 1930 zou overlijden. Hij werd bekend als boeiend prediker, ijverig pastor en bekwaam organisator. Binnen zijn calvinistische traditie was hij sterk beïnvloed door H.F. Kohlbrügge (Amsterdam, 15 augustus 1803 – Elberfeld, 5 maart 1875), een Nederlandse gereformeerd theoloog die binnen zijn leer als kern had dat de gelovige onheilig in zichzelf (‘een niets’) is en blijft, maar is tegelijkertijd geheel geheiligd in Christus. Door zijn evangelische radicaliteit werd Kohlbrügge niet gewaardeerd en begrepen door de hoofdstroom van de 19e-eeuwse theologie, maar vond hij wel weerklank bij eenvoudige gelovigen in de rechterflank van de Hervormde Kerk en onder afgescheidenen. Gravemeijer zou gedurende zijn hele leven ijveren voor een reorganisatie van de Nederlands Hervormde Kerk, maar dat moest wel een reorganisatie zijn die paste in zijn theocratische visie op ‘het protestants karakter der natie’. Dit principe zag hij politiek vertolkt door de Hervormd-Gereformeerde Staatspartij (HGS), waarvan hij in 1921 medeoprichter was en vervolgens bestuurslid werd. Zijn broer Henricus Eskelhoff Gravemeijer was van 1921 tot 1936 voorzitter van die partij. Samen met zijn geestverwant, de rechtzinnige dominee C.A. Lingbeek, vertegenwoordiger van deze partij in de Tweede Kamer, die zich op grond van deze beginselen heftig verzette tegen regeringscoalities tussen de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) en de protestantse partijen, bestreed hij een reorganisatievoorstel in 1938 als zijnde in strijd met dit theocratisch principe. Hiernaast bekleedde Gravemeijer tal van bestuursfuncties in maatschappelijke organisaties. Het diaconaat heeft altijd zijn bijzondere liefde gehad. (meer…)

DARKWOOD

WILLEM IDENBURG

Willem Idenburg (Gouda, 18 februari 1904 – Neustadt, 27 april 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was  aannemer van stukadoorswerk van beroep, was lid van de Ordedienst en later van de Binnenlandse Strijdkrachten en was actief in het lokale verzet in Gouda, waarbinnen hij de belangen behartigde van onderduikers en Joden Zo was hij betrokken bij illegale transporten van bijvoorbeeld wapens of voedsel voor onderduikers. Als eigenaar van een stukadoorsbedrijf beschikte hij over vervoersmiddelen die het verzet goed kon gebruiken bij deze illegale wapendroppings en andere transporten. Tijdens een van die transporten werd hij herkend, vervolgens verraden en op 21 februari 1945 in Gouda gearresteerd. Een poging om hem tijdens zijn transport naar Rotterdam te bevrijden mislukte. Via het ‘Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen waar veel verzetsstrijders gevangen zaten, kwam hij in kamp Amersfoort terecht. Met het allerlaatste transport uit dat kamp werd hij vervolgens overgebracht naar het Duitse concentratiekamp Neuengamme, zo’n dertig kilometer ten zuidoosten van Hamburg. Een brief van 21 maart 1945 is het laatste levensteken dat zijn vrouw en kinderen van hem ontvingen. Nadat de Duitsers eind april 1945 op de vlucht voor de geallieerden dat kamp ontruimden, zetten ze de gevangenen vast op drie passagiersschepen in de Lübeckerbocht. Op 27 april 1945 overleed Willem Idenburg, verzwakt door alle ontberingen, aan boord van het schip Cap Arcona. Nog geen twee weken later was de oorlog voorbij. (meer…)

MATHILDE SANTING

KOVACS

HITLERS EDELJUDE

De Duits-Oostenrijkse historica Brigitte Hamann, die eerder in 1996 het onvolprezen “Hitlers Wien” schreef over de armoedige jaren van Hitler in Wenen in de jaren 1908-1913 en de verwoestende invloed die deze toenmalige smeltkroes van volkeren op zijn verwarde geest moet hebben gehad, vertelt nu het ongelofelijke verhaal van de Joodse armenarts Eduard Bloch en zijn gezin. Bloch was de voormalige huisarts van de familie Hitler en was zo zorgzaam en behulpzaam geweest bij de ziekte en het overlijden van Hitlers moeder, dat het een onvergetelijke indruk op de latere Führer maakte. Toen ruim dertig jaar later Oostenrijk door de Anschluss deel ging uitmaken van het grote Duitse Rijk stond de eenvoudige huisarts vanaf dag één onder de uitdrukkelijke bescherming van Adolf Hitler. “Das ist eine Edeljude. Wenn alle Juden so wären, gäbe es keinen Antisemitismus”, zou Hitler later over Bloch opmerken.

