Johannes Franciscus Alphonsus Marinus (John) Opdam (Soerabaja, 30 oktober 1916 – Leiden, 14 oktober 1983) was een Nederlands arts en veroordeeld moordenaar. Hij is de enige in de Nederlandse strafrechtelijke geschiedenis die voor twee verschillende moorden een levenslange gevangenisstraf kreeg opgelegd. In de media werd hij aangeduid als dokter O. of als de Berkelse huisarts. John Opdam verhuisde in 1936 naar Nederland, waar hij geneeskunde studeerde. In 1938 huwde hij de leraarsdochter Arnolda van Eyl en kocht hij een artsenpraktijk in Berkel en Rodenrijs. Terwijl zijn vrouw in 1951 op vakantie was, had Opdam een affaire met de dienstmeid, Nellie. Hoewel Arnolda erachter kwam toen zij terugkeerde van vakantie, kon er geen sprake zijn van een echtscheiding, aangezien ze een overtuigd katholiek was. Nellie werd ontslagen en wat Arnolda Opdam betreft was daarmee de kous af. Haar echtgenoot bleef echter Nellie zien, die eveneens in Berkel en Rodenrijs woonde. Ondertussen ging Arnolda’s gezondheid langzaam maar zeker achteruit, tot ze op 24 september 1952 stierf. Opdam concludeerde dat het een hersentumor was die zijn vrouw het leven had gekost. Zijn collega, die de autopsie uitvoerde, dacht daar anders over en gaf als doodsoorzaak op de overlijdensakte ‘onbekend’. De politie werd op de hoogte gebracht en een tweede autopsie bracht aan het licht dat er in Arnolda Opdams lichaam cyaankali zat. Johannes Opdam werd gearresteerd, maar wrong zich in allerlei bochten om onder een gevangenisstraf uit te komen. Tijdens de rechtszaak beweerde hij dat Arnolda’s moeder haar vermoord had. Het mocht hem niet baten. Op 8 juni 1954 werd hij tot levenslang veroordeeld en naar de gevangenis van Leeuwarden gestuurd. De rechtszaak geldt als leerstuk in de Nederlandse rechtspraak.
(meer…)
Ernesto Guevara (Rosario (Argentinië), 14 mei of 14 juni 1928 – La Higuera (Bolivia), 9 oktober 1967), beter bekend onder de naam Che Guevara, was een Argentijns marxistisch revolutionair en Cubaans guerrillaleider. De bijnaam Che kreeg hij gedurende zijn verblijf in Guatemala. In Latijns-Amerika wordt de kreet “Che” gebruikt om iemands aandacht te trekken; het kan vrij vertaald worden als vriend of maat. “Che” wordt ook gebruikt als bijnaam voor iemand uit Argentinië. In 1951 maakt Guevara samen met zijn vriend Alberto Granado (1923-2011) een rondreis op de motor (een Norton 500 cc bijgenaamd La Poderosa II ofwel De Machtige) door Latijns-Amerika. Het doel is om een paar weken als vrijwilliger te werken in de leprakolonie aan de Amazone in Peru. De reis, die meer dan een jaar duurt en meer dan 8000 km lang is, loopt van hun woonplaats Córdoba via Chili, Peru en Colombia naa4 Venezuela. Gedurende deze tocht schrijft Guevara het dagboek Diarios de motocicleta, dat later in het Nederlands is uitgegeven onder de titel Op de motor door Latijns-Amerika en in 2004 verfilmd door Walter Salles, met Gael García Bernal in de hoofdrol. Een reis, dagboek en film die verhelderend zijn voor de oorsprong van Che’s marxistische fanatisme. Che Guevara was een lid van Fidel Castro’s revolutionaire Beweging van de 26ste juli, die in 1959 via een revolutie in Cuba aan de macht kwam. Na verscheidene posten in de nieuwe Cubaanse regering te hebben bekleed, verliet Guevara Cuba in 1966 om de revolutie in andere landen te verspreiden, eerst in de Democratische Republiek Congo en later in Bolivia. Op 8 oktober 1967 werd Guevara opgepakt tijdens een door de CIA georganiseerde militaire operatie van het Boliviaanse leger. Hoewel de CIA hem voor ondervraging in leven wilde houden, werd Guevara de dag na zijn gevangenname geëxecuteerd. In juli 1997 zijn de overblijfselen van Guevara en zes van zijn kameraden naar Cuba overgebracht en in oktober 1997 met militaire eer bijgezet in een mausoleum in Santa Clara. Gisteren was het dus vijftig jaar geleden dat Ernesto Che Guevara werd vermoord. Tien jaar geleden publiceerde Grenzeloos over hem een stuk van Michael Löw, een fragment het boek ‘Che Guevara: une braise qui brűle encore’ (Parijs, 2007) van Olivier Besancenot en Michael Löwy. Naar aanleiding van de vijftigste sterfdag heeft Grenzeloos het artikel nogmaals geplaatst, met de opmerking dat het maar weinig aan actualitiet heeft ingeboet.
(meer…)



Le Chat Noir was een theatercafé en cabaret gelegen in Montmartre in Parijs, dat in 1881 werd opgericht door Rodolphe Salis, een zoon van een limonadefabrikant en leider van een klein theatergezelschap. De zaak was eerst gevestigd aan de Boulevard de Rochechouart en had zijn naam te danken aan een kat die Salis tijdens de inrichting van het café op straat had gevonden. In 1885 verhuisde Le Chat Noir naar Rue Victor Massé 12, een pand met drie etages dat gedecoreerd werd door Henri Rivière en Caran d’Ache. De faam van Le Chat Noir groeide nadat Émile Goudeau de literaire club Hydropathes had weten te overtuigen van de gelegenheid hun verzamelplaats te maken. Le Chat Noir werd een populaire ontmoetingsplaats van artiesten en cabaretiers. Tot de klanten hoorden onder meer Émile Zola, Georges Rodenbach, en Léon Bloy. De chansonniers Aristide Bruant, Maurice Mac-Nab, Jules Jouy, Jean Goudezki traden er op, de schrijvers en dichters Georges Lorin, Charles Cros, Albert Samain, Maurice Rollinat en Jean Richepin hielden voordrachten en Erik Satie speelde er piano.
Rodolphe Salis trad zelf vaak op als ceremoniemeester en conférencier. Hij had een goed gevoel voor modes en zorgde dat er altijd een nieuw aanbod van artiesten was en dat het programma regelmatig werd ververst. Hij introduceerde ook het succesvolle Theatre d’Hombres, het schaduwspel. Het schaduwspel was een idee van de uitgever van het blad Le Chat Noir, Henri Riviére. Hij plaatste een doek over de opening van zijn marionettenkast en sneed silhouetten van bekende politie-agenten uit de buurt. Veertien jaar lang verscheen het gelijknamig tijdschrift waarin artikelen werden geschreven door Guy de Maupassant en Émile Zola. Henri de Toulouse-Lautrec maakte tekeningen voor het tijdschrift.
Het idee van Le Chat Noir was zo succesvol dat spoedig in andere Europese steden gelijknamige en gelijksoortige gelegenheden werden geopend. In 1896 werd het cabaret gesloten; Salis overleed in 1897.
(meer…)
Johannes Jacobus Hendrix werd op 17 februari 1917 in Venlo geboren in een van de vroomste rooms-katholieke gezinnen van Venlo. Immers, maar liefst vijf van de zes kinderen kozen voor een bestaan als geestelijke, inclusief jongste zoon Jan. Die verliet het seminarie weliswaar voortijdig, naar verluidt speelde daarbij het feit dat hij een allerbelabberdste zangstem had een belangrijke rol, maar hij bleef diepgelovig. In het dagelijks leven was Hendrikx onderwijzer aan de ULO-school aan de Golziusstraat te Venlo.
In 1940 begon Hendrikx (die werkte onder de schuilnamen Ambrosius en Giel Gabrielsen) met het helen van ontvluchte Franse krijgsgevangenen. Vanaf 1941-1942 raakte hij betrokken bij het onderbrengen van joden. Door deze activiteiten kwam hij in contact met de LO, waar hij al snel de functie kreeg van provinciaal leider van Limburg en interprovinciaal leider van Noord-Brabant, Limburg en Zeeland. Nadat pater L. Bleys en kapelaan Jac Naus in het voorjaar van 1943 illegale activiteiten startten, organiseerde Hendrikx met Naus (ze bleven nauw samenwerken) de Limburgse onderduikershulp. Daarbij maakte Hendrikx gebruik van de parochiale organisatie van de rooms-katholieke kerk die in Limburg indertijd alom tegenwoordig was. Bruggenbouwer Hendrikx slaagde er vervolgens in om het illegale werk in het Zuiden – in hoge mate rooms-katholiek en geweldloos – te verbinden met het Noordelijke, redelijk protestants georiënteerde, verzet. Een geweldig kunststuk in die nog steeds verzuilde tijd. Onder de rooms-katholieke verzetsnaam ‘Ambrosius’ vervulde hij de rol van provinciaal leider van de Landelijke Hulp aan onderduikers (LO) met grote creativiteit, inzet en zelfopoffering. Zelf ging hij voorop in het werk. De bekende illegale werkster Eugenie Boutet in Sevenum: ‘Er ging een ontzaglijke bezieling van hem uit.’
(meer…)
Jan Antoon Fortuijn (soms ook wel gespeld als Fortuyn) (Amsterdam, 3 september 1855 – Castricum, 9 oktober 1940) was een Nederlandse socialist en vrijdenker. Hij was een van de oprichters van de SDAP. Fortuijn werd in 1855 geboren als zoon van de metselaar Jan Fortuijn en Antoinetta Frederica Petronella van der Huur. De vader van Fortuijn was medeoprichter van de metselaarsvereniging Door eendracht Saâmgebracht, die zich aansloot bij de Eerste Internationale, en richtte samen met Klaas Ris en anderen de Verenigde Bouwmaatschappij tot verkrijging van een Eigen Woning op. Hij liet zijn enig kind geen metselaar worden, maar zorgde dat deze op kantoor kwam.
Fortuijn werd procureursklerk op een advocatenkantoor en maakte kennis met klerken als B. van Ommeren (die bij zijn huwelijk getuige was) en W.A. Paap. In 1878 leerde Fortuijn tijdens bijeenkomsten in het gebouw van de Amsterdamsche Werkmansbond Joan Nieuwenhuis kennen, die hem een onstuimige, goedwillende en kordate jongeman vond. Beiden luisterden gretig naar sprekers als B.H. Pekelharing, mr. S. Katz en F. Domela Nieuwenhuis. Via P.J. Penning kwamen zij in contact met socialisten en de geheime vrijdenkersorganisatie Vox Populi. Fortuijn, wiens moeder gelovig was, werd vrijdenker en lid van de vrijdenkersvereniging De Dageraad. In 1878 schreef hij een enkele maal tegen de godsdienst, waarover hij een berucht spreker was, in De Werkmansbode, maar zijn echte belangstelling ging uit naar het algemeen stemrecht. In 1879 werd hij bestuurslid en in 1882 secretaris van de Vereeniging Algemeen Stemrecht in Amsterdam. Om het politieke leven een impuls te geven richtten Nieuwenhuis en Fortuijn eind 1880 de staatkundige vereniging De Unie op. Fortuijn sprak begin 1881 op de eerste openbare bijeenkomst. Door dit politieke werk ging hij veel met socialisten om. Hoewel hij aanvankelijk sceptisch tegenover het socialisme stond, werd hij in 1882 lid van de Sociaal Democratische Vereeniging en volgde in 1883 de oude H. Gerhard als voorzitter op. Fortuijn, die toen 28 jaar oud was en als klerk bij het advocatenkantoor van Wertheim en Gomperts werkte, versloeg daarbij Klaas Ris. W.H. Vliegen sprak over een tragisch element ‘In het zich toch telkens herhalende schouwspel, degenen, die een zaak hebben voorbereid door soms levenslangen harden arbeid, te zien overvleugelen door jongeren’. De oudere generatie vroeg zich morrend af wat er van de afdeling terecht moest komen, nu een ‘heer’ de leiding had gekregen. Het wantrouwen werd echter gelogenstraft. De eerste jaren waarin Fortuijn met strakke hand de afdeling leidde, waren de meest succesvolle in haar geschiedenis. Naar het oordeel van Domela Nieuwenhuis – en met instemming door Vliegen geciteerd – was niet de oude Gerhard, maar Fortuijn ‘de man, die de beweging in Amsterdam groot gemaakt heeft’.
(meer…)
De Galatabrug (Galata Köprüsü) is een brug over de Gouden Hoorn die de wijken Eminönü (west) en Galata (oost) van de Turkse stad Istanboel met elkaar verbindt. De twee verdiepingen tellende brug is de langste basculebrug ter wereld met een totale lengte van 466 m en een breedte van 80 m. Het wegdek is 42 m breed, met drie rijbanen en aan beide kanten een trottoir. Er is ook een tramverbinding over de brug. Op het onderste niveau van de brug bevinden zich veel (vis)restaurants.
Lang voor de bouw van de brug waren er al plannen een brug te bouwen: sultan Bayezid II liet Leonardo da Vinci een ontwerp maken maar keurde dit af. Daarna probeerde hij tevergeefs Michelangelo voor het karwei in te huren. In 1836 werd verder naar het noorden de eerste permanente brug over de Gouden Hoorn gebouwd. De eerste brug op de plek van de Galatabrug werd gebouwd in 1845, in opdracht van Bezmiâlem, de Valide Sultan (koningin-moeder), de moeder van sultan Abdülmecit. De brug werd in 1863 vervangen door een tweede houten brug en in 1870 door een derde brug. Later werd deze brug weggesleept om de brug uit 1836 landinwaarts te vervangen. Er werd een vierde brug gebouwd in 1912. Deze hield stand tot 1992, toen een brand de brug ernstig beschadigde. De huidige brug kwam gereed in 1994. De locatie is mede bekend vanwege de vele vissers die er dagelijks staan om er hun hobby of beroep uit te oefenen.
(meer…)
In 1929 werden in het kader van de werkverschaffing aan de westzijde van het Conradkanaal twee barakken gebouwd. Van 1929 tot en met april 1942 hebben werklozen, die bij de ruilverkaveling werden ingezet, onderdak in dit kamp gevonden. Zoals bij alle werkkampen die voor de werkverschaffing werden gebouwd, werd het kamp geleid door een kok/beheerder die werd geassisteerd door een kok en een huishoudelijk hulp, die uit Staphorst kwamen. In 1939 komen de kampen onder het bewind van de Rijksdienst voor de Werkverruiming. De barakken werden in 1940 naar de oostzijde van het kanaal verplaatst. Het kamp bestond uit vier woonbarakken, elk met acht kamers met zes slaapplaatsen, een barak met daarin de beheerderwoning, kantoor en keuken. In de keuken stonden drie kolossale kookpotten van ongeveer 1,5 meter doorsnee. Verder een kantine, enkele toiletten, een magazijn en waslokalen. In de kantine (met toneel) konden de mannen biljarten. Totaal konden er dus 192 werklozen in het kamp verblijven. Vanaf 1941 was ene J. Lonee de kok/beheerder, die voorheen al had gewerkt in kampen bij Rotterdam en Steenwijk.
In januari 1942 arriveerde de eerste joodse dwangarbeiders in kamp Conrad. In totaal werden in het half jaar dat Conrad als Joods werkkamp functioneerde 340 Joodse mannen hier verplicht tewerkgesteld. Ze moesten bij Rouveen de Afschuttingsweg en een ernaast gelegen sloot aanleggen. De weg wordt nu in de omgeving nog steeds de Jodenweg genoemd en de sloot de Jodensloot. De grootste groep arriveerde op 25 april 1942 in het kamp, toen een groep van 137 man uit Amsterdam arriveerde. Daaronder Coen Rood, die over zijn ervaringen in maar liefst elf arbeids- en concentratiekampen uitgebreid verslag heeft gedaan. Op 20 juli kwam een laatste groep Joden, die uit Assen waren vertrokken. Het merendeel van hen kwam uit Amsterdam, maar ook uit de directe omgeving werden mannen naar Conrad gestuurd.
.
(meer…)
Eero Saarinen (Kirkkonummi (Finland), 20 augustus 1910 – Ann Arbor (Verenigde Staten), 1 september 1961) was een Fins-Amerikaanse architect. Hij werd geboren in Finland om op zijn dertiende naar de Verenigde Staten te verhuizen. Hij groeide op in Bloomfield Hills (Michigan) waar zijn vader docent was aan de Cranbrook Educational Community. Hij zou hier later zelf ook lessen volgen in beeldhouwkunst en meubelontwerp. Later studeerde hij in Parijs aan de Académie de la Grande Chaumière en in de Verenigde Staten aan de Yale-universiteit. Oorspronkelijk wilde hij beeldhouwer worden, maar koos uiteindelijk toch voor architectuur. Na zijn studie ging hij aan de slag bij zijn vader Eliel Saarinen, eveneens een beroemd architect. In 1940 werd Eero genaturaliseerd tot Amerikaan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij voor het Office of Strategic Services. In 1952 werd hij lid van het American Institute of Architects. In 1954 trouwde hij met zijn tweede vrouw Aline Bernstein. Ze kregen één zoon. In 1960, op 51-jarige leeftijd stierf hij tijdens een operatie waarbij een hersentumor werd verwijderd.
Bij veel van zijn ontwerpen maakte Eero Saarinen gebruik van kettinglijnen. Beroemde werken zijn van hem zijn onder meer: Berkshire Music Shed (Tanglewood, Massachusetts, 1940), Washington Dulles International Airport (Chantilly, Virginia, 1958-1962), Gateway Arch (St. Louis, Missouri, 1961-1966), General Motors Technical Center (Warren, Michigan, 1946-1955), IBM Research Building (Yorktown, New York, 1957-1961), John Deere and Company (Moline, Illinois, 1963), Kresge Auditorium (Cambridge, Massachusetts, 1950-1955), Kresge Chapel (Cambridge, Massachusetts, 1955), North Christian Church (Columbus, Indiana, 1959-1963), TWA Flight Center, (nu ‘Terminal 5’) op JFK (New York, New York, 1956-1962) en Yale Hockey Rink (New Haven, Connecticut, 1956-1958). Saarinen ontwierp ook meubilair, zoals de Tulip chair.
Hieronder een aantal foto van een ronduit fantastisch gebouw: de al genoemde TWA-vleugel op Kennedy Airport in New York.
(meer…)



Markus Assies (Ooststellingwerf, 26 januari 1919 – Overveen, 6 juni 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was in 1939–1940, ten tijde van de mobilisatie, in dienst als vaandrig der infanterie. Na de capitulatie in mei 1940 werkte hij als rijksambtenaar te Assen en werd lid van de LO en KP aldaar. Zijn verzetsnaam was ‘Max’. Hij was betrokken bij vele verzetsactiviteiten als voorbereidingen van overvallen, onderduikers onderbrengen en piloten opvangen. Ook was hij betrokken bij het Nationaal Steun Fonds. Op 28 februari 1944 deed de Sicherheitsdienst een inval op een adres in Assen waar Assies aanwezig was bij een verzetsbijeenkomst. Hij en zijn collega’s kwamen in handen van de zogenaamde ‘Bloedgroep Norg’, een gezelschap dat berucht was vanwege haar martelpraktijken. De Bloedgroep Norg had het herenhuis van de familie Tonckens gevorderd en martelde gevangengenomen verzetsmensen in de kelder. Tijdens zijn vervoer deed Markus een vergeefse poging te ontsnappen. Latere pogingen om hem uit de gevangenis te bevrijden zouden ook op een mislukking uilopen. Nadat hij in Groningen vast had gezeten in het Huis van Bewaring werd hij overgebracht naar Kamp Amersfoort en enkele dagen daarna naar Kamp Vught. Samen met eenentwintig collega’s werd hij door het Polizeistandgericht ‘s-Hertogenbosch ter dood veroordeeld. Assies werd geëxecuteerd in Overveen op 6 juni 1944. In 1946 werd zijn stoffelijk overschot herbegraven op de erebegraafplaats Overveen in Bloemendaal in vak 23 en werd hem het Verzetskruis postuum toegekend.
Kort na de oorlog werd in Haule, waar de familie Assies van 1914 tot 1919 woonde, op de begraafplaats een plaquette onthield, in het bijzijn van familieleden die de oorlog wel overleden. De familie Assies was namelijk sterk vertegenwoordigd in het verzet. Vader Jans Assies (1888) vestigde zich in Haule in mei 1914. Het jonge gezin kreeg er vier kinderen: Gerrit (1914), Jan (1916), Albert (1917) en Markus (1919). In november 1919 verhuisde het gezin naar Veenhuizen in de gemeente Norg. Vader Jans Assies was lid van het verzet; hij werd op 12 december gearresteerd door Gerrit Hendrik Sanner van de beruchte “Bloedploeg Norg” en werd doorgestuurd naar het concentratiekamp Neuengamme. Daar overleed hij op 30 januari 1945 in een buitenkamp in de haven van Hamburg-Veddel aan uitputting. Na de oorlog is Jans Assies herbegraven op de Protestantse Begraafplaats.
.
(meer…)
Karl Liebknecht (Leipzig, 13 augustus 1871 – Berlijn, 15 januari 1919) was een van de leidinggevende figuren van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD), tot hij met deze partij brak en zich bij de veel radicalere Spartacusbond aansloot. Van 1890 tot 1893 studeerde hij rechten en politieke economie aan de universiteiten van Leipzig en Berlijn. Tijdens deze studies kwam hij in contact met het marxisme, wat zijn verdere levensloop zou bepalen. In 1899 opende hij samen met zijn broer een advocatenkantoor. Van daaruit verdedigde hij regelmatig socialisten die aangeklaagd waren vanwege het binnensmokkelen van illegale propaganda. Zelf was hij ook vaak betrokken bij deze activiteit. In augustus 1900 trad hij toe tot de SPD, die door zijn vader, Wilhelm Liebknecht, en August Bebel was opgericht. Hij zou 14 jaar actief zijn en tot verschillende mandaten verkozen worden. Van november 1901 tot 1913 was hij voor de SPD gemeenteraadslid in Berlijn. Tevens werd hij voorzitter van de socialistische Jongereninternationale (1907-1910) en in 1912 werd hij verkozen in de Rijksdag.
Zijn leven lang zou hij tegen de oorlog en het militarisme strijden. In 1907 werd hij gearresteerd voor zijn brochure Militarisme en antimilitarisme dat als hoogverraad werd beschouwd en hem een gevangenisstraf van 18 maanden opleverde. Vanuit de gevangenis werd hij verkozen in het Pruisische Huis van Afgevaardigden. Toen hij in 1912 verkozen werd in de Rijksdag, nam hij een radicaal linkse positie in. Hij bleef antimilitaristische propaganda voeren en werkte de algemene staking uit als een middel om strijd te voeren. Deze houding dwong hem ertoe om op 2 december 1914 tegen het goedkeuren van de oorlogskredieten te stemmen, hoewel de SPD deze wel goedkeurde. Karl Liebknecht verzette zich dan ook tegen de gematigde koers die Karl Kautsky de SPD liet varen.
.
(meer…)
Jean de Heinzelin de Braucourt (6 augustus 1920 – 4 november 1998) was een Belgisch geoloog die voornamelijk in Afrika werkte. Hij was werkzaam aan de universiteit van Gent en van Brussel. Sinds 1946 was hij verbonden aan het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. De Heinzelin de Braucourt kreeg in 1960 internationale bekendheid door de ontdekking van de oudste wiskundige vondst ter wereld: het Ishango-beentje.
Dat beentje is een archeologische vondst, gevonden bij het dorp Ishango, gelegen aan de noordoever van het Edwardmeer, in het toenmalige Belgisch-Congo, op slechts vijftien kilometer van de evenaar. Het geldt (maar niet onomstreden) als de oudste wiskundige vondst van de mensheid. Het is een gekerfd beentje, gedateerd op ca. 22.000 jaar voor Christus.Lange tijd heeft men overigens gespeculeerd over de betekenis van deze tekens op het beentje: een maankalender, een verzameling priemgetallen, een wiskundig spel of een telstaaf. Op zijn sterfbed in 1998 heeft De Heinzelin echter onthuld dat er nog een tweede staafje bestond, dat vlak bij het eerste staafje gevonden werd. Onderzoek door een team van archeologen, wiskundigen en ingenieurs heeft nu aangetoond dat het om telstokjes gaat. Ze zijn waarschijnlijk opgesteld met bases 6 en 10, zoals gebruikelijk in verschillende Afrikaanse gebieden. Men kan gerust stellen dat deze twee botjes de oudste getuigenissen zijn van het menselijk vermogen om te rekenen of logisch na te denken, werd er altijd trots een berichten over de vondst bij verteld. In “The fables of Ishango, or the irresistible temptation of mathematical fiction” maakte Olivier Keller echter korte metten met de diverse interpretaties, maar deze kritiek werd weer weerlegd door V. Pletser en D. Huylebrouck. Kortom, de discussie over de precieuze waarden van het botje is nog niet uitgewoekerd. Onveranderd blijft de Belgische trots over de vondst, want aan het Muntplein tegenover het musuem staat een meer dan levensgrote replica van het minieme origineel. (meer…)
Jacob Cornelis (Jacques) van Marken (Dordrecht, 30 juli 1845 – Hof van Delft, 8 januari 1906) was een vooruitstrevend ondernemer. Hij was de zoon van Jacob Cornelis van Marken, predikant, en Petronella Alida van Voorthuysen. Van Marken was het zesde van acht kinderen. Vlak na zijn geboorte verhuisde het gezin naar Amsterdam, waar hij het gymnasium bezocht en privé-onderwijs kreeg in de exacte vakken. Tijdens zijn studietijd raakte hij geïnteresseerd in sociale verhoudingen. Door toedoen van professor C.W. Opzoomer zou hij in 1871 uiteindelijk met het evangelisch geloof van zijn vader breken, zonder dat evenwel het contact met hem verloren ging. Op 7 oktober 1869 trad hij in het huwelijk met Agneta Wilhelmina Johanna Matthes. Dit huwelijk bleef kinderloos. Met Maria Eringaard had Van Marken een langdurige verhouding, waaruit vijf kinderen (van wie er twee spoedig overleden) geboren werden. Na haar overlijden in 1889 namen Van Marken en zijn echtgenote de kinderen in hun huis op.
Na beëindiging van zijn studie aan de Polytechnische School in Delft in 1867, was Van Marken in dienst getreden bij de Photogenische Gasfabriek in Amsterdam. Hem stond echter een eigen bedrijf voor ogen. Tijdens een studiereis naar Oostenrijk was hij geboeid geraakt door een nieuwe methode om gist te produceren. Met financiële steun van zijn vader en het bankiershuis Mees & Zoonen te Rotterdam richtte hij in 1869 in Delft de N.V. Nederlandsche Gist- & Spiritusfabriek op (het latere Gist-Brocades, inmiddels opgegaan in DSM). In commercieel opzicht groeide de jonge onderneming, die voor de gistproduktie geavanceerde procédés uit het buitenland overnam en verder ontwikkelde, snel. Als directeur van deze Delftse onderneming bouwde hij de eerste fabrieksnederzetting in Nederland voor zijn werknemers in het Agnetapark. Ook zorgde hij in 1884 voor een ongevallenverzekering voor zijn personeel. In 1883 richtte Van Marken letterlijk naast de Gist- en Spiritusfabriek de Nederlandsche Oliefabriek (NOF) op met de bedoeling om olie te produceren uit aardnoten. Dit bedrijf groeide in latere jaren door fusies uit tot de ‘Nederlandsche Oliefabrieken (NOF) Calvé-Delft’. De fabrieken van Calvé in Delft werden in 2008 gesloten. Ook nam hij de in 1885 opgerichte, maar in moeilijkheden verkerende Lijm- en Gelatinefabriek in Delft over. Hij kreeg op 13 november 1880 een vergunning voor de aanleg van een telefoonverbinding tussen zijn woonhuis en zijn bedrijf. Hij werd daarmee de eerste Nederlander met een telefoontoestel in huis. In Assen, Delft, Rijswijk (Zuid-Holland) en Schiedam is een straat naar hem vernoemd.
.
(meer…)
De Slag om Duinkerke, ook wel bekend als de evacuatie uit Duinkerke, was een militaire operatie in de omgeving van de Noord-Franse stad Duinkerke tussen 27 mei en 4 juni 1940. Van het Britse Expeditieleger wisten 218.226 man samen met 123.095 Fransen een Duitse omsingeling te ontvluchten tijdens de Slag om Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog.
Tussen 12 en 14 mei 1940 wist de Duitse Heeresgruppe A bij Dinant en Sedan bruggenhoofden te vestigen over de Maas. Op 15 mei braken Duitse pantsereenheden onder bevel van Erwin Rommel en Heinz Guderian uit naar het westen. De onverwacht snelle opmars van de Duitse troepen bracht de geallieerden al gauw in een kritieke situatie. Ze hadden hun beste gemechaniseerde en gemotoriseerde eenheden al ingezet om een verdedigende stelling te vormen op de lijn Breda – Namen. Deze troepen werden nu bedreigd door de Duitse opmars op hun rechterflank. De nog resterende Franse reserves waren operationeel niet in staat vanuit het zuiden een gecoördineerde tegenaanval uit te voeren. Doordat ook de Duitse generale staf door het plotse succes verrast was en het oprukken probeerde te vertragen, kregen de geallieerden nog enige dagen respijt, maar ze misten de politieke moed en het militair leiderschap om die tijd te gebruiken voor het nemen van de noodzakelijke maatregelen: het opgeven van België en het concentreren van alle troepen voor een tegenoffensief in zuidelijke richting. Al op 19 mei begon de Britse Admiraliteit met de voorbereiding van een mogelijke evacuatie van het Britse leger naar Engeland.
