MET VEEL BERICHTEN OVER DE PERIODE 1795-1945, MAAR OOK ALLERLEI ZAKEN NA 1945 DIE ME TOEVALLIG INTERESSEREN
De geschiedenis van de fiets en het wielrennen – 6
In 1839 volgde in de ontwikkeling van de fiets een volgende stap, toen de Schotse smid Kirkpatrick Macmillan (Keir, Dumfries and Galloway, 2 september 1812 – Keir, 26 januari 1878) het eerste mechanisch aangedreven tweewielige voertuig bouwde. Hij wordt algemeen gezien als de uitvinder van de trapfiets ofwel een door pedalen aangedreven fiets. Hij vond echter niet de moderne fietspedalen uit, maar paste het sinds de Middeleeuwen bekende pedaal aan de draisine aan. Kirkpatrick Macmillan bouwde een houten fiets met pedaalaandrijving, inclusief houten wielen met ijzeren velgen, een bestuurbaar wiel vooraan en een groter wiel achteraan dat via drijfstangen met de pedalen was verbonden.
Als jonge man had hij verschillende banen, voordat hij in 1824 ging werken bij zijn vader die een smidse had. Rond die tijd zag hij een loopfiets over een nabijgelegen weg rijden en besloot er eentje voor zichzelf te maken. Na voltooiing realiseerde hij dat het een radicale verbetering zou zijn als hij kon voortbewegen zonder steeds zijn voeten op de grond te moeten zetten. In 1839 voltooide hij in zijn smederij zijn nieuwe machine. Deze eerste trapfiets werd voortbewogen door een horizontale heen en weer gaande beweging van de voeten van de berijder op de pedalen. Deze beweging werd via drijfstangen overgebracht op de krukken op het achterwiel. De machine was extreem zwaar en de fysieke inspanning die nodig was om erop te rijden moet aanzienlijk zijn geweest. Desalniettemin beheerste Macmillan snel de kunst om op de ruige landwegen te kunnen rijden en was hij er al snel aan gewend om de veertien mijl lange reis naar Dumfries in minder dan een uur te maken. (meer…)

.
Zicht op Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.
Uit: Aramcoworld, juli-augustus 2023, by Ana M. Carreño Leyva.
‘I can’t say how my interest in the regular division of planes originated and whether outside influences had a primary effect on me. My first intuitive step in that direction had already been taken as a student … before I got to know the Moorish majolica mosaics in the Alhambra, which made a profound impression on me.’, M.C. Escher, 1941
One evening just more than 100 years ago—October 19, 1922, to be exact—a 24-year-old artist from the Netherlands named Maurits Cornelius Escher sat down in the 14th-century meeting hall of the Alhambra palace in Granada, Spain. There he began to sketch the patterns of the tiles that filled its walls. He later wrote in his travel diary that he was so spellbound he spent the entire evening there copying an intricate, 16-point star mosaic, and that he did not stop until he had completed it with watercolors the next day. ‘It was amazingly oriental,’ he wrote. ‘What strikes me is the remarkable richness of its decoration (stucco low relief) and the great dignity and simple beauty throughout the place … What is strange in this decoration is the complete absence of any human or animal shape, even of any vegetal form; this is maybe what gives it strength.’ Later he reflected, ‘I became more and more intrigued by the fitting together of congruent figures.’ (meer…)
Gasper John Alfred Galestin (Batavia, 15 december 1905 – Vught, 5 september 1944) werd in Nederlands-Indië geboren als zoon van de koopman Moses Nazareth Galestin. De roots van de familie liggen is Isfahan, maar ook wordt gewezen op Armeense oorsprong van de familie. Hij had een broer, Theodoor Astvatzattur Paul Galestin (1907-1980), die na de oorlog aan de universiteit van Leiden hoogleraar archeologie en kunstgeschiedenis werd en een zus, Johanna Martha Galestin. In allerlei documenten werd Gaspers naam foutief vermeld als Casper ter Galestin, waar die ‘toegevoegde ‘ter’ vandaan komt is onduidelijk, net als de verbastering van zijn voornaam in ‘Casper’. Zijn roepnaam was trouwens Freddy. Net als zijn broer Theo ging Freddy al op jonge leeftijd naar Nederland om te studeren. In Delft studeerde hij af als scheikundig ingenieur en was daarna als ambtenaar werkzaam bij het Rijksbureau voor Chemische Producten. In 1934 trouwde hij in Den Haag met Johanna Adrienne Thole, net als hij met Indische roots, Semarang.
Toen de oorlog uitbrak ging Galestin in Den Haag in het verzet. Hij richtte een inlichtingendienst op, die over een zender beschikte, bediend door Herman Kropff, om berichten naar Londen te kunnen doorseinen. Andere leden van de verzetsgroep waren onder meer Barend Klaas Keuter, diens vader dominee Albert Keuter, Leo Voogd, Wouter Brave en Jan Michiel Hillenius. Ook zorgde de groep ervoor dat via Parijs berichten naar Spanje kunnen worden gestuurd. Via contacten met een chemische fabrikant van surrogaatzeep kwam Freddy in aanraking met een pilotenlijn. (meer…)
De geschiedenis van de fiets en het wielrennen – 5
De verbeterde loopfiets van de Duitse uitvinder Karl von Drais door de Londense koetsier Denis Johnson was in 1819 ongeveer zes maanden lang een gigantische rage in London, vooral onder de Regency-dandy’s. In Londen werden ongeveer tachtig prenten geproduceerd waarop het ‘dandypaard’ en zijn gebruikers werden afgebeeld, niet altijd even flatterend. Het was namelijk voor illustratoren en karikaturisten een uitstekende gelegenheid om de rage over de hoofdstedelijke dandy’s te combineren met actuele politieke discussies, die zich altijd afspeelde binnen de koninklijke familie of de hoogste maatschappelijke kringen. De bekendste van die prenten is Hobby-Horse Fair van Isaac Robert Cruikshank (1789-1856), waarin een bonte stoet van door mankracht aangedreven voertuigen naar een tentoonstelling gaat. De illustratist slaagde er uitstekend in te laten zien hoe belachelijk de draisine en varianten daarop werd gevonden (tekening 1). Vaak wordt deze tekening toegeschreven aan zijn vader Isaac Cruikshank (1764-1811), zelfs in de gerenommeerde Library of Congres, wat gezien zijn jaar van overlijden (1811) en het jaar van de ontwikkeling van de loopfiets door Von Drais en Johnson (1817-1819) een onmogelijkheid is. De veel bekendere illustrator-karikaturist George Cruikshank (1792-1878), een tweede zoon van Isaac Cruikshank, maakte een aantal tekeningen met Johnson’s hobby-horse als dankbaar hulpmiddel om bepaalde misstanden aan de kaak te stellen of simpelweg de rage met dit vreemde vervoermiddel belachelijk te maken (kop en tekeningen 2-5). In tekeningen 6 (‘Patent puffs to raise the wind or Dandy steam packets on contrary Jacks’) van een anonieme illustrator proberen de fietsers door wind in de zeilen te krijgen het vermoeiende lopen overbodig te maken. In tekening 7 van een eveneens anonieme tekenaar werd een aardige illustratie gegeven van hoe de dandy’s zich in hert park verpozen. (meer…)
Uit: Aramcoworld, march-april 2017, by Davod W. Tschanz.
In the late ninth century, leading physician and polymath Muhammad ibn Zakariya al-Razi helped establish a bimaristan—hospital—in Baghdad staffed with 25 doctors, optometrists, surgeons and bonesetters. The illustration, from a 13th-century European translation of Al-Razi’s Compendium of Medical Treatises, shows him treating a patient. The policy statement of the bimaristan of al-Mansur Qalawun in Cairo, c. 1284, stated: ‘The hospital shall keep all patients, men and women, until they are completely recovered. All costs are to be borne by the hospital whether the people come from afar or near, whether they are residents or foreigners, strong or weak, low or high, rich or poor, employed or unemployed, blind or signed, physically or mentally ill, learned or illiterate. There are no conditions of consideration and payment; none is objected to or even indirectly hinted at for non-payment. The entire service is through the magnificence of God, the generous one.’
The modern West’s approach to health and medicine owes countless debts to the ancient past: Babylon, Egypt, Greece, Rome and India, to name a few. The hospital is an invention that was both medical and social, and today it is an institution we take for granted, hoping rarely to need it but grateful for it when we do. Almost anywhere in the world now, we expect a hospital to be a place where we can receive ease from pain and help for healing in times of illness or accidents. We can do that because of the systematic approach—both scientifically and socially—to health care that developed in medieval Islamic societies. A long line of caliphs, sultans, scholars and medical practitioners took ancient knowledge and time-honored practices from diverse traditions and melded them with their original research to feed centuries of intellectual achievement and drive a continual quest for improvement. Their bimaristan, or asylum of the sick, was not only the true forerunner of the modern hospital, but also virtually indistinguishable from the modern multi-service healthcare and medical education center. The bimaristan served variously as a center of treatment, a convalescent home for those recovering from illness or accident, a psychological asylum and a retirement home that gave basic maintenance to the aged and infirm who lacked a family to care for them. (meer…)
Jacob Sanders (Sneek, 23 februari 1887 – Midden-Europa, 28 februari 1945) legde op 19 april 1913 aan de universiteit van Amsterdam zijn artsexamen af. In 1915 was Jacob Sanders als huisarts gevestigd aan de Mathenneserlaan 42 te Rotterdam, een lange en brede laan vanuit het centrum van Rotterdam. De laan was een belangrijk onderdeel van het stedenbouwkundige plan uit 1887 van Gerrit de Jongh, directeur van Gemeentewerken Rotterdam. Vanaf het begin van de twintigste eeuw verrezen langs de Mathenneserlaan de gezichtsbepalende grote herenhuizen van vier en vijf lagen, die zowel als woonruimte, kantoor of praktijkruimte konden worden gebruikt. Er woonden hier voor de oorlog veel Joden en ook waren er diverse Joodse organisaties gevestigd: een Joodse jeugdbeweging (nr. 137), het Israëlitisch Weeshuis (nr. 208), de vereniging Joodse Kindzorg (nr. 220), de Hebrew Immigrant Aid Society (HIAS) (nr. 223) en de Vereniging Israël, afdeling Rotterdam (nr. 451). In 1920 huwde hij met Henriette Hendrika Salomonson (Rotterdam, 18 december 1889), met wie hij twee kinderen zou krijgen: Rolina Regina (Rotterdam, 30 juli 1922) en Leonie Edith (Rotterdam, 31 mei 1925). Na zijn huwelijk verhuisde hij zijn woonadres en huisartsenpraktijk naar de Heemraadsingel 240 in Rotterdam, opnieuw een chique straat met veel welgestelde Joodse bewoners. Tijdens de oorlog zouden de Duitsers er veel van hun organisaties vestigen. Terwijl praktiserend arts in Rotterdam was hij op 6 mei 1918 aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op het proefschrift ‘Ziekte en sterfte bij Joden en niet-joden te Amsterdam’. De Joodse huisarts Herman Pinkhof (Rotterdam, 10 mei 1863 – Westerbork, 16 juli 1943), bekend als auteur van een geneeskundig woordenboek, als wijkarts bij het Nederlandsch Israëlitisch Armbestuur, kenner van de Talmoed, schrijver van de medische handleiding voor de ‘mohelim’ (kerkelijke besnijders) en zijn vele artikelen over ‘beroepsbelangen’ )zoals beroepsgeheim, vrije artsenkeuze, inentingsdwang, kindersterfte, homeopathie en farmacotherapie) voor het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, schreef er een lovende recensie over. Sanders onderzocht op basis van statistische gegevens de verschillen tussen Joden en niet-Joden in gevoeligheid voor verschillende ziekten, waarbij ‘raseigenschappen’ en ‘uitwendige invloeden’ de twee bepalende factoren zijn. Sanders merkte ook op dat de Joodse gezondheid vooral verbeterd kon worden door het bevorderen van een vrij, onafhankelijk leven van het Joodse volk in een eigen land. Bij Sanders ging zijn eugenetische levensvisie dus hand in hand met een zionistische ideologie. (meer…)
De geschiedenis van de fiets en het wielrennen – 4
Denis Johnson (ca. 1760 – 25 december 1833) was een Engelse koetsier. Hij was vanaf 1818 met zijn familiebedrijf werkzaam aan Long Acre, een straat in de City of Westminster in het centrum van Londen, die in het begin van de zeventiende eeuw werd voltooid en toentertijd bekend was om de vele koetsiersmakers die er gevestigd waren. Johnson, getrouwd met Mary Newman in 1792 en vader van twee dochters, bleef tot aan zijn dood op eerste kerstdag in 1833 in Long Acre, zijn familiebedrijf bleef er gevestigd tot 1867. In juli 1998 werd op het adres van de voormalige werkplaats een gedenkplaat voor Denis Johnson onthuld door de minister van Sport. Johnson was op de hoogte gekomen van de archetypische fiets die zijn Duitse collega Karl von Drais had uitgevonden en vervaardigde in zijn werkplaats in de periode 1818-1819 een verbeterde versie van de draisine. Denis Johnson had in mei 1819 twee rijscholen in Londen, in de Strand en in Soho, om zijn loopfiets te demonstreren. Hoe dat er moet hebben uitgezien is in onderstaand filmpje te zien, op een recent nagebouwde Ladies’ Walking Machine. Het enige originele overgebleven model van Johnson’s ‘curricle for pedestrians’ (loopmachine voor voetgangers) bevindt zich in het Science Museum in Londen (zie foto). (meer…)

.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.
Door het bombardement op Villa Kleykamp kwamen onderstaande 60 personen om het leven die in of bij de Villa Kleykamp verbleven. De meeste waren werkzaam bij het Centrale Bevolkingsregister. Enkele personen verdronken doordat zij in de kelder zaten die volliep met bluswater. Slechts een klein aantal medewerkers was lid of sympathisant van de NSB. Enkele medewerkers waren actief in het verzet en betrokken bij de illegale uitreiking van vervalste persoonsbewijzen. Bij bijna allen is de overlijdensdatum vastgesteld op 11 april, omstreeks 15.00 uur, enkelen stierven binnen enkele dagen alsnog aan hun verwondingen. (meer…)
In Den Haag was de Koninklijke Kunstzaal Kleykamp van het echtpaar Pieter en Ermina Kleykamp een begrip. Pieter Gabriel Kleykamp (1867-1942) was een ondernemer en een telg uit een Rotterdamse familie van mandenmakers, de firma Wed. C.G. Kleykamp die al sinds 1790 bestond. Ermina Kleykamp (1868-1931) was de dochter van een succesvol zeekapitein en ondernemer met een bergingsbedrijf. Vanwege haar sterke karakter noemde haar vader haar ‘Bismarck 2’. Het echtpaar trouwde op 14 mei 1891 in Rotterdam en kreeg drie zonen. Na hun huwelijk hielp Ermina haar echtgenoot met het moderniseren van het mandenmakersbedrijf en wist de omzet flink te verhogen met de verkoop van in eigen beheer gemaakte bamboe en rieten meubelen én decoratieve oosterse voorwerpen (lantaarns, waaiers, parasols, ceramiek en Japanse prenten). In 1903 werd de mandenmakerij door het echtpaar afgestoten en begon met reizende verkoopexposities van Japanse kunst- en sierobjecten, waarvan vooral Ermina de initiatiefnemer was. Tot 1909 organiseerde de firma jaarlijks zo’n zes reizende tentoonstellingen, met gemiddeld vijfhonderd objecten. Dat was zo succesrijk dat in 1908 een kunsthandel aan de Zuidblaak in Rotterdam werd geopend. In 1909 werd besloten te stoppen met de reizende tentoonstellingen en hun kunstzaal naar Den Haag te verhuizen, waar ze een betere klandizie verwachtten. Ze vestigden zich vlakbij Paleis Noordeinde en trokken voor de verfijnde inrichting van de zaak de sierkunstenaar Theo Neuhuys aan, die hun vaste adviseur zou worden. Er was niet alleen oosterse kunst te koop, maar ook eigentijdse schilderijen. De kunstzaal was een gigantisch succes, vooral dankzij de moderne marketingtechnieken die Ermina Kleykamp gebruikte. Ze was behalve in de kunsthandel ook erg actief in de Haagse Soroptimisten Club, die in 1927 werd opgericht. (meer…)
De geschiedenis van de fiets en het wielrennen – 3
In 1891 publiceerde de Franse journalist en kroniekschrijver Louis Baudry de Saunier (1865-1938) een boek over de geschiedenis van de fiets, Histoire générale de la velocipedia. Toen hij een jaar eerder de fiets had ‘ontdekt’ liet zijn rechtenstudie voor wat het was en wijdde hij zich gefascineerd aan het schrijven van dit boek. Na het grote succes van dit boek publiceerde hij nog drie boeken over de fiets en het wielrennen: Cyclisme théorique et pratique (1892), Les recettes et procédés vélocipédiques (1893) et l’Art de la bicyclette (1894). Daarna stapte hij van de fiets over op de gemotoriseerde driewieler, waarvan de eerste exemplaren over de weg begonnen te rijden. Weer later stapte hij geheel over naar de auto, met een korte onderbreking tijdens de Wereldoorlog toen hij vooral schreef over kanonnen en vliegtuigen. Vanaf 1895 schreef hij voor het blad populaire weekblad L’Illustration, een samenwerking die veertig jaar zou duren. Baudry de Saunier verzon in zijn eerste boek dat al in juni 1791 (heel toevallig precies een eeuw eerder dan het verschijnen van zijn Histoire générale de la velocipedia!) door de fictieve Franse uitvinder le Comte de Sivrac een soort loopfiets aan het Parijse publiek gepresenteerd. Een voorloper dus van de loopfiets van Karl von Drais, want van de nog oudere oerfiets van Michael Kaßler uit 1761 was hij niet op de hoogte. Hij noemde deze fictieve voorloper de Célérifère en produceerde allerlei tekeningen voor de voorouder van de loopfiets. De bestuurder van de Célérifère duwde zichzelf en het voertuig steeds met de voeten tegen de grond naar voren. Baudry de Saunier verklaarde de ontwikkeling van de Célérifère tegen de achtergrond van de Franse Revolutie toen vele revolutionaire ontwikkelingen in gang werden gezet. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus 1870 de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen, waarvan de Vlaamse journalist en schrijver August Snieders in 1872 in zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, uitgebreid verslag deed. In Saarbrücken werd door de Franse keizer een monument geplaatst om te herdenken dat de veertienjarige zoon en kroonprins Napoleon Eugène Lodewijk Bonaparte (1856-1879) hier zijn eerste gevechtshandeling had verricht, de zogenaamd Lulustein. Daarna beperkte de Fransen zich tot wat beschietingen vanaf de heuvels op de omliggende dorpen. In de tussentijd trokken de Duitse legereenheden zich rustig terug om een Franse aanval te kunnen weerstaan.
De Fransen verkeerden begin 1870 nog in de veronderstelling dat de vrede in Europa verzekerd was. Nog in juni 1870 wilde de Franse regering, daarin ondersteund door maarschalk Edmond Leboeuf (1809-1888) (kop artikel) die een jaar eerder ook minister van Oorlog was geworden, het aantal legermanschappen terugbrengen van 100.000 naar 90.000 man. Al snel bleek dat in Pruisen dit plan niet werd gevolgd, maar de Franse regering en met name door regeringsleider Émile Ollivier (1825-1913) bleven overtuigd dat de vrede in Europa gewaarborgd was. In Oost-Europa werd die vrede namelijk verzekerd door het traktaat van 1856 en via het Verdrag van Praag na de slag bij Sadowa zou Duitsland worden beteugeld. (meer…)
Jacobus (Sjaak) Lambertus Lentz (Den Haag, 23 juli 1894 – 18 augustus 1963) is het prototype van de ambtenaar die blindelings elke opdracht van bovenaf opvolgt, die geheel geobsedeerd is door zijn eigen expertise en geen oog heeft voor de vaak desastreuze gevolgen die dat alles voor derden heeft. IN de dertiger en veertiger jaren streefde hij het ideaal na van een volmaakte registratuur (een systeem van ordening van archiefstukken) en schreef later in zijn memoires trots dat dat ook was gelukt. Lentz werd in 1913 op twintigjarige leeftijd aangesteld bij het bevolkingsregister in Den Haag. In 1919 trouwde hij met Suzanna Maria Roelijn (1894-1989), na al een eerder huwelijk te hebben gehad. In 1923 behaalde hij zijn diploma ‘gemeentelijke bevolkingsadministratie’, werd in 1926 hoofdfunctionaris bij de afdeling Algemene Zaken en Bevolkingsregister op het Haagse stadhuis en kreeg in 1932 de leiding over de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters, die binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken in het leven werd geroepen. Lentz werkte intensief; hij werkte regelmatig halve nachten door. Hij verwaarloosde dan ook zijn gezin, dat bovendien in de oorlog met afschuw zag hoe hij zijn werk in dienst van de bezetter met hetzelfde fanatische voortzette. In april 1943 scheidde zijn vrouw. Zij en de twee kinderen, een dochter van 22 en een zoon van 9, verbraken bijna alle contacten met hem. Lentz ging noodgedwongen bij zijn nicht in pension.
Jacob Lentz was echter geen nationaalsocialist. Integendeel zelfs, want begin jaren dertig was hij in Voorburg bestuurslid van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB), vanaf 1901 een progressief-liberale politieke partij die in 1946 grotendeels opging in de PvdA, maar veel D66-leden zien hun partij als een voortzetting van de VDB. In het interbellum was de partij erg fel tegen het nationaalsocialisme in Duitsland en Nederland, maar ook tegen de rooms-katholieke zuil die steeds invloedrijker werd. Begin 1935 was hij een van de 365 prominenten die namens het neutrale Nederland optraden bij een volksraadpleging over de status van het Saargebied. (meer…)
Begraafplaats Rustoord is een begraafplaats en rouwcentrum met een karakteristiek poortgebouw in neoclassicistische stijl, dat werd ontworpen door W.J. Maurits en A. Wijers. De Nederlands Hervormde gemeente Nijmegen kreeg in 1895 van de gemeente Groesbeek toestemming om aan de Kwakkenbergweg een begraafplaats aan te leggen. Begraafplaats Rustoord werd op 26 juli 1897 officieel in gebruik genomen en is vanaf die datum de laatste rustplaats voor veel bekende Nijmegenaren. Door gemeentelijke herindelingen tussen Berg en Dal, Groesbeek en Nijmegen werd op 1 januari 1915 het grootste deel van de Kwakkenberg, waaronder de begraafplaats Rustoord, bij Nijmegen gevoegd. Vanaf die datum ligt Begraafplaats Rustoord aan de Postweg in Nijmegen-Oost.