Eduard Bloch (Frauenberg an der Moldau, 30 januari 1872 – New York, 1 juni 1945) werd geboren in de regio Zuid-Bohemen in een pittoresk plaatsje dat gedomineerd werd door kasteel Hluboká dat aan de rand van het dorp lag. Bij een renaissance rond 1840 was vrijwel de gehele oude burcht gesloopt en werd op dezelfde plek een nieuw kasteel in Tudor-gotische stijl gebouwd. Op de plaats van de afgebroken gebouwen en in de aangrenzende weiden werd een grote Engelse tuin aangelegd. Toenmalig eigenaar van het kasteel was de familie Schwarzenberg, een van de rijkste en machtigste families in Bohemen waar ze talrijke kastelen bezat en heerste over uitgestrekte landerijen en bossen. Ze had dan ook behoorlijk veel invloed binnen het Habsburgse rijk. Joachim Bloch, de grootvader van Eduard Bloch, was ‘Hofjude’ in dienst van de regerende vorsten van het huis Schwarzenberg. Later zou Moritz Bloch, de vader van Eduard Bloch, de functie overnemen. (meer…)

JOHAN WESTERVELD (52)

Johan Hendrik Westerveld (Haarlem, 21 augustus 1880 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) was militair tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Westerveld was aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda opgeleid tot beroepsofficier bij het Wapen der Artillerie, waar hij op 1 augustus 1901 werd benoemd tot tweede luitenant. Later vervulde hij onder meer de functie van Commandant School Reserve-Officieren Bereden Artillerie (SROBA). Gedurende zijn diensttijd leerde hij P.M.R. Versteegh kennen, met wie hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zou samenwerken. In 1920 verliet hij de militaire dienst om een functie te aanvaarden bij de firma Van den Bergh & Jurgens in Rotterdam. Van 1929 tot 1939 was hij namens deze firma bedrijfsleider van de vestiging in het Duitse Goch. Hij maakte dus van nabij de opkomst mee van het nationaalsocialisme in Duitsland. Op 30 oktober 1939 werd hij gemobiliseerd in de rang van van luitenant-kolonel. In de eerste dagen van mei 1940 was hij eerst werkzaam bij de Inspectie der Artillerie; vanaf 12 mei 1940 kwam hij terecht bij het Artillerie Commando Vesting Holland, waarvan het hoofdkwartier in Den Haag was gevestigd. Op 30 mei 1940 werd hij gedemobiliseerd.

Westerveld was in zijn woonplaats Den Haag via de politicus Hendrik Colijn in contact gekomen met andere vooraanstaande politici, waarbij hij vooral een nauwe band kreeg met de socialist Koos Vorrink. In de zomer van 1940 voerde de gedemobiliseerde Westerveld met verschillende personen overleg over de vorming van een militaire organisatie, die zou moeten optreden zodra de Duitsers weer zouden zijn vertrokken. In die situatie moest deze organisatie ervoor zorgen dat er geen chaos ontstond en dus de orde bewaken. De deelnemers aan de gesprekken hadden nog de optimistische verwachting dat de oorlog slechts van korte duur zou zijn en de Duitsers weer zouden vertrekken. Westerveld was een van de oprichters van deze Ordedienst en zou er de grote organisator van worden. Westerveld aanvaardde per 1 september 1940 een hoge functie bij Unilever in Rotterdam, wat hem de perfecte dekmantel gaf om zich met allerlei verzetsactiviteiten bezig te houden. (meer…)