.
(meer…)
John Bates Clark (16 januari 1847 – 21 maart 1938) was een Amerikaanse neoklassieke econoom. Hij was een van de pioniers in de marginalistische revolutie en opponent van het institutioneel economische gedachtegoed. Het grootste deel van zijn carrière gaf hij les aan de Columbia-universiteit. Vanaf 1877 publiceerde Clark meerdere artikelen die later veelal aangepast zijn in ‘The Philosophy of Wealth’ (1886), waarin hij een originele versie van de marginale nutstheorie formuleerde. Dit principe werd al eerder beschreven, in 1871 door William Stanley Jevons en ook door Carl Menger en in 1878 door Léon Walras. Deze periode wordt dan ook de marginalistische revolutie genoemd en luidt een verandering in die later beschreven zou worden als de scheiding tussen het klassiek economisch- en het neoklassiek economisch gedachtegoed. Waar de waarde van goederen door klassieke economen werd toegeschreven aan de kosten van productie, wordt dit volgens neoklassieke denkers bepaald door marginale meerwaarden.
Er is een een belangrijke economische prijs vernoemd naar Clark, de John Bates Clark Medal . De prijs is een teken van verdienste voor economen jonger dan 40 jaar die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de economische wetenschap. De verdienste wordt ieder jaar verleend door de American Economic Association. Het winen van de prijs staat ook open voor niet-Amerikanen. Economen die in de Verenigde Staten werken, komen ook in aanmerking zoals winnaars Daron Acemoglu, Emmanuel Saez en Esther Duflo die geboren zijn in Turkije, Spanje en Frankrijk. De enige Nederlander die de prijs heeft gewonnen is Hendrik S. Houthakker. Het is een prestigieuze prijs en wordt alleen overschaduwd door de Nobelprijs voor de economie. Sinds de prijs werd ingesteld, heeft zo’n 40% van de economen ook deze Nobelprijs gekregen. Er lag gemiddeld wel 22 jaar tussen de uitreiking van beide prijzen.
(meer…)
Hildegard Neumann (Jablonné v Podještědí, Tsjecho-Slowakije, 4 mei 1919 – Overleden 2010?) was een vrouwelijke bewaker van diverse concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze werd geboren in het toenmalige Gabel, een Duitstalige stad die tot 1918 deel uitmaakte van de Oostenrijks-Hongaarse dynastie en momenteel gelegen is in het district Liberic in Tjechië
Ze arriveerde in oktober 1944 in het vrouwenkamp Ravensbrück, waar ze haar opleiding tot SS-Aufseherin (kampbewaakster) kreeg. De taak van de vrouwelijke Aufseherinnen was het bewaken van vrouwelijke gevangenen tijdens de dwangarbeid, transporten naar andere kampen en in het getto zelf. Al snel promoveerde ze naar de rang van SS-Oberaufseherin.
Door de goede indruk die ze maakte, werd ze in november 1944 naar het getto en concen-tratiekamp van Theresienstadt gestuurd. Ze kreeg hier de leiding over tien tot dertig vrouwelijke bewakers en was verantwoordelijk voor 20.000 Joodse vrouwen. Ze nam ook deel aan de deportaties van meer dan veertigduizend vrouwen en kinderen van Theresienstadt naar de concentratiekampen Auschwitz en Bergen-Belsen. De meesten hiervan kwamen in deze kampen om het leven.
Neumann vluchtte in mei 1945 uit het kamp en werd nooit veroordeeld voor oorlogsmisdaden. Dit ondanks het feit dat ze meehielp in het concentratiekamp waar tienduizenden stierven en van waaruit ongeveer honderdduizend werden gedeporteerd naar vernietigingskampen. Neumann, die de reputatie had een zeer wrede bewaakster te zijn, zou in 2010 zijn overleden, maar overtuigend bewijs van haar naoorlogse leven en haar overlijden is nooit geleverd.
(meer…)
Alfons Maria Jakob (Aschaffenburg, 2 juli 1884 – Hamburg, 17 oktober 1931) was een Duitse neuroloog en hoogleraar. Alfons Jakob studeerde medicijnen met specialisatie neurologie in München, Berlijn en Straatsburg. In die laatste plaats was hij de medeoprichter van de katholieke studentenvereniging K.D.St.V. Rappoltstein. In 1908 promoveerde hij in Straatsburg aan de toenmalige Kaiser-Wilhelms-Universität op het proefschrift ‘Die Pathogenese der Pseudobulbärparalyse (over verlammingsverschijnselen). In 1909 ging hij werken in de praktijk van de psychiater Emil Kräpelin en werkte daarnaast in de afdelingen voor neuromorfologie in München, onder Alois Alzheimer en Franz Nissl. In 1911 werd hij hoofd van het laboratorium voor Pathologie in het academisch ziekenhuis Friederichsberg; vanaf 1914 in hetzelfde ziekenhuis directeur van de afdeling Anatomie. Gedurende de Eerste Wereldoorlog was hij in Brussel hoofd van de neurologisch-psychiatrische afdeling van het oorlogsziekenhuis en arts in een herstellingsoord voor zenuwzieken. Direct na de oorlog vestigde hij zich zijn eigen praktijk voor neurologische patiënten en was docent neurologie en psychiatrie aan de universiteit in Hamburg. Vanaf 1924 werd hij aan deze universiteit professor. Hij was daar de zeer gewardeerde leraar van latere wetenschappers uit alle delen van de wereld.
Jacob deed onderzoek naar de gevolgen van beschadigingen aan het perifere zenuwstelsel en naar secundaire degeneratie van de zenuwen, naar de morfologische veranderingen door multiple sclerose en naar dystrofie. Hij was de eerste die de ziekte van Alpers (een progressieve en degeneratieve aandoening van het centrale zenuwstelsel bij kinderen als gevolg van bepaalde genetische mutaties) herkende en beschreef. Met Hans Gerhard Creutzfeldt deed hij hetzelfde voor de ziekte van Creutzfeldt-Jakob, een zeer zeldzame, door prionen veroorzaakte hersenziekte die wordt gekenmerkt door geheugenverlies, ataxie, onwillekeurige bewegingen en stijfheid. De ziekte ontstaat jaarlijks bij 1 a 2 op de 1.000.000 mensen en manifesteert zich rond het 50e levensjaar. Na het ontstaan van klachten verloopt de ziekte in enkele maanden tot één tot twee jaar fataal. Er bestaat nog steeds geen behandeling voor. Verder heeft Jacob bijgedragen aan de beschrijving van een aantal andere neurologische ziekten. Hij schreef vijf boeken en ruim 150 artikelen. Hij overleed onverwachts in 1931, nog maar 47 jaar oud.
Begin 1943 werden in het dorp Paricutín, een armzalig dorpje in het zuidwesten van Mexico, aardschokken gevoeld en gerommel gehoord. Op 20 februari zag de boer Dioniso Pulido tot zijn verbijstering de grond van zijn graanveld opensplijten. Samen met andere dorpsbewoners probeerde hij de diepe spleet te vullen met alle stenen en aarde, die ze in de buurt aantroffen. Daaraan kwam snel een einde toen er lava en pyroclastisch materiaal begon uit te spuiten. De bewoners van Paricutín en een paar omringende dorpen sloegen direct op de vlucht. Aan het eind van de dag was de vulkaan al tien meter hoog en de jonge vulkaan bleef maar materiaal uitstoten. Aan één stuk door. De volgende dag was de vulkaan tot een hoogte van vijftig meter gegroeiden en na een week was hij al ruim honderd meter hoog. In maart begon de vulkaan kilometers hoge aswolken uit te stoten en op 12 juni begon de lava te stromen. De dorpen Paricutín en San Juan ondergingen hetzelfde lot als Pompeï en Herculaneum, maar de bevolking kon op tijd geëvacueerd worden. Er vielen maar drie doden, allen als gevolg van bliksem die gepaard ging met de uitbarsting. Na zes maanden begon de vulkaan langzaam te kalmeren; er was toen al 25 vierkante kilometer door lava overstroomd. Pas in 1952 kwam de Paricutín, toepasselijk genoemd naar het dorpje dat hij had opgeslokt, helemaal tot rust. De vulkaan was toen gegroeid tot 424 meter boven het graanveld waar hij was ontstaan, met een officiële hoogte van 3.170 meter. De Paricutín is een zogenaamde monogenetische vulkaan, wat betekent dat hij na de eerste uitbarsting nooit meer actief zal worden. Een geruststellende gedachte, want het maakt een terugkeer van de bewoners weer mogelijk.
(meer…)
Job van Melle (Goes, 26 mei 1897 – 14 april 1945, Amsterdam) was in zijn geboorte- en woonplaats boekhouder. In mei 1940 deed hij een vergeefse poging mee te gaan met de zich van Zeeland naar Vlaanderen terugtrekkende Franse troepen. In mei 1942 bezocht hij ds. F. Slomp die in Goes een LO-groep wilde oprichten. Vanaf medio 1943 was hij actief binnen die LO-afdeling; hij werkte er onder de schuilnamen ‘Veldhoen’ en ‘Van Berkel’. Al in september 1943 moest hij in Utrecht onderduiken, nadat enkele naaste medewerkers waren gearresteerd toen een opgepakte Duitse deserteur bij zijn verhoor doorsloeg.
In Utrecht kreeg hij direct opnieuw aansluiting met de LO. Ook kwam hij in contact met H.Ch. Kohlbrugge (‘Chrisje’), die via de ‘Zwitserse Weg’ betrokken was bij het naar Engeland verzenden van bescheiden van militair belang. In 1944 werd Van Melle koerier voor Sectie V van het Algemeen Hoofdkwartier van de OD (later Delta en NBS): een- of tweemaal per week bracht hij spionagemateriaal (rapporten, tekeningen, bijlagen) over openbare werken (havens, bruggen, gas- en elektriciteitsvoorzieningen) van Utrecht naar Amsterdam. In Utrecht werd al dat materiaal verzameld door ir. H. ten Brokkel Huinink, hoofdinspecteur-directeur van de Directie Bruggen van Rijkswaterstaat. Toen het reizen per trein vanaf september 1944 onmogelijk werd, ging hij op zijn fiets met houten banden en nadat dit door sneeuw en vorst steeds moeilijker werd, ging Van Melle te voet met een slede. De grote fysieke inspanningen putten hem volledig uit, maar hij zette zijn werk onverdroten verder.
(meer…)
Het ontstaan van namen van steden en streken is soms duister en andere keren is het heel simpel. Dat Amsterdam zijn oorsprong vindt in de betekenis ‘dam aan de rivier de Amstel’ is overduidelijk. Hetzelfde geldt voor andere steden met ‘dam’ en de dichtbij zijnde rivier in de naam. Een andere probleem is dan weer waar de namen van riviertjes als de Amstel en Rotte vandaan komen. En waarom heet Londen dan geen ‘Thamesbridge’ of iets soortgelijks, zoals Cambridge genoemd is naar de brug over de rivier de Cam. De etymologie houdt zich bezig met de oorsprong van woorden en binnen hun vakgebied kregen persoonsnamen, plaatsnamen en andere geografische aanwijzingen altijd veel aandacht gekregen. Ze kunnen namelijk veel en nuttige historische informatie geven. Er is nu echt geen doorwaadbare plaats meer in Utrecht, maar de naam duidt aan dat dit vroeger wel zo was. Middelburg heeft geen burcht meer, maar vroeger wel. Heerenveen, tja, er zal een rijke heer hebben gewoond, die al dat veen wel zag zitten! Wat voor de Nederlandse namen geldt, is uiteraard ook van toepassing op de buitenlandse namen. Ook hier zijn sommige snel verklaarbaar en anderen vergen veel onderzoek. Wat kun je nu bedenken bij je naam Brussel of de verbasteringen daarvan in het Frans (Bruxelles) of Engels (Brussels)?
De oudste bekende naam van de stad is Bruocsela, wat zoveel betekent als ‘nederzetting in het moeras’. Uit die naam kwam Broekzele voort en dat evolueerde weer tot Brussel. De etymologische betekenis van ‘bruocsela’ is ‘broek’ , waarmee een moerassig land wordt aangeduid. De meeste plaatsen met het toponiem broek roepen echter al eeuwenlang niet de minste associatie op met een moeras, omdat al sinds de vroege Middeleeuwen de bodem van de broekgronden door drainering werd verbeterd. Het moeras verdween, de oude benaming bleef. Behalve in plaatsnamen komt het ook nog voort in bekende familienamen zoals Van den Broek, Van de(r) Broek, Van den Broeck of Van den Broucke (België).
(meer…)
Thomas Weber onderzocht de oorlogservaringen van soldaat Eerste Klasse Adolf Hitler en zijn regimentsgenoten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ze vochten in een oorlog die in het begin nog werd gevoerd op basis van de machtsverhoudingen van de negentiende eeuw, met de daarbij horende oorlogsstrategieën en bewapening, plus het soms haast ridderlijke respect dat op het slagveld nog bestond tussen alle rangen en standen van beide legers. Een oorlog die halverwege van karakter veranderde en niet alleen de nieuwe mondiale machtsverhoudingen liet zien, maar ook de moderne manieren van oorlogvoering: vernietiging, totale oorlog en genocide. Weber probeert aan de hand van een minutieus verslag van de oorlogservaringen van Hitlers regiment antwoord te geven op de vraag of het radicalisme van Hitler en zijn maten voortkwam uit de oorlog en dus het nazisme als het ware ontsprong in de loopgraven in België en Noord-Frankrijk óf dat het nationaalsocialistische gedachtegoed pas ontstond na 1918 door de economische misère, door de onvrede over het onrechtvaardige Verdrag van Versailles, door de angst voor het opkomende communisme en door de invloed van ultrarechtse coups?
Weber gaat daarbij diepgaand in op de ervaringen van de leden van het List-regiment en de mythe die na 1918 door Hitler en de nazi-propagandamachine over het regiment werd gecreëerd. Deel 1 begint op 2 augustus 1914, toen een enthousiaste menigte een deel van de Odeonsplatz in het centrum van München in bezit had genomen om hun enthousiasme over de zojuist uitgebroken oorlog te laten blijken. Waarbij de schrijver al direct een eerste mythe ontsluierd, namelijk dat in Duitsland door iedereen zo enthousiast op de oorlog werd gereageerd. Een oorlog die “frisch und fröhlich” zou zijn en waarvan iedereen verwachtte dat ze allemaal met Kerstmis weer thuis zouden zijn. De Odeonsplatz was echter lang niet zo vol als de in de media gebruikte foto’s altijd suggereerden. Slechts een fractie van de zeshonderdduizend inwoners van München was naar de manifestatie gekomen en had zich verzameld voor de Feldherrnhalle. De rest van het plein was leeg, er was nog ruimte genoeg voor een tram die in een normaal tempo over het plein kon rijden. Het groepje lusteloos rondhangende mensen begon pas te juichen toen ze zagen dat een filmploeg in actie was. Pas toen maakte de fotograaf zijn beroemd geworden foto, waarop een jubelende en oorlogszuchtige massa te bewonderen was. Op die foto stonden opvallend veel meer mensen dan op het filmpje, zodat het wel zeker is dat met de foto werd geknoeid. Niet alleen bracht de fotograaf er meer mensen in, hij zorgde er waarschijnlijk ook voor dat Hitlers hoofd er vakkundig werd ingebracht. Opvallend genoeg werd de foto namelijk pas in 1932 voor het eerst gepubliceerd. Met die manipulatie werd het een prachtig icoon voor de nazi-propaganda: een eensgezind Duits volk dat de oorlog wil en hun Führer die te midden van zijn volk daarvan deel uitmaakt.
(meer…)
Op 6 juni jl. pleitte de arabist Jan Jaap de Ruiter in een opiniestuk in de Volkskrant voor een bindend lidmaatschap van alle Nederlandse islamitische centra en moskeeën in een nationaal overlegorgaan, voorgezeten door de overheid. De achterliggende gedachte was dat personen die aanslagen hebben gepleegd in naam van de islam vaak kortere of langere tijden verkeerd hebben in islamitische centra of moskeeën en dat er daarmee een mogelijkheid ligt voor islamitische leidslieden om dit soort informatie door te geven aan de autoriteiten. Daarnaast zou de instelling van zo’n overleg hoe dan ook nuttig voor het nader vormgeven van de islam in Nederland, net zoals dat indertijd het geval was met het vormgeven van een moderne joodse gemeenschap in ons land. Bij dat laatste doelt De Ruiter op de oprichting in 1814 door koning Willem I van een Commissie Tot Zaken der Israëlieten.
In de overwegend protestantse Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden mochten Joden oorspronkelijk geen lid worden van een gilde en dus vrijwel geen enkel beroep uitoefenen. Sommigen zochten hun heil in het kredietwezen of de handel, verreweg de meesten probeerden echter als venter, marskramer of los-vaste arbeider wat te verdienen. De gilden verzetten zich in 1748 tegen de levendige straathandel. Handhaving van de strenge regels leverde rellen op en kritiek van de invloedrijke Isaac de Pinto. Begin 1795 maakte een inval van het Franse leger een eind aan het bestaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en namen de Fransen de macht over van de regentenaristocratie> Ze legden daarmee de basis voor de Bataafse Republiek en de eenheidsstaat zoals die er nu uitziet.
(meer…)
Wilhelmus Petrus Adrianus Maria Mutsaerts (Tilburg, 18 juni 1889 – ‘s-Hertogenbosch, 16 augustus 1964) was een bisschop van de Nederlandse Rooms-katholieke Kerk. Hij was van 1943 tot 1960 bisschop van het bisdom ‘s-Hertogenbosch. Hij studeerde aan het klein-seminarie te Sint-Michielsgestel en aan het groot-seminarie te Haaren. In 1914 werd hij tot priester gewijd. Na werkzaam te zijn geweest als secretaris van het Bisdom Breda werd hij in 1915 pastoor te Tilburg. In 1942 werd Mutsaerts benoemd tot coadjutor van de bisschop van ‘s-Hertogenbosch, mgr. Diepen. In maart 1943 volgde hij hem op als bisschop. Als wapenspreuk koos hij: Christus formetur in vobis, d.w.z. Moge Christus in u worden gevormd. Mgr. Mutsaerts werd in 1960 opgevolgd door mgr. Bekkers.
Na de oorlog heeft Wilhelmus Mutsaerts zich ingezet voor het herstel van de verwoeste kerken in zijn bisdom en het herstellen van het kerkelijke leven. Na zijn emeritaat in 1960 kreeg Mutsaerts het titulaire aartsbisdom Phulli toegewezen, waardoor hij als aartsbisschop de geschiedenis zou ingaan. Hij overleed vier jaar later en werd bijgezet in de crypte van de Bisschopskapel op begraafplaats Orthen. De kerkhistoricus Ton van Schaik noemt Mutsaerts in zijn biografie over kardinaal Alfrink ‘een Tilburgse fabrikantenzoon met veel Brabantse bonhomie maar weinig originele gedachten’. Voor intellectuele leken die voorop liepen in de katholieke emancipatie en zich losser wilden maken van de nauwe verbintenissen met bisdom en pastorie, zoals de letterkundige Anton van Duinkerken, had de bisschop geen begrip. Michel van der Plas citeert Mutsaerts over het optreden van Van Duinkerken: “De leken hebben de mond vol over emancipatie maar zijn volkomen aan het verwilderen.” Het is nog steeds maar de vraag of hij nu gelijk of ongelijk had.
Anton Burger (Neunkirchen, 19 november 1911 – Essen (Noordrijn-Westfalen, 25 december 1991) werd in 1932 lid van de Oostenrijkse NSDAP. De NSDAP werd op 19 juni 1933 in Oostenrijk verboden en Burger werd daarom in juli 1933 oneervol uit het leger ontslagen. Illegaal reisde Burger naar Duitsland en sloot zich aan bij het Österreichische Legion. Spoedig daarop werd hij lid van de SA. In 1938 verwisselde hij de SA voor de SS, daardoor kon Burger bij de SS-organisatie ‘Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Wien’ in dienst treden. Zijn directe chef daar was Adolf Eichmann.
In de zomer van 1942 werd hij door Adolf Eichmann naar Brussel gezonden om de deportatie van Belgische, Nederlandse en Franse Joden te coördineren. Hij maakte snel carrière en in februari 1943 werd hij verantwoordelijk gesteld voor de deportatie van de Macedonische Joden naar het vernietigingskamp Auschwitz. Hij zorgde ervoor dat er tot aan augustus 1943 circa 46.000 Joden waren gedeporteerd, meestal van Thessaloniki. Vanaf 5 juli 1943 was hij ook belast met de leiding over concentratiekamp Theresienstadt. Hij werd hier berucht vanwege zijn wrede aanpak van de gevangenen.
Na de oorlog werd Burger in een Amerikaans interneringskamp geplaatst. Hij werd in 1947 bij afwezigheid tijdens een proces in Litoměřice ter dood veroordeeld. Vlak voordat het vonnis voltrokken zou worden, wist Burger uit het interneringskamp te ontsnappen. Burger nam een nieuwe identiteit aan en ging als Wilhelm Bauer door het leven. Hij werkte onder meer voor een onderneming in Essen. In maart 1994, ruim twee jaar na zijn dood, kon het Bayerisches Landeskriminalamt na een tip van Simon Wiesenthal vaststellen dat Wilhelm Bauer dezelfde persoon als Anton Burger was.
(meer…)
Het ontstaan van namen van steden en streken is soms duister en andere keren is het heel simpel. Dat Amsterdam zijn oorsprong vindt in de betekenis ‘dam aan de rivier de Amstel’ is overduidelijk. Hetzelfde geldt voor andere steden met ‘dam’ en de dichtbij zijnde rivier in de naam. Een andere probleem is dan weer waar de namen van riviertjes als de Amstel en Rotte vandaan komen. En waarom heet Londen dan geen ‘Thamesbridge’ of iets soortgelijks, zoals Cambridge genoemd is naar de brug over de rivier de Cam. De etymologie houdt zich bezig met de oorsprong van woorden en binnen hun vakgebied kregen persoonsnamen, plaatsnamen en andere geografische aanwijzingen altijd veel aandacht gekregen. Ze kunnen namelijk veel en nuttige historische informatie geven. Er is nu echt geen doorwaadbare plaats meer in Utrecht, maar de naam duidt aan dat dit vroeger wel zo was. Middelburg heeft geen burcht meer, maar vroeger wel. Heerenveen, tja, er zal een rijke heer hebben gewoond, die al dat veen wel zag zitten!
Wat voor de Nederlandse namen geldt, is uiteraard ook van toepassing op de buitenlandse namen. Ook hier zijn sommige snel verklaarbaar en anderen vergen veel onderzoek. Bij sommige lijkt de oorsprong overduidelijk, maar duiken er toch onverwachtse vragen op. Het lijkt toch wel erg logisch dat de naam van het plaatsje Palm Beach in Florida verwijst naar de palmbomen die er op dat strand groeiden en nog steeds groeien trouwens. Maar ……. waar kwamen die palmbomen vandaan, want verder komen in de Verenigde Staten van nature geen palmbomen voor. Alleen op dit smalle zandstrandje aan de Atlantische Oceaan. Da’s vreemd, nietwaar?
(meer…)
Terwijl de kanonnen op het slagveld haast onafgebroken bulderden, was het aan het thuisfront stil. De loopgravenoorlog aan het westelijk front tussen de Duitse, Franse en Engelse legers was buitengewoon bitter. Op slechte dagen vielen duizenden doden, soldaten leden vreselijk en velen keerden getraumatiseerd huiswaarts. Maar buiten het front kende vrijwel geen gewone burger dat verhaal.
Begin vorige eeuw floreerden Europese kranten. Steeds meer mensen konden lezen, radio en televisie bestonden nog niet en veel landen kenden persvrijheid. De oplagen stegen en lezers konden kiezen uit tientallen titels. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was het plots gedaan met de vrijheid. De oorlogvoerende landen beseften dat negatieve pers de steun van het thuisfront in gevaar kon brengen. Daarom stelde Engeland een Press Bureau in, Duitsland het Kriegspresseamt en Frankrijk de Section d’Information. Elk woord dat de journalisten schreven, werd gecontroleerd en gecorrigeerd door deze commissies.
Met de waarheid had de krantenberichtgeving vanaf toen weinig meer van doen. Na de eerste dag van de Slag aan de Somme opende de Sunday Pictorial (de voorganger van de Sunday Mirror) bijvoorbeeld met de kop ‘De grote opmars: “Alles gaat goed voor Engeland en Frankrijk.” ’ In werkelijkheid was de Slag aan de Somme op 1 juli 1916 desastreus begonnen voor de Britten. Nog nooit stierven er meer Britse soldaten op één dag, ruim 19.000. Daarover repte de Pictorial niet, wel over zestien mijl aan loopgraven die veroverd was.
In de loopgraven waren nauwelijks journalisten aanwezig om verslag te doen. Vanaf de start van de oorlog in 1914 was het voor Franse journalisten verboden naar het front te gaan, vanaf eind 1914 mochten ook Engelse verslaggevers niet meer bij de loopgraven verschijnen. De Duitse regels waren ook streng. In de eerste oorlogsmaanden waren er nog journalisten die zich toch naar het front begaven, maar zij riskeerden de doodstraf. De Engelse journalist Philip Gibbs sliep in 1914 bijvoorbeeld in hostels nabij het front, om zo heimelijk over de oorlogen te berichten. Maar in 1915 werd hij opgepakt door de Britse overheid, nadat hij had geschreven over de slechte verstandhouding tussen Britse officieren en hun ondergeschikten. Na het dreigement van executie verliet Gibbs het front.
Angela Maria (Geli) Raubal (Linz, 4 juni 1908 – München, 18 september 1931) was een dochter van Angela Raubal, een halfzus van Adolf Hitler en zodoende een halfnicht van hem. Toen Hitler in 1929 een appartement betrok in München, werd zijn halfzuster Angela zijn huishoudster. Samen met Geli woonde zij bij hem in. In de twee jaar daarna ging Geli veel met Hitler (“Onkel Alf”) om in het openbaar; er waren dan ook geruchten dat ze een verhouding met hem zou hebben. Dit was iets dat veel hoge nazi’s niet zinde. Geruchten over een incestueuze verhouding van de Führer zouden immers de reputatie van de hele partij schade kunnen toebrengen. Het is wel zeer waarschijnlijk dat Hitler emotioneel afhankelijk was van Geli.
In de ochtend van 19 september 1931 werd Geli Raubal gevonden in Hitlers appartement, neergeschoten met zijn pistool. Ze was toen 23 jaar oud. Er deden vele geruchten de ronde over de doodsoorzaak. Sommigen zeiden dat ze met het pistool aan het spelen was en zichzelf per ongeluk doodschoot, maar er zijn ook geruchten dat Hitler iets met haar dood te maken zou hebben gehad. De officiële doodsoorzaak is echter zelfmoord. Hitler was niet aanwezig op de begrafenis van Geli. De vijanden van Hitler hadden de dag van hun leven en smulden van het nieuws. De kranten stonden bol van geruchten, speculaties en theorieën. Hitler zelf raakte in een diepe depressie. Hij overwoog zelfs de politiek op te geven. Enkele dagen na Geli’s begrafenis bezocht hij haar graf te Wenen, waarna hij ineens weer uit zijn depressie kwam.
Jo Wüthrich (9 december 1903 – 26 oktober 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Johan Reinier Ernest Wüthrich werd op 9 december 1903 geboren te Coevorden. In 1924 vertrok Wüthrich naar Nederlands-Indië en werkte bij verschillende cultures. Hij was later directeur van Wüthrichs Handelsbedrijf N.V. te Utrecht.In 1941 trad hij toe tot de Nederlandsche Unie en nadat deze organisatie ter ziele was gegaan, was hij vanaf mei 1942 was hij samen met Cornelis Vlot redacteur van een landelijk informatieblad, Het Bulletin genaamd. Dit ging in februari 1943 op in Je Maintiendrai, een ander illegaal blad. Op 15 augustus 1944 ontdekte de Sicherheitspolizei in Utrecht het hoofdkwartier van Je Maintiendrai, hetgeen ertoe leidde dat Vlot en Wüthrich nog tijdens een redactievergadering werden gearresteerd. Op 26 oktober 1944 werd hij samen met negen anderen vanuit het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam, waar allen werden vastgehouden, per vrachtwagen naar Haarlem overgebracht en aan de voet van de Sint-Bavokathedraal doodgeschoten. Deze executies waren onderdeel van een Duitse represaillemaatregel voor de dood van politieman Fake Krist, die de dag ervoor door het Haarlemse verzet was geliquideerd.
Bij Koninklijk Besluit No. 17 van 7 mei 1946 werd Wüthrich postuum het Verzetskruis 1940-1945 toegekend, “voor onder gevaarlijke omstandigheden betoonden moed, initiatief, volharding, offervaardigheid en toewijding in den strijd tegen den overweldiger van de Nederlandsche onafhankelijkheid en voor het behoud van de geestelijke vrijheid, daarbij in hem eerende een der uitingsvormen van het verzet, dat in zijn veelzijdige activiteit van 15 mei 1940 tot 5 mei 1945 in stijgende mate den vijand heeft geschaad en op onvergetelijke wijze tot de bevrijding van het Vaderland heeft bijgedragen.”
Wüthrich werd gecremeerd in het Crematorium Velsen op de begraafplaats Westerveld. Zijn as werd verstrooid. Zijn naam wordt vermeld op een in 1949 onthuld oorlogsmonument in Haarlem, Treurende vrouw, dat staat in het plantsoen aan de Westergracht, naast de Sint-Bavokerk. In Utrecht is een straat naar Wüthrich genoemd, de Jo Wüthrichlaan.