In de Tweede Wereldoorlog werden op Heldenfriedhof Rustoord zo’n tweehonderd Duitse militairen en Nederlandse collaborateurs begraven. Bij dat eerste groepje hoorde ongeveer twintig Duitse militairen die om het leven kwamen bij het ‘vergissingsbombardement’ op Nijmegen op 22 februari 1944. Bij dat laatste groepje hoorde de Nijmeegse politiecommissaris Anton van Dijk (1905-1943), als overtuigd SS’er de hoofdverantwoordelijke was voor de arrestatie van vijfhonderd Joden en voor het verzet zo’n groot gevaar was geworden dat hij op 31 augustus 1943 werd geliquideerd. Een half jaartje eerder, op 14 maart 1943 werd op het Heldenfriedhof een Heldengedenktag gehouden. (meer…)
De geschiedenis van de fiets en het wielrennen – 2
De draisine was een uitvinding van Karl Friedrich Christian Ludwig Freiherr Drais von Sauerbronn (Karlsruhe, 29 april 1785 – Karlsruhe, 10 december 1851), die meestal wat eenvoudiger wordt aangeduid als Karl von Drais. Hij was de zoon van een hooggeplaatste jurist in het markgraafschap Baden. Omdat zijn prestaties in Latijn op het gymnasium onvoldoende waren, besloot zijn vader hem naar de bosbouwschool van zijn broer te sturen. Na deze particuliere bosbouwschool in 1805 te hebben afgerond studeerde hij twee jaar lang architectuur, landbouw en natuurkunde aan de Ruprecht-Karls Universiteit in Heidelberg, volgde daarna nog twee jaar lang een praktische bosbouwopleiding om in 1808 als boswachter werd aangenomen in dienst van de groothertog Karel van Baden. In zijn vrije tijd knutselde hij aan allerlei apparaten, waarmee de mens zich efficiënter zou kunnen voortbewegen. Hij werkte onder meer aan een vierwielige wagen, die niet door paardenkracht werd voortbewogen maar doordat een paar man flink trapten. Op een weg in goede staat ging dit voertuig sneller dan andere voertuigen. De presentatie van deze wagen in Wenen in 1814 liep echter op een fiasco uit. Later werd het door von Drais ontwikkelde systeem toegepast op wagentjes die op rails lopen. Deze laatste voertuigen worden daarom ook draisine genoemd. De groothertog van Baden was wel onder de indruk van zijn werk en onthief hem in 1810 van zijn baan als boswachter, zodat hij met behoud van salaris zich helemaal kon richten op zijn uitvindingen. De werkgever verleende hem in 1818 de titel ‘Professor der Mechanik’, waarna hij met vervroegd pensioen als boswachter kon gaan. Tot de vroege uitvindingen van Von Drais behoorden onder meer: een muzieknotatiemachine (1812) die de noten opschreef terwijl hij piano speelde, een ‘dyadische karakteristiek’ genoemde rekenmethode met de basisgetallen 0 en 1 (1813) wat associaties met de computer oproept, een ‘verbetering van de brandblusstations’ (1813), de al genoemde ‘koets zonder paarden’ (1813) en een ‘hoogteperspectief’ (1816). (meer…)
De korte schets Pinksterbloem werd in 1889 opgenomen in de bundel ‘Uit den dood. En andere schetsen’. De bundel bevat een verzameling schetsen die handelen over de thema’s dood en lijden. De publicatie kreeg in 1889 (ten onrechte, natuurlijk) te weinig bijval en pas in 1984 verscheen een tweede druk. Wel werd de bundel in 1895 integraal opgenomen in ‘Novellen’. De titel ‘Pinksterbloem’ oogt wat vreemd gezien het verhaal. Wellicht is het een cynische verwijzing van Arnold Aletrino naar het bijna uitgestorven folkloristisch voorjaarsfeest dat rond Pinksteren werd gevierd en waarbij uit de jonge meiden van het dorp een ‘Pinksterblom’ of ‘Pinksterbruid’ werd gekozen, die daarna met bloemen en sieraden opgesmukt zingend en bedelend door het dorp trok. Voor jonge meisjes was het een grote eer om te worden gekozen, het ‘toppunt van geluk’ voor velen.
Een gelijke, heldere lucht, diep van onbeweeglijk blauw en hoog tegen de diepte een groote, gladde, glinsterende zon, alles verglanzend met wit, scherp licht. Kantige, donkere schaduwplekken, scherp-aflijnend tegen het licht; drooge stofwolken traag opwiegend van den grond en verguld nêerwemelend over de drooge grassprieten en verschrompelde boomen aan den wegkant. In ’t water langs den weg een lange, vermoeiende, trillende, breede plek, wit schitterend door de rechte zonnestralen, in korte lichtstukjes uitgolvend en bewegelijk stilstaand in een vermoeiende kabbeling. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Nicolaas Rudolf de Leeuw, geb. 21-1-’05, wonende Kievietslaan 3, Eindhoven. In Brussel gepakt op weg naar Engeland. 5-10-’43 naar Duitschland na proces voor het Landesgericht in Utrecht 7-5-’45. Laatste verblijfplaats: Melk in Oostenrijk.’
Nicolaas Rudolphe de Leeuw (Amsterdam, 21 januari 1905 – Natzweiler, 23 maart 1945) woonde bij het uitbreken van de oorlog in Eindhoven (Kievitlaan 3), waar hij afdelingschef was op de Hollandsche Afdeling van Philips. Tijdens de Duitse bezetting was Bob hij actief in het verzet, onder voor de Groep Mellema. Deze verzetsgroep staat onder leiding van mr. dr. Cornelis Mellema (Groede, 9 september 1895 – Siegburg, 10 mei 1945), die bij Philips werkzaam was als octrooi-technicus voor Philips. De groep verzamelde inlichtingen die naar Engeland moesten worden gestuurd. In de zomer van 1942 werkte hij voor dat inlichtingenwerk aan een geheime zender. De nog niet voltooide zender bracht hij naar de woning van zijn ouders in Wassenaar, maar de Duitse Sicherheitsdienst is dan door een verrader al op de hoogte gebracht van zijn activiteiten. (meer…)
De geschiedenis van de fiets en het wielrennen – 1
De allereerste loopfiets schijnt te zijn ontworpen en gebouwd door de kuiper en wagenmaker Michael Kaßler (Braunsdorf, 22 september 1733 – Braunsdorf, 12 februari 1772), in een dorpje zo’n 35 kilometer ten westen van Leipzig. Nadat hij op negenjarige leeftijd de beide ouders, Christoph Caßler (1698-1742) en Dorothea Pursche (1711-1742) verloor en werd op 24 september gedoopt in de kerk van Braunsdorf. Nadat hij op jonge leeftijd zijn ouders, verloor, werd hij door een broer van zijn moeder opgeleid tot kuiper. In 1749 werd hij toegelaten tot het kuipersgilde van de stad Freyburg a/d Unstrut en ging tegelijkertijd ook aan de slag als wagenmaker. Hij schijnt dat hij in 1761 op een zelfontworpen en gebouwde loopfiets vanuit zijn woonplaats naar kasteel Bedra is gereisd, een bezit van de adellijke familie von Taubenheim. (meer…)
In 2020 bracht Sinead O’Connor voor het eerst in jaren weer een single uit, een cover van een nummer van Mahalia Jackson: The Trouble of the world. De opbrengst van de single liet ze ten goede komen aan de activiteiten van Black Lives Matter. Naar aanleiding van haar overlijden zond NPO op donderdag 27 juli jl. een indrukwekkende documentaire Nothing Compares uit over haar leven.
Sasha Stone (19 december 1895 – 6 augustus 1940) was een stateloze fotograaf, die Aleksander Steinsapir in St. Petersburg, Rusland werd geboren in een Joods gezin. Van 1911 tot 1913 studeerde hij in Warschau elektrotechniek aan het Warschau Technisch Instituut. Na afronding van de studie emigreerde hij naar New York en werkte een paar jaar kort bij de Edison Company in New Jersey. In 1917 nam hij dienst in het Amerikaanse leger, diende tijdens de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk en na de oorlog volgde hij in Parijs een opleiding aan het Art Training Center van het American Expeditionary Forces (AEF). Na zijn eervolle militaire ontslag werkte hij in Parijs als beeldhouwer. In 1918-1919 verhuisde hij naar Berlijn, samen met de Belgische fotografe Wilhelmine Schammelhout (1892-1975), die na hun huwelijk in 1922 als Cami Stone door het leven zou gaan en deze naam ook na hun huwelijk aanhield. Hij hield nog en tijdlang zijn Parijse studio in Rue de Plantes aan. Die dan tijdelijk door zijn neef Harry Ossip Meerson kon worden gebruikt. Die verzuimde echter de huur te voldoen, werd uit het huis gezet en de huurovereenkomst van Stone werd beëindigd.
In Berlijn werkte Sasha samen met de beeldhouwer Aleksandr Archipenko en schreef artikelen voor het tijdschrift G-Material zur elementaren Gestaltung, een avant-gardistisch tijdschrift dat vanaf 1923 werd uitgegeven door Hans Richter. De kunstenaar en filmmaker Richter was van 1917 tot 1919 intensief betrokken geweest bij de eerste activiteiten van de Dada-beweging. In het tijdschrift werd gepubliceerd over de kunstenaars, architecten en schrijvers die banden hadden met Dada, De Stijl en het internationale constructivisme. Het internationaal gericht tijdschrift was vooral geïnteresseerd in moderne constructieve vormen, waaronder gebouwen, vliegtuigen, auto’s en stadsplanning en film- en fotomontage. Er verschenen van 1923 tot 1926 vijf nummers in het Duits geproduceerd, waaraan onder meer Theo van Doesburg, Ludwig Mies van der Rohe, Kurt Schwitters, Piet Mondriaan, George Grosz, John Heartfield en Man Ray bijdrages leverden. Al in 1927 werden Richters films gecensureerd omdat ze werden beschouwd als ondermijnend voor de sociale orde. Als jood, moderne kunstenaar en lid van de politieke oppositie werd Richter na 1933 gedwongen Duitsland te verlaten. Hij emigreerde hij naar de Verenigde Staten. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 49 van 22 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Hendrik Vennik, geb. 24-9-’93, op 5 Sept. vervoerd uit Vught naar Duitsland.’
Hendrik Vennik (Meppel, 24 september 1893 – Ravensbrück, 5 april 1945) was de zoon van de Meppelse sigarenmaker Stellink Vennik en zijn echtgenote Wijbigje Remerie. Op 23 juni 1946 werd hij in zijn woonplaats Woerden gearresteerd vanwege verzetsactiviteiten, na door iemand te zijn verraden. Bij zijn arrestatie wordt genoteerd dat hij woonachtig was op het adres Nieuwendijk 16, dat hij gehuwd was met Gerrigje van Dijk (1897-1970) en dat zijn beroep is ‘ass. dir. bel. inv. en acc.’, wat zich het best laat vertalen als ‘assistent-directeur bij de Belastingdienst, afd. Invoerrechten en Accijnzen’. Het echtpaar, dat 21 september 1922 was getrouwde, had één dochtertje, Frieda Vennik. Elders wordt echter aangegeven dat hij op 30 juni 1944 in Rotterdam is gearresteerd. Wellicht is hij na een week gevangen te hebben gezeten in het politiebureau in zijn woonplaats voor verder verhoor overgebracht naar het Huis van Bewaring Noordsingel in Rotterdam. Over de aard van zijn verzetswerk is verder niets te achterhalen. (meer…)
Jonkheer Gérard Dagobert Henri “Gerard” Bosch van Drakestein (Mechelen, 24 juli 1887 – Den Haag, 20 maart 1972) reed in zijn jeugdjaren om zijn adellijke familie niet in verlegenheid te brengen vaak onder een schuilnaam mee. ‘Ulysses’ of ‘Bismarck’ bijvoorbeeld, wat toch weer een duidelijke aanwijzing was dat het iemand was die toch een beetje anders was van wat er verder in het peloton rondreed. De wedstrijdsport was iets oor het gewone volk, niet voor de mannen uit de hogere klasse. Hij reed weliswaar me, maar zou toch altijd het ideaal van zijn klasse trouw blijven dat sport niet was bedoeld om geld mee te verdienen. Hij bleef dus amateur. In augustus 1914 maakte hij een zeer grote kans om in Kopenhagen de wereldtitel sprint bij de amateurs te veroveren, maar omdat op 1 augustus de Eerste Wereldoorlog uitbrak werd het toernooi afgebroken. In de periode rond deze oorlog was Bosch van Drakestein zeer sterk. Hij won in die periode zeventien Nederlandse titels.
In 1908 nam hij voor de eerste keer deel aan de Olympische Spelen, die dat jaar in Londen werden gehouden. Op 17 juli maakte hij deel uit van de team ploegenachtervolging op de baan in het White City Stadium, waar hij met teamgenoten Anton Gerrits, Johannes Jacobus van Spengen en Dorus Nijland bij de wedstrijd over 1.810 meter de vierde plaats veroverde. Een dag later stond hij aan de start voor de baanwedstrijd over 5 kilometer en finishte hij als zevende. Teamgenoot Van Spengen eindigde toen als zesde. Pas in 1924 kon hij voor de tweede keer deelnemen aan de Olympische Spelen. Op 27 juli won hij op de vijfhonderd meter lange baan van de Vélodrome Municipal de Vincennes samen met ploeggenoot Maurice Peeters de bronzen medaille bij de tandemwedstrijd over twee kilometer. (meer…)
Yves Klein (Nice, 28 april 1928 – Parijs, 6 juni 1962) werd geboren in een schildersfamilie. Hij ging in zijn geboortestad naar de koopvaardijschool, studeerde daarna aan de School voor Oosterse Talen, werkte een tijdje in de boekhandel en had een baan als paardendresseur. Hij was ook gefascineerd door judo en haalde in de vijftiger jaren in die sport de zwarte band, wat toen voor westerlingen een grote zeldzaamheid was. Klein was geobsedeerd door het vinden van de uniforme zuivere kleur. Hij werd later bekend om zijn grote monochroom blauwe werken, waarvoor hij een ultramarijn blauwe kleurstof mengde met het fixatief Rhodopas om het blauw zijn glans niet te laten verliezen. De kleur blauw die hij gebruikte, noemde hij ‘International Klein Blue’ (IKB) en was volgens hem het meest ultieme blauw. Hij zocht jaren naar dit perfecte pigment. Al in 1946 maakte de achttienjarige Klein zijn eerste Monochromes, panelen in een uniforme zuivere kleur. Tot 1953 doorkruiste hij Europa, Oost-Azië en Japan en presenteerde hij zijn eenkleurige schilderijen, ondertekend met een simpel ‘Yves. In 1955 exposeerde hij in Parijs zijn Monochromes in de Galerie des Solitaires, een jaar later stelde hij zijn Propositions monochromes voor in de Galerie Colette Allendy. In de avantgardistische kunstkringen werd hij al snel een bekende naam.
Vanaf 1957 had hij talloze tentoonstellingen in binnen- en buitenland met zijn ultramarijn blauw (IKB). Van 1957 tot 1959 decoreerde hij de nieuwe opera van Gelsenkirchen in die monochrome blauwen, terwijl de muren bewerkt werden in polyester Relief éponge rouge. Met zijn IKB-kleur werd hij zo bekend en maakte hij zo veelvuldig gebruik dat in kunstkringen werd gesproken over ‘de blauwe revolutie’. Zo liet hij in 1957 op de opening van een tentoonstelling 1001 blauwe ballonnen de lucht ingaan. Vanaf 1958 experimenteerde hij met het ‘pinceau vivant’ (het levend penseel), waarbij in IKB-verf gedompelde naakte modellen hij op doek en papier afdrukte. Zelf al de tijd keurig gekleed en aanwijzingen gevend. (meer…)
Tolkamer ligt een kilometer verwijderd van Lobith en is vanuit Duitsland gezien de eerste aanlegplaats aan het Bijlandsch Kanaal, de ongeveer drie kilometer lange waterweg tussen Tolkamer en Millingen aan de Rijn. Het kanaal begint op het punt waar de Oude Waal zich van de hoofdstroom splitst, maar sommige kaarten laten het ten onrechte beginnen op het punt waar de Rijn ons land binnenkomt. Het grootste deel van het Bijlandsch Kanaal is de grens tussen Nederland en Duitsland. Die grens eindigt vlak voor Millingen aan de Rijn. Het laatste stukje, tot de splitsing in Waal en Pannerdensch Kanaal, is het kanaal geheel Nederlands gebied. Het kanaal werd gegraven tussen 1773 en 1776 dwars door de Bijlandsche Waard, dat nu vooral een belangrijk watersportrecreatiegebied is, met waarschijnlijk op de bodem van de Bijland een oud Romeins fort (castellum). Het kanaal diende om een scherpe meander in de toenmalige Boven-Waal af te snijden. Die meander was al door de Waaldijk gebroken en dreigde nu ook door de dijk van de Oude Rijn te breken. Dat zou betekenen dat veel water van de Boven-Waal terecht zou komen in de Nederrijn, Lek en IJssel, een hoeveelheid die de dijken van die rivieren niet aankonden. Ten behoeve van de scheepvaart en de veiligheid van het gebied was daarom tussen 1701 en 1709 al het Pannerdensch Kanaal gegraven. Het gebied had in de loop der tijd behoorlijk wat ervaringen opgedaan met overstromingen, vaak met rampzalige gevolgen. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 48 van 15 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Hiermede een vriendelijk verzoek aan ieder, die inlichtingen kan geven over mijn man, CORNELIS COLIJN, geb. 12-4-1905 te Voorhout. Hij is eerst in Dachau geweest. Daarna heb ik een niet-officieel bericht ontvangen, dat hij tijdens een bombardement, 4 October 1944 te Heil(s)ingen, overleden is in een kamp. Inlichtingen onder nr. 17 van ons blad.’
Cornelis Colijn (Voorhout, 12 april 1905 – Hersbruck, 4 oktober 1944) was de zoon van een bloemenbollenkweker uit Voorhout, gelegen in de Bollenstreek, ten noorden van Leiden. In 1924 woonden de Colijns in Bergen onder de rook van Alkmaar en werd Cees Colijn ingeschreven in de militieregisters met de toevoeging dat hij bestemd was om de opleiding tot onderofficier te gaan volgen. Op 30 september 1925 ging hij met groot verlof, een dag later volgde de benoeming tot sergeant. Volgens de militie-inschrijving ging hij op 25 augustus 1928 voor een tweede maal en op 28 februari voor de derde maal met groot verlof. Op 5 september 1935 trouwde hij op 26-jarige leeftijd in Alkmaar met de even oude Antje Teitsma, de dochter van een politieagent in Alkmaar. Op moment van trouwen waren de ouders van Cees Colijn al woonachtig in Anna Paulowna en was Colijn inwonende in Heiloo, iets ten zuiden van Alkmaar, waarschijnlijk werkzaam in een tuindersbedrijf. Het huwelijk zou kinderloos blijven. Het echtpaar vestigde zich aan de Zandvaart 24 in het Noord-Hollandse Breezand, gemeente Anna Paulowna. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 49 van 22 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Ir. L. P. Krijger. 20 Aug. 1944 door Landwacht in Obdam b, Alkmaar gearresteerd. Zou begin Sept. ’44 nog in kamp Amersfoort gezeten hebben’.
Lodewijk Pieter Krijger (Rotterdam, 5 mei 1897 – Neuengamme, 28 november 1944) was een ingenieur die op 1 november 1921 in Rijswijk was getrouwd met Eva van den Broek (Hellevoetsluis, 22 november 1896). Het echtpaar woonde bij het begin van de oorlog in Santpoort. Op 4 mei 1942 werd hij op zijn werk op last van de bezetter door twee Nederlandse rechercheurs opgehaald, zonder verder mededeling te doen. Men was zeer vriendelijk, want Krijger kreeg eerst gelegenheid afscheid te nemen van zijn echtgenote, kreeg op het politiebureau in Velsen een warme maaltijd en mocht voor een tweede keer even langs huis voordat hij werd overgebracht naar het politiebureau in Alkmaar. ‘De belangstelling op de Kanaalkade deed mij daarbij veel goed. In Alkmaar werd ik door veel lotgenoten uit de stad en omgeving begroet’. Daarna ging het gezelschap onder grote publieke belangstelling verder, met onbekende bestemming. In de periode 4 mei 1942 tot 8 april 1943 was hij als een van de honderden gijzelaar geïnterneerd in het gijzelaarskamp Beekvliet in St. Michielsgestel. Dat kamp was die dag geopend, gevestigd in het kleinseminarie Beekvliet. De eerste bewoners waren 460 Todeskandidaten, vooraanstaande Nederlanders die eerder die dag waren opgepakt: politici, burgemeesters, hoogleraren, geestelijken, advocaten, schrijvers en musici. De nazi’s dachten met deze mensen als onderpand het verzet konden beteugelen. Het kampregime was erg licht, want de Duitse en Nederlandse bewakers hadden de opdracht om de gijzelaars met rust te laten zolang ze zich maar niet misdroegen. De gevangenen hoefden ook geen arbeid te verrichten en mochten zich binnen het kamp vrij bewegen. Lodewijk Krijger schreef over zijn verblijf in het gijzelaarskamp Beekvliet een dagboek, dat later in het bezit werd gesteld aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. (meer…)

.
Hatertse en Overasseltse Vennen, een uitgebreid vennen-, bos- en heidegebied ten zuidwesten van Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.
Elvira De Bruyn (Erembodegem, 4 augustus 1914 – Antwerpen, 13 augustus 1989) werd geboren ‘in een primitief nestje’ met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Na een korte afweging besloten de ouders haar bij de burgerlijke stand als van het vrouwelijk geslacht in te schrijven. Ze ging eerst naar een school bij kloosterzusters, waar bleek dat ze vrij makkelijk leerde. Wat wel opviel was dat ze een gloeiende hekel had aan handwerken, naaien en breien, maar zich helemaal in haar element voelde bij de zeldzame gymnastieklessen die er werden gegeven. Ze werd door haar ouders op achtjarige leeftijd naar een kostschool in de buurt van Aalst gestuurd. Daar haalden haar ouders haar echter snel weg, omdat ze ondervoed raakte. Het dagelijkse menu voor meisjes was niet genoeg voor haar. Bovendien gedroeg zij zich veel woester dan de andere meisjes. Elvira was al jong een stuk groter en sterker dan andere kinderen, zeker ten opzichte van de meisjes maar ook de meeste jongens reikten nauwelijks tot aan haar schouders. Met hardlopen, fietsen en vechten was ze alle jongens in haar dorp de baas.
Vanaf haar veertiende ging ze niet meer naar school, want iedereen ging beseffen dat Elvira niet als alle andere meisjes was. De fysieke veranderingen en verschillende gedragspatronen werden duidelijk, maar , zoals ze later verklaarde, ‘ik wist nog niet welke stormen er boven mijn hoofd loskwamen’. Waarschijnlijk heeft ze op school of in het dorp van verschillende kinderen of ouderen al opmerkingen gehoord. Zelf veronderstelde ze een tijdje dat er misschien bij de inschrijving bij de burgerlijke stand een fout was gemaakt. Daarna begon ze te vermoeden dat er wellicht wat anders aan de hand was, maar het was niet bepaald een onderwerp waar je al veertienjarige makkelijk met anderen over praat. Zeker niet een eeuw geleden. Ze zonderde zich steeds meer af van haar jeugdvriendjes en voelde zich diep ongelukkig. Ze liep ’s nachts rond in de bossen en velden, terwijl ze allerlei wilde fantasieën had en vreesde dat ze niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk geheel anders dan de rest was. Ze overwoog zelfs zelfmoord te plegen, maar door haar geloof werd ze daarvan weerhouden. Vanaf 1928 ging ze niet meer naar school en werkte ze eerst een jaartje in een sigarettenfabriek in Brussel. Daar stond ze acht uur per dag aan de machine, bracht ze ladingen sigaretten weg en stak ze banderollen in de machine. Ze hield dat werk ‘aan de ketting’ een jaar vol en hielp daarna haar ouders die in Erembodegem bij een sportclub een café hadden. (meer…)
In oktober 1960 maakte de Franse kunstenaar Yves Klein zijn spectaculaire duik in de onsterfelijkheid. Of eigenlijk in de leegte, zoals de iconische titel van de foto aangeeft, Le Saut dans le Vide. Klein sprong vanuit de dakgoot van een woning aan de Rue Gentil-Bernard te Parijs. Met wijd gespreide armen en opgeheven hoofd sprong hij dapper in de diepte. Op de foto leek hij haast omhoog te gaan zweven. Verstild hing Klein in de lucht, zijn lichaam sierlijk opgeheven. Het leek haast of de zwaartekracht op hem niet van toepassing was en niets hem in de weg stond om in alle vrijheid het hemelse ruim te kiezen. Wat het klassieke beeld van de essentie van kunst illustreerde: verheffing. Eeuwenlang was immers de gedachte dat de materiële en dagelijkse realiteit werd gewijzigd in iets van een hogere, immateriële waarde heeft. Een idee van verheffing van de toeschouwer dat nog steeds niet helemaal dood is.