MIKE OLDFIELD

NEDERLANDSE ARBEIDSDIENST

De Nederlandse Arbeidsdienst (NAD) werd op 15 oktober 1940 opgericht, een fusie van de in juli 1940 in het leven geroepen Nederlandse Opbouwdienst en het arbeidsbemiddelingsbureau voor diensten in Duitsland dat de Duitsers van de grond wilden krijgen. De Nederlandse Opbouwdienst was een overgangsorganisatie die de ontmanteling van het Nederlandse leger soepel moest laten verlopen en zorgen dat de werkloosheidscijfers in Nederland niet drastisch op zouden lopen. Parallel daarna wilden de bezetter, als voortzetting van het vooroorlogse beleid van werkverschaffing, werkloze mannen en vrouwen inschakelen voor in eerste instantie het herstel van de oorlogsschade en in tweede instantie voor vrijwillige werkzaamheden in Duitsland. Toen er weinig animo voor deze vrijwillige dienst bleek te zijn, kreeg de Arbeitseinsatz een verplicht karakter. In Duitsland werden tussen 1938 en 1945 zo’n 7,7 miljoen arbeiders van niet-Duitse origine ingeschakeld in de oorlogseconomie; in de Duitse wapenindustrie bleek uiteindelijk de helft van alle arbeidsplaatsen bezet te zijn door Fremdarbeiter. Op 15 oktober 1940 vloeide beide initiatieven dus in elkaar over, waarbij voor de Nederlandse Arbeidsdienst het motto “Ick Dien’ werd gelanceerd en in de propaganda een soort mythologisch figuur werd opgevoerd die Koenraad heette. Deze Koenraad werd neergezet als een ‘echte’ Hollandsche jongen: rechtschapen, welopgevoed, dapper en bereid om te werken. Er verschenen aanplakbiljetten waarop Koenraad met een schop op de schouder figureerde. Zijn goede opvoeding sprak uit afbeeldingen die in dagbladen werden geplaatst. Hij stond keurig zijn plaats in de tram af aan een staande dame en hij gaf een reprimande aan een ondeugende jongen die een hond plaagde. Zo’n brave hendrik wekt bij de gemiddelde Nederlander al snel ergernis op, maar komend uit de koker van de bezetter werd het al snel een voorwerp van spot. Koenraad werd al snel massaal Dollefie Sallefie genoemd. De propaganda werkte dan ook averechts en Koenraad verdween al snel. Dorus (Tom Manders) zou later in zijn sketches een personage opvoeren die Dollefie Sallefie werd genoemd, maar nooit ten tonele zou verschijnen. (meer…)

MIJN LIEF IS VANDAAG JARIG 2

Drie jaar geleden voor het laatst een verjaardagsbericht voor mijn lief geplaatst. Werd weer eens tijd voor wat extra aandacht.
U mag haar gerust via Facebook persoonlijk feliciteren hoor: https://www.facebook.com/dinie.groen

LONDONBEAT

NEDERLANDSE OPBOUWDIENST

De Nederlandse Opbouwdienst (N.O.D.) werd op 15 juli 1940 opgericht door de Nederlandse overheid, die op dat moment al door de Duitse bezetters werd aangestuurd. Het as een overgangsorganisatie die als doel had te zorgen dat de ontmanteling van het Nederlandse leger in de bezettingstijd ordentelijk zou verlopen. Er was in Nederland nog steeds een behoorlijk hoge werkeloosheid en de Duitsers wilden ervoor zogen geen onvrede in de Nederlandse samenleving te laten ontstaan door een verdere stijging van het werkloosheidspercentage doordat er vele ontslagen binnen defensie zouden moeten worden gedaan. Na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 was het verslagen Nederlandse leger an 270.000 man in zijn geheel door de Duitsers krijgsgevangen verklaard. Daarvan werden 30.000 man naar Duitsland overgebracht, de overige militairen moesten in de kazerne blijven. Maar al in juni 1940 mocht iedereen weer naar huis, een gebaar van de bezetters om de Nederlanders gunstig te stemmen. Er werden 60.000 werkloze ex-soldaten ondergebracht in de Nederlandse Opbouwdienst, een organisatie die moest helpen bij het herstel van de oorlogsschade in Nederland. Dat beleid was een voortzetting van een eerder werkverschaffingsbeleid in Nederland. De Opbouwdienst was officieel politiek neutraal en zou praktisch werk in het algemeen belang gaan doen. Het was daarom verboden tijdens de diensttijd lid te zijn van een politieke partij of organisatie. In de praktijk diende de organisatie echter ook om de mensen binnen de Opbouwdienst op te leiden in de nationaalsocialistische leer. Verder zou in de leiding ook plaats kunnen zijn voor burgers, die zich vrijwillig aanmelden en die op grond van hun deskundigheid, ontwikkeling en geschiktheid om met mensen om te gaan, hiervoor in aanmerking kwamen. In de propaganda werd dan ook veel gesport in de frisse buitenlucht, met de schop gemarcheerd in het platteland en nuttige karweitjes gedaan.
(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 32