FRONTBLOEMEN
De symbolen voor slaap, onschuld, hoop, vrede en dood
Vraag een willekeurige Nederlander welke bloem symbool staat voor de Eerste Wereldoorlog en het antwoord zal luiden: de klaproos. Een aardige illustratie van het feit dat de Angelsaksische wereld steeds overheersender is geworden in onze gedachtewereld. De rode klaproos van het Britse Gemenebest is namelijk de afgelopen decennia het oorlogsbloempje bij uitstek geworden.
Het lelietje van dalen
De Fransen hadden nog een tweede bloem, het lelietje van dalen. Deze plant groeit in bossen en is met haar witte bloemtrossen een opvallende verschijning. Bij de verdedigingsgordel om Verdun was er dan ook een vestingwerk naar genoemd: Ouvrage de muguet. In Frankrijk werden de bloemtrosjes steeds op de eerste mei gegeven als brengers van geluk, een traditie die nog steeds bestaat. Op veel plaatsen in Zuid-België en Frankrijk worden deze ‘muguets’ te koop aangeboden en zijn daarmee voor de jeugd een plezierige bijverdienste. Heel wat groepen Franse soldaten hebben zich laten fotograferen om een groet naar huis te sturen. De geweren aan de kant, goed verschoond en geschoren, de haren gekamd, een glimlach in een poging de vermoeide ogen te maskeren en lieflijk met een bosje lelietjes van dalen in de hand. (meer…)
FRONTBLOEMEN
De symbolen voor slaap, onschuld, hoop, vrede en dood
Vraag een willekeurige Nederlander welke bloem symbool staat voor de Eerste Wereldoorlog en het antwoord zal luiden: de klaproos. Een aardige illustratie van het feit dat de Angelsaksische wereld steeds overheersender is geworden in onze gedachtewereld. De rode klaproos van het Britse Gemenebest is namelijk de afgelopen decennia het oorlogsbloempje bij uitstek geworden.
Het madeliefje
De soldaten van het Britse rijk waren namelijk niet de enige die bedachten dat het goed zou zijn om een veldbloem te kiezen als symbool voor hun ontberingen en massale sterven. Bij soldaten van de andere landen kwam na de Slag aan de Marne in september 1914 namelijk dezelfde gedachte op. De Belgen kozen voor het madeliefje, ook een bloem die veelvuldig in de contreien van het oorlogsgeweld voorkwam. Volgens volksverhalen uit de vroeg-christelijke tijd zouden madeliefjes zijn ontsprongen aan de tranen van de maagd Maria tijdens haar vlucht naar Egypte. Door de witte kleur en de associatie met Maria kon de bloem makkelijk worden gekoppeld aan de symboliek van vrede, onschuld en reinheid. Bij de Germanen was de bloem gewijd aan godinnen die stonden voor liefde, lente en vruchtbaarheid. Het madeliefje en ook de margriet werden gebruikt voor het aftellen en afplukken van de bloembladeren, waar de bloemen waarschijnlijk de naam “liefdesbloempje” aan te danken hebben. Kortom, ook de keuze voor deze bloem sloot goed aan bij eeuwenoude tradities. Het was niet ongebruikelijk dat de stoere soldaten naar hun lief ergens op het Vlaamse of Waalse platteland een envelop met een paar madeliefjes en een kaart stuurden met een zoete tekst als “Drie kleine madeliefjes, voor U geplukt aan de oevers van de IJzer op 26 juli 1916”, aangevuld met enkele opbeurende woorden voor het thuisfront. Later verschenen voorbedrukte kaarten met een of meer madeliefjes op de markt, meestal ook voorzien van de Belgische vlag en een fraaie stichtelijke tekst. Na de oorlog werden ook in België de oorlogsinvaliden aan het werk gezet om plastic madeliefjes en speciale kaarten te vervaardigen, die ze op nationale feestdagen mochten verkopen. De opbrengst diende om de invaliden financieel bij te staan. Tot ver in de jaren vijftig werd voor dat doel in België met madeliefjes rondgegaan. De noodzaak van financiële ondersteuning is sindsdien verdwenen en het oude Belgische symbool is geheel naar de vergetelheid verdrongen met de opkomst van de poppy-industrie. (meer…)
FRONTBLOEMEN
De symbolen voor slaap, onschuld, hoop, vrede en dood
Vraag een willekeurige Nederlander welke bloem symbool staat voor de Eerste Wereldoorlog en het antwoord zal luiden: de klaproos. Een aardige illustratie van het feit dat de Angelsaksische wereld steeds overheersender is geworden in onze gedachtewereld. De rode klaproos van het Britse Gemenebest is namelijk de afgelopen decennia het oorlogsbloempje bij uitstek geworden.
De klaproos
De symboolfunctie van de klaproos is geen Britse uitvinding uit het begin van de vorige eeuw, want de papaver – laten we niet vergeten dat de klaproos tot de papaverfamilie hoort, die tak waaruit geen verdovende middelen konden worden gewonnen – was al heel lang het symbool voor slaap, vrede en dood. Slaap en vrede vanwege de opium die uit papaver werd gewonnen en dood vanwege de bloedrode kleur die vele soorten van deze bloemen hebben. Al in de Griekse en Romeinse mythologie komen de bloemen voor in offerandes aan de Goden en werden ze bij graven neergelegd om de eeuwige slaap te symboliseren. Ook werd in de klassieke mythologie verondersteld dat de heldere, purperen kleur de belofte van wederopstanding uit de dood aangeeft.
In West-Vlaanderen, waar tijdens de Eerste Wereldoorlog vier jaar lang verbeten is gevochten, komt de klaproos al heel lang veelvuldig voor. De arts John McCrae, die tijdens de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek als luitenant-kolonel in het Canadese leger diende en er op 28 januari 1918 in actieve dienst zou overlijden (aan longontsteking overigens), schreef het beroemde gedicht In Flanders Fields ter ere van een in de gevechtshandelingen bij Ieper omgekomen vriend. (meer…)
Willem Alexander Frederik Ernst Casimir (Paleis Soestdijk, 21 mei 1822 – Brussel, 22 oktober 1822), Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, was de vierde zoon van de latere Nederlandse koning Willem II en Anna Paulowna. Hij werd op 18 juni gedoopt in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, maar overleed, aan de gevolgen van een waterhoofd, op 22 oktober van datzelfde jaar. Hij werd begraven in de Protestantse Kerk te Brussel, maar werd op 11 mei 1860 alsnog bijgezet in de Grafkelder van Oranje-Nassau in de Nieuwe Kerk in Delft. Zijn toen 65-jarige moeder Anna Paulowna was hierbij aanwezig en bezocht die dag de grafkelder.

Jonkheer Frederik Lodewijk van Riemsdijk, luchtvaartpionier (Utrecht 14-5-1890 – Parijs (Frankrijk) 17-3-1955). Zoon van jhr. Johan Cornelis Marius van Riemsdijk, diensthoofd bij de Staatsspoorwegen, en Cécile Cornélie barones de Kock. Gehuwd op 12-3-1926 met Alice Aglaé Josse (1883-1942). Dit huwelijk bleef kinderloos.
Freddy van Riemsdijk was de op een na jongste zoon in een gezin van vijf kinderen. Reeds op jeugdige leeftijd begaf hij zich naar Frankrijk om zich daar te bekwamen als kunstschilder. In augustus 1909 bezocht hij de Grande Semaine d’Aviation de Champagne te Reims, de eerste grote vliegmeeting in de geschiedenis, waaraan vrijwel alle luchtvaartpioniers van die tijd deelnamen. Het was een gebeurtenis die enorme indruk op hem maakte. ‘Ik zag dat ding dat men aeroplaan noemde in volle pracht in de lucht. Negentien jaar was ik en die leeftijd maakte het mogelijk dat die ene aanblik al mijn schildersambities terzijde vaagde en ik nog maar één levensdoel overhield: zo gauw mogelijk een vliegtuig te bezitten’ (‘Linnen, bamboe en touwtjes…’, 638). Om deze droom te verwezenlijken stelde zijn moeder – zijn vader had hij reeds op vijfjarige leeftijd verloren – hem zijn erfdeel ter beschikking.
Na contact met de Europese vertegenwoordiger van de Amerikaanse luchtvaartpionier en vliegtuigbouwer Glenn H. Curtiss reisde Van Riemsdijk naar de Verenigde Staten. Te Hammondsport bij Buffalo in de staat New York, waar de Curtiss Aeroplane&Motor Company was gevestigd, kocht hij in november voor $ 5000 een tweedekker. Van de ontwerper zelf kreeg hij zijn eerste vlieglessen, die zich toentertijd overigens beperkten tot aanwijzingen op de grond, aangezien vliegtuig en motor niet sterk genoeg waren om met twee personen tegelijk de lucht in te gaan. Op deze wijze maakte Van Riemsdijk hier eind 1909 zijn eerste vluchten, waarbij hij overigens slechts enkele meters boven de grond kwam. (meer…)
Karl Marx (Trier, 5 mei 1818 – Londen, 14 maart 1883) was de naamgever van het marxisme, de sociaal-theoretische en politiek-filosofische grondslag voor talloze moderne sociale ideeën, scholen en denkrichtingen. Beperkt tot het politiek-ideologische vlak, vormt het marxisme de basis voor het moderne socialisme en communisme. Zijn ideeën en denkbeelden stoelden op drie grote ideologische stromingen van de 19e eeuw: de Duitse filosofie (vooral de dialectiek van Hegel), de klassieke Engelse politieke economie en het Franse socialisme in combinatie met Franse revolutionaire doctrines. Uit deze stromingen distilleerden Marx en Engels een modern ‘wetenschappelijk socialisme’.
Volgens Marx’ opvatting verloopt de menselijke geschiedenis in stadia, die in de eerste plaats worden gekenmerkt door het gangbare economische systeem (de onderbouw) en in de tweede plaats door opvattingen, ideeën, cultuur e.d. (de bovenbouw). Deze bovenbouw is het gecreëerde en is er om de onderbouw in stand te houden. Verschillende samenlevingen doorlopen de stadia in verschillende tempo’s, maar wel in min of meer dezelfde volgorde. Doorheen elk stadium veroorzaakt het economisch systeem spanningen tussen de verschillende maatschappelijke klassen, hetgeen leidt tot klassenstrijd en uiteindelijk tot revolutie.
In de tijd van Marx, de 19e eeuw, was het gangbare economische systeem het industrieel kapitalisme, met als ideologie het klassiek liberalisme. Dit was ontstaan na de industriële revolutie (een economische verandering) en de Franse Revolutie van 1789 (een ideologische verandering). De industriële revolutie had een nieuwe klassenmaatschappij geschapen, waar de heersende klasse niet langer de adel was maar de burgerij (bourgeoisie), de oude middenklasse die de productiemiddelen (fabrieken) in bezit had. Daartegenover stond het proletariaat, de klasse van bezitsloze arbeiders, die (bij gebrek aan productiemiddelen) gedwongen waren hun arbeid te verkopen om in leven te blijven en zo door de bourgeoisie werden uitgebuit. (De plaats van de boer in dit stelsel is jarenlang een strijdpunt geweest binnen het marxisme, de zogenaamde Agrarfrage.) De tegenstellingen binnen het kapitalisme zouden dit systeem uiteindelijk onhoudbaar maken. De uitgebuite arbeidersklasse moest volgens Marx in opstand komen tegen de kapitaalbezitters. Deze opstand zou het einde inluiden van het kapitalisme en de liberale democratie, die plaats zouden maken voor een socialistische samenleving.
Na het overlijden van Marx en zijn trouwe kompaan Friedrich Engels ontstond er al snel een splitsing der geesten binnen de socialistische beweging. Een minderheid wilde nog wel vasthouden aan de filosofie van de Duitse leermeester, maar het merendeel der volgelingen was toch van mening dat het op deze manier wel erg lang kon gaan duren voor die voorspelde heilstaat zou zijn bereikt. Het zou dus zaak zijn te komen tot een aanpassing van het marxisme, maar daarop waren verschillende mogelijkheden. Het leidde tot nieuwe splitsingen, waarbij de sociaal-democratische beweging, die bereid was binnen het kapitalistische systeem te gaan werken om snelle en aantoonbare verbeteringen voor de arbeidersklasse te bewerkstelligen, op de meeste bijval kon rekenen. Andere waren echter niet bereid zo ver af te dwalen van de oorspronkelijke leer.
Het leninisme is de socialistische stroming mer als naamgever en belangrijkste denker Vladimir Lenin, de Russische revolutionaire leider en latere Bolsjewistische premier van de Sovjet-Unie. Het belangrijkste verschil tussen het orthodoxe marxisme en het leninisme is dat het eerste uitgaat van de revolutionaire kracht van een georganiseerde arbeidersklasse, terwijl het leninisme ervan uitgaat dat de arbeiders veel sneller tot een revolutie kunnen komen met de leiding van een zogenaamde voorhoedepartij (ook wel avant-garde genoemd). Zonder deze leiding zou de arbeidersklasse nog eeuwenlang een slepende strijd moeten voeren en leren van haar fouten, voor zij beseft hoe zij op de juiste manier het socialisme kan bereiken. De vele slachtoffers die daarbij nog zouden vallen konden volgens de leninisten vermeden worden door de leidinggevende rol van de voorhoedepartij. Het tweede belangrijke punt van het leninisme is de stelling dat een burgerlijke revolutie onmiddellijk kan omslaan naar een socialistische revolutie. (Lenin zal dat later ook in praktijk brengen, want nadat in februari 1917 de de burgerlijke revolutie was uitgebroken, spoedde hij zich per trein naar St. Petersburg om de revolutie een socialistische draai te geven. Zie hiervoor het artikel van Rob Lubbersen dat op 14 april hier werd geplaatst). Volgens het orthodoxe marxisme zou die socialistische of proletarische revolutie pas plaatsvinden, als conform het dialectisch principe het kapitalisme volledig zou zijn ontwikkeld en op de rand van de afgrond stond. Volgens het leninisme is het ook mogelijk dat de revolutie plaatsvindt in een land waar het kapitalisme niet volledig ontwikkeld is, maar waar de kapitalistenklasse zeer zwak staat terwijl de arbeidersklasse integendeel zeer sterk staat en goed georganiseerd en klassenbewust is. De voorhoedepartij moest bestaan uit zo veel mogelijk “geavanceerde arbeiders” (arbeiders die klassenbewust en zeer strijdbaar waren) aangevuld met professionele revolutionairen (intellectuelen), die voltijds bezig zijn met het organiseren en klassenbewust maken van arbeiders. Na de revolutie moest die voorhoedepartij de dictatuur van het proletariaat uitvoeren, dat wil zeggen de maatschappelijke verhouding van arbeidersklasse en heersende klasse omdraaien. Dit natuurlijk met de steun van het proletariaat.
Het leninisme richtte zich vooral tegen het kapitalisme binnen de Russische tsarenrijk en was in het begin een praktische leer over hoe een revolutie in haar werk moest gaan en niet zozeer een filosofie. Lenig publiceerde zijn ideeën voor het eerst in 1902 in het politieke pamflet ‘Wat te doen? ‘. Het pamflet was vooral een uitvloeisel van zijn streven de marxistische filosofie in Rusland te introduceren en zijn streven zo snel mogelijk in Rusland het verderfelijke kapitalisme omver te werpen.
Dit leninisme, in zijn vele varianten, is sinds het begin van de twintigste eeuw de meest gebruikelijke vorm van marxisme onder communistische partijen. De filosofie is vanwege de verstrekkende gevolgen die het in diverse landen heeft gehad ook nog steeds omstreden. Het stelsel leidde inderdaad zoals voorspeld tot een dictatuur, maar al snel was er amper meer sprake van een dictatuur van het proletariaat en al bijna net zo snel ook niet meer namens het proletariaat. Al onder Lenin werd het een regelrechte dictatuur met een uitgebreid stelsel van strafkampen, onder Stalin werd dit aspect van het leninisme uitgebreid en geperfectioneerd, uitmondend in decennia van grootschalige ‘zuiveringen’ en massale onderdrukking.
David Verloop (Utrecht, 8 januari 1921 – Brussel, 7 maart 1944) studeerde rechten te Utrecht. Hij was een zeer intelligente student, want al als zeventienjarige kwam hij aan op de universiteit en vier jaar later, in 1942, studeerde hij hij af als meester in de rechten. Verloop wilde graag doorstuderen, maar de oorlog wierp roet in het eten.Hij kwam al snel in aanraking met het verzet en werd actief in het in veiligheid brengen van joodse kinderen, waarvoor hij samenwerkte met Frits Herbert Iordens (Arnhem, 21 juni 1919 – Hasselt, 2 maart 1944) en Anne Maclaine (De Bilt, 28 augustus 1916 – Zwolle, 26 mei 1969). Beide waren op 2 augustus 1943 in Arnhem met elkaar in het huwelijk getreden, een huwelijk dat dus amper een half jaar duurde.
In 1943 verhuisde Verloop naar Brussel om economie te gaan studeren. Daar kwamen hij opnieuw in contact met allerlei mensen uit het verzet, zoals ds. A.G.B. ten Kate, B.M. Nijkerk, P. van Cleeff, M.A.E. Verspyck en H. de Vleeschdrager. Aanvankelijk hield hij zich alleen bezih met het overbrengen van geld waarmee illegale activiteiten moesten worden gefinancierd. Al snel was hij echter betrokken bij het netwerk Dutch-Paris, specifiek bij het begeleiden van geallieerde vliegtuigbemanningen die via de ontsnappingsroutes wilden terugkeren naar Londen. Na de arrestatie van Van Cleeff ging Verloop in het netwerk een steeds belangrijkere rol spelen. Geregeld reisde hij heen en weer tussen Brussel en Nederland, niet zelden in vermomming. Door zijn organisatorische taleneten en aimabele persoonlijkheid werd Verloop als snel een onmisbare schakel op de gevaarlijke route naar Spanje en Zwitserland.
(meer…)
Rumoer afgelopen week, want het verhaal werd de wereld ingeslingerd dat nu ook het Paasfeest bedreigd zou worden. Aanleiding was het volstrekt uit de lucht gegrepen gerucht dat op steeds meer christelijke scholen het karakter van de paasvieringen wordt afgezwakt om de ouders van islamitische leerlingen te behagen. Vooral de PVV dook er weer onmiddellijk bovenop door het kabinet om uitleg te vragen en een aantal bedenkelijke tweets en berichten naar buiten te brengen. En als Wilders wat roept, schreeuwt de halve media het hem klakkeloos na. In hun belevenis zou de paasviering na Zwarte Piet en het kerstboom de volgende knieval voor de islam zijn. Uiteraard met de terugkerende vraag of we nog wel baas in eigen land zijn. Nu is mij geen enkel geval bekend waarbij vanuit de islamitische wereld in Nederland is gevraagd om aanpassingen bij de Sinterklaasviering, Kerstmis of Pasen. Voor het langzaam teloorgaan van die feesten moeten we eerst de hand in eigen boezem steken. De ontkerkelijking is iets wat een autonoom Nederlands proces is. Het vervangen van Sint Maarten en Sinterklaas door Halloween eveneens, inclusief het achteloos overgaan op een op Amerikaanse leest gestoelde Kerstviering. Al decennia lang is Kerstmis en Pasen voor de meeste Nederlanders in eerste instantie (en voor de meeste enige instantie) een vrije dag, het begin van een korte vakantie en/of het startsein van een paar dagen ongegeneerd eten en drinken. De islam bemoeit zich hier niet mee en dat is ook niet nodig om deze zo vaak genoemde en geroemde joods-christelijke traditie langzaam om zeep te helpen. Dat kunnen we prima zelf.
Wat weten de meeste Nederlanders nu nog van het Paasfeest? Pasen is het belangrijkste christelijke feest, maar toch weten veel mensen niet meer wat er met Pasen gevierd wordt, wat nu ook al weer de betekenis van het christelijke Paasfeest is. Hieronder een voor mijn doen zeer godsdienstig praatje een het geheugen weer wat op te frissen. (meer…)
Op 9 april 1917, nu honderd jaar geleden, begon Lenin aan zijn reis naar de Russische Revolutie. Vanuit Zürich in Zwitserland vertrok hij in een gezelschap van 32 kameraden met de trein richting Sint Petersburg. Terwijl de Eerste Wereldoorlog nog in alle hevigheid gaande was, was in Rusland in februari de Tsaar afgezet en vervangen door een burgerregering. Lenin was van plan die omwenteling verder te voeren zodat Rusland een arbeiders- en boerenstaat zou worden.
Over de reis van Lenin naar de revolutie bestaan vele verhalen. De meest recente bijdrage daaraan wordt geleverd door Catharine Merridale, een Engelse historica. Zij schreef het 288 pagina’s tellende boek ‘Lenin in de trein’ (Nieuwamsterdam 2016). Zij maakte voor haar boek ongeveer dezelfde treinreis als Lenin en schildert daarvan beelden die de fantasie prikkelen. Bovendien baseert ze zich op persoonlijke herinneringen in memoires en op vrijgekomen archieven van betrokken geheime diensten. Want Lenin’s reis was bepaald geen onschuldig vakantietripje. De wereld stond immers in brand. De Eerste Wereldoorlog woedde op twee fronten. In het westen werden bloedige veldslagen uitgevochten vanuit loopgraven tussen enerzijds de Fransen en de Engelsen en anderzijds de Duitsers. Aan het oostfront vochten die Duitsers een al even bloedige oorlog uit met de Russen. In 1917 waren aan Russische zijde al 2 miljoen jonge soldaten gesneuveld. De toestand in het achterland was chaotisch. In een pandemonium van honger, stakingen en oproer was in de Februari Revolutie de Tsaar afgezet en opgevolgd door een burgerlijke Voorlopige Regering, terwijl overal sovjets (raden van arbeiders/boeren/soldaten) uit de grond schoten. (meer…)
Uit het omvangrijke oeuvre van Harry Mulisch mag De Aanslag met enige zekerheid zijn meest succesvolle boek worden genoemd. Het verscheen in 1982 bij uitgeverij De Bezige Bij. Het boek werd vanaf het begin bij pers en publiek bejubeld en sedertdien zijn omstreeks een miljoen boeken over de toonbank gegaan. In 1986 al werd het boek door Fons Rademakers verfilmd, wat de filmmaker een Oscar opleverde. In 2011 was er een veel geroemde toneelbewerking door Léon van der Sanden en regisseur Ursul de Geer en er is ook een bewerking van het verhaal tot een stripverhaal door Milan Hulsing.
Milan Hulsing (Amsterdam, 14 juli 1973) is een Nederlandse striptekenaar, illustrator, animator, grafisch ontwerper en schrijver. Halverwege de jaren negentig verschenen zijn eerste stripverhalen, om daarna uit te bouwen aan een groot en gelauwerd oeuvre. In 2006 verhuisde hij voor vijf jaar naar Cairo, waar zijn vrouw in de Nederlandse ambassade werkte. In 2008 verwerkte hij zijn ervaringen in Egypte in een bewerking van Al-Khaldiya (‘Over de brug’) van de Egyptische dissidente schrijver Mohamed el-Bisatie. Deze allegorische novelle, een verhulde kritiek op de corrupte overheid, ging over een lucratieve zwendel die een ambtenaar tot waanzin dreef. Hulsing’s versie van het verhaal, die hij Stad van Klei noemde, kan op meerdere manieren uitgelegd worden: als studie van een mentale inzinking, als een allegorie en aanklacht tegen het leven in het moderne Egypte of als magisch-realistisch fantasy-verhaal. Bij toeval viel de publicatie van het boek gelijk met het begin van de Egyptische opstand, wat er in resulteerde dat er heel wat buitenlandse belangstelling voor Stad van Klei kwam. Hulsing heeft nu in een geheel eigen interpretatie van De Aanslag een graphic novel gemaakt. (meer…)
Op 1 april 1878 werd de Lange Jaap ontstoken, de vuurtoren die net ten noorden van Fort Kijkduin staat in Huisduinen, nabij Den Helder en die de veiligheid van de schepen ter hoogte van het Texelse Gat moet waarborgen. Vanwege zijn typische 16-kantige vorm en enorme hoogte kreeg de toren al snel de bijnaam Lange Jaap. Met zijn 63,45 meter lengte is de rode vuurtoren niet alleen een baken voor zeelieden, maar ook voor de bewoners van Den Helder en omgeving. Bijna honderd jaar lang is deze vuurtoren de hoogste van Nederland (sinds 1974 is de toen nieuwgebouwde toren op de Maasvlakte hoger) en het is nog steeds de hoogste gietijzeren toren van Europa. De toren heeft de status van rijksmonument. Het broodjeaapverhaal gaat dat Lange Jaap op een stapel koeienhuiden staat, hetgeen zou verklaren waarom de top van de toren bij storm ongeveer een meter heen en weer beweegt.
De bouw van de toren is begonnen in 1877. De zestienzijdige toren is geheel opgetrokken uit gietijzeren platen met een opstaande rand die aan elkaar geschroefd zijn waardoor de vuurtoren erg zwaar is (506.100 kg gietijzer). De ontwerper van de vuurtoren was Quirinus Harder (Rotterdam, 1801 – Vlissingen, 1880), voormalig hoofdconstructeur van de bouwkundige dienst van het loodswezen een belangrijk ontwerper van Nederlandse vuurtoren, allen in opdracht van het rijk. Harder ontwierp vuurtorens uit gietijzer, dat als constructiemateriaal in het midden van de negentiende eeuw nieuw was. Het gebruik van gietijzer voor vuurtorens begon in Groot-Brittannië. Waarschijnlijk heeft Harder tijdens een studiereis hiermee kennisgemaakt. Zo maakte hij de ontwerpen voor de vuurtorens van Renesse (1856), Flauwe Werk bij Ouddorp(1862), Eierland, Texel (1863), Breskens (1866), Westkapelle (1875), Scheveningen (1875), Vuurduin, Vlieland (1876) en IJmuiden (1878). (meer…)
Van begin twintiger jaren ontstond er in Duitsland een Führercultus, zo’n beetje vanaf de mislukte putsch in München in 1924. nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen steeg dat tot enorme hoogte. Met soms zonderlinge uitwassen. Zo vroeg de gemeente Sutzken in Oost-Pruisen of ze de naam mochten omdopen in ‘Hitlerhöhe’. Een partijlid uit Düsseldorf wilde zijn dochter de naam ‘Hitlerine’ geven, waarna de burgerlijke stand van de gemeente hem adviseerde in plaats daarvan te kiezen voor ‘Adolfine’. Overal in het land werden Hitler-bomen gepland, Hitler-rozen gekweekt en Hitler-taarten gebakken. De Rijksbond voor het Hondewezen stelde voor een speciale penning te laten slaan met het portret van de vereerde leider omdat ook hij een fokker zou zijn en een groot liefhebber van rashonden. De senaat van de hogeschool voor bosbouw in Eberswalde bood Herr Hitler een doctorsgraad in de bosbouw aan, uit erkentelijkheid voor zijn inzet voor de ontginning van de vaderlandse bodem, het versterken van de Duitse boerenstand en de bevordering van de houtteelt en bosbouw. Hitler sloeg dit aanbod echter af, naar verluidt ‘om principiële redenen’. Er ontstond ook een levendige handel in bustes, beelden en portretten van Hitler. Verder verschenen op de markt: bierpullen, porceleinen tegels, asbakken, speelkaarten, vulpenhouders, koektrommels en tientalen andere voorwerpen voor dagelijks gebruik. In alle soorten en maten, allemaal met het konterfeitsel van de man met dat eigenaardige snorretje. Bijzonder populair werden verder de verzamelplaatjes bij sigaretten. De geldklopperij met kitsch en devotionalia liep al snel zo uit dat hand dat de regering zich al in april 1933 gedwongen zag maatregelen af te kondigen tegen het commercieel gebruik van Hitlers portret.
(meer…)
Siegfried Seidl (Tulln an der Donau, 24 augustus 1911 – Wenen, 4 februari 1947) werd in 1911 geboren in Tulln an der Donau, indertijd gelegen in de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie gelegen, tegenwoordig in Neder-Oostenrijk. Zijn vader, die als kapper werkte, sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog, zijn moeder werkte op de Bondskanselarij. Na zijn middelbare school in Klosterneuburg en Horn te hebben afgemaakt, ging Seidl rechten studeren in Wenen. Na drie semesters onderbrak hij zijn studie en nam verschillende baantjes aan. Van september 1932 tot mei 1933 werkte hij als stoker op de Bondskanselarij, zijn moeder had hem aan het baantje geholpen. Vanaf 1935 tot 1938 studeerde Seidl geschiedenis en germanistiek aan de Universiteit van Wenen. Hij promoveerde in 1941, maar zijn titel werd hem in 1947 ontnomen. In 1938 en 1939 werkte Seidl bij de beveiligingsafdeling van de motorenfabriek Austro-Fiat.
Seidl was al op negentienjarige leeftijd op 15 oktober 1930 lid geworden van de NSDAP (nummer 300 738). Van september 1931 tot mei 1932 was hij actief in de SA, maar stapte over naar het elfde SS-Standarte (SS-regiment) als SS-Scharführer (equivalent van eerste sergeant) (nummer 46 106). Naar eigen zeggen zou hij vanaf december 1939 inspecteur van de Sicherheitspolizei in Wenen zijn geweest. Kort daarvoor, op 2 maart 1939, was Seidl getrouwd met Elisabeth Stieber, een voormalige kleuterleidster, lid van de NSDAP, van de NSF (National-Sozialistische Frauenschaft (nationaalsocialistische vrouwenbeweging) en ondersteunend lid van de SS.