De meeste vroege kijkers van de foto waren bereid te accepteren dat de foto wel getruct moest zijn. In de vraag hoe was men veel minder geïnteresseerd. Klein publiceerde over de foto in een eenmalige uitgave van een krant van vier pagina’s, dat bij Parijse kiosken werd achtergelaten. De kop luidde: ‘Een man in de ruimte!, wat vooruitliep op de baan rond de aarde van Yuri Gagarin in zijn Spoetnik in 1961. ‘Vandaag moet de schilder van de ruimte in feite de ruimte in om te schilderen’, schreef Klein, ‘maar hij moet kunnen leviteren.’ (meer…)
80e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD
Karl Goldmark (Keszthely, 18 mei 1830 – Wenen, 2 januari 1915) was de zoon van een chasan, een joodse voorzanger. Toen hij vier jaar oud was, verhuisde het gezin naar Deutschkreutz, dat toen deel uitmaakte van het Hongaarse deel van het Habsburgse rijk. Deutschkreutz was een van de Siebengemeinde (Eisenstadt, Mattersdorf, Kobersdorf, Lackenbach, Frauenkirchen, Kittsee en Deutschkreutz), zeven Joodse gemeenten waarvan vooral Mattersdorf en Deutschkreutz een overwegend orthodoxe Joodse bevolking kende met belangrijke Jesjiva. De beroemdste van die Talmoedscholen bevond zich in Deutschkreutz, waar Joden van allerlei landen studeerde. Omdat de plaats zo belangrijk was binnen het Joodse geloof, voerde de plaats ook de Hebreeuwse naam Zelem. Rond 1835 zal het stadje omstreeks 1.000 inwoners hebben geteld. Al voor de Tweede Wereldoorlog werd de Joodse bevolking van de zeven dorpen door de nationaalsocialisten gedwongen de streek te verlaten. Al in november 1938, kort na de Anschluss, verklaarde Gauleiter Tobias Portschy het Burgenland (de deelstaat die in 1920 werd gevormd uit de gebieden die Hongarije volgens het Verdrag van Trianon moest afstaan, waaronder de Siebengemeinden) Judenfrei. Ongeveer tweederde van de Joden uit Burgenland slaagden erin te emigreren, de overige kwamen na 1939 in diverse getto’s en daarna in concentratiekampen terecht. Slechts een paar Joden keerden na de oorlog terug naar hun oude huizen. In 1941 werd in Deutschkreutz de synagoge opgeblazen, werden alle Joodse winkels en huizen geplunderd en werd de Joodse begraafplaats verwoest. De grafzerken werden later gebruikt voor wegversperringen. Van de voormalige synagogen bleven alleen die in Kobersdorf en Eisenstadt bewaard, de rest werd door de nazi’s eerst geplunderd en daarna geheel verwoest. In 1972 werd de synagoge in Eisenstadt ingericht als Oostenrijks Joods Museum ter herinnering aan de meer dan driehonderd jaar Joodse geschiedenis in de Siebengemeinde. In Deutschkreutz is de voormalige begraafplaats weer gedeeltelijk hersteld en is voor het voormalige woonhuis van Karl Goldmark en monument geplaatst ter herinnering aan de in 1938 verdreven bevolking. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen
In De Zwerver nummer 47 van 3 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Jehuda Chajim (Janus) 3 jaar oud. Bijzonderheden: 3e en 4e teen aan elkaar gegroeid’.
Jehuda Chaim de Liver was het zoontje van Joseph (Jos) de Liver (Maastricht, 23 oktober 1906 – Auschwitz, mei 1945) en Sophia (Fia) de Liver (Amsterdam, 9 maart 1906 – Palermo, 23 december 1978), volle neef en nicht van elkaar. Vanaf 1931 woonde het echtpaar aan de Stadionkade 154-III. Jos de Liver was een scheikundige die als leraar verbonden was aan de Joodse HBS in Amsterdam. Vanwege zijn geringe gestalte werd hij door de leerlingen altijd plagend ‘Plukkie’ genoemd, die bij iedereen een geliefd en gerespecteerd leraar was. Vanaf september 1941 mocht hij zijn beroep niet meer uitoefenen en ging hij op het adres Olympiaplein 156-2 een cursus voor analisten verzorgen. Jos en Fia kregen op 20 november 1936 in Amsterdam een zoontje, Jitschak, dat echter al op 25 juni 1941 vanwege een zwakke gezondheid overleed. Op 30 juni 1942 kreeg het echtpaar De Liver-De Liver een tweede zoontje, dat Jehuda Chaim werd genoemd maar Juneke als koosnaam had. Hij werd geboren in een inktzwarte periode voor de Joodse gemeenschap, waarin de Jodenvervolging steeds heftiger werd. In het Amsterdamse bevolkingsregister werd op 23 februari 1943 bij de namen van beide ouders de aantekening ‘VOW’ geplaatst, ofwel ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’. (meer…)
De Hatertse en Overasseltse Vennen is een vennengebied van ca. 520 hectare in de Gelders gemeentes Heumen en Wijchen; het ligt ten zuidwesten van Nijmegen. Het gebied is ooit ontstaan door de Maas en Waal, die inmiddels een behoorlijk eind verder liggen, maar door de rivierklei die beide rivieren indertijd achterlieten heeft het gebied nu ongeveer twintig benoemde vennen en een uitgebreid rivierduin-, heide- en bosgebied. Op de voedingsarme en zure bodems groeien planten zoals veenmossen, kleine en ronde zonnedauw. Staatsbosbeheer maakt gebruik van schapen om de vegetatie kort en open te houden. Er leven wilde dieren zoals reeën, eekhoorns, dassen, konijnen, vossen en de zeldzame knoflookpad. Ook zijn er tientallen soorten broedvogels voor.
Vanaf 2010 werd door de provincie Gelderland, het Waterschap Rivierenland en Staatsbosbeheer de verdroging in het vennengebied aangepakt. In eerste instantie wilde men zeventig ha bos kappen, wat neerkwam op elf procent van alle bos. In de periode juni-december 2013 werden grote stukken bos gekapt en omgezet in heide, werden vier dichtgegroeide vennen uitgebaggerd zodat ze opnieuw voldoende water bevatten en werden enkele stukken landbouwgrond omgevormd in natuurgebied. In 2019 was het Vennenproject afgerond: de waterpeilen waren gestegen, de heide had zich goed hersteld en er werd een ruimtelijk verbonden heidegebied verwezenlijkt. (meer…)
Sylvère Jézo (Moustoir-Ac, Morbihan, 10 juli 1913 – Vannes, Morbihan, 19 januari 1976) was een Bretons wielrenner, geboren in een heuvelachtige streek vol rotsachtige heuvels, doorsneden met beekjes en bezaaid met vele megalieten als bewijs van een menselijke aanwezigheid sinds de prehistorie. Een streek die veel renners met klimcapaciteiten heeft voorgebracht, maar Jézo hoorde zeker niet tot de gezelschap. Hij was profwielrenner van 1937 tot en met 1946, steeds bij de Franse ploeg Dilecta-Wolber, maar in die tien jaar behaalde hij slechts één zege en deed hij nooit mee aan de drie grote ronden of de erkende klassiekers. De wielerploeg Dilecta-Wolber reed vanaf 1922 in een blauw-gouden trui mee aan alle koersen. Dilecta was een constructeur van bedrijfsfietsen, die in 1937 het bekende merk JB Louvet opkocht. In de loop der decennia boekte de renners van het team vele successen, maar in de Tour de France droegen ze de truien van nationale of regionale teams. Zo won Gerrit Schulte, die met uitzondering van de oorlogsjaren vanaf 1937 tot 1949 onafgebroken voor Dilecta-Wolter reed en dus ploeggenoot was van Jézo, in 1938 een etappe in de Tour de France. In 1955 hield de ploeg op te bestaan. Toen was Sylvère Jézo inmiddels met wielerpensioen. (meer…)
In 1859 verscheen bij de Haagse uitgeverij Belinfante een boekwerkje van 108 pagina’s met de titel ‘Regtsgeding tegen C.A. Gunkel, beschuldigd van vergiftiging, voor het Provinciaal Gerechtshof in Zuidholland’, waarbij voor de terechtstelling op de eerste pagina in de Akte van Beschuldiging dat deze betreft: ‘G.A. Gunkel, volgens zijne opgave oud 84 jaren, gepensioneerd luitenant-generaal, geboren en laatst gewoond hebbende te ’s Gravenhage, thans gedetineerd in het huis van arrest aldaar’ en aansluitend verklaart de procureur-generaal dat uit de instructie van de procudure resulteert: ‘dat Louisa Catharina Elisabeth Esbra, wonende te ’s Gravenhage, sedert ongeveer elf jaren in betrekking hebben gestaan tot den beschuldigde, gewoon was iedere week des Dinsdags en des Vrijdags bezoeken van dezen te ontvangen, die echter, wat betreffenden laatstgemelden dag, in het laatste half jaar niet meer zoo geregeld als vroeger plaats hadden, bij gelegenheid van welke bezoeken de beschuldigde haar nu en dan eenige versnapering meebragt, waaronder somtijds een stuk leverworst; dat de beschuldigde op Dinsdag, den 4 Januarij 1859, des namiddags ten half twee ure, haar weder zoodanig stuk worst, ongeveer twee palmen lang, heeft gebragt, bij het overhandigen zeggende: “die moet je nu eens proeven, die heb ik in een net winkeltje gehaald,” doch dat hij, op hare uitnodiging, er niet van wilde medeproeven, voorgevende dit niet te kunnen doen, vermits hij dien morgen Malaga zou hebben gedronken; dat het dadelijk de aandacht der vrouw heeft getrokken, dat deze worst zoo veel dikker was dan de vorige, en dat de oppervlakte van het doorgesneden gedeelte niet glad was, zoo als gewoonlijk bij een afgesneden worst, maar dat het onooglijk en knoesterig was’. (meer…)

.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.
.
The Judgement of Paris
by Peter Paul Rubens
1597-1599
Museo del Prado Madrid
Peter Paul Rubens heeft in drie verschillende schilderijen het verhaal omtrent het Parisoordeel uitgebeeld, maar steeds een ander moment uit het verhaal. In dit eerste werk over dit onderwerp uit 1597-1599 overhandigd Paris de gouden appel aan Aphrodite. De beslissende keuze is hier dus al gemaakt. In het werk uit 1632-1635 houdt Paris de appel al omhoog en lijkt het te willen weggeven, maar het is nog onduidelijk welke van de drie godinnen de appel zal krijgen. Zijn blik is wel gericht op Aphrodite, maar dat hoeft niet per se de gelukkige te zijn. De drie godinnen zijn in wulpse houdingen weergeven en lijken hun schoonheid aan Paris te willen tonen. Het moment dat deze tweede versie lijkt dus iets voor dit eerste werk uit 1597-1599 te liggen. In het schilderij uit 1638-1639 heeft Paris een hand onder de kin en lijkt nog volop in overweging te zijn. De begeerde appel wordt nog door Hermes vastgehouden. In de derde versie is dus gekozen voor een veel eerder tijdstip dan de beide vorige schilderijen. Maar vanwege de gloed om het hoofd van Aphrodite is het voor de kijker naar het schilderij toch al duidelijk welke keuze Paris iets later zal gaan maken.
(meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen<
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Marinus van Dijk, geb. 26 Mrt. … . , wonende Meerstr. 5, H.’sum. In Rotterdam gepakt bij ’t drukken van “Trouw”. Laatste verblijfplaats Oranienburg.’
Marinus van Dijk (Middelharnis, 26 maart 1898 – Vught, 11 augustus 1944) was op 24 juni 1924 in Sommelsdijk in het huwelijk getreden met Gerardina Maria Hoekveen (Eibergen, 6 augustus 1899), het echtpaar had geen kinderen. Hij was drukker van beroep en woonde in de oorlogsjaren in het adres Veerstraat 5 te Hilversum (en niet in de Meerstraat zoals in het opsporingsbericht stond). Hij was een overtuigd protestant en vond het daarom vanzelfsprekend om zich in te zetten voor de verspreiding van de illegale krant Trouw. Vanaf medio 1943 ging Marinus, die drukker van beroep was, voor Trouw werken. Op 17 juni 1944 werd hij echter bij die werkzaamheden in een drukkerij bij het Kralingseveer door de Sicherheitspolizei gearresteerd en overgebracht naar het Huis van Bewaring Noordsingel in Rotterdam. Opmerkelijk overigens dat Van Dijk die woonachtig is in Hilversum helemaal afreisde naar Rotterdam om dat illegale drukwerk te doen. (meer…)

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.
Mario Zanin (Sarano di Santa Lucia, 3 juli 1940) is zo’n typisch voorbeeld van een eendagsvlieg in het professionele wielrennen. Zijn amateurtijd zag er echter veelbelovend uit. In 1963 won jij de Ronde van Belvedere, een eendaagse wielerwedstrijd die jaarlijks op paasmaandag start en eindigt in Cordignano (provincie Treviso). De koers wordt al sinds 1923 verreden en kende in de loop der jaren een aantal winnaars die later succesvolle carrières hadden: Maurizio Fondriest, Ivan Gotti, Giampaolo Caruso, Jaroslav Popovytsj, Sacha Modolo en Stefan Küng. Op 22 oktober 1964 won Mario Zanin in Tokyo de Olympische wegwedstrijd door in de sprint de Deen Kjell Rodian en de Belg Walter Godefroot te verslaan. De nog maar 19-jarige Eddy Merckx werd twaalfde. Een overwinning die uiteraard in de Italiaanse pers breed werd uitgemeten en hoge verwachtingen wekte. Een mooie toekomst als profrenner lag in het verschiet. Helaas, na vijf seizoenen bij vijf onbeduidende ploegjes (Maino, Queen Anne, Mainetti, Max Meyer en Kelvinator) was het afgelopen. Hij reed twee maal de Giro (in 1965 76ste en in 1967 opgave) en in 1966 een keer de Vuelta, waarin hij ook moest opgeven maar wel zijn enige profzege haalde door op 8 mei 1966 in de elfde etappe (Barcelona-Huesca, 266 kilometer) Gerben Karstens in de sprint te verslaan. Het was wel een Vuelta 1966 met geen al te sterk deelnemersveld. In het eindklassement stonden negen Spanjaarden (en niet met nou echt bekende namen) en één Nederlander, Cees Haast. Voor de Nederlanders was het met negen overwinningen van Gerben Karstens (3x), Henk Nijdam (3x), Cees Haast (2x) en Jo de Roo best wel een geslaagde ronde. Zanin zal met zijn zege in zijn tweede seizoen ook niet ontevreden zijn geweest. Maar daar bleef het dus bij. In 1968 stopte hij als beroepsrenner. Toch onbegrijpelijk, dat iemand met deze sprintcapaciteiten niet meer overwinningen heeft behaald. (meer…)
In 1932 werd de eerste Boekenweek georganiseerd met ook het eerste Boekenweekgeschenk, Bijdragen van Nederlandsche schrijvers en schrijfsters, samengesteld door A.M.E. van Dishoeck, C. Veth en C.J. Kelk. In de eerste jaren was ‘het geschenk’ vaak een wedstrijd waarbij schrijvers een ongepubliceerd werk konden inzenden, waaruit een jury dan koos wat werd opgenomen in de bundel. In 1940 werd de Nederlandsche Boekenweek gehouden van 2 tot 9 maart 1940 en was het Boekenweekgeschenk Drie Novellen, met bijdragen van Egbert Eewijck, Jan Campert, M. Vasalis. Verantwoordelijk voor de samenstelling waren Victor E. van Vriesland en Emmy van Lokhorst. Blijkbaar was dat geschenk goed bevallen, want in 1941 mochten Van Vriesland en Van Lokhorst opnieuw de samenstelling verzorgen. De Boekenweek vond toen plaats van 1 tot 8 maart 1941 en zoals gebruikelijk zou het Boekenweekgeschenk gratis beschikbaar zijn voor iedereen die voor minimaal fl. 2,50 aan Nederlandse of Duitse boeken kocht. Ditmaal hadden de samenstellers gekozen voor de bloemlezing Novellen en Gedichten, met in totaal 32 gedichten en korte verhalen van vaak jeugdige auteurs. Het 117 pagina’s tellende boekje werd in een oplage van 67.000 gedrukt.
Al voordat de Boekenweek officieel van start ging was er al volop commotie. Op 27 februari 1941 publiceerde de NSB-krant Het Nationale Dagblad een artikel waarin men schande sprak over het feit dat van ‘den Jood Maurits Mok‘ een bijdrage in de bundel was opgenomen en dat ook een van de samenstellers (Van Vriesland) van Joodse komaf was. Een nationaalsocialistisch boekhandelaar schreef op 28 februari 1941 een opgewonden brief naar de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels, de toenmalige uitgever van de Boekenweekgeschenken, met de passage: ‘Een mooi gebonden werkje […] om een aantal Jodendichters […] naar voren te kunnen brengen.’ (meer…)
Het wandel- en fietspad ligt aan het eind van het jaar bezaaid met duizenden kleine blaadjes. De ene dag wat meer dan de andere, een beetje afhankelijk van de sterkte van de wind. Of van de regen die ervoor zorgt dat ze wat langer aan het cement blijven plakken. Dagelijks passeren voetgangers en fietsers die alles nog wat vaster aan het cement houdt. Wat na een tijdje fantastische patronen op het pad achterlaat.
.
.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg,
december 2018, copyright F. van den Muijsenberg. (meer…)
In de eerste naoorlogse uitgave van De Zwerver, het blad van de LO-LKP, verscheen op de openingspagina een kort bericht ‘De galerij onzer doden’ met als ondertitel ‘Een woord van gedachtenis’ vanuit het stichtingsbestuur, waarin in vogelvlucht de geschiedenis van de landelijke organisatie werd geduid en, met de nodige nationalistische en religieuze verwijzingen, werd gewaarschuwd dat de vrede nog lang niet was bereikt. Ik veronderstel niet dat hiermee gedoeld werd op het feit dat in Azië de oorlog nog lang niet was betwist en dat Nederlands-Indië nog bezet was, maar meer dat zo kort na de oorlog niet al te optimistisch moest worden verondersteld dat het alle nationaalsocialistisch gedachtengoed voorgoed tot het verleden behoorde. De strijd was nog niet helemaal gestreden en men diende alert te zijn dat de naoorlogse samenleving werd ingericht conform de idealen waarvoor men gestreden had en waarvoor zovelen waren gesneuveld.
Gesprekken, ze zwijgen; de twisten zijn stil. Met omfloerste blik zien we op naar hen, die vielen, onze makkers van de L.O. Ze waren niet zo edel en hooggeboren, niet zo rijk en hooggetiteld: een bakker, een klerk, een landarbeider, een technicus, een schoolmeester … Trouwens, hoe ontstond de L.O.? Een plattelandsdominee uit een dorpje bij de Duitse grens; hij doorziet het nieuwe heidendom beter, dan de heren in Den Haag. Hem hielp een vrouw. Die predikant en die vrouw zijn de “stichters” van de LO.! Een geestelijke en een huismoeder. Frits, de dominee werd destijds gevangen, maar bevrijd en is nu vrij. Tante Riek werd in Juli ’44 gegrepen. Waar ze nu is ……? De derde “stichter kwam uit het Westen waar hij zelf al wat opgezet had, een schoolmeester. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Eysink, Fredericus Berend, geb. 23-3-’23. Op 2-6-’44 gearresteerd door S.D. Tot 4-8-’44 in Huis van Bewaring te Groningen. Daarna op transport naar Amersfoort’.
Frederikus Berend Eijsink, roepnaam Frits (Hoogezand, 23 maart 1923 – Vught, 22 augustus 1944) was een winkelbediende die lid was van de K-groep, die haar hoofdkwartier had aan Martinikerkhof 19 in Groningen, recht tegenover het beruchte Scholtenhuis. De groep werd zo genoemd omdat iedereen een identificatienummer had dat met een K begon, zodat men elkaars naam niet kende en elkaar bij eventuele verhoren niet zou kunnen verraden. Frits Eijsink had nummer K-05 en werkte binnen de groep voor de ‘materiaal inlichtingendienst’. (meer…)

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.
Armand de Las Cuevas (Troyes, 26 juni 1968 – La Réunion, 2 augustus 2018) was een Frans wielrenner. Hij was de zoon van Spaanse immigranten, die begin zeventiger jaren van Troyes (Bourgondië) verhuisde naar Bordeaux. Armand had er geen gemakkelijke opvoeding en werd al jong een ‘straatkind’. Hij had wel wielertalent en won in 1986 de Junior Tour of Lorraine en een jaar later liet hij zien een uitstekend tijdrijer te zijn. In 1988 won hij de zware Ronde van Bretagne en werd hij derde in de tijdrit op het Circuit de la Sarthe, na de ervaren tijdsrenners Thierry Marie en Viascheslav Ekimov. Zijn wielerloopbaan begon in 1989 toen de 21-jarige Armand onder contract kwam bij Reynolds Aluminio, dat een jaar werd gewijzigd het befaamde Banesto. Zijn absolute doorbraak kende De Las Cuevas op het Frans Kampioenschap van 1991, toen hij met de nationale driekleur won. Twee maanden later schreef hij ook de GP Plouay op zijn naam. In de jaren bouwen De Las Cuevas verder aan een aanzienlijke erelijst. Hij won onder meer het Critérium du Dauphiné (1998), Clasica San Sebástian (1994) en een rit in de Giro d’Italia (1994) achter zijn naam. Zijn laatste zege boekte De Las Cuevas in de Route du Sud van 1998, waar hij Michael Boogerd in het algemeen klassement naar plaats twee verwees. Van de elf deelnames aan de drie grote rondes wist hij slechts drie maal tot het eindklassement te komen. Bij de drie deelnames aan de Vuelta (1993, 1997 en 1998) moesten hij steeds vroegtijdig de strijd staken. De drie keer dat hij startte in de Ronde van Frankrijk (1992, 1994 en 1995) was het resultaat eenmaal buiten de tijd, eenmaal een opgave en een keert een schamele 62ste plaats. Vijf opeenvolgende keren begon hij aan de Giro (1991 t/m 1995), met ook een keer buiten tijd en een opgave, verder een 38e, 43e en 9e plaats. (meer…)
Jules Richard (Parijs, 19 december 1848 – Parijs, 18 juni 1930) was een Franse fotograaf, zakenman en instrumentmaker. Zijn vader Félix Richard was instrumentenmaker, zijn oom was de elektrische instrumentmaker en uitvinder Paul-Gustave Froment. Nadat Jules voor een belangrijk deel door hen in vaders werkplaats was opgeleid, nam hij in 1876 het familiebedrijf over na het overlijden van zijn vader. In het begin van de jaren zeventig werkte hij ook nog buiten het familiebedrijf om telegrafieapparatuur te vervaardigen, maar vanaf 1877 werkte hij volledig in het familiebedrijf. Dat deed hij samen met zijn jongere broer Felix-Max in een bedrijf dat vanaf dat moment Richard Frères heette en een RF-monogram als symbool had. Het bedrijf vervaardigde barometers en andere omgevingsregistratieapparatuur zoals anemometers, pyrometers, aneroïde barografen en dynamometers. In 1891 ging Jules Richard alleen verder in het bedrijf, dat toen simpel Jules Richard werd genoemd. De reden was een oplopend meningsverschil tussen de beide broers. Het eindigde met rechtelijke procedures. Felix-Max gingen daarna een partnership aam met Léon Gaumont, die later een belangrijke concurrent zou worden van Jules Richard. (meer…)
Rondlopen door de natuur betekent onvermijdelijk dat men een keer op een dood dier stuit. Het is dan altijd de vraag wat er is gebeurd. Is die eend van ouderdom langs de kant van de weg overleden of daar terechtgekomen nadat ie uit de lucht was geknald? Die muis … heeft ie de pech gehad onder de wielen van een voorbijrazende scooter te komen terwijl hij rustig het wandel- en fietspad overstak?
.
.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg,
december 2018, copyright F. van den Muijsenberg. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Hermann Kropff. In October ’44 verplaatst van Concentratiekamp “Oranienburg” naar ,,Neuengamme” bij Hamburg’.
Hermanus Willem Karel Kropff (Den Haag, 1 februari 1922 – Neuengamme, 23 april 1945) woonde in de Sophiastraat 45 te Voorburg. Hij was van beroep kantoorbediende. In 1940 was de dan pas achttienjarige Herman de medeoprichter van de sabotage- en inlichtingengroep ‘De Witte Anjer’, waarvan alleen bekend is dat zijn latere echtgenote Alida Johanna Minderman (Den Haag, 9 augustus 1922), roepnaam Ans, er bij betrokken was. Welke andere deelnemers deel uitmaakte van het jeugdige groepje is onbekend, maar wellicht dat Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD) documentatie heeft die meer informatie geeft. Duidelijk is in elk geval dat met de arrestatie op 30 december 1943 van het echtpaar Kropff ook een eind kwam aan de verzetsgroep de Witte Anjer. Het verzetsgroepje beschikte over een zender waarmee berichten werden overgeseind naar Engeland. (meer…)

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.
