JOHAN BARGER

Johan Barger (Amsterdam, 8 december 1853 – Leeuwarden, 2 mei 1900) was een Nederlandse dominee en moordenaar. Hij was de zoon van de timmerman Petrus Barger en Johanna ten Broekhorst. Hij studeerde theologie te Utrecht en bracht in 1975 een redelijk goed ontvangen dichtbundel uit, getiteld Van Bloesems en knoppen. Vanaf 2 mei 1880 was hij predikant te Goudswaard. Hij was toen al getrouwd, maar blijkbaar was was dat een weinig gelukkig huwelijk. In 1882 ontvluchtte hij wegens huwelijksproblemen zijn woning en legde zijn ambt in Goudswaard neer. In 1883 werd hij hulppredikant te Lettelbert,een gehucht in het Westerkwartier van de provincie Groningen met minder dan tweehonderd inwoners. Een jaar later werd hij er predikant en weer een jaar later werd hij benoemd te Garnwerd. Op 16 juli 1885 trouwde hij in Leek voor de tweede maal, met Eilke Venema (1864-1944), de 21-jarige dochter van schoolmeester Jan Venema en zijn Doortje Kooij. In 1888 maakte hij opnieuw een promotie met zijn aanstelling als predikant in Harlingen, waar hij een statig pand aan de Noorderhaven 29 betrok.

Hij leerde in Harlingen al snel de 17-jarige Catharina Helena Mirande (Harlingen, 25 maart 1870 – Harlingen 6 maart 1894) kennen, die catechisatielessen bij hem volgde. Cato, zoals ze gebruikelijk werd genoemd was de dochter van winkelier Carel Louis Mirande (1829-1895), de jongste in het gezin. Ze had twee broers en twee zussen; een jonger zusje overleed jong en de moeder Laurina Jacoba van den Broeke (Middelburg, 1836 – Harlingen, 1874) stierf toen Cato vier jaar oud was. Het gezin leidde een teruggetrokken leven in hun woning op de Grote Bredeplaats 21, vlak bij de haven van Harlingen. Er ontstond via de catechisatielessen al snel een vriendschap tussen mevrouw Eilke Barger-Venema en Cato, die Cato twee dagen per week in dienst nam als naaister. Cato werd in de domineeswoning kind aan huis en zo kwam ze steeds meer in privécontact met de dominee. (meer…)

DUITSE KOLONIËN 6

Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In Duitse Koloniën 4 kwam Togoland, een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent, aan bod en in Duitse Koloniën 5 werd Duits-Oost-Afrika besproken. In dit blog: Duits-Witu.
(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 27

FRANS DUWAER (37)

Frans Duwaer (Amsterdam, 1 januari 1911 – Overveen, 10 juni 1944) was directeur van NV Drukkerij J.F. Duwaer, een drukkerij en uitgeverij aan de Nieuwe Looiersgracht in Amsterdam. Duwaer zat tijdens de oorlog ook in het verzet en richtte zich erop goede valse persoonsbewijzen te maken, inclusief een goed ondergrondpatroon en watermerk. Toen in juli 1942 begonnen werd met de transporten van de Joden werd Duwaer door Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, gevraagd te gaan zorgen voor vervalste persoonsbewijzen. Duwaer ging onmiddellijk in op dat verzoek. Hij schafte speciale zet- en gietmachine aan, waarmee hij het goede lettertype kon maken. Het persoonsbewijs was ontwikkeld door de Nederlandse ambtenaar Jacob Lentz, die in samenwerking met de Duitse bezetter het beste persoonsbewijs van Europa ontwierp. Het is het Nederlandse verzet eigenlijk nooit gelukt om dit persoonsbewijs goed te vervalsen en na te maken. Dat kwam omdat een speciale inktsoort voor het persoonsbewijs werd gebruikt: onder een kwartslamp werd de inkt onzichtbaar. Ook reageerde het karton van het persoonsbewijs met aceton, waardoor veranderingen in de geschreven tekst direct opvielen. Verder was het niet mogelijk om de pasfoto in het persoonsbewijs te verwijderen omdat dan een doorzichtige zegel aan de achterkant werd verbroken, waarop een vingerafdruk stond. De lijm van de zegel was buitengewoon moeilijk te verbreken zonder dat de zegel ook verbrak. De vingerafdruk op de achterkant van de pasfoto moest weer overeenkomen met de vingerafdruk aan de linkerkant. Vervalsingen met een pasfoto waren daarom vrijwel uitgesloten. Om het kopiëren nog moeilijker te maken werd een schaduwarchief van de persoonsbewijzen bijgehouden, zodat vervalste nummers zouden opvallen. Deze paspoortnummers staan bovenaan het persoonsbewijs. Dit Duitse archief in Huize Kleykamp in Den Haag werd op verzoek van het Nederlandse verzet op 11 april 1944 om 15:00 uur gebombardeerd door de geallieerden. Het ambtelijk personeel was nog aan het werk toen het bombardement begon. Er vielen 59 doden, waaronder ook een aantal Nederlanders die aan het verzet hand-en-spandiensten verleenden.
(meer…)

COLONNE HENNEICKE

Zodra de Duitsers in mei 1940 Nederland hadden bezet, werd begonnen met de vervolging van het Joodse deel van de bevolking. Al na twee maanden kwam de eerste van een eindeloze reeks maatregelen, die er op waren gericht de Joodse bevolking stapsgewijs te isoleren, te beroven en uiteindelijk uit de samenleving te verwijderen. De zogenoemde Colonne Henneicke was werkzaam gedurende de slotperiode van de vervolging van de Joodse bevolking in Nederland. De groep, onder leiding van Willem Henneicke en Willem Briedé, was actief in de periode maart – september 1943. Het was een gezelschap van omstreeks vijftig Nederlandse premiejagers die ondergedoken Joden opspoorde en aan de Duitse instanties uitleverde. Ook verrijkten de premiejagers zich met het opsporen en zich toe-eigenen van Joodse bezittingen. In de Duitse organisatiestructuur was Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart de hoogste autoriteit in bezet Nederland. Direct onder hem viel Hanns Rauter, de Generalkommissar für das Sicherheitswesen en tevens Höhere SS-und Polizeiführer, daarmee de hoogste politiechef van de bezetter. Onder Rauter werkte dr. Wilhelm Harster, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD (= Sicherheitsdienst), tevens de baas over het kamp Amersfoort. Binnen Harster’s staf kwam een afdeling IVB4 (een naam die precies is overgenomen van de afdeling van Adolf Eichmann in zijn Berlijnse hoofdkwartier), met Willi Zöpf als hoogste landelijke baas en Willi Lages als eindverantwoordelijke voor de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, de instelling die verantwoordelijk was voor de deportatie van de Nederlandse Joden. Lages liet de dagelijkse leiding over de Zentralstelle over aan Ferdinand Aus der Fünten en Karl Wörlein. Vanaf 1942 begon de Duitse oorlogsmachine op volle toeren te draaien. Hoofdzakelijk een Duitse aangelegenheid, maar ondersteund door Nederlandse handlangers. Van de ruim 160.000 geregistreerde Joden werden wekelijks duizenden naar de vernietigingskampen in Polen gestuurd. Later zou blijken dat meer dan 100.000 Joodse Nederlanders de oorlog niet hadden overleefd. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 033


.
Frans van den Muijsenberg / 12 september 2019 / Belfort, Frankrijk

MAX LÉONS

Max Nico Léons (Rotterdam, 24 november 1921 – Amsterdam, 2 november 2019) was een Nederlands verzetsstrijder. Hij groeide op in een liberaal joods gezin weigerde, dat toen hij een puber was naar Amsterdam verhuisde. Begin 1942 zag de jonge Léons dat van de Duitse bezetters niet veel goeds te verwachten was. Hij geloofde niks van de verhalen die werden verteld over Joden die naar Oost-Europa werden getransporteerd en was ervan overtuigd dat ze daar allemaal zouden worden vermoord. o die reden weigerde hij ook een baantje dat hij bij de Joodsche Raad kon krijgen. Toen zijn familie werd opgeroepen zich te melden voor deportatie naar Polen, wist hij ervan te overtuigen onder te duiken. Op 12 juli 1942 volgde zijn ouders en anderen zijn advies en doken onder. Max zelf zwierf enige tijd door het land om buiten bereik van de nazi’s te blijven. Uiteindelijk belandde hij begin 1943 in het grotendeels gereformeerde Drentse dorp Nieuwlande. Hij legde zich echter niet neer bij zijn positie als onderduiker, neemt de schuilnaam Nico aan (eigenlijk niet zo slim, omdat het zijn tweede voornaam is en dus redelijk makkelijk te traceren), zorgde ervoor dat hij goed integreerde in de lokale bevolking en ging zelfs bij het verzet. Daarbij was hij in contact gekomen met de domineeszoon Arnold Douwes uit Laag-Keppel, die inmiddels zelf ook als ondergedoken was. Samen zochten zij in de wijde omgeving voor onderduikadressen voor anderen, zorgden ervoor dat die onderduikers op dat adres werden afgeleverd en onderhielden allerlei contacten om te zorgen dat de onderduik kon blijven bestaan. dat betekende onder meer zorgen voor voedsel, kleding, informatie en afleiding. Ze redden honderden joden het leven, vooral veel kinderen. Op deze manier runden Léons en Douwes het meest vreedzame deel van de almaar uitdijende organisatie van Johannes Post, de vermaarde verzetsstrijder. Die had inmiddels zelf de kant van het gewapende verzet gekozen. (meer…)

HITLER ALS KUNSTENAAR

Al vanaf de opkomst van Adolf Hitler en de NSDAP hebben talloze wetenschappers, journalisten en schrijvers zich gebogen over het mysterie dat Adolf Hitler heet. Telkens weer wordt vanuit een ander perspectief gekeken naar de persoon die zo’n destructief stempel heeft gedrukt op de vorige eeuw en het leven van vele tientallen miljoenen mensen heeft bepaald. De historicus Lambert Giebels (in de periode 1973-1977 lid van de Tweede Kamer en auteur van de biografieën van Louis Beels en Soekarno) wil in dit boek een aspect uit het leven van de dictator onder de aandacht brengen waarvan hij vindt dat het ten onrechte aan de aandacht is ontsnapt van veel biografen: de ambities van de jonge Hitler om beeldend kunstenaar en architect te worden. Ambities die zijn hele leven intact zijn gebleven en slechts vanwege zijn politieke activiteiten naar de achtergrond werden gedrongen. Het zijn immers niet zijn politieke maar zijn kunstzinnige aspiraties die de eerste dertig jaren van het leven van de latere Führer hebben beheerst. Giebels concentreert zich in dit boek wel op de ontwikkeling van Adolf Hitler als beeldend kunstenaar om vervolgens na te gaan of diens eerste dertig levensjaren inderdaad herkenningspunten bieden voor de latere charismatische leider van het Derde Rijk. (meer…)

FREERK DATEMA (36)

Freerk Datema (Oosterhesselen, 30 april 1922 – Assen, 30 december 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werkte als bankbediende bij de Nederlandsche Middenstandsbank te Meppe. Toen hij in 1943 werd opgeroepen voor de arbeidsdienst in Duitsland dook hij onder en werd hij lid van het georganiseerde verzet. Eerst was hij actief voor de illegale krant Trouw, daarna sloot hij zich aan bij een knokploeg in noord-Drente. Hij was daarbij vooral actief bij het organiseren van wapendroppings en ook nam de pas 21-jarige deel aan overvallen. Op 11 december 1944 was hij een van de twaalf verzetsstrijders van de overval op het Huis van Bewaring in Assen, waarbij eenendertig gevangenen werden bevrijd die door de Duitsers met executie werden bedreigd. Later is gebleken dat de Duitsers de executie voor 12 december hadden gepland. Alle bevrijde gevangenen overleefden de Tweede Wereldoorlog. Er werden na de overval en de bevrijding van de verzetsmensen in Assen en omgeving geen represaillemaatregelen genomen door de Duitsers. In de documentaire De Gideonsbende vertellen de inmiddels overleden Jan Bulthuis en zijn zuster Marie, samen met nog enkele bevrijde verzetsmensen, het spectaculaire verhaal van hun overval op de gevangenis in Assen, die slecht een kwartier heeft geduurd. Op Drenthe in de oorlog trof ik over de overval het volgende verhaal aan. (meer…)

HOOG WATER OP HET GELDERS EILAND

Overstromingen zijn er op het Gelders Eiland de afgelopen eeuwen volop geweest, net als overigens in de rest van de delta Nederland. En als er geen overstromingen op het Gelders Eiland waren, was er wel erg hoog water en dus een behoorlijke dreiging dat het water weer over de dijken zou kletsen. In 1906 ondervond men in maart veel overlast van de hoge stand van het water in de Rijn. Op vrijdag 13 maart 1914 is er bij Spijk om 16.00 uur een dijkdoorbraak die het hele dorp blank zet. Alle huizen komen onder water te staan en ook de gloednieuwe kerk en de steenfabrieken houden het niet droog. Veel bewoners vluchten naar de zolders, anderen zoeken hun toevlucht op daken. Veel huisgezinnen verliezen ‘al hun have en goed’. In 1920 is het weer hoogwater. Als gevolg van grote massa’s smeltende sneeuw en overvloedige regen staat het water in de rivieren eind 1919 en begin 1920 uitzonderlijk hoog. Op 29 december loopt de Pannerdense Waard onder. Via de Oude Rijn en de Wildt stroomt veel water naar de Oude IJssel, waardoor Wehl en Angerlo te maken hebben met wateroverlast. In Lathum gaat men op Nieuwjaarsdag ‘s morgens zoals gewoon om 05.00 uur aan het werk, maar vijf uur later staat alles onder water. Begin januari 1920 kamperen op het Gelders Eiland honderden gezinnen op de dijken. Door een defect aan een sluis raken ook de dorpen Aerdt en Herwen onder water. In Herwen staat het water tot het dak van de zuivelfabriek. Hieronder twee foto’s van het hoogwater in 1908 (boven) en 1920 (onder).
(meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 032


.
Frans van den Muijsenberg / 10 september 2019 / Melisey, plateau des mille étangs

ELIZABETH LUPKA

Elizabeth Lupka (Klein-Dammer), 27 oktober 1902 – Krakau, 8 januari 1949) was een Duits SS-lid. Ze werd geboren in het gehucht Klein-Dammer, een verzameling houten huizen voor een paar honderd inwoners, dat voor de oorlog in Silezië in het oostelijk deel van Duitsland lag. Na 1945 kwam het in west-Polen te liggen en werd de naam aangepast in Dąbrówka Mała. In 1934 trouwde ze, maar het huwelijk werd al in 1937 ontbonden. Het huwelijk bleef kinderloos. Lupka ging daarna in 1937 werken in de luchtvaartindustrie in Berlijn, wat ze tot 1942 bleef doen. Er is over haar opleiding niks bekend, maar waarschijnlijk was ze ongeschoold en kwam ze in het bedrijf waarvoor ze werkte aan de lopende band te staan. In 1942 verliet zij het voor haar vervelende baantje en melde zich aan voor een opleiding tot SS-Aufseherin in het concentratiekamp Ravensbrück.

Een Aufseherin was tijdens de Tweede Wereldoorlog in nazi-Duitsland een vrouwelijke bewaker van een concentratiekamp. Van de 55.000 bewakers die in de Duitse concentratiekampen gewerkt hebben, waren er ongeveer 3.600 vrouw. Halverwege de oorlog ontstond er een tekort aan mannelijke bewakers, waarna men een campagne begon om vrouwen voor deze baan te werven. De Duitse overheid plaatste advertenties in de kranten waarin gezonde vrouwen werden opgeroepen hun liefde voor het Reich te tonen. Ze werden goede arbeidsomstandigheden en een goed salaris in het vooruitzicht gesteld. Een belangrijke voorwaarde was wel dat ze Rijks- of Volksduitsers waren. De eerste vrouwelijke bewakers arriveerden in 1942 na het volgen van een opleiding in Ravensbrück in de kampen Auschwitz en Majdanek. Het is dus zeker dat Lupka behoorden tot de eerste groep Aufseherinnen. (meer…)

CORNELIS VLOT (35)

Cornelis Vlot (Koudekerke, 29 november 1906 – Haarlem, 26 oktober 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was bedrijfseconoom van beroep en voor de oorlog voorzitter van het Nederlands Jongeren Verbond. Aan het begin van de oorlog was hij gewestelijk commissaris van de Nederlandse Unie in de provincie Utrecht; hij was een van de medeoprichters van de Unie. Toen in december 1941 de Unie echter op bevel van de bezetter werd verbonden, raakt Vlot betrokken bij de illegaliteit. Zijn eerste streven was de onderlinge contacten tussen de leden van de nu verboden Unie in stand te houden, waarvoor hij in mei 1942 samen met Johan Wüthrich met een landelijk informatieblad, het Bulletin genaamd, voor de oud-Unieleden. Dit blad ging samen met het illegale krantje B.C. Nieuws in februari 1943 op in een ander illegaal blad, Je Maintiendrai. Het nieuwe blad had een oplage van enkele tienduizenden exemplaren per keer en verscheen twee keer per maand. Er was veel aandacht voor de actualiteit en nieuwsfeiten en in tegenstelling tot de andere grote verzetskranten Vrij Nederland, Trouw, Het Parool en De Waarheid was Je Maintiendrai niet verbonden aan een bepaalde levensbeschouwelijke zuil. Qua politiek gedachtegoed kwam het blad namelijk voort uit de politiek-neutrale Nederlandsche Unie. Men bepleitte voor de naoorlogse samenleving dan ook voor een ontzuilde samenleving met brede, niet-confessionele volkspartijen. Kort na de Tweede Wereldoorlog hield het blad op te bestaan. Naar schatting waren er bij de redactie, productie en distributie van Je Maintiendrai in de periode 1943 – 1945 drie- tot vierduizend mensen betrokken geweest. Dat blad had wel een zekere samenwerking met het rooms-katholieke blad Christofoor, waarvan ook prof. dr. Jan de Quay artikelen schreef. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 26

JACOB HAMEL

Jacob Hamel (Amsterdam, 20 oktober 1883 – Sobibór, 9 juli 1943) was een Nederlands musicus en dirigent. Hij was de zoon van Meijer Hamel (Amsterdam, – Amsterdam, – Amsterdam, Jansje zou meer dan 56 jaar op het adres Tilanussraat 39 in Amsterdam wonen. Het echtpaar zeven kinderen, waarvan Jacob de oudste was. Een dochter met de zeldzame naam Vogeltje (20 juli 1895 – 7 september 1895) zou al enkele maanden na de geboorte overlijden. Drie kinderen zouden tijdens de Tweede Wereldoorlog in Sobibór door de Duitsers worden omgebracht: Marie Hamel zou op 28 mei 1943 samen met haar man, de musicus Meijer Frank, om het leven komen. (Hun zoon, de musicus Abraham Frank, zou op 24 april 1945 op 34-jarige leeftijd in het Aussenkamp Mühldorf van Dachau sterven). Helena en haar man, de diamanthandelaar Arnold Berlijn, stierven op 2 juli 1943 is de gaskamers van Sobibór. Hun 21-jarige zoon Philip Berlijn stierf daar een week later. En Jacob Hamel en zijn vrouw Jeannette stierven op dezelfde 9 juli 1943 in Sobibór; hun zoon Jacques Hamel, 26 jaar en ook een musicus, was er al op 11 juni 1943 vermoord. De andere zoon, Meijer Hamel, zou de oorlog wel overleven en op80-jarige leeftijd in augustus 1992 in Amsterdam overlijden. Een andere dochter van het echtpaar Hamel-Speijer, Heintje Groen-Hamel, was al in 1935 in Amsterdam gestorven. Resteerde slechts de twee andere kinderen Elisabeth (7 januari 1890) en Rachel (25 september 1897) die blijkbaar wel de oorlog hebben overleefd. De geschiedenis van het gezin Hamel-Speijer is te volgen op de website Joods Monument. (meer…)

WILLEM SANTEMA (34)

Willem Santema (Scharnegoutum, 2 maart 1902 – Vught, 10 augustus 1944) werd geboren als tweede zoon van boer op het Friese platteland. Hij volgde de Mulo in Sneek, werkte daarna een tijd bij zijn vader op de boerderij en haalde in 1921 een diploma aan de Rijkslandbouwwinterschool te Leeuwarden. In 1926 trouwde hij met Tryntsje Atsma uit het naburige Oppenhuizen. Aanvankelijk betrokken het jonge echtpaar een boerderij in Scharnegoutum, maar in 1932 begonnen ze samen een radiozaak. Santema was in de jaren twintig een enthousiaste radiopionier; samen met broer Pier knutselde hij een radiotoestel in elkaar. Hij was lid van het provinciaal comité van de NCRV en hield regelmatig radiolezingen. In de jaren dertig kwam hij diverse keren in Hitler-Duitsland, waar hij het nationaalsocialisme van nabij zag en zijn afschuw daarover ventileerde in artikelen, onder meer in het orgaan van de Christelijke Werkmansbond waarvan hij hoofdbestuurslid was. Dit had wel tot gevolg dat zijn naam op de zwarte lijst van de Duitse staatspolitie terecht kwam, zodat hij voor de oorlog al niet meer veilig in Duitsland kon reizen. Santema was ook, zoals het een Fries betaamd,een verwoed schaatser. Vijf keer voltooide hij de Elfstedentocht, het laatst in 1942. Santema verhuurde ook auto’s, soms met zichzelf als chauffeur. Dat leverde soms mooie reisjes op, zoals in 1934 toen hij dominee W.A. Dekker en diens vrouw naar Hongarije reed, waar de dominee een eredoctoraat in ontvangst nam. Santema schreef over de reis een verslag, dat onder de titel Per B-2001 naar het randje van de Balkan in twaalf delen verscheen in het tijdschrift Land en Volk. In zijn reisverslag waarschuwde Santema tegen het nieuwe regime in Duitsland. Voor degenen die de Friese taal machtig zijn is hier een recensie te lezen van Henk van der Veer. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog verhuisden Santema naar Sneek, waar ze hun elektrotechnische bedrijf voortzetten en uitbreidden met een tweede vestiging. Santema werd in 1939 lid van de gemeenteraad van Sneek, nadat hij van 1931 tot 1938 gemeenteraadslid geweest was van Wymbritseradeel, beide keren voor de CHU. (meer…)

DUITSE KOLONIËN 5

Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In Duitse Koloniën 4 kwam Togoland, een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent, aan bod. In dit blog: Duits-Oost-Afrika.
(meer…)

JOSEPH MERRICK

Joseph Merrick (Leicester, 5 augustus 1862 – Londen, 11 april 1890) was een Engelsman die bekend werd vanwege zijn afwijkende lichamelijk voorkomen en daar de naam The Elephant Man aan overhield. Aan het begin van zijn leven zag hij er als een gewone jongen uit, maar tussen zijn derde en vijfde levensjaar veranderde dat. Als eerste viel op dat zijn armen niet gelijkmatig groeiden en dat zijn voeten opmerkelijk groot werden. Zoals in die tijd niet ongebruikelijk werd als verklaring voor deze vreemde afwijkingen gekeken of zich geen opvallende gebeurtenis tijdens de zwangerschap had voorgedaan. Volgens het volksgeloof konden baby’s ernstige misvormingen oplopen wanneer hun moeder tijdens de zwangerschap erg schrok. Volgens de familie Merrick was dat in dit geval ook gebeurd, want moeder Mary Jane zou toen ze vier maanden zwanger was van Joseph namelijk  door een kermisolifant omver zijn geduwd en daar heftig van zijn geschrokken. Joseph Merrick zou zijn leven lang geloofd hebben dat dit de oorzaak was van zijn ziekte. Aan de rechterkant van zijn gezicht en lichaam begonnen in snel tempo bulten te groeien. De artsen die hem onderzochten gingen ervan uit dat hij aan de zeldzame aandoening elefantiase ofwel olifantsziekte leed, die wordt veroorzaakt door parasieten en bij een deel van de patiënten lijdt tot een dikker wordende huid, heftige pijnen en overmatige zwelling in de armen, benen of geslachtsdelen. Bijna altijd zorgen de veranderingen in het lichaam ervoor dat personen met deze ziekte sociale en economische problemen krijgen. Dat was ook bij Merrick het geval, want door zijn misvorming raakte hij geïsoleerd van normale omgang met kinderen en kon hij nauwelijks nog naar school aangezien hij zwak was en gepest werd. De meeste mensen vonden hem te afschrikwekkend om naar te kijken. De artsen konden niets voor hem doen en Merrick werd al snel door zijn omgeving uitgestoten. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 031

Frans van den Muijsenberg / 5 januari 2019 / Delft

JAN WILDSCHUT (33)

Jan Wildschut (Den Bosch, 28 november 1913 – Leonberg, 31 januari 1945) was een wachtmeester-vlieger die vanaf 1932 bij het 1e Regiment Huzaren diende. In 1937 werd hij toegelaten tot de opleiding tot vlieger en diende vervolgens bij het 2e Luchtvaartregiment. Op 10 mei 1940 werd zijn vliegveld Gilze-Rijen gebombardeerd en weken de vliegtuigen uit naar een reserveveld bij Haamstede in Zeeland. Van daaruit werden vluchten uitgevoerd tegen de oprukkende Duitsers, onder meer bij de linies van de Grebbeberg. Uiteindelijk werden alle toestellen vernietigd en neergeschoten. Wildschut maakte drie vluchten, werd bij die laatste vlucht door Duitse vliegtuigen aangevallen en wist aan zijn belagers te ontsnappen door zeer laag te vliegen. Toen de Nederlandse militairen in april-mei 1943 werden opgeroepen om in krijgsgevangenschap te gaan, dook hij onder in Nieuwlande (Drente), waar hij Johannes Post leerde kennen. Vanaf juni 1943 voerde ze overvallen uit in Steen, Zweeloo, Oosterhesselen, Nieuweroord en Hollandscheveld, waarbij veel distributiebonnen en officiële papieren werden buitgemaakt. Daarna verplaatste het werkterrein zich naar Noord-Brabant, Zuid-Holland en Noord-Holland. (meer…)

ANITA EKBERG

Anita Ekberg (Malmö, 29 september 1931 – Rome, 11 januari 2015) was een Zweeds actrice, fotomodel en sekssymbool die vanwege haar tamelijk koele uitstraling de bijnaam IJsberg verwierf. Ze groeide op in een gezin met zeven broers en zussen. In 1950 werd ze gekozen tot Miss Zweden, waardoor ze mee kon doen aan de Miss Universe-verkiezing die toen in de Verenigde Staten werden gehouden. Eigenlijk was ze helemaal niet zo lang (slechts1.69 meter), maar ze gaf altijd de indruk minimaal een centimeter of tien langer te zijn. Ze had een welgevormde gestalte, met horizontale maten die gaandeweg 39-22-37 werden en een fraai, bijna klassiek gelaat, omlijst door weelderige blonde lokken. Zo iemand viel natuurlijk al snel op, dus de Amerikaanse modellenbureaus en filmmakers, die na Marilyn Monroe driftig op zoek waren naar nieuwe spectaculaire blonde sterren, boden haar direct een contract bij zowel een modellenbureau als aan filmmaatschappij, Universal in dit geval. Op die manier ontmoette ze ook de excentrieke filmproducent Howard Hughes, die van haar een ster wilde maken. Eerste werkte ze echter in enkele nachtclubs en deed ze wat modellenwerk. In 1953 maakte ze dan eindelijk haar filmdebuut en de jaren daarna gehad ze ook in diverse andere films een kleine rol. Eigenlijk werd er ook niet meer van haar verwacht dat ze er mooi en sexy uitzag. Het was voldoende om in de jaren vijftig bekend te worden als sexsymbool. (meer…)

DUITSE KOLONIËN 4

Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In dit blog een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent: Togoland.
(meer…)

03 – JULIANAKANAAL (2)

Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het Julianakanaal. Hieronder eerst een beschrijving die een kleine twintig jaar geleden over het kanaal werd geplaatst in De Volkskrant, als onderdeel van een serie columns over bijzondere waterwegen. Daaronder een fotografische sfeerimpressie van het kanaal. 