(meer…)
Rond 1800 was in Ierland de aardappel het belangrijkste voedsel, met name voor het arme bevolkingsdeel. De oorzaak hiervoor was dat de aardappel op vrijwel elke grondsoort groeide en voldoende vitamines en voedingswaarde bevatte. Hierdoor was in Ierland een sterke bevolkingsgroei mogelijk, maar dat zou zeker geen zegening voor de bevolking worden. Veel arme Ieren begonnen kleine boerderijtjes (cottages) op het grondgebied van een landheer en betaalden hun huur in aardappels. Deze boerderijtjes waren vaak erg klein (0.4 tot 2 hectare) en de boeren konden amper in hun eigen levensonderhoud voorzien. De verkoop van hun producten bracht net genoeg op om het hoofd bovenwater te houden. Rond 1840 waren de leefomstandigheden in Ierland erbarmelijk. Ongeveer driekwart van de arbeiders zat zonder werk en vanwege de stijgende bevolkingsomvang die een jaar of twintig eerder had ingezet, werden dat percentage elk jaar hoger. Door de toenemende bevolkingsdruk was het bovendien lastig om een goede woning te vinden. Vaak werden grote gezinnen in kleine kamertjes bijeen gestopt, waardoor de kans op ziektes erg groot was. Onder deze barre omstandigheden moesten de Ieren zichzelf staande zien te houden.
In 1845 mislukte de oogst door een aardappelziekte. Deze was eind juni 1845 in de streek van Kortrijk (België) al opgemerkt en waaide in september over naar Ierland. Het was niet de eerste misoogst, sinds 1816 waren er in Ierland al tien geweest. In 1846 mislukte de oogst voor de tweede keer, weer door de aardappelziekte. In 1847 was er een grote droogte, die weliswaar de aardappelziekte stopte maar ook tot gevolg had dat de opbrengsten uiterst karig uitvielen. Bovendien brak in 1847 buiktyfus uit, een tot dan toe onbekende ziekte. In 1848 werd enorm veel moeite gestoken in het verhogen van de oogstopbrengsten. Door een natte periode brak er echter opnieuw aardappelziekte uit. Daarbij kwam nog een cholera-epidemie in december van dit jaar. Het jaar 1849 was misschien wel het slechtste jaar van de Ierse aardappelhongersnood, de bevolking was gedecimeerd en het land volledig bankroet. Pas in 1850 herstelden de oogsten zich weer, hoewel er nog wel lokale uitbraken waren van de aardappelziekte. (meer…)
Een tijdje geleden werd mijn aandacht getrokken door een artikel waarin werd ingegaan op het fenomeen van witte privileges en arbitraire raciale indelingen. De centrale conclusie van de auteur was dat normaal gesproken wordt verondersteld dat iedereen met een lichte huidskleur wit is, maar dat de connotaties van “witheid” dieper dan dat gaan. Ze hebben te maken met Anglo-Saksische afkomst, met het vermogen om Engels als ‘eerste taal’ te spreken en het uit een “ontwikkeld land” komen. Daarbij werd ingegaan op de dreiging die veel Amerikanen van Anglo-Saksische afkomt vanaf eind 18e eeuw tot ver in de 20e eeuw zagen in een inferieure bevolkingsgroep, de Ieren. De Ieren?
Eind 18e eeuw stroomde Noord-Amerika vol met Europese immigranten, die bijna allemaal van mening waren dat in het ‘Land of the Free’ geen plaats was voor inferieure volkeren. Die werden of als slaaf op de plantages aan het werk gezet of massaal uitgemoord. Lord Amhurst, de bevelhebber van de Britse troepen, suggereerde in 1763 om in Pennsylvania zakdoeken en dekens van pokkenlijders aan de indianen uit te delen. Dit ‘teken van goede wil’ zou dan als doel moeten hebben onder de indianen een massale pokkenepidemie te veroorzaken. Amhurst had er namelijk al kennis van genomen dat de indianen voor bepaalde Europese ziekten erg bevattelijk waren. In 1776 werd zijn plan ook daadwerkelijk tot uitvoer gebracht. Met beperkt effect, maar via een scala van andere maatregelen werden de indianen toch uitgemoord. Men vond het in die tijd volledig geoorloofd om de goddeloze en barbaarse oorspronkelijke bewoners van het Noord-Amerikaanse continent uit te roeien of terug te dringen in troosteloze reservaten. Toen de indianen geknecht waren en de zwarte slaven veilig weggestopt zaten in de zuidelijke plantages, zagen de Amerikanen hun ‘American Dream’ bedreigd door een volgende inferieure bevolkingsgroep, de Ieren. (meer…)
De rolverdeling tussen mannen en vrouwen was in de negentiende eeuw voor iedereen duidelijk. Heel, heel langzaam kwam daar in de loop der jaren wel enige verbetering in, maar tot omstreeks 1950 veranderde er in essentie niet zo heel veel.
Jacob Brantsen, zoals hij kortheidshalve toch meestal werd genoemd, werd op 24 oktober 1877 geboren te Angelo, dat toen nog een aparte gemeente was maar inmiddels deel uitmaakt van de gemeente Doesburg, in een oude Arnhemse adellijke regentenfamilie. De stamreeks begint met Brant Evert Andriesz, die in de tweede helft van de 15e eeuw land onder Barneveld bezat. Diens nazaten verhuisden in de 16e eeuw naar Arnhem, waar verschillende telgen van het geslacht belangrijke publieke functies zoals burgemeester en schepen bekleedden. In 1824 werd een lid van deze familie, mr. Johan Brantsen (1768-1825) verheven in de Nederlandse adel met het predicaat van jonkheer. In 1828 werd zijn neef Derk Willem Gerard Johan Hendrik Brantsen (1801-1851) eveneens verheven in de Nederlandse adel met de titel van baron, overgaande bij recht van eerstgeboorte. Het geslacht dreigt nu uit te sterven daar de laatste baron (geboren 1945) alleen twee dochters heeft.
De vader van Jacob Brantsen, jonkheer Carel Marie Brantsen, Arnhem, 30 oktober 1834) werd in 1860 op slechts 26-jarige leeftijd burgemeester van Angelo, een functie die hij bekleedde tot 1878. In 1851 had hij als zeventienjarige na de dood van zijn vader het landgoed Wielbergen te Angerlo geërfd. Op dat landgoed liet hij in de jaren 1869-1873 het landhuis Wielbergen bouwen, waarvoor de opdracht werd gegeven aan Lucas Hermanus Eberson, de architect des konings. Op 18 september 1873 trouwde hij te Ruurlo met Jacqueline Sophie gravin van Limburg Stirum, een roemrucht geslacht in de Nederlandse geschiedenis. In 1880 erfde hij ook het landgoed en landhuis Rhederoord in De Steeg, waar hij tot zijn dood in 1909 met zijn gezin woonde. De oude woonstede, landhuis Wielbergen werd daarna verhuurd, onder andere aan de familie Van Heeckeren van Kell-van Aldenburg Bentinck. Dezelfde familie zou na 1919 Rhederoord gaan bewonen. In 1884 werd hij gekozen tot lid van Provinciale Staten van Gelderland en op 14 november 1888 werd hij voor het kiesdistrict Lochem bij een tussentijdse verkiezing met gering verschil tot lid van de Tweede Kamer gekozen voor de Voorrevolutionaire Partij (1888-1891). Hij speelde in die functie geen opvallende rol en werd in 1891 door Cornelis Lely verslagen. Nadien werd hij gedeputeerde van Gelderland (1892-1904). (meer…)
Honderd jaar geleden stormde het in Rusland. In 1917 vocht het land al drie jaar met Duitsland in de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918). Bijna twee miljoen jonge Russen sneuvelden als soldaat. Het land was gedompeld in rouw, honger en gebrek. Dagelijks waren er opstootjes, opstanden en plunderingen. In februari werd de feodale Tsaar Nicolaas II afgezet. De liberaal Lvov nam de macht over. In de zomer werd die weer vervangen door de socialist Kerenski. En in oktober kwamen de communisten aan het bewind.
In Den Haag bevond zich een kleine Russische gemeenschap. Hier stond immers het consulaat. Maar behalve diplomaten waren er ook Russische vluchtelingen in de stad. Het stormde in Rusland – woei het ook in Den Haag?
Op 24 oktober 1917 verdreven de Russische communisten – die zich Bolsjewiki noemden – de Voorlopige regering van Kerenski. Die regering had geen einde weten te maken aan de oorlog en de honger in dit land met ongeveer 150 miljoen inwoners. De Bolsjewiki brachten ‘:Alle Macht Aan De Sovjets’. De sovjets waren raden of comités van arbeiders, boeren en soldaten. Alle grond kwam aan de boeren en alle fabrieken werden eigendom van de arbeiders. Minstens zo belangrijk was het stopzetten van de oorlog door een vredesverdrag met de Duitsers. De Oktoberrevolutie verliep nog tamelijk geweldloos. In Petrograd vielen ‘slechts’ 12 doden. Maar de burgeroorlog die daarop volgde eiste weer miljoenen slachtoffers. De aanvoerders van de Oktoberrevolutie, Lenin en Trotski, hadden gehoopt op steun van revolutionairen in West Europa. In plaats daarvan stuurden 12 landen militairen om de oude grond- en fabrieksbezitters te helpen weer aan de macht te komen. In de strijd tussen deze ‘Witten’ en de bolsjewistische ‘Roden’ vielen misschien wel 6 miljoen doden. In 1922 kwamen de Roden als overwinnaars uit de strijd en werd de Sovjet Unie officieel opgericht. (meer…)
William Kennedy Laurie Dickson
, een employé van Thomas Edison, vond de eerste celluloidfilm uit voor erotische toepassing en besloot dat 35 mm een goede afmeting was, een standaard die nog steeds in gebruik is. Daarna werkte hij aan de kinetoscoop, een peepshowmachine waarin de door Dickson uitgevonden film telkens opnieuw werd afgedraaid en die verlicht werd door een lichtbron van Edison. Dit was de voorloper van de filmprojector. Dickson verliet Edison en richtte zijn eigen bedrijf op dat de mutoscoop maakte, een met de hand aangedreven kijkkastfilmmachine. Deze machines maakten bewegende beelden door een draaiende trommel met illustraties op mutoscoopkaarten die afkomstig waren van een echte film. Ze waren vaak te vinden aan zee, gewoonlijk met voorstellingen van vrouwen die zich uitkleedden of als model voor een kunstenaar optraden. In Engeland werden ze bekend als de ‘Wat de butler zag’-machines. De naam was afkomstig van een van de eerste en beroemdste softpornofilms.
Het idee om een film te projecteren op een scherm voor een zaal toeschouwers was een Europese uitvinding. In 1895 gaven Robert W. Paul en Auguste en Louis Lumière hun eerste openbare demonstratie van bewegende film. De eerste pornografische films werden bijna direct na de uitvinding van het medium gemaakt. Twee van de eerste pioniers waren Eugène Pirou en Albert Kirchner (hoewel de laatste tegenwoordig bij filmhistorici vooral bekend is als de eerste die een film maakte over het leven van Christus, de Passion du Christ), die de oudste bewaard gebleven pornografische film onder de handelsnaam Léar maakte voor Pirou. De film Le Coucher de la Marie, uit 1896, liet Mlle. Louise Willy zien terwijl ze een striptease uitvoerde. Pirous film inspireerde een heel genre pikante Franse films waarin zich ontkledende vrouwen te zien waren toen andere filmmakers beseften dat hier flink aan te verdienen viel. (meer…)

In 1839 presenteerde Louis Daguerre het eerste praktische proces van fotografie en zijn daguerreotypieën hadden een ongelooflijke kwaliteit en detail, bovendien vervaagden ze niet als ze oud werden. De nieuwe technologie ging niet ongemerkt voorbij aan kunstenaars die belust waren op nieuwe manieren om de onverpakte vrouwelijke vorm uit te beelden. Traditioneel was een académie een naaktstudie door een schilder om de vrouwelijke (of mannelijke) vorm te leren schilderen. Zo’n werk kon alleen verkocht worden als het bij de overheid geregistreerd en goedgekeurd was. Al snel werden naaktfoto’s geregistreerd als académie en verkocht als hulpmiddel voor schilders. De foto hiernaast uit 1850 is hiervan een mooi voorbeeld. Maar het realisme van de foto in tegenstelling tot het idealisme van een schilderij maakte veel van deze foto’s intrinsiek erotisch. In ‘Nude photography, 1840–1920′ merkt Peter Marshall op: ‘In het heersende zedelijke klimaat van de tijd waarin de fotografie werd uitgevonden was de enige officieel goedgekeurde toepassing van de fotografie van het lichaam te dienen als model voor studies door schilders. Veel van de bewaard gebleven voorbeelden van daguerreotypieën behoren duidelijk niet tot dat genre, maar hebben iets uitgesproken sensueels, wat impliceert dat ze bedoeld waren als erotische of pornografische beelden.’
De daguerreotypieën hadden echter ook nadelen. Het belangrijkste probleem was dat ze alleen gereproduceerd konden worden door ze te fotograferen, omdat elk beeld een origineel was en het procedé niet met negatieven werkte. Bovendien waren voor de eerste daguerreotypieën belichtingstijden nodig van 3 tot 15 minuten, waardoor ze niet zo praktisch waren voor portretfotografie. Anders dan bij de oudere tekeningen kon je geen actie laten zien. Een model moest lange tijd exact in dezelfde houding blijven. Om die reden veranderde de standaard pornografische afbeelding van karakter; in plaats van één of twee mensen die seksuele handelingen verrichtten werd nu één vrouw afgebeeld die haar geslachtsdelen liet zien. Omdat één foto een weekloon kon kosten, bestond de markt voor deze foto’s vooral uit artiesten en de beter gesitueerden. Het was in de jaren veertig van de 19e eeuw goedkoper een prostituee te huren en de seksuele handelingen te ervaren dan er een foto van te hebben.
(meer…)
In 2002 ging er een golf van verbazing door de Nederlandse maatschappij toen de Partij voor de Dieren werd opgericht, met als hoofddoel te zorgen voor een dier- en milieuvriendelijker beleid. Toen de PvdD in 2006 een zetel in de Tweede Kamer wist te veroveren, waarmee Nederland het eerste land ter wereld werd waarin een partij met dit hoofdthema in het parlement was vertegenwoordigd, waren de schimpscheuten helemaal schering en inslag. De wereld leek gek geworden, te beginnen in Nederland. Vreemd, omdat het idee dat ook dieren rechten hebben toen al ruim 180 jaar oud was. De oorsprong van het idee is eigenlijk nog ouder. De Griekse wijsgeer Pythagoras (ca 570 – ca 495 v.Ch.) verlangde al respect voor de dieren en er zijn oude geloven zoals het jaïnisme die elk geweld tegen welk dier dan ook verbieden. Het besef dat de mensen bepaalde ethische en zelfs juridische verplichtingen heeft ten opzichte van de dieren is er eigenlijk al sinds de domesticatie van wilde dieren. Het besef daarvan is één ding, ernaar leven is een compleet andere zaak. De manier van omgang met dieren bleef eeuwenlang erbarmelijk. De situatie is momenteel verbeterd ten opzichte van pakweg tweehonderd jaar geleden, maar de hoeveelheid dierenleed is nog steeds hemeltergend.
Lewis Gompertz (1783-1861) was een Britse advocaat die als een van de allereerste opkwam voor de rechten van de dieren. In 1824 schreef hij het boek ‘Moral Inquiries on the Situation of Man and of Brutes’, waarin hij betoogde dat dieren net zoals mensen recht op vrijheid en bescherming hadden. Gompertz beschreef erin zijn fundamentele bezwaren tegen het doden of schaden van elk levend wezen voor welk doel dan ook, dus inclusief voor voedsel, kleding, werk, onderzoek of entertainment.Hij zwakte dat een klein beetje af door te verklaren dat dieren die een natuurlijke dood waren gestorven mochten worden geconsumeerd en dat hun huid voor kleding en schoeisel mocht worden gebruikt. Hij erkende tegelijkertijd dat het zeer lastig was om dat principe volledig na te leven. Enerzijds vanwege de sociale etiquette waarin ook hij maar moeilijk kon ontsnappen, anderzijds vanwege het ontbreken van goede alternatieven. Veganistisch kleden, werken en eten in het Londen anno 1824 moet inderdaad een onmogelijkheid zijn geweest en is het bijna nog steeds.
(meer…)
De loop van de geschiedenis levert soms vreemde, wat komische situaties op. Bijna altijd heel vermijdbaar, bijna altijd het product van halsstarrige politici. Neutraal Moresnet of kortweg Moresnet was er zo eentje. Het was een dwergstaatje met een oppervlakte van 344 hectare (ter vergelijking, dat is ongeveer twee keer zo groot als het huidige dwergstaatje Monaco). Het lag ongeveer zeven kilometer ten zuidwesten van Aken en vlak onder Vaals en was ruim een eeuw lang een vrijbuitersplaats, met een wild leven vol smokkel, drank en prostitutie
Moresnet bestond van 1816 tot 1920 en grensde aanvankelijk aan het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en Pruisen. Toen in 1839 België onafhankelijkheid werd en Limburg bij Nederland werd gevoegd, ontstond op de Vaalserberg een vierlandenpunt. Pas in 1920 ontstond hier het Drielandenpunt, dat iedereen kent. De voorgeschiedenis is door bijna iedereen vergeten.
Neutraal Moresnet ontstond doordat Pruisen en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden tijdens het Congres van Wenen (1815) na de val van Napoleon niet tot een akkoord konden komen over de grens tussen hun gebieden. Het twistpunt was de haast vergeten zinkmijn Vieille-Montagne (Altenberg) in het plaatsje Kelmis, dat in de Franse tijd deel uitmaakte van de gemeente Moresnet. Pas met het Traktaat van Aken (1816) wisten de partijen een compromis te bereiken: de voormalige gemeente Moresnet zou in drie worden gedeeld. (meer…)
Het vertrouwen in de dijken was begin twintigste eeuw in Noord-Holland zeer sterk. Niet verwonderlijk want de laatste dijkdoorbraak dateerde uit 1825. Maar op 13 en 14 januari 1916 stak een grote noordwesterstorm op in Nederland. De Zuiderzeedijken braken, waardoor heel Waterland, de oostkant van de Zaanstreek en de Anna Paulownapolder blank kwamen te staan. Op het eiland Marken verdronken zestien personen, in de Anna Paulownapolder twee man en bij enkele scheepsrampen verloren nog eens 32 man het leven. Behalve in Noord-Holland overstroomden ook delen in Utrecht, Gelderland en Overijssel. Zelfs Amsterdam werd bedreigd omdat grote gebieden ten noorden van de hoofdstad onderliepen.
Gelukkig hadden veel bewoners een bootje. En lagen de boerderijen, dorpen en steden meestal hoger dan de weilanden. Zonder deze oude overlevingsstrategieën waren er meer doden gevallen. Wat ook hielp waren de kleine binnendijkjes die het vlakke land opdeelden en het binnenstromende zeewater afremden. Zo kreeg men tijd naar zolder te vluchten of het vee uit de stallen te halen. De boeren dreven van oudsher bij dreigende overstroming zonder overleg hun vee naar de kerk, die op het hoogste punt was gebouwd (al kon in 1916 lang niet de hele uitgedijde veestapel erin). Dat de hulp vanuit de omringende steden meteen op gang kwam, heeft ook voorkomen dat er mensen na de storm zijn omgekomen
door kou en ontbering. Leerlingen van de Kweekschool voor de Zeevaart bijvoorbeeld voeren de dag na de overstroming Waterland in en bevrijdden tientallen mensen uit hun onder-gelopen huizen.
De slachtoffers vielen vooral tijdens de stormnacht, op zee maar met name op Marken. Het verleden had de Markers geleerd om rekening te houden met hoge waterstanden. Hun kaden liepen bij storm altijd onder en hun huizen stonden daarom hoger, op werven, en waren gebouwd op palen. Maar de afgelopen jaren was daar de hand mee gelicht. Bij nieuwe huizen waren de palen vervangen door stenen muurtjes. En die bleken in januari 1916 te dun. De golven sloegen ze weg, sleurden tientallen huizen mee, verwoestten andere en smeten boten op de kaden. Zestien Markers verdronken. (meer…)
Henri-Désiré Landru (Parijs, 12 april 1869 – Versailles, 25 februari 1922) was een Franse seriemoordenaar, die omdat hij meerdere vrouwen om het leven bracht, wel met Blauwbaard is vergeleken. Van 1887 tot 1891 had hij in het Franse leger gediend, nadat hij weer in het burgerleven was teruggekeerd, kreeg hij een seksuele verhouding met zijn nichtje. Ze kregen een dochtertje, maar Landru erkende die niet. Hij trouwde twee jaar later met een andere vrouw met wie hij vier kinderen kreeg. In 1900 was hij al tot twee jaar cel veroordeeld wegens fraude en oplichting van oudere weduwen. In 1914 was hij weg bij zijn vrouw, een beetje aan lager wal geraakt en actief als handelaar in tweedehandsmeubels. Hij begon met het plaatsen van contactadvertenties in Franse kranten, waarbij hij zichzelf voordeed als een rijke weduwnaar die verlangde naar een eenzame weduwe om met haar zijn laatste dagen te delen. Wel 283 vrouwen reageerden en Landru koos de rijksten uit. Men zou het aan de hand van de foto’s niet direct zeggen, maar Landru was een charmeur en iemand met veel humor. Handig als je de vrouwen om je vingers wilt winden. Met de ‘uitverkorenen’ begon hij een korte relatie en hij lokte hen naar de huizen die hij gehuurd had, aanvankelijk een huis in Vernouillet, later één in Gambais. Daar bracht hij hen om het leven. Hun lichaam hakte hij waarschijnlijk in stukken en verbrandde hij (gedeeltelijk) in zijn oven.
In 1921 kwam de politie hem echter op het spoor toen ze in opdracht van de burgemeester van Gambais op zoek was naar twee verdwenen jonge weduwen. De zus van een van de slachtoffers herkende Landru toen hij in Rouen uit een winkel kwam. Zij verwittigde de politie, die in de winkel een visitekaartje terugvond waarop Landru’s adres genoteerd stond: het gehuurde villaatje in Gambais.Bij zijn arrestatie was hij in het gezelschap van een 27-jarige jongedame, Fernande Segret. Bij huiszoekingen in Gambais en Vernouillet werden uiteindelijk de kadavers van de drie honden van een van de slachtoffers (mevrouw Marchadier) gevonden, restanten van damesschoenen, dameskousen, delen van een korset, haarspelden, halfverbrande knopen en 4.176 gram aan verkoolde restanten van beenderen. Van ruim een kilo van deze asresten kon met zekerheid worden vastgesteld dat het om menselijke overblijfselen ging. Het is niet geheel zeker hoe Landru zijn slachtoffers om het leven bracht. Wel is het waarschijnlijk dat hij zijn slachtoffers heeft verbrand. Veelal wordt aangenomen dat hij hen in stukken sneed, de romp, armen en benen in het bos begroef of in het water gooide en hoofd, handen en voeten (de lichaamsdelen aan de hand waarvan iemand het makkelijkst geïdentificeerd kan worden) verbrandde. (meer…)
In 1799 kwam het Directoire, zoals het Frans revolutionaire regiem zich noemde, in steeds groter wordende binnenlandse problemen. Frankrijk werd bedreigd door buitenlandse mogendheden en het land werd geteisterd door inflatie, enorme staatsleningen, grote armoede, een slecht functionerende ambtenarij en corruptie. Emmanuel Joseph Sieyès, een van de leden van het Directoire, plande een staatsgreep en vroeg de populaire legeraanvoerder Napoleon Bonaparte (1769-1821) om hierbij militaire steun te verlenen. Na deze staatsgreep van 18 Brumaire (9 november) 1799 wilde Sieyès zichzelf opwerpen als nieuwe staatshoofd, maar de minstens net zo ambitieuze Napoleon wees dit af en wist zichzelf steeds meer als nieuwe hoofd van de regering naar voren te schuiven. In de daaropvolgende jaren schakelde Bonaparte zijn tegenstanders stap voor stap uit en trok alle macht naar zich toe. Na een mislukte aanslag op zijn leven op 24 december 1800, gepleegd door royalisten, gaf Bonaparte de schuld aan de jakobijnen en deporteerde 130 prominente jakobijnen naar Guyana. Ook ontnam hij de gekozen Assemblée alle wetgevende macht; de senaat (die door Bonaparte zelf werd benoemd) behield die macht. Vanaf 2 december 1804 was Napoleon Bonaparte keizer van Frankrijk, wat hij tot 11 april 1814 zou blijven. Na 1908 lukte het Napoleon een groot deel van Europa onder Frans gezag te brengen en overal juridische en politieke hervormingen door te voeren, die tot op de dag van vandaag van invloed zijn.
Zijn veldtocht naar Rusland in 1812 was echter een keerpunt in zijn heerschappij. Zijn Grande Armeé wist nog wel tot in de straten van Moskou door te dringen, maar ging in de barre winter van 1812 ten onder. Gedecimeerd werd de terugtocht aanvaard. Bij de Volkerenslag van Leipzig van 16 tot 19 oktober wist de zogenaamde Zesde Coalitie hem definitief (dacht men althans) op de knieën te krijgen. De onttroonde keizer werd verbannen naar Elba, de coalitiegenoten maakte zich op om de buit te verdelen.
Heel even leek het erop dat de voormalige Kleefse delen van de Liemers snel Nederlands zouden worden. De Liemers (een streek in Gelderland die wordt begrensd door de Duitse grens en Rijn in het zuiden, de Nederrijn in het westen, de IJssel in het noorden en de Oude IJssel in het oosten) is historisch geen eenheid. Eeuwenlang borsten inde streek de belangen van de Gelderse en Kleefse heren. Het westelijk deel van van omstreeks 1500 tot 1815 deel van het hertogdom Kleef, dat op haar beurt sinds 1666 onderdeel van Brandenburg-Pruisen was. Het oostelijk dee (met onder meer de graafschap Bergh, Gendringen en Ulft) maakte deel uit van Gelre. Een Gelderse rentmeestersrekening uit 1340 vermeldt dat Gelre in zijn rentambt Liemers goederen bezat te Weel, Zevenaar, Bedburg (dat is Babberich), Angeroyen, Westervoort, Duiven, Groessen, Beek en Zeddam. Een Kleefse akte uit 1348 noemt in ‘onssen lande van Lyemersch’ bezittingen ‘te Zevenaren, te Wele, te Duven, te Gruessen, the Dydem ende the Beke’. In 1355 moest de Gelderse hertog een flinke veer laten, toen hij uit geldnood zijn Liemerse bezittingen en Emmerik verpandde aan zijn zwager, de graaf van Kleef. Omdat het pand nooit werd ingelost, bleven deze gebieden eeuwenlang Kleefs bezit. De heer Van den Bergh versperde voor Kleef de weg naar verdere gebiedsuitbreiding in de Liemers onder andere door Beek en de bezittingen in Didam van Kleef in pandschap te nemen. (meer…)
Arthur Seyss-Inquart symboliseert meer dan wie ook de Duitse bezetting in Nederland tussen 1940 en 1945. Seyss-Inquart, op 22 juli 1892 geboren in het dorpje Stannern in Moravië dat toen nog deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije, behoorde aanvankelijk tot de gematigde vleugel van de Oostenrijkse nazi’s, maar in de loop van de oorlog ontpopte hij zich steeds meer als een hardliner. In 1938 werd hij onder grote druk van Adolf Hitler benoemd tot minister van Binnenlandse Zaken in het Oostenrijkse kabinet van Kurt Schuschnigg. In datzelfde jaar speelde hij ook een belangrijke rol bij de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland en werd hij aansluitend benoemd tot rijksstadhouder van het geannexeerde Oostenrijk (Ostmark), wat hij bleef tot eind april 1939. In mei 1940 wordt hij Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete, een overplaatsing die door velen werd gezien als een degradatie omdat Seyss-Inquart binnen de nazipartij als te gematigd werd gezien om de “joodse problematiek” in Wenen goed op te kunnen lossen.
In Nederland probeerde hij eerst met zachte hand de bevolking voor het nationaal-socialisme te winnen, maar na de Februaristaking in 1941 werd hij steeds harder en fanatieker. Hij was verantwoordelijk voor de deportatie van meer dan honderdduizend Joden naar de concentratiekampen en vernietigingskampen. Daar had hij als nationaal-socialist en antisemiet geen enkele moeite mee. Toch heeft hij bij Himmler enige malen (zwakjes) bepleit de jacht op Nederlandse Joden te verminderen en in plaats van deportatie naar de Oost-Europese concentratiekampen de Joden hier te concentreren in de kampen Vught en Westerbork, plus in twee wijken in Amsterdam. Het argument daarvoor was dat de Jodenvervolgingen tijdens de oorlog alleen maar tot onnodige onrust onder de bevolking en tot verstoring van de economische productie zouden leiden. Hij verzette zich echter niet daadwerkelijk tegen zijn superieuren, vermoedelijk uit carrièrezucht en opportunisme, gepaard aan het besef dat het vernietigingsproces niet te stoppen was. Hij werd bij het Proces van Neurenberg ter dood veroordeeld, een straf die op 16 oktober 1946 in Neurenberg werd uitgevoerd. (meer…)
William James (New York, 11 januari 1842 – Chocorua, 26 augustus 1910) was een Amerikaanse filosoof en psycholoog. Hij was degene die de moderne Europese psychologie naar de Verenigde Staten bracht en wordt beschouwd als een van de belangrijkste personen in de geschiedenis van de Amerikaanse psychologie. Als filosoof wordt hij in de traditie geplaatst van het pragmatisme, als een der hoofdpersonen naast C. S. Peirce en John Dewey. William was de oudere broer van de bekende Amerikaanse schrijver Henry James.