Bert Grabsch (Wittenberg, 19 juni 1975) kende als zijn lange loopbaan als profwielrenner (1998-2013) in de reguliere wedstrijden niet al te veel successen. Hij debuteerde bij het bescheiden team Agro-Adler Brandenburg. Nadat hij samen met zijn broer Ralf (die ook profrenner was) hogerop geklommen was naar de Cologne-ploeg, won Grabsch de Hel van het Mergelland. Hiermee bewees de jongeling goed uit de voeten te kunnen op de kasseistroken.
Van 2001 tot en met 2006 vertegenwoordigde hij de kleuren van Phonak. Ondanks enkele kleinere overwinningen, kwamen Grabsch’ mooiste momenten er pas in de nadagen van zijn carrière. In 2007 brak hij in het tricot van T-Mobile helemaal door. De hardrijder eiste de Duitse titel tegen de klok op, en won enkele maanden later de tijdrit in de Ronde van Spanje.Hij deed zeven keer mee aan de Tour de France, waarbij de 81ste plaats in 2004 verreweg de beste prestatie was. De deelname aan de Giro in 2002, de zes keer dat hij startte in de Vuelta en de talloze deelnames aan de gekende klassiekers gaven gelijkwaardige resultaten. Grabsch was vooral een knecht, een geblokte hardrijder die lang op kop van het peloton kon sleuren en daarbij enorm grote verzetten kon rondtrappen. Er was echter één punt waarop Grabsch zich onderscheidde van de collega-knechten waarmee hij jarenlang over de wegen raasde: Grabsch was op vlakke parcoursen een geducht tijdrijder. Bert Grabsch won in zijn carrière 17 ritten, bijna allemaal tijdritten. Zo won hij de tijdritten in de Vuelta 2007 (zevende etappe) en het Critérium du Dauphiné 2009 (vierde etappe), werd hij vier maal Duits kampioen tijdrijden (2007, 2008, 2009 en 2011) en haalde in 2008 het hoogtepunt in zijn carrière door wereldkampioen tijdrijden te worden. In het Italiaanse Varese ging de Duitser als underdog van start, maar Grabsch iedereen door de gedoodverfde topfavoriet Leipheimer te kloppen. De laatste jaren van zijn loopbaan bracht de Duitser door bij Omega Pharma-Quickstep, waar hij vaak aan de kop van het peloton sleurde in dienst van Mark Cavendish. (meer…)
De hof te Balgoy behoorde waarschijnlijk tot het beginkapitaal van het kapittel van St. Jan te Utrecht, dat rond het midden van de elfde eeuw werd gesticht. Het is onbekend hoe Balgoy door St. Jan is verworven. Wel is zeker dat de hof of curtis Balgoy aanvankelijk een van de belangrijkste bezittingen van het kapittel uitmaakte en dat de proost er de hoge rechtsmacht uitoefende. De oudste vermelding van de goederen te Balgoy, waartoe ook een aantal tijnsgoederen binnen Balgoy zelf en over de Maas in Brabant behoorden, dateert eerst uit het jaar 1172. De curtis werd aanvankelijk in erfpacht uitgegeven, maar in de tweede helft van de veertiende eeuw bestond er een leenverhouding tussen de proost van het kapittel en de bezitter van de curtis. Het kasteel in het Gelderse dorp Balgoij (gemeente Wijchen) werd in 1257 voor het eerst vermeld. De graaf van Kleef en de proost van de Utrechts Sint-Janskerk verdeelden namelijk dat jaar hun goederen in Balgoij. De proost kreeg het hof, de graaf ontving het kasteel. Binnen de expansiepolitiek van de graven van Kleef paste het in de macht hebben van de heerlijkheid Balgoy en Keent. Rond 1350 werd Balgoy en Keent in zijn geheel Kleefs leen. Om zijn macht te bevestigen bouwde de graaf van Kleef een kasteel, het Huys tot Balgoye. Met zijn zware zaaltoren en grote voorburcht behoorde het kasteel tot een van de geduchtste in het gebied. (meer…)
In de negentiende eeuw was de Amerikaanse markt voor ‘geneesmiddelen’ vergeten van allerlei zogenaamde patentgeneesmiddelen. Dat was een vrij verkrijgbaar (zonder recept) geneesmiddel of medicinaal preparaat, dat door een handelsnaam en soms ook een octrooi werd beschermd. In de veelvuldige advertenties om het middel te promoten werd beweerd dat het tegen allerlei kleine aandoeningen en symptomen zou helpen. Aan de praktijk kwam pas voorzichtig een eind toen in 1906 de Pure Food and Drug Act werd ingevoerd, fabrikanten de samenstelling van hun product kenbaar moesten maken en de overheid met controles startte. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam echt een eind aan de fabricage en verkoop van de vaak niet ongevaarlijke producten. In vorige blogs zijn Clark Stanley’s Snake Oil en Mrs. Winslow’s Soothing Syrup al de revue gepasseerd. Dat ‘revue’ is hier wel een toepasselijke omschrijving, want heel wat van deze producten maakten reclame via medicijnshows in het middenwesten. Een praktijk die met emigranten was overgebracht vanuit Europa, waar al eeuwenlang door rondreizende ‘charlatans’ met mooie praatjes ondeugdelijke middelen werden verkocht. Tegen de tijd dat men ontdekte dat het middel waardeloos was, trad de charlatan al elders op. Als het om de verkoop van ‘geneesmiddelen’ ging werd de persoon een kwakzalver genoemd. In ‘The Canterbury Tales’ van Geoffrey Chaucer (1340-1400) in The Pardoner de charlatan die zondaars verleidt tot het kopen van valse religieuze relikwieën. De beroemdste straatcharlatan was Tabarin uit Parijs, die via kluchtige dialogen jarenlang en met groot succes allerlei kwakzalvermedicijnen verkocht. Dat gebeurde in een openluchtshow met veel muziek. Zijn optreden was zo succesvol dat hij Molière en De la Fontaine in hun werk inspireerde. (meer…)
De voormalige Franse provincie Gévaudan komt nagenoeg geheel overeen met het huidige departement van de Lozère in de regio Languedoc-Roussillon. In de vroege middeleeuwen behoorde het gebied tot het Graafschap Toulouse met eerst Javols en later Mende als centrum. Het werd Frans gebied in 1258. In 1789 kwam met de Franse Revolutie een einde aan de macht van de provincies; in 1790-1791 werd de provincie Gévaudan hernoemd tot het departement Lozère. De naam Gévaudan bleef echter bewaard door het legendarische Beest van Gévaudan, een mysterieus roofdier dat in 18e eeuw veel dodelijke slachtoffers maakte. In de periode 1764-1767 viel het enorme monster namelijk mensen aan en maakte tientallen slachtoffers. Het afgelegen gebied Gévaudan was enkele jarenlang een angstige streek, een gebied dat men beter kon vermijden.
De eerste aanval van het beest vond plaats op 1 juni 1764. Een vrouw uit Langogne zag een grote hond uit het bos komen, die haar direct aanviel. Het dier kon echter door de stieren van de boerderij worden weggejaagd. Op 30 juni 1764 werd in Gévaudan de viertienjarige Jeanne Boulet aangevallen terwijl ze schapen aan het hoeden was. Als schuldige voor haar dood werd ‘het woeste beest’ opgeschreven. Het beest was na de eerdere aanval in Langogne dus bij de lokale bevolking bekend. Wellicht waren er hier en daar nog andere mislukte aanvallen geweest. Wat iedereen daarbij wel was opgevallen was dat het roofdier op een ongebruikelijke manier aanviel. Roofdieren gaan gebruikelijk naar de benen of de keel, maar dit beest richtte zich op het hoofd. De trieste dood van de jonge Jeanne was geen reden voor paniek, want aanvallen door wilde dieren waren geen zeldzaamheid. Dat veranderde echter toen in augustus een vijftienjarig meisje en een zestienjarige jongen werden aangevallen en deze aanval ook niet overleefde. In september volgde nog eens vier aanvallen. Een van de slachtoffers was een zesendertigjarige vrouw die nota bene vlak voor haar voordeur door ‘het woeste beest’ was doodgebeten. De aanvallen werden nu een serieuze bedreiging. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 47 van 3 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Tom Lambrechtsen van Ritthem. Schuilnaam Chilly. Was werkzaam in Amsterdam. Waarschijnlijk bij L.O., 3 Mei j.I. gefusilleerd.’
Thomas Jan Lambrechtsen van Ritthem (Batavia, 11 augustus 1922 – Rheden, 20 november 1944) stamde uit een geslacht dat oorspronkelijk uit Petegem, Oost-Vlaanderen afkomstig was en toen nog gewoon Lambrechtsen heette. Het geslacht verhuisde al vroeg naar Zeeland. Zo was Joos Lambrechtsen (1597-1669) in Zierikzee poorter, winkelier en kaarsenmaker en Nicolaas Lambrechtsen (1674-1707) werd een bestuurder in Vlissingen. Ook in latere generaties kwamen Zeeuwse bestuurders voor. In 1764 kocht een telg de heerlijkheid Ritthem; de naam is in 1816 per ongeluk aan de geslachtsnaam toegevoegd en is sindsdien als Lambrechtsen van Ritthem bewaard gebleven. Het geslacht is opgenomen in het genealogische naslagwerk Nederland’s Patriciaat. De ouders van Tom, Nicolaas Jan Cornelis Lambrechtsen van Ritthem (1890-1974) en Albertine Maria van der Mieden van Opmeer (1896-?) trouwde op 24 september in 1921 in Den Haag en vertrokken toen naar Nederlands-Indië. Daar werd elf maanden later in Batavia Tom geboren. Een paar jaar later keerde het gezien terug naar Nederland en vestigde zich in Terneuzen, waar vader havenmeester werd. In Zeeuws-Vlaanderen werden Toms zusjes Tineke en Martha geboren. (meer…)
Neerbosch was een voormalig landelijk gebied waarvan de eerste bewoning dateert uit de 13 eeuw toen de moerassen ten westen van Nijmegen werden drooggelegd. De naam verwees naar het grote bos (het Reichswald), dat zich toentertijd uitstrekte van Kleef tot Beuningen en Ewijk. De naam ‘in den Nederen Bosche’ komt voor het eerst voor in 1410. Sinds de 19e eeuw ligt Neerbosch binnen de gemeentegrenzen van Nijmegen. Het was een grotendeels leeg gebied, met her en der een boerderij en aan de oostkant het langgerekt dorp Neerbosch. In een minuutplan uit 1822 bestond de kadastrale gemeente Neerbosch uit zes secties, namelijk De Biezen, Hees, den Heikant, het Teersche Broek, Bijsterhuizen en het dorp Neerbosch.
Die situatie veranderde dramatisch toen in 1920 werd begonnen met de aanleg van het Maas-Waalkanaal, een 13,5 kilometer lange verbinding tussen beide rivieren, van Heumen naar Weurt. Voorheen moesten schepen om van Heumen naar Nijmegen te kunnen en dan naar het Duitse achterland te kunnen varen een omweg van ruim honderd kilometer maken. Op 27 oktober 1927 werd het kanaal door koningin Wilhelmina geopend. Na de aanleg werd het dorp lastig bereikbaar omdat het op het punt kwam te liggen waar de Maas en het kanaal samenkwamen. De consequenties voor het dorp Neerbosch waren niet minder ernstig, want het werd doormidden gedeeld. Het dorp Hatert werd later geconfronteerd met de bouw van de Hatertsebrug waardoor twee dorpskroegjes en de kerk en daarmee de dorpskern verdween. (meer…)

Hein van Breenen (Amsterdam, 12-06-1929 – Amsterdam, 08-03-1990) was profwielrenner van 1952 tot en met 1961, waarin hij tot 1958 reed hij voor de Locomotief-ploeg. Daarna reed hij nog een paar jaar rond met een persoonlijke sponsor. Hein van Breenen was in 1953 lid van de succesrijke Nederlandse ploeg in de Tour de France, die onder meer bestond uit Wim van Est, Wout Wagtmans, Gerrit Voorting en Jan Nolten. De ploeg won dat jaar in de Tour het ploegenklassement. Hij was het prototype van de meesterknecht, die het liefst in dienst van kopmannen reed. Een actie tijdens een veldrit leverde hem de bijnaam Tarzan op. Een renner voor hem kwam ten val en Van Breenen wist een val te voorkomen door zich aan een boomtak vast te grijpen. Andere beweren echter dat hij die bijnaam kreeg vanwege zijn aanvallende manier van rijden. Hij gaf zich dan helemaal en kon vaak kilometers lang het peloton aanvoeren om de tegenstanders af te matten. Hieronder staat de enige echte oorsprong. Na zijn wielercarrière had Van Breenen een groentewinkel. Hij overleed op zestigjarige leeftijd na een hartstilstand. Zijn palmares was vrij bescheiden. De belangrijkste overwinningen behaalde hij in zijn amateurtijd, namelijk twee zeges in de Ronde van Midden-Nederland (1950 en 1951).
Van Breenen reed vier keer de Tour de France met een twintigste plaats als beste resultaat. Hij reed ook drie maal de Giro, waarin hij in 1955 zelfs als elfde eindigde. Zeker geen slechte klasseringen voor een knecht. Een meesterknecht weliswaar, maar toch … een knecht. In ‘Als je de Tour niet hebt gereden….’ van Fred van Slogteren (uitgeverij Sylfaen, ISBN 978-94-6217-066-7, prijs € 24,95) stond onderstaande biografie van Hein van Breenen. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Elias (Herman) Rooselaar, geb. 31-10-1903. 19-11-’43 in Asd. gearresteerd. Medio Jan. naar Westerbork. 2-3-’44 naar Duitschland. Moet voor transport naar Dsld. geholpen zijn door Groningsche dame, welke werkzaam was te Westerbork.’
Elias Rooselaar werd op 31 oktober 1903 in Amsterdam geboren. Hij werd vernoemd naar zijn opa, de ‘werkman’ Elias Rooselaar, die op 17 juni 1842 in de hoofdstad was geboren. Uit diens huwelijk met Keetje Salomons Waals (16 maart 1836) kreeg hij vijf kinderen: Abraham (1868), Salomon (1870), Philip (1872), Elisaberth (1876) en Greetje (1879). Het gezin woonde in de Joden Houttuinen nummer 41,een deel van de zogenaamde Jodenhoek (Joden Houttuinen, Valkenburgerstraat, Uilenburgerstraat en Batavierstraat), De verdwenen straat dankte zijn naam aan de oorspronkelijke functie als opslagplaats voor hout en de latere bewoning door voornamelijk Joden die vanaf in grote getale vanuit Oost-Europa naar Amsterdam kwamen. Het was een sloppenwijk waar de armste Joden van de stad opeengehoopt woonden in kleine eenkamerwoningen in nauwe steegjes en straatjes. Louis M. Hermans beschreef in 1901 in zijn rapport over de Amsterdamse krottenwijken ook de Joden Houttuinen: ‘Daar was “een slop ‘Wijde gang’ waar zo veel ongedierte is dat vader en moeder in de zomer op de vensterbanken slapen omdat in het ‘donkere gat, dat men bedstede noemt’ de wandluizen zo bijten. Alleen de van het venten of bedelen uitgeputte kinderen kunnen er slapen, al krabben zij ook het vuile vleesch tot bloedens toe in hun slaap.’ Het gezin verhuisde later naar de Valkenburgerstraat, wat wellicht een verbetering is geweest ten opzichte van het vorige adres. Elias vader, Salomon Rooselaar (1870) woont in 1906 in de Langebrugsteeg, wat wel een behoorlijke verbetering is te noemen. (meer…)
De Hutt is een rivier in de regio Mid West, een van de negen regio’s van de deelstaat West-Australië. De oorspronkelijke bewoners van het stroomgebied van de rivier Hutt waren de Yamatji Aborigines, die woonden in wat nu de Murchison Region heet, met de Murchison River als op een na langste rivier in West-Australië. Iets ten zuiden daarvan ligt de rivier Hutt, die twintig kilometer ten oosten van de North West Coastal Highway ontspringt, tussen de afgelegen plaatsjes Northampton (1.000 inwoners) en Binnu (58 inwoners). Onderweg wordt de rivier door diverse kreken gevoed. De rivier komt zestig kilometer verder westwaarts in de omgeving van Port Gregory uit in de Indische Oceaan. Twee kilometer boven de riviermonding ligt de Hutt-lagune, die niet met de rivier in verbinding staat. Deze lagune kleurt door de aanwezigheid van zout en de alg Dunaliella salina roze.
François Pelsaert (ca. 1595 – 1630), een Antwerpse koopman van de Vereenigde Oostindische Compagnie , was waarschijnlijk de eerste Europeaan die de rivier Hutt ontdekte. Zijn schip Batavia, op weg van Nederland naar Batavia, was op 4 juni 1629 aan de grond gelopen op een van de 120 mini-eilandjes van de Abrolhos-eilanden. Pelsaert vertrok direct na de schipbreuk met een klein deel van de bemanning in een kleine boot noordwaarts richting Java en beloofde hulp te halen. Hij ging eerst op zoek naar drinkwater en voer op 6 juni 1629 met een reddingssloep de monding van de rivier op. Na zijn vertrek begon onderkoopman Jeronimus Cornelisz (1598-1629), een uit Leeuwarden afkomstige apotheker en onderkoopman van de VOC, met een aantal handlangers een waar schrikbewind op het eilandje waarop ze gestrand waren. Dat eilandje kreeg later de naam Batavia’s Kerkhof, maar wordt tegenwoordig toch vooral Beacon Island genoemd. Het merendeel van de overlevenden wilden zich hier blijvend vestigen en als piraten die schepen enterden hun leven voortzetten. Op het eiland was echter maar ruimte en voedsel voor zo’n veertig personen, wat betekende dat er ongeveer honderdtwintig mensen teveel waren. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In mei 1945 verscheen in het verzetsblad De Zwerver een korte oproep: ‘2. Donsje Kater, gebracht naar Friesland’. Jarenlang bleef het een raadsel waar Donsje Kater was gebleven, dat kleine Joodse meisje met de brede zwarte wenkbrauwen en de grote bos haar, die haar de naam Donsje opleverde. Donsje verdween uit beeld, nadat haar vader Bertus Kater haar via een advertentie in De Zwerver op het spoor was gekomen en haar ophaalde op haar onderduikadres in Bakhuizen, Friesland. Daarna bleef het een raadsel waar ze was gebleven., tot men haar weer op het spoor kwam na een bericht uit de Verenigde Staten van de dochter van Ruth de Jonge.
Ruth de Jonge woonde met haar ouders en twee broers aan het Zaailand in Leeuwarden. Voor de oorlog woonde de Joodse familie in het Duitse Weener, net over de grens, waar ze een machinefabriek hebben. In de jaren dertig werd het in nazi-Duitsland steeds lastiger voor Joodse ondernemers en vader De Jonge zat zelfs een tijd in concentratiekamp Börgermoor, de eerste van de vijftien Emslandkampen, waar hij vreselijk is gemarteld. Toen hij weer naar huis mocht, heeft hij zijn oudste zoon Heine aangeraden om naar Groningen te gaan. Uiteindelijk belandde hij in Leeuwarden, waar hij een nieuwe machinefabriek opstartte: ‘H. de Jonge – Huis der Techniek’. Vader Jakob de Jonge kwam voor een tweede maal in een concentratiekamp terecht, ditmaal in Sachsenhausen. Toen hij werd vrijgelaten, wist de zestigjarige Jakob dat ze nu zeer snel moesten vertrekken. (meer…)

.
Nijmegen, Achter de hoofdwacht, oud verbindingsstraatje tussen de Smidstraat en Grote Markt.