Limburgs kolenkanaal

Ten noorden van Maastricht mag de Maas haar gang gaan. Zwierig meandert ze omhoog naar Maasbracht. Ze hoeft alleen maar grens te zijn, tussen België en Nederland. En grind te leveren. Het Julianakanaal is er voor de serieuze doorvaart.
Het begon met steenkool, die moest naar het noorden, en glas, keramiek, cement, papier, het kwam allemaal uit Limburg. Transport was een groot probleem. Het Julianakanaal was het antwoord. Jaren hebben de Belgen en Nederlanders geruzied om de Maas gezamenlijk te kanaliseren, tot Nederland tussen 1925 en 1935 een apart kanaal groef op eigen grondgebied.
Het Julianakanaal ligt tussen hoge flanken. Vanaf de weg is alleen een grashelling te zien, het dak van een boot schuift voorbij. Boven op de dijk fietst een echtpaar over het asfaltlint. Een verveloos schip, de Kasia uit Werkendam, dobbert dwars op het water terwijl een groen sleepbootje in zijn zij port en van inspanning zwarte rookwolken uitstoot. Op het dek begeleiden twee mannen met walkietalkies de manoeuvre. De Kasia moet naar scheepswerf Maasdok in de insteekhaven. In de verte komt uit Maastricht MS Santana aangegleden, ze maakt lome golven in het water. (meer…)

03 – JULIANAKANAAL (1)

Rond 1900 was in Limburg de kolenindustrie sterk in opkomst en ontstond er een dringende behoefte aan een bruikbare waterweg. Nederlandse en Belgische ingenieurs overlegden hoe ze de Maas bevaarbaar kunnen maken, maar dat initiatief strandde als snel omdat de Belgen de rivier op sommige plekken niet dieper dan 2,60 meter wilden maken. Daardoor zouden grote schepen alleen via de haven van Antwerpen naar Luik kunnen varen en bleef de haven van Rotterdam, de grote Belgische concurrent, buiten bereik. Nederland was uiteraard weinig enthousiast over de Belgische insteek. In 1912 ligt er een plan om de Maas aan te passen, maar België en Nederland hebben genoeg van de samenwerking en willen nu elk een eigen kanaal, langs weerskanten van de Maas. De Belgen graven hun Albertkanaal, in Nederland beginnen in 1925 de werkzaamheden voor het Julianakanaal. ‘Ze werkten van twee kanten, vanuit Maastricht en vanuit Maasbracht. Bij Elsloo en Stein kwamen ze bij elkaar. Op dit punt moesten ze zich door een hoogte heen graven, de Scharberg, en bovenop die berg lag het dorp Elsloo. Bij deze werkzaamheden werd een grondlaag die rijk was aan haaientanden uit het Mioceen aangesneden. De school, het gemeentehuis en 43 huizen moesten wijken. De kerk kwam vlak langs het kanaal te liggen. De mensen kregen aardig geld voor hun stulpjes en konden daarvan nieuwe huizen laten bouwen. De meeste bewoners vonden eigenlijk dat het dorp er eigenlijk heel mooi van was geworden. Niemand was er verdrietig over, hooguit wat melancholiek. (meer…)

JAN ERNST MATZELIGER

Jan Ernst Matzeliger (Paramaribo, 15 september 1852 – Lynn, Massachusetts), 24 augustus 1889) was een Surinaamse uitvinder. Hij werd in 1852 aan de Cotticarivier geboren als zoon van een Duitse vader en Surinaamse moeder, waarvan wordt verondersteld dat ze nog slavin was toen Jan Ernst werd geboren en de zoon dus ook als slaaf ter wereld kwam. Matzeliger is de uitvinder van de schoenzwikmachine, die ervoor zorgde dat goedkoper bovenschoen en schoenzool met elkaar verenigd worden. Daarmee werden schoenen voor veel mensen betaalbaar en niet slechts beschikbaar voor de ‘happy few’. Hij kreeg het octrooi voor deze machine op 20 maart 1883. Drie weken voor zijn 37e verjaardag overleed Matzeliger te Lynn aan tuberculose. In 1985 vernoemde de stad Lynn een brug naar de uitvinder en te zijner nagedachtenis gaven de Amerikaanse posterijen op 15 september 1991 een speciale postzegel uit. In het boek Emancipatie 1863-1963 schreef R.A. Raan onderstaande biografie over Jan Ernst Matzeliger. Het boek verscheen in 1964 en het pleidooi aan het slot laat zien dat er de laatste vijftig nog niet veel progressie is geboekt. In Suriname is een paar jaar geleden een Stichting Matzeliger Instituut in het leven geroepen die een voordracht heeft ingediend bij de Anton de Kom Universiteit van Suriname om een postuum eredoctoraat in de Technologische Wetenschappen toe te wijzen aan Jan Ernst Matzeliger. Ik heb nog geen bericht gelezen dat een en ander inmiddels is gerealiseerd. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 030

Frans van den Muijsenberg / 20 januari 2019 / Lalique Museum Doesburg

WILLY KRUYT

Willy Kruyt (Amsterdam, 8 september 1877 – Berlijn, juli 1943) was een Nederlands predikant, Tweede Kamerlid en spion tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 30 april 1901 trad hij in het huwelijk met Truus Hogerzeil, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 18 oktober 1922 hertrouwde hij op 18 september 1923 met Nelly Dentz, musicus, met wie hij twee zoons kreeg. Dit huwelijk werd op 4 juni 1932 ontbonden en nog hetzelfde jaar hertrouwde hij met Gustel Schmidt, een maatschappelijk werkster. Dit huwelijk bleef kinderloos. Kruyt had het grootste deel van zijn schooltijd doorgebracht op een Engelse kostschool doorbracht (zijn moeder was Schotse) en hij ging daarna aan de slag in de uitgeverij van zijn vader. Buiten werktijd verdiepte hij en zijn eerste vrouw in maatschappelijke vragen en socialistische literatuur. Truus was hiervoor de grote inspirator, want ze was als dochter van een Hervormd predikant een brede religieuze, culturele en maatschappelijke belangstelling. Kruyt ging steeds meer het ambt van predikant ambiëren en besloot alsnog naar het christelijk gymnasium in Utrecht te gaan. In 1907 begon hij zijn studie theologie in Utrecht. In 1909 traden Willy Kruyt en zijn vrouw toe tot de redactie van het christelijk-sociale tijdschrift Wereldvrede. Zij ontwikkelden zich steeds meer naar het christen-socialisme en traden in 1910 toe tot de Bond van Christen-Socialisten, een christelijk-marxistische partij, opgericht in 1907, die het kapitalisme en particulier bezit afwees en het principe van de klassenstrijd aanvaardde. Zijn vrouw werd redactielid van het bondsorgaan Opwaarts, hij in 1913 bestuurslid en in 1914 de voorzitter van de bond, die zich afzette tegen de SDAP, de concurrerende partij. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 25

DUITSE KOLONIËN 3

Pas in 1871 werd Duitsland een staatkundige eenheid. De Frans-Duitse Oorlog, die duurde van 19 juli 1870 tot 10 mei 1871, betekende voor de Fransen dat met hun nederlaag een eind kwam aan het Tweede Franse Keizerrijk en de heerschappij van keizer Napoleon III. De overwinning van de door Pruisen aangevoerde coalitie van de Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken (zie plattegrond bij Duitse Koloniën 2) leidde tot de oprichting van het Duitse keizerrijk, met de koning van Pruisen die tot keizer van de nieuwe mogendheid werd uitgeroepen. De volgende stap voor kanselier Otto von Bismarck en keizer Wilhelm I was het verkrijgen van meer invloed op het Europese continent en het verkrijgen van koloniën, zodat men op gelijke voet zou komen te staan met de andere Europese grootmachten. In een lang verleden waren er voor het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen enkele bescheiden koloniën en handelsposten gehad in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt. Het zorgde er wel voor dat Brandenburg-Pruisen werd opgenomen in het bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden, maar veel stelde het eigenlijk niet voor. Vanaf 1870 richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen. (meer…)

WILLEM RUYS

Willem Ruys (Rotterdam, 25 augustus 1894 – Goirle, 15 augustus 1942) was een telg uit een beroemd Nederlands redersgeslacht en directeur van de Rotterdamsche Lloyd. Na de HBS in Rotterdam studeerde Ruys in het Zwitserse Neuchâtel aan de Hogere Handelsschool. In 1917 vertrok hij naar Nederlands-Indië, en daarna naar Australië, Japan en de Verenigde Staten om zich ze bekwamen in de praktijk van het scheepvaartbedrijf. In 1919 werd hij firmant van Wm. Ruys & Zonen en de Rotterdamsche Lloyd. In latere jaren was ook commissaris van andere belangrijke ondernemingen. Nadat zijn vader en zijn oom in 1940 waren teruggetreden als directeur van de Rotterdamsche Lloyd werd hij tot directeur benoemd. Al in het begin van de oorlog werd Ruys gearresteerd door de bezetters op verdenking van het ondersteunen van het verzet. Van 18 december 1940 tot 17 mei 1941 zat Ruys voor de eerste maal gevangen omdat hij had geweigerd om het verenigingsgebouw van ‘de Maas’ en de boten van de vereniging en haar leden af te staan aan de bezetter. Van 11 oktober 1941 tot 5 januari 1942 zat Ruys weer gevangen, nu omdat hij contact had gehad met een Engelse agent. Op 13 juli 1942 volgde zijn derde arrestatie en werd hij als gijzelaar gevangengezet in kamp Sint-Michielsgestel. Daar zaten op dat moment al twee andere Rotterdammers die ervan werden verdacht verzetsleden te zijn. Christoffel Bennekers (Zwolle, 28 mei 1894 – Goirle, 15 augustus 1942), een politie-inspecteur, werd er door de Duitsers van verdacht vlak voor de bezetting de archieven van de politie-inlichtingendienst te hebben vernietigd om te verhinderen dat de dossiers van communisten en andere personen in de handen van de Duitsers zouden komen. Robert Baelde (Rotterdam, 22 juli 1907 – Goirle, 15 augustus 1942) was een Nederlands jurist en reclasseringsambtenaar, die tevens redacteur was van het tijdschrift Het Kouter, een literair-religieus tijdschrift dat tussen 1936 en 1941 verscheen. Hij was ook kaderlid van de Nederlandsche Unie. Baelde was gehuwd met Petronella Tideman, die in 1944 via Kamp Vught naar Duitsland werd afgevoerd, waar zij een maand voor het einde van de oorlog overleed. (meer…)

GUIDO VON LIST

Guido von List (Wenen 5 oktober 1848 – Berlijn 17 mei 1919) was een Oostenrijkse dichter, journalist, esoterisch schrijver, en zakenman. Hij verwierp het christendom en propageerde een heropleving van het voorchristelijke Germaanse heidendom. Guido von List was een van de grondleggers van de Völkische Bewegung en de Ariosofie. De Völkische Bewegung was een extreme vorm van volksnationalisme (Volkstum), waarbij het volk in enge zin werd gedefinieerd, namelijk enerzijds gebaseerd op de voorouders (Duits: Ahnen) en dus op etnische afkomst, maar anderzijds ook op de volkscultuur, die als onveranderlijk werd beschouwd en bestond uit traditionele riten. Daarmee onderscheidde de beweging zich van puur racisme. De Völkische Bewegung speelde een belangrijke rol in de bepaling wat onder het Deutschtum moest worden verstaan. Van oorsprong zijn de Duitsers namelijk een geheel van West-Germaanse stammen die zich vermengden met Slaven (in het oosten), met Kelten (in het zuiden en westen) en met Romeinen (Rijnland en zuiden). Tot in de negentiende eeuw werd met de term Duitser iedereen bedoeld die de Duitse taal sprak en zelfs dat was een weids begrip. De meesten spraken namelijk geen Hoogduits, maar allerlei streektalen die onderling niet direct verstaanbaar waren. De streektalen in het noorden (het Nederduits of Plattdeutsch) leken taalkundig erg op de Nederlandse streektalen en het Plattdeutsch liep vanaf de Nederlandse kust tot in de Baltische landen. In de middeleeuwen werden daarom ook de sprekers van de Nederlandse streektalen als Duitsers beschouwd; de Engelse aanduiding ‘dutch’ verwijst er nog naar. Tot in de zeventiende eeuw was het in de Nederlanden gebruikelijk om de eigen schrijftaal ‘duytsch’ of ‘nederduytsch’ te noemen, terwijl in de zuidelijke Nederlanden de variant ‘Dietsch’ gebruikelijk was. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 24

PHINEAS GAGE

Phineas Gage (9 juli 1823 – 21 mei 1860) was een Amerikaanse spoorwegarbeider die in 1848 bij de aanleg van een spoorweg een arbeidsongeval kreeg waarbij hij zware schade aan zijn frontale kwabben in de hersenen opliep. Op 13 september 1848 begeleide hij als ploegbaas een team arbeiders bij de aanleg van de Rutland-Burlingtonspoorlijn bij Cavendish in de staat Vermont. Gage nam zelf de taak op zich om een rotsblok op te blazen. Zijn mannen hadden een gat in de rots geboord, dat Gage vulde met kruit. Met een stevige ijzeren staaf, ruim een meter lang, drie centimeter dik en zes kilo zwaar, stampte hij het kruit aan. Dat moet een kleine vonk hebben veroorzaakt, want opeens ontplofte het kruit en werd de staaf als een projectiel uit het gat geschoten. Gage stond nog over het gat gebogen, precies in de schootslijn. De staaf boorde zich met hoge snelheid in zijn jukbeen vlak onder het linkeroog, ging dwars door de hersenen heen en schoot er boven aan de schedel weer uit. De staaf landde zo’n dertig meter verderop, besmeurd met bloed en hersenweefsel. Gage viel neer, terwijl zijn collega’s ontzet toesnelden. Ze gingen ervan uit dat hun ploegbaas dood was, maar al snel kwam hij bij en was hij tot ieders verbijstering volledig bij kennis. Na een paar minuten stond Gage zelfs op, praatte hij met mensen en kon hij lopen. De mannen haalden snel een kar en brachten hem naar dokter John Martyn Harlow. Gage werd een medische sensatie, want tot dan wees alle expertise en ervaring erop dat een patiënt met een dergelijke ernstige hersenschade nooit kon overleven. Gage was de eerste waarbij dat niet het geval was. Harlow maakte de wond schoon, verwijderde stukjes schedel en dekte de openingen af met een nat verband. Toen hij voelde of er nog botresten in het gat zaten, bleek dat hij zijn hele middelvinger in de wond kon duwen zonder ook maar enige weerstand te ondervinden. Hij besloot om geen chirurgische ingrepen te doen, maar om de wonden uit zichzelf te laten genezen.  Dat bleek een juiste beslissing te zijn geweest, want Gage herstelde snel. Zijn spraakvermogen en geheugen waren intact gebleven en leidde al na een paar maanden weer een normaal leven. (meer…)

ROBERT LEHNHOFF

Robert Wilhelm Lehnhoff (Elze, 11 augustus 1906 – Groningen, 24 juli 1950), was een Duitse SD’er en oorlogsmisdadiger die opereerde vanuit het gevreesde Scholtenhuis in Groningen. Het Scholtenhuis was een statig herenhuis aan de Grote Markt in Groningen. Het enorme gebouw in eclectische stijl was eigendom van de rijke industrieel W.A. Scholten (1819-1892), die het pand tussen 1879 en 1881 liet bouwen. Architect was J. Maris, het interieur werd verzorgd door zijn collega P.M.A. Huurman. Met zijn echtgenote betrok hij het linkerdeel, zijn zoon Jan Evert (1849-1918) bewoonde het rechterdeel. Scholten was directeur van bijna 24 fabrieken, die onder andere aardappelmeel, suiker, strokarton en turfstrooisel produceerden en bezat ook boerderijen en veengebieden. Ook na het overlijden van de industrieel en zijn zoon bleven andere leden van de familie Scholten er wonen. Een maand na de Duitse inval in 1940 werden de weduwe van Jan Evert Scholten en haar zoon echter zonder pardon op straat gezet. Vanaf dat moment werd het Scholtenhuis het noordelijke hoofdkantoor van de Sicherheitspolizei (SIPO) en de Sicherheitsdienst (SD). Vooral vanaf september 1944 werd vanuit het Scholtenhuis een waar schrikbewind gevoerd. Het kreeg in die periode de naam Het voorportaal van de hel werd genoemd en was na de oorlog het meest gehate gebouw in de stad. Bij de bevrijding in 1945 werd het Scholtenhuis kapot geschoten door de Canadezen en in brand gestoken door de Duitsers. Ook als dat niet was gebeurd, had het gebouw er zeker niet meer gestaan, want de Groningers zouden het maar wat graag eigenhandig tot de laatste steen hebben afgebroken. Er is nu wel een virtuele wandeling door het Scholtenhuis mogelijk, om de herinnering aan de gruwelijkheden die er plaats vonden levendig te houden. Daarin een fragment van de beruchte Robert Lehnhoff tijdens het verhoor van een jonge vrouw. Eerst rookt hij nog een sigaret met haar, allengs wordt het verhoor bruut. Als de vrouw blijft zwijgen, opent Lehnhoff een kast waarin de studente en verzetsvrouw Anda Kerkhoven zit opgesloten. Kerkhoven, die later wordt omgebracht, is geslagen, gebeten en ondergedompeld. Maar is slechts te horen via de commentaarstem, want om de site niet te schokkend te maken voor kinderen, worden geen gruwelijkheden getoond. Bij uitgeverij Profiel zijn enkele interessante boeken over het Scholtenhuis verschenen. (meer…)

BERNARD IJZERDRAAT (32)

Bernard IJzerdraat (Haarlem, 13 oktober 1891 – Waalsdorpervlakte (Den Haag), 13 maart 1941) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was opgeleid tot onderwijzer en had zich toegelegd op het geven van les in handenarbeid. Hij was enige jaren verbonden aan de gemeentelijke kweekschool in Rotterdam. Hij richtte daarna een eigen kunstweefschool op in Laren (Noord-Holland), die echter inde crisisjaren moest sluiten. Hij sloot zich in 1936 aan bij de beweging Eenheid door Democratie, die zich zowel tegen fascisme en nationaalsocialisme als tegen het communisme verzette. Zij waarschuwden vanaf het begin voor de pro-Duitse propaganda van de NSB. In 1938 was hij ontwerper en bedrijfsleider bij de Deventer tapijtfabriek van Maurits Prins in Dinxperlo. In september 1939, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, keerde hij terug naar Rotterdam; hij werd leraar aan enkele scholen in Schiedam en Vlaardingen. Vervolgens werd hij gobelinrestaurateurin het Frans Hals Museum in Haarlem. Het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 en de capitulatie de dag erna maakten een enorme indruk op hem en waren voor hem het signaal om op te roepen tot verzet.Zijn verontwaardiging over de Duitse inval en snelle Nederlandse capitulatie was zo groot dat hij een handgeschreven vlugschrift samenstelde, vermenigvuldigde en als kettingbrief verspreidde. Hij koos hiervoor de naam ‘Geuzenactie’. Zijn eerste bericht is niet bewaard gebleven, wel de tweede Geuzenbrief van 18 mei 1940 met daarin de voorspelende passage: ‘Al onze voorraden zullen worden weggehaald, voedsel, kleding, schoeisel, spoedig krijgen we het bonnenstelsel voor alles en nog wat en daarna kunnen we zelfs op de bonnen niets meer krijgen. Onze jonge mannen zullen worden gedwongen elders te gaan werken voor de overweldiger’.
(meer…)

DE ACHTTIEN DOODEN – 1

  De Geuzen warende eerste verzetsgroep in Nederland gedurende de Tweede Wereldoorlog. De groep ontstond al direct na de Duitse inval op 10 mei 1940 en stond onder leiding van de Schiedammer Bernard IJzerdraat. Door roekeloos gedrag, naïviteit en verraad werd de hele verzetsgroep al in november 1940 door de Sicherheitsdienst opgerold. Op 24 februari 1941 stonden 43 Geuzen in het gebouw van de Hoge Raad voor het Feldgericht des Kommandierenden Generals und Befehlshabers im Luftgau Holland. Op 4 maart 1941 werd bekendgemaakt dat tegen achttien van hen de doodstraf was opgelegd. Generaal Christiaansen, de Duitse bevelhebber in Nederland, nam de gratieverzoeken in behandeling en zette van drie minderjarige leden van de verzetsgroep De Geuzen de doodstraf om in een gevangenisstraf. De andere vijftien werden, samen met drie communisten, op 13 maart 1941 op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd. Vlak voor hun terechtstelling in de duinen van Scheveningen zouden de Geuzen psalm 43:4 hebben gezongen ( Dan ga ik op tot Gods altaren; Tot God, mijn God, de bron van vreugd; Dan zal ik, juichend, stem en snaren; Ten roem van Zijne goedheid paren; Die, na kortstondig ongeneugt’; Mij eindeloos verheugt). (meer…)

DE KOLONISATIE VAN NOORD-AMERIKA

Het gebied dat nu de Verenigde Staten heeft werd oorspronkelijk bewoond door talrijke inheemse Amerikaanse volken. Vanaf de 16e eeuw werd het gekoloniseerd door Spanje, later verschenen de koloniale machten Engeland, Nederland, Zweden, Frankrijk en Rusland op het toneel. De rol van Zweden en Nederland was al in 1664 uitgespeeld, Rusland bleef vanwege Alaska nog een tijd een relevante partner, maar speelde verder ook maar een marginale rol. Tussen Engeland, Frankrijk en Spanje waren er echter heftige conflicten. De Britse kolonisatie van Noord-Amerika kwam aan het eind van de 16e eeuw op gang. Na de Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604), waarbij de kaapvaart een belangrijke rol speelde werd dor de Britten een begin gemaakt met het ontdekken van de oostkust van Noord-Amerika. De Britten zetten nederzettingen op langs de kustlijn van Florida tot aan Newfoundland. Oorspronkelijk werd de gehele oostelijke kustlijn tot aan het noorden van het huidige Canada Virginia genoemd ter ere van koningin Elizabeth I. Vooral vanaf 1620 werden in een hoog tempo nieuwe nederzettingen gebouwd voor ambitieuze kolonisten, vooral boeren en Poolse huurlingen. In 1664 werd het Britse grondgebied flink uitgebreid met de bezetting van Nieuw-Nederland (waaronder Nieuw Amsterdam), die dat gebied in 1655 op de Zweden hadden veroverd. In 1763 kwam het tot verdere uitbreidingen na veroveringen op de Franse en Spanjaarden, officieel bevestigd in de Vrede van Parijs.

In 1776 kwamen dertien kolonies in opstand tegen de Britten. In New England de provincies New Hampshire en Massachusetts Bay en de kolonies Rhode Island and Providence Plantations en Connecticut. In de Middle Colonies (het voormalig Nieuw-Nederland) waren de provincies New York, New Jersey, Pennsylvanië en Delaware van de partij en tot slot waren er de Southern Colonies, die bestonden uit de provincies Maryland, Georgia, North Carolina en South Carolina, plus de kolonie-dominion Virginia. De kolonies verschilden nogal van elkaar, zowel door geografische ligging als door de heersende opvattingen. In New England lagen vrij onvruchtbare en rotsachtige gebieden, bloeide de nijverheid en visserij en werd vooral handel gedreven. De puriteinse, calvinistische waarden overheersten. In het middengebied waren New York, New Jersey en Pennsylvanië kosmopolitisch; vooral New York was als smeltkroes van allerlei natiën, was een sterke handelsstad, maar Philadelphia was in de 18e eeuw de grootste stad van de Engelse koloniën. De groep zuidelijke kolonies waren agrarische, vruchtbare gebieden, die rijst, indigo, tabak en andere gewassen teelden. De plantages die door Afrikaanse slaven werden bewerkt en werden geleid door aristocratische families. Meer landinwaarts, tegen het gebergte, woonden en werkten vrije boeren met een meer democratische instelling. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 029


.
Frans van den Muijsenberg / 29 april 2019 / Westvleteren, België

DUITSE KOLONIËN 2

Tot ver in de 19e eeuw waren er tientallen Duitse staten, die elk een grote mate van zelfstandigheid hadden en deze ook niet wensten op te geven. Ten tijde van het Congres van Wenen (1815) waren er nog 39 Duitse staten. In 1848 waren in grote delen van Europa nationaal-liberale opstanden. Het begin lag bij de Februarirevolutie in Frankrijk, die een einde maakte aan de heerschappij van de burgerkoning Lodewijk Filips. In Nederland werd onder leiding van Thorbecke gekomen tot de invoering van een grondwet en het verruimen van de bevoegdheden van de volksvertegenwoordiging ten koste van de almacht van de koning. Voor Koning Willem II was het aanleiding af te treden en plaats te maken voor zijn zoon, die overigens een leven lang trachtte de volksvertegenwoordiging ‘kort te houden’. In Duitsland eisten revolutionairen liberale, democratische hervormingen en de vorming van een nieuwe Duitse eenheidsstaat, wat bekend i skomen te staan als de Maartrevolutie. De niet-Duitse bevolkingsgroepen (Slaven en Hongaren) eisten autonomie of gehele onafhankelijkheid van de vreemde overheerser. De voornaamste oorzaak van het uitbreken van de revoluties was de wijdverbreide ontevredenheid over het reactionaire, absolutistische regeringssystemen, die de persvrijheid beknotten en liberaal-nationalistische bewegingen verboden en vervolgden. In economisch opzicht speelden de industriële revolutie, de daarmee samenhangende verpaupering en de grote misoogsten van 1846 een rol. In de landen van de Duitse Bond en de buiten deze bond gelegen delen van Oostenrijk en Pruisen mislukte echter de poging om een constitutioneel keizerrijk op liberale grondvesten te stichten. Nadat in 1862 Otto von Bismarck premier van Pruisen was geworden, startte hij een actieve politiek om de Klein-Duitse optie te verwezenlijken door stelselmatig Oostenrijkse invloed in de Duitse Bond af te breken en tegelijkertijd de toch al niet onaanzienlijke macht van Pruisen te vergroten. Pruisen bezat een grote industriële basis in het Rijnland en gebruikte deze om haar grote leger steeds verder te moderniseren. (meer…)

DE REPUBLIEK WEST-FLORIDA

De Republiek West-Florida bestond gedurende 74 dagen in het najaar van 1810. De republiek ontstond op 23 september, toen het gebied onder druk van Amerikaanse kolonisten in opstand kwam tegen het Spaanse bestuur, maar al op 6 december 1810 werd het geannexeerd door de Verenigde Staten van Amerika en daarna verdeeld over Louisiana, Mississippi en Alabama.