Hij had als psycholoog grotere belangstelling voor het belang van gewoontevorming en automatisme. Gewoontes zouden als het ware een netwerk van paden in de geest uitslijten, de hersenen conditioneren en energie in automatische reactiepatronen dwingen. Dit idee, dat overigens niet geheel nieuw was, werd zeer populair. En hoewel Karl Lashley zo’n veertig jaar later aantoonde dat hiervoor fysiologisch geen aanwijzingen zijn, bleef het voortleven. Twee andere theorieën waardoor James bekend werd liggen op het terrein van emoties en bewustzijnsstromen. James ging ervan uit dat emotie gelijk staat aan lichamelijke verandering. Elke emotie heeft zijn eigen veranderingen in het lichaam (een sneller kloppen van het hart, overeindstaande huidhaartjes, etc.). Daarin verschillen emoties van elkaar. Evenals Darwin geloofde hij dat emoties een evolutionaire functie hebben en dienen om het organisme klaar te maken voor een vechten-of-vluchten-reactie (fight or flight). James trok uit zijn theorie diverse conclusies, waaronder het idee genaamd de The Gospel of Relaxation, ook wel bekend tegenwoordig onder de Facial Feedback Hypothese. Het idee is: voel je je sip, maar wil je blij zijn, gedraag je dan vrolijk (en in het geval van de Facial Feedback Hypothese: glimlach). Emotie is immers niets meer dan een set veranderingen van het lichaam! Dit sluit aan bij de volkswijsheid dat kleren de man maken: uiterlijke veranderingen creëren innerlijke besluiten tot gedragsverandering en gewoontevorming, hetzij in positieve, hetzij in negatieve zin. (meer…)
Maria Catharina Swanenburg, beter bekend als Goeie Mie en de Leidse Gifmengster, (Leiden, 9 september 1839 – Gorinchem, 11 april 1915) was een Nederlandse seriemoordenares, die in het Guinness Book of Records staat vermeld als de grootste gifmengster aller tijden. Ze vergiftigde in drie jaar tijd meer dan honderd van haar buurtgenoten, van wie er zevenentwintig overleden, maar werd verdacht van het doden van meer dan negentig personen door vergiftiging. Ze deed dit omdat ze uit was op hun verzekerings- en begrafenisfondsen en erfenissen.
Mie was de dochter van Clemens Swanenburg (een werkman) en Johanna Dingjan. Ze bracht haar leven voornamelijk door in arme Leidse wijken, waar ze de zieken verzorgde. Toen Mie twaalf was moest het gezin waar ze deel van uitmaakte wegens achterstallige huurschulden verhuizen, waarna ze bijna de deur niet meer uitkwam. Op 13 mei 1868 trouwde Mie met grofsmid Johannes van der Linden, van wie ze vijf zonen en twee dochters kreeg. Twee van Maria’s kinderen zijn al zeer jong gestorven. Er is wel beweerd dat dit haar allereerste slachtoffers waren, maar het lijkt waarschijnlijker dat deze kinderen het slachtoffer waren van een cholera-uitbraak die toen heerste.
Maria stond goed te boek in Leiden en in die tijd kreeg ze haar eerste bijnaam, Goeie Mie. Maar terwijl ze ouderen en zieken onder haar vleugels nam sloot ze – vaak ook in het geheim, omdat zelfs dit mogelijk was – ook begrafenisfondsen en verzekeringen af op hun levens. Hier was veel geld mee te verdienen, omdat men in het algemeen prijs stelde op een nette begrafenis. Vermoedelijk ergens tussen 1879 en 1881, dezelfde periode als waarin ze begrafenisverzekeringen voor anderen begon af te sluiten, begon Maria met het stelselmatig vergiftigen van haar medemensen. Eerst ging het om individuele buurtbewoners, later roeide ze omwille van de erfenissen met arseen hele gezinnen uit, inclusief kleine kinderen. Ook haar eigen familie bleef niet gespaard: op 30 mei 1881 vergiftigde Maria haar schoonzuster Cornelia van der Linden, op 15 juli haar neef Willem en op 1 november diens broer Arend. Hiervoor incasseerde ze in totaal 149 gulden. Ook haar eigen ouders en haar tante heeft ze vergiftigd. (meer…)
Lammert Zwanenburg (Oudehorne, Schoterland, 22 juni 1894 – Kamp Westerbork, 19 oktober 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was landbouwer op een boerderij in de buurt van het Drentse Beilen, waar hij leefde met zijn vrouw en hun kinderen Yntze en Wietske. Allen waren actief betrokken bij het werk van de LO. Vanuit de boerderij werden illegale bladen en bij overvallen buitgemaakte distributiestamkaarten en -bonnen verspreid. Ook bood het pand langdurig schuilplaats aan verschillende onderduikers, waaronder aan Nico Polak die na de oorlog raadsheer bij de Hoge Raad zou worden. Bij drie gelegenheden in 1943 en 1944 werden er Amerikaanse piloten opgevangen.
In oktober 1944 noemde een elders in Drenthe gearresteerde onderduiker, die distributiebescheiden via Zwanenburg ontving, onder druk tijdens een verhoor diens naam. Daarop werd de boerderij in de nacht van 18 op 19 oktober 1944 bestormd door Landwachters. Zwanenburg werd gearresteerd, maar de onderduikers werden niet gevonden en konden ontsnappen naar de naburige boerderij van Jan Oosterveen. In de loop van de dag werd Zwanenburgs boerderij grondig door de SD doorzocht, waarbij uitgebreid bewijs werd gevonden voor de illegale activiteiten.
Finy Stulemeijer schreef enkele jaren geleden een bijzonder portret over haar moeder, Carolien Kats (1920), die in de onderduik lang uit handen van de nazi’s wist te blijven. Ze beschijft dat Carolien en enkelen anderen door Anne de Vries sr. (de schrijver en verzetsman) naar de boerderij van Lammert Zwanenburg aan de Beilervaart 80 werden gebracht. Haar ouders gingen na een paar dagen naar de boerderij van Jan Oosterveen, niet ver van Zwanenburg. Carolien en haar broer Salco bleven bij Zwanenburg. Bij Zwanenburg zaten diverse onderduikers. Ook sliepen er vaak mensen van het verzet en werd er onderdak geboden aan neergeschoten Engelse en Amerikaanse piloten. Ook Geesje Bleeker, een verraadster, was daar door het verzet ondergebracht. In plaats van haar te liquideren hadden ze besloten om haar bij Zwanenburg als het ware gevangen te zetten om haar in de gaten te kunnen houden. Zij had in Noord-Nederland een zeer kwalijke rol gespeeld en zou later nog meer verraad plegen. Door haar verraad hebben meer dan vijftig mensen uit het verzet de oorlog niet overleefd. Ze werd na de oorlog ter dood veroordeeld. Dit werd later omgezet in levenslang en in 1960 kreeg ze gratie. Maar mijn moeder heeft aan dezelfde Geesje in zekere zin haar leven te danken.
(meer…)
William Penny Brookes (13 augustus 1809 – 11 december 1895) was een Engelse chirurg, magistraat, botanist en opvoedkundige, die de eigenlijke grondlegger is van de moderne Olympische Spelen. Veelal wordt daarbij gedacht aan de Franse baron Pierre de Coubertin, maar heeft zich laten baseren op de ideeën van Brookes en de praktische uitwerking die hij daaraan sinds 1850 al had gegeven. Brookes was ervan overtuigd door een goede lichamelijke en intellectuele opvoeding de erbarmelijke situatie van de armen in de Britse steden te kunnen verbeteren. Hij bedacht daarbij een toernooi, dat geheel geïnspireerd was op de oude Olympische Spelen.
De originele Olympische Spelen werden gehouden in de oude Griekse stad Olympia, sinds de 10e eeuw v.Chr. een religieuze en politieke ontmoetingsplaats in Griekenland. In die stad werden spelen gehouden, in eerste instantie ter ere van Pelops, na zijn overwinning in de wedrennen op Oinomaos, de koning van Pisatis. Pelops was ook de naamgever van de Peloponnesos. De volgende Spelen werden ter ere van Zeus gehouden. Sinds 776 v.Chr. werden de namen van de overwinnaars opgetekend; dit jaartal gold als het begin der Olympiaden en was ook de basis van de Griekse tijdrekening. In de loop der jaren werden de spelen steeds groter en werden er steeds meer gebouwd ten behoeve van de Spelen. Uiteindelijk bevond zich in Olympia een stadion dat plaats bood aan 40.000 toeschouwers. De Olympische Spelen die hier elke vier jaar gehouden werden, waren een van de vier Panhelleense Spelen (openbare feesten voor alle Grieken van de poleis die dan ook de goden vereerden). Doel van die Olympische Spelen was om jonge mannen hun fysieke kwaliteiten te laten tonen en om de relatie tussen de verschillende Griekse steden te bevorderen. Alleen Griekse mannen mochten meedoen aan de Spelen, geen vrouwen. Langzaamaan kregen de Romeinen het voor het zeggen in Griekenland en werden de Spelen minder belangrijk gevonden. Toen het christendom de officiële religie werd van de Romeinen, werden de Spelen gezien als een heidens feest. De Romeinse keizer Theodosius I verbood de Spelen uiteindelijk in 393. (meer…)
De NSB’er Tobie Goedewaagen behoorde tijdens de eerste drie bezettingsjaren tot de leiding van het Duitse nationaalsocialistische bestuur in Nederland. Als secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten was hij verantwoordelijk voor de nazificatie van de Nederlandse cultuur. Hij nam omstreden maatregelen zoals de gelijkschakeling van de pers en omroepen. In het artikel “Dagblad De Gelderlander in oorlogstijd” op deze site wordt geïllustreerd hoe dat er in de dagelijkse praktijk uitzag. Ook was Goedewaagen ervoor verantwoordelijk dat kunstenaars werden gedwongen lid te worden van de Kultuurkamer. Als gevolg van deze twee maatregelen werd hij een alom gehate NSB’er, aan wie met een aardige woordspeling de scheldnaam “Rotkar” werd gegeven. Na de oorlog raakte Goedewaagen al snel in de vergetelheid, maar een belangrijk deel van zijn gedachtengoed, onder meer de subsidiëring van kunst en literatuur, bleef in stand en maakt tot op de dag van vandaag deel uit van het naoorlogse overheidsbeleid.
Historica Benien van Berkel (1965) haalde Tobie Goedewaagen in 2012 via haar proefschrift weer terug uit de vergetelheid. Van dat proefschrift is nu de populaire versie verschenen. In “Tobie Goedewaagen (1895-1980)” vertelt ze het verhaal van de man die opgroeide in een zeer welgestelde Amsterdamse bankiersfamilie. In zijn jonge jaren was hij bevriend met toonaangevende kunstenaars zoals de beeldhouwer John Rädecker en de dichter Adriaan Roland Holst. Goedewaagen ontwikkelde zich tot een redelijk vooraanstaand filosoof die vervolgens, tot ieders verbazen en afgrijzen, een overtuigd en rechtlijnig nationaalsocialist werd. En bleef, want tot aan zijn dood in 1980 was hij overtuigd van de juistheid van die idealen en verkeerde hij in rechts-radicale kringen in Duitsland. Zijn levensgeschiedenis is in een artikel op deze site uitgebreider besproken. (meer…)
In de serie Holocaust Bibliotheek van uitgeverij Verbum verscheen recent een nieuwe uitgave, een fotoalbum van Linda Schouten onder de tweetalige titel “De leegte van Auschwitz / The Emptiness of Auschwitz”. Fotoboeken lenen zich nu eenmaal uitstekend om zonder al te veel kunstgrepen op de buitenlandse markt te worden gebracht. Ook het voorwoord van de fotografe is in het Engels opgenomen. Verder bestaat het boek uit zo’n 190 pagina’s met steeds één paginagrote foto, zonder ook maar enige verdere toelichting of omschrijving. Wat niet per se een gemis hoeft te zijn, want iedereen kent het adagium ‘A picture is worth a thousand words’. Een mooi gezegde, dat natuurlijk door fotografen en uitgevers met grote graagte wordt aangevoerd of waarbij vanuit die filosofie wordt geredeneerd bij de presentatie van een boek. Waarbij de gedachtegang dus nogal eens is dat foto’s voldoende zijn om het verhaal dat men wil vertellen volledig tot leven te brengen.
Het voorwoord in dit fotoboek lijkt op die gedachte te zijn gebaseerd. Ter illustratie de integrale tekst van het voorwoord, zoals al opgemerkt de enige tekst die het boek van 200 pagina’s omvat.
In mijn fotografie probeer ik de verlatenheid, de stilte, de triestheid en de gruwelijkheden van deze plek weer te geven. Niet zozeer met schokkende foto’s, maar door details weer te geven. De lijnen in mijn foto’s symboliseren de rails. Het verval staat voor het niet mogen vervagen van de herinnering, een getuigenverklaring van wat is geweest. Zo heb ik deze werkelijkheid ervaren. Het is de bedoeling om esthetische beelden neer te zetten van iets gruwelijks, de leegte van de mensen die er niet meer zijn. De foto’s vertellen hun eigen verhaal, er is bewust voor gekozen om hier geen gezichten of namen aan te verbinden. De wijze waarop ik het weergeef heeft niets met de foto’s uit de geschiedenisboeken te maken. Mijn benadering is anders. (meer…)
Ik ben nogal veel bezig met de Tweede Wereldoorlog. Nu had ik daar altijd al behoorlijk wat belangstelling voor, maar het is een beetje uit de hand gelopen toen ik een jaar of zeven geleden bij de redactie van de website www.go2war2.nl aanbood om een serie artikelen te gaan schrijven over ‘Nijmegen in oorlogstijd’. Ik woonde indertijd in Nijmegen, fotografeerde er zo ongeveer elke straat en monument en was dus zoals gezegd geïnteresseerd in de oorlog. Een prima combinatie dus.
Met de geplande serie ben ik ook snel van start gegaan. Er verschenen artikelen over Titus Brandsma en over de manier waarop het dagblad De Gelderlander in oorlogstijd is vergaan. Via die beide artikelen kwam ik in aanraking met een nieuw onderwerp, namelijk de werking van de Kultuurkamer en de stelselmatige beknotting van de persvrijheid. Dat leidde tot een artikel over Tobie Goedewaagen, die in de oorlogsjaren de grote man vanuit de NSB was achter deze operatie. Was wel even kicken dat binnen de uitermate goed geïnformeerde redactie van de organisatie deze Goedewaagen een geheel onbekend persoon was. Toevallig bleek enkele jaren later dat op hetzelfde moment iemand in Amsterdam bezig was met haar proefschrift over Goedewaagen, een boek dat ik uiteraard mocht recenseren.
Dat recenseren was namelijk in de tussentijd wel mijn hoofdactiviteit geworden. Dat begon na dat derde artikel (over Goedewaagen dus) met de vraag of ik eens een recensie wilde schrijven en wellicht zo af en toe ook een schrijver interviewen. Dat wilde ik wel, vond en vind ik ook heel plezierig, maar er kleefde wel het nadeel aan dat de hoeveelheid boeken die nu mijn kant op kwam zo talrijk werd dat het schrijven van een artikel er bijna geheel bij inschoot. (meer…)
In de bijdrage van gisteren (Patria 1) is ingegaan op de oorlogservaringen van Arthur Knaap, zoals die naar voren komen in de brieven die hij vanaf het front naar de familie en zijn vriendin schreef. In de tweede bijdrage enkele van die brieven.
17 april 1916, brief aan zijn vriendin Mies:
Wees niet boos, dat ik zoo lang gewacht heb om je te antwoorden, maar op het oogenblik mankeert de tijd me dikwijls, daar wij weer in de loopgraven zitten en de onmiddellijke nabijheid van den vijand ons dwingt op hoede te zijn.
Ik heb je kranten ontvangen en bedank je ook hartelijk voor de ƒ 5, maar de 10 anderen die je veel eerder had gestuurd, heb ik nog altijd niet ontvangen. Wat de tijdschriften betreft, waarin artikels van mij staan, ik heb daar ook niets van gezien. Zou de post ze hebben kwijt geraakt.
Wij bewonen, zooals gewoonlijk, een onderaardsche hut, comfortabel ingericht, waar wij vuur kunnen maken. Maar de ratten verpesten ons het leven. Zij eten ons brood op, zij kauwen aan alles wat eetbaar en oneetbaar is, en niets is veilig.
Het weer is helaas ontzettend slecht. Sedert den eersten dag, dat wij hier zijn aangekomen, regent het, en de wegen, de loopgraven, alles wordt moerasachtig. Voor het overige is het nog al vrij rustig. Zoo nu en dan een bombardement, hevig geweerschieten, maar dat is alles. Deze secteur lijkt ons een paradijs, vergeleken bij de vele andere hellen, waar wij geleefd hebben. Misschien is het slechts de kalmte vóór den storm, maar dat is ons gelijk, en de vijand, indien hij hier aanvalt, zal tegenover zich vinden een der beste Fransche divisies.
De datum van mijn verlof nadert en ik verheug mij er van te voren op, in een echt bed te kunnen slapen, na zooveel maanden op stroo of eenvoudig op den grond geslapen te hebben. Het is zoo sterk. dat het den eersten nacht onmogelijk is den slaap te vatten.
Wij hebben ons gisteren voor onze hut laten kieken en binnen een dag of veertien zal ik je een photo sturen. (meer…)
Arthur Knaap wordt in 1893 geboren in Nederlands-Indië als oudste zoon van een kunstzinnige Indische familie. Zijn vader Otto schrijft voor Nederlandse en koloniale kranten muziek- en toneelrecensies en na 1900, als het gezin naar Nederland is teruggekeerd als muziekcriticus voor de Telegraaf. Zowel de verhuizing naar Nederland als naar Parijs waren overigens het gevolg van het feit dat Knaap sr. zich in de problemen had gewerkt en een behoorlijke uitwijkplaats wenselijk vond. Rond 1910 verhuist het gezin naar Parijs, op dat moment het mondiale mekka van de kunst, Parijs. Arthur groeit er op tot een watervlugge en lenige man die de liefde voor muziek en schrijven deelt met zijn vader. Hij rondt wel in Nederland de HBS af. In zijn vrije tijd schaakt en voetbalt hij of speelt piano.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog keert de familie Knaap terug naar Nederland, behalve Arthur en zijn zus Wilma. In november 1914 wordt Arthur oorlogsvrijwilliger uit ‘een zucht naar avontuur, de koorts van het gevecht, uit liefde voor Frankrijk’.Hij woonde op dat moment al zeven jaar in Frankrijk, dat hij steeds meer was gaan beschouwen als zijn echte vaderland. Hij schreef hierop: ‘Ik vind het niet meer dan billijk, dat een Knaap zich opoffert, als het nodig is, voor Frankrijk, waar wij zoveel gastvrijheid hebben genoten. Ik ben niet bang voor de dood. Ik ben wel zeer voorzichtig, maar als het zover moet komen, zal ik tonen dat wij, Indische jongens, eveneens de dood niet achten.’
Hij wordt zoals alle buitenlanders die voor Frankrijk willen vechten opgenomen in het vreemdelingenlegioen. Na zijn training door de Parijse brandweer belandt hij eind 1914 aan het front in Noord-Frankrijk, in een regiment dat bestaat uit enthousiaste vrijwilligers uit meer dan vijftig landen en cynische beroepslegionairs uit Afrika. Van half december 1914 tot tenminste augustus 1918 vertoeft hij min of meer onafgebroken in de loopgraven en neemt hij deel aan meerdere veldslagen. Tijdens de slag om de Somme in 1916 rent hij met boodschappen voor de officieren door het artillerievuur tussen frontlinie en commandopost van zijn bataljon, kort achter de voorste linies. (meer…)
Hendrik Jacobus Jut (Den Haag, 19 juli 1851 – Leeuwarden, 12 juni 1878) werd geboren als buitenechtelijk kind van Maria Geertruida Jut. Zijn grootouders waren vanwege een erfenis tamelijk welgesteld, ze konden het zich veroorloven te rentenieren. Na wegens ‘lichaamsgebreken’ uit militaire dienst te zijn ontslagen, ging hij in 1870 in Scheveningen als kelner werken. Daar kreeg hij een relatie met Christina Goedvolk (Delft, 14 maart 1847 – Haarlem, 26 juni 1926), die als ongehuwde moeder in Delft al twee vroeg gestorven kinderen had gehad. Zij werkte in 1872 korte tijd als dienstbode bij de rijke weduwe Maximiliana Theodora van der Kouwen-ten Cate, die tien jaar eerder een behoorlijke som geld had geërfd toen haar zues overleed.
Deze zus, Geertruida Henrica Elisabeth ten Cate, was op 20 september 1861 in Huize den Binckhorst in de gemeente Voorburg overleden. Zij was eerder getrouwd geweest met Jan Jansen Bonn, die scheepsreder was en dankzij de koloniale vaart op Nederlands-Indië een grote rijkdom had verworven. Nadat Bonn op 13 februari 1852 in Den Haag was gestorven ging dat vermogen in zijn geheel naar zijn echtgenote; het echtpaar had geen kinderen. Gertruida was de rest van haar leven een welgestelde scheepsrederesse en rentenierster. Na het overlijden van Jan Bonn trouwt Geertruida ten Cate met Maarten Christoffel Löschen, een scheepskapitein. Hij is afwezig als Geertruida overlijdt en keert pas in december 1861 terug. In oktober dat jaar was al een boedelbeschrijving opgemaakt en in het voorjaar van 1862 worden enige roerende en onroerende goederen uit de boedel verkocht, waaronder de buitenplaats Den Binckhorst. Op 20 augustus 1862 wordt overgegaan tot de verdeling van de nalatenschap van Geertruida. Deze bestaat uit meubelen en inboedel, vier huizen, een grafkelder, aandelen in schepen, uitstaande schulden, verschillende obligaties en contanten. De totale waarde van deze nalatenschap bedraagt door de notaris tot op de halve cent nauwkeurig vastgesteld: f 238.627,22½. Van dat vermogen ging een zesde deel baan mevrouw Van der Kouwen-ten Cate, een bedrag van bijna 40.000 gulden wat vandaag de dag overeen komt met een kleine vier tien (in euro’s wel te verstaan). De rest van de nalatenschap gaat naar echtgenoot Maarten Löschen (de helft), naar een andere zus van Geertruida (een zesde) en een zoon en dochter van een overleden broer van Geertruida (beiden ééntwaalfde). (meer…)
Ivan Petrovitsj Pavlov (Rjazan, 14 september 1849 – Leningrad, 27 februari 1936) was een Russisch fysioloog, die in 1904 de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskund ontving, niet voor de zo beroemd geworden onderzoekingen naar de reflexieve conditionering (de pavlovreactie), maar voor zijn onderzoek naar de spijsvertering. Geïnspireerd door de experimenten van William Beaumont op Alexis St. Martin, liet hij honden chirurgisch ombouwen tot meetinstrumenten (aanbrengen van speekselklier-, maag- en pancreasfistels, of nog een slokdarmstoma). Door het gat in de slokdarm viel het ingeslikte voedsel weer naar buiten, zodat het maagsap niet verontreinigd werd. Hij publiceerde de resultaten in 1897.
Als onderdeel van dit onderzoek wilde hij de speekselproductie van honden bij de toediening van verschillende soorten voedsel meten. Hierbij stuitte hij echter op het verschijnsel dat de honden al speeksel gingen produceren nog vóór hij het voedsel had gegeven, en zelfs als hij, zonder voedsel, deed alsof hij ze ging voeren. Pavlov onderzocht dit verschijnsel verder, door bijvoorbeeld vijf seconden voor het voeren een geluid te laten maken. Na een aantal keren bleken de honden inderdaad bij het horen van het geluid al speeksel af te scheiden. Dit heet nu de voorwaardelijke reflex en het door Pavlov ontdekte verschijnsel heet klassieke conditionering: als een prikkel A (geluid) herhaaldelijk voorafgaat aan prikkel B (het voeren) dat een bepaald gedrag (speekselproductie) oplevert, dan zal op den duur prikkel A reeds dat gedrag opleveren, ook zonder prikkel B. (meer…)
Gerard Tieman (Amsterdam, 1 maart 1926) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog en is de enige levende drager van het Verzetskruis. Tieman was student aan de Analistenopleiding van Instituut Korver te Utrecht.
W.A. Tieman, de vader van Gerard Tieman, woonde aan de J. van den Doemstraat in Utrecht en schijnt een opmerkelijk figur te zijn geweest. Hij was rechercheur bij de vreemdelingenpolitie in Utrecht en had door zelfstudie twee middelbare akten behaald, waaronder M.O.-staatsinrichting. Hij stak zijn anti-nationaalsocialistische gezindheid niet onder stoelen en banken. Dat had tot gevolg dat hij op 4 juni 1942 werd ontslagen. Hij was zich inmiddels al gaan bezighouden met verzetswerk en was lid geworden van de OD. Daar was hij eerst wijkcommandant en na de arrestatie van kolonel Bartels werd hij kwartiercommandant. In die functie hield hij zich bezig met het verzamelen van militaire inlichtingen, vooral op het gebied van spoorwegvervoer.
Het was dan ook niet verwonderlijk dat Gerard Tieman al snel in de voetsporen van zijn vader zou treden. In de eerste oorlogswinter hield de pas 14-jarige Gerard zich vooral bezig met het ingooien van de ruiten bij NSB’ers. Daarbij werd hij al snel betrapt en kwam als gevolg daarvan gedurende één jaar onder toezicht van een ambtenaar van de Kinderwetten. Nadat hij zijn schoolopleiding had afgerond, volgde hij een analistenopleiding bij het Instituut Korver te Utrecht. Voor het opdoen van werkervaring kreeg hij een baan bij het chemisch laboratorium van de Rijksuniversiteit Utrecht. (meer…)

Abdül-Aziz (Topkapi-paleis, Istanboel, 8 februari 1830 — Feriye-paleis, Istanboel, 4 juni 1876) was de 32e sultan van het Osmaanse Rijk en volgde op 25 juni 1861 zijn broer Abdülmecit op. Hij regeerde tot 30 mei 1876. Hij kreeg de gebruikelijke Osmaanse opleiding, maar was ook een fervent bewonderaar van de economische vooruitgang die West-Europa doormaakte. Hij had ook een grote bewondering voor de Osmaanse marine, die in 1875 op de van de Britten en Fransen na de grote vloot ter wereld had. Daarnaast was va hem bekend dat hij geïnteresseerd was in literatuur en muziek, hij heeft zelfs enkele composities op zijn naam staan. Onder zijn bewind kwamen belangrijke vernieuwingen tot stand, in het bijzonder op het gebied van het onderwijs. Hij was ook verantwoordelijk voor het eerste Burgerlijk Wetboek van Turkije en moderniseerde de Turkse marine. Ontevredenheid over zijn bewind (en dan vooral over zijn verkwistend leven) leidde onder meer tot relletjes van theologische studenten in de hoofdstad (1876) en dwong hem een constitutioneel gezinde regering te benoemen. Door de nieuwe ministers werd hij op 30 mei 1876 afgezet en vervangen door zijn neef Murat V. Hij overleed enkele dagen later in zijn cel. De officiële doodsoorzaak was zelfmoord, maar er zijn aanwijzingen dat het om een moord ging.
In 1867 maakte hij een rondreis door West-Europa, de eerste keer dat een Osmaanse sultan in functie een dergelijke reis ondernam. Hij bezocht na zijn vertrek uit Istanboel op 21 juni 1867 achtereenvolgens Messina, Napels, Toulon, Marseille, Parijs, Boulogne, Dover, Londen, Dover, Calais, Brussel, Koblenz, Wenen, Boedapest, Orșova, Vidin, Ruse en Varna voordat hij op 7 augustus 1867 weer arriveerde in Istanboel.Bij zijn bezoeken aan Parijs (30 juni-10 juli) en Wenen (28-30 juli) bezocht hij veel musea en was daarvan zo onder de indruk dat hij opdracht gaf in Istanboel ook een koninklijk museum te realiseren. Dat resulteerde in de bouw van het Archeologisch Museum te Istanboel, die in 1891 gereed kwam. Het feit overigens dat de sultan uitstekend Frans sprak en westers gekleed ging, wekte in eerste instantie nogal verbazing in de Parijse salons die hij bezocht. In één klap realiseerde de staatshoofden zich ook dat de Turkse sultan niet langer beschouwd moest worden als een figuur in de periferie van het politieke krachtenveld, maar een politiek leider met wie binnen de diplomatie terdege rekening gehouden moest worden. Bij zijn bezoek aan Londen werd hem door de Britse vorst de benoeming als 756e Ridder in de Orde van de Kousenband toegekend, de hoogste ridderorde van het Verenigd Koninkrijk en een van de alleroudste onderscheidingen ter wereld (vanaf 1348). (meer…)
Met een kwart (26%) van de stemmen is Geert Wilders ook in 2016 weer Politicus van het jaar 2016 geworden. Okay, aan de publieksverkiezing deden maar40.000 mensen mee, maar het is ook geen signaal dat achteloos weggewuifd kan worden. Immers, de eenmanspartij die hij leidt, staat onveranderd al het hele jaar als grootste partij in de peilingen. Wilders staat symbool voor de onvrede bij vele, vele boze en ontevreden burgers, net zoals Trump, Le Pen en Farange dat in andere Westerse landen zijn. Wat ze ook roepen of doen, maakt niet uit. Het tegen Wilders gevoerde strafproces, nog niet zo lang geleden de absolute doodsteek voor elke politieke carrière, levert alleen maar zetelwinst op. Steeds opnieuw weet hij olie op het vuur te gooien en onveranderd komt hij ermee weg. Enkele dagen na deze verkiezing plaatst hij een smakeloze prent van Angela Merkel op zijn twitteraccount en er is amper een kwaad woord over gezegd. Bij het Oekraïnedebat durft geen enkele partij het meer aan om gewoon de uitkomst van het niet-bindende referendum naast zich neer te leggen (maar net de kiesdrempel van 30% gehaald, vele voorstanders waren weggebleven om te zorgen dat die drempel net niet zou worden gehaald, 61% van de opgekomen waren voor, wat neerkomt op 2,5 miljoen ofwel 19,5% van de 12,8 kiesgerechtigde Nederlanders), dit uit angst uit de groep malcontenten in maart 2017 potentiële kiezers te verliezen. Alle politieke angsthazen laten zich gijzelen. In heel de Westerse wereld lijkt de democratie in ernstig gevaar te zijn. Het angstwekkende is dat het gevaar niet alleen vanuit rechts komt (en die signalen zijn al verontrustend genoeg, maar dat ook steeds meer linkse kiezers beginnen te twijfelen of het democratische systeem wel sterk genoeg is om de rechtse meute tegen te houden en de vestiging van dictaturen tegen te houden.