© Frans van den Muijsenberg
Een mooie foto van de foto van de top 5 van de Ronde van Lombardije op 9 oktober 1976. De wedstrijd over 253 kilometer tussen Milaan en Como eindigde in een overwinning voor de Belg Roger de Vlaeminck. De andere vier renners zijn Bernard Thévenet (2e), Raymond Poulidor (5e, grotendeels verscholen achter de brede rug van zijn landgenoot, Joop Zoetemelk (4e) en de Italiaan Wladimiro Panizza (3e). Wonderbaarlijke genoeg doet de naam geen belletje rinkelen. Wladimiro Panizza (Fagnano Olona, 5 juni 1945 – Cassano Magnago, 21 juni 2002) stond echter in de periode 1967-1985 maar liefst achttien keer aan de start van de Ronde van Italië, reed deze zestien keer uit en eindigde elf keer in de top vijftien. Hoogtepunt was de tweede plaats in 1980 op 35-jarige leeftijd achter Bernard Hinault. Hij had twee ritoverwinningen in de Giro. Ook in de Tour de France had hij één overwinning in zijn vier deelnames, die hij respectievelijk als 14e, (1969), 18e (1970), 4e (1974) en 13e (1976) beëindigde. Hij won op 11 juli 1976 de 15e etappe, Saint-Lary – Pau. Hij reed ook achttien keer Milaan-San Remo, met een opvallende tweede plaats in 1976, toen Eddy Merckx zijn zevende en laatste overwinning behaalde in de Primavera. Wladimiro Panizza won 28 seconden later de sprint van Jean-Luc Vandenbroucke, die na afloop op doping werd betrapt en uit de uitslag werd geschrapt. In alle overige deelnames aan de eerste voorjaarsklassieker kon Panizza geen potten breken. (meer…)
79e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD
De exacte locatie van het koninkrijk Sheba is onbekend, maar moderne archeologen vermoeden dat het lag in het huidige Jemen of dat delen van het huidige Jemen en Ethiopië deel uitmaakten van het rijk. In Ethiopië wordt door velen beweerd dat hun bevolking afstamt van een kortstondige relatie tussen de Joodse koning Salomon en de koningin van Sheba. Ze heette in de Ethiopische verhalen Makeda. In de Kebre Negest, een boek uit de 13e eeuw waarin de traditionele mondelinge overleveringen over de Ethiopische koningen werden opgetekend, werd voor het eerst geschreven over de veronderstelde afstamming van Koning Salomon en de Koningin van Sheba. Zij zouden de ouders zijn geweest van Menelik I. Door deze Menelik is er een verband tussen de Ethiopisch-orthodoxe kerk, het jodendom en het latere christendom. Ook de veronderstelde schuilplaats van de spoorloos verdwenen Ark van het Verbond, een draagbare kist waarin de twee stenen platen met daarop de Tien Geboden werden bewaard, in Ethiopië is met hem in verband gebracht. In de mondelinge Ethiopische overlevering wordt verhaald dat hij de Ark van het Verbond meenam over de Blauwe Nijl naar Axum, een stad in het uiterste noorden van Ethiopië. In die stad is nog steeds zijn de kathedraal van onze heilige Maria van Zion een belangrijke bezienswaardigheid, met daarnaast het kleine kerkje Ark of the Covenant, waar de Ark van het Verbond zou staan. Ernaast ook nog een veld met obelisken en de paleizen van Kaleb en de Koningin van Sheba. (meer…)
In de Romeinse tijd was de Rijn een sterk meanderende rivier, waarvan de meanders in het gebied ten noorden van Herwen nog steeds te zien zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Oude Rijn in het gebied van de Rijnstrangen. De Oude Rijn is een oude loop van de Boven-Rijn van 21,7 kilometer lang, die bestaat uit twee waterlopen. Totdat in 1707 het Pannerdensch kanaal gereed was, was de Oude Rijn de hoofdroute van de Rijn naar de Noordzee. In 1970 werd de verbinding met de hoofdstroom van de Rijn afgesloten. Het gebied ligt nu geheel binnendijks, maar het overwegend laaggelegen land is zeer waterrijk en het kent onder meer rietmoerassen die vooral door kwelwater worden gevoed. De Oude Rijn ontvangt nog wel wat water van het grensriviertje Die Wild, dat ook een oude Rijnloop is. De Tiefe Wild is een verbreed en meerachtig deel van Die Wild ten zuiden van Hoch-Elten, dat als recreatiegebied populair is. Op het eind van de Duitse Spijker Weg ligt nog een oude stalen brug uit de Tweede Wereldoorlog die op de monumentenlijst van Emmerik staat. Ter hoogte van Herwen en Lobith loopt Die Wild over in de Oude Rijn. Ten zuiden van Elten en noorden van Spijk vormt Die Wild de grens tussen Nederland en Duitsland. Die Wild is het verlengde van het grenskanaal de Berghsche Wetering, dat een natuurlijke grens is tussen de Nederlandse gemeente Montferland en de Duitse gemeente Emmerik en het Netterdensch Kanaal. Op haar beurt is de Berghsche Wetering, die een viertal grensovergangen kent, weer het verlengde van de Duitse Hetterlandwehr aan het natuurgebied Hetter-Millinger Bruch. Vanaf het dorp Netterden, op het punt waar een waterverdeelstation de Hetterlandwehr aansluit op de Löwenberger Landwehr, draagt het grenskanaal vanaf Duitse zijde de naam Netterdensch Kanaal. (meer…)
De Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) werd halverwege 1942 opgericht door Helena Kuipers-Rietberg (‘Tante Riek’) uit Winterswijk en Frits Slomp uit Heemse, een dorpje bij Hardenberg. Helena Kuipers-Rietberg had een driejarige HBS-opleiding gevolgd en daar haar toekomstige echtgenoot ontmoet, de graanhandelaar Piet Kuipers (1892-1978). Die werkte op het kantoor van haar vader, die molenaar en graanhandelaar was. Later kocht Kuipers zich in bij het bedrijf van zijn schoonvader. Helena zorgde voor de huishouding, de opvoeding van de vijf kinderen en was verder actief in diverse maatschappelijke organisaties. In 1932 was ze medeoprichter van de Gereformeerde Vrouwenvereeniging in Nederland en vanaf de oprichting in 1937 hoofdbestuurslid van de Bond van Gereformeerde Vrouwenvereenigingen in Nederland, wat haar een uitgebreid netwerk opleverde dat in de bezettingstijd erg nuttig bleek te zijn. Ze was erg tegen de nationaalsocialistische beweging en begon direct na de bezetting al met hulpverlening aan onderduikers. Daarbij kwam ze in contact met de gereformeerde dominee Frits Slomp, die in juli 1942 moest onderduiken vanwege zijn anti-nationaalsocialistische activiteiten. Tegelijkertijd werden steeds meer Joodse Nederlanders weggevoerd, moesten grote aantallen jongeren verplicht werken voor de Duitse oorlogsindustrie, kwamen er gevluchte krijgsgevangenen de grens over en moesten ook bemanningsleden van neergeschoten geallieerde vliegtuigen worden geholpen. Het aantal onderduikers nam daardoor snel toe. Geld voor al dat werk kreeg Kuipers-Rietberg uit een van de illegale noodfondsen, later het Nationaal Steun Fonds, waarvoor zij de uitbetaalster voor de Achterhoek was. Valse papieren en voedselbonnen werden door anderen geleverd. De door hen opgerichte Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) groeide snel uit tot een grote landelijke organisatie, die in augustus 1943 de Landelijke Knokploegen (LKP) oprichtte. (meer…)
Nadat S.D.-commandant Enkelstroht het echtpaar Kuipers-Rietveld op hun onderduikadres had gearresteerd (zie: De Onderduik van het gezin Kuipers-Rietveld) werden ze meteen overgebracht naar de gevangenis van Arnhem. Daar moeten ze met de handen omhoog en met de gezichten naar de muur blijven staan. De Duitsers laten hen enige tijd zo staan. Dan worden ze meegenomen en in twee aparte cellen die naast elkaar liggen opgesloten. Het zijn twee kale cellen, in die van Heleen Kuipers staat alleen een rustbed en er ligt nog wast brood, waarschijnlijk van een vorige gevangene, in die van Piet Kuipers staat helemaal niets. Hoewel het moeizaam gaat is het toch mogelijk door de muur van hun cel heen enig contact met elkaar te onderhouden. Heleen Kuipers getuigt zingend van haar geloof, iets wat ook haar man de nodige steun geeft. Dit in die moeilijke tijden getuigen van haar geloof ontlokt de Duitsers de opmerking, dat ze met een ‘godsdienstwaanzinnige’ te maken hebben. Maar voor beiden is het geloof een vast punt in deze onzekere momenten. Ze krijgen niets te eten, noch op zaterdag, noch op zondagmorgen. Op zaterdag om een uur of twaalf hoort Piet Kuipers, dat zijn vrouw wordt teruggebracht in haar cel na verhoord te zijn. Wat ze tijdens dit verhoor doorstaan heeft, is niet bekend. Misschien heeft ze gepleit voor haar man. Ze hebben namelijk afgesproken, dat zijn alle schuld op zich zou nemen. Een vrouw zou minder gevaar lopen dan een men en het zou de kans op vrijlating van Piet Kuipers hopelijk vergroten. Wel weet ze bij de ingang van haar cel, zo hard, dat hij het kan horen, nog te zeggen, dat ze wel eens jongens heeft ondergebracht om ze aan werk te helpen. Maar ze heeft nooit illegaal werk gedaan. Op deze manier weet Piet Kuipers precies wat zijn vrouw wel en niet tegen de Duitsers gezegd heeft. Zo kan hij zich voorbereiden op zijn ondervraging door de S.D. Voor hij aan de beurt is om ondervraagd te worden, kunnen ze elkaar weer alleen door de muren van de cel wat vertroosten. Heleen Kuipers ziet het somber in na haar verhoor en heeft weinig hoop op een goede afloop. Het getuigt van haar geestkracht, dat ze toch in staat is af en toe een psalm te zingen, ‘meer voor mij (Piet), dan voor haar eigen vrolijkheid. Met voorbijgaan aan haar eigen angst steunt ze haar man en ze nemen afscheid van elkaar. Ze zullen elkaar niet weerzien. (meer…)
Daniel Vanryckeghem (Meulebeke, 29 mei 1945 – Meulebeke, 26 mei 2008) is beroepsrenner tussen 1966 en 1973. Niet zonder succes, des te opmerkelijker dat er bar weinig over hem te vinden. Hij won twee keer Dwars door Vlaanderen ( 1967 en 1970), werd derde in de Amstel Gold Race (1968) en haalde tal van ereplaatsen in de Vlaamse voorjaarsklassiekers. In 1968 maakte hij deel uit van de Belgische A-selectie voor de Tour de France, waarin de Belgen tien ritzeges voor hun rekening namen. Walter Godefroot en Daniel Van Ryckeghem namen er elk twee voor hun rekening, de overige winnaars waren Erik De Vlaeminck, Georges Pintens, Herman Vanspringel, Jos Huysmans, Eric Leman en de A-ploeg bij de ploegentijdrit. Het was trouwens de eerste maal dat de Nederlandse TV uitzendingen van de Tour verzorgde, wat nog legendarischer werd door de eindzege van Jan Janssen die in de afsluitende tijdrit Herman Vanspringel uit het geel reed en zorgde voor de eerste Nederlandse Tourzege.
Op 26 mei 2008 maakte hij, drie dagen voor zijn 63ste verjaardag een eind aan zijn leven. De directe aanleiding schijnt de onverwerkte dood te zijn geweest van zijn ongeneeslijk zieke zoon Danny, die drie jaar eerder op 34-jarige leeftijd zelfmoord. Al vroeger was gebleken dat Vanryckeghem last had van depressies en snel de moed liet zakken.Op 27 mei 2008 publiceerde Het Nieuwsblad een artikel waarin Jef Braeckevelt terugkeek op het leven van de overleden ex-wielrenner. Jef Braeckevelt (Tielt, 30 januari 1943 – Waregem, 26 februari 2019) was vanaf 1964, slechts 21 jaar oud, actief als ploegleider van verschillende wielerploegen. Hij zou actief blijven tot 2011 en dat tot 1994 combineren met de baan van postbode in Ingelmunster, hoewel hij vanaf 1979 toch grote ploegen en gerenommeerde renners onder zijn hoede had. Hij was een van de weinige ploegleiders die zelf nooit had gekoerst, maar op enig moment wel een van de ploegleiders met de meeste ervaring in het peloton. Braeckevelt begon al op 17-jarige leeftijd bij het opzetten van de wielerploeg Sportverbond Meulebeke, een jeugdploeg voor de begeleiding van jonge renners en trad in 1964 in dienst van de Noord-Franse ploeg Véloclub d’Orchies Leroux, een club van onafhankelijke renners uit Frankrijk en België. Een van de talenten die hij daar binnenbracht was Daniel Vanryckeghem. (meer…)
Begin 1944 wordt in Nijmegen een meisje, Jacobs genaamd, door de Duitsers gearresteerd. Alhoewel ze kort na haar arrestatie weet te vluchten, wordt ze door haar ouders onder druk gezet om zich weer bij de S.D. aan te geven, wat ze dan ook doet. Ze besluit met de Duitsers samen te werken; waarom is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk onder dwang. Deze samenwerking is voor de Duitsers belangrijk, omdat ze de verloofde is van Wim Koenen uit Winterswijk, die samen met onder meer Henk Baarschers opdrachten uitvoert voor de groep “Vrij Nederland”. Wim Koenen was op 22 maart 1944, naar aanleiding van een brandstichting in de bioscoop van Winterswijk, gearresteerd en de S.D. had op hem een brief van zijn verloofde gevonden, wat er toe leidde, dat ook zij werd opgepakt. Ze is door haar relatie met Koenen ook bekend met de groep rondom Henk Baarschers en daarom wordt ze door het N.S.B.-hoofd van politie te Winterswijk, de opperluitenant Velle, gebruikt om Baarschers die lid is van de K.P. te compromitteren. Ze biedt hem de revolver van Velle aan, zogenaamd namens een illegale groep. Als lid van een knokploeg kan hij altijd een revolver gebruiken en daar hij geen onraad vermoedt, gaat hij op het aanlokkelijke aanbod in. (meer…)
Helena Theodora Kuipers-Rietberg (Winterswijk, 26 mei 1893 – Ravensbrück, 27 december 1944) was het vijfde kind van de acht kinderen in het gereformeerde gezin van Hendrik Rietberg en Clara Christina Theodora Dulfer. Hendrik Rietberg was in Winterswijk graanhandelaar en molenaar. Na de lagere school volgde Helena de driejarige HBS, wat toen voor meisjes erg ongebruikelijk was. Daarna ging ze de administratie doen in de zaak van haar vader. Op school had ze Piet Heino Kuipers (1892-1978) leren kennen, die na zijn opleiding naar Nederlands-Indië vertrok. Toen hij in 1919 op verlof in Nederland was, vroeg hij zijn vroegere schoolvriendin ten huwelijk e stelde ook direct voor mee te gaan naar Medan, op Sumatra. Daar voelde Heleens vader weinig voor. Die stelt voor dat Piet Kuipers medefirmant wordt in de zaak. Op 21 april 1921 traden Piet kuipers en Helena Rietberg in het huwelijk. In de periode 1921-1933 kreeg het echtpaar twee zoons en drie dochters. Helena zorgde voor het huishouden en de kinderen, maar was daarnaast actief in diverse maatschappelijke organisaties.
In 1932 was ze medeoprichter van de Gereformeerde Vrouwenvereeniging in Nederland en toen in september 1937 in navolging van de ’Bond van Gereformeerde Mannenverenigingen in Nederland’ de ‘Bond van Gereformeerde Vrouwenvereenigingen in Nederland’ werd opgericht , werd Helena Kuipers-Rietberg de penningmeesteresse van de vereniging. De twee andere bestuursleden waren mevrouw J. Zwart-De Jong uit Utrecht (presidente) en mevrouw F.M.L. Nawijn-Van Dijk uit het Friese Burgum (secretaresse). In plaatselijke verenigingen kwamen de vrouwen enige keren per maand bijeen en bespraken dan Bijbelse onderwerpen en bezonnen zich daar op ‘actuele vragen en meningen van deze tijd’. Ook werden vormingsconferenties en studiedagen gehouden, maar de hoogtepunten werden gevormd door de provinciale toogdagen en landelijke Bondsdagen, meestal door duizenden dames bezocht. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus 1870 de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen, waarvan de Vlaamse journalist en schrijver August Snieders in 1872 in zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, uitgebreid verslag deed. In Saarbrücken werd door de Franse keizer een monument geplaatst om te herdenken dat de veertienjarige zoon en kroonprins Napoleon Eugène Lodewijk Bonaparte (1856-1879) hier zijn eerste gevechtshandeling had verricht, de zogenaamd Lulustein.
Op 19 juli 1870 verklaarde Frankrijk dus de oorlog aan Pruisen, in de verwachting een snelle en simpele overwinning te halen. De snelle en makkelijke opmars naar Saarbrücken gaf reden tot optimisme, de snelle inname van het hoger gelegen gedeelte van de stad maakte de euforie alleen maar groter. Men beperkte zich vanaf 3 augustus 1870 tot wat beschietingen vanaf de heuvels op de omliggende dorpen. In de tussentijd trokken de Duitse legereenheden zich rustig terug om een Franse aanval te kunnen weerstaan en direct het initiatief te kunnen nemen. Een overzicht van de Pruisische troepenbewegingen in de eerste weken. (meer…)
Jean-Christophe Péraud (Toulouse, 22 mei 1977) was een succesvolle Franse mountainbiker, die halverwege zijn carrière overstapte naar het wegwielrennen. In 2005 was hij Europees kampioen mountainbike geworden en op 17 juni 2008 in het Italiaanse Val di Sole (Trentino-Alto Adige) wereldkampioen mountainbike team relax, samen met Arnaud Jouffroy, Laurence Leboucher en Alexis Vuillermoz. Bij de Olympische Spelen in 2008 in Peking werd op 23 augustus, de voorlaatste dag, het onderdeel mountainbike afgewerkt. Zijn landgenoot Julien Absalon wist zijn olympische titel te prolongeren. Met een achterstand van 1.07 minuten werd Péraud tweede en won de zilveren medaille. Een jaar eerder was hij, inmiddels 30 jaar oud, bij de amateurs aan wegwedstrijden gaan meedoen. Niet onverdienstelijk want op 28 juni 2008 werd hij nationaal Frans kampioen op de weg bij de amateurs. De successenreeks in 2008 gaf voldoende aanleiding Péraud op 30-jarige leeftijd te laten debuteren in de profrangen. Hij ontpopte zich als een uitstekend tijdrenner, onder meer door in 2009 het Franse kampioenschap tijdrijden te veroveren. Steeds meer ontpopte hij zich als een verdienstelijk ronderenner. Zo werd hij in Patrijs-Nice in 2010 achtste en een jaar later zesde. In dat laatste jaar eindigde hij in de Ronde van Frankrijk als negende. In diverse kleine rondes en in klassiekers reed hij ook goede klasseringen.
In 2013 leek zijn definitieve doorbraak aanstaande. In de Ronde van Frankrijk leek hij op weg naar een hoge klassering. Bij aanvang van de 17e etappe op 17 juli, een tijdrit over 32 kilometer van Embrun naar Chorges stond hij als hooggeplaatste Franse renner negende in het klassement op een achterstand van 8.47 minuten van Chris Froome en leek een flinke stijging in de maak. In de verkenning van de tijdrit crashte de Fransman tijdens de eerste van de twee afdalingen op het parcours. Ondanks een gebroken sleutelbeen ging Péraud later die dag toch van start, maar kwam bij de tijdrit op twee kilometer van de finish opnieuw ten val en moest toen de strijd definitief staken. Het betekende ook direct het einde van dat wielerseizoen. (meer…)
Tijdens de eerste paar honderd jaar van het bestaan van de stad mochten Joden niet binnen de stadsmuren wonen. Ze kwamen Piotrków Trybunalski binnen om handel te drijven, wanneer de stad gastheer was van een zitting van de Poolse Sejm of wanneer een speciaal tribunaal werd gehouden van de rechtbank (vandaar de naam ‘Trybunalski’). Enkele Poolse edellieden, die het recht hadden hun pachters in de stad te laten wonen, verhuurden echter binnen de stadsmuren huizen aan Joden. Er ontstond zo een kleine joodse gemeenschap in Piotrków Trybunalski. De Joodse gemeenschap had echter zwaar te leiden onder de regelmatige pogroms door de lokale bevolking of door binnenvallende troepen.
De Joodse gemeenschap in Piotrków Trybunalski had vooral zwaar te lijden tijdens de Chmelnytskyopstand, de burgeroorlog tussen 1648 en 1654 binnen het Pools-Litouwse Gemenebest. De troepen van het Gemenebest stonden tegenover zwaarbewapende Oekraïense Kozakken onder leiding van Bohdan Chmelnytsky. De opstand was gericht tegen de Poolse adel en de Asjkenazische Joden. De laatste groep waarschijnlijk ingegeven door de verbittering bij Chlmelnytsky dat de Poolse grondbezitters van boeren lijfeigenen maakten en vaak joodse rentmeesters aanstelden aan om zoveel mogelijk winst te maken. Decennialange woede en frustratie bij de Oekraïense boeren liepen uit op een van de bloedigste rampen in de Europese geschiedenis. Sociale onrechtvaardigheid, aangevuurd door etnische haat en gelegitimeerd door religie leidden tot massamoorden op Joden en Polen, die tot de nazi-bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog hun weerga niet kenden. Steden boden tijdens de opstand geen veiligheid, want die vielen in handen van boerenrebellen, die werden gesteund door Kozakken en paupers in de steden. Toen de opstand afnam waren er 56.000 Joden vermoord onder pijnlijke en vernederende omstandigheden. De Joden bevonden zich in zo’n benarde situatie dat sommigen zich zelfs aanboden als slaven om maar in veiligheid te zijn en eventueel later met losgeld te kunnen worden vrijgekocht. (meer…)
.
Pluimen in de wind waaien heeft als betekenis: iets doen zonder na te denken.
Het lijkt een compleet vergeten spreekwoord te zijn, want ik kan me niet herinneren het ooit gehoord te hebben of in een tekst te zijn tegengekomen. Zelfs de onvolprezen W.A. Stoett vermeldde het niet in zijn standaardwerk Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925). Er is verder ook geen enkel ander spreekwoord te achterhalen met daarin het meervoud ‘pluimen’ en slechts drie spreekwoorden met ‘pluim’, steeds in de betekenis van ‘compliment’: een pluim krijgen/geven, iemand een pluim op zijn hoed steken en liever brood in de zak, dan een pluim op de hoed (wat betekent dat men van eer niet kan leven). Verdere kennen we nog het gezegde ‘vogels van diverse pluimage’.
Verder komt ‘pluim’ nog voor in drie Belgische dialecten. Uit Wichelen bij Gent schijnt het gezegde ‘Ge kent ‘em van oar noch pluim’ (het is een onbekende voor jou) te stammen en uit Ieper is ‘Lat ze moa vliegen, ze zint pluim niet weirdt (je mag gerust windjes laten) afkomstig. (meer…)
Jozef (“Jos”) Felix Henri Marie baron van Hövell van Wezeveld en Westerflier (Maastricht, 12 januari 1919 – Neuengamme, 4 januari 1945 was de zesde van tien kinderen van Eduard Otto Joseph Maria van Hövell tot Westerflier, die van 1918 tot zijn overlijden in 1936 gouverneur van Limburg was. De katholieke adellijke familie Van Hövell kende tal van personen met vooraanstaande posities in het Nederlandse bestuur. Zo was Eduard van Hövell (zoals de familienaam meestal werd afgekort) de zwager van L.F.J.M. baron van Voorst tot Voorst, een lid van de Eerste- en Tweede Kamer namens de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) en was hij de kleinzoon van jhr. E.J.C.M. de Kuijper, die in de periode 1874-1893 Commissaris des Konings in Limburg was. Jozef volgde in Maastricht aan het Henric van Veldekecollege een middelbare schoolopleiding en ging daarna aan de Katholieke Universiteit Nijmegen rechten studeren. In 1942 haalde hij daar zijn kandidaatsexamen.
Jozef van Hövell van Wezeveld en Westerflier was tijdens de mobilisatie in opleiding voor reserveofficier vliegen. In mei 1940 bevond hij zich in Rotterdam, maar hij kon daar niet aan de strijd tegen de Duitsers deelnemen omdat hij de opleiding aan de School voor Reserve-Officieren Militaire Luchtvaart (SROML) nog niet had afgerond. Na zijn demobilisatie zette hij in Nijmegen zijn rechtenstudie voort. Binnen het Nijmeegse studentenwereldje was hij lid van de elitaire DispuutGezelschap H.O.E.K., het oudste herendispuut van de Nijmeegse Studentenvereniging Carolus Magnus., een toen al een door de bezetter verboden vereniging. Carolus Magnus had namelijk geweigerd op de sociëteit een bordje met ‘verboden voor joden’ op te hangen. In 1942 was Van Hövell praeses van Carolus Magnus. (meer…)
Gustaaf De Smet (Mariakerke, Gent, 15 mei 1935 – Oostakker, 28 mei 2020) was in de periode 1959-1968 een Belgische wielrenner. In 1956 was De Smet als amateur succesrijk via overwinningen in Omloop Het Volk, Gent-Wevelgem en de Ronde van Vlaanderen. Reden om hem op te nemen in de selectie voor de Olympische Spelen in Australië, waarin hij in Broadmeadows als 24e eindigde. In 1957 heeft hij als onafhankelijke coureur al bij ploegen een contractje, namelijk bij het zeer bescheiden Belgische team van De Visscher Sport en later dat jaar bij het Italiaanse Carpano-Coppi. Inderdaad, de ploeg van de inmiddels 38-jarige Fausto Coppi die in zijn nadagen nog maar enkele bescheiden succesjes kende. In de ploeg ook enkele landgenoten van De Smet onderdak, waarvan Fred de Bruyne de bekendste was. De loopbaan van Gustaaf de Smet kwam pas goed van de grond toen hij in 1958 in dienst trad van Groene Leeuw, waar hij met uitzondering van zijn laatste beroepsjaar (1968) zijn hele wielerloopbaan in dienst zou blijven.
De snelle spurter Gustaaf De Smet haalde in totaal bij de beroepsrenners 72 overwinningen. Zo won hij in 1960 de Schaal Sels, een wielerwedstrijd die sinds 1921 door de Parijse krant Le Journal wordt georganiseerd ter nagedachtenis van de indertijd beroemde wielerjournalist Jacques-Charles Sels (hij sprak zes talen schreef voor zeventien dagbladen), die op 7 mei 1920 tijdens de verkenning van de wielerwedstrijd Milaan-Antwerpen dodelijk verongelukte. in 1961 de Omloop van Midden-België en in 1962 Gent-Brugge-Antwerpen. (meer…)
Mrs. Winslow’s Soothing Syrup was een gepatenteerd geneesmiddel, wat betekende dat het een vrij verkrijgbaar (zonder recept) geneesmiddel of medicinaal preparaat was, dat door een handelsnaam en soms ook een octrooi wordt beschermd. In de veelvuldige advertenties om het middel te promoten werd beweerd dat het tegen allerlei kleine aandoeningen en symptomen zou helpen. Tot de groep gepatenteerde geneesmiddelen behoren antiseptica, analgetica, sommige kalmerende middelen, laxeermiddelen, maagzuurremmers, medicijnen tegen verkoudheid/ hoest en verschillende huidpreparaten. De inhoud van het wondermiddel was bijna altijd in nevelen gehuld, zodat de doeltreffendheid en veiligheid bij gebruik van het middel op zijn minst twijfelachtig was.