De Spanjaarden waren de eerste Europese staat die het schiereiland Florida bezetten.Het gebied en het aangrenzende Georga werd in die tijd bewoond door de ongeveer 200.000 Timucua-indianen, verdeeld over 35 verschillende stammen. Al in 1595, na twee eeuwen Spaanse bezetting, was dat aantal teruggelopen tot ongeveer 50.000 man en 13 stammen. Weer een eeuw later waren er door oorlogen en zieketen nog slechts 1.000 over en bij de volgende eeuwwisseling in 1800 waren de Timucua-indianen geheel uitgestorven. Tegelijkertijd kwamen vooral de Seminolesindianen het gebied binnen. De groeiende groep werd ook uitgebreid met vrije en ontsnapte slaven, de Black Seminoles, die zich bij hen voegde of in hun directe omgeving gingen wonen. In de periode 1816-1858 zouden er drie Siminoles-oorlogen zijn, die zowel in economisch opzicht en qua aantal slachtoffers voor de Verenigde Staten de langste en duurste oorlogen met indianen zou zijn. Na 1858 waren op een kleine honderdtal overlevers na alle Seminoles-indianen gedood of verbannen naar reservaten in Oklahoma. Bij de bezetting hadden de Spanjaarden het gebied in twee provincies verdeeld, Oost- en West-Florida, van elkaar gescheiden door de rivier Suwannee. In de loop van de 18e eeuw kregen de Spanjaarden te maken met andere Europese landen en maatschappijen. Niet alleen in Florida, maar in de gehele koloniale wereld.
(meer…)

DUITSE KOLONIËN 1

Pas in 1871 verscheen Duitsland dus op het wereldtoneel. Andere Europese landen hadden in de voorgaande eeuwen vaak omvangrijke koloniale rijken opgebouwd. Gedurende een korte periode aan het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw hadden enkele Duitse staten wel pogingen gedaan om koloniën te stichten, maar door de zware concurrentie van koloniale grootmachten zoals Groot-Brittannië, Frankrijk en de Nederlanden gingen deze na korte tijd weer verloren. De Brandenburgisch-Afrikanische Compagnie had vanaf 1682 koloniën (handelsposten) op de Goudkust gesticht. Met de plaatselijke bevolking werd een verdrag gesloten, waarna begonnen werd met de bouw fort Groß Friedrichsburg en de Brandenburgse rode adelaar kon worden geheven aan de kust van het huidige Ghana. In de nieuw gestichte kolonie werd vooral gehandeld in slaven, gom, ivoor, goud en zout. Frederik Willem, de heerser over Brandenburg-Pruisen, streed tot aan zijn sterfbed voor het behoud van ‘zijn’ koloniën, maar zijn kleinzoon, de zuinige Soldatenkoning Frederik Willem I van Pruisen, zag het belang ervan niet zo in en verkocht zijn Afrikaanse bezittingen in 1717 voor ‘7200 dukaten en 12 moren’ aan de Nederlanders. Ondanks de verkoop duurde het nog tot 1724-1725 voordat ze hun eigendom in bezit konden nemen, want het Afrikaanse Ahante-opperhoofd Jan Cunny aan wie Frederik Willem de bescherming van het fort had overgelaten, legde zich niet neer bij de verkoop. Pas na een lange, bloedige en dure strijd wisten de Hollanders het fort Gross Friedrichsburg te veroveren. Ze doopte het om tot Fort Hollandia en lieten het min of meer aan zijn lot over. In 1815 werd het verlaten en in 1872 kwam het in Engels bezit. De ruïne van het fort, een paar uur verwijderd van de Ghanese hoofdstad Accra, staat er nog steeds en bestaat uit een massieve vesting, een herenhuis en bunkers. (meer…)

HENK RAAK

Henk Raak (Hollandscheveld, 21 juli 1920 – Overveen, 6 juni 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werd geboren als een van de elf kinderen in een Nederlands-hervormd boerengezin dat woonde op het ‘Hoekje’ in het veendorp Hollandscheveld bij Hoogeveen. Hij was loket-beambte in het hoofdpostkantoor aan de Hoofdstraat in Hoogeveen en woonde bij zijn ouders in Hollandscheveld. Henk was een lange, zwijgzame jongen, die actief was in het bestuur van de plaatselijke voetbalclub HSC en met een aantal vrienden een muziekvereniging oprichtte. In mei 1940 was hij als militair gewond geraakt bij de gevechten aan de Grebbeberg. Zijn onderdeel moest helpen de Grebbelinie te verdedigen. Deze verdedigingslijn lag bij Wageningen en Rhenen, aan een van die plekken waar dagenlang hevig gevochten werd tussen het Nederlandse en het Duitse leger. In ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog citeert Lou de Jong een hoge Nederlandse officier: ‘Een soldaat die rechts van mij staat, merkt rustig op dat ook hij getroffen is en dat zijn oog eruit hangt. Desondanks hielp die soldaat de gewonde adjudant wegbrengen voor hij zelf medische hulp zocht.’ Die soldaat was Henk Raak, die een granaatsplinter in zijn rechteroog en vanaf dat moment dat oog moest missen. Bij de gevechten waarbij Henk was betrokken vonden 380 Nederlandse militairen de dood. Sindsdien was het gezin Raak fel anti-Duits. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 028

Frans van den Muijsenberg / 8 april 2019 / Lido di Noto, Sicilië

NIJMEGEN, COLLABORATIE EN VERZET

Lennert Savenije (Zevenaar, 1985) studeerde tussen 2003 en 2009 geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Sinds 2010 werkt hij als historicus aan deze universiteit. Tijdens zijn tweejarige onderzoeksmaster verbleef hij achtereenvolgens in Münster, Brussel en Parijs. In 2018 promoveerde hij te Nijmegen op zijn studie ‘Nijmegen, collaboratie en verzet. Een stad in oorlogstijd’, een studie die hij in opdracht van de gemeente Nijmegen schreef.

Dat proefschrift is nu onder dezelfde naam uitgegeven. Het is overigens meer dan slechts een oorlogsgeschiedenis, maar vooral een rijk geïllustreerde stadsgeschiedenis tegen de achtergrond van de crisis van de dertiger jaren, de oorlogsperiode en de jaren van de wederopbouw van de stad. Savenije beschrijft die gehele periode door de ogen van burgemeesters, priesters, politieagenten, politici en andere Nijmegenaren. De titel van het boek suggereert dat hij zich beperkt tot de periode 1940-1945, waarbij de stad van 5 mei 1940 tot en 20 september door de Duitsers was bezet en daarna tot mei 1945 zuchtte onder Duitse beschietingen vanaf de overkant van de Waal en vanuit het Reichswald. Het boek begint echter al in 1936 met diverse voorbeschouwingen van de jaren daarvoor. Het eerste kwart van het boek wordt uitgebreid aandacht besteed aan de voorgeschiedenis, niet alleen die van de stad maar ook aan de nationale en internationale ontwikkelingen. Dat is een mooie opzet, omdat het de gebeurtenissen die in een rap tempo passeren steeds in een juist kader plaatsen. Deze opzet wordt ook gevolgd in het verdere verloop gedurende de oorlogsjaren en de wederopbouw. Dat alles in een magnifieke lay-out en met veel fotowerk, waardoor het een zeer informatief en lezenswaardig boek is geworden. (meer…)

JAN HARM BOSCH (31)

Jan Harm Bosch (Nijkerk, 21 juni 1900 – Enschede, 31 maart 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Nederlands-hervormde Bosch was belastingambtenaar te Enschede. In de oorlog begon hij al gauw met verzetswerk. Hij hielp onder meer om uit krijgsgevangenschap ontsnapte Franse militairen en neergeschoten geallieerde piloten. Bosch sloot zich aan bij de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en de Landelijke Knokploegen. Als lid van het Landelijk Comité van Verzet had hij een belangrijke taak in het bundelen van de verzetskrachten in Twente. In heel Twente was hij bezig met de hulp aan onderduikers en het plegen van aanslagen.Toen in september 1944 de Binnenlandse Strijdkrachten werden opgericht, had hij een belangrijke taak bij het samenvoegen van verschillende illegale groeperingen en organisaties. De illegale bijeenkomsten werden gehouden in het Centraal belastinggebouw in Enschede, een perfecte dekmantel voor zijn werkzaamheden want het komen en gaan van diverse mensen van verschillende pluimage viel daar helemaal niet op.  In het laatste oorlogsjaar hield hij zich vooral bezig met het bijeenbrengen van geld, bonkaarten en identiteitspapieren voor het steeds verder oplopend aantal onderduikers. Daaronder waren veel personeelsleden van de NS, die waren ondergedoken vanwege hun betrokkenheid bij de Spoorwegstaking. Op 31 maart 1945, één dag voor de bevrijding van Enschede, had hij afgesproken om te overleggen met zijn verzetscollega’s waaronder de 31-jarige Jan Hendrik Wennink en 33-jarige Antonie van Essen in de tuin van de synagoge van Enschede die in die periode als gevangenis dienstdeed. Ze waren verraden, werden door de SD gearresteerd en opgesloten in de synagoge.  Bosch werd de volgende ochtend in de tuin doodgeschoten. Enkele uren later trokken de Canadese troepen Enschede binnen. Na de oorlog werd hem postuum het Verzetskruis toegekend. In Enschede is ook een straat naar de vooraanstaand verzetsman genoemd. (meer…)

DRIE FONTEINEN & MARLY

Antwerpen had de eerste Olympische Zomerspelen na de Eerste Wereldoorlog gekregen. De stad had hiervoor al in 1912 bod uitgebracht. Er waren drie andere kandidaten voor de organisatie (Amsterdam, Rome en Boedapest), maar vanwege de oorlog kwam het niet tot een stemming. Na de oorlog meldde Lille zich even als vijfde kandidaat, maar trok zich ook weer snel terug. Boedapest, dat voor de oorlog de beste papieren leek te hebben, viel af omdat Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en Turkije niet werden uitgenodigd. Ook Rusland ontbrak, dit vanwege de burgeroorlog die het land verscheurde. Er meldde zich echter vier overzeese kandidaten (Cleveland, Philadelphia, Atlanta en Havana), maar al vrij snel na de wapenstilstand gaf het IOC de voorkeur aan Antwerpen indien de stad de organisatie rond kregen. Bij de stemming op 5 april 1919 in Lausanne werd Antwerpen benoemd als organisator. Ze hadden gehoopt de financiering rond te krijgen via gulle gaven van reders en diamantairs, maar in het naoorlogse België dat economisch geruïneerd was door de oorlog, was dat ijdele hoop. De Spelen waren niet het gehoopte populaire succes. Het slechte weer hield veel publiek weg, maar vooral de hoge toegangsprijzen schrikten het grote publiek af. Voor een toegangsticket voor de volksplaatsen moest bijvoorbeeld 3 frank worden betaald en een loge op het tennistoernooi kostte een heel fortuin: 3500 frank. Het organisatiecomité nam alle schulden op zich, maar weigerde elke extra uitgave, zelfs de publicatie van een gedenkboek. De openingsceremonie vond plaats op 20 april 1920 in het nieuwe stadion van Beerschot. De Spelen vonden plaats tussen 14 augustus 1920 en 12 september 1920: er deden 2.591 mannen en 78 vrouwen mee aan de 22 sporten waarvoor medailles beschikbaar waren én de demonstratiesport korfbal. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 23

WOLTER HEUKELS (30)

Wolter Jacobus Heukels (Deventer, 23 juni 1892 – Utrecht, 22 januari 1945) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarbij hij opereerde onder de schuilnaam ‘Ome Henk’. De Nederlands-hervormde Heukels was eerste opzichter bij de PTT en was lid van de Ordedienst (OD). Hij werkte ook samen met de LO-LKP, de landelijke knokploeg van de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers, de Centrale Inlichtingen Dienst en wat later de Binnenlandse Strijdkrachten. Hij stond vanuit die functies in contact met het Nationaal Comité van Verzet, voornamelijk met mej. M.A. Tellegen. Deze mejuffrouw was in 1944 actief betrokken bij de Spoorwegstaking en na de oorlog werd ze directeur van het Kabinet der Koningin. Vanuit zijn dienstwoning organiseerde Heukels een geheim telefoonnetwerk, waarbij hij dankbaar gebruik maakte van het dienstnet van het hoofdbestuur van de PTT. Door zijn inspanningen kon vanaf 22 september 1944 contact worden onderhouden met het inmiddels bevrijde Nijmegen en speelde hij ee rol in het verspreiden van spionageberichten die afkomstig waren van Sectie V-OD in Amsterdam en informatie over het treinverkeer door te geven. Ook J.A. van Bijnen, de landelijke sabotagecommandant, kom van dikt telefoonnetwerk gebruik maken om berichten door te geven.  De leden van de Knokploeg Utrecht leerde hij de clandestiene telefoonpost in het hoofdgebouw van de Nederlandse Spoorwegen in Utrecht te bedienen, zodat ze door de Duitsers gevoerde telefoongesprekken konden afluisteren. Met behulp van de verkregen gegevens werden ongeveer zestig treinen door sabotage, beschieting of bombardement verhinderd hun bestemming te bereiken. Heukels werd op 16 oktober 1944 samen met Leendert Johannes Lans, die ook bij de telefoonpost betrokken was, en enkele andere medewerkers door de Sicherheitsdienst (SD) gearresteerd. (meer…)

ACHTTIEN KOLONIALE MACHTEN

Het proces van kolonisatie begon zodra de Spanjaarden en Portugezen de wereld gaan ontdekken en dan al direct in elkaars vaarwaters terecht kwamen. De Canarische Eilanden waren het eerste slachtoffer van de overwinningstocht van Spanje. De eilanden waren al onder de Romeinen bekend, maar daarna door de Europeanen vergeten. Pas in 1312 werden ze opnieuw ontdekt door de uit Genua afkomstige Lancelotto Malocello, die zijn voornaam zou geven aan een van de eilanden. Pas in 1402 zette de Franse ontdekkingsreiziger Jean de Béthencourt opnieuw voet aan land toen hij een expeditie naar de Canarische Eilanden leidde om in opdracht van de Kroon van Castilië de eilanden te veroveren. De Guanchen, de toenmalige bewoners van de eilanden, gaven zich echter niet zonder slag of stoot gewonnen. Pas na twee jaar en vele, vele gesneuvelde Guanchen later werden de eiland bezet. De rest werd gevangen genomen en als slaaf verkocht. De toon van de kolonisatie was gezet. Langs de haven van Tenerife herinneren een rij beelden aan de oorspronkelijke bewoners. Inmiddels hadden ook de Portugezen, die met hun buren streden om de hegemonie op zee, een begerig oog op de eilanden laten vallen, maar ze waren te laat. Vanaf het begin van de 15e eeuw ontdekten beide landen de kust van Afrika en de eilanden in de Atlantische Oceaan (Madeira en de Azoren). In 1415 had Portugal Ceuta al veroverd om effectiever tegen de Moren te kunnen strijden. Want niet alleen onderlingen wedijver en machtsstreven dreven de Spanjaarden en Portugezen, maar ook  christelijke zendingsijver of een kruistochtmentaliteit. Elementen die bij andere landen en latere kolonisaties steevast zouden terugkeren. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 027

Frans van den Muijsenberg / 21 april 2019 / Veurne, België

SIMON VISSERING

Simon Vissering (Amsterdam, 23 juni 1818 – Ellecom, 21 augustus 1888) was een Nederlands jurist, journalist, econoom, statisticus, en politicus. Vissering volgde de Latijnsche School in Amsterdam, studeerde van 1835 tot 1838 letteren en rechten aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam (algemeen beschouwd als de voorloper van de Universiteit van Amsterdam; sinds 1815 had de instelling een wettelijke erkenning voor hoger onderwijs, sinds 1877 ook het promotierecht) en begon in 1837 de studie rechten aan de Universiteit Leiden, waar hij onder andere les kreeg van Thorbecke. In 1842 promoveerde hij in Leiden. Een jaar later vestigde Vissering zich als advocaat in Amsterdam en wijdde zich hiernaast aan literaire en economische studies. Hierbij was hij korte tijd journalist bij het Algemeen Handelsblad en sinds 1846 medewerker en redacteur bij De Gids, een algemeen cultureel en literair tijdschrift dat sinds 1837 verscheen. In 1847 werd hij door het Amsterdamse stadsbestuur aangesteld als hoofdredacteur van de Amsterdamsche Courant, maar na nog geen jaar stapte hij op na onenigheid met het stadsbestuur over de journalistieke vrijheid. In 1850 kreeg hij een aanstelling als hij hoogleraar staatshuishoudkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden als opvolger van zijn oude leermeester Thorbecke. Hij bleef hoogleraar in Leiden tot 1879. (meer…)

DE HYPERBOREALE WERELD 2

Helena Petrovna Blavatsky (Jekaterinoslav, 31 juli 1831 – Londen, 8 mei 1891) was een occultist, medium en auteur van Duits-Russische aristocratische afkomst. Ze was de dochter van kolonel Pyotr Alexejevitsj von Hahn, afkomstig uit een Duitse aristocratische familie. Haar moeder was de romanschrijfster Helena Andreyevna de Fadayev, die afkomstig was uit een van de oudste Russische adellijke families, de Dolgorukov. De grootmoeder van moederskant was prinses Helena Pavlovna Dolgorukov. Haar vader was beroepsmilitair en als gevolg daarvan was er sprake van frequente verhuizingen en verplaatsingen naar andere delen van het Russische rijk. In 1835 verhuisden de moeder en Helena naar Odessa waar haar grootvader Andrei Fadeyev een bestuurlijke functie had gekregen. Een jaar later verhuisde het gezin naar Sint-Petersburg waar Von Han een nieuwe functie had gekregen. Toen die een jaar later weer beroepshalve moest verhuizen, bleef de rest van het gezin in Sint-Petersbrug wonen. Pas in 1838 werd men herenigd in Poltava, de nieuwe standplaats van Von Hahn. Haar moeder bevond zich inmiddels in slechte gezondheid en verhuisde met haar twee dochters weer naar Odessa, waar ze in 1842 op de leeftijd van achtentwintig jaar overleed aan tuberculose. De drie kinderen werden verder opgevoed door de grootouders in Saratov en later in Tbilisi. Blavatsky kreeg de klassieke aristocratische opleiding in onder meer Frans, muziek- en dansles. In haar latere geschriften vermeldde zij, dat zij in deze periode veel tijd doorbracht in de bibliotheek van haar grootvader die veel boeken over esoterie bevatte. Hier zou ze ook de eerste visioenen ontvangen waarin ze een mysterieuze Indiër ontmoette, die zij later als Mahatma Morya zou leren kennen. Al op zeer jonge leeftijd werden Helena magische vermogens toegedicht. Ze joeg de lijfeigenen de stuipen op het lijf met griezelverhalen over waterspoken en demonische bosgeesten, een voorteken van de horrorverhalen die ze aan het eind van haar leven zou schrijven. Nog voor haar vijftiende verslond ze de hele bibliotheek met occulte klassiekers die haar overgrootvader prins Paul bij zijn dood aan haar grootmoeder had overgedaan. De bibliotheek bevatte honderden boeken over alchimie en magie. Een van haar favorieten was de Occulta Philosophia van Heinrich Cornelius Agrippa von Nettesheim (1486-1535). Al voor haar vijftiende, zo schreef madame Blavatsky, ‘had Agrippa geen geheimen meer voor mij’. (meer…)

CLARK STANLEY’S SNAKE OIL

Clark Stanley was eind van de 19e eeuw de zelfbenoemde Rattlesnake King. Volgens eigen zeggen was hij in 1854 in Abilene geboren, wat lastig in overeenstemming te krijgen is met de werkelijkheid aangezien het Texaanse stadje pas in 1881 zou worden gesticht. Stanley verwierf eeuwige roem/beruchtheid als de uitvinder van het patentmedicijn Clack Stanley’s Snake Oil. Stanley claimde dat hij, nadat hij eerst elf jaar lang als cowboy had gewerkt, twee jaar lang onder de Hopi-indianen verbleef in Walpi, Arozona. Van een Hopi-medicijnenman leerde hij in die tijd de geheimen van het maken van slangenolie, dat door de stam zou zijn gebruikt bij hun traditionele regendans. In 1879 kon hij dan eindelijk met behulp van een drogist uit Boston zijn product op de markt brengen. Via de bekende ‘medicine shows’ in het Wilde Westen werd het ‘geneesmiddel’ aan de man gebracht. Net als zovele andere patentmedicijnen en oude middeltjes tegen allerlei kwaaltjes, zoals in Nederland onder meer de Haarlemmerolie, moest Clack Stanley’s Snake Oil dé oplossing zijn voor vele lichamelijke ongemakken. In 1893 wist Stanley alle aandacht op zich te vestigen bij een spectaculaire presentatie op de World’s Columbian Exposition in Chicago. Voor de ogen van de verbaasde toeschouwers pakte Stanley uit een zak een slang, sneed die doormidden en gooide de slang vervolgens in kokend water. Al snel dreef een laagje vet op het water, dat door hem werd weggeschept en ter plaatse produceerde hij vervolgens zijn ‘Stanley’s Snake Oil’, direct geschikt voor de verkoop aan het publiek.  (meer…)

DE KOLONIALE CONFERENTIE VAN BERLIJN (1884-1885)

De Koloniale Conferentie van Berlijn was een bijeenkomst van vijftien Europese landen en de Verenigde Staten, die tussen 15 november 1884 en 26 februari 1885 werd gehouden. Veertien Europese landen plus de Verenigde Staten waren aanwezig om onbeschaamd Afrika te verdelen. Afrika was op de kaart grotendeels een lege plek en dus begerenswaardige prooi. Tot dan toe hadden de Europeanen zich beperkt tot het vestigen van handelsposten en minder directe van machtsuitoefening, bijvoorbeeld via het sluiten van verdragen met lokale machthebbers. Groot-Brittannië, Frankrijk, Portugal en in bescheiden mate Spanje bezaten als gebieden in Afrika. Het Osmaanse Rijk heerste nog over een groot gebied aan de Middellandse Zee en was dus vooral uitgenodigd om, net als een aantal jaren eerder bij het Congres van Berlijn, nederig afstand te doen van die gebieden ten faveure van de grootmachten Frankrijk en Engeland. Het kleine België was ineens een belangrijke partij geworden, nadat koning Leopold II onder het mom van een humanitair project van plan was het Kongobekken te gaan exploreren. Hij had daarvoor in 1878 de Association internationale africaine opgericht (vanaf 1879 de Association internationale du Congo). Het Britse satirische blad Punch maakte er een treffende spotprent van het morele gehalte van de Belgische vorst. Het maakte andere erop attent dat men er snel bij moest zijn om ook een deel van Zwart-Afrika te kunnen claimen. De Duitsers wilden ook wel eens, zoals keizer Wilhelm II het uitdrukte, ‘hun plaatsje onder de zon hebben’ dus koloniale grondmacht worden. Daarom zou ook hun positie ten opzichte van Frankrijk en Groot-Brittannië worden versterkt en wellicht zou men beide grootmachten tegen elkaar kunnen uitspelen. Ook Nederland als koloniale grootmacht was aanwezig, maar liet blijken geen interesse te hebben in een nieuw avontuur. Men had de handen al vol aan de continue oorlogen in de Indonesische archipel. Om te waarborgen dat alles eerlijk en naar ieders tevredenheid kon worden afgewikkeld waren ook de andere Europese landen (Oostenrijk-Hongarije, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Italië, Rusland) uitgenodigd. De meesten zonder ambities, een enkel land hoopte wellicht dat wat kruimels hen zouden toevallen. Tot slot was de Verenigde Staten, de opkomende, overzeese grootmacht, uitgenodigd, waarvan het vaag was wat hun politiek zou zijn. Het land had zich namelijk zelf amper als voormalig kolonie op de kaart gezet, had net een Burgeroorlog achter de rug en was nog druk doende de eigen staat op te bouwen. Er was geen enkele Afrikaan aanwezig om zelfs maar een opgestoken vingertje te geven.
(meer…)

ALBERT HAHN (29)

Albertus Hahn (Groningen, 12 mei 1885 – Neuengamme, 17 februari 1945) was een Nederlandse verzetsman en pianofabrikant/pianohandelaar in de stad Groningen. Hij woonde in Huize Venix te Vries (Drente) en was op allerlei manieren berokken bij het verzet. In 1941 begon hij met het in veiligheid brengen van Joodse eigendommen; een jaar later ging hij een stapje verder door Joodse onderduikers in huis op te nemen. In zijn woning verborg hij ook papier voor de Illegale krant Trouw, plus de geboorteregisters van de gemeenten Oldenhove en haren. Verder was er ook nog plaats voor allerlei wapens, uniformen en bonkaarten. Hij was verder betrokken bij een knokploeg (KP-3) en later lid van een knokploeg van de Dienst-Wim. In zijn fabriek werd regelmatig vergaderd door een lokale verzetsgroep, waarbij zijn zoon Gepko betrokken was. Die betrokkenheid leidde er toe dat de Duitsers Hahn sr. en zijn fabriek in de gaten gingen houden. Op 3 november 1943 werd zonder enig resultaat huiszoeking bij hem gedaan, dus blijkbaar wist hij mensen en materiaal vakkundig te verbergen. De Duitsers moeten echter niet helemaal tevreden zijn geweest of wellicht (nogmaals) zijn getipt bij Hahn een kijkje te nemen, want in september 1944 komen ze een twee keer langs en in november 1944 een derde keer. Daarna werd het Hahn iets te heet onder de voeten. Hij dook zelf onder, maar wist niet lang uit Duitse handen te blijven. Op 4 december 1944 werd hij te Groningen gearresteerd en overgebracht naar de gevangenis te Assen. Voor ondervraging werd hij getransporteerd naar het beruchte Scholtenhuis te Groningen, waar hij ernstig werd mishandeld; onder meer werden zijn ribben gebroken, maar Hahn gaf geen namen prijs. (meer…)

DE HYPERBOREALE WERELD 1

Recent gebruikte Baudet twee keer het woord ‘boreaal’ in een politieke context gebruikt, waarbij hij zijn onwetende achterban steeds liet weten dat ‘onze boreale wereld’ niets anders is dan ‘een mooie, poëtische aanduiding van Europa, de westerse wereld of de westerse beschaving’. In zijn verklaring is het een neutrale term, die staat als aanduiding voor het gedeelte van de wereld dat wordt beschenen door de aurora borealis, beter bekend als het noorderlicht. Dit zijn dus  de westerse landen in Noord-Europa en Noord-Amerika. Terecht werden er echt al direct verbanden gelegd met het extreemrechts gedachtegoed, waarin de term toch een wat andere betekenis heeft. In extreemrechtse kringen is het namelijk een veelgebruikte eufemistische verwoording van de overtuiging dat Europa van oorsprong uit één enkele blanke bevolking bestond en de wens om dit zo te behouden. Vaak wordt voor de (her-)introductie van de term verwezen naar Jean-Marie Le Pen, die vanwege zijn veelvuldig geflirt met het nationaalsocialistische gedachtegoed door dochterlief uit de partij werd gezet. Niet dat die er veel anders over denkt, maar het is marketingtechnisch niet handig openlijk te laten weten je je de theorieën van Hitler en partijgenoten onderschrijft. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 22

HET CONGRES VAN BERLIJN (1878)

Anton Alexander von Werner (Frankfurt a/d Oder, 9 mei 1843 – Berlijn, 4 januari 1915) was een Duits schilder in het koninkrijk Pruisen. Hij kwam uit een vooraanstaande Pruisische officiersfamilie. Hij begon te schilderen in 1857 als student en studeerde vervolgens aan de Kunstacademie te Berlijn. Hij ging verder met zijn studies in Karlsruhe, waar hij studeerde onder Johann Wilhelm Schirmer, Ludwig Des Coudres, Adolf Schroedter en Carl Friedrich Lessing, allemaal zeer gerenommeerde schilders van portretten en historische taferelen. Bij zijn eerste expositie won hij een beurs die hem in de gelegenheid stelde om te reizen te maken. In 1867 bezocht hij Parijs en daarna Italië, waar hij enige tijd verbleef. Bij zijn terugkeer ontving hij verschillende opdrachten van de staat. Bij het uitbreken van de Frans-Duitse Oorlog in 1870 was Werner staflid van de staf van het Derde Legerkorps en verbleef hij in Frankrijk tot het einde van de campagne in 1871. In 1872 trouwde hij metMalwine Schroedter, de dochter van zijn voormalig leermeester. In 1873 werd hij professor van de Berlijnse Kunstacademie. Zijn carrière bereikte haar hoogtepunt in 1875, toen von Werner directeur werd van de Königliche Hochschule der bildenden Künste in Berlijn. Na 1888 verbleef hij aan het hof van Willem II om de keizser schilderles te geven. In 1909 werd hij directeur van de Nationalgalerie in Berlijn. Hij stierf in Berlijn in 1915 en werd opgebaard in de Alten Zwölf-Apostel-Kirchhof in Berlijn-Schöneberg. In Nederland laat de naam Anton von Werner niet echt allerlei belletjes rinkelen, maar in Duitsland heeft hij nog steeds een grote naam. Niet verwonderlijk want hij was de schilder van vele belangrijke gebeurtenissen in de Duitse geschiedenis. In een korte fil ‘The court paintings of Anton von Werner’ geeft daarvan een aardige illustratie, en anders is er altijd google-afbeeldingen nog. Zijn werk is vooral belangrijk vanwege de historische waarde van zijn weergave van de gebeurtenissen in de Frans-Duitse Oorlog, zoals in De Capitulatie van Sedan, Proclamatie van het Duitse Rijk te Versailles, Moltke voor Parijs, Moltke in Versailles, De Ontmoeting van Bismarck en Napoleon III, Willem I bezoekt de tombes en Het Congres van Berlijn. Von Werner schilderde de slotdag van het Congres van Berlijn (13 juli 1878), toen alle deelnemers in schijnbare grote tevredenheid en goede harmonie de slotacte ondertekende. Het schildering is 360 bij 615 meter groot.  (meer…)

02 – KANAAL ALMELO-NORDHORN (2)

Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het Kanaal Almelo-Nordhorn. Hieronder eerst een beschrijving die een kleine twintig jaar geleden over het kanaal werd geplaatst in De Volkskrant, als onderdeel van een serie columns over bijzondere waterwegen. Daaronder een fotografische sfeerimpressie van het kanaal. 