Een paar weken geleden, ongeveer in dezelfde periode dat het proces tegen Wilders werd gevoerd, las in een interessant boek over het jaar 1924. Het jaar dat Adolf Hitler in München voor de rechtbank stond en in Landsberg een luxueuze gevangenisstraf kreeg opgelegd. De aanvoerder van het brallende splinterpartij werd met fluwelen handschoenen aangepakt, van alle kanten ondersteund door kapitaalkrachtige personen en bedrijven en op handen gedragen op een onwetende massa, die blind geloofden in zijn mantra dat er iets grondig moest veranderen en dat hij daarvoor zou gaan zorgen. De overeenkomsten zijn te groot om niet een beetje angstig te worden bij dit historische verhaal. Hieronder de recensie die ik over het boek schreef voor www.go2war2.nl.
(meer…)
William Paley was een Brits christelijke apologeet, filosoof en utilitarist. Hij werd in juli 1743 geboren in Peterborough en zat op Giggleswick School, omdat zijn vader daar hoofdonderwijzer was. Ook op het Christ’s College, Cambridge heeft hij les gehad. Hij studeerde af in 1763, werd fellow in 1766 en werd in 1768 docent op zijn college. Hij doceerde over Samuel Clarke, Joseph Butler en John Locke in zijn systematische lesprogramma over morele filosofie, wat daardoor de basis van zijn Principles of Moral and Political Philosophy vormde en zijn visie op The New Testament, waarvan zijn kopie in de British Library bewaard wordt.
Paley is vooral bekend geworden door de zogenaamde ‘horlogemaker-analogie’ die luidt: Wanneer iemand een horloge vindt op de heide is onmiddellijk duidelijk dat dit een bijzonder object is: alle onderdelen zijn perfect op elkaar afgestemd en dienen een specifiek doel. Er is maar een conclusie mogelijk: het is ontworpen door een horlogemaker. Analoog hieraan, zo redeneert Paley, herkennen we een dergelijk ontwerp in de natuur. Planten en dieren, waarvan de onderdelen perfect zijn aangepast aan hun functie, getuigen van de almacht, wijsheid en goedheid van een Ontwerper. Zijn “horlogeargument” gaat ervan uit dat de wereld in elkaar is gezet door een bewuste persoonlijkheid. Hij vergelijkt de wereld met een horloge. Een horloge kan niet uit toeval ontstaan, daar is het veel te ingewikkeld voor. Er moet dus wel een horlogemaker zijn. Dit geldt ook voor de wereld. Er moet dus een “wereldmaker” zijn. In de meeste gevallen noemen we deze wereldmaker God. (meer…)
Driekoningen is een christelijke feestdag die elk jaar op 6 januari wordt gevierd en waarop men de Bijbelse gebeurtenis (Matt. 2:1-18) herdenkt van de wijzen uit het oosten die een opgaande ster zagen en daarop de koning der Joden gingen zoeken. Ze kwamen in Bethlehem en vonden daar Jezus, de pasgeboren koning der Joden.
Het is in het evangelie van Mattheüs overigens helemaal niet zeker dat er maar drie wijzen waren, mogelijk waren het er wel twaalf kunnen zijn. Ook velmeldde Mattheüs nog geen namen, die doken par 500 jaar later voor het eerst op in een Grieks verhaal. Mattheüs vertelde: Toen Jezus te Bethlehem geboren was heerste koning Herodus in Jeruzalem. Er kwamen wijze mannen uit het oosten die vroegen: “Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben zijn ster gezien en willen hem hulde brengen.” Herodus betrouwde dit niet en liet zich door de schriftgeleerden uitleggen waar de Christus moest geboren worden. Zij vertelden hem: “Te Bethlehem, want er staat in de boeken geschreven dat daar een leidsman,
een herder voor het volk Israël zal geboren worden.” Herodus vroeg de wijze mannen om terug te komen als zij het kind gevonden hadden. De ster ging voorop en bleef staan boven het huis waar zij het kind vonden met zijn moeder Maria. Zij haalden koningsgeschenken boven: goud, wierook en mirre. Maar de wijzen gingen niet terug naar Herodus, want zij vertrouwden hem niet.
Pas later werd het aantal wijzen dus beperkt tot drie, waarschijnlijk om het mooi te kunnen koppelen aan de drie geschenken die Mattheüs noemde. Ook konden nu mooi leeftijden als symbool voor de levenscyclus aan de drie personen worden gekoppeld. De drie wijzen kregen dus ook namen. In het Grieks waren dat Apellius, Amerius en Damascus, in het Hebreeuws Galgalat, Malgalat en Sarathin, maar ze zijn bekend geworden onder hun gelatiniseerde Perzische namen Caspar, Melchior en Balthasar. Caspar is een 20-jarige Afrikaanse jongeman; hij bracht wierook mee. De betekenis en herkomst van die naam is onzeker, maar veelal wordt ze verklaard vanuit het Perzische “kandschwar” wat schatbewaarder betekent. Melchior, wat ‘de rechtvaardige’ betekent, is 40 jaar oud en schenkt het pasgeboren Christuskind goud dat symbool is voor wijsheid. De 60-jarige Balthasar gaf Jezus mirre, dat symbool stond voor het lijden en sterven van Jezus. De apostel Thomas zou hem tot bisschop van India hebben gewijd. Hij is de beschermheilige van reizigers, pelgrims en bontwerkers. De leeftijden van 20, 40 en 60 jaar die de 0-jarige opzoeken symboliseren de levenstijdperken van een volwassene. De relikwieën die toegeschreven worden aan de drie wijzen worden bewaard in de Dom van Keulen. (meer…)
Dat was de naam die werd gegeven aan de Gooische Stroomtram, die vanaf 1881 ging rijden tussen de stations Weesperpoort in Amsterdam naar Diemen, Muiden, Naarden, Laren en Hilversum. Vanwege de vele, niet zelden dodelijke, ongelukken die op deze lijn gebeurden, kreeg ze al snel deze sinistere bijnaam.
In 1874 was de Oosterspoorweg Amsterdam – Hilversum – Amersfoort / Utrecht tot stand gekomen, maar deze zorgde niet voor de bereikbaarheid van de meeste plaatsen in het Gooi. De Gooische Stoomtram werd op 17 december 1880 opgericht. Een van de initiatiefnemers was Jan Hamdorff die in Laren een hotel dreef. Hij hoopte door een betere verbinding op meer gasten. Het traject Amsterdam – Diemerbrug werd op 17 mei 1881 geopend, op 22 juli werd de dienst verlengd naar Muiderberg en op 20 augustus van dat jaar werd Naarden bereikt. Op 15 april 1882 werd de lijn verder verlengd naar Laren en Hilversum. Op dezelfde dag kwam ook de dienst Hilversum – Laren – Blaricum – Huizen in bedrijf. Met de tram werden zowel personen als goederen vervoerd. Ook was er een zijtak naar Muiderberg, voor Amsterdammers tot de sluiting van de Afsluitdijk (1932) een belangrijke badplaats aan de Zuiderzee.
In de volksmond werd de tram De Gooische Moordenaar genoemd, wegens de vele ongevallen, die in totaal aan 117 mensen het leven kostten. Een van de oorzaken zou zijn geweest, dat op de locomotief een en dezelfde man machinist en stoker tegelijk moest zijn. Maar ook na het stoomtijdperk kwamen zware ongevallen voor. Zo ontspoorde rond 1925 de tram na aanrijding met een auto op de kruising van Brediusweg en de Amersfoortse straatweg in Bussum. In De Gooi- en Eemlander verscheen op 8 juli 1938 een verslag van een aanrijding die die ochtend had plaatsgevonden op het Erfgooiersplein in Hilversum tussen motorwagen 5 en een vrachtwagen die melk vervoerde. Het grootste ongeval in de Nederlandse tramgeschiedenis vond plaats bij de Gooische Tram in 1927, toen twee stoomtrams op de Naarderstraat te Laren frontaal botsten met vier doden en talloze gewonden als gevolg.
(meer…)
Oliebollen en oudejaarsavond horen in Nederland onverbrekelijk bij elkaar. Hoewel ze ook heel het jaar door in Nederland en België op kermissen in een oliebollenkraam worden verkocht, is het toch boven alles een gerecht dat bij de jaarwisseling thuis hoort. Oliebollen zijn een gefrituurd gistdeeggerecht, meestal met poedersuiker bestrooid. In België, waar ze nog vaak smoutebollen worden genoemd omdat ze vroeger werden gebakken in smout (reuzel ofwel dierlijk vet, meestal uit de varkensbuik) worden oliebollen meestal niet gevuld; in Nederland wordt wel vaak met vullingen van rozijnen, krenten en appel gewerkt en incidenteel worden andere zaken toegevoegd, zoals sukade, sinaasappelsnippers of room.
Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw wordt overigens gesproken over oliebollen; daarvoor was oliekoeken de gebruikelijke benaming. De oliekoeken op het schilderij van Aelbert Cuijp uit ca 1652 lijken echter al veel op de hedendaagse oliebol. In die tijd werden ze in raapolie gebakken. In de loop van negentiende eeuw kreeg het woord oliebol steeds meer aanhang. Pas in 1868 nam de Van Dale ‘oliebol’ op, maar nog in 1896 noemt het Woordenboek der Nederlandsche taal ‘oliekoek’ nog als meer gebruikelijke benaming genoemd. (meer…)
Willem (Wim) Johannes Gertenbach (Zandvoort, 14 maart 1904 – Leusderheide bij Amersfoort, 5 februari 1943) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gertenbach gaf als drukker de Zandvoortse Courant uiten veroorzaakte daarmee heel wat irritatie, want hij trok erin fel van leer tegen de NSB. Max Blokzijl maakte hem verwijten over een hoofdartikel in de uitgave van 10 mei 1940. In september 1941 werd de verdere uitgave va de Zandvoortse Courant verboden. Niet lang daarna werd Gertenbach benaderd om het illegale blad Het Parool te drukken. Het blad was op 10 februari 1941 voor het eerst verschenen, als sociaaldemocratische verzetskrant die vooral op Amsterdam en omgeving was gericht. An het blad waren gerenommeerde mensen verbonden, zoals de journalist Frans Goedhart (die onder het pseudoniem Pieter ’t Hoen begonnen was met het blad, toen nog een gestencild krantje met politiek nieuws), Lex Althoff (redacteur van Het Volk), Koos Vorrink (voorzitter van de SDAP), Maurits Kann (redacteur van De Groene Amsterdammer), Jaap Nunes Vaz (redacteur van het ANP) en ‘Stuuf’ Wiardi Beckmann (hoofdredacteur van Het Volk). Hoe gevaarlijk het op grote schaal verspreiden van een krant als Het Parool was, blijkt uit het lot van de medewerkers. Bijna alle oprichters werden gearresteerd, gefusilleerd of naar het concentratiekamp gestuurd. Volgens een onderzoek in 1991 hebben in totaal bijna 80 medewerkers van Het Parool de oorlog niet overleefd. Toen Gertenbach in september 1941 de vraag kreeg voorgelegd, aarzelde hij geen moment. In november 1941 ging hij voor Het Parool aan de slag.
De interne afspraken moeten niet echt waterdicht zijn geweest, want al snel werden medewerkers van het illegale blad opgepakt. Gertenbach werd op 31 januari 1942 in Zandvoort door de Sicherheitspolizei gearresteerd, door de beruchte Haagse rechercheurs Leo Poos en Martin Slagter. Beide agenten hadden voorheen niet al te veel promotie binnen de dienst gemaakt, maar in de loop van de Tweede Wereldoorlog kwamen zij tot een voor hen ongekend hoog niveau. Slagter werd uiteindelijk Inspecteur 1e Klasse der Staatsrecherche en Oberleutnant der Schutzpolizei der Reserve en Poos bekleedde op datzelfde tijdstip de rang van Kapitein der Staatspolitie. Maar eind 1941 raakten zij, toen nog als ‘gewone’ rechercheurs van de Documentatiedienst van de Haagse Politie, betrokken bij de val die voor de twaalf toekomstige Engelandvaarders was opgezet. Tegen beide politiemensen zou in september 1948 bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam de doodstraf worden geëist. Ze werden uiteindelijk tot levenslang veroordeeld en kwamen in 1963 weer op vrije voeten. (meer…)
Toen de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 uitbrak werd dit in bijna alle landen toegejuicht. Het zou een korte en beperkte oorlog worden en beide kanten waren er ook van overtuigd dan het voor hen een glorieuze overwinning zou worden. Kreten als ‘Home by Christmas’ en ‘Terug voordat de bladeren vallen’ typeren de algehele stemming in de begindagen van de oorlog.In de eerste weken rukten de Duitsers met verbluffende snelheid op, maar al snel werd de opmars tot stilstand gebracht: het Belgische verzet bleek hardnekkiger dan verwacht, men kreeg logistieke problemen en de Duitse legerleiding besloot de plannen om te gooien. In de tweede week van september liep het Duitse offensief vast bij de Marne, langs de Aisne werden door de Duitse soldaten de eerste loopgraven aangebracht. Door de aanhoudende regen veranderden de Belgische en Noord-Franse slagvelden langzaam in een grote modderpoel met alle gevolgen van dien: geweren weigerden dienst omdat ze vol met modder en water zaten, in de loopgraven stond men vaak tot aan de knieën in het water. Al snel kregen de soldaten er een heleboel nieuwe vijanden bij: vermoeidheid, reumatiek, “trench foot”, koudvuur, onderkoeling en bevriezing. Ook had men constant te maken met luizen en ratten. Na de slag bij de Marne probeerde het Duitse leger de Kanaalkust bereiken, maar de poging door de geallieerde linie heen te breken strandde in het modderlandschap van Noord-België. Bij Ieper konden de Engelsen de Duitse troepen tegenhouden, waardoor de weg naar Calais was afgesloten. De frontlijn werd nu statisch en zou in vier jaar tijd nauwelijks veranderen. Het loopgravenstelsel kwam nu tot stand.
Tussen veel Britse en Duitse soldaten, die al geruime tijd op dezelfde plaats gestationeerd waren ontstond langzaam een filosofie van ‘leven en laten leven’, dit tot grote ergernis van de hogere officieren. Op bepaalde tijden van de dag, bijvoorbeeld tijdens de maaltijden of tijdens een verkenningstocht in Niemandsland, werd er niet op elkaar geschoten: ‘Alle patrouilles, zowel Engelse als de Duitse, zijn zeer afkerig van het principe van de glorieuze dood, dus als we elkaar tegen het lijf lopen, doen we maar alsof de ene patrouille uit levieten bestaat en de andere een barmhartige Samaritaan is, en lopen we zonder iets te zeggen langs elkaar heen. Elkaar met bommen bestoken zou voor beide partijen een nutteloze schending zijn van de ongeschreven wetten, die de verhoudingen bepalen tussen twee strijdende partijen’.
Gedurende de maanden november en december zouden er, mits op gehoorsafstand van elkaar, steeds meer contacten tussen beide zijden komen. Zo werd er over en weer naar elkaar geroepen. In het begin waren deze vaak patriottische leuzen of oproepen om naar huis te gaan. Maar soms ging het ook over “gewone” dingen zoals het weer of het eten. Zo riep een Saksische soldaat op 10 december naar de Britse soldaten die er tegenover zaten dat ze het zat waren en de Duitse vlag halfstok hadden gehangen. Een Britse soldaat riep terug en bood rum en gin aan als troost. De Saksische soldaat antwoordde hierop dat zij in de loopgraven alleen champagne dronken. Soms werd er ook over en weer geruild tussen de loopgraven. Dan werden er bijvoorbeeld blikken met vlees geruild voor helminsignes, het probleem was alleen vaak dat de spullen in Niemandsland bleven liggen en geen van beide zijden als eerste zijn spul op wilde halen. Deze vriendschappelijke contacten tussen de beide zijden zouden de basis vormen voor de kerstvrede van 1914.
(meer…)
Propaganda is in oorlogstijd een erg effectief middel om de eigen bevolking te mobiliseren en/of de bevolking van de vijand te demotiveren. In de Tweede Wereldoorlog was Adolf Hitler wat dat betreft een makkelijk doelwit voor de Geallieerden. Zo’n raar type met een ongewoon snorretje en een lange haarlok over de linkerkant van zijn gezicht, de hysterische toespraken waar men in de Angelsaksische wereld geen jota van verstond maar aan het stemgeluid al donders goed voorvoelde dat er weinig goeds van te verachten was. Al in de dertiger jaren zette Charlie Chaplin in The Great Dictator een sublieme persiflage neer van de Duitse regeringsleider. Zodra de oorlog was uitgebroken was de man niet langer een ‘bevriend staatshoofd’, maar direct staatsvijand nummer één. Iemand die met alle middelen moest worden bevochten. Een van die middelen i som hem belachelijk te maken. Dus verschenen er asbakken op de Amerikaanse markt waarin je je peuk in een van de oogkassen van Adolf kon uitdrukken. Of je kon voor 59 dollarcent een beeldje kopen waarin de Duitse leider werd afgebeeld als een skunk, een stinkdier. Inclusief alle aanprijzingen voor de hand liggen de vergelijkingen in de advertenties om de zwart-wit beeldjes aan de man te brengen. Er kwam ook een grote spaarvarken op de markt, uiteraard met een duidelijke Hitler als hoofdpersoon omdat hij immers het grootste zwijn van allemaal was. Fraai was ook het spelenkussen met de bijpassende tekst: “It is good luck to find a pin. Here an axis to stick it in”. (meer…)
In 1811 verplichtte Napoleon alle Nederlanders een vaste familienaam aan te nemen. De belangrijkste punten uit het decreet waren: (1) Iedereen die nog geen vaste familienaam had, moest er een aannemen; (2) De namen van steden mochten niet als familienaam worden aangenomen; (3) Als je al een vaste familienaam had en die wilde je behouden, dan moest je daarvan toch opgave doen; (4) De naam die een man koos, ging ook over op zijn kinderen en andere afstammelingen in mannelijke lijn. In andere woorden: als je vader of opa van vaderskant nog leefde, kreeg je de naam die hij koos.
De Joodse achternamen geven een mooi beeld van de beroepen die Joden in die periode uitoefenden. Het leverde in elk geval ook zeer kleurrijke achternamen op, waarbij je in of de vraag hebt wat voor beroep dat dan geweest moet zijn of hier geen sprake is van een grapje. Een lijstje met 115 namen: Appelkruijer, Augurkiesman, Baszanger, Beddekoper, Bestelder, Bierman, Bloemekoper, Bloemist, Boekbinder, Boekdrukker, Boekverkoper, Boendermaker, Bonnettemaker, Boodschaploper, Boterkoper, Brilleman, Brillenslijper, Cachetsnijder, Cymbalist, Dagloonder, Danser, Digtmaker, Dooseman, Drukker, Erwteman, Flesschedrager, Fruitkoper, Glashouwer, Glasslijper, Graveur, Groenteman, Hakker, Handelaar, Hardloper, Hoedemaker, Hoedschoonmaker, Hoenderkooper, Hoendersnijder, Houthakker, Houtkruijer, Huidekoper, IJzerkoper, Juweelslijper, Kapper, Kerkdienaar, Kerkmeester, Ketellapper, Kleerekooper, Kleermaker, Kleinkramer, Klerekoper, Knegje, Komkommerman, Konstenaar, Kornalijnslaper, Lakmaker, Letterzetter, Limoeneman, Lombertkruijer, Loterijman, Mechanicus, Melkman, Metzelaar, Mutsenmaker, Muzikant, Negotiant, Onderwijzer, Ossendrijver, Overste, Pakkedrager, Pijpeman, Pruikemaker, Rabbie, Ritmeester, Roeper, Schaapdrijver, Schijvenschuurder, Schoenlapper, Schrijver, Schuitevoerder, Sjouwerman, Slager, Speelman, Spreekmeester, Steenslijper, Stofkooper, Stouwer, Tabakspinner, Tafelkruijer, Tailleur, Translateur, Trompetter, Turfkruijer, Turfrijer, Uijenkruijer, Vellekooper, Velleman, Verkopingskruijer, Veterman, Vischjager, Vischschoonmaker, Vischschraper, Viskooper, Vleeschdrager, Vleeschhouwer, Vleeschkruijer, Voddekoper, Voorzanger, Vrachtdoender, Vragtdrager, Wetschrijver, Wijnschenk, Wortelboer, Zeehandelaar, Ziekenoppasser
Decreet
In het Paleis van St. Cloud, den 18 Augustus 1811.
Napoleon, Keizer der Franschen, Koning van Italiën, Beschermer van het Rhijnverbond, Bemiddelaar van het Zwitsersch Bondgenootschap.
Op het rapport van onzen Groot-Regter Minister van Justitie;
Gezien ons Decreet van den 20 July 1808, Onzen Staatsraad gehoord, Hebben wij gedecreteerd en decreteeren het geen volgt:
Art 1. De genen onzer onderdanen in de departementen van het voormalig Holland, der Monden van den Rhijn, der Monden van de Schelde en van het arrondissement Breda, welke tot dus verre genen vasten familienaam of voornamen hebben gehadt, zullen gehouden zijn, zodanigen, in den loop van het jaar der bekendmaking van ons tegenwoordig decreet, aan te nemen, en de opgave daarvan te doen aan den ambtenaar van den civielen staat der gemeente, alwaar zij woonachtig zijn.
Art 2. De namen van steden zullen niet toegelaten worden als familie-namen. Als voornamen mogen worden aangenomen dezulke, die bij wet van den 11 germinal 11de jaar zijn toegestaan.
Art 3. De maires, de opneming der inwoners hunner gemeenten doende, zullen gehouden zijn, te onderzoeken en ter kennis van het bestuur te brengen, of dezelve persoonlijk de bij voorgaande artikelen voorgeschreven voorwaarden hebben vervuld. Zij zullen insgelijks gehouden zijn, de genen der inwoners van hunne Gemeenten, die van naam veranderd zijn, zonder zich te hebben gedragen naar de bepalingen van de bovengemelde wet van 11 Germinal 11de jaar, ter kennis van het bestuur te brengen.
Art 4. Van de bepalingen van ons tegenwoordig decreet zullen uitgezonderd zijn dezulken onzer onderdanen van de departementen van het voormalig Holland, der Monden van den Rhijn, der Monden van de Schelde en van het arrondissement Breda, die bekende namen en voornamen hebben, en welke zij bestendig hebben gevoerd, al ware het, dat die namen en voornamen voortkomstig zijn uit die der steden.
Art 5. De genen onzer onderdanen, in het voorgaand artikel vermeld, die hunne namen en voornamen willen behouden, zullen desniettemin gehouden zijn, dezelve op te geven, te weten: die, welke in bovengemelde departementen wonen, bij de mairie der gemeente, alwaar zij woonachtig zijn, en de andere, bij de zoodanige, alwaar zij voornemens zijn, hunne woonstede te vestigen: alles binnen den tijd, in art. 1 vermeld.
Art 6. De familienaam, dien de vader, of, bij ontstentenis van dien, de grootvader van vaderszijde, verklaard heeft, te willen aannemen, of welke hem toegekend zal blijven, zal aan alle kinderen worden gegeven, die gehouden zullen zijn, denzelven te voeren en aan te nemen in de akten; ten dien einde zal de vader, of, bij gebreke van dien, de grootvader, de aanwezig zijnde kinderen en kleinkinderen in zijne opgave vermelden, alsmede derzelver woonplaats; en dezulke onzer onderdanen, die hunnen vader, of bij ontstentenis van denzelven, hunnen grootvader nog in leven hebben, behoeven slechts te verklaren, dat hij nog in leven is, benevens de plaats van zijn verblijf.
Art 7. Zij, die de bij het tegenwoordig decreet voorgeschreven formaliteiten, en binnen den daar bij vermelden tijd, niet zullen vervuld hebben, en zij, die, in eenige publieke akte of onderhandsche verbintenis, willekeurig en zonder zich te hebben gedragen naar de bepalingen der wet van den 11den germinal 11de jaar, van naam veranderd zouden zijn, zullen overeenkomstig de wetten gestraft worden.
Art 8. Onze grootregter minister van justitie en onze minister van binnenlandsche zaken zijn belast, ieder voor zoo veel hem aangaat, met de uitvoering van het tegenwoordig Decreet, dat in het bulletin der wetten zal worden geplaatst.
(get.) NAPOLEON
Van wege den Keizer,
de Minister Secretaris van Staat,
(get.) De Graaf DARU.
Bewaren
Bewaren
Bewaren
Bewaren
Bewaren
In 2009 publiceerde Conny Braam de roman De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek over belevenissen van handelsreiziger Lucien Hirschland van deze onderneming, zijn jongere zuster Swaantje en de Engelse onderwijzer en oorlogsinvalide Robin Ryder in de tijd voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog en het interbellum. In eerste instantie was de reactie bij iedereen natuurlijk: ‘Jaja, een cocaïnefabriek? In Nederland? Leuk verzonnen! Al snel bleek echter dat zo’n fabriek wel degelijk had bestaan en eigenlijk in die tijd ook niet eens als vreemd werd beschouwd. ‘Braam had voor haar uitgebreid onderzoek en in haar boek gegevens over productie en leveringen verwerkt. Een oud-werknemer van de fabriek, H.H. Bosman, trok aan de hand van zijn proefschrift over de geschiedenis van de NCF de bevindingen van Braam ernstig in twijfel. Ook Eric Wils plaatste in zijn artikel ‘Nederlandse cocaïne aan het oorlogsfront’ behoorlijke kanttekeningen bij de juistheid van de gegevens die Braam opvoert.
De hoofdpersoon in de roman is een jonge ambitieuze Nederlandse handelsreiziger die zoveel mogelijk cocaïne aan buitenlandse klanten wil verkopen tijdens de Eerste Wereldoorlog en in de jaren vlak na die oorlog. Wat ze er mee doen, is zijn zorg niet. Het gebruik van cocaïne was voor en tijdens de oorlog niet verboden en werd dan ook door artsen naast morfine als verdovingsmiddel toegepast. De tweede hoofdpersoon is een Engelse soldaat die in de derde slag om Ieper in 1917 gewond wordt en bij zijn behandeling door de medische dienst cocaïne krijgt toegediend, die door de Nederlandsche Cocaïne Fabriek (NCF) is geleverd. De Engelse soldaat raakt verslaafd en verandert door de cocaïne van een bange soldaat in een strijder zonder angst. Vervolgens raakt hij bij een nieuwe aanval zwaargewond en raakt aan het gezicht zwaar verminkt. (meer…)
Op 20 augustus 1942 wordt in de sneltrein van Warschau naar Berlijn een Zweedse diplomaat aangeklampt door een SS-officier. De Duitser is zichtbaar overstuur. Hij is op de terugweg van een werkbezoek aan vernietigingskamp Belzec in het oosten van Polen, waar hij zag hoe duizenden Joodse mannen, vrouwen en kinderen vergast werden. ‘Geloof me alstublieft’, zo smeekt hij de Zweed, nadat hij hem verteld heeft over wat hij zag. Geschokt door de systematische massamoord waarvan hij getuige was, had Kurt Gerstein besloten de wereld te waarschuwen. Behalve met de Zweedse diplomaat, spreekt hij onder andere met Nederlandse verzetsmensen in de hoop dat zij zijn waarschuwing kunnen overbrengen aan wereldleiders. Zijn boodschap bereikt weliswaar geallieerde vertegenwoordigers en het Vaticaan, maar stuit op een muur van onverschilligheid en ongeloof. De dubbelrol van Kurt Gerstein is één van de meest ongelofelijke verhalen van de Tweede Wereldoorlog. Over hoe iemand in het uniform van de moordenaars de uitroeiing van de Joden wilde doen stoppen.
Lang is overigens getwijfeld aan het waarheidsgehalte van Gerstein’s verhaal, dat in eerste instantie geheel gebaseerd was op zijn eigen getuigenis na zijn arrestatie in mei 1945. De latere bewijslast die aan deze getuigenis kon worden toegevoegd, zorgde ervoor dat Gerstein postuum gerehabiliteerd kon worden. En nog blijft het wat wringen, want het is lastig de combinatie te verwerken van verzetsheld en massamoordenaar. Kevin Prenger schreef over deze SS-Oberstürmführer Kurt Gerstein het boek ‘De boodschapper uit de hel’, een uniek verhaal over een man die heeft geprobeerd de Holocaust te stoppen, maar ook een SS-er was die tijdens de oorlog Zyklon-B leverde aan concentratiekampen en dus actief betrokken was bij de uitroeiing van de Joden in Europa. De tegenstrijdigheid van de handelingen van Kurt Gerstein maakt hem een bijzonder man. Prenger is er zeer goed in geslaagd je telkens mee te nemen naar de verschillende onderwerpen en houdt dit tot aan het einde van het boek boeiend. Het boek geeft bovendien informatie over andere onderwerpen waarmee Gerstein in aanraking kwam, zoals bijvoorbeeld de Hitlerjugend, het geloof en de kerk tijdens de oorlog, het euthanasieprogramma voor gehandicapten en Aktion Reinhard.