Mrs. Winslow’s Soothing Syrup was zo’n gepatenteerd geneesmiddel. Het werd toegeschreven als een product dat was ontwikkeld door Charlotte N. Winslow (1789-1850), een kinderverpleegster, en werd vanaf 1845 in de Verenigde Staten op de markt gebracht door haar schoonzoon Jeremiah Curtis en zijn compagnon Benjamin A. Perkins. In 1852 zorgden ze ervoor dat hun geneesmiddel wettelijk werd gedeponeerd. In 1856 zou Perkins het bedrijf verlaten, werd de opengevallen plaats ingenomen door de zoon van Curtis en werd de berdrijfsnaam veranderd in Curtis and Son. Het bedrijf kreeg natuurlijk bij herhaling de vraag wie toch in hemelsnaam Mevrouw Winslow was, waarop het standaardantwoord volgde ‘dat zij een dame is die al meer dan dertig jaar op inspirerende wijze haar tijd en talenten als vrouwelijke arts en verpleegster heeft besteed, voornamelijk onder kinderen … we denken dat mevrouw Winslow haar naam heeft vereeuwigd met dit onschatbare artikel (Soothing Syrup) dat duizenden kinderen van een vroeg graf heeft gered’. Weer enkele jaren (1865) ging Curtis and Son een commanditaire vennootschap aan met John I. Brown uit Boston, zodat onder de naam Curtis and Brown zowel Mrs. Winslow’s Soothing Syrup als Brown’s Bronchial Troches op de markt konden worden gebracht. Curtis beweerde in 1868 meer dan 1,5 miljoen flessen te hebben verkocht. In 1880 werd het bedrijf ontbonden werd de Anglo-American Drug Company opgericht om Mrs. Winslow’s Soothing Syrup te verkopen. (meer…)
Met zijn kop tegen de muur lopen heeft als betekenis: koppig doorgaan ondanks sterke tegenwerking, iets dat er hopeloos uitziet toch voor elkaar proberen te krijgen of proberen het onmogelijke te doen.
Stoett verwijst in zijn bespreking (zie hieronder) op de Middeleeuwse oorsprong van het gezegde, dat vandaag de dag nog steeds veelvuldig wordt gebruikt. Zo schreef het Reformatorisch Dagblad in 2002 in een artikel: ‘Rob heeft een moeilijk karakter, maar kan tegelijkertijd heel zelfstandig werken. Hij loopt liever met zijn hoofd tegen de muur dan dat wij hem overal mee begeleiden.’ Het Belgische dagblad De Morgen had in 2021 de volgende kop bij een artikel over de veronderstelde mogelijkheid dat Mauri Vansevenant de Ronde van Spanje zou kunnen winnen: ‘Vansevenant voor de Vuelta: ‘Af en toe moet je met je hoofd tegen de muur lopen’, waarin de coureur zelf aangaf er niet in te gekloven, maar toch zou proberen.’
F.A. Stoett merkte in Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden(1923-1925) op over de uitdrukking: Met het hoofd tegen den muur loopen, d.w.z. iets ondoenlijks willen uitvoeren en niet slagen; iets onmogelijks willen ten uitvoer brengen; eig. met zijn hoofd door een muur willen loopen, en dan zich bezeeren.Ga naar voetnoot1) In de middeleeuwen in Grimb. I, 1808: Die met syn hooft wil dor den muer heeft dicke aventure suer; Mloep II, 2382: Wie lopen wil teghen die muyer mitten hoofde, die machet breken. Vgl. ook Goedthals, 54: Met den hoofde tegen den muur loopen, huerter la teste à la paroy; Winschooten, 356; Idinau, 16: (meer…)
De Joden vestigden zich al in de zestiende eeuw in Piotrków Trybunalski, maar deze vroege periode eindigde met de pogrom op de Joodse bevolking, uitgevoerd door het Kroonleger in april 1657. De Joden werden er vervolgens van beschuldigd het Zweedse leger te begunstigen en te helpen. Bijna vijftig families stierven als gevolg van de pogrom. Vanaf 1679 vestigden de Joden zich hier permanent op voorspraak van Jan III Sobieski, van wie de Joodse bevolking in Piotrków en omgeving mocht wonen. Als gevolg hiervan ontwikkelde zich in de buurt van Piotrków een groot district, dat De Stad of De Joodse Stad werd genoemd. De Joden woonden hier echter voornamelijk in één Joodse straat. In 1636 werden in de parochieregisters gevallen geregistreerd van mensen van joodse afkomst die gedoopt werden. In de jaren 1727–1796 werden 53 gevallen van doop onder Joden geregistreerd in parochieregisters. De leeftijd van de bekeerlingen varieerde van 4 tot 40 jaar. De meerderheid waren echter jongeren tussen 10 en 18 jaar oud.
In 1840 werd het gebied van De Joodse Stad opgenomen in Piotrków Trybunalski. Aan het einde van de achttiende eeuw hielden Joden zich bezig met kleine handel en huisnijverheid. In de negentiende eeuw waren zij de grondleggers van de eerste fabrieken. Piotrków onderscheidde zich door een ontwikkelde grafische industrie. De plaatselijke drukkerijen drukten de bijbel, de talmoed, rabbijnse literatuur, werken van Hebreeuwse en Joodse literatuur. De eerste fabriek werd in 1864 opgericht, was eigendom van Fajwel Belchatowski en Chaim Frenkel en bevond zich op Plac Maryjny 1 (nu Rynek Trybunalski). Tijdens de Eerste Wereldoorlog drukte ze ‘Di Pietrkower Sztyme’ (De Stem van Piotrków), onder redactie van Moses Feinkind. (meer…)

Michele Dancelli ( geboren op 8 mei 1942 in Castenedolo, 8 mei 1942) was van september 1963 rot eind 1974 profwielrenner. Hier zal er bij het grote publiek niet direct een lampje gaan branden bij het horen van de naam Dancelli, maar in zijn tijd was hij een van de succesvolste Italiaanse wielrenners met 84 overwinningen op zijn naam. In Italië hoort hij zelfs tot de categorie nationale helden, want in 1970 wist hij Milaan-San Remo te winnen. Op een Italiaanse overwinning in de ‘Classicissima’ had men sinds de zege van Loretto Petrucci in 1953 maar liefst zeventien moeten wachten.
Dancelli, die behalve een strijdlustig sprinter ook een fanatiek hardloper was, hield van verre ontsnappingen. De journalist Gianni Mura noemde hem om die reden ‘een nomadische dromer’. Michele Dancelli verdeelde lange tijd zijn tijd tussen beide sportactiviteiten en zijn beroep van metselaar. De dingen veranderde nadat hij op 1 september 1963 Italiaans kampioen op de weg bij de amateurs werd. Al een paar dagen later werd hij prof bij de wielerploeg Molteni van ploegleider Giorgio Albani, nog maar eenentwintig jaar oud. Op 19 oktober 1963 werd de jonge neoprof derde in de Ronde van Lombardije, die door Jo de Roo werd gewonnen. Al een half jaartje later behaalde hij zijn eerste zege door op 5 april 1964 op het circuit van Col San Martino te winnen. Op 17 mei 1964 wint hij de tweede etappe van de Giro d’Italia, 146 kilometer tussen Riva del Garda naar Brescia, op een steenworpafstand van zijn geboortedorp Castenedolo. Hij werd 21ste in de eindrangschikking. In 1965 won hij zestien wedstrijden, waaronder twee ritten in de Giro en werd 12e in het eindklassement. Zowel in 1965 als 1966 werd hij Italiaans kampioen op de weg, waar hij in latere jaren zou eindigen als tweede (1967) en derde (1968 en 1972). (meer…)
.
The Judgement of Paris
by Peter Paul Rubens
1638
Museo del Prado Madrid
The mythological story of the Judgment of Paris begins with the wedding of Thetis and Peleus, where Eris, goddess of Discord, challenged the most beautiful goddesses to take a golden apple which she threw among the guests. Juno, Minerva and Venus started to argue and Jupiter decided to give the apple to Mercury and let Paris be the judge of this dispute. This judgment is told by the Roman poet Ovid (in the book Heroides, XVI, 65-88), Paris would choose Venus as the winner. In return, the goddess gave him Helena of Troy, provoking the war of Troy. The theme of the Judgment of Paris was used by Rubens on several occasions. (meer…)
Pieter Bruegel de Oude (Breugel of Breda, ca. 1525-1530 – Brussel, 9 september 1569) was een kunstschilder die behoorde tot de Noordelijke renaissance. Hij was de vader van Pieter Brueghel de Jonge en Jan Brueghel de Oude. Hij schreef hij zijn naam en tekende zijn werken zonder ‘h’, maar zijn zoons voegde die letter wel toe. Hierdoor wordt dat bij hem veelvuldig maar ten onrechte ook vaak gedaan. In 1551 werd hij ingeschreven in het Antwerpse St. Lucasgilde, Van 1552 tot 1554 maakte hij een reis door Italië, wat op dat moment voor schilders uit Noord-Europa nog tamelijk ongebruikelijk was. De eerste jaren na deze reis maakte hij vooral gravures, pas vanaf 1562 ging Bruegel volop schilderen. De laatste zeven jaar van zijn leven maakte hij bij alle van de veertig schilderijen die van hem bewaard zijn gebleven. Hij stierf op 9 september 1569 in Brussel, slechts 39-44 jaar oud, vermoedelijk na een lang ziekbed. Tot de veertig nagelaten schilderijen horen juweeltjes alsNederlandse Spreekwoorden (1559), Kinderspelen (1560), De triomf van de dood (1562), De Toren van Babel (1563), Dulle Griet (1563), De korenoogst (1565), Hooien (1565), De val van Icarus (1565) en De boerenbruiloft (1566-1567). (meer…)
Piotrków Trybunalski werd in 1569 onderdeel van het Pools-Litouwse Gemenebest en werd van 1578 tot 1793 de zetel van het Kroontribunaal, het hoogste gerechtshof van Polen, vandaar de latere toevoeging ‘Trybunalski’ aan de oorspronkelijke naam. Nog steeds beheerst het majestueuze Hogegerechtshof het stadsbeeld. In hetzelfde jaar dat het Kroontribunaal met haar werkzaamheden begon, werd de Joodse bevolking van Piotrków de stad uitgedreven om pas rond 1700 te mogen terugkeren. In 1705 arriveerden de eerste Duitse kolonisten, voornamelijk Zwaben, in de omgeving van de stad en stichtten er enkele dorpen. Tot 1945 wisten zij daar hun Duitse taal en gebruiken grotendeels te behouden. Gedurende de 17e en 18e eeuw nam de belangrijke positie die Piotrków Trybunalski had gestaag af door branden, epidemieën, oorlogen tegen Zweden en ten slotte de Poolse Delingen (1772, 1793 en 1795), toen Rusland, Oostenrijk en Pruisen in drie stappen het sterk verzwakte Pools-Litouws Gemenebest onderling verdeelden. In 1795 was het Pools-Litouws Gemenebest van de Europese kaart verdween.
Tussen 1795 en 1918 vonden in het voormalige Pools-Litouws Gemenebest twee grote opstanden (1830 en 1863) plaats om weer een soeverein Polen te laten herrijzen. Beide opstanden mislukten en leidden tot heftige repressie. De economische en industriële ontwikkeling van Piotrków nam pas halverwege de 19e eeuw weer wat toe, toen de spoorlijn Warschau-Wenen werd aangelegd en de stad een spoorwegstation kreeg. In 1867 vormden de Russische autoriteiten de oblast Piotrków, die ook de plaatsen Łódź, Częstochowa, Dąbrowa Górnicza en Sosnowiec omvatte, waar volgens de Russische telling van 1897 toen 30.800 personen leefden, waarvan 9.500 Joden, bijna een derde van de bevolking. In 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, was de oblast Piotrków de best ontwikkelde industrie van dit deel van het Russische Rijk. Een rijk dat niet erg populair was bij de bevolking, wat bleek bij massale demonstraties van ontevreden burgers tijdens de Russische revolutie van 1905. (meer…)
De Sint-Stevenskerk, die in de volksmond gewoonlijk de Stevenskerk wordt genoemd, is de oudste en grootste kerk van Nijmegen. De kerk is gebouwd op een kleine heuvel met een hoogte van 28 meter, de Hundisburg ofwel de Halsberg. Het is één van de zeven heuvels waarop Nijmegen is gebouwd. Heuvels die ontstonden in de voorlaatste ijstijd, die ongeveer 10.000 jaar geleden eindigde. Vanuit Scandinavië schoof het landijs toen honderden meters hoge bergen zand en grind voor zich uit. Daaruit ontstond een enorme stuwwal die later door de grote rivieren werd uitgesleten. De heuvels die daardoor ontstonden werden later bebouwd, de dalen werden straten. De zeven heuvels van de Nijmeegse Benedenstad, elk bebouwd met een of meerdere belangrijke beschermde monumenten zijn de Hessenberg (Heezeberg), de Hundisburg, de St. Jansberg, de Klokkenberg, de St. Anthoniusberg ( of Geitenberg, Lindenberg), de Hofberg en de St. Geertruidsberg (die een deel is van de Hunnerberg, Hoenderberg).
In de zevende eeuw werd door bisschop Kunibert van Keulen, waar nog steeds de St. Kunibert Kirche een va de twaalf gezichtsbepalende basilieken is, gestart met en kersteningscampagne en werd in Nijmegen op het Kelfkensbos de Gertrudiskerk gebouwd. In 1247 werd de stad Nijmegen in pacht werd gegeven aan graaf Otto II van Gelre (ca. 1215-1271), die vanwege zijn klompvoet de bijnamen De Lamme, De Hinkende en De Paardenvoet had, maar ook wel De Stedenstichter werd genoemd omdat hij veel plaatsen tot stad verhief. Nijmegen kreeg deze stadsrechten in 1230. Otto II liet vanaf 1254 om strategische redenen de Gertrudiskerk, de oudste parochiekerk in Nijmegen en de voorloper van de Stevenskerk, verplaatst van het Kelfkensbos naar de Hundisburg. De grote, machtige Stevenskerk was een mooie tegenhanger voor de massieve Valkhofburcht aan de andere kant van de stad. (meer…)
Henri ‘Rik’ Hoevenaers (Antwerpen, 1 mei 1902 – Antwerpen, 12 november 1958) kreeg het wielrennen bijna met de paplepel naar binnen. Zijn vader Josef Hoevenaers werd in 1903 Belgisch kampioen sprint bij de beroepsrenners, terwijl om dat moment de kleine Rik in een kinderwagen naast de piste stond. Van 1926 tot en met 1931 zou ook Rik beroepsrenner zijn, maar een echte topper zou hij nooit worden. Hij haalde weliswaar wat eervolle vermeldingen in diverse eendagswedstrijden, maar zou nooit worden gevraagd voor de teams die aan de Tour de France of Giro meededen. Op de Cycling Ranking bivakkeert Henri Hoevenaers nu op plaats 3571. Zijn grootse successen haalde hij in zijn amateurtijd. Hij werd bij de amateurs drie maal het Belgisch kampioenschap wielrennen op de weg (1922, 1923 en 1925). Bij de Olympische Zomerspelen van 1924 in Parijs won hij drie medailles: een zilveren in de individuele tijdrit en twee bronzen in de ploegenachtervolging (met Jean Van Den Bosch, Léonard Daghelinckx en Fernand Saivé) bij de ploegentijdrit (met Alphonse Parfondry en Jean Van Den Bosch).
Op zaterdag 22 augustus 1925 werd hij in Apeldoorn ook nog eens wereldkampioen op de weg bij de amateurs door in de sprint de Fransman Marc Bocher en de Nederlander Gert van den Berg te verslaan. Het parcours liep van Apeldoorn naar Hoog Soeren, Nieuw- en Oud-Milligen, Stroe, Harskamp, Otterlo, Arnhem-Schelmseweg, Apeldoornseweg, Beekbergen, Hoenderloo, ‘over het landgoed van den heer Kröller’ terug naar Hoenderloo en dan dezelfde weg terug, over 183 kilometer. Er waren 36 deelnemers uit 12 landen. België, Duitsland, Engeland, Hongarije, Italië en Nederland kwamen met het maximum van vier amateurs aan de start. Uit Egypte stond Mohamed Madhour aan de start, maar die moest al heel snel de rest laten gaan en de kansloze strijd staken. Prins Hendrik gaf het startschot. De wedstrijd bleef gesloten tot het einde, waar 23 renners om de wereldtitel spurtte. Hoevenaers werd wereldkampioen, in 5.34.09. Hieronder twee verslagen van de wedstrijd, waarbij in het eerste verslag de glorieuze winnaar slechts in de allerlaatste regels voortkomt en in het tweede artikel helemaal niet. Blijkbaar had de Belg zich in de groep renners goed verstopt en de krachten gespaard. (meer…)
Zo af en toe stuit je op een levensbeschrijving van iemand, waarvan je denkt dat dat dit soort personages slechts bestaan in de fantasie van romanschrijver of scriptschrijvers van twintigdelige Netflix-series. Maar soms heeft zo iemand in het echt bestaan. Zo iemand was Jane Elizabeth Digby (3 april 1807 – 11 augustus 1881), een Engelse aristocraat die in de 19e eeuw een opmerkelijk liefdesleven en uitbundige levensstijl had. Ze had vele minnaars en vier echtgenoten van standing, was daardoor betrokken bij enkele schandalen, had bij enkele van hen kinderen, zes in totaal) en stierf uiteindelijk in 1881 in Damascus, Syrië na een lang en gelukkig huwelijk met een Arabische sjeik die twintig jaar jonger dan zij was.
Ze werd op 3 april 1807 geboren in Holkham Hall, een enorm landhuis (zie hieronder) aan de Noordzeekust in de buurt van het dorpje Holkham (Norfolk) als dochter van admiraal Sir Henry Digby en Lady Jane Elizabeth Coke. Holkham Hall werd eind 18e eeuw gebouwd door Thomas Coke (1697-1759, een grootgrondbezitter, jarenlang parlementslid namens Norfolk en later benoemd tot de eerste Graaf van Leicester. Hij was Jane Digby’s grootvader van moederskant. Het landhuis werd gebouwd in de Neo-Palladiaanse stijl, de Engelse tegenreactie op de barokke stijl die op het continentaal Europa populair was, maar door de Britten werd beschouwd als ‘theatraal, uitbundig en katholiek’. Het Engelse palladianisme kenmerkte zich door een ‘ernstig gebrek aan versiering’. Het uiterlijk van Holkham Hall was geïnspireerd op een grote Romeins paleis en zelfs naar palladiaanse maatstaven sober en verstoken van versieringen. (meer…)
Fort de Bilt in Utrecht werd in de periode 1816-1819 gebouwd als een van de verdedigingswerken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de belangrijk Nederlandse verdedigingslinie die de stad Utrecht en grote delen van Holland moest beschermen. Het fort diende voor het afsluiten van de toegang naar de straatweg tussen Utrecht en De Bilt. In de loop van de 19e en 20ste eeuw werden er een wachthuis (1850), een bomvrije kazerne (1875) en remises en groepsschuilplaatsen gebouwd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte de Duitsers het Fort de Bilt als executieplaats. Tussen 3 mei 1942 en 2 mei 1945 werden hier minstens honderdveertig mannen, vooral verzetsstrijders, gefusilleerd. Ter herinnering daaraan is in het fort een monument, een klokkenstoel, de dodenbunker en herdenkingsstenen aangebracht. Het Herdenkingsmonument van Leo Jungblut. Hij maakte hiervoor een beeld van een rouwende vrouw met aan haar ene zijde een jongen en aan de andere zijde een hond. Het beeld van een treurende vrouw met kind werd vaker gebruikt voor oorlogsmonumenten, als symbool van het onvolledige gezin. Het monument werd op 18 juni 1949 onthuld door de weduwe van een van de verzetsmensen. Op de naamplaten zouden volgens een onderzoek uit 2022 nogal wat fouten te vinden zijn. Jaarlijks vindt bij het monument de herdenking plaats van de omgekomen verzetsstrijders. (meer…)
Mien van Bree (Loosduinen, 24 april 1915 – Den Haag, 4 augustus 1983), in de dertiger jaren van de vorige eeuw, de pionier van het vrouwenwielrennen in Nederland, het vierde van vijf kinderen in een tuindersgezin in Loosduinen. Al op jonge leeftijd was fietsen haar grote hobby. Als gebruikelijke trainingsmethode om haar snelheid op te voeren was het achter bussen aanjagen. Buurman Piet Moeskops, de vijfvoudig wereldkampioen sprint (1921–1926), merkte haar talent op. Moeskops vertelt haar hoe ze moet trainen , hoe ze sterker kon worden en hoe ze wedstrijden moest rijden. Zijn adviezen en complimenten waren voor Mien een extra motivatie om verder te gaan met wielrennen. In die tijd werd het in Nederland afgekeurd dat vrouwen op een racefiets zaten, dus het was bepaald geen voor de hand liggende keuze die ze maakte. Toen ze in later jaren (1938 en 1939) twee maal officieus wereldkampioen bij de vrouwen werd, kon een dagblad bij de mededeling daarvan niet nalaten op te merken: ‘Zouden onze vrouwen niets beters te doen hebben?’ Aan dat soort boodschappen had Mien echter maling. In 1931 stichtte de pas zestienjarige Mien van Bree, samen met enkele vriendinnen, de Haagse damesrennersclub Vooruitgang Is Ons Streven (VIOS), een van de eerste Nederlandse vrouwenwielerclubs. (meer…)
De broers Paolo Andrea Triscornia (Carrara, 1757 – St. Petersburg 1833) en Agostino Maria Triscornia (Carrara, 1761-St. Petersburg, 1824) waren Italiaans-Russische beeldhouwers. Paolo Triscornia had in zijn geboortestad de leiding over de Accademia Carrara. In 1793, in de tijd van Catharina II, opende hij samen met zijn broer Agostino een atelier in St. Petersburg. Voor Paolo bleef de focus van zijn werk liggen in Carrara, waaraan de invloed van Antonio Canova groot was. Agostino bleef in St. Petersburg om de studio te runnen en te bemiddelen bij opdrachten voor zijn broer. Agostino Triscornia werkte daarbij mee aan de inrichting van de Michaelsburg, het Gatchina-paleis, de keizerlijke openbare bibliotheek en het Winterpaleis. In het paleis van Malmaison en van Versailles bevinden zich tal van bustes van de familieleden van Napoleon, die Paolo Triscornia op voordracht van prinses Elisa Bonaparte vervaardigde. Vanaf 1818 werkte Paolo Triscornia in St. Petersburg aan de decoratie van de Taurische Tuin achter het Taurisch Paleis en het Mikhailovsky Paleis. Op verzoek van Russische opdrachtgevers maakte Paolo Triscornia kopieën van beroemde Italiaanse sculpturen, zoals de Dioscuri (1809) voor de arena van de Life Guards te paard in St. Petersburg en de Lions (1810) bij de ingang naar het Lobanov-Rostowski-huis. Hij vervaardigde ook de gebeeldhouwde zuil van de Drie Gratiën, die in 1802 door tsaar Alexander I werd gekocht. Die schonk het aan zijn moeder, tot 1801 de tsarina Maria Feodorovna, waarna het werk werd opgenomen in het Drie Gratiën-paviljoen in Pavlovsk, de klassieke voormalige zomerresidentie van de Russische tsaren, ongeveer dertig kilometer ten zuiden van Sint-Petersburg. Dat paviljoen bevindt zich in het grote landschapspark in Engelse stijl (ruim 600 hectare), die grotendeels uit een ongerept natuurlijk landschap bestaat, iets ten zuiden van het Grote Pavlovsk Paleis. (meer…)
In het tijdschrift Links Richten, dat op het socialistische gedachtegoed was gericht, verscheen in mei 1933 een ‘antifascistennummer’. Niet verwonderlijk, want eind januari 1933 had de Duitse president Paul von Hindenburg op aanraden van de opportunistische Franz von Papen Adolf Hitler benoemd tot rijkskanselier. Von Papen werd zelf vicekanselier en regelde ook dat alleen niet-NSDAP-leden de sleutelposities in het kabinet bekleedden. Hij dacht op die manier die ‘böhmischer Gefreiter‘ in bedwang te kunnen houden. Hindenburg en von Papen gebruikte graag deze denigrerende omschrijving om te illustreren dat ze deze laaggeplaatste persoon uit een onaanzienlijke sociale klasse amper serieus namen. De omschrijving was overigens fout, want Hitler was een Opper-Oostenrijker uit het grensplaatsje Braunau en niet geboortig in het gelijknamige dorp in Bohemen, zoals Hindenburg ten onrechte veronderstelde. Al heel snel namen de nationaalsocialisten de macht in de regering over en werden Von Papen en zijn bondgenoten buitenspel gezet. Daarbij werden ze flink geholpen door de top van het Duitse bedrijfsleven, die op 20 februari 1933 tijdens een geheime bijeenkomst in de ambtswoning van Herman Göring, de president van de Duitse Rijksdag, een bedrag van twee miljoen rijksmark aan de verkiezingscampagne van de NSDAP toezegde. Op 27 februari 1933v werd het Rijksdaggebouw in Berlijn door een brand grotendeels verwoest en nog dezelfde dag werden naar aanleiding van deze Rijksdagbrand door de regering Hitler verregaande maatregelen tegen de communisten genomen. En dag later kondigde Hitler de Reichstagsbrandverordnung af, waarmee de belangrijkste burgerrechten uit de Grondwet van Weimar buiten werking werden gezet. De verordening vormde de juridische basis om tegenstanders van het nationaalsocialisme gevangen te zetten en hun publicaties te verbieden. (meer…)
Willy Lauwers (Hemiksem, 17 april 1936 – Palma de Mallorca, 12 april 1959) was een Belgisch wielrenner uit een grote wielerfamilie. Zijn vader Stan Lauwers (1916-1983) kwam in de periode 1937-1948 als profwielrenner uit voor onder meer de gerenommeerde Franse ploeg Helyett-Hutchinson. Één jaar (1938) kwam ook zijn zes jaar oudere broer Henri Lauwers voor dat team uit, maar die was aanzienlijk minder succesrijk dan Stan, die in 1938 aan de Tour de France deelnam en als 39e eindigde in de eindrangschikking. Willy was dus bijna voorbestemd om ook wielrenner te worden. Hij stond overigens overal bekend als Rupske Lauwers. Die bijnaam dankte hij aan de manier waarop hij fietste, namelijk wiegelend en kronkelend als een rups. Op die manier wist hij zich steeds door de kleinste gaatjes in het peloton naar voren te wringen.