Een verstilde waterweg

In de oever is een bord geprikt, rood met een witte streep: verboden in te varen. Hier, in de haven van Almelo, begint het Kanaal Almelo-Nordhorn. Op de smalle strook braakland langs het kanaal komen drie nieuwbouwtorens. Een reclamebord kondigt ze aan: ‘Residentie. City Haven’,
Zelfs een kano komt niet ver op het Kanaal Almelo-Nordhorn. Straten lopen over het water zonder zich te verheffen. Buiten de stad zijn de oude jaagpaden voor de trekschuiten zandpaden of B-wegen geworden. Ernaast loopt een bibberig uitgesleten zandlint voor fietsers.
Voor de scheepvaart heeft het Kanaal Almelo-Nordhorn, waar in 1961 het laatste turfscheepje passeerde, nooit gedeugd. De plannen waren veelbelovend: het kanaal zou Twente verbinden met het Roergebied en het zou de transportader voor de landbouw en textielindustrie worden. Tweehonderd werklozen begonnen te graven, maar toen ze in 1889, na vijf jaar, de Pruisische grens bereikten, was daar niemand die verder groef. Pas in 1904 werden de resterende zeven kilometer naar Nordhorn doorgetrokken. Maar toen ging het meeste transport al over het spoor en de weg. (meer…)

02 – KANAAL ALMELO-NORDHORN (1)

Het Kanaal Almelo-Nordhorn verbindt de Nederlandse stad Almelo met de Duitse stad Nordhorn. Soms wordt ook wel de naam Almelo-Nordhornkanaal gebruikt en in Duitsland hanteert men Nordhorn-Almelo-Kanal, wat dan gemakshalve wordt afgekort tot NAK. Tegenwoordig is het niet meer erg zichtbaar, maar Almelo was een stad die vroeger met het water leefde. Niet echt verwonderlijk, want bij de stad, in het diepst gelegen deel van Twente, kwamen vroeger meerdere riviertjes bij elkaar. Op oude kaarten is dat nog goed zichtbaar. In de 17e en 18e eeuw was de stad dan ook voor het achterland een belangrijke overslaghaven. Over de Almelose Aa kwamen de de platbodems vanuit Zwolle aanvaren. Dat waren ondiepe boten, 2.70 breed en door hun lengte van circa 12 meter bezaten ze voortreffelijke zeileigenschappen. De stad kende twee havens: één haven was eigendom van de heer van Almelo en lag tegenover het toenmalige stadhuis (nu Wetshuys) en één haven lag tussen de Schuttenstraat en Prinsenstraat. Deze haven was eigendom van de stad. In de 19e eeuw voldeed het tonnage van de vrachtschepen, zompen van 12 ton, niet meer voor de opkomende textielindustrie. Deze industrie vereiste een grotere vaarweg en die kwam er in 1855 door het graven van het kanaal Almelo-Zwolle. Dit kanaal eindigde in een nieuwe haven in Almelo, ongeveer tegenover het huidige pand van café Nielz. Deze haven heeft 100 jaar bestaan en was buitengewoon handig met zijn loswal, direct gesitueerd aan de markt. (meer…)

CS-6

CS-6 was een linkse Amsterdamse verzetsgroep die haar naam ontleende aan het adres waar de groep haar oorsprong vond: Corellistraat 6 te Amsterdam, het woonadres van het gezin Boissevain. De familie Boissevain is een oud Amsterdams geslacht, afstammelingen van ene Lucas Bouysavvy, die vanwege de onderdrukking door de katholieken van het protestantse geloof zijn zaken in de omgeving van Bordeaux verkoopt en zich in 1691 in Amsterdam vestigt. De familie heeft in de loop der eeuwen vele vooraanstaande burgers binnen de Amsterdamse samenleving voortgebracht. Daartoe horen de broers Gideon (‘Gi’) en Jan Karel (‘Janka’) Boissevain, die in de zomer van 1940 met enkele medestudenten de verzetsgroep CS-6 oprichtte. In de kelder van hun ouderlijk huis maakten ze bommen om treinen te saboteren en een arbeidsbureau te overvallen, maar ook legde ze zich toe op de liquidatie van verraders. Gideon Boissevain (Schiedam, 6 juni 1921 – Overveen, 1 oktober 1943) werkte bij een levensverzekeringsmaatschappij. Jan Karel Boissevain (Schiedam, 24 mei 1920 – Overveen, 1 oktober 1943) zat op de Middelbare Technische School en werkte bij de Amsterdamse Telefoondienst. Beiden woonden bij hun ouders thuis, samen met hun zusjes Annemie en Sylvia. In de zomer van 1940 ondernamen de broers een mislukte poging om naar Engeland te varen op een van wijnvaten gemaakt vlot. Ze werden echter bij Texel opgepikt en moesten terug. Thuis in de Corellistraat 6 te Amsterdam ving moeder Mies Boissevain-van Lennep al Joodse vluchtelingen op. In de kelder was een werkplaats waar Janka en Gi hun verzameling telefoons hadden, waar springstof werd opgeslagen en waar ontstekingsmechanismes en tijdbommen gemaakt werden. De CS-6 groep probeerde gevangenentransporten tegen te houden door treinrails te vernielen. (meer…)

DE OORSPRONG VAN HET ANTISEMITISME – INLEIDING

Sinds de Oudheid zijn sentimenten van haat en afkeer jegens Joden, als vreemde minderheid binnen een samenleving, een constante. Al in het oude Egypte werden de Joden verdreven, door de Grieken was vaak sprake van een vijandige bejegening van Joden en Keizer Tiberius verbande ‘het vervloekte ras’, zoals de wijsgeer Seneca hen noemde, uit de stad Rome. In West-Europa begon de ellende pas goed vanaf de Eerste Kruistocht (1096-1099), een militair-christelijke expeditie om het Heilige Land terug te veroveren op de moslims, wat uiteindelijk resulteerde in de herovering van Jeruzalem. De start van die kruistocht ging in Duitsland gepaard met grote moordpartijen in  verschillende steden op de Joodse gemeenschappen door de boerenbevolking.Duizenden Joden in Rijnlandse steden werden vermoord, omdat de kruisvaarders (Duitsers, Oost- en West-Franken, Lagelanders en Engelsen) meenden dat de strijd tegen de ‘ongelovigen’ het beste daar al kon beginnen, voordat de ‘Saracenen’ in het Heilige Land werden aangepakt. Deze zogeheten Duitse kruistocht van 1096 ging de geschiedenis in als de eerste grote Jodenvervolging. De moordpartijen droegen een duidelijk religieus karakter. De joden werden in het gunstigste geval gezien als ‘blind’ omdat ze Jezus niet als de christus (messias) wilden erkennen, in het ergste geval waren het eenvoudig ketters die streng aangepakt moesten worden. Daarnaast kwam de notie van ‘godsmoordenaars’ op: de joden hadden Jezus gekruisigd en dus God vermoord (uitgaande dat Jezus God is volgens de drie-eenheid). In conservatieve christelijke kringen heerst deze opvatting vandaag de dag nog steeds. Sinds de vroege Middeleeuwen hebben religieuze argumenten, zoals oude theologische meningsverschillen tussen rabbijnen en de kerkvaders, steeds gediend om antisemitisch geweld te rechtvaardigen. (meer…)

DE ZIEKE MAN VAN EUROPA

Tot eind 18e eeuw was het Osmaanse Rijk een van de machtigste staten in Europa, een serieuze bedreiging voor Rusland en Oostenrijk. In de zestiende eeuw hadden de Osmanen de Balkan en het grootste deel van Hongarije veroverd. In 1529 was een eerste poging Wenen in te nemen mislukt, waarna een lange periode begon van slepende oorlogen, lange bestanden en kortdurende vredes. In 1683 stonden de Osmaanse legers, in totaal 138.00 man sterk, weer aan de poorten van Wenen, de hoofdstad van het aartshertogdom Oostenrijk in te nemen. Het was toentertijd ook de residentie was van keizer Leopold I van het Heilige Roomse Rijk en de zetel van de Habsburgse Monarchie. Het Beleg van Wenen begon op 14 juli 1683 en eindigde op 12 september 1683 toen de belegeringsmacht verslagen werd door een ontzettingsleger van 80.000 soldaten van de Duitse vorsten. De Osmanen sloegen op de vlucht, waarna de Grote Turkse Oorlog volgde waarin heel Hongarije voor hen verloren ging. In 1684 werd op het initiatief van de paus een Heilige Liga gevormd voor een gezamenlijke strijd van het christelijke westen tegen de islamitische Osmanen. Daarbij koos Frankrijk, het grootste christelijke land, om geopolitieke redenen de kant van de Osmanen. Het mislukte beleg van Wenen in 1683 wordt dan ook wel gezien als het begin van het einde van het Ottomaanse Rijk. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 026

Frans van den Muijsenberg / 2 januari 2001 / Lobith

JAN BONEKAMP

Jan Bonekamp (Velsen, 19 mei 1914 – Amsterdam, 21 juni 1944) was een Nederlands communist en verzetsman tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij het uitbreken van de oorlog was Bonekamp werkzaam als chauffeur bij de Hoogovens en lid van de Centrale Bond van Transportarbeiders. Hij is ook kaderlid van de Communistische Partij van Nederland. Op 15 september 1938 trouwde hij met Trien van den Brink. Op 30 april 1940 wordt een dochter geboren. In april-mei 1943 breken stakingen uit tegen een oproep voor Nederlandse militairen om in krijgsgevangenschap te gaan en uit algemene onvrede met de Duitse bezetting. Ook bij de papierfabriek Van Gelder en bij de Hoogovens in Velsen wordt gestaakt. Jan Bonekamp speelde een rol in de staking bij de Hoogovens, aanvankelijk met het verspreiden van illegale kranten en stakingsoproepen. Na de staking werd hij samen met tal van anderen opgepakt en verhoord. Omdat de Duitsers dachten de verkeerde Bonekamp in bewaring te hebben, werd hij vrijgelaten. Hij liep toen terug naar huis gelopen en verstopte zich daar onder de vloer, maar beslot vervolgens elders onder te duiken. Hij besluit bij het gewapend verzet aan te sluiten. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 21

HANS GEUL

Hans Geul (Blora, Nederlands-Indië, 12 mei 1916 – Overveen, 1 oktober 1943) was woonachtig in Den Haag, waar hij lid was van de plaatselijke atletiekvereniging Vlug & Lening. Hij was een sprinter die in de tweede helft van de jaren dertig van de vorige eeuw tot goede prestaties kwam (beste tijd 10,8 seconden). Als 20-jarige maakte deel uit van de Nederlandse delegatie voor de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn. Hij was meegenomen als reserve voor de 4 x 100 m estafetteploeg. In de basisopstelling van deze ploeg stonden echter wereldtoppers als Chris Berger, Wil van Beveren (de vader van Nederlands beste keeper ooit, Jan van Beveren) en Tinus Osendarp, de latere collaborateur en SS’er die medeverantwoordelijk zou worden voor de arrestatie en dood van tientallen verzetsmensen. Hans Geul kreeg in Berlijn geen kans om in actie te komen en er zou ook geen tweede mogelijkheid meer komen. De Nederlandse ploeg zou uiteindelijk in de finale, op weg naar een vrijwel zekere derde plaats, het estafettestokje verliezen en daardoor worden gediskwalificeerd. Na het afronden van zijn studie in Amsterdam aan de academie voor lichamelijke opvoeding voor leraar MO was hij in de eerste oorlogsjaren trainer bij het Amsterdamse AV’23 en aan de St. Vincentiusscholen. In mei 1940 nam Hans Geul als dienstplichtig korporaal deel aan de strijd tegen de Duitsers. Omdat hij niet wilde voldoen aan de oproep van de Duitsers aan Nederlandse militairen in 1943 om terug te keren in krijgsgevangenschap, werd hij ontslagen en dook onder. Hij deed nog een vergeefse poging naar Engeland te vluchten, maar werd opgepakt. Het lukte hem echter te ontsnappen en dood toen onder bij zijn vriend Marten Klasema en diens vrouw. Klasema en Geul waren op dezelfde dag jarig en omdie reden noemde ze elkaar wel eens ‘tweelingbroers’. Hij kende Klasema van de Olympische ploeg van 1936, waar Klasema de 15e plaats haalde bij het hink-stap-springen met een sprong van 14,43 meter en ook deelnam aan het verspringen, maar de kwalificatie-eis van 7,15 meter zich niet haalde. Hij zou later vier keer de Elfstedentocht uitrijden. (meer…)

PUNCH

Punch was een Brits satirisch en humoristisch tijdschrift dat grote populariteit had in de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw. Het is wereldberoemd geworden door de vele maatschappijkritische cartoons die door het blad werden gepubliceerd. Met de satirische teksten en prenten werd op humoristische wijze maatschappijkritiek of kritiek op personen. De doelwitten konden personen, politici, tradities, religie, kunstenaars, entertainers, media, normen, waarden, trends zijn. Niet alles was uitsluitend humoristisch bedoeld, want sommige satires waren redelijk agressief en scherp en hadden als doel te provoceren of tot actie aan te zetten. Het blad werd opgericht in 1841 en publiceerde tot 1992. Tijdens de Tweede Wereldoorlog haalde het blad haar hoogste oplage (175.000 exemplaren), maar daarna daalde de afzet zo sterk dat in 1992 werd besloten dat het na iets meer dan 150 jaar welletjes was geweest. De Egyptische zakenman Mohamed Al-Fayed kocht in 1996 de rechten op de naam en probeerde vervolgens het blad nieuw leven in te blazen, maar zes jaar later moest hij erkenning dat het een mislukt avontuur was. In 2002 had het blad nog slechts een schamele 6.000 abonnementen en hield Punch definitief op te bestaan. (meer…)

NATIONALE DODENHERDENKING

01 – KANALEN IN DE BENELUX

Geert Mak beschrijft in ‘Lopen met Van Lennep. De zomer van 1823’ hoe begin 19e eeuw het Nederlandse landschap eruit ziet aan de hand van het dagboek van Jacob van Lennep. De latere auteur maakt samen met zijn studievriend Dirk van Hogendorp een rondreis door het prille koninkrijk. In de dagboeken komen alle toenmalige middelen van transport wel een keer langs. Op een regenachtige dag gaan ze met de trekschuit van Leeuwarden naar Dokkum, op andere dagen hobbelen ze in karren en diligences door het land. Met een vissersschuit steken ze de toenmalige Zuiderzee over en verder wordt er bijna dagelijks vele kilometers te voet afgelegd. Bijna alle grotere wegen waren bezaaid met tolhekken.  Een tijd met in moderne ogen een verbijsterende traagheid van bestaan, door amper bevolkte streken, met eindeloos oponthoud bij sluizen en bruggen en al even eindeloos wachten vanwege slechte weersomstandigheden. Snelheid was in 1823 niet de allesbepalend norm, want iedereen besefte dat men vertraging moest accepteren als een onvermijdelijk deel van het leven. Het is lang voor de komst van de spoorwegen, ook de eerste fiets moest nog zijn intrede doen en de introductie van de auto zou nog langer op zich laten wachten. De diligence was het snelste vervoersmiddel, maar het kostte nog steeds zes uur om van Utrecht naar Den Bosch te gaan. Het was druk op de wegen met allerhande voetvolk, die een flinke infrastructuur van herbergen en logementen ter beschikking hadden. De afstanden werden niet uitgedrukt in kilometers, maar er werd aangegeven hoeveel uur gaans de volgende stad of dorp was. (meer…)

VAN KOL EN NEDERLANDS-NIEUW-GUINEA

In de 16e eeuw verkenden Spaanse en Portugese ontdekkingsreizigers het oostelijk deel van het eiland Nieuw-Guinea. Het eiland trok daarna vooral de belangstelling van Nederlanders, die de soevereiniteit over Nieuw-Guinea binnen Nederlands-Indië opeiste via zijn heerschappij over het sultanaat Tidore. Dit was een sultanaat op een Moluks eiland ten westen van Halmahera. In 1660 sloot de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) een verdrag met dit sultanaat, waarbij ze haar protectoraat over de Papoea’s, de bevolking van Nieuw-Guinea, erkende. Dit sloeg waarschijnlijk op enkele Papoease eilanden in de buurt van de Molukken; in ieder geval heeft Tidore nooit gezag over Nieuw-Guinea uitgeoefend en moet dit protectoraat dan ook als een juridische fictie worden beschouwd. In 1872 erkende Tidore de soevereiniteit van het Koninkrijk der Nederlanden en gaf het Nederland toestemming bestuur te vestigen in zijn gebieden, wanneer het Nederlands-Indische gouvernement daartoe de behoefte voelde. Daarmee kon Nederland een aanspraak op het gebied Nieuw-Guinea dus rechtvaardigen. Door de komst van Britten en Duitsers moesten grenzen tussen de diverse nationaliteiten worden vastgesteld. In 1884 werd bij een verdeling onder de koloniale machten (Congres van Berlijn) de zuidelijke helft van het oostelijk deel van het eiland in Britse handen, dat vanaf dat moment Brits-Nieuw-Guinea werd genoemd.  De noordelijk helft van het oostelijk deel van het eiland kwam in Duitse handen, die het deel omdoopte tot Keizer Wilhelmsland. De 141ste meridiaan werd als oostgrens gesteld. In 1898 ging het Nederlandse gouvernement ertoe over bestuursposten te vestigen in Fakfak en Manokwari, en in 1902 in Merauke. Dit gebeurde voornamelijk wegens gebiedsuitbreiding door de Britten en de Duitsers in het oosten; men wilde voorkomen dat Groot-Brittannië en Duitsland de grens nog meer naar het westen zouden opschuiven. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 025

Frans van den Muijsenberg / 3 oktober 2007 / Alanya (Turkije)

HERMAN VAN DEN REECK

Herman Van den Reeck (Borgerhout, 21 april 1901 – Antwerpen, 12 juli 1920) was een Vlaams student die tijdens een betoging door de politie werd neergeschoten.  Hij was al op zeer jeugdige leeftijd bedrijvig in de Vlaamse Beweging en engageerde zich tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Activisme, de benaming voor het deel van de Vlaamse Beweging dat via de collaboratie met Duitsland een aantal Vlaamse grieven en zelfs Vlaamse onafhankelijkheid hoopte te verwezenlijken. Ze noemden zichzelf ‘Maximalisten’ en spraken ietwat denigrerend over dat deel van de Vlaamse beweging dat samenwerking met de bezetter afwezen (‘Passivisten’ of ‘Minimalisten’) Het Activisme begon met de oprichting van de groep Jong-Vlaanderen in oktober 1914 te Gent, onder leiding van dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard. De oprichting werd flink ondersteunt door de zgn. Flamenpolitik van de Duitse bezettende macht, waarvan gouverneur-generaal Moritz von Bissing de grote architect was. Het doel was tweedracht in België te zaaien door allerlei vooroorlogse Vlaamse eisen in te willigen en via de activisten België te kunnen controleren. Zo werd onder andere in oktober 1916 de Universiteit Gent geheel vernederlandst, waarna ze door velen smalend de Von Bissing-universiteit werd genoemd. In februari 1917 richtte de Duitse regering een marionettenregering op, de Raad van Vlaanderen, om het activisme internationale legitimiteit te verschaffen. Deze Raad ging in maart 1917 op bezoek bij de Duitse regering in Berlijn. In maart 1917 zou dezelfde Von Bissing België opdelen in twee afzonderlijke taalgebieden. De Raad van Vlaanderen vergaloppeerde zich door in december 1917 deze scheiding aan te grijpen om de onafhankelijkheid van Vlaanderen af te kondigen, maar dar werd door de Duitsers snel afgezwakt tot ‘autonomie’. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 20

WATERSNOODRAMP 1926 (3)

Op het Gelders Eiland zijn vanaf de aanleg van de eerste dijken in de dertiende eeuw tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw tientallen grote dijkdoorbraken en overstromingen geweest. Eeuwenlang is het water een niet te beheersen onderdeel van het dagelijkse leven geweest. De Watersnoodramp van 1926 is de laatste grote dijkdoorbraak en overstroming geweest. In twee afleveringen ooggetuigenverslagen van deze gebeurtenis, waarvan Deel 1 op 28 maart werd geplaatst.

J.H. Breuking, in: De kroniek voor het St. Michaëls-Gesticht, 1973
In 1926 maakte de oude heer Rijn er een waterballet van de bovenste plank van. In de dagen rond Kerstmis was ’t water al hoger en hoger komen te staan, zodat de toestand dreigend begon te worden. Dag en nacht werden overal de dijken bewaakt. Vanaf 2 januari mochten de kerkklokken niet meer geluid worden dan alleen bij een dijkdoorbraak.
Op 5 januari had je dan het gedonder in de glazen: om kwart over zes werd de koster uit z’n bed getrommeld met het bericht, dat er een doorbraak was in de Deukerdijk bij Pannerden. Zo gauw z’n benen hem dragen konden, rende Mulder naar de kerk en hing hij al gauw aan de touwen. Angstaanjagend gebeier klonk over het duistere dorp. Iedereen schrok op en massaal hees de bevolking zich in de kleren. Ook de zusters natuurlijk. De nodige voorzorgsmaatregelen hadden zij al genomen: de kelder was ontruimd, de aardappelen en allerlei andere etenswaren waren een verdieping hoger gebracht. (meer…)

WATERSNOODRAMP 1926 (2)

Op het Gelders Eiland zijn vanaf de aanleg van de eerste dijken in de dertiende eeuw tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw tientallen grote dijkdoorbraken en overstromingen geweest. Eeuwenlang is het water een niet te beheersen onderdeel van het dagelijkse leven geweest. De Watersnoodramp van 1926 is de laatste grote dijkdoorbraak en overstroming geweest. In twee afleveringen ooggetuigenverslagen van deze gebeurtenis.

L. Haggenburg, in: Het dorp Pannerden, 1931
En zoo naderde de 5e Januari 1926, het water stond ongekend hoog tot aan de kruin der dijken. Gevaar was er, maar bijna niemand besefte het: ook de uitgezette dijkwacht had er geen erg in wat ramp er over ons dorp zou komen. En zoo woelde het water onder den op moerassigen bodem gelegen dijk voort, tot deze eindelijk bezweek en het water met donderend geweld zich in den polder verspreidde en mensch en dier verraste, nog in diepen slaap verzoeken.
Op dezen tijd nu kwam Hend Wezendonk, die op den rijksbandijk wacht had gehouden naar huis, toen hij plotseling geruisch en gebrul hoorde. Wat was dat, zoo vroeg hij zichzelven af. Het antwoord was er spoedig, want zie daar kwamen de golven reeds aanrollen. Zich voortspoedende wekte hij nu nog links en rechts wie hij bereiken kon en zoo herinner ik mij nog hoe hij in de kom des dorps verscheen, luid roepende: Minsche, diekdeurbraak, diekdeurbraak.
Al spoedig begonnen de klokken te luiden en kwam alles in rep en roer om te redden wat er nog te redden was. Gelukkig was ’t inmiddels al in ’t vergevorderde morgenuur, het begon te schemeren, zoodat eenieder kans zag zich te redden en er dus geen menschenlevens te betreuren waren. Aan vee ging verloren: 12 koeien, 47 varkens, 40 biggen, 2555 kippen, 3 geiten, 10 schapen, 80 konijnen en 1 paard (uit: “De Post” van 26 april 1926). De schade aan gebouwen geleden bedroeg ƒ 48000, aan roerend goed ƒ 112.278. (meer…)

LEOPOLD VERMEIREN

Leopold Vermeiren (Deurne, 7 april 1914 – Mortsel, 14 december 2005) was een van de grootste jeugdschrijvers van Vlaanderen en vooral bekend als auteur van de De Rode Ridder-boeken. Hij heeft 64 verhalen geschreven over Johan, De Rode Ridder, waarvan tot op heden één miljoen exemplaren zijn verkocht. Vermeiren behaalde het diploma van onderwijzer. Na het beëindigen van zijn studies aan het Hoger Instituut voor Opvoedkunde te Antwerpen werd hij onderwijzer aan de oefenschool van de normaalschool, de school waar opleidingen tot leraar gegeven worden. Van 1949 tot 1973 was hij rijksinspecteur voor het basisonderwijs. Zijn eerste roman, Orolf, de roofridder, schreef hij al op zestienjarige leeftijd. In zijn beginperiode schreef hij hoofdzakelijk voor volwassenen, maar na de Tweede Wereldoorlog schreef hij nog bijna uitsluitend voor de jeugd, die zijn boeken wel enthousiast begroette. In het begin schreef hij verhaaltjes voor jeugdblad De Kleine Zondagsvriend, geïllustreerd door Paul Ausloos. Even later begon hij deze gebundeld uit te geven. Hij kwam daarna in contact met Willy Vandersteen, die besloot een stripreeks over De Rode Ridder te maken. In 1959 verscheen van de hand van Willy Vandersteen de eerste De Rode Ridder-strip. De Rode Ridder-strips werden een van de meest succesvolle en langstlopende reeksen uit de geschiedenis van Studio Vandersteen. Slechts de oplagecijfers van Suske en Wiske waren indrukwekkender. Vermeiren heeft zich nooit zelf met de strips beziggehouden. Enkele van zijn werken verschenen zelfs in het Esperanto, waaronder één Rode-Ridder-verhaal. Hij werkte ook mee aan Zonneland, Zonnestraal en Zonnekind, weekbladen voor kinderen van diverse leeftijdscategorieën uitgegeven in Uitgeverij Averbode. Zijn archief wordt bewaard in het Letterenhuis (vroegere AMVC) in Antwerpen. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 19

TROTSKI

Leon Trotski (Janivka, 7 november 1879 – Coyoacán, Mexico, 21 augustus 1940) was een Russische marxistische revolutionair en theoreticus, een Sovjet-politicus en de stichter en eerste leider van het Rode Leger. Hij werd geboren als Lev of Leiba Bronstein in een Joods gezin in een dorp dat tegenwoordig in Oekraïne ligt. Toen hij zeventien was sloot hij zich aan bij de Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP). Twee jaar later werd hij voor het eerst gearresteerd wegens revolutionaire activiteiten. Na een paar maanden in eenzame opsluiting werd hij verbannen naar Siberië. Hij wist daar echter te ontsnappen en ging naar Londen. Op het Tweede Congres van de Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij in Londen in 1903 sloot hij zich aan bij de mensjewieken, wat Stalin later tegen hem zou gebruiken. In september 1904 nam Leon Trotski afstand van de mensjewieken omdat zij er voor kozen om met de Russische liberalen te willen samenwerken. Trotski noemde zichzelf in de periode 1904 tot 1917 een “niet-factionele sociaaldemocraat”, dat wil zeggen een lid van de RSDAP die geen keuze heeft gemaakt tussen de stromingen en pleitte voor een verzoening van de mensjewieken en bolsjewieken. Dat zeer tegen de zin van Lenin. In Sint-Petersburg nam hij in 1905 de leiding van de eerste sovjet op zich. Hij werd weer gearresteerd en weer naar Siberië verbannen, maar opnieuw wist hij te ontsnappen. Trotski bracht als revolutionair activist en balling een paar jaar in Europa door. Wegens het opzetten van een communistische organisatie in Parijs werd hij Frankrijk uitgewezen. Hij vertrok naar de VS en keerde in mei 1917 terug naar Sint-Petersburg (inmiddels Petrograd geheten) waar hij het voorzitterschap van de plaatselijke sovjet op zich nam. Net vóór de Oktoberrevolutie van 1917 koos hij de kant van de bolsjewieken en werd uiteindelijk een leider binnen de partij. Tijdens de begindagen van de Sovjet-Unie diende hij eerst als volkscommissaris van Buitenlandse Zaken en later als stichter en aanvoerder van het Rode Leger als volkscommissaris van Militaire en Maritieme Zaken. Hij was een belangrijk figuur in de bolsjewistische overwinning van de Russische Burgeroorlog. Ook was hij een van de eerste leden van het Politbureau. Na het leiden van een mislukte strijd van de Linkse Oppositie tegen het beleid en de opkomst van Jozef Stalin in de jaren 1920 en de toenemende rol van de bureaucratie in de Sovjet-Unie, werd Trotski achtereenvolgens afgezet (1927), uit de Communistische Partij gezet en uiteindelijk verbannen uit de Sovjet-Unie (1929). Als hoofd van de Vierde Internationale bleef Trotski in ballingschap in Mexico voortdoen met het voeren van oppositie tegen de stalinistische bureaucratie in de Sovjet-Unie. Trotski was al vroeg voorstander van een interventie van het Rode Leger tegen het Europese fascisme en dus in de late jaren 1930 tegen Stalins non-agressiepact met Adolf Hitler. Trotski’s ideeën waren strijdig zijn met de theorieën van het stalinisme en vormden de basis van het trotskisme ofwel revolutionair socialisme, nog steeds een belangrijke stroming binnen het marxisme. Hij werd uiteindelijk in 2001 in Rusland gerehabiliteerd. (meer…)

WATERSNOODRAMP 1926 (1)

Op het Gelders Eiland zijn vanaf de aanleg van de eerste dijken in de dertiende eeuw tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw tientallen grote dijkdoorbraken en overstromingen geweest. Eeuwenlang is het water een niet te beheersen onderdeel van het dagelijkse leven geweest. In De Waterplaag van J. W. van Petersen wordt een indrukwekkend overzicht gegeven van alle doorbraken die de bewoners van het Gelders Eiland in de loop der eeuwen te trotseren hadden. Na de laatste grote overstromingen eind negentiende eeuw was men begonnen met verbetering van de Rijn en zijn zijtakken. Vervolgens kwam de Maas aan de beurt en werden beneden Heerewaarden grote verbeteringswerken uitgevoerd. Na de voltooiing hiervan in 1904 werden ook plannen gemaakt voor verbetering van de Maas stroomopwaarts. Problematisch daarbij was vooral het riviervak beneden Grave, waar ter hoogte van Beers langs de beide Maasoevers geen dijken, maar slechts lage kaden lagen, de zogeheten Beerse Overlaat. Bij hoge rivierstanden liep dit gebied altijd onder water. Aan Brabantse kant wilde men hier graag dijken maken, maar aan Gelderse kant zag men in de zijdelingse afleiding van het Maaswater een noodzakelijke veiligheidsklep voor de eigen dijken. Uiteindelijk was besloten tot een beperkte verhoging van de overlaat, die in 1922 werd uitgevoerd.  (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 024

Frans van den Muijsenberg / 14 april 2010 / Nijmegen, St. Stevenskerk, kunstwerk van Van Eck

HENDRIK DIENSKE (28)

Hendrik Dienske (Schiedam, 30 juni 1907 – Beendorf, 16 februari 1945) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als reserve-eerste-luitenant der Artillerie diende Dienske tijdens de meidagen van 1940 bij het 10e Regiment Artillerie, dat deelnam aan de strijd om Rotterdam. Nadat hij op 17 juni 1940 was gedemobiliseerd, bleef hij contact onderhouden met officieren, onderofficieren en manschappen van zijn legeronderdeel. Hij legde daarmee de basis voor zijn latere werk in het verzet. Dienske woonde me zijn gezin met zes kinderen aan de Dintelstraat in Amsterdam, vlakbij de Waalkerk waar hij ouderling was. Rond die kerk ontstaat in november 1940 een kleine verzetsgroep, die Joodse onderduikers voorziet van schuilplaatsen. Deze groep reisde stad en land af om in gereformeerde kringen de strijd tegen het nationaalsocialisme te stimuleren. Zelf herbergt hij in zijn woning ook een aantal onderduikers. Dienske koos voor zichzelf een schuiladres in de Waalstraat. Hij werd ‘de meneer uit de Waalstraat’ genoemd, bediende zich van de schuilnamen Van Bergen en De Ridder en had regelmatig contact met ‘Bolhoed’, Gerrit van der Veen.