‘De boodschapper uit de hel’ moet het eerste boek in een drieluik worden over SS’ers met een vermeende ‘dubbelrol’; de twee anderen waarover nog boeken van Keving Prenger gaan verschijnen zijn SS-rechter Konrad Morgen en Kriminalpolizeichef Arthur Nebe. (meer…)
Catharina Mulder, ook wel Caetje Mulder maar beter bekend als Kaat Mossel (Rotterdam, 25 maart 1723 – Rotterdam, 29 juni 1798) was een bekende mosselkeurvrouw in de Maasstad, die haar mannetje stond. Ze was een volkse vrouw die faam verwierf in verband met de strijd tussen de patriotten en orangisten in Nederland in de 18e eeuw en met name in het orangistische oproer in Rotterdam in 1783 en 1784. Haar naam leeft voort in liederen, in namen van boten en restaurants en in de benaming “Ka” voor een bazige vrouw.
De in de Doelstraat geboren volksvrouw was een fel aanhangster van Oranje en verklaard tegenstandster van de patriotten. De afkeer was wederzijds, de patriotten noemden haar een helleveeg, geneigd tot onrust en gewoel. Zij organiseerde geregeld demonstraties tegen de patriottische regenten, die vaak gepaard gingen met geweld, plundering en brandstichting. Het hoogtepunt van de demonstraties was ieder jaar op 8 maart, de verjaardag van stadhouder Willem V. Samen met andere volksvrouwen als Keet Zwenke (alias Ruige Keet) en Clasina Verreijn (alias Oranjemeid) en arbeiders als zakkendragers, korenmeters, kruiers, slepers, trok Kaat Mossel door de stad om de verjaardag van de stadhouder te vieren en hun aanhankelijkheid te demonstreren. De patriotten waren die dag veel minder in feeststemming. Zij waren beslist geen aanhangers van de prins van Oranje en werden zowel op straat als thuis lastiggevallen. Ze werden gedwongen oranjelinten te dragen en geld te geven ter ere van de prins. Om zich te beschermen richtten de patriotten particuliere legereenheden (vrijkorpsen) op.
(meer…)
Sauna is een van oorsprong Finse benaming voor een ruimte waarin een droog heteluchtbad genomen kan worden. De temperatuur is zo hoog, 80-120°C, dat de saunaganger snel gaat zweten. Het zweten wordt als reinigend ervaren. Daarom wordt het bezoeken van een sauna ook wel als “saunabad” aangeduid in de zin van persoonlijke verzorging. Ook mentaal wordt zo’n heteluchtbad door regelmatige saunabezoekers als “reinigend”, ontspannend, ervaren.
De oudste badinrichtingen zijn vele duizenden jaren oud en waren al bekend in oude culturen. Specifiek de sauna is Fins. In de vroege historie van Finland woonden de mensen in deels onder de grond gebouwde hutten. Om deze te verwarmen werden stenen, die eerst in een vuur lagen, in deze hutten gelegd waardoor de temperatuur opliep. Het grote voordeel van deze methode was dat de warmte gelijkmatig gedurende de gehele nacht werd afgegeven. Men kwam erachter dat wanneer water over die hete stenen werd gegoten, de ruimte ineens veel warmer werd en de aanwezigen begonnen te zweten. Hoewel bedoeld als verwarming is hiermee de sauna, of beter gezegd de “holsauna”, geëvolueerd. (meer…)
Al kort na de Slag aan de Somme, medio 2016, ging de film The Battle of the Somme op 10 augustus 1916 in première in 34 Londense bioscopen en de week erna in de rest van het land. De Britse koninklijke familie zag de film tijdens een privévoorstelling op Windsor Castle in september 1916. De film trok uitzonderlijk veel bezoekers: in de eerste zes weken werden twintig miljoen kaartjes verkocht. Uiteindelijk had meer dan de helft van de op dat moment 43 miljoen Britten de film gezien. In een tijd dat de bioscoop zich had ontwikkeld tot een centrum van vermaak, is het des te uitzonderlijker dat een dergelijke serieuze overheidsdocumentaire zo succesvol was. Op grond van deze bezoekersaantallen is The Battle of the Somme een van de succesvolste Britse films aller tijden. Ook in het buitenland, waaronder de Verenigde Staten, trok de film een massapubliek. De film werd in achttien landen vertoond.
De film werd over het algemeen goed ontvangen door het Britse publiek. The Times deed de dag na de première verslag van volle zalen en positieve reacties van het publiek op de realistische hoewel soms gruwelijke beelden. De krant concludeerde dat de algemene stemming was dat het goed was dat het thuisfront een glimps opving van wat de soldaten deden, van hun moed en van hun lijden. Anderen vonden dat het immoreel was om dergelijk geweld te tonen in de bioscoop en de deken van Durham protesteerde tegen een vorm van vermaak die de harten verwondde en de rouw ontheiligde. Weer anderen klaagden dat zo’n serieuze film tussen de lachfilms werd vertoond. De enorm hoge bezoekersaantallen weerspiegelden de mening van het grote publiek. (meer…)
Al in 1916 werd over de Slag aan de Somme een documentaire / propagandafilm gemaakt: The Battle of the Somme. Geoffrey Malins en John McDowell filmden hiervoor aan het front in Frankrijk. Door middel van daadwerkelijke oorlogsbeelden werden de verschrikkingen van een loopgravenoorlog op indringende wijze in beeld gebracht.
The Battle of the Somme is een zwart-witfilm die uit vijf delen bestaat. De individuele scènes van deze delen zijn gescheiden door intertitels, zoals gebruikelijk bij stomme films. Het eerste deel laat zien hoe het leven achter het front eruitziet bij de voorbereiding van de veldslag: troepen die naar het front marcheren, Franse boeren die gewoon doorgaan met hun werk op het land, het bevoorraden van munitieopslagplaatsen, generaal Sir Henry de Beauvoir De Lisle die te paard de manschappen van de 29th Division toespreekt en voorbereidende artilleriebeschietingen op de Duitse stellingen. Het tweede deel toont de avond en vroege ochtend voor de slag: een legerkamp waar manschappen eten, troepen die zich verplaatsen naar de voorste loopgraven, de heviger wordende artilleriebombardementen en het opblazen van de Duitse stellingen bij Hawthorn Ridge Redoubt. tien minuten voor het begin van de slag. Deel drie opent met het begin van de slag om 7.30 uur op 1 juli 1916. Er worden beelden getoond van manschappen die uit de loopgraven het niemandsland ingaan, van troepen die onder vuur liggen in de loopgraven en van de vele gewonde Britse en Duitse soldaten die in de loopgraven worden afgevoerd naar het achterland. In het vierde deel zitten beelden van de nasleep van de aanval: meer Britse en Duitse gewonden, het veiligstellen van ingenomen akkers, dode soldaten op het slagveld en het delven van graven. Ook het laatste deel bevat beelden van na de aanval: verwoestingen waaronder kraters, ingestorte loopgraven en de ruïnes van het dorp Mametz, soldaten die buitgemaakt Duits geschut bekijken, uitrustende Britse troepen, voorbereidingen voor een volgende oorlogsdag en het wegvoeren van Duitse krijgsgevangenen. (meer…)
De Slag aan de Somme was een grote slag tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarbij meer dan een miljoen slachtoffers vielen. Het slagveld bevindt zich ruwweg in de driehoek gevormd door de Franse steden Albert, Bapaume en Péronne. In dit gebied zijn heden ten dage vele herinneringen aan de slag te vinden. Er zijn vele tientallen (zeer goed onderhouden) begraafplaatsen, met herinneringen aan honderdduizenden soldaten van alle betrokken nationaliteiten. Nog regelmatig worden voorwerpen van de slag gevonden, waaronder onontplofte en dus levensgevaarlijke granaten.
Na de eerste snelle opmars van het Duitse leger in augustus en september 1914 was de strijd tegen de winter vastgelopen in een loopgravenoorlog of stellingenoorlog. Om een uitweg te forceren uit deze afschuwelijke patstelling probeerden de gezamenlijke Franse en Britse legers een doorbraak te forceren. Als plaats van handeling werd gekozen voor de glooiende hoogvlakte ten noorden van de rivier de Somme, goed 100 km ten noorden van de buitenwijken van Parijs. Al voordat de geallieerde leiding eind 1915 had besloten tot deze actie was in het Verenigd Koninkrijk een organisatie op poten gezet waarbij een geheel nieuw leger van vrijwilligers werd opgebouwd. De opbouw van dit leger was al eind 1914 in gang gezet door minister van oorlog, veldmaarschalk Kitchener. Het werd dan ook Kitchener’s army (Kitcheners leger) genoemd, ook wel aangeduid als The New Armies.
De Duitsers probeerden ondertussen uit alle macht een doorbraak te forceren door bij Verdun het Franse leger te laten doodbloeden. De Franse legers leden hier zware verliezen en stonden op het punt te worden verslagen. De Franse legerleiding hoopte dan ook dat de langverwachte Britse tegenaanval het Franse leger wat ademruimte zou geven. De Britten wilden meer voorbereidingstijd hebben en vroegen om uitstel, maar de Fransen stonden er op dat de afgesproken datum bleef gehandhaafd, hoewel hun eigen bijdrage slechts gering zou zijn. De Britse aanval kreeg dus het karakter van een ontlastend offensief om te voorkomen dat het Franse leger in elkaar zou storten. (meer…)
Ernst Haffner (1900-?) was een sociaal werker en journalist uit Berlijn, die in 1932 zijn enige roman schreef, Jugend auf der Landstrasse. Ein Berliner Cliquenroman. In de Duitse sociologie wordt onder een Clique een sociale groep verstaan, die zich min of meer spontaan heeft gevormd, die geen formele structuur kent en ook geen duidelijk geformuleerde doelstellingen nastreeft, maar die wel een duidelijke interne rolverdeling heeft en waar het ‘lidmaatschap’ niet zomaar voor iedereen open staat. Als typische ‘Cliquen’ worden vriendengroepen en (jeugd-)bendes gezien. Daar handelde het boek van Haffner dan ook over, namelijk een groep jongeren die door de straten van Berlijn zwierf en trachtte te overleven door zich schuldig te maken aan allerlei kleine misdrijven.
(meer…)
Rudolf ‘Rudi’ Vrba, werd op 11 september 1924 als Walter Rosenberg geboren in het Tsjechische Topolcany. In 1939 werd hij door de Duitse bezetters en Slowaakse regering gedwongen zijn toenmalige woonplaats Pressburg, momenteel bekend als Bratislava, te verlaten en zich te vestigen in Trnava. In 1942 probeerde hij naar Hongarije te vluchten, maar werd op de vlucht gesnapt en getransporteerd naar het arbeidskamp Novaky in Slowakije. Van daaruit werd hij in 1942 op transport gezet naar het concentratie- en vernietigingskamp Majdanek in Polen. Nadat hij daar twee weken had vast gezeten, werd hij eind juni 1942 gedeporteerd naar Auschwitz. Daar werd hij als ‘Häftling Nummer 44.070’ in het werkkamp van de IG Farben ondergebracht. In de herfst van 1942 werd hij ingedeeld bij een zogenaamd ‘Aufräumungskommando’, dat op het spoorwegstation van Auschwitz de bepakking van de net gearriveerde Joden moest transporteren maar de opslagruimte, waar de spullen gesorteerd werden. Ze moesten verder de zieken en doden uit de wagons halen en naar de gereedstaande vrachtwagens brengen. Tot slot moesten ze het perron weer schoon maken, zodat het gereed was voor de aankomst van nieuwe treinen. In juni 1943 werd Vrba verlost van dit baantje en werd hij als schrijver aangesteld in Quarantainekamp BIIa.
(meer…)
De Duits-Oostenrijkse historica Brigitte Hamann heeft twee monumentale werken over Adolf Hitler op haar naam staan, die om onbegrijpelijke redenen naast de oorspronkelijke Duitse versie alleen in een Engelse vertaling op de markt zijn gekomen: “Hitlers Wien. Lehrjahre eines Diktators” (1996) en “Winifred Wagner oder Hitlers Bayreuth” (2002). Hoewel, het schijnt dat van “Hitlers Wien” bijna twintig jaar na de publicatie van dit baanbrekende werk eindelijk een Nederlandstalige versie op de markt gaat komen. Van Hamann verscheen overigens nog een derde werk dat in verband staat met Adolf Hitler, namelijk “Hitlers Edeljude” (2008), over het leven van de Linzer huisarts Eduard Bloch. Deze laatste en tamelijk recente publicatie is hier al gerecenseerd. Ze gaat over de Joodse huisarts Bloch die Hitlers moeder in haar laatste jaren verzorgde. De manier waarop Bloch voor deze arme vrouw zorgde, maakte een onvergetelijke indruk op de nog jeugdige Adolf Hitler. Toen de jongeman enige maanden later naar Wenen was vertrokken, bleef hij contact houden met huisarts Bloch en stuurde hij hem enige geschilderde ansichtkaarten. Na de Anschluss in 1938 verordonneerde Hitler dat Bloch door de SS en Gestapo met rust gelaten moest worden en in 1943 mochten Bloch en zijn vrouw naar de Verenigde Staten emigreren. Ze waren toen de laatsten van wat niet lang daarvoor een bloeiende Joodse gemeenschap was. (meer…)
Honderd jaar geleden viel de eerste vliegtuigbom op Nederlandse bodem. De adellijke familie Graafland zat op de ochtend van 22 september 1914 aan de ontbijttafel toen in hun achtertuin een vliegtuigbom neerkwam. Een fout van de Britten, die tijdens de Eerste Wereldoorlog boven het centrum van Maastricht, een stad in het neutrale Nederland, niets te zoeken hadden. De geschiedenis staat beschreven in het onlangs verschenen boek Schampschot. Een klein Nederlands dorp aan de rand van de Groote Oorlog dat onlangs verscheen. Auteur Paul van der Steen koppelt in Schampschot het grote verhaal van de Eerste Wereldoorlog aan de geschiedenis van het dorp Eijsden. Daar schonden de Duitsers in 1914 ongewild de neutraliteit, vroeg de Duitse keizer in 1918 om onderdak in Nederland en veranderde het grote conflict de levens van duizenden gewone mensen.
De stippellijn op de kaart die de grens aangeeft tussen Nederland en België gaf in augustus 1914 plotseling ook de scheidslijn aan tussen oorlog en vrede. Om aan te geven waar het neutrale Nederland begon, hing men rood-wit-blauwe vlaggetjes aan de kerktorens en markante gebouwen. In weilanden aan de grens werden koeien gemolken met een vlaggetje ernaast. Het gebulder van geschut leek niet op te houden, lijken en kadavers stroomden met de Maas het land in en nadat Belgische buurdorpen waren platgebrand, kwam een enorme vluchtelingenstroom op gang. Het was natuurlijk een illusie dat door de Nederlandse neutraliteit alles zijn normale gang zou blijven gaan in een dorp dat pal aan de grens lag. De jaren 1914-1918 werden in een grensdorp als Eijsden heel anders beleefd dan in het hart van Nederland. Toen de Duitse keizer zich op een vroege ochtend in november 1918 juist hier meldde, kwam het einde van de oorlog in zicht. Maar de wereld was, ook in Eijsden, voorgoed veranderd. Op bijzondere verweeft historicus Paul van der Steen het grote verhaal van de Eerste Wereldoorlog met de weinig bekende grensgeschiedenis van vluchtelingen, overbevolking, smokkel en spionage.
(meer…)
In de periode 18-31 oktober 1914 werd de Slag om de IJzer gevoerd. Het werd snel duidelijk dat de Belgen en hun geallieerde bondgenoten het laatste strookje vrij België niet langer in handen konden houden, tenzij rigoureuze maatregelen werden genomen. Dat hield in dat het gebied tussen de IJzer en de spoorwegbedding van de spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide onder water moest worden gezet om een verdere Duitse opmars te voorkomen en tegelijkertijd een veilige barrière te hebben voor de eigen manschappen. Een centrale rol bij de inundatie was weggelegd voor de Ganzepoot van Nieuwpoort, het sluizencomplex aan de rand van de stad waar zes waterlopen samenkwamen: drie bevaarbare kanalen (waaronder de gekanaliseerde IJzer) en drie afvloeiingskanalen. Bij eb kon hier worden geregeld dat overtollig water uit de polder kon wegstromen, bij vloed werd er voorkomen dat het zeewater de polder zou binnendringen. Voor de inundatie moest uiteraard precies het tegenovergestelde worden gedaan.
Op 26 oktober 1914 werd een eerste inundatiepoging ondernomen door de Spaanse sluis op de Oude Veurnevaart (ook Oud-Veurnesas of Kattesas genoemd) open te zetten. Dat was onvoldoende om de Duitsers tegen te houden. Er moest een tweede sluis worden geopend om het gewenste resultaat te krijgen. Die maakte het echter ook noodzakelijk dat eerst alle openingen in de spoorwegberm moesten worden dichtgemaakt, een karwei dat enkele dagen en nachten vergde. In de nacht van 29 op 30 oktober 1914 wist een detachement van de Belgische genie, geholpen door schipper Hendrik Geeraert, de uitlaatsluizen van Veurne-Ambacht te openen en zo het complete terrein ten zuidwesten van de IJzer onder water te zetten. Honderdduizenden kubieke meters zeewater stroomde langzaam maar onherroepelijk de polder in. Op 31 oktober 1914 was het hele gebied tussen IJzer en de spoorwegberm, van Nieuwpoort tot Diksmuide, één grote binnenzee geworden. Het Duitse leger kwam in de modder vast te zitten en werd gedwongen zich tot aan de IJzer terug te trekken. Nog vier jaar lang hebben ze zich er echter niet bij neergelegd dat het een definitieve positie was geworden. (meer…)
Charles Goodyear
Uitvinder en fabrikant
New Haven, Connecticut, 29 december 1880 – New York City, 1 juli 1860
De uitvinder van de gevulcaniseerde rubber
Charles Goodyear werd geboren in 1800 in New Haven, Connecticut. Zijn vader was mecanicien en had een ijzerwinkel. De farmers uit de buurt kwamen bij hem hun gereedschap en werktuigen kopen en Charles stond altijd aandachtig te luisteren naar hun gesprekken. Als een van de klanten een stuk gereedschap nodig had dat niet in de handel was, maakte Charles’ vader, Amasa, het zelf. De farmers in Connecticut zeiden tegen elkaar: ‘Spreek met Goodyear en het komt in orde.’ Die eigenschap, om de handen uit de mouwen te steken, nieuwe middelen te verzinnen en elke opdracht consciëntieus uit te voeren, erfde Charles van zijn vader en daarenboven zijn handigheid in het gebruik van gereedschappen.
Op een keer stond Charles Goodyear in New York voor een winkel, waar rubber reddingsgordels in de open etalage lagen. Hij betastte de glimmende metalen ventielen. Op dat ogenblik kwam de eigenaar van de zaak naar buiten en vroeg hem wat er van zijn dienst was. ‘Mooie kleppen, hè meneer?’ ‘Nee,’ zei Charles, ‘dat vind ik niet, ik kan ze wel beter maken; maar iets anders, hebt u misschien een baantje voor me?’ ‘Nee, ik kan je niet helpen, maar als ik jou was, zou ik niet in de rubberbranche gaan, rubber deugt niet. Het blijft niet goed. Als je het in de zon legt, wordt het kleverig, en dan kun je d’r niks meer mee beginnen.’ Het was voor de eerste keer dat Charles rubber had gezien en dat vreemde goedje maakte zo’n indruk op hem, dat het hem zijn leven lang niet meer met rust liet. Hij kon aan niets anders meer denken; vandaar de bijnaam de rubberman, die hij later kreeg. (meer…)
Christopher R.W. Nevison (13 augustus 1889 – oktober 1946) was een Britse schilder, die in Groot-Brittannië grote faam verwierf als de schilder die het best de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog weergaf. Nevison was de zoon van Henry Nevison, een oorlogscorrespondent en journalist, en Margaret Nevinson, die veel deed aan de campagnes voor de suffragettes. De jonge Nevison laat zich in zijn eerste werken inspireren door het kubisme, een inspiratie die ook in zijn beroemde oorlogstaferelen nog vaak goed merkbaar is. Erg succesvol is hij echter niet en allerwegen wordt hij weggezet als tamelijk talentloos. Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt ziet net als vele tienduizenden andere jonge Europeanen hierin de ideale manier op roem en eer te behalen.Een belangrijke inspiratie bron is op dat moment voor hem de Italiaanse futurist Filippo Tommaso Marinetti. Vanwege een zwakke gezondheid komt hij echter nooit in de frontlinie, maar krijgt kilometers landinwaarts een veilig baantje als ambulancechauffeur in de Friends’ Ambulance Unit, een organisatie die zijn vader nog had helpen oprichten. (meer…)
Louis Braille
uitvinder van het blindenschrift
Coupvray, 4 januari 1809 – Parijs, 6 januari 1852
Hij gaf de blinden toegang tot het boek
In het jaar 1812 was een jongetje met stralende bruine ogen in de zadelmakerij van zijn vader, in het Franse dorpje Coupvray, aan het spelen. Plotseling pakte hij twee scherpe elzen en liep er triomfantelijk mee weg. Toen struikelde hij. Bij dat ongeluk verloor het kind het gezichtsvermogen aan één kant. Kort daarop werd het helemaal blind. De dorpsbewoners waren vriendelijk. “Daar komt de kleine Louis,” zeiden zij als ze het tikken van zijn stokje hoorden. Zoveel tikken naar de grote boom waar hij ging zitten om uit te rusten. Weer zoveel tikken naar de vijver waar hij kon horen hoe zijn vriendjes zich vermaakten. Toen hij ten slotte na een jarenlange worsteling erin slaagde zijn methode van blind lezen en schrijven te ontwikkelen, noemde Louis Braille het “gestolde tikken”. Op zijn tiende jaar ging Louis naar de school voor blinden in Parijs, de Institution Nationale des Jeunes Aveugles. De oprichter van deze school, Valentin Hauy (de onbezongen pionier van het onderwijs aan blinden) leerde Louis het alfabet door zijn vingers te leiden over de 26 letters, die uit twijgjes waren samengesteld. Daarna begon Louis aan de boeken die Hauy nauwgezet had gemaakt met uit stof gesneden letters die op de bladzijden waren geplakt. Elke letter was zeven centimeter hoog en vijf centimeter breed, een hopeloos omslachtige methode. De fabel van Reinaert de Vos bijvoorbeeld vulde zeven boeken van elk ruim drie kilo.
(meer…)
Enrico Caruso
operazanger (tenor)
Napels, 25 februari 1873 – aldaar, 2 augustus 1921
Caruso, de geweldige
Anna Caruso schonk het leven aan 21 kinderen, waarvan er slechts drie de leeftijd der volwassenen hebben bereikt. Eén hiervan, het achttiende, is misschien wel de grootste zanger geworden van alle tijden. Hij maakte in 1903 zijn debuut in Amerika op de planken van de Metropolitan Opera in New York en op datzelfde toneel zong hij in 1920 zijn laatste aria. Acht maanden later stierf hij. Miljoenen mannen en vrouwen van vele naties treurden om hem en duizenden droegen rouw. Met hem was niet alleen een prachtige stem heengegaan, maar bovenal een prachtig mens, door iedereen op handen gedragen.
In de dagen van Caruso was de radio nog onbekend en sprekende films bestonden al evenmin. Wie Caruso wilde horen, kocht een kaartje en ervoer zijn optreden in levenden lijve of men draaide de grammofoon op en hoorde zijn stem uit de hoorn schallen. Het publiek als geheel genomen was natuurlijk maar klein, vergeleken bij de miljoenen radioluisteraars en televisiekijkers van tegenwoordig. Maar wat het applaus betreft: aan weinig lievelingen van het publiek is ooit een dergelijke ovationele hulde gebracht als aan Enrico Caruso.
(meer…)
TITUS BRANDSMA
Martelaar der vrije meningsuiting en onderwijsvrijheid
DEEL 4
Een heilige van onze tijd
Het bericht van zijn dood verspreidt zich snel over het land, in het bijzonder uiteraard onder het katholieke deel van ons land. Velen plaatsen een foto van hem op hun dressoir, vaak naast die van de andere grote katholieke verzetsheld, de aartsbisschop van Utrecht mgr. Jan de Jong. De verzetsmensen die na de oorlog terugkeerden verhaalden steeds van dezelfde “heilige pater Titus” die hen in woord en daad zo gesteund had en die de uiterste consequentie had gedragen van zijn openlijk verzet tegen het Duitse regime. Er ontstaat al snel een breed gedragen stroming van aanhangers van Titus, die er naar streven zijn leven en werk in gedachten te houden. De devotie rond de dood van Titus bereikt een (voorlopig) hoogtepunt als hij in 1985 door Paus Johannes Paulus II zalig wordt verklaard. Er loopt inmiddels een proces tot heiligverklaring.
Al snel na de oorlog wordt aan de Doddendaal, precies op deplek waar Brandsma in januari 1942 gearresteerd was, de Titus Brandsma Gedachteniskapel gebouwd, geheel gewijd aan de “kleine, moedige, ‘gevaarlijke’ en karaktervolle Karmeliet”. Die kapel staat er nog steeds, maar heeft inmiddels een andere bestemming gekregen. De Titus Brandsma Gedachteniskapel, bedoeld als nationaal monument voor de nagedachtenis van Titus Brandsma, is vanaf 1995 verhuisd naar het Keizer Karelplein waar een geschikte bestemming werd gezocht voor de voormalige Jozefkerk. In de kerk zijn door de kunstenaars Arie Trum en Coen Tuerlings grote wandpanelen geïnstalleerd waarin het leven en de geestelijke ontwikkeling van Brandsma wordt verbeeld. Verder kent de kerk vitrines waar correspondentie, voorwerpen en documenten uit zijn leven zijn uitgestald en is er een Tituskapel ingericht. De kerk kent daarnaast nog enkele andere mooie kapellen en vele mooie glas-in-loodramen. De architectuur, inrichting en iconografische vormgeving maken de kerk daardoor tot een indrukwekkende geestelijke ruimte en oase van rust midden in de stad. De kerk is in de loop van 2004 geheel ontheven van haar parochiële functie en werd een open kloosterkerk van de Karmelieten.
(meer…)
TITUS BRANDSMA
Martelaar der vrije meningsuiting en onderwijsvrijheid
DEEL 3
1942: Arrestatie en dood
Op 19 januari 1942 wordt Brandsma in zijn klooster aan de Doddendaal te Nijmegen gearresteerd. Hij is net terug van zijn rondreis langs de kranten en overlegt op dat moment met zijn vriend Gerard Bodewes, tevens de directeur van dagblad De Gelderlander. Deze wil weten welke voortgang met het verzet is gemaakt en vraagt ook Brandsma advies over de benoeming van een nieuwe hoofdredacteur bij zijn krant, waarbij hij vanuit Den Haag onder zware druk wordt gezet een NSB’er te benoemen. Hemels komt in zijn recent uitgebrachte boek met de verklaring dat de zoon van een Eindhovense hoofdredacteur aan de Duitsers heeft verraden op welke tijdstippen Brandsma op verschillende locaties zou zijn. De vader heeft de Nijmeegse prior gewaarschuwd, Brandsma is vervolgens een aantal dagen uit voorzorg niet verschenen op zijn woonadres. Prior Verhallen had telefonisch na een paar dagen aan Titus laten weten “dat in Nijmegen de kust veilig was en dat hij best terug kon keren”.
(meer…)
TITUS BRANDSMA
Martelaar der vrije meningsuiting en onderwijsvrijheid
DEEL 2
1909 – 1941: Het drukke maatschappelijke leven
Nadat hij in 1909 aan Pontificia Università Gregoriana is gepromoveerd tot doctor in de wijsbegeerte, keert Brandsma terug naar Nederland. Hij komt terecht in Oss, waar hij aan het studiehuis (Filosoficum) van de Karmelieten docent wordt in filosofie, sociologie en kerkgeschiedenis. Hij zal dat doen tot 1923, als hij in de pas opgerichte Katholieke Universiteit in Nijmegen hoogleraar in de wijsbegeerte en geschiedenis van de vroomheid wordt. In Oss zal hij behalve docent ook de stichter van de katholieke HBS worden en hij zorgt er ook voor dat er een katholieke openbare leeszaal komt. Daarnaast blaast hij de plaatselijke krant “De Stad Oss” nieuw leven in. Brandsma werd van het blad tevens hoofdredacteur.
Daarnaast bleef hij op tal van andere maatschappelijke terreinen actief. Hoewel hij al als elfjarige het Friese land verlaat, blijft zijn liefde voor de Friese taal, cultuur en geschiedenis altijd prominent aanwezig. Als op 21 augustus 1917 “It Roomsk Frysk Boun” wordt opgericht, is Titus de secretaris van het eerste bestuur van de bond die de belangen wil dienen van de Friese katholieke minderheid. Vanaf 1937 zal deze vereniging in aangepaste vorm en onder de naam Frisia Catholica verder gaan met Titus Brandsma als de eerste voorzitter. Er zijn nog andere Friese verenigingen waarvan hij lid wordt, niet zelden ook actief lid door zitting te nemen in het bestuur of bepaalde activiteiten op zich te nemen. Daartoe horen onder meer het Friese genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, It Fryske Gea, de provinciale Onderwijsraad van Friesland (die ijvert voor een Friese leerstoel) en de Fryske Akademy, die het volkskarakter en de geschiedenis van de Friezen bestudeert. Daarnaast is hij actief in het Dokkumer Sint Bonifatiusbroederschap en werkt hij mee aan een tijdschrift Frisia Catholica met een stortvloed van artikelen over het Friese katholieke leven vanaf vòòr de Reformatie.