ASAF AVIDAN

ANDERSON AND VANGELIS

RUM

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 040

Frans van den Muijsenberg / 25 november 2017 / Stevenskerk Nijmegen, kunstwerk Rob Platel

CORNELIA VAN DEN BERG – VAN DER VLIS (51)

Cornelia (Cor) van den Berg – van der Vlis (‘s-Gravenhage, 28 oktober 1892 – Vries, 8 september 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog, die actief was in Friesland en werkte onder de verzetsnaam ‘Annie Westland'(waarschijnlijk een verwijzing naar het feit dat ze oorspronkelijk uit Den Haag kwam, dus uit ‘het westen. Ze was getrouwd met kapitein in de infanterie Christiaan Frederik van den Berg (Arnhem, 27 juli 1901 – Leusderheide, 29 juli 1943), die in Den Haag actief lid van de Ordedienst was. Hij was daar inlichtingenofficier en leider van een sabotagegroep. Eind december 1941 kwam hij in contact met de geheim agenten Thijs Taconis en Huub Lauwers. Thijs Taconis (Rotterdam, 28 maart 1914 – Mauthausen, 6 september 1944) was in mei 1940 vanuit zijn woonplaats Scheveningen in een logger van Scheveningen naar Engeland gevaren om zich aan te sluiten bij het verzet. Huub Lauwers (Amsterdam, 19 juli 1915 – Utrecht, 13 juni 2004) had zich eveneens naar Engeland begeven om zijn diensten aan te bieden aan de Nederlandse regering. Beiden werden door de Special Operations Executive (SOE) te Beaulieu opgeleid als geheim agent. Op 7 november 1941 werden ze vanuit Engeland bij Ommen geparachuteerd, met als opdracht een radioverbinding met het hoofdkwartier in Londen te onderhouden. Op 3 januari 1942 werd het eerste codebericht naar Londen verzonden, maar al op 9 maart 1942 valt het duo in Duitse handen. Thijs Taconis zou op 6 september 1944 in Mauthausen worden gefusilleerd, samen met 23 andere Nederlandse geheim agenten. In de periode 6 -8 september 1944 zouden in het Duitse concentratiekamp in totaal 54 geheim agenten worden neergeschoten. Huub Lauwers ging in op het aanbod van de Duitsers met hen samen te werken, maar trachtte vele malen via de vooraf afgesproken security-checks tevergeefs Londen erover te informeren dat hij en Taconis gearresteerd zijn. Het was het begin van het Englandspiel dat 59 Nederlandse geheime agenten het leven zou kosten en waarvan de Beweegredenen vanuit Londen nog steeds in nevelen zijn gehuld. (meer…)

LAURENS RIJNHART BEIJNEN (50)

Laurens Rijnhart Beijnen (Brummen, 23 september 1896 – Brummen, 13 april 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was lid van de patriciërsfamilies Beijnen, die van oorsprong afkomstig was uit het Brabantse Waalre. De stamreeks gaat terug tot 1650 naar de schoolmeester Christiaan Beijnen. Een van zijn nazaten verkreeg in 1829 bij Koninklijk Besluit het recht de familienaam te wijzigen in Koolemans Beijnen; een andere nazaat, toevallig (?) met de naam Laurens Rijnhart Beijnen (1811-1897) wijzigde na zijn huwelijk met Catharina van Duijfhuijs (1814-1888) de naam in Van Duijfhuijs Beijnen. Laurens Beijnen had in Delft mijnbouw gestudeerd en werkte daarna ongeveer een jaar in Nederlands-Indië in Weltevreden, een door Europeanen bewoonde voorstad van Batavia, ongeveer tien kilometer van het stadscentrum verwijderd. In de loop van de achttiende eeuw verrezen hier statige herenhuizen waarmee de koloniale Nederlandse machthebbers de ongezonde levensomstandigheden in de hoofdstad konden ontvluchten. Weer terug in Nederland in 1934 stichtte hij in het Gelderse Eerbeek de zeefplatenfabriek Veco, een nog steeds florerend bedrijf.