Dienske was ook penningmeester van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), waar aan het begin van de oorlog voormalig minister-president Hendrik Colijn de leider was. De ARP kwam vanwege haar halsstarrige houding ten opzichte van de bezetter al snel onder druk te staan. Massameetings van de partij werden verboden, het blad Hou en Trou mocht ook niet meer verschijnen en in oktober 1940 werden een groot aantal ARP-leden gearresteerd. Enkele dagen na die arrestaties riep Colijn twaalf uitverkorenen bijeen in Pulchri Studio in Den Haag. Colijn vreesde dat het niet lang zou duren voor ook hij gevangen gezet zou worden en dat binnen niet al te lange tijd een algemeen verbod op politieke partijen zou volgen. In beide gevallen kreeg hij gelijk. Hij hield de ‘Twaalf Apostelen‘ voor dat ze een ‘schaduworganisatie’ moesten gaan vormen om na de opheffing van de ARP de achterban blijvend geestelijk te mobiliseren en weerbaar te houden. Hendrik Dienske was één van die twaalf personen. (meer…)

WILLEM DOLLEMAN

Willem Frederik Dolleman (Gorssel, 29 juli 1894 – Kamp Amersfoort, 13 april 1942) was één van de belangrijkste personen binnen de revolutionair-socialistische beweging in het interbellum. Het arme hervormde arbeidersgezin in het Gelderse dorp Gorssel waarin hij opgroeide verhuisde in 1897 naar Den Haag. Hij bezocht daar de lagere school en leerde daarna het bakkersvak, hetzelfde beroep dat zijn vader had en net als hij heeft hij dat beroep tot zijn dood heeft uitgeoefend. Zijn zusje overleed in 1915 op 11-jarige leeftijd aan tuberculose. Een ziekte die in de volksmond ‘de tering’ werd genoemd. Mensen met genoeg geld wisten meestal aan deze ziekte te ontsnappen door betere voeding, medicijnen en sanatoria. Willem is bedroefd én razend: Met bleek pijnlijk gezichtje lag je op je sterfbed, de oogen gesloten. Even deed je ze open toen ik een kus – de laatste – op je voorhoofd drukte. Met je lieve blauwe oogen keek je me nog eenmaal aan, om ze enkele uren later voorgoed te sluiten. Arme kleine! Hooger slaan de vlammen van haat in mij op, ik zal je wreken! Met verdubbelde kracht en energie zal ik den strijdbijl hanteren en mocht ooit de vijand trachten met sluwe list mij van den juisten weg, den onverzoenlijken strijd af te houden, zal ik steeds denken aan jou, jouw korte leven en droeve dood!’. Een belofte waar Willem zich aan zou houden. (meer…)

KINDERARBEID

Kinderarbeid komt overal ter wereld voor. Tot aan de 19e eeuw was kinderarbeid ook in Nederland heel gewoon. In de negentiende eeuw hadden in de westerse wereld de fabriekseigenaren graag kinderen in dienst omdat het erg goedkope arbeidskrachten waren. Kinderarbeid was dan ook een normaal verschijnsel. Kinderen werkten op het land, in de winkel of in de werkplaats. Een overstapje naar werken in een fabriek was dus niet zo verwonderlijk. Dat werk werd niet alleen nuttig gevonden omdat ze er wat van konden leren, maar was vaak ook nodig om het karige gezinsinkomen te verhogen en daarmee het eten, drinken, kleding en onderdak te kunnen betalen. De directeuren van fabrieken vonden het ook niet erg om kinderen als werknemers te hebben: je kon de kinderen makkelijker iets laten doen. De volwassenen klaagden eerder over sommig werk, terwijl kinderen met hun kleine handen veel makkelijk tussen de machines konden, wat de volwassenen niet konden omdat ze grotere handen hebben> de belangrijkste factor was echter dat kinderen aanzienlijk goedkoper waren dan de volwassenen. Hoe meer kinderen konden worden ingezet, hoe hoger de winsten waren voor de fabriekseigenaren. (meer…)

PEEKOFFIE EN ‘BUISMAN’

Eind 17e eeuw was koffie in Nederland nog een exotische en exclusieve drank. Slechts de gegoede burgerij kon het zich veroorloven koffie te kopen. Omdat het als een mysterieuze drank werd beschouwd, kenden sommige mensen er magische krachten aan toe. Zo ontstond het koffiedikkijken, wat met een geleerde naam tasseografie wordt genoemd. De cliënt en de waarzegger drinken eerst een kop koffie en daarna gaat de waarzegger het achtergebleven patroon in het koffiedik interpreteren. Soms wordt de cliënt gevraagd om eerst nog in de drab te roeren of deze op een schoteltje te doen. Ook kan gebruikgemaakt worden van een kop of schotel waarop afbeeldingen staan van bijvoorbeeld de dierenriem, speelkaarten of andere symbolen. De afbeeldingen die niet met koffiedik bedekt zijn, zijn op de cliënt van toepassing. Een aanverwante methode gold voor theedrinken en voorspellingen aan de hand van de overgebleven theeblaadjes. Uiteraard kon een gewiekste waarzegger bij het koffie- of theedrinken de cliënt eerst uithoren, waarna precies kon worden voorspeld wat de cliënt graag wilde horen. Deze vorm van oplichterij is inmiddels buiten gebruik geraakt, maar leeft voort in de uitdrukkingen ‘dat is voor mij koffiedik kijken’ of ‘dat heb je zeker in het koffiedik gezien’ om aan te geven dat een voorspelling niet te doen is of dat iemands verhaal ongeloofwaardig is.
(meer…)

SURVIVOR CAFÉ

Elisabeth Rosner groeide op in Schenectady, New York als dochter van ouders die beiden de Holocaust overleefden. Ze heeft gestudeerd aan Stanford University en de universiteit van Queensland (Australië). Rosner schreef drie romans en een poëziebundel. The Speed of Light stond onder andere op de shortlist voor de prestigieuze Prix Femina, won enkele internationale prijzen en werd in negen talen vertaald (in het Nederlands: De snelheid van het licht). Blue Nude werd door de San Francisco Chronicle een van de beste boeken van 2006 genoemd; Electric City kreeg dat predicaat in 2014 van de Amerikaanse radio-omroep NPR. Van Rosners verschenen verder essays en recensies in het New York Times Magazine, Elle en de San Francisco Chronicle. In september 2017 verscheen van haar Survivor Café, waarvoor de schrijfster opnieuw internationaal wordt geroemd.

Twee kleine kanttekeningen bij de verder voortreffelijke Nederlandse vertaling, die erg snel op de markt was: Het is natuurlijk een enorme misser om in het boek Buchenwald stelselmatig te vertalen als Berkenbos in plaats van Beukenbos. Verder blijft het ergerlijk dat Nederlandse uitgeverijen niet het besef hebben dat Holland en Nederland geen synoniemen zijn. Dat buitenlandse auteurs, en Rosner is daarop helaas geen uitzondering, bijna stelmatig over Holland spreken als ze The Netherlands bedoelen, ontslaat de uitgevers niet van de verplichting te zorgen voor een correcte naamsvermelding van ons land. (meer…)

PETRUS REGOUT

De beroemde Sphinx aardewerkfabriek van Petrus Regout in de Maastrichtse binnenstad was lang na zijn overlijden nog steeds onderwerp van emotionele discussie. Regout wordt algemeen afgeschilderd als een monster, de grote uitbuiter van het ganse wereldproletariaat, een man wiens trouwste bondgenoot de dood zelve was en een slavendrijver van het middeleeuwse soort die zijn arbeiders in ‘moordholen’ liet werken. Zijn vele fabrieken in Maastricht waren niet minder dan een voorportaal van ziekte, zedeloosheid en sterfte. In 1934 publiceerde de socialistische politicus Michael Ubachs een tweehonderd pagina’s dik boek waarin dat inktzwart beeld van Petrus Regout (1801-1878) werd neergezet. De oprichter van de Sphinxfabrieken en Nederlands eerste grootindustrieel was in zijn ogen geen gemiddelde uitbuitende kapitalist, wat op zich al erg genoeg zou zijn geweest, maar Regout was niet minder de bron en oorzaak van “de ellende en ongeëvenaarde uitbuiting van het vakbekwame en nijvere proletariaat in de oude Maasstad.” Het portret heeft wat karikaturale trekjes, maar in de kern wordt het nog altijd als een betrouwbaar portret gezien. Het boek werd dan ook in 1976 opnieuw uitgegeven. (meer…)

PIETER JANSZOON JONG

Pieter Janszoon Jong (Lutjebroek, 24 februari 1842 – Montelibretti, 13 oktober 1867) was een Nederlands soldaat die naam maakte bij gevechten in Italië. Hij stond bekend als de reus uit Lutjebroek en nam als jongeman dienst bij de Pauselijke Zoeaven, die de Kerkelijke Staat moesten verdedigen tegen de Garibaldisten, die een onafhankelijk en verenigd Italië nastreefden. Giuseppe Garibaldi (Nice, 4 juli 1807 – Caprera, 2 juni 1882, een Italiaans generaal, politicus en generaal, speelde een centrale rol in de Italiaanse eenwording, de Risorgimento. Vanaf 1860 streed hij met zijn Roodhemden om alle diverse staatjes te verenigen. Het was onvermijdelijk dat hij hierbij stuitte op de machtige Kerkelijke Staat, die grote delen van het land onder haar controle had en dat niet zonder slag of stoot wilde afgeven. Het streven naar eenwording werd door de Kerkelijke Staat, met paus Pius IX voorop, al direct opgevat als een tegen hen en tegen het katholieke geloof gerichte opstand.
Om de prille beweging 
neer te slaan werd in 1861 het Korps der Pauselijke Zouaven opgericht. Graaf Becdelievere, de oprichter van het korps, was erg onder de indruk van de Noord-Afrikaanse kledij van de stam Kabylen, die door de Fransen zouaves genoemd. Hij nam de naam over, maar ook de kledij: blauwgrijze pofbroek, rode buikband, blauwgrijs vest en bolero-jasje met rode versiering. Jonge katholieken mannen werden door heel Europa gerecruiteerd om voor de Paus de vechten. In de periode 1861-1870 hebben er zeker meer dan 11.000 vrijwillige jonge mannen zich aangemeld. Hiervan was een opvallend groot deel Nederlands, 3.181 man om precies te zijn. (meer…)

TJEERD PANNEKOEK (27)

Tjeerd Pannekoek (Hornhuizen, Kloosterburen, 1 december 1886 – Mauthausen, 18 december 1944) nam binnen de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) een vooraanstaande plaats in. Hij was gemeenteraadslid van Coevorden en lid van de Provinciale Staten va Groningen. Hij was verder hoofdbestuurder van de Nederlands Christelijke Landarbeidersbond (NCLB), die voor de oorlog een grote bond binnen de CNV was. Toen de oorlog uitbrak veranderde er de eerste maanden weinig. Op 16 juli stelde Suyss-Inquart een NSB-er aan het hoofd van de CNV, toen op 25 juli 1941 de bezetter probeerde de NCLB over te nemen, stapte het NCLB-bestuur op en waarna de bond werd opgeheven. Pannekoek ging in het verzet (schuilnaam Theo of Nap) en kwam bij de Verzetsgroep Garrelsweer, die onder leiding stond van Tjaako Zijlema. Door zijn vele relaties kon hij een belangrijke rol spelen binnen de LO. Hij werkte onder meer samen met de Nul-groep, de groep-Jaap Kroon en met verzetslieden als J.P. Gootjes en P. Gootjes. Pieter en Jacob Pieter (Jaap) Gootjes waren lid van een knokploeg en zo betrokken bij het gewapend verzet tegen de Duitse bezetters. In juni 1943 voerde hun knokploeg een succesvolle overval uit op het distributiekantoor van het Friese Langweer. Na nog een aantal overvallen besloten de leden van de groep onder te duiken. De gebroeders Gootjes verborgen zich in de buurt van Toornwerd, bij Middelstum. Ze werden in februari 1944 ontdekt door de Duitsers en er brak een vuurgevecht uit. Pieter (28 jaar) en Jaap (23) wisten nog te vluchten, de landerijen op, maar een van de broers raakte gewond. De ander wilde hem blijkbaar niet in de steek laten en zo werden beiden uiteindelijk doodgeschoten. Bij de hervormde kerk in Baflo is een monument ter herinnering aan de vijf slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog uit het dorp. Ook de namen van P. en J.P Gootjes zijn erop vermeld. Ook een straatnaam in het dorp herinnert aan het tragische einde van deze twee zonen van de gereformeerde predikant van Baflo. (meer…)

SAMUEL VAN HOUTEN

Samuel van Houten (Groningen, 17 februari 1837 – Den Haag, 14 oktober 1930) was een Nederlands liberaal politicus. Hij was de zoon van een doopsgezinde houthandelaar en liberaal lid van de Groningse gemeenteraad en provinciale staten. Zijn zus  was de schilderes Sientje van Houten, de echtgenote van Hendrik Willem Mesdag. Op 29 juni 1861 trad hij in het huwelijk met Elisabeth van Konijnenburg, met wie hij vijf dochters en twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 16 juni 1872 hertrouwde hij op 3 juni 1873 met Hermine Leendertz, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

In 1859 sloot Van Houten zijn rechtenstudie af met een dissertatie op het het gebied van de staathuishoudkunde. Onderwerp was de economische theorie over ‘de waarde’, waarbij hij als één der eersten afweek van het waardebegrip van de klassieke liberale theoretici over de vrije concurrentie. Hij stelde dat dit model teveel alleen economisch van aard was, te weinig rekening hield met sociale en historische factoren en daardoor te weinig geschikt was voor de dagelijkse praktijk. In het proefschrift nam hij daarmee stelling tegen de ideeën van Adam Smith en Ricardo en verkreeg enige bekendheid als theoreticus op het gebied van de economie. Hij zou vaker drastisch afwijken van de liberale grondprincipes (zie artikel op Huygens Ing), vooral in het begin van zijn carrière. Bij zijn binnenkomst in de Tweede Kamer gold hij als uiterst progressief. Zo zette hij zich af tegen de leer van staatsonthouding van Thorbecke, brak ook al snel met de liberale voorman, die door zijn vader juist werd vereerd. Geleidelijk kwam hij echter wel in steeds conservatiever vaarwater en keerde zich tegen de plannen van Tak voor algemeen mannenkiesrecht. Hij was in de dagelijkse omgang een beminnelijk man met een brede belangstelling; cultuurminnend en erudiet. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 023

Frans van den Muijsenberg / 31 augustus 2009 / Calais, Noord-Frankrijk

HET VERBODEN BOEK

Ewoud Kieft (1977) studeerde geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij publiceerde in 2006 zijn eerste boek Het Plagiaat, dat in de media lovend werd ontvangen. Hij deed bij het NIOD en de Universiteit Utrecht promotieonderzoek naar religieuze radicalisering en het ontstaan van oorlogsenthousiasme in West-Europa 1870-1918, waar hij in 2011 op promoveerde met zijn proefschrift Tot oorlog bekeerd: religieuze radicalisering in West-Europa 1870-1918. In 2012 publiceerde hij een essaybundel over W.F. Hermans en de Tweede Wereldoorlog, Oorlogsmythen. Voor dit boek werd hij genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In 2015 verscheen Oorlogsenthousiasme. Europa 1900-1918, waarvoor hij werd genomineerd voor de Libris Geschiedenisprijs. Kortom, weliswaar nog maar een beperkt aantal publicaties maar allemaal van hoge kwaliteit.

Het was dan ook niet verwonderlijk dat zijn oude werkgever NIOD hem in februari 2015 vroeg het voorwoord te schrijven van een nieuwe Nederlandse editie van Mijn Kampf. Het was namelijk de bedoeling dat eindelijk een wetenschappelijke uitgave van het omstreden werk van Adolf Hitler zou verschijnen. Alle voorgaande pogingen van Nederlandse instanties en uitgevers om het boek weer op de markt te brengen, al dan niet in een zwaar geannoteerde versie, waren steeds gestrand op emotionele protesten vanuit de samenleving en daaropvolgende politieke weerstand. Zeventig jaar na het overlijden van de Führer zouden echter de auteursrechten op zijn boek vervallen. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 18

HENDRIK PIETER HOS (26)

Hendrik Pieter Hos (Haarlem, 1 december 1906 – Waalsdorpervlakte, 11 mei 1944) was op 14 september 1939 bij de algemene mobilisatie opgekomen als dienstplichtige bij de Koninklijke Marine, maar hij werd om medische redenen op 16 oktober 1939 uit de dienst ontslagen. Na de Nederlandse capitulatie werkte hij voor de groep-Mekel, een verzetsgroep die onder leiding stond van de Delftse professor Jan Mekel. Hos hield zich hier bezig met het verzamelen van militaire inlichtingen. De Mekel-groep werd in 1941 verraden door een van hen die vanwege diefstal was gearresteerd en alles wat hij wist aan de Duitsers doorvertelde. Bijna de gehele verzetsgroep werd in juli en augustus 1941 gearresteerd, overgebracht naar Oraniënburg en daar op 3 mei 1942 geëxecuteerd. Vijf anderen leden zouden op 25 september 1942 in Overveen (bij Bloemendaal) worden geëxecuteerd. In datzelfde Overveen was Henk Hos, die een opleiding tot chemisch analist had gevolgd, in dienst van huisarts dr. W.J. Talsma gekomen als medisch analist. Daarnaast was hij werkzaam voor ziekenhuis Sint Johannes de Deo in Haarlem, van de GG & GD in Amsterdam en en enkele andere huisartsen. Via de Mekel-groep was Hos in contact gekomen met de Ordedienst (OD), een landelijke illegale organisatie die voor een deel was ontstaan in militaire kringen, met de spionagegroep Zwaantje in Delfzijl en met de radioman Thijssen. Ook maakte hij kennis met W.P. Speelman en Henk van Randwijk, waarna hij actief werd binnen het verspreidingsapparaat van Vrij Nederland. (meer…)

JAN MEKEL (25)

Prof. dr. ir. Jan Mekel (Bedum 22 december 1891 – Sachsenhausen 3 mei 1942) was sinds 1929 hoogleraar in de historische geologie en paleontologie aan de Technische Hoogeschool, de latere TU Delft, bij de faculteit mijnbouwkunde. In zijn vrije tijd hield Mekel zich bezig met muziek, literatuur, geschiedenis en theologie. Door zijn brede belangstelling verzamelde hij een kring van intellectuelen om zich heen, die regelmatig in zijn huis samenkwamen. Onder deze mensen bevonden zich onder andere Johan Brouwer, Anton van Duinkerken, Dirk Coster en L.J.M. Feber. Vlak na het begin van de Duitse bezetting in 1940 richtte Mekel een verzetsgroep op. De groep verzamelde informatie door spionage en speelde die door aan de Engelsen. De Mekel-groep stond los van de Ordedienst, maar had wel contact met de groep rond een andere Delftse hoogleraar, Richard Schoemaker. Professor Mekel werd door zijn collega Schermerhorn, de latere minister-president, als volgt gekarakteriseerd: ‘Een man die milde wijsheid kon paren aan felle haat’. Hij moet een grote persoonlijke invloed hebben gehad op zijn studenten en medewerkers.

Zijn losse stijl van leven continueerde Jan Mekel in een periode waarin zijn spontane gastvrijheid tot levensgevaarlijke situaties ging leiden. Naast het verzamelen van inlichtingen ten behoeve van de geallieerde oorlogvoering, gaf hij ook valse identiteitspapieren uit, die hij als burgemeester van de een of andere gemeente ondertekende. Van enige structuur was geen sprake. Dat lag enerzijds in de aard van het echtpaar Merkel, maar werd ook in de hand gewerkt omdat hun groep-Mekel tamelijk gering van omvang was. Men ontving iedereen gewoon in huiselijke kring. Het was er een komen en gaan van jongelui die Mekel en elkaar verslag uitbrachten van hun verrichtingen en die hun plannen voor nieuwe activiteiten bespraken. Dit gebeurde ook in aanwezigheid van vreemden, zoals Joop van der Meij tot zijn schrik bemerkte toen hij eind februari 1941 met zijn vrouw een bezoek bracht aan Mekel. Na zijn waarschuwing om toch vooral voorzichtiger te zijn, zeker in het bijzijn van mensen die zij niet kenden, was de laconieke reactie: ‘We zijn toch allemaal goede vaderlanders!’. Waarna Van der Meij het verstandige besluit nam in het vervolg maar af te zien van contact.
(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 17

ALBERT VAN HUFFEL

Albert Van huffel (Gent, 20 januari 1877 – Tervuren, 17 maart 1935) was een Belgisch ontwerper en architect. Hij was van bescheiden afkomst. Zijn vader heette Vanhuffel, maar op de geboorteakte werd hij foutief ingeschreven als ‘Van huffel’ en zonder naamsverandering blijft deze naam levenslang behouden. De architect ging dus door het leven met een ongebruikelijke kleine letter in de achternaam. Van huffel volgde een opleiding aan de Kunstacademie van Gent, die hij in 1901 afbrak. Tussen 1896 en 1912 had hij verschillende beroepen: schilder, decorateur, meubelmaker, metser en glazenier. Tussen 1895 en 1904 had de groep Kunst en Kennis een belangrijke invloed op zijn werk. Hij was gefascineerd door de schoonheid van bloemmotieven. Zijn ontwerpen voor meubels, tapijten en borduurwerk reflecteren de overgang van art nouveau naar functionalisme. Samen met generatiegenoten als Léon Sneyers, Fernand Bodson en Antoine Pompe, leverde Van huffel een belangrijke bijdrage tot de evolutie van art nouveau naar functionalisme. Hij staat niet alleen bekend als architect en ontwerper van meubels, ook zijn ontwerpen voor tapijten en borduurwerk worden sinds kort internationaal gewaardeerd. Kenmerkend voor zijn oeuvre zowel in zijn art nouveau- als zijn modernistische periode, is de synthese van architectuur, interieur en decoratieve kunsten die zijn realisaties tot een totaalkunstwerk maakt. Van huffel ontwierp daarbij doorgaans het volledige interieur, inclusief het vaste en het losse meubilair, tapijten en textiel, haarden en verlichtingstoestellen, glas-in-loodramen en muurschilderingen. Enkele interieurs werden ontworpen voor bestaande gebouwen.  Door zelfstudie werkte hij zich op tot architect (zonder diploma), waardoor hij totaalontwerpen kon uitvoeren. In 1903 trad hij in dienst bij de Gentse bouwfirma Van Herreweghe & De Wilde. In 1912 werd hij zelfstandig architect. Tot 1925 was hij ook artistiek directeur in het Brusselse bedrijf L’Art Décoratif C. Dangotte. In 1926 nodigde Henry van de Velde hem uit om kunstnijverheid te doceren aan het La Cambre-instituut in Brussel. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 022

Frans van den Muijsenberg / 19 januari 2019 / Lobith

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 021

Frans van den Muijsenberg / 19 januari 2019 / Lobith

DE SIGARENFABRIEK VAN ISAY ROOTENBERG

Bij toeval worden de nichtjes Hella Rottenberg en Sandra Rottenberg eind 2014 gewezen op een advertentie van een ‘Claims Conference’ in het Nieuw Israëlisch Weekblad. Daarin worden erfgenamen van vervolgde en beroofde Joden opgeroepen mogelijke rechten op bezittingen tijdens de Holocaustperiode in voormalig Oost-Duitsland kenbaar te maken bij The Conference on Jewish Material Claims Against Germany. Binnen de familie Rottenberg meende men ooit iets gehoord te hebben over een fabriek die grootvader Isay Rottenberg (1889-1971) voor de oorlog ergens in Duitsland heeft gehad en die door de nazi’s zou zijn geroofd. Niemand wist er verder ook maar iets van af, want zowel de grootouders Isay en Lena Rottenberg als hun kinderen Alfred, Edwin en Tini en hun partners hebben er ooit over gesproken. Via de lange lijst met duizenden namen en adressen van het compensatiefonds stuitte ze op de bekende naam Isay Rottenberg en een onbekend bedrijf: Deutsche Zigarren Werke, Industriestrasse 2, Döbeln. Met die luttele gegevens gaan ze aan de slag. Die speurtocht leidt tot een drietal interessante verhaallijnen die telkens weer mooi in elkaar overlopen. (meer…)