Al in 1954 werd de 18-jarige Rupske tweede in de Scheldeprijs Vlaanderen en in 1956 werd hij 16e in Gent-Wevelgem. In 1957 startte hij het seizoen met een 17e plaats in Milaan-San Remo. Datzelfde jaar won hij op 21-jarige leeftijd samen met Reginald Arnold en Ferdinando Terruzzi de Zesdaagse van Antwerpen. In datzelfde jaar haalde hij ook op de weg aansprekende resultaten. Zo versloeg hij in Leuven in de sprint Gerrit Voorting en in Oudenaarde moest niemand minder dan Rik van Looy hem voor laten gaan. Bij het Belgisch kampioenschap sprinten op de baan werd hij derde. Een geweldige toekomst lag in het verschiet en in 1958 haalde hij opnieuw enkele schitterende overwinningen. Het begon al met een overwinning in de GP Stad Antwerpen, waar hij Rik van Steenbergen en Rik van Looy achter zich liet. Ook op de piste liet hij zich weer zien. (meer…)
Gerrit Mannoury (Wormerveer, 17 mei 1867 – Amsterdam, 30 januari 1956) was een Nederlandse wiskundige en filosoof die ook sociaal bewogen en politiek actief was. Mannoury heeft belangrijke bijdragen geleverd op het gebied rond de formele wetenschap, de grondslagen der wiskunde, de symbolische logica en de leer der significa. Op 8 augustus 1907 trad hij in het huwelijk met Elizabeth Maria Berkelbach van der Sprenkel, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg.
Hij was de zoon van scheepskapitein Gerrit Mannoury. In 1870, toen hij nog maar drie jaar oud was, overleed zijn vader in China. Zijn moeder keerde daarna met de drie kinderen terug naar Nederland en vestigde zich in Amsterdam. Omdat het gezin het bepaald niet breed had, werden de kinderen voor een belangrijk deel opgevoed door de tantes die in Wormerveer een melkwinkel hadden. Met een beurs van de gemeente Amsterdam kon Gerrit Mannoury naar de Hoogere Burger School (HBS), waar hij in 1885 zijn diploma haalde. Drie maanden later legde hij ook met succes het onderwijzersexamen af. Omdat hij in zijn eerste betrekkingen aan de Openbare Handelsschool en enkele lagere scholen in Amsterdam problemen had met de handhaving van de orde in de klas, gaf het lesgeven hem aanvankelijk weinig plezier. Pas na enkele jaren wist hij zijn didactische en pedagogische kwaliteiten te ontwikkelen en werd een goede en geliefde leraar. In die tijd haalde hij door middel van avondstudie de middelbare onderwijsaktes voor wiskunde, boekhouden en mechanica. (meer…)
78e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD
Salomon was volgens de Bijbel een zoon en de opvolger van koning David en daarmee de derde en laatste koning van het Verenigd Koninkrijk Israël. Volgens de Talmoed was hij een van de 48 profeten. Hij zou door David zijn verwekt toen deze Bathseba troostte na het overlijden van hun zoon die uit hun overspel was geboren. Toen Davids troonopvolging aan de orde kwam, liet Adonia, een halfbroer van Salomon, weten aanspraak op de troon te doen. Hij liet een groot feest houden, wat tot het gerucht leidde dat Adonia tot koning was uitgeroepen, buiten medeweten van David. De profeet Natan vertelde dit aan Bathseba, die vervolgens aan David vroeg hoe het zat met zijn belofte dat Salomon de troonopvolger zou zijn. De profeet Natan deed dit vervolgens ook. David gaf toen instructies om Salomo te zalven tot koning. Adonia erkende dit koningschap, maar werd door Salomon niet ten onrechte gezien als een bedreiging. Salomon gaf zijn generaal Benaja opdracht om Adonia te executeren en verordende ook een bloedige zuivering van personen van wie Salomon vreesde dat zij een bedreiging voor zijn macht konden zijn of worden. Dat was conform de instructies van David, die op zijn sterfbed aan Salomon een soort dodenlijst had gegeven. Salomon zou de daaropvolgende jaren dat lijstje consequent afwerken. (meer…)
.
Op 19 april 1896 ging de eerste editie van de wielerwedstrijd Parijs-Roubaix van start over 280 kilometer. De renners werden toen nog gegangmaakt door auto’s of motoren. Slechts 28 renners wisten de eindstreep te halen. Eerste werd Josef Fischer, de vier jaar later ook de monsterkoers Bordeaux – Parijs op zijn naam wist te brengen. Tot 2015, toen John Degenkolb de klassieker won, was Fischer de enige Duitse renner die de kasseienklassieker wist te winnen.
In het eerste deel van de serie is ingegaan op het verhaal over Judith en Holofernes, uit het deuterocanonieke/apocriefe boek Judith. Dat verhaal was waarschijnlijk weer gebaseerd op een Aramees origineel van 100 v.Chr. De stad Betulia werd belegerd door de legendarische Holofernes, een gevreesd legeraanvoerder, die van Nebukadnessar II, de machtigste koning van het Nieuw-Babylonische Rijk, de opdracht kreeg de hele wereld te veroveren. Het enorme Assyrische leger trekt naar het westen en lijkt onoverwinnelijk. Judith, een rijke, vrome en aantrekkelijke weduwe, wist de stadsbestuurders ervan te overtuigen op God te vertrouwen en de stad niet over te geven. Samen met een bediende trok ze naar de Assyrische legerkamp, waar ze Holofernes weet te verleiden en uiteindelijk te onthoofden. De bediende nam het hoofd in een reiszak mee terug naar Betulia, waar het op de stadsmuur tentoon werd gesteld. Het Assyrische leger slaat op de vlucht, op de hielen gezeten door de Joodse belegerden. Het dramatische en bloederige verhaal werd rond 1600 door veel kunstenaars opgepakt, in de periode dat de katholieke kerk in felle strijd was met het protestantisme en een moord in het kader van de bestrijding van ketterij niet als een misdaad maar als een heroïsche, bijna heilige daad werd gezien. Italiaanse schilders als Donatello, Michelangelo, Botticelli en Caravaggio (tweede deel) schilderde de gruweldaad, in de Nederlanden maakte Rembrandt er een lang onbegrepen versie van (vierde deel) en in de loop der eeuwen maakte vele andere kunstenaars er hun interpretatie van, tot op de huidige dag (derde deel). (meer…)
.
The Judgement of Paris
by Peter Paul Rubens, 1632-1635
National Gallery London
Eris, goddess of discord, was the only immortal not invited to an important wedding. Furious at being left out, she threw a golden apple inscribed ‘To the Fairest’ among all the goddesses at the feast. Three claimed the title – Minerva, Juno and Venus. Jupiter, chief of the gods, declared that Paris should be the judge. The young man had been raised as a shepherd, but was actually a prince of Troy. It is this moment of choice that Rubens has depicted: Paris hands the golden apple to Venus, goddess of beauty, in the centre. The goddesses had all cheated. Juno offered Paris wealth and power, Minerva offered wisdom and strength. Venus promised him the most beautiful woman in the world, Helen of Sparta – an irresistible gift. In the clouds above their heads is the implacable Fury, Alecto. In a jealous rage, Juno commanded her to destroy the Trojans. She caused Paris to abduct Helen, and the famous Trojan War began.
Georges Lemaire (Pepinster, 3 april 1905 – Ukkel, 29 september 1933) was een Belgisch wielrenner, die in pas in 1928 op 23-jarige leeftijd wat op de voorgrond trad. Als onafhankelijk renner haalt hij twee ereplaatsen in koersen in Luxemburg. In 1929 wordt hij bij de Onafhankelijken totaal onverwachts Belgisch kampioen. Het leverde hem een profcontractje op voor het bescheiden Franse ploegje Batam – As des As, maar het jaar daarop is hij opnieuw onafhankelijk renner. Voor 1930 en 1931 staan geen zeges voor hem geregistreerd. In 1932 had hij weer onderdak gevonden, nu als beroepsrenner bij een bescheiden Belgisch ploegje Wendels – Jenatzy. Dat leverde hem enkele mooie resultaten op in Frankrijk en België. Het succesvolle voorseizoen werd op 12 juni 1932 beloond door opnieuw Belgisch wegkampioen te worden, ditmaal bij de beroepsrenners. In 1932 maakte hij ook zijn debuut in de Tour de France, waar hij een van de tachtig renners was om de 4.520 kilometer naar Parijs te overbruggen. Hij werd uiteindelijk vijftiende in de eindrangschikking, op 1.19.18 van de Franse winnaar André Leducq. Opvallend is dat Lemaire in 16 van de 21 etappes bij de eerste vijftien van het dagklassement wist te eindigen. In 1932 en 1933 haalde hij mooie ereplaatsen in de klassiekers Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken‑Luik en Parijs-Brussel. (meer…)
Al in 1944 werd het Centraal Comité van Poolse Joden in Lublin besloten om in Warschau een monument te bouwen om de partizanen van het Joodse getto te herdenken. Het eerste deel van het monument werd ontworpen door architect Leon Suzin (1901-1976) en werd onthuld op 16 april 1946. Het werd geplaatst op het plein dat wordt begrensd door de Anielewicza-straat, Karmelicka-straat, Lewartowskiego-straat en Zamenhofa-straat. Op dat plein bevond zich van augustus 1942 tot het einde van het getto de laatste locatie van de Judenrat. Het bestond uit een kleine cirkelvormige gedenksteen met een palmblad, een Hebreeuwse letter B en in het Hebreeuws, Pools en Jiddisch de inscriptie: ‘Voor degenen die vielen in een ongekende en heroïsche strijd voor de waardigheid en vrijheid van het Joodse volk, voor een vrij Polen, en voor de bevrijding van de mensheid. Poolse Joden’. Het werd gedeeltelijk gemaakt van labradorietsteen, die in 1942 door Albert Speer naar Warschau waren gebracht voor zijn geplande werken op het voormalige getto te bouwen.
Met de plaatsing werd ook besloten in de toekomst een groter monument te bouwen. Suzin werkte samen met de beeldhouwer Natan Rapaport (1911-1987) aan het ontwerp van het tweede monument, dat op 19 april 1948 zou worden onthuld. Dit nieuwe en aanzienlijk grotere Helden van het Getto-monument heeft een elf meter hoge muur die zowel de muren van het getto als de Klaagmuur in Jerusalem verbeeldt. Op het westelijk deel van het monument staat een bronzen groepsbeeld van opstandelingen. Mannen, vrouwen en kinderen, met ZOB-commandant Mordechaj Anielewicz als centrale figuur. Op het oostelijke deel wordt de Jodenvervolging door de nazi-Duitsland verbeeldt. Het drietalige bord heeft de tekst: ‘De Joodse natie voor zijn strijders en martelaren’. (meer…)
Al onmiddellijk na de Duitse bezetting van Polen in september 1939 ontstonden er plannen om de Joodse bewoners van de Poolse hoofdstad en de aangrenzende buitengebieden van de overige bevolking te isoleren. De Judenrat in Warschau, onder leiding van Adam Czerniaków (1880-1942), kon de oprichting van het getto echter met een jaar te vertragen, vooral door het leger erop te wijzen hoe waardevol Joden als werkkrachten waren. Hij had daarbij het geluk dat in het eerste jaar binnen het Duitse Generalgouvernement drie partijen elkaar beconcurreerden: de burgeroverheid, het leger en de SS. Op 16 oktober 1940 verordonneerde Hans Frank, de Duitse gouverneur-generaal, dat in Warschau een getto werd opgericht in dat deel van de stad waar traditioneel veel Joden woonden. Alle niet-Joden moesten de wijk verlaten en de vrijgekomen plaatsen moesten worden ingenomen door Joden die elders in de stad woonden. Czerniakóws Judenrat kreeg over het getto de administratieve leiding en plicht te zorgen voor uitvoering van alle Duitse bevelen. Bij de oprichting woonden in het getto, dat slechts 2,4% van het grondgebied van Warschau had, ongeveer 380.000 personen, wat neerkwam op ongeveer 30% van de bevolking van Warschau. Het getto van Warschau was daarmee het grootste Joodse getto opgericht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 16 november 1940 werd rond het getto een muur van drie meter hoog gebouwd om de Joden nog verder van de Poolse bevolking af te scheiden. De Duitsers en Poolse politie controleerden de toegang tot hert getto; binnen het getto was de ordehandhaving in handen van dezelfde twee politiekorpsen, plus de Jüdischer Ordnungsdienst, die bestond uit bijna 2.000 door de nazi’s aangestelde Joden. (meer…)
Herman Ponsteen (Nijverdal, 27 maart 1953) was van 1978 tot 1982 een profwielrenner, die vooral als baanwielrenner furore maakte. Als amateur werd hij enkele malen kampioen op de achtervolging, de tijdrit en de tandem en in deze disciplines haalde hij ook bij de wereldkampioenschappen diverse medailles. Tijdens de Olympische Zomerspelen 1976 in Montreal (Canada) won hij op de achtervolging een zilveren medaille. De Engelse sportjournalist Ed Hood stelde in een artikel over Herman Ponsteen in PEZ Cycling News dat Ponsteen gezien zijn vele, jarenlange medailles en ereplaatsen op het allerhoogste niveau had verdiend minimaal een keer de regenboogtrui te hebben veroverd. Ponsteen vestigde in zijn carrière ook een wereldrecord op de 5 kilometer en werd Nederlands kampioen over 50 km, maar de details over locatie en tijd zijn vreemd genoeg nergens meer te vinden. De journalist Gijs Eijsink schreef in 2014 voor Wieiswieinoverijssel onderstaand artikel over Herman Ponsteen.
Herman Ponsteen is op 27 maart 1953 geboren in Nijverdal. Toen hij veertien jaar was begon het wielerleven zoals zo vaak destijds met het winnen van wilde koersen in Nijverdal, Rijssen en andere omliggende plaatsen. Eind 1967 werd hij lid van de Zwaluwen in Almelo, een succesvolle vereniging die bekend stond om de goede begeleiding van jonge renners. Bij de aspiranten en nieuwelingen won de jonge Ponsteen zijn wedstrijden, werd als amateur lid van de Mars Flandria ploeg, de Mars Gazelle ploeg en reed later nog voor Amstel Bier en Batavus. Als wielrenner was hij harder voor zichzelf dan in het gewone leven, zo vertelde hij een tijd geleden in de Twentsche Courant Tubantia. ‘Ik was niet zo’n opvallend persoon. Een beetje gelaten, ik zag het allemaal wel op me af komen’, zei hij. Ponsteen reed op de weg en de baan en behoorde tot de Batavusploeg. (meer…)
Jürgen Stroop (Detmold, 26 september 1895 – Warschau, 6 maart 1952) gaf als SS-Gruppenführer leiding aan het gewelddadig neerslaan van de opstand in het getto van Warschau van 19 april 1943 tot 16 mei 1943. Hij werd geboren als Josef Stroop, als zoon van een politiecommandant uit Lippe. Zijn moeder was een gelovige rooms-katholieke vrouw (zijn voornaam wijst daar op), terwijl de beide ouders overtuigde monarchisten waren. Zijn vader hoopte dat zijn zoon altijd trouw Leopold IV, de prins van Lippe, zou dienen. Leopold werd vanwege de Novemberrevolutie net als alle andere Duitse vorsten gedwongen op 12 november 1918 af te treden. Hij mocht echter het familieslot behouden, waar de familie Lippe-Biesterfeld nog steeds woont. Leopolds zoon Chlodwig was aanvankelijk een huwelijkskandidaat voor prinses Juliana, maar omdat hij daar geen belangstelling voor had, viel de keuze vervolgens op zijn neef Bernhard von Lippe-Biesterfeld.
Josef Stroop ging in zijn geboortestad naar de lagere en middelbare school en ging daarna werken bij het kadaster. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, meldde de negentienjarige Stroop zich als vrijwilliger. Hij diende in enkele infanterieregimenten aan het westelijk front en vervolgens aan het oostelijk front en in Roemenië. Gedurende de oorlog klom hij op tot de rang van Vizefeldwebel, de laagste officiersrang in het toenmalige Duitse leger. Na zijn ontslag uit actieve dienst eind november 1918 keerde Stroop terug naar zijn baantje bij het kadaster in Detmold. Daar bleef hij werken tot 1933. In 1923 trouwde hij en werd vader van drie kinderen. Zijn zoon Jürgen zou in het begin van de oorlog overlijden, waarna Josef Stroop op 9 mei 1941 zijn katholieke voornaam ‘vanwege ideologische opvattingen’ en ter nagedachtenis aan zijn overleden zoon van Josef in Jürgen veranderde. (meer…)
Op 5 maart was het zeventig jaar geleden dat Joseph Stalin stierf. Als leider van de USSR van 1924 tot aan zijn dood in 1953 vestigde hij een totalitair regime, lokte massale hongersnood met miljoenen slachtoffers uit en veroorzaakte de Grote Terreur. Zijn heerschappij wordt door de meeste Sovjetburgers echter vooral herinnerd door de overwinning in de Grote Patriottische Oorlog. In de moderne Russische politiek is Stalin alweer tijdenlang aanwezig en nadat Rusland zijn grootschalige oorlog tegen Oekraïne begon, lijkt het tempo van herstalinisatie te zijn versneld. In februari 2023 werd bijvoorbeeld (tijdelijk) de stad Volgograd hernoemd in Stalingrad en werd er een nieuw monument voor ‘De Leider’ geïnstalleerd. In een eerder artikel ‘Bolsjewistische politiek was oorlogvoering’ uit Meduza, een vanuit Riga (Letland) opererende onafhankelijk Russisch weblog, ging professor Ronald Grigor Suny (historicus en politicoloog aan de Universiteit van Michigan; auteur van verschillende boeken over Stalin en het stalinisme, over Stalins politiek, zijn opkomst aan de macht in de eerste jaren van de USSR en de nalatenschap van het stalinisme) al in op Stalins erfenis. Door Novaya Gazeta, een ook vanuit Riga opererende Russische tweetalige krant, werd Andrea Graziosi, een Italiaans historicus en expert op het gebied van stalinisme, geïnterviewd. De centrale vraag was waarom Poetin de figuur van Stalin en stalinistische praktijken nodig heeft, wat ze te maken hebben met Oekraïne en hoe dat het leven onder dictatuur de Sovjet- en Russische samenleving heeft beïnvloed . (meer…)
Willy Abbeloos (Opwijk, 20 maart 1949) was in de periode 1971-1976 een Belgische beroepswielrenner met een uiterst bescheiden palmares. Niet verwonderlijk vanwege zijn knechtenrol voor de 4 ploegen waarvan hij deel uitmaakte: Hertekamp-Magniflex (1971), Van Cauter-Magniflex-De Gribaldy (1972), Watney-Maes (1973-1975) en Maes-Rokado (1976). Die knechtenrol zat er op voorhand al in, want in zijn amateurtijd haalde hij slechts één overwinning op 11 juli 1970 in Wanfercée-Baulet in de buurt van Charleroi. Best een prestigieuze overwinning trouwens, maar daar bleef het bij. Er staan verder een paar podiumplaatsen in bescheiden koersen op zijn naam.
In 1972 startte de neoprof namens de ploeg van De Gribaldy in de Ronde van Frankrijk (65e), Gent-Wevelgem (57e) en de Ronde van Vlaanderen (58e). De grote mannen in die ploeg waren het Belgische sprintkanon Rik van Linden en de Portugees Joaquim Agostinho. Ook Rik van Linden maakte in de Ronde van Frankrijk van 1972 zijn debuut en maakte zijn reputatie direct waar. Als amateur had hij al 359 koersen gewonnen en in de Tour won hij direct de tweede etappe en werd na de ongenaakbare Eddy Merckx tweede in het puntenklassement. Abbeloos zal de taak hebben gehad te zorgen dat het peloton voor de dagoverwinning kon sprinten en daarvoor Van Linden zo goed mogelijk af te zetten. Joaquim Agostinho was in 1971 al verrassend vijfde geworden in de Tour en zou in 1972 en 1973 als achtste eindigen. Hij werd in 1972 ook derde in het bergklassement en de ploeg De Gribaldy eindigde als tweede in het ploegenklassement. Al met al dus een succesvolle Tour voor Abbeloos die zijn knechtswerk goed beloond ziet. In het naseizoen haalt hij ook nog twee profzeges. (meer…)
77e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD
Paris was in de Griekse mythologie een zoon van de Trojaanse koning Priamus en diens gemalin Hekabe. Hij heeft de twijfelachtige eer dat door zijn foute keuze in het zogenaamde Parisoordeel zijn geslacht en vaderstad te gronde ging. Zijn vader Priamus is vooral bekend gebleven uit de Ilias van Homerus als de laatste koning van de stad Troje. Volgens Homerus had Priamus maar liefst 62 kinderen bij zijn vele vrouwen, waarvan negentien zonen en twaalf dochters bij zijn favoriete vrouw Hekabe. Deze Hekabe, de laatste koningin van Troje, verloor door de Trojaanse Oorlog haar echtgenoot en kinderen en werd door Odysseus in slavernij afgevoerd. Ze werd hierdoor in de oudheid het symbool van diepe smart. Ook in Europa werd Hekabe later de belichaming van een rouwende moeder en vrouw, een oorlogsslachtoffer dat eens alles had en dan niets meer. Dante vermeldt dat het verdriet om de lijken van haar laatste dode kinderen haar geest zozeer had verwrongen dat ze was beginnen blaffen als een hond. Shakespeare laat Hamlet een bespiegeling maken over treurspelen wanneer een acteur om haar in huilen uitbarst.
Over Paris werd al voor zijn geboorte voorspeld dat dor hem rampen over de stad zouden komen. Toen Hekabe van hem zwanger was, droomde ze een keer dat ze een brandende fakkel baarde, die langzaam een enorme vlam werd die de hele stad is as legde. Priamus liet waarzeggers en droomuitleggers raadplegen, die verklaarden dat als de zon die Hekabe zou baren zou blijven leven hij zijn stad in het verderf zou storten. Direct na Paris geboorte gaf zijn vader de baby mee aan dienaren met de opdracht hem om te brengen of in het bos te vondeling te leggen. De jonge Paris werd daarna op de bosrijke top van het naburige Idagebergte achtergelaten met de gedachte dat hij snel door honger of verscheurende dieren zou sterven. De baby werd echter gezoogd door een berin en de herder die hem vond voedde hem daarna op als zijn zoon, die hij de naam Paris gaf. Hij groeide er op tot een krachtige herder die zorgde voor de koninklijke kudden op de berg. (meer…)
Op 5 maart was het zeventig jaar geleden dat Joseph Stalin stierf. Als leider van de USSR van 1924 tot aan zijn dood in 1953 vestigde hij een totalitair regime, lokte massale hongersnood uit, veroorzaakte de Grote Terreur en leidde de Sovjet-Unie naar de overwinning in de Tweede Wereldoorlog. Meduza, een vanuit Riga (Letland) opererende onafhankelijk Russisch weblog, had een interview met professor Ronald Grigor Suny, een historicus en politicoloog aan de Universiteit van Michigan, en auteur van verschillende boeken over Stalin en het stalinisme, over Stalins politiek, zijn opkomst aan de macht in de eerste jaren van de USSR en de nalatenschap van het stalinisme, die zich laat omschrijven als ‘Bolsjewistische politiek was oorlogvoering’.