Toen de oorlog uitbrak weigerde hij voor de Duitsers te gaan werken en wilde geen opdrachten laten uitvoeren in zijn fabriek, hoewel de commissarissen van de onderneming daar bij de eigenaar-directeur op aandrongen. Door plaatsgenoot mr. L.A.S.J. baron van der Feltz, die zijn standvastige opstelling wel kon waarderen, raakte hij betrokken bij het werk van de illegaliteit. Hij werd lid van de Ordedienst (OD); in de lente van 1944 werd Beijnen door de Gewestelijk Commandanten van de OD in Gewest 5 (Achterhoek), de reserve-luitenant W.A. van der Wall Bake en chef-staf jonkheer P.J. Six, gevraagd hoofd te worden van Sectie V van Gewest 5 van de Binnenlandse Strijdkrachten. De beide commandanten waren onderling zeer bevriend en kwamen veelvuldig bijeen in het landhuis ’t Kiefkamp te Vorden van de eer Van der Wall Blake. Beijnen hield zich onder meer bezig met inlichtingenwerk en speelde deze door aan de Ordedienst, waarvoor hij vooral in Amsterdam contact onderhield met majoor J. Kok, hoofd van Sectie v van het Algemeen Hoofdkwartier van de OD.Voor die bezoeken aan Amsterdam ging hij per fiets en leverde dan inlichtingenrapporten af. Beijnen trof namelijk de voorbereidingen voor de provisorische brugslag ten behoeve van de verwachte opmars van de geallieerde legers en wist te voorkomen dat allerlei materiaal van de brandweer naar Duitsland werd overgebracht.  (meer…)

HERMAN VAN VEEN 2

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 039

Frans van den Muijsenberg / 20 december 2020 / Klimmendaal Arrnhem

LOUISIANA BLUES 2

HIPPOCRATES IN DE HEL

Michel Cymes (geboren te Parijs op 14 mei 1957) is als specialist verbonden aan een kliniek in de Franse hoofdstad. Hij presenteert medische programma’s voor de publieke omroep France Télévisions. De grootouders van Cymes waren Poolse Joden, die in 1922 naar Frankrijk waren uitgeweken. Zijn beide grootvaders zijn in Auschwitz vermoord. Vanuit die achtergrond stelt hij aan alle Duitse nazi-artsen de vraag: “Hoe kun je een beroep kiezen dat leven redden als hoogste doel heeft en vervolgens de levens beëindigen van degenen die je niet langer beschouwt als mensen?”. Daarop volgend komt de vraag op of alle weerzinwekkende experimenten in de kampen de geneeskunde ook maar een millimeter verder hebben gebracht. Om het nog wat lastiger te maken, werpt Cymes een derde vraag op: Klopt zijn aanname dat alle folteraars tweederangs artsen waren, die door hun leraren en jaargenoten werden bespot en gemeden en nu de kans zagen te bewijzen dat ook zij, de minkukels, een grote wetenschappelijke bijdrage konden leveren aan het krankzinnige project van het Derde Rijk? Zij zouden wel eens even uitvinden hoe het Duitse volk het gezondste in de hele geschiedenis van de mensheid kon worden. Drie grote vragen, die een jarenlange studie naar een groot aantal betrokkenen vereisen, kennis van veel wetenschappelijke studies veronderstelt, waarvoor een behoorlijke dosis psychologisch inzicht onontbeerlijk is en een auteur moet beschikken over veel historisch inzicht in de ontwikkeling van de medische wetenschap. Het kan zijn dat dit boek een opwarmertje is voor zo’n magnum opus, maar dit blijkbaar snel geschreven boekje van een drukbezet iemand doet anders vermoeden. De tekst op de achterzijde geeft het min of meer al aan: (meer…)