HITLERS FAMILIE 2

1 – Paula Hitler (Hafeld, 21 januari 1896 – Berchtesgaden, 1 juni 1960) was Adolf Hitlers jongere zus en het jongste kind van Alois Hitler en diens derde vrouw Klara Pölzl. Nadat Hitler naar Wenen was vertrokken verloren hij en zijn acht jaar jongere zusje het contact. Toen zij elkaar in de jaren twintig weer troffen, was Paula verrast en zij herkende haar broer in eerste instantie niet. Vanaf 1929 hadden zij jaarlijks contact, meestal bij grote nazi-evenementen. In 1936 stelde Adolf haar voor haar naam te veranderen in Paula Wolff (Adolf Hitlers bijnaam in zijn jeugd was Wolf). Paula Hitler werd door haar broer vanaf de vroege jaren dertig tot zijn dood in april 1945 financieel onderhouden. Paula Hitler deed administratief werk in een militair ziekenhuis tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Ze werd door de Amerikanen in mei 1945 gearresteerd en later dat jaar vrijgelaten. Ze gaf aan dat ze niet kon geloven dat haar broer verantwoordelijk was voor de Holocaust. Dit werd door de Amerikaanse inlichtingendienst verklaard uit de loyaliteit van een zus ten opzichte van haar broer. Later onderzoek wees echter uit dat Paula Hitler niet de onschuldige, onopvallende vrouw met een verkeerde broer was voor wie ze eerder vaak werd gehouden. Ze was verloofd met Erwin Jekelius, een beruchte Weense arts, die verantwoordelijk was voor de dood van 4.000 geestelijk en lichamelijk gehandicapten. Het huwelijk werd afgelast op bevel van Hitler, die het “onwenselijk” vond dat zijn zuster zou trouwen. Toen Jekelius naar Berlijn reisde om Hitler de hand van diens zuster te vragen, werd hij onderweg onderschept door de Gestapo. Hij werd naar het oostfront gestuurd, waar het Rode Leger hem gevangen nam, waarna hij overleed in gevangenschap in 1952. Er zijn aanwijzingen dat Paula Hitler de Duits-nationalistische ideeën van haar broer deelde, maar ze is nooit politiek actief geweest. Na haar vrijlating door de Amerikanen vertrok Paula Hitler naar Wenen, waar ze werkte in een kunst- en nijverheidswinkel. In 1952 verhuisde ze naar Berchtesgaden, waar ze zich afzonderde in een tweekamerappartement tot haar dood op 1 juni 1960. Zij was nooit getrouwd en had geen kinderen. In 2005 en 2006 werd in haar graf in Berchtesgaden een echtpaar begraven, dat het graf van Paula Hitler de laatste jaren had onderhouden. De naam van Paula Hitler is van het houten grafmonument verdwenen, over haar naam heen is een houten bord bevestigd met de namen van de beide echtelieden. (meer…)

HITLERS FAMILIE 1

Adolf Hitler had in de nazi-propaganda aardig goed het beeld gevestigd dat hij op zijn zuster Paula na geen levende familie had. Zelf trouwde Adolf pas een paar uur voor zijn dood met zijn jarenlange vriendin Eva Braun en er waren dus geen kinderen van de Führer. Zijn zus Paula werd door hem als een zwakke vrouw beschouwd en zo veel mogelijk weggemoffeld. Haar verloofde werd ingezet aan het oostfront en sneuvelde daar. Paula Hitler bleef de rest van haar leven ongehuwd en kinderloos. Het leek dat daarmee de familie Hitler was uitgestorven. Maar Hitlers vader, Alois Hitler sr. (iemand met een duistere afkomst en dus veel gespeculeer), was voordat hij trouwde met Klara Pölzl (1860-1907) al twee keer getrouwd geweest. In 1876, tijdens Alois Hitlers sr. eerste huwelijk met Anna Glassl, trad Klara Pölzl bij hem in dienst als huishoudster. Niet lang daarna begon Alois een relatie met de 19-jarige Franziska “Fanni” Matzelsberger (31 januari 1861 – Ranshofen, 10 augustus 1884), terwijl hij van tafel en bed scheidde van zijn zieke vrouw. Dat huwelijk met Galsl bleef kinderloos. Deze Fanni eiste direct dat Klara weg zou gaan, omdat ze haar als rivale beschouwde. Alois trouwde na de dood van Anna Glassl op 22 mei 1883 in Braunau am Inn met Fanni, die op dat moment hoogzwanger was van hun tweede kind, Angela Hitler (1883-1949). Fanni had op 13 januari 1882 al een zoon gekregen, Alois jr. (1882-1956) die na het huwelijk van zijn ouders erkend werd en de achternaam Hitler kreeg. Fanni overleed op 10 augustus 1884 op 23-jarige leeftijd aan tuberculose en vrijwel direct erna begon Alois een relatie met Klara Pölzl. Op 7 januari 1885 trouwden ze. Uit dit huwelijk zouden zes kinderen worden geboren, maar drie zoons (Gustav, Otto en Edmund) en een dochter (Ida) stierven al in hun prille jeugd. Alois sr. vestigde al zijn hoop op de enig overgebleven zoon Adolf en deed dat op hardvochtige manier. Klara daarentegen overlaadde dezelfde zoon met aandacht en verwende hem mateloos. Daarnaast was er nog de al genoemde zus Paula (1896-1960). Hoe verliep het nu met de familieleden van Adolf Hitler?

(meer…)

DE DOLKSTOOTLEGENDE

Gedurende de gehele oorlog had de legertop beweerd dat het Duitse Keizerrijk onverslaanbaar was. Op 29 september 1918 berichtte generaal Ludendorff echter namens de Duitse legertop aan keizer Wilhelm II en de toenmalige Rijkskanselier Georg von Hertling (1843-1919) dat de oorlog uitzichtloos was geworden voor Duitsland. Hij deed een dwingend verzoek aan de Duitse regering om de geallieerden een wapenstilstand aan te bieden en deed ook de aanbeveling om, volgens artikel 1 uit de Veertien Punten van de Amerikaanse president Woodrow Wilson (1856-1924), in Duitsland een nieuwe, democratische regering te installeren om op die manier het gunstig mogelijke vredesverdrag te kunnen afsluiten. De tactiek van de legerleiding was op die manier de schuld over de nederlaag in de schoenen van de democratie te kunnen schuiven. (meer…)

KOLONEL MAX BAUER

Kolonel Max Hermann Bauer (Quedlinburg, 31 januari 1869 – Sjanghai, 6 mei 1929) was tijdens de Eerste Wereldoorlog een officier van de Duitse generale staf en artillerie-expert. Bauer was aanvankelijk begonnen met een studie medicijnen aan de universiteit in Berlijn, maar stapte al in 1888 over naar een officiersopleiding bij de artillerie. Na afronding van die studie bekwaamde hij zich steeds in de snelle ontwikkeling van de artillerie. In 1905 werd hij als adviseur toegevoegd aan de Duitse generale staf, waardoor hij ook een groot netwerk opbouwde met vooraanstaande Duitse industriëlen, onderzoekers en politici. Vanaf 1908 gold hij als de rechterhand van Erich Ludendorff, naast Paul van Hindenburg een van de leidende figuren binnen de Duitse oorlogsvoering. Ludendorff beschouwde Bauer als de intelligentste officier in het Duitse leger en Bauer werd daarmee de belangrijkste adviseur op het gebied van economisch management en vooral op politiek terrein voor de Duitse legerleiding. Voor de Eerste Wereldoorlog had Bauer er al een studie van gemaakt hoe de Duitse economie moest functioneren gedurende een mogelijke Europese oorlog. Toen die grote oorlog in 1914 daadwerkelijk uitbrak was Bauer een van de verantwoordelijken voor de inzet van alle artillerie-middelen en mortieren. Dat deed hij naar tevredenheid van zijn meerderen, want gedurende de oorlog kreeg hij 25 Duitse en buitenlandse oorlogsonderscheidingen. (meer…)

GEZICHTEN EN BERICHTEN ROND KERSTMIS 1942

H.M. van Randwijk publiceerde in 1967 In de schaduw van gisteren, een kroniek van de bezetting, waarin de auteur twintig jaar na afloop van de oorlog terugkijkt op de oorlogsjaren. Op 22 december 1962 schreef hij onderstaand verhaal, Gezichten en berichten rond kerstmis 1962.

Ik zei het al in mijn vorige artikel, Kerstmis 1942 was voor ons een goede Kerstmis. ‘Goed’ natuurlijk naar de maatstaven van de tijd. Maar daarover ditmaal niet. Dit jaar is het twintigste kerstfeest dat wij nadien vieren. Wanneer men midden in oorlogstijd de garantie zou hebben gekregen het jaar 1962 te halen, ik denk dat men gebroken zou zijn van geluk.
Misschien ook niet. Er nu over nadenkend valt het mij op, hoe weinig gedacht werd aan het naoorlogse individuele lot. Zeker, over de toekomst van de wereld. Over veranderingen in de maatschappij van morgen en over een nieuwe status voor de koloniale gebieden. Koningin Wilhelmina had in december 1942 haar grote redevoering gehouden over de toekomstige verhouding van Nederland tot Indonesië. Een dappere rede. ‘You can’t beat the Dutch’ schreven de Amerikaanse kranten. Midden in oorlogstijd, het vaderland door vreemde machten bezet, en nochtans denkt dit volk onder leiding van zijn koningin Wilhelmina aan de toekomst en zet een forse streep onder verouderde koloniale verhoudingen en kondigt de vorming aan van een gemenebest van vrije volken…
We hebben er na de oorlog wel een beetje meer moeite mee gehad dan hier gezegd werd, maar het klonk toch mooi en het werd een bron van vruchtbare gedachtenwisseling, ook in de kringen van het verzet. Je kon er niet alleen de dagelijkse nood mee ontvluchten, het gaf er ook perspectief aan. (meer…)

KERSTMIS IN AUSCHWITZ

Tegenwoordig staat de naam Auschwitz symbool voor misschien wel de grootste misdaad van de twintigste eeuw, maar in 1943 beleefde John Green hier een vrolijke kerst. De Britse krijgsgevangene bevond zich al drie jaar in Duitse krijgsgevangenschap toen hij in 1943 overgeplaatst werd naar E715, een onderdeel van het conglomeraat van kampen in en om Auschwitz waar hij en andere krijgsgevangenen uit Groot-Brittannië en het Gemenebest tewerkgesteld werden in de fabriek van chemieconcern IG-Farben, waar ook Joodse gevangenen dwangarbeid verrichtten.

De bewakers van de Wehrmacht in E715 waren een stuk milder dan die van de SS. John en zijn maten – vooral leden van de Royal Engineers -hadden daarnaast het geluk dat de leiding over hun vijfentwintig man tellende arbeidsgroep in handen was van een goedaardige Oostenrijker, Herr Legal. Deze chef zorgde er zelfs voor dat zijn Joodse assistent, Hans, in de fabriek kon slapen, waardoor hij niet elke avond terug naar het kamp hoefde te lopen. In 1943 gaf de opzichter aan de krijgsgevangenen toestemming om Kerstmis te vieren. Dat hoefde hij geen twee keer te zeggen. Met de nederlagen van de Wehrmacht in Rusland en de geallieerde invasie in Italië dachten de krijgsgevangenen de vrijheid al te kunnen ruiken. Ze verwachtten de volgende kerst thuis te zijn. Goed geluimd begonnen ze daarom met de voorbereiding voor kerstavond. Ze versierden hun werkplaats met gekleurde gloeilampen en maakten bloemen, sneeuwballen en kerstballen van lege voedselblikken van het Rode Kruis. (meer…)

DE DRIE WIJZEN

Op kerstavond 1943 werd er op de deur geklopt van het kleine appartement van de Joodse familie Szajdholc in het bergdorpje Andonno in Noord-West-Italië. Ze vreesden meteen dat het wel eens Duitsers konden zijn. Zou hun jarenlange vlucht voor de nazi’s, die al voor het uitbreken van de oorlog begon, hier dan eindigen? Voordat Duitse troepen Polen binnentrokken woonde het gezin, bestaande uit Salomon en Esther en hun vier kinderen, in Warschau. Ze emigreerden voorafgaand aan de Duitse invasie van Polen naar België waar ze zich in Brussel vestigden. Toen Hitler in mei 1940 ook België binnenviel, probeerden ze tevergeefs via Frankrijk naar Engeland te vluchten. Ze belandden vervolgens in Saint-Martin-Vésubie in de Alpen boven Nice. Het dorp bevond zich in het deel van Zuid-Frankrijk dat door de Italianen werd bezet. De Italiaanse autoriteiten weigerden Joden uit te leveren aan de Duitse of Vichy-Franse autoriteiten, waardoor het gezin hier veilig was voor deportatie, totdat de Italianen in september 1943 capituleerden en de Duitsers het gebied bezetten. De Italiaanse commandant had het gezin en de andere onderduikers op tijd gewaarschuwd, waardoor ze samen met het Italiaanse leger te voet naar Italië vluchtten. Ze staken met honderden andere voortvluchtige Joden de 2.543 meter hoge Col de Cerise over en belandden in het Italiaanse dorp Valdieri, waar ze tijdelijk onderdak vonden.

Vanwege de inval van het Duitse leger in Noord-Italië was het voor de familie in Valdieri niet langer veilig. Tijdens een razzia op 18 september 1943 werden 350 Joden in het dorp opgepakt door de SS. Salomon en Esther en hun kinderen vluchtten opnieuw de bergen in en bleven zo uit Duitse handen. Het was echter niet mogelijk om in de winter in de bergen te overleven en het zestal kwam terecht in het een paar kilometer ten noordoosten liggende dorp Andonno. De dorpspriester, vader Antonio Borsotto, had naastenliefde hoog in het vaandel staan en gaf hen onderdak in een kamer of klein appartement aangrenzend aan zijn kerk. Daarmee nam de geestelijke een groot risico want zijn positie beschermde hem niet tegen het nazigeweld. Op 19 september 1943 hadden de Duitsers een bloedbad aangericht in het vlakbij gelegen dorp Boves, waarbij de lokale priester was gedood. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 020

Frans van den Muijsenberg / 29 september 2012 / Vallei der Koningen, Luxor (Egypte)

MAX, FRIEDRICH EN ADOLF

Prins Max von Baden zit het grootste deel van de dag ongeduldig te wachten op nieuws van keizer Wilhelm II.
Prins Max is een goed verzorgd man, die op elke foto de onheilspellende blik etaleert van iemand die veel heeft meegemaakt, niet snel onder de indruk is en weinig illusies over zijn medemensen koestert. Hij heeft een ongebruikelijke reputatie als linkse Duitse prins. Dat was de reden waarom hij in oktober op eenenvijftigjarige leeftijd tot kanselier van het Duitse rijk werd benoemd. Later zal hij op droge toon verslag doen van zijn ervaringen, waarbij hij laat doorschemeren hoezeer hij zich heeft gestoord aan vrijwel iedereen met wie hij te maken kreeg: de keizer, de generaals, de gematigde en de radicale socialisten.
Prins Max’ probleem is dat de keizer, de erfelijke monarch wiens familie vanaf de vijftiende eeuw vanuit Berlijn heeft geregeerd, niet kan beslissen om af te treden. Duitsland raakt steeds meer in de greep van de revolutie, en elke minuut telt. Telkens wanneer Max opbelt naar het legerhoofdkwartier in Spa in België, waar de keizer op dat moment verblijft, wordt hij afgescheept. De prins wil van de oude orde redden wat er te redden valt. Hij weet dat de revolutie aan de winnende hand is. Ze kan niet worden ‘neergeslagen’, maar ‘misschien kan ze wel worden gesmoord’. Het enige wat hij kan doen, is de revolutie binnen de perken te houden door Friedrich Ebert, de leider van de gematigde sociaaldemocraten, op bevel van de keizer tot kanselier te benoemen. (meer…)

PRINS MAX VON BADEN

Maximilian Alexander Friedrich Wilhelm (Max) Prinz von Baden (Baden-Baden, 10 juli 1867 – Salem bij Konstanz, 6 november 1929), prins van Baden, was erfgroothertog van Baden, generaal en de laatste rijkskanselier van het Duitse Keizerrijk. Hij was de zoon van de Pruisische generaal prins Willem van Baden (1829-1897), wiens moeder een kleindochter van Eugène de Beauharnais, die nog onder Napoleon Bonaparte gediend had. Maximilian was sinds 1900 getrouwd met Marie-Louise van Hannover-Cumberland, prinses van Groot-Brittannië en Ierland, achterklein-dochter van koning George V van Hannover. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren: Berthold en Marie Alexandra. Berthold trouwde in 1924 met prinses Theodora van Griekenland; één van de vier zusters van Philip, hertog van Edinburgh.

Zijn broer was Frederik I von Baden (Karlsruhe, 9 september 1826 – Mainau, 28 september 1907), die van 1852 tot 1856 regent en daarna tot zijn dood groothertog van Baden was. Hij trouwde in 1856 met Louise Marie Elisabeth van Pruisen, dochter van de latere Duitse keizer Wilhelm I. Er waren ook nog wat familierelaties met het Zweedse koningshuis. Frederik I was zeer liberaal gezind en verklaarde dat de constitutionele monarchie de beste regeringsvorm was. Onder zijn bewind werden vele belangrijke hervormingen doorgevoerd, waaronder de invoering van het burgerlijk huwelijk. Hij bracht het godsdienstonderwijs op de openbare maar op kerkelijke leest geschoeide scholen onder de hoede van de kerken, maar verklaarde dat het openbaar onderwijs een zaak van de staat was. Tot slot voerde hij in 1904 een grondwetsherziening door die het algemene, directe en geheime stemrecht voor de Tweede Kamer mogelijk maakte. (meer…)

H.M. VAN RANDWIJK

Hendrik Mattheus van Randwijk (Gorichem, 9 november 1909 – Purmerend, 13 mei 1966) was een Nederlands dichter en prozaschrijver. Hij was hoofd van een school in een Amsterdamse volksbuurt en actief op sociaal gebied. Voor de Tweede Wereldoorlog behoorde Van Randwijk tot de protestants-christelijke groep rond Opwaartsche Wegen. Zijn eerste gedichten werden gebundeld in Op verbeurd gebied (1934). Hierin toont hij zich een strijdbaar sociaal-christen, evenals in zijn sociale romans Burgers in nood (1936) en Een zoon begraaft zijn vader (1938). Tijdens de oorlog schreef hij het verzetsgedicht Celdroom dat, na zijn arrestatie door de Duitsers, clandestien werd verspreid (1943). Al in 1941 had hij samen met Jan H. de Groot en G. Kamphuis de eerste verzameling verzetspoëzie samengesteld onder de titel Nieuw Geuzenliedboek. Tijdens de oorlog was hij een van leidende figuren van de verzetsorganisatie Vrij Nederland en na de bevrijding de eerste hoofdredacteur van het radicale weekblad met dezelfde naam. Hij stichtte vervolgens de uitgeverij Djambatan-De Brug, die zich vooral op Indonesië richtte. Ook via Vrij Nederland pleitte hij voor onafhankelijkheid van Nederlands-Indië. Het is een misvatting dat dit het blad veel abonnees kostte, zo tonen Gerard Mulder en Paul Koedijk aan in hun biografie van Van Randwijk. Van Randwijk zag zich in 1948 genoodzaakt af te treden als hoofdredacteur. In de jaren daarna trad hij veel op als commentator, onder andere op de televisie. Als journalist leverde hij bijdragen aan De Groene Amsterdammer. De armoede in de wereld was een belangrijk thema. Na de oorlog evolueerde hij tot overtuigd socialist. In 1967 verscheen In de schaduwen van gisteren, een kroniek van de bezetting. In Heet van de naald werd een bloemlezing van zijn werk bijeengebracht. Zijn Bericht aan de levenden wordt bij de dodenherdenking op 4 mei voorgedragen met muziek van H. Henkemans. De tekst is op de erebegraafplaats te Bloemendaal als herinnering aan de oorlog aangebracht. Een deel van het Weteringplantsoen in Amsterdam, dat tijdens de oorlog een fusilladeplaats was waar onder andere op 12 maart 1945 dertig verzetsstrijders werden geëxecuteerd, is hernoemd tot H.M. van Randwijkplantsoen. Er is een monument opgericht met daarop de bekende dichtregels die oorspronkelijk door Van Randwijk voor de Eerebegraafplaats Bloemendaal werden geschreven. (meer…)

RIJKSKANSELIER EN RIJKSPRESIDENT

Door de novemberrevolutie van 1918 werd de monarchie afgeschaft en de keizer afgezet als staatshoofd. Duitsland werd voor het eerst een republiek, de zogenaamde Weimarrepubliek (1919-1933/34). In 1919 werd door de Grondwet van Weimar het ambt van een gekozen rijkspresident ingesteld als staatshoofd. Voortaan zou een democratisch gekozen rijkspresident het staatshoofd van Duitsland zijn en kwam er een collegiale Rijksregering met de rijkskanselier als regeringsleider. Volgens de Grondwet van Weimar werd de rijkspresident voor zeven jaar door het volk gekozen en was zonder beperking herkiesbaar. Hij benoemde de regering en het hoofd daarvan (de Rijkskanselier), kon het parlement laten ontbinden en via nooddecreten bijzondere maatregelingen treffen. Het parlement echter had het recht om de regering te laten vallen, de rijkspresident via een referendum af te zetten en de nooddecreten ongedaan te maken. Omdat in het parlement maar zelden een absolute meerderheid voor een stabiele regering tot stand kwam, was de feitelijke rol van de rijkspresident veel groter dan bedoeld.

Paul von Hindenburg

(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 16

KERSTMIS ONDER VUUR

De afgelopen jaren schreef Kevin Prenger, projectleider van go2war.nl, een drieluik over drie SS’ers die een dubbelrol zouden hebben gespeeld, namelijk enerzijds volop actief in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds ook met betrokkenheid in het Duitse verzet. In deel 1 werd Kurt Gerstein besproken, een SS-Oberstürmführer die probeerde zand in de moordmachine te gooien door informatie aan buitenlanders te verstrekken over de geheime en gewelddadige operaties in Oost-Europa, maar tegelijkertijd wel in de positie zat dat hij betrokken was bij het euthanasieprogramma, bij Aktion Reinhard en Zyklon-B aan de concentratieprogramma leverde. In het tweede deel kwam Konrad Morgen aan bod, een SS’er en steile jurist die allerlei hooggeplaatste SS’ers die in Auschwitz en andere kampen werkzaam waren op beschuldiging van moord voor de rechtbank bracht. Niet vanwege morele bezwaren, want voor Morgen lag het verderfelijke niet in de moord op de Joden en andere slachtoffers, maar in het feit dat alles niet via de correcte procedures was uitgevoerd. Het leek er in beide gevallen op dat ze aan het eind van de oorlog heel sluw voor zichzelf een ontsnappingsroute wilden creëren toen de oorlog eenmaal verloren leek. Vooral bij Gerstein zijn er omstandigheden om zijn verhaal geloofwaardig te maken (er waren dan ook behoorlijk wat mensen die in zijn onschuld en verzet bleven geloven), maar alle eventuele goede intenties ten spijt, ze maken de feiten waaraan hij zich aantoonbaar schuldig heeft gemaakt niet ongedaan en maakt er zeker geen voorbeeld of held van. Dat gold in aanzienlijk sterkere mate voor Morgen en bij de hoofdpersoon van deel 3, Kriminalpolizeichef Arthur Nebe, kan het eindoordeel nooit anders kan luiden dat hij gezien moet worden als een oorlogsmisdadiger. (meer…)

BORIS KOWADLO

Israel Baruch (Boris) Kowadlo (Plotzk (Polen), 2 december 1911 – Porto (Portugal), 29 mei 1959) was een fotograaf en Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kowadlo groeide op in een religieus gezin, als zoon van een rabbijn. In Polen was hij in de leer geweest in de fotostudio van zijn zwager Adam Watman, maar het lukte hem niet om daar een bestaan als fotograaf op te bouwen. Kowadlo kwam in 1933 naar Amsterdam vanwege het groeiend antisemitisme in zijn vaderland. Hij werkte er aanvankelijk als medewerker bij een automatiek, maar in 1937 werd hij al als (kunst)fotograaf geregistreerd op de kaart in het bevolkingsregister. Boris was gericht op de Pools-Joodse gemeenschap die in Amsterdam goed vertegenwoordigd was, onder meer met hun eigen vereniging Sch.Anski en eigen chewresjoels (verenigingssynagogen). Deze Pools-Joodse gemeenschap was dan ook regelmatig het onderwerp van zijn foto’s. Hij was de belangrijkste fotograaf van deze gemeenschap. Hij was bekend door zijn uitgebreide fotoreportages die hij maakte van de Pools-Joodse gemeenschap. Gedurende de Duitse bezetting was hij actief in het verzet onder de naam “Bernard van der Linden” en raakte hij betrokken bij de fotografengroep De Ondergedoken Camera (1943-1945), die de Duitse bezetting van Nederland in het geheim te documenteren. De groep ontstond op initiatief van de fotograaf Fritz Kahlenberg en de verzetsman Tonny van Renterghem en omvatte 38 professionele fotografen als amateurs. Omdat fotograferen verboden was, werkten zij onder zeer moeilijke omstandigheden. Voor hun eigen veiligheid bleven ze vaak anoniem voor elkaar en kenden ze elkaar soms alleen bij hun schuilnaam. Met de grootst mogelijke logistieke problemen, zoals het ontbreken van materiaal en beperkte stroom waardoor carbidlampen ingezet moesten worden en een centrale “donkere kamer” werd ingericht, lukte het hen om veel op de foto vast te leggen. (meer…)

AUGUSTA DE WIT

Anna Augusta Henriette de Wit (roepnaam Augusta) was een schrijfster en journaliste, actief voor de Communistische Partij in Nederland. Ze werd geboren op 25 november 1864 in Sibolga (Sumatra) en overleed te Baarn op 9 februari 1939. Zij was de dochter van Jan Carel de Wit, resident van achtereenvolgens Tapanoelie, de Padangsche Bovenlanden en Timor, en Anna Maria Johanna de la Couture. ‘Het is schandelijk zooals je je leven verbrokkelt’ schreef Henriette Roland Holst omstreeks 1926 aan Augusta de Wit. Een overzicht van De Wit’s levensloop verduidelijkt de verzuchting van haar vriendin, collega en politieke medestander. Augusta de Wit bracht haar jeugd als dochter van een hoge ambtenaar door in diverse plaatsen op Sumatra en Timor, onderbroken door een verblijf van twee jaar in Nederland. In 1874 keerde de familie De Wit definitief terug naar Nederland en woonde achtereenvolgens in Helvoirt, Utrecht en Oosterbeek. Van 1888 tot 1890 studeerde De Wit aan het Bedford College te Londen en het Girton College te Cambridge. Van 1894 tot 1896 gaf zij Duits, Engels en geschiedenis aan de Hoogere Burgerschool voor Meisjes in Batavia. Zij schreef reisreportages voor de Singapore Straits Times, die in 1898 in Singapore gebundeld verschenen onder de titel Facts and Fancies about Java. Als literator debuteerde zij in 1895 en 1896 onder pseudoniem in Eigen Haard en De Gids met verhalen in de traditie van de Tachtigers, die in 1899 in Verborgen bronnen werden verzameld. In 1903 volgden haar bekendste boek, de novelle Orpheus in de dessa, en de roman De godin die wacht, beide met Indische thema’s. Rond de eeuwwisseling begon De Wit’s reizende en ‘verbrokkelde’ leven als correspondente voornamelijk op literair gebied – van het Utrechtsch Dagblad, de Javabode en de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC). Zij woonde korte of langere tijd in onder meer Berlijn, Laren, Amsterdam (diverse adressen), Amersfoort, Lerici (Italië), Mittenwald en Fürstenfeldbruck (beide Beieren), Weimar, Oosterbeek, Freiburg im Breisgau, Zürich, Parijs en Granow/Neumark (Pruisen, waar haar zuster woonde). De literaire produktie ging, zij het in een langzaam tempo, door. In 1907 verscheen de roman Het dure moederschap, De Wit’s enige boek dat kan worden beschouwd als ‘sociale belletrie’ en dat zich afspeelt in het milieu van het Gooise textielproletariaat. In 1918 en 1920 verschenen verhalenbundels met opnieuw Indische thema’s: De wake bij de brug en De drie vrouwen in het Heilige Woud. Bovendien bundelde zij na een bijna driejarig verblijf van begin 1911 tot eind 1913 in Nederlands-Indië haar reisreportages voor de NRC: Natuur en menschen in Indië (Amsterdam 1914). (meer…)

SWASTIKA

Op de weblog Groninganus trof ik een artikel aan uit het Nieuwsblad van het Noord van 20 september 1933, onder de titel ‘Winkelier in moeilijkheden’: Hoe men tegenwoordig onbewust ïn politieke moeilijkheden kan geraken heeft dezer dagen een eerzaam sigarenwinkelier in Alkmaar ondervonden, vertelt de „Standaard”. Deze winkelier had ruim een jaar geleden sigarenzakjes laten maken. De fabriek had voor een aardig zakje gezorgd. Behalve naam en adres van den winkelier kwam er een teekening op voor; met eenige figuratie waren open blijvende vlakken gevuld. De winkelier was met zijn zakjes best tevreden en geen enkele klant maakte aanmerkingen. Totdat er korten tijd geleden op een avond een oploop voor den winkel ontstond. „Dood aan de Nazi’s”. „Weg met Hitler”. „Rood front”, werd er geschreeuwd. Den volgenden morgen was de winkelpui met een groot hakenkruis versierd. De winkelier stond stomverbaasd over de herrie. Hij had zich nooit met het nationaal-socialisme bemoeid. Hij informeerde bij de communisten wat dat beteekenen moest en deze hielden hem een van zijn sigarenzakjes voor: „Ziedaar je brandmerk”. In de figuratie op het sigarenzakje was een hakenkruisje verwerkt. Een jaar geleden gold de „Swastika” In Nederland nog als een onschuldig figuurtje, waar geen mensch naar keek. Nu is het ineens een politiek embleem geworden, dat een doodonschuldig mensch den grootsten last kan bezorgen.