(meer…)
TITUS BRANDSMA
Martelaar der vrije meningsuiting en onderwijsvrijheid
DEEL 1
Inleiding
Titus Brandsma was een karmelietenpater, geleerde, publicist en Nederlande verzetsstrijder. Voor de oorlog was hij al actief in een groot aantal bewegingen op het terrein van cultuur, natuur, emancipatie, onderwijs en journalistiek. In de dertiger jaren was hij een van de eersten die actief in verzet kwam tegen de opkomst van het nationaal-socialisme. Een lijn die hij na de bezetting onverkort en openlijk doorzette. Vanwege zijn verzet tegen Duitse maatregelen om de vrije meningsuiting te belemmeren en de onderwijsvrijheid in te perken, alsmede zijn protesten tegen de maatregelen jegens de joodse bevolking, werd hij gearresteerd. Na verhoor in Scheveningen, werd hij via kamp Amersfoort en de gevangenis van Kleef gedeporteerd naar het concentratiekamp Dachau, waar hij op 26 juli 1942 overlijdt. Nog tijdens de oorlog wordt hij een lichtend voorbeeld van verzet tegen onderdrukking en symbool voor een wereld van begrip en verdraagzaamheid. In 1985 wordt hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard.
(meer…)
Izak van der Horst (Aarlanderveen, 4 maart 1909 – Vught, 4 september 1944) vormde samen met Johannes Post, Theo Dobbe, zijn stadsgenoot Hilbert van Dijk, Bertus Valstar en Liepke Scheepstra de top van de landelijke KP.
Van der Horst woonde met zijn gezin met vier kinderen aan de Emmastraat te Kampen, waar hij een baan als notarisklerk had. Hij zette zich in voor de LO, gebruikte daarvoor schuilnamen als Jacques, Van Andel, Andersfoort en Louis en behoorde al snel tot de top van deze organisatie.
In 1943 ving de LO zoveel mensen op dat het lastig werd om alle onderduikers van voedsel te voorzien. Zo waren Van der Host en Van Dijk zeer actief in de Noordoostpolder waar het mogelijk was om als arbeider aan de slag te gaan. Daarvoor is dan wel een goede Ausweis nodig en het Kamper verzet zorgt dan voor de valse stempels en andere benodigde attributen om zo’n veilige Ausweis te leveren. Er werd in de zomer van 1943 besloten om een afdeling in het leven te roepen die zich bezig zou gaan houden met overvallen op distributiekantoren, de LKP – de Landelijke Knokploegen. Izak was betrokken bij de oprichting van de LKP, hij bekleedde er de functie van penningmeester en onderhield vanaf dat moment vanuit die functie de contacten met de LO. Hij werkte daarbij nauw samen met verzetslieden als H. Dienske en J.J. Hendrikx. (meer…)

door Frans van den Muijsenberg
Robert Kershaw (1950) ging na zijn afstuderen aan de Reading University in 1973 het leger in als beroepsmilitair door lid te worden van het Parachute Regiment. Als paratrooper diende hij zijn land onder meer in Noord-Ierland toen de ‘troubles’ daar op hun hoogtepunt waren. Nadat hij eerst leiding had gegeven aan het 10th Batallion The Parachute Regiment (10 PARA) trad hij in het kader van NAVO-activiteiten toe tot de Duitse ‘Fuhrungsakademie’, waar hij twee jaar lang instructeur voor de Bundeswehr was. Zijn laatste militaire benoeming was bij de Intelligence Division op het hoofdkwartier van de NAVO in Brussel. Via zijn dienstverband binnen de NAVO was Kershaw onder meer gestationeerd in Bosnië en het Midden Oosten. Hij sloot zijn militaire carrière in 2006 op 56-jarige leeftijd af en begon een tweede carrière als consultant voor militaire aangelegenheden. Daarnaast werd hij een veelgevraagd reisleider van ‘battleground tours”, waarbij hij niet alleen rondleidingen gaf langs de West-Europese slachtvelden van de 20e eeuw, maar ook langs de terreinen waar de Amerikaanse Burgeroorlog, de Boerenoorlog in Zuid-Afrika en diverse oorlogshandelingen in het Midden-Oosten plaatsvonden. Deze opsomming is slechts een zeer summiere samenvatting van het indrukwekkende CV op http://www.robertjkershaw.com. De geharde militair ging ook boeken schrijven die, zoals men kan verwachten, gaan over beroemde veldslagen en oorlogssituaties. Maar de militair-historische boeken van Robert Kershaw worden opvallend genoeg niet gekenmerkt doordat hij kijkt vanuit een militair-strategisch perspectief, maar vooral door de bijna sociologische bril waarmee hij de omstandigheden beoordeelt. Zijn laatste publicatie ‘De Straat’, over de ervaringen van de gewone soldaat aan Britse en Duitse kant en van de omwonenden aan de Utrechtseweg tussen Oosterbeek en Arnhem bij de mislukte operatie Market Garden, is daar een perfecte illustratie van. Die inslag is terug te zien in andere werken die hij schreef: ‘Tank men’ (2008) over de ervaring van tankbemanningen in oorlogssituaties, ‘Never Surrender’(2009) over de karaktereigenschappen van de Britse generatie die de Tweede Wereldoorlog mee maakte en “Sky Men”(2010) over de gevoelens van parachutisten tijdens een oorlog.
(meer…)
Robert Kershaw (1950) is van oorsprong beroepsmilitair, die zijn vaderland als paratrooper onder meer diende in Noord-Ierland, Bosnië en het Midden Oosten. Hij sloot zijn carrière in het Britse leger in 2006 af om vervolgens een tamelijk verrassende carrièreswitch te maken. Dat hij consultant voor militaire aangelegenheden werd lag natuurlijk nog wel in lijn met hetgeen hij in zijn vorige leven deed. Daarnaast werd hij een veelgevraagd reisleider van ‘battleground tours”, waarbij hij niet alleen rondleidingen geeft langs de West-Europese slachtvelden van de 20e eeuw, maar ook langs de terreinen waar de Amerikaanse Burgeroorlog, de Boerenoorlog in Zuid-Afrika en diverse oorlogshandelingen in het Midden-Oosten plaatsvonden. Deze tak van de toeristenindustrie wordt gedomineerd door historici, onderwijzers en/of enthousiaste amateurs; (oud-)militairen worden er zelden aangetroffen, hoewel daar zeker goede redenen voor zijn. Die twee vorige beroepsactiviteiten werden in de praktijk echter al snel overvleugeld door zijn succes als schrijver van militair-historische boeken. Robert Kershaw publiceerde een aantal militair-historische boeken over uiteenlopende onderwerpen, die veelal internationale bestsellers werden. Zijn laatste publicatie is ‘De Straat’, dat bijna gelijktijdig in een Engelse en Nederlandse versie verscheen.
(meer…)
James Watt
Schots uitvinder en ingenieur
(Greenock, 30 januari 1737 – Heathfield Hall, 25 augustus 1819)
Uitvinder van de stoommachine met condensor
In het plaatsje Greenock, aan de oevers van de Clyde, staat een marmeren standbeeld van James Watt en niet ver daar vandaan zijn de gebouwen van het Wattinstituut en de Wattbibliotheek, opgericht ter gedachtenis aan de uitvinder, die de wereld toonde hoe men zich de stoomkracht ten nutte kon maken met een zo gering mogelijk verlies aan arbeidsvermogen. James Watt werd in dat plaatsje in het jaar 1736 geboren en bracht daar zijn jeugd door. Zijn vader Thomas Watt, een nautisch instrumentmaker, was buitengewoon gehecht aan zijn enig overgebleven en zwakke zoontje; zijn vijf broertjes en zusjes waren al heel jong gestorven. Op een goede dag, toen de kleine Jamie met een hamer op een stuk ijzer stond te slaan, vroeg zijn vader hem of hij zelf een kleine smidse zou willen hebben.
‘Meen je dat, pappie?’ En van die dag af stond Jamie van ’s morgens tot ’s avonds aan de blaasbalg te trekken, maakte het ijzer witgloeiend en liet de vonken lustig in het rond spatten op zijn eigen aambeeld. Zijn moeder, die zelf ook niet sterk van gestel was, gaf hem in die tijd les met behulp van de boeken die zij in huis hadden. Maar James was leergierig en de kennis van zijn moeder schoot tekort. Daarom deden ze hem op school. Daar kon hij wegens zijn zwakte niet goed mee en de meester vond hem dom. ‘Hij kan niet leren,’ zei hij tegen de ouders.
James Watt was zeventien jaar toen zijn moeder stierf en bracht van dat ogenblik af al zijn tijd in de werkplaats van zijn vader door met repareren van instrumenten. Hij leerde ook zelf instrumenten maken. Toen hij achttien was, wilde hij het vak grondig leren en trok naar Glasgow, een dertig kilometer daar vandaan. Toen hij in het voornaamste deel van Glasgow was aangekomen, vroeg hij aan een voorbijganger waar de werkplaats was. ‘Welke werkplaats bedoel je, jongen?’ ‘De werkplaats van de instrumentmaker.’ ‘Gunst nog toe, beste jongen, er is geen instrumentmaker in heel Glasgow.’ (meer…)
Rede uitgesproken op 26 november 1940 door prof.dr. Rudolph Pabus Cleveringa als Decaan van de Juridische Faculteit, naar aanleiding van het ontslag van prof.mr. E. M. Meijers als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Leiden
Ik treed hier vandaag voor U op een uur, waarop gij gewoon waart een ander voor U te zien: Uw en mijn leermeester Meijers. De oorzaak daarvan is een door hem hedenochtend rechtstreeks van het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ontvangen brief van den volgenden inhoud: ‘Ingevolge opdracht van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied terzake van niet-Arisch overheidspersoneel en met dat personeel gelijkgestelden, breng ik te Uwer kennis, dat U met ingang van heden van de waarneming van Uw functie van hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Leiden is ontheven. De Rijkscommissaris heeft bepaald, dat de betrokkenen voorloopig in het genot blijven van hunne wedden (toelagen enz.)’.
Ik geef U dit bericht in zijn naakte kaalheid en zal niet pogen het nader te qualificeeren. Ik vrees, dat de woorden, die ik zou kunnen vinden, hoe ik ze ook koos, te ver achter zouden blijven bij de smartelijke en wrange gevoelens, die het bij mij en bij mijn ambtgenooten heeft opgeroepen; en, ik ben ervan overtuigd, ook bij U en bij talloozen binnen en – waar zij het zullen vernemen – buiten onze grenzen. Ik geloof van een poging tot vertolking ervan ook daarom af te kunnen zien, omdat ik een gevoel heb, als zweven op dit oogenblik onze gedachten en stemmingen zonder klanken niettemin volkomen nauwkeurig kenbaar over en weer en af en aan tusschen ons allen.
(meer…)
De Leidse universiteit heeft haar ontstaan in 1575 te danken aan het verzet tegen de Spanjaarden. Noblesse oblige: het is dan ook niet verwonderlijk dat op 27 november 1940, nog in het eerste jaar van de Duitse bezetting van Nederland, de Leidse universiteit door een Duitse strafmaatregel gesloten werd. Dat ging als volgt.
Op 21 november 1940 kregen Nederlandse universiteiten ten departemente te horen dat al het joodse universitaire personeel ontslagen moest worden. Een dag later vergaderde de Leidse rechtenfaculteit over de kwestie en nam een moedig besluit. De decaan, prof. mr. R.P. Cleveringa, hield dinsdagmorgen 26 november 1940 een indrukwekkende toespraak waarin hij de ontslagmaatregel veroordeelde en zijn joodse collega prof. mr. E.M. Meijers verdedigde. Een dag later sloten de Duitsers de Leidse universiteit en zetten Cleveringa gevangen. Wie de roman Soldaat van Oranje van Erik Hazelhoff Roelfzema leest, of de gelijknamige film van de oud-Leidse wiskundestudent Paul Verhoeven ziet, herkent de scene bij het Leidse Academiegebouw ongetwijfeld.
(meer…)
Vital Dreyfus (Besancon, 2 0ktober 1901 -Pyreneeën, december 1942) was een Franse huisarts, die ten tijde van de oorlog aan de Boulevard Malesherbes 147 te Parijs woonde met vrouw en twee kinderen. Dreyfus was een goede vriend van Jean Weidner (Brussel, 22 oktober 1912 – Monterey Park, Californië, 21 mei 1994), een vooraanstaande Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereld-oorlog. Deze Weidner groeide op in Zwitserland, net over de Franse grens bij Collonges-sous-Salève (Haute-Savoie) doceerde zijn vader Latijn en Grieks aan het Kerkgenootschap der Zevendedags Adventisten. Zijn vader hoopte dat Jean hem zou volgen in zijn voetsporen, maar hij besloot het bedrijfsleven in te gaan en opende in 1935 een import/export textielzaak in Parijs. Rond deze tijd woonde hij in Genève vergaderingen bij van de Volkerenbond en was getuige hoe ineffectief dit apparaat was bij het voorkomen van het uitbreken van de oorlog in 1939. Tijdens de bezetting van Frankrijk door Duitsland vluchtte hij met een aantal anderen van Parijs naar Lyon in het onbezette deel van Frankrijk. Omdat hij zijn Parijse textielzaak in de steek had moeten laten, begon hij in Lyon een nieuwe textielzaak.
In 1941 richtte Jean “Dutch-Paris” op, waarvan de Lyonse textielzaak al gauw het hoofdkwartier werd. Om aan passen te komen om het Zwitserse grensgebied in en uit te gaan, zette hij aan het eind van 1942 een tweede textielwinkel op in Annecy. Dutch-Paris groeide uit tot één van de belangrijkste en meest succesvolle ondergrondse netwerken om gezochten voor geloof en ras, geallieerde piloten en personen van groot Nederlands belang te helpen ontsnappen via Zwitserland en Spanje. Deze ontsnappingsroute werd ook gebruikt voor de smokkel van documenten. (meer…)
Florence Nightingale
Brits Verpleegkundige en sociaal hervormster
Florence, 12 mei 1820 – Londen, 13 augustus 1910
DE ENGEL VAN DE SOLDATEN
Velen van ons hebben bij Dickens gelezen over “zuster” Sairey Gamp, die een glaasje nam “wanneer ze daarvoor in de stemming was”. Maar we weten niet allemaal dat minder dan een eeuw geleden Sairey Gamp, de domme, dronken, liederlijke verpleegster, echt en veelvuldig voorkwam. Omstreeks 1870 waren er zo heel wat in het Bellevue-ziekenhuis te New York. In die tijd, vertelt een vooraanstaande arts, “werden de zieken in Bellevue gedeeltelijk verpleegd door drankzuchtige prostituees, die de keus kregen tussen gevangenisstraf of werken in een ziekenhuis. Vaak trof men ze slapend aan onder het bed van een overleden patiënt, van wie zij de drank hadden gestolen.”
Wij die zonder aarzelen ons leven toevertrouwen aan de goede verzorging in onze ziekenhuizen, kunnen ons dergelijke toestanden haast niet voorstellen. Maar toch was dat omstreeks 1850 de betreurenswaardige praktijk van de ziekenverpleging, niet alleen in Amerika maar ook in Engeland, waar Florence Nightingale — de latere heldin van de Krimoorlog — voor haar toekomst streed. Alle verpleegsters waren “zonder uitzondering aan de drank verslaafd; er zijn daar maar twee bij wie de arts erop aan kan, dat ze de patiënten de voorgeschreven medicijnen geven” — zo beschrijft een medicus de toestand in een Londens ziekenhuis. (meer…)
Jules Verne
Frans schrijver
8 februari 1828 – 24 maart 1905
HIJ VOORZAG DE WONDEREN VAN ONZE EEUW
Rond 1880 diende een forse man met een rossige baard zich aan bij het Franse ministerie van onderwijs. De portier keek op het kaartje en zijn gezicht verhelderde. Hij schoof een stoel bij en zei: “Neemt u plaats, meneer Verne. U zult wel moe zijn van al dat reizen.”
Jules Verne, de schrijver, had uitgeput moeten zijn. Hij had vele malen de reis om de wereld gemaakt — eenmaal in tachtig dagen. Hij had twintigduizend mijlen onder zee gevaren, was naar de maan gereisd en had het middelpunt van de aarde onderzocht. Hij had met kannibalen in Afrika en met Indianen aan de Orinoco gepraat. Er waren maar heel weinig plekjes op aarde die Jules Verne, de schrijver, niet had bezocht. Maar Jules Verne, de mens, was een thuisblijver. Zo hij al moe was, kwam het enkel door schrijfkramp. Veertig jaar lang zat hij in een kamertje in de bakstenen toren van zijn huis in Amiens en schreef jaar in, jaar uit twee boeken per jaar.
Verne had in sterke mate de gave komende dingen vooruit te zien. Hij liet de televisie werken nog eer de radio was uitgevonden; hij noemde ze fonotelefoto. Hij had helikopters een halve eeuw voor de eerste vlucht van de gebroeders Wright. Bijna alle wonderen van de twintigste eeuw heeft deze man uit het Victoriaanse tijdvak vooruitgezien: duikboten, vliegtuigen, neonlampen, roltrappen, luchtbehandeling, wolkenkrabbers, raketten, tanks. Hij was de vader van de toekomstroman die nu science fiction heet. Verne schreef over de wonderen van de toekomst met zoveel nauwkeurige, onbetwistbare bijzonderheden, dat geleerde genootschappen over hem discussieerden en wiskundigen weken eraan besteedden om zijn cijfers te controleren. Toen zijn boek over een reis naar de maan was verschenen, meldden vijfhonderd mensen zich aan als vrijwilliger voor de volgende expeditie. (meer…)
Frits Rudolf Ruys (Rotterdam, 23 december 1917 – aldaar, 3 november 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.Tijdens de meidagen van 1940 vocht hij als vaandrig bij het Tweede Regiment Wielrijders op het Eiland van Dordrecht. Met grote moed probeerde hij op 11 mei 1940 de verkeersbrug over de Noord bij Alblasserdam over te trekken om zo een doorgang voor het Nederlandse leger te forceren. Vijandelijk vuur dwong hem zijn pogingen te staken. Ook tijdens het luchtbombardement op Alblasserdam op dezelfde dag trad hij heel koelbloedig op.
Ruys (die werkte onder de schuilnamen Ruud, Mackaaij en Ravenswaag) was student economie te Rotterdam. Hij was al vroeg betrokken bij het verzet. op verdenking van illegale activiteiten zat hij van 11 november 1942 tot 18 februari 1943 gevangen in het Oranjehotel en later in Vught. Na zijn vrijlating zette hij zijn werk echter weer direct voort. Hij was actief in het verzet als lid van de Knokploeg Rotterdam Centrum, de ploeg van Marinus van der Stoep. Bovendien was hij werkzaam bij de L.O. (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers) in zowel Den Haag als Rotterdam. (meer…)
Fridtjof Hansen
Noors ontdekkingsreiziger
10 oktober 1861 – 13 mei 1930
DE REUS DIE MILJOENEN LEVENS REDDE
Buiten Noorwegen is Fridtjof Nansen bijna vergeten. Ten onrechte. Hij was een der reuzen van zijn tijd. Hij was een poolvorser wiens expeditie werd geprezen als “het grootste wapenfeit van de negentiende-eeuwse mens”. En in de twintigste eeuw verrichtte hij een der grootste daden van menslievendheid die de wereld ooit gekend heeft: door zijn inspanningen werden miljoenen als gevolg van de oorlog van huis en haard verdreven vluchtelingen gered en werden hele volkeren naar elders overgebracht. Toen hij in 1930 stierf werd van hem gezegd dat hij meer mensenlevens had gered en het bestaan voor meer mensen draaglijk had gemaakt dan enig ander in de geschiedenis.
Hij blonk zijn leven lang uit, zelfs in fysiek opzicht. Hij was 1 meter 88 lang, had blond haar en blauwe ogen, was zo sterk als een paard en deed denken aan een Viking-god uit de oudheid. Hij had een hartstocht voor de wildernis en voor de ongereptheid van eenzame plaatsen, en hij had een hekel aan steden — “waar de mensen net zo lang tegen elkaar aan wrijven tot zij stuk voor stuk ronde, gladde nummers zijn geworden.”
Zijn jeugd bracht hij door op een boerderij aan de rand van het prachtige Nordmarka-woud. Zijn vader, een welvarende advocaat uit Oslo, stond hem toe wekenlang alleen in dat woud rond te zwerven en de met bomen bedekte bergen daarachter te doorvorsen. Hij leerde dat het beter is weinig te verlangen dan veel te verdienen. Terwijl hij hier eindeloos dieren en planten verzamelde en classificeerde werd Fridtjofs interesse in de natuurwetenschappen en in de exploratie van het onbekende gewekt – een speurzin die hem tot een groot zoöloog en oceanograaf zou maken. Later, toen hij in Bergen — de bakermat van de Noorse wereldscheepvaart — aan zijn doctoraal werkte, vernam hij dat er grote behoefte bestond aan nauwkeurige weervoorspellingen in het gebied van de noordelijke Atlantische Oceaan. Deze wetenschap kon uitsluitend worden verkregen door het vrijwel ontoegankelijke binnenland van Groenland in kaart te brengen. Zo begon Nansens eerste grote avontuur.
(meer…)
Arthur Meerwaldt (Amsterdam, 23 oktober 1918 – Escherhausen, 8 januari 1945) was een Nederlandse advocaat, griffier en journalist-verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog. Hij was de hoofdbeklaagde in het Tweede Parool-proces (juli/augustus 1944), waarin hij tot vijftien jaar tuchthuisstraf werd veroordeeld, nadat aanvankelijk de doodstraf was geëist. Hij ontving postuum Het Verzetskruis 1940-1945, op de Militaire Willems-Orde na de hoogste Nederlandse onderscheiding voor personen die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief waren in het verzet.
Meerwaldt was zoon van de jong overleden Willem Meerwaldt – directeur van De Curaçaose Handelsmaatschappij (Curacoa Trading Company; CETECO) – en Alice Bourquin, dochter van een Zwitser die leraar Frans werd aan het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium en de MO-opleiding voor die taal ontwikkelde. Zijn oom Jan Meerwaldt was een vooraanstaand classicus en eveneens leraar op het Barlaeus Gymnasium. Omdat hij als kind vaak viel, kreeg hij de bijnaam Boems. Vrienden prezen zijn intellect, humor en inspirerende persoonlijkheid. Hijzelf dacht dat zijn enigszins zorgeloze en lichtvaardige aard bijdroegen aan zijn latere arrestatie. Na zijn eindexamen aan het Barlaeus Gymnasium in 1937 studeerde hij rechten in Amsterdam en Utrecht, waar naartoe hij overstapte en in 1942 afstudeerde, omdat hij de Amsterdamse hoogleraren te slap vond in hun opstelling tegenover de bezetter. Na zijn studie werd hij advocaat en griffier bij de Amsterdamse rechtbank. Hij publiceerde o.a. in de verzetsbladen De Toekomst, De Geus en Het Parool, waarvan hij hoofdverspreider werd in Amsterdam. Bij hem thuis werden redactievergaderingen gehouden.
(meer…)
Jan Jozua Barendsen (Amsterdam, 11 september 1892 – Apeldoorn, 2 oktober 1944) was een Nederlandse militair van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, Ridder in de Militaire Willems-Orde vierde Klasse en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Barendsen werd als luitenant benoemd tot Ridder in de Militaire Willems-Orde vierde Klasse voor krijgsverrichtingen te Soemba in het voormalige Nederlands-Indië. Op 16 september 1927 werd hij als luitenant-kolonel benoemd tot commandant van het Korps Koloniale Reserve te Nijmegen en maakte hij in 1931 het 40 jarig bestaan van het korps mee. Hij droeg het korpscommando over aan Majoor J.P. Wissema.
Terug in Nederland ging hij wonen in Beekbergen en raakte hij in de oorlog betrokken bij het verzet.Na de capitulatie kwam hij namelijk in contact met kolonel R. Boomsma, die tijdens de meidagen van 1940 groepscommandant van het Oostfront Vesting Holland was geweest en daarna lid van de Ordediest (OD) was geworden. Ook werkte hij samen met luitenant-kolonel jhr. J.J. Teding van Berkhout.Op 8 augustus 1942 werd hij door de bezetter als gijzelaar opgesloten in het kamp Sint-Michielsgestel, maar hij kwam op 15 december 1942 weer vrij, waarna hij commandant werd van het gewest 6 van de Ordedienst.Zijn rustige en vastberaden leiding maakte grote indruk op zijn medewerkers. Later, in 1943-1944, stond hij in nauw contact met de KP (een afkorting van Knokploegen) en Raad van Verzet (RVV) in Apeldoorn.
Op 29 september 1944 riep de Duitse Ortskommandant van Apeldoorn 4.000 Nederlandse burgers op voor het verrichten van graafwerkzaamheden om militaire versterkingen langs de IJssel aan te leggen. Er kwamen slechts 36 mensen opdagen, waarna werd besloten een aantal verzetslieden als afschrikwekkend voorbeeld te executeren. Op 30 september 1944 werden Barendsen en veertien collega’s van hem opgepakt. Acht, waaronder Barendsen werden op 2 oktober 1944 naar het terrein van het daarvoor ontruimde Joodse Krankzinnigengesticht “Het Apeldoornse Bos” gebracht en daar gefusilleerd: W.J. Aalders, J.J. Barendsen, R. van Gerrevink, K. Ingram (een geallieerd piloot), W. Karreman, J. Schut, D.H. Wijma en B. Zutcher (een tweede geallieerd piloot). Volgens een lid van de Sicherheitsdienst stond Barendsen onverschrokken voor het vuurpeloton, knoopte zijn jas open en begon het Wilhelmus te zingen, wat door de anderen werd overgenomen.
Jan Jozua Barendsen werd begraven op de Algemene Begraafplaats in Beekbergen; grafnummer 246. Hij werd na de oorlog postuum onderscheiden met het Verzetskruis 1940-1945.
Het Verzetskruis is een Nederlandse onderscheiding, die bedoeld is voor personen die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog bezighielden met verzet tegen de Duitse of Japanse bezetter. Het Verzetskruis dient niet verward te worden met het in 1980 ingestelde Verzetsherdenkingskruis. Het Verzetskruis (voluit: Verzetskruis 1940-1945) is op 3 mei 1946 bij Koninklijk Besluit ingesteld, “ter erkenning van bijzondere moed en beleid aan den dag gelegd bij het Verzet tegen de Vijanden van de Nederlandse zaak en voor behoud van de geestelijke vrijheid”. De onderscheiding meestal aan Nederlanders, maar ook aan enkele Belgen en Fransen. In totaal werd de onderscheiding 95 keer verleend, namelijk aan 94 personen en eenmaal aan een (nooit gebouwd) monument. De enige die het Verzetskruis bij leven ontving was Gerard Tieman, alle 93 andere onderscheidingen werden postuum verleend. De komende tijd gaan we alle 95 onderscheidingen de revue laten passeren.
Het Nederlandse verzet was in 1945 wars van onderscheidingen. In brede kring meende men dat men zich niet uit ijdelheid had ingezet en dat het, omdat verzet tijdens de oorlog levensgevaarlijk was geweest, ondoenlijk of onwenselijk was om tussen verzetsstrijders onderling verschil te maken. Desondanks werd een groot aantal Nederlanders gedecoreerd met de Britse King’s Medal for Courage in the Cause of Freedom, het George Cross en de Amerikaanse Medal of Freedom, voor hun bijdrage aan de overwinning of voor daden als het verbergen van bemanningsleden van boven Nederland neergeschoten geallieerde vliegtuigen.
Na de oorlog bestond het idee dat het verzet een rol zou moeten spelen in het Nederlandse bestuur. Koningin Wilhelmina sprak over de verzetsstrijders als “de nieuwe adel” – de oude elite had in haar optiek afgedaan. De vraag rees of naast al bestaande Nederlandse militaire onderscheidingen (zoals de Militaire Willems-Orde en de Bronzen Leeuw) ook een civiele onderscheiding voor verzetsstrijders moest worden ingesteld. De regering vroeg advies aan een commissie, de Raad voor Onderscheiding en Eerbetoon, die op haar beurt weer advies inwon bij de Grote Adviescommissie der Illegaliteit en de Binnenlandse Strijdkrachten. Ondertussen werd op 28 november 1945 al aan de Rijksmunt de opdracht gegeven een nieuwe onderscheiding te laten ontwerpen. De vraag van de regering werd door een bepaalde stroming (o.a. de LO-LKP) binnen het verzet negatief, maar door de Binnenlandse Strijdkrachten positief beantwoord. De regering was, evenals Koningin Wilhelmina, voorstander van een civiele verzetsonderscheiding en besloot tot een compromis: het Verzetskruis zou alleen postuum worden verleend. Desondanks zou de onderscheiding in 1946 nog bij zijn leven worden toegekend aan Gerard Tieman. Latere voordrachten om het Verzetskruis aan een nog levende persoon te verlenen werden afgewezen. Omdat het Verzetskruis werd geacht in belang direct te volgen op de Militaire Willems-Orde, werden voor de verlening zeer hoge maatstaven gesteld. De daarbij gevolgde procedures en gemaakte afwegingen zijn echter nooit bekend geworden.
(meer…)