BEDRICH SMETANA 2

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 038

Frans van den Muijsenberg / 27 november 2020 / Klimmendaal Arrnhem

COMMON & BILAL

HET 13e AMENDEMENT

Op Netflix een tijdje geleden geleken naar de Amerikaanse documentaire 13th, een indringende film over het eeuwenlange racisme in Amerika. Er wordt in uiteengezet hoe in de Verenigde Staten telkens een nieuw systeem ontstond om de Afro-Amerikaanse bevolking te onderdrukken. In 1865 werd voorgesteld via Amendement XIII van de Grondwet van de Verenigde Staten om de slavernij in de Verenigde Staten af te schaffen. Dat proces al in1863 door president Abraham Lincoln begonnen met diens Emancipatieproclamatie, die alleen de slaven uit de zuidelijke Geconfedereerde Staten, en niet die uit de noordelijke Unie bevrijdde. Het Dertiende Amendement geeft de staten en de federale overheid wel de mogelijkheid om veroordeelden onvrijwillig werk te laten verrichten, zolang die arbeid niet aangevuld werd met wrede of ongebruikelijke straffen, die worden verboden door het achtste amendement. De letterlijke tekst van sectie 1 van het amendement luidt: ‘Neither slavery nor involuntary servitude, except as a punishment for crime whereof the party shall have been duly convicted, shall exist within the United States, or any place subject to their jurisdiction’. Dat korte zinnetje dat bij gevangenisstraf wel de verplichting tot dwangarbeid kan worden opgelegd, zou al direct ingrijpende consequenties krijgen voor de Afro-Amerikaanse bevolking.  Op 1 februari 1865 was de staat Illinois de eerste staat van de VS die dit amendement ratificeerde. Georgia ratificeerde het amendement op 6 december 1865 als 27e staat. Daarmee was het vereiste aantal stemmen gehaald. Op 18 december 1865 trad het amendement in werking. andere staten ratificeerden het amendement pas vele, vele jaren later. Kentucky tekende pas op 18 maart 1976 en Mississippi op 16 maart 1995. Omdat de staat Mississippi de ratificatie niet had gemeld aan de nationale archivaris, was de ratificatie in die staat niet officieel tot 7 februari 2013.
(meer…)

MIDNIGHT OIL

JOAN ARMATRADING 2

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 31

GUSTAAF HENRI GELDER (49)

Gustaaf Henri Gelder (Batavia, 8 juli 1919 – Den Haag, 21 januari 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen in oktober 1941 door de Duitse bezetters werd afgekondigd dat Joden niet langer lid mochten zijn van een studentenvereniging, besloten die verenigingen zich op te heffen. Dat betekende echter ook dat er een eind dreigde te komen aan veel van de onderlinge contacten. Zo waren er literaire salons, waar door wetenschappers als de hispanoloog dr. Johan Brouwer (Delfshaven, 31 mei 1898 – Haarlem, 1 juli 1943) lezingen werden gehouden. Deze Brouwers was binnen het academische wereldje een curieus figuur. Zijn jeugdjaren werden gekenmerkt door een chronisch gebrek aan geld, reden voor hem en zijn broer een bankoverval te plegen. Een bekende die hiervan op de hoogte was, probeerde hen hiermee te chanteren en werd daarom in 1921 door de broers om het leven gebracht. Van 1922 tot 1928 moest hij zijn studie onderbreken om de opgelegde gevangenisstraf uit te zitten. Hierna pakte hij zijn studie Romaanse Talen weer op en studeerde in 1930 aan de Rijksuniversiteit Groningen cum laude af in de Spaanse letterkunde; in 1931 promoveerde hij er met een proefschrift over de Spaanse mystiek. Hij reisde daarna veel door Spanje en Portugal, publiceerde wetenschappelijke werken over de Spaanse letterkunde, vertaalde oude Spaanse literatuur en schreef enkele leerboeken Spaans. Door zijn reizen naar Spanje en het meemaken van de Spaanse Burgeroorlog, waar hij duidelijk koos voor de Republikeinen die tegen Franco vochten, werd hij zich bewust van de oorlogsdreiging en gaf hij waarschuwende lezingen in Nederland over het gevaar van non-interventie en de opkomst van het nationaalsocialisme. Toen begin 1941 dr. J.A. van Praag, de lector Spaans aan de Universiteit van Amsterdam, werd ontslagen omdat hij joods was, werd Brouwer tot zijn opvolger benoemd. (meer…)

CUBY AND THE BLIZZARDS 2

DENEMARKEN 022

DENEMARKEN 021

DENEMARKEN 020

DENEMARKEN 019

BOB SEGER 2

DENEMARKEN 018

DENEMARKEN 017

DENEMARKEN 016

DENEMARKEN 015

JEAN-MICHEL JARRE 2

DENEMARKEN 014

DENEMARKEN 013

DENEMARKEN 012

DENEMARKEN 011

DENEMARKEN 010

DENEMARKEN 009

DENEMARKEN 008

PROCOL HARUM 2

DENEMARKEN 007