De swastika is een symbool in de vorm van een kruis met aan alle uiteinden een haak, vandaar dat het ook vaak het hakenkruis werd genoemd. De naam swastika komt uit het Sanskriet van ‘svatika’. Vijfduizend jaar geleden zouden Amerikaanse indianen het teken al gebruikt hebben. Ook van de Maya’s, Azteken en Vikingen is bekend dat ze het symbool gebruikten. Ook in oude oude synagogen zijn swastika’s gevonden. Zowel in het hindoeïsme als boeddhisme is de swastika vaak te vinden op de borst of voeten van Boeddhabeelden. Nog steeds zijn veel tempels in India en Nepal versierd met swastika’s. Het teken wordt daar ook wel zonnerad genoemd en staat soms symbool voor de vier windstreken. Het symbool betekent zoveel als ‘datgene wat geluk brengt’. We vinden daarom op oude wenskaarten nog regelmatig swastika’s. Zelfs op Amerikaanse kerstkaarten. Ze moesten de ontvanger een lang en gelukkig leven bezorgen. Swastika’s kun je ook vaak zien in mozaïeken en ornamenten. Coca Cola bracht in 1925 een gelukshanger op de markt in de vorm van een roestbruine swastika met daarop Drink Coca-Cola in bottles 5 C. Ten onrechte wordt deze hanger in verband gebracht met het naziregime. (meer…)

OTTO LILIENTHAL

Otto Lilienthal (Anklam, 23 mei 1848 – Berlijn, 10 augustus 1896) was een Duitse uitvinder en ontwerper van vele zweefvliegtuigen. Hij wordt beschouwd als één der pioniers van het vliegtuig. Het leek logisch dat de eerste pioniers goed naar vogels keken om de kunst van het vliegen af te kijken. Vogels zijn immers zwaarder dan lucht en kunnen toch vliegen. Otto Lilienthal bestudeerde al van jongs af aan de vlucht van de vogels. Bij zijn eerste experimenten, toen hij ongeveer 14 jaar oud was, had hij vleugels aan zijn schouders vastgemaakt. Dat werkte dus niet. Na zijn opleiding aan een technische school in Potsdam in 1867 begon hij met allerlei vliegmodellen te experimenteren. In het begin ging het om zweeftoestellen en toestellen met klepperende vleugels. Lilienthal kwam tot de conclusie dat het principe van klepperende vleugels veel te ingewikkeld was om na te doen. Een vogel doet heel wat meer dan zijn vleugels simpel op en neer te bewegen. Het is ook de stand van de vleugels die belangrijk is.

Vanaf 1871 hield Lilienthal zich alleen nog maar met zweefvliegtuigen bezig. Hij ontdekte, net als andere pioniers, dat gebogen vleugeloppervlakten meer weerstand bieden dan platte en dus in een vliegtuig beter functioneren. Om goed te kunnen experimenteren maakte hij bij Berlijn een heuveltje van 15 meter hoog. Hier kon hij met zijn toestellen van afzweven. Logisch, dat dit ook regelmatig veel publiek trok. Door te experimenten met verschillende vormen en maten kwam Lilienthal tot tabellen, waarin hij aangaf wat het effect is van bepaalde vleugeloppervlakten. Hij publiceerde zijn gegevens over de vogelvlucht in het boek Der Vogelflug als Grundlage der Fliegerkunst (De vogelvlucht als grondslag voor de vliegkunst). (meer…)

SINT-VITUSKERK ELTEN

Vanaf Lobith zie je een bult oprijzen uit het landschap, de Eltenberg, dat met zijn hoogte van 80 meter een van hoogste heuvels in de omgeving is met een mooi uitzichtpunt. Volgens de legende was het een magische plek, die duizenden jaren geleden door reuzen spelenderwijs was aangelegd en daardoor het landschap vorm hadden gegeven. Met hun reuzenscheppen groeven ze het Rijndal en van de grond wierpen ze de Eltenberg op. Deze berg is altijd bron van mysterieuze verhalen geweest, want mensen zoeken nu eenmaal graag verklaringen voor dingen die ze niet direct begrijpen. Dat biedt houvast, soms troost en in elk geval verstrooiing. Zo ook over de Sint-Vituskerk in Hoog-Elten, bovenop de Eltenberg, waarvan het torentje vanaf een groot deel van ‘t Gelders Eiland te zien is. In de kerk bevindt zich een mysterieus beeld dat tegen de stroom in vanuit Dordrecht naar Elten zou zijn gedreven. Dit beeld van de heilige Machutus, oorspronkelijk een Mariabeeld uit de 12e eeuw, heeft het lichaam van een vrouw en het hoofd van een man. Zo is er ook het verhaal over de dochters van Kerrio, de hoofdman van een oude stam die hier leefde. Als het erg slecht ging met zijn stam, zo eens in de tien jaar, dan was een mensenoffer het enige wat verlossing kon brengen. Als goed stamhoofd bood Kerrio aan om zijn eigen jongste dochter te offeren. Zijn andere dochters konden dat niet over hun hart verkrijgen en wilden stiekem van plaats ruilen met haar. Het liep niet goed af en uiteindelijk bleef Kerrio over als bedroefde vader zonder dochters. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 019

Frans van den Muijsenberg / 5 augustus 2017 / Begraafplaats West-Vleteren

DE ZWARTE HAND

In 1993 schreef Tjen Mampaye het boek De Zwarte Hand, opgedragen aan alle leden van de gelijknamige Belgische verzetsgroep voor hun moedige verzet, in het bijzonder aan de twaalf leden die op 7 augustus 1943 In Lingen werden gefusilleerd. In augustus 2018 verscheen een herziene tweede druk van het boek. De Zwarte Hand was tijdens de Tweede Wereldoorlog vooral actief in Klein-Brabant (De Vlaamse streek langs de Schelde en de Rupel) en de Rupelstreek (onderdeel van het Scheldeland, dat onder meer bestaat uit de gemeenten Boom, Rumst en Willebroek). De groep had haar oorsprong in de gemeenten Puurs en Rumst, beiden net iets onder Antwerpen gelegen. De meesten waren slechts 20 tot 25 jaar, de jongste nog maar 15 jaar oud. In de directe nabijheid van Puurs lag het beruchte Fort van Breendonk dat door de nazi’s tijdens de oorlog werd gebruikt als werk- en doorgangskamp. Het is het enige kamp dat nog volledig intact is gebleven. In het fort bevindt zich het ‘Nationaal Gedenkteken van het Fort van Breendonk’. Mampaye was onderwijzer verbonden aan de Gemeenschapsschool in Puurs. Hij koppelde de geschiedenislessen zoveel mogelijk aan lokale gebeurtenissen, gebouwen en andere historische restanten uit de directe omgeving om daarmee het geschiedenisonderwijs levend te houden en betrokkenheid bij het onderwerp te genereren. Jarenlang kwam Luc De Geyter, een voormalig lid van de verzetsgroep De Zwarte Hand, vertellen over de verzetsbeweging en over de lijdensweg langs de Duitse concentratiekampen. De Geyser ontpopt zich als een meesterlijk verteller; tijdens de lessen kunnen je een speld horen vallen. De Geyser verzorgt ook de rondleidingen door het sinistere en sombere Fort van Breendonk, wellicht de ergste van de Nederlandse en Belgische Kampen, en vertelt ook daar over het lot van zijn medestrijders, die vaak eerst hier terechtkwamen voordat ze gefusilleerd werden of doorgestuurd naar de Duitse kampen. Hij weet ook steeds goed de link te leggen met de actualiteit, want op dat moment is in België het Vlaamse Blok in opmars, een club met bedenkelijke politieke idealen. Door hun verschijnen op het politieke toneel was het fascisme niet langer slechts een donkere periode uit de geschiedenis, maar meer en meer een actueel onderwerp. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 018

.
Frans van den Muijsenberg / 1 mei 2005 / Berlijnse Muur, Stralauerstrasse

DE ALLEREERSTE WERELDOORLOG

Vraag een willekeurige Nederlander wat hij weet van de Tachtigjarige Oorlog, onze vaderlandse bevrijdingsoorlog van de onbekende en nog meer onbeminde Spaanse overheerser, en er zal snel blijken dat het verdomde weinig is. De jongelui kun je het amper kwalijk nemen, want die krijgen dit onderdeel niet meer bij geschiedenisles. Als ze überhaupt nog geschiedenisonderwijs krijgen. Bij de oudere garde zal een groepje iets mompelen over de Slag bij Nieuwpoort en het makkelijk te onthouden jaartal 1600, zonder te hebben onthouden welk belangrijk historisch feit zich toen heeft afgespeeld (er was weliswaar een veldslag tegen de Spanjaarden gewonnen, maar de verliezen aan manschappen waren enorm, er waren diverse steden platgebrand, er was geen gebied op de Spanjaarden veroverd en het doel – de Duinkerker kapers uitschakelen – was ook niet bereikt). Het zal blijven bij hapsnap wat kennis van losse gebeurtenissen en personen die in het geheugen zijn blijven hangen. U kent ze wel: Heiligerlee, Den Briel, Alva, Willem van Oranje (‘werd die niet in Delft vermoord en begraven?’), Johan van Oldenbarnevelt en Prins Maurits. Zonder dat het uitmondt in een lopend verhaal over oorsprong, verloop en einde van de oorlog. De kennis van onze vaderlandse geschiedenis komt er bekaaid van af, zowel van de zaken waarop we trots kunnen zijn als van de vele donkere pagina’s. (meer…)

DE GESCHIEDENIS VAN SINTERKLAAS (3)

Vorige week in het eerste deel van de geschiedenis van Sinterklaas heb ik enkele hardnekkige verhalen van halsstarrige Sint-en-Piet-aanhangers besproken en een beetje mijn ergernis laten zien over de onwil zich eens te verdiepen in de échte geschiedenis van de goedheiligman in plaats vast te blijven houden aan de geromantiseerde versie van Jan Schenkman, die ik hier vorig jaar al eens heb besproken, of zelfs eigen gefantaseerde versies te belijden. In het tweede deel van de geschiedenis van Sinterklaas dus de echte geschiedenis verteld, althans het eerste deel ervan, want het verhaal werd iets te omvangrijk voor één blog. In dat tweede deel voornamelijk het internationale verhaal, in het derde en afsluitende deel gaan we verder in op de Nederlandse situatie, zonder de inbreng van Schenkman opnieuw te vertellen. Dat is ten slotte al eens gedaan.

Al in de middeleeuwen werd op Duitse en Noord-Franse kloosterscholen het Sint-Nicolaasfeest gevierd. Tijdens een mirakelspel verscheen de heilige voor de kinderen; hij beloonde de ijverige leerlingen en vermaande de luie. De Sint-Nicolaasviering liep samen met het kinderbisschopsspel (ca. 1300 – ca. 1600). Op 6 december werd in die tijd een kinderbisschop met aanhang gekozen. Zij werden tot 28 december (Onnozele Kinderen) van voedsel en geschenken voorzien. Andere kinderen kregen geld en een vrije dag om op 6 december feest te kunnen vieren. De waarschijnlijk oudste vermelding daarover komt uit Dordrecht, in 1360. Aanvankelijk werd de kinderbisschop pas op de vooravond van 28 december gekozen, maar vanwege ongewenste vermenging met het Narrenfeest werd dit verlegd naar 6 december. Kinderen gingen in die tijd verkleed in een optocht door de straten en kregen bisschopsgeld van voorbijgangers (soortgelijke tradities komen nog voor in andere landen, zoals het Chlausjagen). In de Utrechtse Nicolaaskerk werd vanaf 1427 geld in kinderschoenen gedaan. In de late middeleeuwen ontstonden ook de Sint-Nicolaasmarkten. (meer…)

DE GESCHIEDENIS VAN SINTERKLAAS (2)

Gisteren in het eerste deel van de geschiedenis van Sinterklaas heb ik enkele hardnekkige verhalen van halsstarrige Sint-en-Piet-aanhangers besproken en een beetje mijn ergernis laten zien over de onwil zich eens te verdiepen in de échte geschiedenis van de goedheiligman in plaats vast te blijven houden aan de geromantiseerde versie van Jan Schenkman, die ik hier vorig jaar al eens heb besproken, of zelfs eigen gefantaseerde versies te belijden.

Nicolaas van Myra (bijgenaamd ‘Nicolaas de Wonderdoener’), die ook wel Nicolaas van Bari of Nicolaas van Patara werd genoemd, werd waarschijnlijk geboren omstreeks 280 te Patara in Lycië, een gebied langs de zuidkust van het huidige Turkije. De regio maakte toen onderdeel uit van het Romeinse Rijk. Het lag grotendeels op het schiereiland Teke, tussen de Golf van Fethiye en de Golf van Antalya. In de Oudheid werd het gebied bewoond door een cultuurvolk, de Lyciërs, waarvan wordt aangenomen dat ze afstammen van Egyptische zeepiraten, de zogenaamde Lukka-volken. De exacte geboortedag en -plaats van Nicolaas van Myra is niet bekend.  De stad Patara bevond zich nabij het huidige Gelemis in de Turkse provincie Antalya. Het was een belangrijke handelsstad in de oudheid vanwege de natuurlijke haven. Patara had het maximale aantal van drie stemmen in de Lycische Liga. In 333 vChr. viel de stad in handen van Alexander de Grote en na diens plotselinge dood in 323 vChr. een speelbal in de Macedonische generaals (de diadochen) die om de erfenis van zijn omvangrijke rijd streden. Volgens het Nieuwe Testament deden Paulus en Lucas de stad aan, die als een van de eerste steden christelijk zou worden. Tot omstreeks het jaar 800 bleef de stad een belangrijk christelijk centrum. Na oorlogen tussen de Selsjoeken en de Byzantijnen in de 11e eeuw werd Patara verlaten. Er resteert slechts een kleine archeologische site van de oude handelsstad, met een stadspoort, amfitheater, een kleine theater en de hoofdstraat. De Volkskrant vermelde hierover n een reisverslag: Je verwacht het gewoon niet, als je uit het dennenbos komt fietsen richting een verlaten Turks strand. Daar, tussen hoge zandduinen en een moeras met hoge rietkragen, blinkt een vierkant gebouw van wit marmer in de zon. Je zet je mountainbike tegen een tweeduizend jaar oude pilaar en gluurt naar binnen. Op die rijen bankjes van gepolijst marmer debatteerden de eerste democraten. De grote vergaderzaal van de Lycische Liga, vermeldt een informatiebord, is het oudste parlementsgebouw ter wereld. En het nieuwste, want de Turkse regering liet de ruïne afgelopen jaren uitgraven en weer opbouwen. Nippend aan je waterbidon verken je ook het grote amfitheater, de badhuizen, de stadspoort en de hoofdstraat met zuilenrij. Hier winkelden Lyciërs, Egyptenaren, Grieken en Romeinen, hier stapten de apostelen Paulus en Lucas over op hun weg naar Rome, hier werd Sint Nicolaas geboren.’
(meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 017

.
Frans van den Muijsenberg / 3 augustus 2007 / Rijnoever te Keulen

LEENDERT LAFEBER

Leendert Lafeber (Schoonhoven, 21 oktober 1894 – Hoogeveen, 9 mei 1967) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was eewas huisschilder en woonde met zijn vrouw Immigje Kiers (Hoogeveen, 29 oktober 1892 – Hengelo, 27 september 1982) in een klein huis aan de Schutstraat 155 te Hoogeveen. Vanaf het uitbreken van de oorlog was het echtpaar actief in het verzet. Tijdens de mobilisatie was Lafeber actief voor de Luchtbescherming en in de oorlog hielp hij vluchtelingen onderdak te komen. Student Wim Dekker uit Warmond was drie jaar lang onderduiker in hun huis. Lafeber verschool de radio van de gemeenteontvanger en daar luisterden hij, Wim Dekker en huisarts Piet Kooiman naar de BBC. Piet Kooiman (Het Bildt, 27 november 1891 – Hoogeveen, 23 februari 1959) zat ook in het verzet. Hij had aan de Universiteit van Amsterdam medicijnen gestudeerd en vestigde zich in 1917 als huisarts te Hoogeveen. In 1931 richtte Kooiman met een aantal anderen de Vrijzinnig Democraten op, die met één zetel in de gemeenteraad vertegenwoordigd was. In 1935 ging de partij samen met de Liberale Staatspartij onder de naam Onafhankelijke Democratische Kieskring en werden twee zetels in de Hoogeveense gemeenteraad behaald die ingenomen werden door Kooiman en Salomo Polak. In 1939 werd er nog een zetel bijgewonnen en kwam J. Koning uit Noordscheschut er bij. Vanaf het begin van de Duitse bezetting was Kooiman betrokken bij het verzet. Hij kwam in contact met Leendert Lafeber toen hij bij hem thuis illegaal naar de BBC kon luisteren. (meer…)

DE GESCHIEDENIS VAN SINTERKLAAS (1)

De al bijna traditionele zwartepietendiscussie is weer losgebarsten. Niet verwonderlijk want 6 december nadert met rasse schreden, maar bovendien werd vorige week uitspraak gedaan in de rechtszaak tegen de zogenaamde ‘Blokkeerfriezen’. Die werden terecht veroordeeld vanwege het in gevaar brengen van automobilisten met hun blokkade van de snelweg en het verstoren van het recht op demonstratie van het anti-zwartepietenfront. De strijd tussen beide bewegingen lijkt zich flink te verharden, waarbij dagblad de Telegraaf volledig partij heeft gekozen voor Jenny Douwes en andere twijfelachtige types. Blog Frontaal Naakt heeft zich in onder meer deze twee blogs flink uitgelaten tegen de dubieuze ‘journalistieke’ werkwijze van Wierd Duk, en over het voorbeeldige gedrag van Jerry Afriyie en zijn medestanders.

Een aardige illustratie van de opvattingen van de medestanders van de ‘Blokkeerfriezen’ (ik vrees dat dit verzinsel van de al genoemde krant niet meer weg te denken zal zijn in allerlei discussies) kan mooi gedemonstreerd met een opriep die ik gisteren op Facebook trof. Dat iemand al begint met te verklaren “Even dit, ik ben geen racist’, is al een aankondiging dat een stortvloed aan vooroordelen gaat volgen. Elisa Rutten uit Alkmaar laat weten: ‘Even dit. Ik ben geen racist. Ik ben het wel zat. Ik zeg dit één keer en daarna zeg ik er niets meer over. Ik heb namelijk zo’n gruwelijke hekel aan mensen die alles in Nederland racistisch vinden. Het wordt van kwaad tot erger. De Marokkaanse gemeenschap voelt zich gediscrimineerd omdat het programma ‘Opsporing Verzocht’ teveel items toont waarin de daders van Marokkaanse afkomst zijn. De programmamakers zijn gevraagd om minder daders van die afkomst op televisie te laten zien. Moeten zij smurfen laten zien dan? De woorden ‘negerzoenen’ en ‘zigeunersaus’ mogen ook niet meer. De Jodenkoeken hebben zich inmiddels verstopt. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 15


Josephine Baker

JACOBA VAN TONGEREN

Jacoba van Tongeren (Tjimahi bij Bandoeng, 14 oktober 1903 – Bergen, Noord-Holland, 15 september 1967) was verzetsstrijdster, oprichtster en leidster van de verzetsgroep Groep 2000, regio Amsterdam, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Groep 200 hielp ongeveer 4.500 onderduikers. In 1990 werd van Tongeren door Yad Vashem gehonoreerd als Rechtvaardige onder de Volkeren. Ze was de dochter van Hermannus van Tongeren, een KNIL-officier die van discipline hield. Haar leven werd dan ook sterk beïnvloed door de opvoeding die zij in haar jonge jaren van haar vader kreeg. Haar vader was als genieofficier van het KNIL verantwoordelijk voor de bouw van spoorwegbruggen op Sumatra, toenmalig Nederlands-Indië. In haar kindertijd woonde zij samen met haar vader in een verplaatsbare ambtswoning voor legerofficieren in het oerwoud. Ze bezocht geen basisschool, maar kreeg onderwijs van haar vader: een ‘militaire’ opvoeding, die haar de normen en waarden van militairen bijbracht. In 1916 keerde Hermannus van Tongeren met zijn gezin in Nederland terug uit Nederlands-Indië. Jacoba bezocht van 1916 tot 1922 het Gereformeerd Gymnasium in Amsterdam en ging door een moeizame periode van sociale aanpassing, want zij was eerder noch een gezin, noch een school, noch de omgang met leeftijdsgenoten gewend. In de tijd ontstond een goede band met haar oudere broer, verzetsstrijder Herman van Tongeren. In haar biografie uit 2015, geschreven door haar neef Paul van Tongeren, werd melding gemaakt van een mislukte zelfmoordpoging van Jacoba op vijftienjarige leeftijd nadat ze ten onrechte de schuld kreeg van een gebroken karaf  en hiervoor door pa lief meedogenloos werd gestraft. Uit wraak deed ze een zelfmoordpoging om daarmee haar familie een levenslang schuldgevoel te geven. De auteur betoogde ook dat het lang verzwegen incident waarschijnlijk heeft bijgedragen aan haar ontwikkeling als compromisloze verzetsvrouw. Jacoba volgde vanaf 1923 een opleiding tot verpleegster in Rotterdam, maar kon die niet voltooien omdat zij in 1928 een streptokokkeninfectie kreeg. Zij kuurde zeven jaar in Groenekan en de tbc-lighallen van Amersfoort. Daar leerde zij haar levensgezellin Nel Wateler kennen. Terug in Amsterdam werkte zij als maatschappelijk werkster voor de Centrale van Werklozenzorg. (meer…)

ULRIKE MEINHOF

Ulrike Marie Meinhof (Oldenburg, 7 oktober 1934 – Stuttgart, 9 mei 1976) was een journaliste en een van de bekendste leden van de Rote Armee Fraktion (RAF). Haar vader Werner Meinhof was kunsthistoricus; hij stierf aan kanker in 1940. Haar moeder was historica. Nadat ook haar moeder het leven liet in 1948, kreeg Ulrike Renate Riemeck, een oude studievriendin van haar moeder, als voogd. In 1955 kon Ulrike dankzij een studiebeurs filosofie, pedagogiek, sociologie en germanistiek gaan studeren in Marburg. Het volgende academiejaar trok ze naar Münster, waar ze actief werd binnen de Sozialistische Deutsche Studentenbund (SDS) en er in 1957 woordvoerder werd voor de commissie anti-atoomdoden. Ze schrijft er ook over in het studententijdschrift. Van 1959 tot 1969 schreef ze voor het invloedrijke linkse blad Konkret en was er van 1962 tot 1964 hoofdredacteur. In de tussentijd is ze lid geworden van de verboden communistische partij, de KPD. In 1961 trouwde ze met Klaus Rainer Röhl, de uitgever van Konkret, met wie ze in 1962 een tweeling kreeg: Regine en Bettina. Eind 1967 gingen ze uit elkaar en uiteindelijk scheidden ze in 1968. Nog datzelfde jaar verhuisde ze met haar twee dochters naar West-Berlijn. Hier kwam ze in contact met de politieke activisten Andreas Baader en Gudrun Ensslin. Meinhof ontwikkelde snel sympathie voor de strijd van het tweetal en betuigt in haar artikelen steun. In deze periode radicaliseert ze. (meer…)

JASPER VAN OORT

Jasper van Oort (1920-2009), geboren in Ameide, vocht in de meidagen van 1940 bij het militaire vliegveld Ypenburg. Na de oorlog kreeg hij een Oorlogsherinneringskruis voor ‘bijzondere krijgsverrichtingen’. Jasper van Oort raakte zijn onderscheiding kwijt. Zijn familie ging er pas rond 2003 achteraan en wist te regelen dat het Oorlogsherinneringskruis opnieuw aan de inwoner van Tienhoven werd uitgereikt.

Het Oorlogsherinneringskruis werd bij Koninklijk Besluit no. 6 van 16 maart 1944 ingesteld en verving het oude Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven, die voor bijzondere campagnes werd toegekend. Het was een algemenere onderscheiding voor allen die in de oorlog tegen Duitsland, Japan en hun bondgenoten in de krijgsmacht of in de handelsvloot, vissersvloot of burgerluchtvaart hadden gediend. Het diende als beloning voor: (a) militairen, in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden; (b) Nederlanders of Nederlandse onderdanen (inwoners van Nederlands-Indië waren geen Nederlanders), die dienden aan boord van Nederlandse koopvaardij- of vissersschepen onder Nederlands dan wel geallieerd beheer en (c) Nederlanders of Nederlandse onderdanen, deel uitmakende van vliegtuigbemanningen der Nederlandse burgerluchtvaart onder Nederlands dan wel geallieerd beheer. Zij dienden in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en goed gedrag te hebben getoond en vanaf 10 mei 1940 tot het einde van de oorlog ten minste zes maanden in hun functie dienst te hebben gedaan. Zij die niet in aanmerking kwamen voor het Oorlogsherinneringskruis konden het Mobilisatie-Oorlogskruis aanvragen. In principe kon men niet beide onderscheidingen ontvangen. (meer…)

HITLERS BEUL. LEVEN EN DOOD VAN REINHARD HEYDRICH, 1904-1942

Reinhard Heydrich was als hoofd van de Gestapo en tweede man onder Heinrich Himmler in de SS, een van de gevaarlijkste mannen binnen het Derde Rijk. Zelfs mannen als Hermann Göring, Adolf Eichmann, Heinrich Himmler, Joseph Goebbels, Rudolf Hess en Albert Speer, elk op hun eigen terrein mensen om terdege rekening mee te houden en waarmee men zeker geen vijand moest worden, waren bang voor hem. Of liever gezegd voor de berg aan gevoelige informatie die Heydrich via zijn omvangrijke, geheime netwerk van spionnen en infiltranten over hun privélevers had verzameld. “Het Blonde Beest”, zoals een van zijn vele bijnamen luidde, paarde een scherpe intelligentie en politieke vaardigheden aan een totale gewetenloosheid. Hitler omschreef hem als “de man met het ijzeren hart” en een bekende Amerikaanse racist noemde hem “the Naziest Nazi of them all”. De man was cultureel goed ontwikkeld, een degelijk sportman, een begenadigd musicus en een toegewijd vader. Hij was echter tegelijkertijd de meedogenloze Reichsprotektor van Bohemen en Moravië en de voorzitter van de beruchte Wannseeconferentie, waar besloten werd tot de systematische uitroeiing van de Europese Joden. Op 27 mei 1942 werd hij door twee Tsjechische verzetsmensen vermoord toen hij in zijn open Mercedes door Praag reed. Als represaille werd maandenlang een klopjacht gehouden op het Tsjechische verzet, dat daarmee totaal vernietigd werd. Op bevel van Adolf Hitler werd het bij Praag gelegen dorp Lidice met de grond gelijk gemaakt; alle bewoners werden geliquideerd. Reinhard Heydrich werd met de grootst mogelijke eer te Praag begraven, overladen met postume lofuitingen van de kopstukken uit de nationaal-socialistische beweging. Laurent Binet schreef over de aanslag en de gevolgen in 2010 zijn veelbekroonde boek “HhhH – Himmlers hersenen heten Heydrich”. (meer…)

WOLFGANG LANGHOFF – DE VEENSOLDATEN (1935)

Wolfgang Langhoff (Berlijn, 6 oktober 1901-Oost-Berlijn, 25 augustus 1966) was een Duitse toneelspeler en regisseur. Hij was een van de vier zonen van een Berlijnse koopman, maar het gezin verhuisde al snel na zijn geboorte naar het Zuid-Duitse Freiburg, waar hij naar het gymnasium ging. Van 1915 tot 1917 was hij matroos op de zeevaart, hij ambieerde ook een officiersopleiding bij de handelsvloot maar vanwege de Eerste Wereldoorlog kon daar niks van komen. Na de oorlog kreeg hij een baantje als figurant bij het theater in Köningsberg, het huidige Kaliningrad in Rusland. Het duurde niet lang voordat hij de eerste rollen kreeg waarin hij ook enige tekst kreeg. Wat al opmerkelijk was omdat Langhoff geen enkele acteursopleiding had gevolgd. Hij had blijkbaar talent én het werd opgemerkt. In 1923 kwam hij terecht bij het Thalia Theater in Hamburg, een van de drie grote theaters in de havenstad, en later in Wiesbaden. In 1926 trouwde hij met de toneelspeelster Renate Edwina Malacrida, een Italiaanse jodin. Ze kregen twee zonen, die in 1938 en 1941 werden geboren toen het echtpaar als lang in het buitenland verbleef. Vanaf 1928 tot 1932 was hij als acteur verbonden aan het Schauspielhaus Düsseldorf en in de perode september 1932 tot 28 februari 1933 aan de Städtischen Bühnen in Düsseldorf.

Op 28 januari 1933 was Adolf Hitler aan de macht gekomen, op 27 februari 1933 brandde de Rijksdag af en nog dezelfde dag wist Hitler via de zogenaamde Rijksdagdecreten de absolute macht naar zich toe te trekken. Men wist met succes de Rijksdagbrand voor te stellen als een communistische opstand. Binnen enkele uren naar de brand zaten tientallen communisten achter slot en grendel. Op 28 februari 1933 werd al een presidentiële noodverordening op basis van artikel 48 van de Grondwet opgesteld met uitgebreide bevoegdheden om de openbare veiligheid te garanderen. De grootschalige arrestaties konden nu beginnen. (meer…)

WERNER BERGENGRUEN

Werner Bergengruen (Riga, 16 september 1892 — Baden-Baden, 4 september 1964) was een Duits katholiek schrijver van Baltisch-Duitse afkomst. Hij was de zoon van een Duitstalige arts in Lijfland, maar kwam als kind naar Duitsland en ging tot 1910 in Lübeck naar school. Aanvankelijk studeerde hij theologie in Marburg, maar schakelde op germanistiek over. Hij studeerde in München toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak; als luitenant vocht hij in de Baltische staten, en na de oorlog streed hij nog tegen het Rode Leger. Hij huwde in 1919 met Charlotte Hensel, een afstammeling van de componist Hanny Mendelssohn en de dochter van de mathematicus Kurt Hensel. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren: Olaf, Luise, Maria en Alexander. Bergengruen studeerde nog verder in Berlijn, maar voltooide zijn studie niet. Tezelfdertijd ging hij als journalist werken en vertaalde romans van Dostojevski, Tolstoj en Toergenjev. Zijn eerste roman, Das Gesetz des Atum, verscheen in 1922, toen hij hoofdredacteur van het tijdschrift Ost-Informationen was.In latere jaren stond hij afwijzend tegenover dit werk (‘met Recht vergriffen, verbrannt, vergessen’), maar het is de vraag of dat te maken had met het veranderde politieke klimaat of zijn gewijzigde opvattingen. Vanaf 1927 leefde hij van de pen.

Zijn krantencommentaren waren zeer scherp voor de nazi’s. Hij en zijn vriendenkring stonden erg afwijzend tegenover het oprukkende nationaalsocialistische gedachtegoed. Hij was weliswaar nationaal-konservatief tot in zijn haarvaten, maar bewoog zich steeds richting het christelijk-humanistische levensopvatting. Dat stond al behoorlijk haaks op de ideeën van Hitler cs. Ook vanwege familiare redenen was het begrijpelijk dat hij zich gereserveerd opstelde ten opzichte van Hitlers wereldvisie. Volgens de Neurenberger Wetten werd zijn vrouw vanwege haar joodse grootouders van moederszijde namelijk als een ‘Mischling’. (meer…)

JOHAN KERKMEIJER

Johan Christiaan Kerkmeijer (Middelburg, 9 september 1875 — Hoorn, 9 maart 1956) was een zoon van Jan Kerkmeijer, een bode bij de provincie Zeeland en Hermien van den Brink, die beiden oorspronkelijk uit Gelderland kwamen, maar in 1969 in Middelburg trouwde. In die stad rondde Johan Kerkmeijer in 1892 de HBS af, om meteen aan een opleiding tot tekenleraar te beginnen aan de Rijks-Normaalschool voor Teekenonderwijzers. Deze opleiding was gevestigd in het pand van het Rijksmuseum in Amsterdam. Hier kreeg hij onder andere lessen van Marinus Vlamings, Joseph Cuypers en Jan Derk Huibers. Mogelijk heeft ook Pierre Cuypers nog les aan Kerkmeijer gegeven, maar dit is niet zeker. In 1895 slaagde hij voor de opleiding. In de winter van 1896-97 gaf hij lessen aan de Avond-Teekenschool in Amstelveen. In oktober 1897 ging hij naar Hoorn, waar hij aan de HBS, de Burgeravondschool en de Stadsteekenschool les ging geven. Als stadstekenmeester gaf hij les aan de Stadsteekenschool in een lokaal in de Waag. De Burgeravondschool huisde in een voormalig kantoorpand van de Vereenigde Oostindische Compagnie aan de Muntstraat. Twee jaar later kreeg hij daar een vaste aanstelling. In de tussentijd werden de Burgeravondschool en de Stadsteekenschool samengevoegd tot de nieuwe Burgeravondschool. Normaal gesproken zou de tekenaar aan de Hogere Burgerschool ook de directeur worden van de Burgeravondschool, maar omdat Kerkmeijer slechts 24 jaar oud was vond men hem te jong. In plaats van Kerkmeijer werd de stadsarchitect Johannes van Reijendam aangewezen als directeur. Tussen 1911 en 1915 was hij, als amateurschilder en -tekenaar, correspondentie-leerling bij Carel Drake. Kerkmeijer stuurde werken naar Drake op en kreeg die dan later met commentaar terug. Op voordracht van Jan Toorop exposeerde hij in 1916 enkele werken op de jaarlijkse zomertentoonstelling van de kunstenaarskolonie te Domburg. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 14

JOSEPH JASTROW – de Jastrow-illusie (1899)

Joseph Jastrow (30 januari 1863 – 8 januari 1944) was een Amerikaanse psycholoog. Jastrow werd in Warschau geboren, maar vertrok al op driejarige leeftijd met zijn ouders naar de verenigde Staten. Die vestigde zich in Philadelphia. Na zijn middelbare school studeerde hij aan de Universiteit van Pennsylvanië. Jastrow doceerde in 1883 en 1884 aan de Johns Hopkins Universiteit, ontving in 1886 zijn doctorstitel in de psychologie en werd in 1888 benoemd als professor aan de grote Universiteit van Wisconsin-Madison. Hij leidde in 1893 de sectie psychologie tijdens de wereldexpositie in Chicago en publiceerde zijn artikelen in toonaangevende tijdschriften als Science en Psychological Review. Joseph Jastrow bestudeerde de evolutie van de taal en werd bekend vanwege zijn experimentele psychologie. Daarbij introduceerde hij het fenomeen van optische illusies, waarvan de beeltenis met een konijn en eend onder de naam ‘de Jastrow-illusie’ wereldberoemd werd. Na zijn pensionering in 1927 werkte hij nog vele jaren in zijn vakgebied en gaf veel voordrachten. Zo was hij tot 1933 verbonden aan de New School of Social Research.

Op 23 oktober 1892 was in München in het satirische weekblad Fliegende Blätter een eend-konijn-tekening van een onbekende kunstenaar verschenen. Gewoon bedoeld als aardigheidje. Een maand later nam het Amerikaanse blad Harper’s Weekly, die de aardigheid van de tekening wel inzag, het ook in haar uitgave op. Pas zeven jaar later gebruikte Jastrow het als voorbeeld hoe kan worden getest hoe mensen hun omgeving waarnemen. De uitleg die Jastrow aan de eend-konijnillusie gaf was veel dubbelzinniger dan het origineel. Hoe werkt die eend-konijnillusie nu eigenlijk? In een gecontroleerde situatie lijkt het oog te worden geleid door de lijnen die het beeld vormen, en niet zozeer door de afbeelding zelf. Het zijn deze lijnen die we proberen te interpreteren, het beeld is slechts ‘het lokkertje’. De lijnen worden vervolgens beurtelings als eend en als konijn gezien. (meer…)

VLIEGVELD VALKENBURG

Op 17 april 1939 werd in de voormalige gemeente Valkenburg (sinds 2006 onderdeel van de gemeente Katwijk) door de Nederlandsche Heidemaatschappij begonnen met de aanleg van het militaire vliegveld Valkenburg. Voor het werkverschaffingsproject waren uit de wijde omgeving van het dorp ruim duizend werkloze arbeiders aangetrokken. Ten tijde van de Duitse aanval in mei 1940 was het project nog niet afgerond, er werd nog steeds flink bemalen om de grond geschikt te maken voor luchtvaartverkeer. Blijkbaar was dat niet bekend bij de Duitse plannenmakers, want op 10 mei werd Valkenburg eerst bezet door Duitse parachutisten, waarna zestig transportvliegtuigen op de basis kwamen aangevlogen. De eerste JU-52 boorde zich direct vast in de zachte bodem en kwam aan het begin van de landingsbaan tot stilstand. Het tweede vliegtuig boorde zich in volle vaart in de stilstaande Juncker. Dit herhaalde zich een paar keer, totdat men besefte dat men diende uit te wijken naar andere locaties. De rest van de toestellen maakten daarop een noodlanding op het strand tussen Scheveningen en Katwijk. Deze uitwijkmanoeuvre had voor de Duitse aanvalsplannen verstrekkende gevolgen, omdat het bereiken van het uiteindelijke doel van de aanval (snel doorstoten naar Den Haag en daar de regering en het koningshuis gevangen te nemen) daarmee op voorhand al een stuk lastiger werd. Tegen de avond wisten de Nederlandse strijdkrachten de luchthaven te heroveren. Bij deze strijd vielen veel doden. Een aantal militairen werden later onderscheiden met de Willemsorde, waaronder majoor Jan Mallinckrodt.
(meer…)

GINA KAUS – DIE SCHWESTERN KLEH (1933)

Gina Kaus (Wenen, 21 oktober 1893 – Los Angeles, 23 december 1985) was een Oostenrijkse schrijfster, vertaalster en auteurs van draaiboeken voor films. Haar oorspronkelijke naam was Regina Wiener; ze was de dochter van geldhandelaar Max Wiener. Haar halfzuster was Stephanie Richter (1891-1972), die later een twijfelachtige reputatie kreeg als een van de topspionnen van het Derde Rijk. Deze Stefanie werd geboren als de dochter van Johann Sebastian Richter, die als openbare aanklager verbonden was aan de Weense rechtbank. Max Wiener bleek echter de biologische vader te zijn. Door haar huwelijk kreeg ze de fraaie naam Stéphanie Maria Veronika Juliana Prinzessin zu Hohenlohe-Waldenburg-Schillingsfürst en de Hongaarse nationaliteit. Ondanks haar half-Joodse afstemming werd ze een van Hitlers favoriete vrouwen. Regina bezocht in Wenen een ‘Höhere Töchterschule’. Nog voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog trouwde Regina in 1913 met de muzikant Josef Zirner. Die sneuvelde in 1915; Regina bleef wonen bij haar schoonouders, die een juwelierszaak hadden. Daar leerde ze een bekende van de Zirners kennen, Joseph Kranz. Kranz was bankdirecteur en betrokkenen bij allerlei zakelijke deals en daardoor een van de centrale figuren in de Joodse gemeenschap in Wenen. Ze werd zijn geliefde en liet zich op een gegeven moment vanwege de financiële zekerheden die daaraan waren verbonden door hem adopteren. Vanaf dat moment droeg ze de achternaam Zirner-Kranz. (meer…)

OVERSTROMINGEN OP HET GELDERS EILAND

Het Gelders Eiland is de bijnaam van het gebied van de voormalige gemeente Rijnwaarden. Na een gemeentelijke herindeling is Rijnwaarden door de gemeente Zevenaar ingelijfd. De gemeentegrenzen van Rijnwaarden werden begrensd door de Rijn, de Oude Rijn (een rivierarm waar vroeger de hoofdstroom van de Rijn liep) en het Pannerdensch Kanaal. Die gemeente Rijnwaarden was pas in 1985 gevormd uit de toenmalige gemeente Herwen en Aerdt en de gemeente Pannerden, een samenvoeging die ook al niet met erg veel enthousiasme werd begroet. De gemeente omvatte daarmee in alfabetische volgorde de volgende zeven kernen: Aerdt, Herwen, Lobith, Pannerden, Spijk, Tolkamer en Tuindorp. In april 2017 woonde er 10.849 inwoners op het Gelders Eiland, dat een oppervlakte had van 44,86 km², waarvan 8 km² water.

De naam heeft het gebied te danken aan het feit dat het gebied eeuwenlang omgeven was door water en soms door overstromingen een tijdje van de buitenwereld was afgesloten. Op het Gelders Eiland zijn vanaf de aanleg van de eerste dijken in de 13e eeuw tot in de jaren 70 van de vorige eeuw tientallen grote dijkdoorbraken en overstromingen geweest. In De Waterplaag van J. W. van Petersen wordt een indrukwekkend overzicht gegeven van alle doorbraken die de bewoners van het Gelders Eiland in de loop der eeuwen te trotseren hadden. Het gebied was hierin overigens niet uniek. Een website over de Biesbosch en de Lekdijk geven een overzicht wat hier aan natuurrampen te verteren was. Er zullen geen gebieden in Nederland zijn waar niet dezelfde rampoverzichten te maken zijn. Eeuwenlang is het water een niet te beheersen onderdeel van het dagelijkse leven geweest.
(meer…)

JAN VAN STRAELEN

Jan van Straelen (Bussum, 26 augustus 1915 – Leusderheide bij Amersfoort, 29 juli 1943) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij maakte deel uit van de Groep-Dobbe en deed onder leiding van Gerard Reeskamp en Theo Dobbe, die in 1940 samenwerkten in de actiegroep Reeskamp, mee aan de wapenoverval op de vesting Naarden in 1940 en de aanslag aan de Bernard Zweerskade te Amsterdam 1941. Hij werkte samen met onder meer zijn broer Ton en zijn zus Ans, die enige maanden gearresteerd is geweest om de schuilplaats van haar broer Jan prijs te geven, wat zij niet heeft gedaan. Hij stal koffers van hoge Duitse officieren die vervolgens naar Engeland werden gesmokkeld. Een opmerkelijk wapenfeit is dat hij in een Duits marineuniform het hoofdkwartier van de Duitse Marine in Amsterdam binnenging en vervolgens weer naar buiten kwam met de blauwdrukken van een nieuwe U-boot. Van Straelen hield zich voornamelijk bezig met spionage.

Hij was een van de leidende figuren binnen de Ordedienst. De top van de OD kwam regelmatig bijeen in café Rademaker in Hilversum met als voorman Willem Rademaker. Tot voor kort was hier weinig over bekend, tot er recentelijk geheime briefjes tevoorschijn kwamen, die in 1943 uit de gevangenis in Utrecht waren gesmokkeld. Aldaar gaf de inmiddels gevangen gezette Van Straelen opdracht tot het liquideren van provocateur J. de Droog. Vanuit Utrecht werd hij vervolgens naar Kamp Amersfoort gestuurd. Daar werd hij met twintig andere verzetsstrijders tijdens het Tweede Ordedienstproces ter dood veroordeeld wegens ‘Feindbegünstigung’ en op de Leusderheide bij Amersfoort gefusilleerd. Deze groep bestond behalve Van Straelen uit de volgende verzetsstrijders: Anton Abbenbroek, Lex Althoff, Christiaan Frederik van den Berg, jhr. W.Th.C. van Doorn, F. Dudok van Heel, R. Hartogs, W.H. Hertly, J.F.H. de Jonge Melly, E.A. Latuperisa, Adriën Moonen, W. Mulder, A.C.Th. van Rijn, Johan Schimmelpenninck, S. Vaz Dias, G.F.M. Vinkesteyn en A. Wijnberg. Van Straelen is in Amersfoort herbegraven met militaire eer, wat opmerkelijk is voor een burger. Postuum is hem het Verzetsherdenkingskruis toegekend. (meer…)

DIE MOORSOLDATEN

Het lied Die Moorsoldaten is een lied dat in de zomer 1933 door gevangenen van kamp Börgermoor, een van de vijftien Emslandkampen, is geschreven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ook daarna, stond het lied symbool voor het verzet tegen de overheerser. In Börgermoor, dicht bij de Nederlandse grens, werden onder meer politieke tegenstanders van het naziregime, Jehova’s getuigen en homoseksuelen gevangengezet. Met eenvoudig gereedschap, zoals een spade, moest men in het veen (Duits: Moor) kanalen graven en ontginningswerkzaam-heden verrichten.

Eén van de gevangenen was de gevierde toneelspeler en regisseur Wolfgang Langhoff uit Düsseldorf. Hij was gearresteerd wegens z’n socialistische sympathieën. In het kamp zette hij met andere gevangenen een revue op, sarcastisch ‘Zirkus Konzentrazani’ genoemd, en schreef de tekst van het Moorsoldatenlied. Om de lange werkdagen wat te verlichten zong de gevangenen liederen die soms zelf gemaakt werden. Mijnwerker Hans Esser en acteur Wolfgang Langhoff waren verantwoordelijk voor de tekst van het lied over de dwangarbeid in het veen, terwijl Rudi Goguel de melodie schreef. Het lied sprak de gevangenen direct aan omdat het hun gezamenlijk lot beschreef en de hoop op een toekomst in vrijheid bezong. Op 28 augustus 1933 tijdens ‘Zirkus Konzentrazani’, een ontspanningsavond voor en door gevangenen, werd het lied voor het eerst gezongen. Twee dagen later werd het door de kampleiding verboden. Blijkbaar had men toen de moeite genomen eens goed naar de tekst te luisteren. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 016

Frans van den Muijsenberg / 28 november 2015 / Thuis

KAMP BÖRGERMOOR

Kamp Börgermoor was het eerste van de vijftien Emslandkampen, het lag ongeveer 10 kilometer ten zuidoosten van Papenburg. Kamp Börgermoor werd in 1933 gebouwd als gevangenkamp voor tegenstanders van het nationaalsocialisme. Als eerste gevangenen werden vakmensen geselecteerd, negentig gevangen handwerkslieden uit de gevangenis van Düsseldorf. Zij werden verplicht hun eigen kamp te bouwen. De gevangenen bouwden tevens het kamp Esterwegen en werden ingezet bij de ontginning van het veengebied. De gevangenen moesten langdurig zware arbeid verrichten. Zij kregen geen machines tot hun beschikking, hadden gebrekkige en onvolledige kleding, slechte voeding en werden regelmatig mishandeld. Soms werden ze aangevallen door opgehitste honden. Daarbij vielen doden. De “nacht van de lange latten” was een drama. Iemand had het rookverbod overtreden, waarop alle gevangenen van de barak van de overtreder midden in de nacht uit die barak werden gejaagd, buiten spitsroeden moesten lopen en daarbij werden geslagen met lange latten waarin spijkers zaten. De gevangenen werden slecht verzorgd en dag in dag in het veen te werk gesteld waar zij onmogelijk hard en zonder gebruikmaking van machines moesten zwoegen ter vervulling van een of ander utopisch tienjarenplan. Ze hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de opbouw van een infrastructuur in het in die tijd nog vrij ontoegankelijke Emsland. Tot meerdere eer en glorie van de plaatselijke autoriteiten werden er drainage, kanalen en wegen aangelegd. Wat door de nationaalsocialisten als een soort werkstraf tot nut van het algemeen werd afgeschilderd, betekende voor vele gevangenen niets anders dan “vernietiging door arbeid”. (meer…)

CATHARINA COOL

Catharina Cool (Wormerveer, 19 augustus 1874 – Leiden, 20 juni 1928) was een Nederlandse mycoloog; ze heeft veel betekend voor de ‘populaire paddenstoelenstudie in Nederland’ en propageerde ze in Nederland ook het eten van paddenstoelen. Ze was de dochter van een doopsgezinde predikant te Wormerveer; ze droeg dezelfde namen als haar in 1871 op eenjarige leeftijd overleden zusje, een andere zus zou in 1881 op tienjarige leeftijd overlijden. Na de lagere school ging ze naar de ‘Fransche School’, daarna volgde ze een opleiding tot apothekersassistente. Haar hele leven kampte Catharina met een slechte gezondheid. Na het emeritaat van jaar vader in 1899 verhuisde ze met haar ouders naar Nijmegen. Ze was ongelukkig en ging te rade bij een bevriend echtpaar, waarvan de man zenuwarts was. Die raadde haar aan ‘de natuurstudie ter hand te nemen’. In de tijd van de opkomende belangstelling voor natuurstudie (vooral geïnspireerd door Eli Heimans en Jac. P. Thijsse) was dat niet ongebruikelijk. De periode wordt wel het ‘biologisch réveil’ genoemd. (meer…)

COEN ROOD

In “Onze Dagen” beschrijft Coen Rood zijn omzwervingen door de macabere wereld van de Duitse kampen. In de periode 25 april 1942 tot 2 mei 1945 voert zijn reis hem achtereenvolgens naar het werkkamp Conrad in Rouveen, het doorgangskamp Westerbork, het doorgangskamp Annaberg en het dwangarbeiderskamp Gleiwitz in Opper-Silezië, via de beruchte dodenmars naar het Duitse concentratiekamp Oranienburg, van daaruit naar het concentratiekamp Flossenbürg en ten slotte achtereenvolgens langs de Zuid-Duitse concentratiekampen Leonberg, Kaufering, Landsberg en Ampfing. In laatstgenoemde kamp wordt hij eindelijk door de Amerikanen bevrijd en mag hij in het nabijgelegen Müldorf weer wat aansterken. Begin juni wordt hij gerepatrieerd naar Nederland. Op 9 juni 1945 staat hij weer op de plek waar hij in april 1942 vertrok: het Centraal Station in Amsterdam.

Coen(raad) Rood werd op 12 augustus 1917 in Amsterdam geboren als zoon van een bloemen- en plantenhandelaar. Behalve Coen waren er nog drie jongens en twee meisjes in het niet-orthodoxe Joodse gezin. Na de lagere school volgde hij een opleiding tot banketbakker, op zijn veertiende ging hij aan de slag in een bakkerij. Een paar jaar later maakte hij een opmerkelijke keuze: hij werd verpleger in verzorgingstehuis De Joodsche Invalide. Daar leerde hij in 1938 de ziekenverzorgster Bep Kooperberg kennen, met wie hij in september 1940 trouwde. (meer…)

DE EMSLANDKAMPEN

De Emslandkampen waren een groep van kampen in het Duitse Emsland en het graafschap Bentheim, gelegen in Noordwest-Duitsland in de buurt van de Nederlandse grens; aan de Nederlandse kant van de grens grofweg van Winschoten tot Coevorden. In totaal vielen onder de Emslandlager vijftien kampen, die vanuit Papenburg werden geleid. De naziregering en regionale overheden in het Emsland hadden een overeenkomst waarin werd bepaald dat de gevangenen als dwangarbeiders konden worden gebruikt om het uitgestrekte veengebied in het Emsland te ontginnen. De ontgonnen gebieden zouden bijdragen aan een grotere economische zelfstandigheid van Duitsland. De kampen hadden wisselende functies. Ze werden door de nazi’s gebruikt als: concentratiekampen (1933-1936), strafgevangenenkampen (1934-1945), militaire strafgevangenenkampen (1939-1945), krijgsgevangenenkampen (1939-1945) en buitenkampen van het concentratiekamp Neuengamme (1944/45). De veranderende functies van de kampen is verweven met de ontwikkelingsgeschiedenis van het nationaalsocialisme. De Emslandkampen hadden buitenkampen in Noord-Duitsland, Noorwegen en in het westen van Frankrijk. (meer…)

DUITSE KAMPEN IN NEDERLAND EN BELGIË

De omvang van de Holocaust blijft van een adembenemende omvang. Al jarenlang schrijf ik recensies over boeken die te maken hebben met de systematische vervolging en genocide van de Joodse bevolking van de Europese landen, in de vernietigingskampen en door massa-executies door de Duitse Einsatzgruppen. Die Einsatzgruppen waren paramilitaire doodseskaders, die direct achter de eerste Duitse troepen aan het oostfront actief waren. Deze eenheden, die bestonden uit leden van de Sicherheitspolizei (Sipo), Sicherheitsdienst (SD), Ordnungspolizei (Orpo) en Waffen-SS, volgden de Wehrmacht in het spoor van haar opmars en hadden als missie om alle weerstand achter de Duitse frontlinie uit te schakelen. Ze doodden in hun ogen ‘ongewenste elementen’ zoals Joden, communisten, zigeuners, homoseksuelen, intellectuelen, gehandicapten en partizanen. De slachtoffers waren voornamelijk burgers die zonder enige vorm van proces werden vermoord. Het aantal Joodse slachtoffers wordt door wetenschappers geschat tussen de 5,1 en 6,0 miljoen; in de media wordt steevast dat laatste, hoogste aantal genoemd. Een aantal dat zo vaak wordt genoemd dat we haast vergeten dat er ook nog 44-45 miljoen andere slachtoffers vielen, waaronder een paar miljoen Roma, homoseksuelen,gehandicapten en politieke gevangenen. De meeste historici komen uit op een totaal van 50 miljoen doden als gevolg van het oorlogsgeweld in de jaren 1939-1945. Er zijn echter ook schattingen waarbij het aantal oploopt tot 85 miljoen.
(meer…)

COR WITSCHGE

Cor Witschge (Amsterdam, 5 augustus 1925 – Terschelling, 13 maart 1991) was een Nederlands acteur. Hij speelde van 1958 tot 1980 de rol van Pipo de Clown in de oorspronkelijke televisieserie. Witschge groeide op in de Amsterdamse wijk de Jordaan. Na de lagere school bezocht hij enkele jaren de ambachtsschool, maar hij wilde liever de artistieke kant op. Op zijn zestiende deed hij auditie bij het gezelschap het Nederlandsch Jeugdtooneel dat onder leiding stond van Rob Geraerds en Rie Beyer. Zijn eerste rol was die van lakei in de toneelbewerking van het sprookje Assepoester. Witschge kreeg te horen dat hij wel zijn Jordanese accent moest wegwerken, hetgeen hem met enige moeite lukte. Vervolgens werkte hij bij diverse toneelgezelschappen en maakte twee Indische tournees. In 1958 werd Witschge freelancer en werkte enkele jaren voornamelijk voor de televisie. Hij had in 1953 al voor tv opgetreden in House of het brave en dat was hem goed bevallen. Vanaf 1958 kreeg nationale bekendheid met de titelrol in de televisieserie Pipo de Clown van Wim Meuldijk, die vanaf 17 september 1958 werd uitgezonden door de VARA. Overigens viel de overlast van die bekendheid wel mee, want het gezicht van Witschge was verborgen onder de schmink van de clown Pipo. Wel herkenden mensen hem aan zijn kenmerkende stemgeluid. In 1964 verdween Pipo van de buis en ging Witschge spelen bij het gezelschap de Nederlandse Comedie. Na drie jaar keerde hij weer terug naar de rol van Pipo, die hij met tussenpozen zou vertolken tot 1980. In totaal speelde Witschge Pipo in twaalf televisieseries en in honderden korte filmpjes van vijf minuten. Ook speelde hij de rol van de clown in diverse theatervoorstellingen voor de jeugd. (meer…)