Wie was Stalin vóór de revolutie van 1917?
Stalin werd geboren als een zeer arm persoon en hij ontwikkelde zich na verloop van tijd tot wat ik een outlaw zou noemen. Hij begon als een relatief religieus persoon, als een jonge man. Hij was een romantische dichter. Hij schreef gedichten in het Georgisch die als redelijk goed werden beschouwd. Hij ging naar het seminarie volgens de instructies en verlangens van zijn moeder. En toen raakte hij in dat seminarie, dat in sommige opzichten meer revolutionairen dan priesters voortbracht, vervreemd van het tsaristische regime en van de kerk en nam hij de lokale dissidente ideologie in zich op, wat een soort marxisme was. Vreemd genoeg was er in Georgië, in plaats van dat nationalisme de dominante aantrekkingskracht was op jonge mensen in de jaren 1890, een zeer machtige en invloedrijke marxistische beweging onder leiding van een man genaamd Noe Žordania. En Stalin werd onderdeel van die beweging. Maar als jonge man was hij behoorlijk militant. Hij had zijn eigen verlangens. Hij was een ruige kerel, een soort straatvechter, en uiteindelijk werd hij aangetrokken tot de meer militante vleugel van de sociaal-democratie in het tsaristische Rusland, dat wil zeggen het bolsjewisme. Er waren aspecten van zijn revolutionaire ervaring vóór 1917 die al vooruitgaven van het soort persoon dat hij zou zijn. Hij was een manipulator, hij was pragmatisch, hij was machiavellistisch, hij deed alles om de zaak te bevorderen. En hij identificeerde zich met die oorzaak. Er was bij Stalin dus altijd die vreemde combinatie van de behoefte om een revolutie te creëren en om zichzelf te promoten. (meer…)
Op zaterdag 9 oktober 2022 overleed in Alkmaar op 81-jarige leeftijd de oud-wielrenner Cees Lute, een dag nadat zijn generatiegenoot Gerben Karstens overleed. Cees Lute (Castricum, 13 maart 1941 – Alkmaar, 9 oktober 2022) was profwielrenner van 1961 tot 1968, een tamelijk korte periode met bescheiden successen. In Als je de Tour niet hebt gereden (deel 1), waarin in drie delen alle Nederlandse deelnemers aan de Tour worden beschreven, schreef de wielerjournalist Fred van Slogteren het volgende portret over hem.
“Een Flandrien is een begrip uit de Vlaamse wielersport. Straatarme jongens die voor de Tweede Wereldoorlog als werkloze de koersfiets als enige mogelijkheid zagen om zich uit de bittere armoede te verheffen. Hele boeken zijn er over volgeschreven met het opschrift Made in Flanders. Toch heeft ook ons land zijn Flandriens voortgebracht. Vele zelfs, tot in de jaren vijftig aan toe. Zoals Cees Lute uit Castricum, een boeren- en tuindersdorp aan de Noord-Hollandse kust. Het gezin waaruit hij is voortgekomen, was niet extreem arm, want vader had werk in de grote papierfabriek aan het Noordzeekanaal en verdiende zelfs twee maal zo veel als de buurman. Wat niet wilde zeggen dat het thuis een vetpot was, want er moesten dagelijks negen monden worden gevuld. Zijn ouders waren vroom katholiek en vanwege de wens van de Heer en meneer pastoor werd in de echtelijke sponde gedisciplineerd gewerkt om het kindertal te vergroten. Als vader niet op de fabriek was, dan schoffelde hij in zijn moestuin en koesterde het gewas waar ze met z’n elven van moesten eten. Als het weekloon was verdeeld, was er nauwelijks iets over voor leuke dingen voor de mensen, het adagium van de nog piepjonge Joop den Uyl, die dat pas hardop durfde zeggen toen er begin jaren zestig in Groningen een gigantisch aardgasveld werd ontdekt. Dat luidde het begin van de welvaart in, waar Ceesje Lute, de oudste van het negental, nooit eerder over had horen spreken. (meer…)
Timothy W. Ryback is een Duits-Amerikaans historicus en wetenschapper. Hij was een tijd directeur van het Institute for Historical Justice and Reconciliation (IHJR) in Den Haag, een instituut dat onderzoek doet naar historische multi-etnische problemen. Daarvoor werkte hij voor de Académie Diplomatique Internationale in Paris, het Oostenrijkse Salzburg Global Seminar en Harvard University. Ryback heeft een aanzienlijk aantal publicaties op zijn naam staan voor gerenommeerde Amerikaanse historische bladen en kranten. In 2008 publiceerde hij Hitler’s Private Library: The Books That Shaped His Life, dat ook in een Nederlandse vertaling verscheen. Hij maakte daarbij gebruik van de lijst met honderden titels van boeken uit de privécollectie van de Führer, compleet met de aantekeningen die Hitler in die boeken had gemaakt. Die lijst was vlak daarvoor opgedoken in de Library of Congress in Washington. Timothy Ryback onderzocht hoe Hitlers intellectuele ontwikkeling was verlopen en hoe bepaalde formuleringen en ideeën uit die boeken terechtkwamen in zijn geschriften, toespraken, gesprekken, denken en activiteiten. Ryback is gefascineerd door he concentratiekamp Dachau. In 1999 maakte hij er in opdracht van The New Yorker een reportage over de vraag hoe de inwoners kunnen leven met het verleden van het stadje, dat het eerste concentratiekamp van de nationaalsocialisten had en ruim twaalf jaar een epicentrum was van Teutoons geweld en wreedheid. Hier verrezen de eerste crematoriumovens en eerste gaskamer en werden de eerste medische experimenten met menselijke wezens uitgevoerd. Hij kwam er in contact met Martin Zaidenstadt, een Poolse jood die in 1942 in het kamp terecht kwam en sindsdien in Dachau is blijven wonen om dagelijks bij het kamp aan bezoekers te getuigen over de gruwelijkheden die er hebben plaatsgevonden. In 1999 publiceerde Ryback hierover The Last Survivor: In Search of Martin Zaidenstadt. In 2014 verscheen van hem Hitler’s First Victims: The Quest for Justice, dat ingaat op de eerste slachtoffers in het kamp in april 1933. Het boek verscheen in 2015 in een Nederlandse vertaling met een wat misleidende ondertitel, waarop nog wordt teruggekomen. (meer…)
Servais Knaven (Lobith, 6 maart 1971) was professional wielrenner van 1994 tot en met 2010 en aansluitend tot eind 2022 ploegleider bij het Britse Team Sky. De bakkerszoon uit Lobith had als renner een lange carrière als knecht voor verschillende ploegen, met één deelname aan de Giro, negen maal aan de start in de Tour de France en vier startplaatsen in de Vuelta. Steeds eindigden die deelnames van de knecht in een plaats achterin de rangschikking of in een opgave. Knaven koerste immers niet voor zeges en ereplaatsen. Dat gold ook voor zijn vele deelnames aan alle wielerklassieker, maar dan kon hij af en toe voor eigen succes gaan. Zo’n enkele keer eindigde hij dan in de top-10. Zijn allergrootste overwinning haalde hij in 2001 in de 99ste editie van Parijs-Roubaix, een klassieker die hij tussen 1995 en 2010 elk jaar uitreed en met die 16 opeenvolgende deelnames mederecordhouder is. De fiets waarop Knaven de koers won werd niet schoongespoten maar in een Amsterdamse winkel tentoongesteld. Eind 2010 stopte Servais Knaven nog redelijk onverwachts als renner en liet dus de gelegenheid alleen recordhouder te worden dus schieten. Marcel Wuyts schreef in April 2020 voor Sporza onderstaand artikel over de helse kasseienrit in 2001:
. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen, waarvan de Vlaamse journalist en schrijver August Snieders in 1872 in zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, uitgebreid verslag deed.
Snieders maakt in zijn verslag melding van een telegram dat keizer Napoleon III (1808-1873) op 2 augustus 1870 naar keizerin Eugénie (1826-1920) had gestuurd en tot haar grote ontevredenheid ook onmiddellijk openbaar had gemaakt. Deze Spaanse gravin Eugénie de Montijo, die voluit de indrukwekkende titel had van María Eugenia Ignacia Augustina Palafox de Guzmán Portocarrero y Kirkpatrick, 9e gravin van Teba, zou de laatste keizerin van Frankrijk worden. Ze had een indrukwekkend en lange stamboom, dit in tegenstelling tot die van haar echtgenoot waarvan de familie tot 1795 slechts een bescheiden rol speelde in Genua en Corsica. Theresia werd van jongsaf opgevoed om in hoge kringen te verkeren en frequenteerde alle bals en evenementen on een geschikte echtgenoot aan de haak te slaan. (meer…)
Giovanni Battista Costa (1833–1893) werd op 12 mei 1833 in Livorno geboren. Hij begon zijn artistieke opleiding in Livorno bij Guiseppe Baldini, die ook de eerste leermeester was van Giovanni Fattori (1825-1908), een van de leiders van de Italiaanse impressionistische Macchiaioli-groep. Costa ging daarna naar Pisa, waar hij de fresco’s van Benozzo Gozzoli in de Camposanto kopieerde. In 1858 verhuisde hij naar Florence, waar hij de Academie volgde onder leiding van Enrico Pollastrini. Die legde op dat moment de laatste hand aan zijn Il trasporto di s. Caterina d’Alessandria voor een kerk in Livorno, waaraan Pollastrini tussen 1837 en 1861 werkte. In 1859 deed Costa mee aan de Ricasoli-wedstrijd, een nationale schildercompetitie die werd georganiseerd door de regering van Bettino Ricasoli, voor de sector ‘Militaire episodes van de laatste oorlog’. Costa won de eerste troostprijs, een bedrag van dertig franciscanen. Vanaf dat moment exposeerde Costa regelmatig, aanvankelijke vooral met religieuze onderwerpen maar vanaf omstreeks 1870 werd zijn aandacht verlegd naar historische verbeeldingen, genrestukken en talloze schilderijen over het oude Rome en de mysterieuze Oriënt. In 1879 schilderde hij zijn Odalisk met rode waaier, dat direct werd aangekocht door de Milanese Vereniging ter Aanmoediging voor Schone Kunsten. Een tot de verbeelding sprekend werk dat door veel schilders werd gekopieerd. In 1888 werd het schilderij tentoongesteld op de internationale tentoonstelling in München, waarvoor in de catalogus een gravure van het schilderij werd opgenomen. Vanwege het ontbreken van een foto of zelfportret van Giovanni Battista Costa is die in de kop van het artikel opgenomen. Hij exposeerde later ook in Zuid-Amerika en Japan. In 1875 werd hij, samen met de architect en restaurateur Giuseppe Castellazzi (1834-1887) en de beeldhouwer Giovanni Paganucci (1827-1889), door de Japanse regering uitgenodigd om in Tokio een school voor schone kunsten op te richten en daar schilderlessen te gaan geven. De Italiaanse kunstenaars accepteerden dit voorstel niet, waarschijnlijk vanwege de lage vergoeding die hen werd geboden. Op 6 december 1893 overleed Costa in Florence na een langdurig ziekbed. (meer…)
Roger De Pauw (Antwerpen, 27 februari 1921 – Brasschaat, 3 augustus 2020) is weer zo’n totaal vergeten renner en gezien zijn zeer bescheiden palmares is daar wel wat voor te zeggen. Hij had natuurlijk de pech dat hij 19 jaar was toen de oorlog uitbrak en hij pas op 24- of 25-jarige leeftijd echt kon beginnen aan een ‘wielercarrière’. Zo ver te achterhalen valt behaalde slechts hij één overwinning. In 1952 won hij een dernycriterium in Wilrijk. Dat was toen nog een zelfstandige gemeente, maar hoort momenteel tot de gemeente Antwerpen. Kan dus goed beschouwd worden als een thuiswedstrijd voor Roger. In 1953 haalde hij met zijn Franse ploegmaat Raphaël Glorieux een eervolle derde plaats in de koppelkoers Houlier-Comés, die tussen 1926 en 1958 in de Parijse wintervelodroom werd verreden als eerbetoon aan de Franse renners en schoonbroers Léon Comès en Léon Hourlier, die als Franse militairen op 16 oktober 1915 samen met zijn schoonbroer Léon Hourlier met hun vliegtuig waren verongelukt. Zijn meest gememoreerde prestatie is de vijfde plaats die hij samen met Louis Van Schil tijdens de Olympische Spelen in Londen in 1948 behaalde op het onderdeel Tandem-sprint 2.000 meter. Een discipline die ook al lang tot het verleden hoort. Het goud werd behaald door de Italianen Renato Perona en Ferdinando Terruzzi, die in de finale de Britten Alan Bannister en Reg Harris versloegen (zie afbeelding boven). Een Frans tweetal (Gaston Dron en René Faye) veroverde de derde plaats door de Zwitsers Jean Roth en Max Aeberli te verslaan. In de rangschikkingen eindigden de volgende vier teams (België, Denemarken, Nederland en Verenigde Staten) op de gezamenlijke vijfde plaats. De lijst werd gecomplementeerd met Oostenrijk (9e) en op de 10e en laatste plaats Argentinië. Er is geen enkel beeld van Roger de Pauw bewaard gebleven, slechts een filmpje zonder commentaar laat de finalewedstrijd zien. (meer…)
76e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD
Adolf Ziegler (Bremen, 16 oktober 1892 – Varnhalt, 11 september 1959) was een Duitse schilder en politicus. Zijn vader was architect en ook aan moederszijde had men enkele architecten, zodat de jonge Ziegler altijd omringd werd door kunstenaars. Vanaf 1910 studeerde Ziegler aan de Academie voor Schone Kunsten München bij Max Doerner (1870-1939), een kunstschilder en restaurator die voor ambachtelijke kunstschilders een handboek had geschreven waarin de technieken werden beschreven om verf te gebruiken en behandelen. Zijn opleiding werd verstoord doordat hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog aanmeldde voor actieve dienst. Na de oorlog pakte hij in 1919 zijn studie in München weer op en volgde toen lessen bij de art nouveau-kunstenaar Angelo Jank. Er is weinig bekend over het vroege werk van Ziegler, maar gezien zijn leermeester omstreeks 1920 mag het niet verbazen dat hij in die periode modernistische schilderijen maakte. De kunstcriticus en museumdirecteur Alois Schardt, in november 1933 door de nazi’s op non-actief gezet, zei eind jaren dertig vanuit zijn nieuwe domicilie Los Angeles dat Ziegler ‘… in vroegere tijden een moderne schilder en een ijverig bewonderaar was van de werken van Franz Marc….Zijn transmutatie verliep langzaam…voordat hij deze positie innam, was hij een van de meest extreme moderne schilders, maar een van inferieure rang.’ Er zijn echter geen vroege werken bewaard gebleven. Na zijn contacten met de nationaalsocialistische beweging ruilde hij zijn moderne stijl in voor een representatieve en realistische stijl die zijn geestverwanten waardeerden. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen.
De Vlaamse journalist en schrijver August Snieders (1825-1904) publiceerde in 1872 zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, waarin onderstaande weergave van de inname van Saarbrücken:
De operatiën tegen Saarbrucken hadden, doch zonder goed gevolg, aanvang genomen, toen de keizer, vergezeld van zijn zoon, den 2den Augustus uit Metz naar Forbach vertrok en vervolgens naar Saarbrucken – een Pruisisch grensstadje, met ongeveer 10.000 inwoners, nijverig en welvarend, bloeiend, op den linkeroever der Saar gelegen en met eene brug aan de voorstad St.-Johann verbonden. Het prachtige bosch van Forbach; eene reeks van groene bergruggen; welige tuinen, die zich, van de hoogten gezien, als groote bloemtuilen voordoen; schaduwrijke wandelingen; de groepen huizen en monumenten der stad, door het daar bevaarbaar wordende water als omslingerd; de kolenmijnen en wijngaarden; de spoorweglijnen die in de verte verdwijnen – gansch die mengeling van natuur en menschenhand levert de meest schilderachtige vergezichten op.
Drie spoorweglijnen kruisen elkander te Saarbrucken. Deze lijnen verbinden haar met Trier, het hertogdom Luxemburg, Maintz en Metz. Het was dit opene stadje, zoo dikwijls reeds door den oorlog geteisterd; zoo dikwijls reeds van meester veranderd, dat het eerste tooneel van het gevecht worden moest. (meer…)
De Luxemburger Jean Diederich kreeg ooit de weinig flateuze titel ‘Erectiespecialist wint op heilige wielergrond‘. Het artikel is een genot om te lezen, maar barst toch ook wel van de fouten en twijfelachtige omschrijvingen. Komisch om te lezen hoor, maar een klein beetje naspeuringen doen, laat zien dat Bim, zoals zijn bijnaam luidde, een meer dan voortreffelijke renner was en een meer dan behoorlijke erelijst en hoeveelheid geld bij elkaar fietste. Zie bijvoorbeeld de (Franstalige) necrologie die bij zijn overlijden op 90-jarige leeftijd werd geplaatst.
Die bijnaam Bim dankte de renner omdat hij heel kort als zestienjarige in een apotheek werkzaam was, waar het potentiemiddel Yohimbine over de toonbank ging. Het middel werd vanwege haar glorieuze werking ‘Joe Bim’ genaamd. In Stuyfssportverhalen wordt de naam verbasterd in Yohimbix en de bijnaam ingekort in Bim. We zullen het houden op kleine verschrijvingen van de auteur. Stuyfersant verzucht vervolgens: ‘Je moet er maar niet aan denken wat dáár voor gif in zat’. Nou dat is niet zo moeilijk te achterhalen. Yohimbine is een stofje dat voorkomt in de bladeren en de schors van de yohimbe-boom en al eeuwenlang bekend stond om zijn werk als stimulans en afrodisiak. Het werd niet alleen in Luxemburg verkocht, maar ook in Nederland werd het veel verkocht als voedingssupplement voor de behandeling van seksuele dysfunctie. En niet alleen in de duistere vijftiger jaren. Pas sinds 28 mei 2007 is in Nederland de verkoop van voedingssupplementen die yohimbe-alkaloïden (of derivaten daarvan) bevatten verboden. Dit is gebeurd nadat diverse bijwerkingen werden gemeld, zoals verhoging van de bloeddruk en hartslag, beïnvloeding van de werking van geneesmiddelen en het verergeren van psychische klachten. De verkoop van Yohimbe-alkaloïden, zoals yohimbine, zijn sindsdien in bijna alle andere EU-landen verboden. Yohimbine wordt echter nog wel als geneesmiddel verkocht. Zo is in België yohimbine onder de merknaam Yocoral® nog steeds te koop op medisch voorschrift bij de apotheek. Echt gif is het dus niet, maar het is duidelijk: overdaad schaadt. Maar we dwalen af, terug naar Jean Diederich.
(meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen.
Op 19 juli 1870 verklaarde Frankrijk dus de oorlog aan Pruisen, in de verwachting een snelle en simpele overwinning te halen. Een opvatting die in de Europese pers algemeen werd gedeeld. Maarschalk Edmond Lebœuf (1809-1888), de Franse minister van Oorlog, had als ten tijde van de Luxemburgse Kwestie (1867) een plan opgesteld voor een Frans offensief om de Duitse expansiedrift te beteugelen. Daarin werd uitgegaan van een doorsteek in het front tussen Thionville en Trier, waarna naar het oosten kon worden opgerukt om de verbinding tussen de Noord- en Zuid-Duitse staten onmogelijk te maken. Vanwege de uitstekende Franse spoorwegverbindingen en Franse militaire vestingen in de regio een voor de hand liggend plan met grote kans van slagen. Het plan werd echter in 1868 door de Franse generaal Charles Auguste Frossard (1807-1875) vervangen door een veel defensiever plan, waarbij legeronderdelen de steden Staatsburg, Metz en Châlons moesten bezetten om een mogelijke Pruisische aanval te kunnen weerstaan. (meer…)
Kornelis Pieter van de Sande (Tholen, 24 januari 1918 – De Bilt, 30 april 1945) was de zoon van Johannes van de Sande en Jacoba Scherpenisse, de enige zoon in een gezin met drie zussen. In oktober 1938 wordt hij als dienstplichtige met de rang van wachtmeester ingedeeld bij het regiment Huzaren Motorrijders. In mei 1940 is hij in Den Haag gelegerd bij de depottroepen van de cavalerie, die de Vesting Holland moet verdedigen. Op 1 juli 1940 gaat hij met groot verlof, maar gaat zich al snel voorzichtig bezighouden met verzetswerk. In december 1941 kreeg hij een betrekking van controleur bij de Crisis Controle Dienst (CCD), een in 1934 opgerichte overheidsdienst die toezicht moest houden op de handel in schaarse goederen. De dienst moest tijdens de oorlog op last van de bezetter ook de welig tierende zwarte handel bestrijden en het binnenhalen van de oogst streng controleren. Deze baan maakte het Van de Sande mogelijk zich veel intensiever bezig te houden met zijn ondergrondse werkzaamheden.
Vanaf begin 1942 sloot Van de Sande zich aan bij het Nationaal Steun Fonds (NSF), de groep-Albrecht en Natura, drie verzetsorganisaties die zich inzette voor onder meer de voedselvoorziening van onderduikers. Bij deze activiteiten gebruikte Van de Sande onder andere de schuilnamen Cornelis Burgers en Cornelis Snel. In 1942 trouwde hij in Oud-Vossemeer met Jo van der Vlies; in november 1943 werd hun zoon geboren in Sleeuwijk, waar het gezin inmiddels woonde. Vanaf 1943 werd de Duitse repressie steeds erger en groeide als gevolg daarvan ook het Nederlandse verzet. Kees van de Sande sloot zich nu in het Land van Heusden en Altena aan bij de Knokploeg (KP) en de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), waarvan hij vanaf 5 september 1944 (‘Dolle Dinsdag’) districtscommandant is. In de maanden september en oktober 1943 werd het zuiden van Nederland bevrijd, maar het gebied boven de grote rivieren bleef na het mislukken van Operatie Market Garden bezet. (meer…)
.
Tinus van der Wulp (Roermond, 13 februari 1904 – Amsterdam, 19 juni 1979) is een van de vele honderden wielrenners die na zijn carrière al snel in de vergetelheid raakte en nog later ook uit alle fotoarchieven spoorloos lijkt te zijn verdwenen. In 1924 won hij als amateur de Ronde van Den Haag, ook al helemaal nergens meer iets over te vinden. En toch had deze Tinus van der Wulp geen onverdienstelijke wielerloopbaan. Hij was profrenner van 1928 tot 1935 en was in die periode uitsluitend actief in het baanwielrennen. In 1929 en 1930 werd hij tweede in het Nederlands kampioenschap stayeren. In 1935 werd hij zelfs Nederlands kampioen, door de zeven concurrenten te verslaan. Dat waren in volgorde van plaats in de eindrangschikking Henk Alkema, Wim Buis, Cor Blekemolen, Frans Lorie, Bertus De Graaf, Woldendorp en J.C. Korf. Het moet een zwak bezet deelnemersveld zijn geweest, want met uitzondering van Blekemolen zijn ze allemaal verdwenen ‘in the mist of time’.
Maar die Blekemolen was wel een fenomeen. Die werd Nederlands kampioen in 1914, 1920 en 1931, haalde podiumplaatsen in 1915, 1919, 1922, 1924, 1926, 1927, 1930 en 1932 en was in 1914 ook wereldkampioenschap geworden. Er had meer ingezeten als er geen Eerste Wereldoorlog had tussen gezeten. Zowel Van der Wulp als Blekemolen namen in 1935 afscheid van de wielersport. Aan het afscheid van Tinus werd geen letter gewijd, maar Bleekemolen verscheen plechtig in het Polygoonjournaal. Bij het ontbreken van materiaal van Van der Wulp moeten we het daar dus mee doen. (meer…)

.
Lobith, rond 1900.
Links naast de zeilen de villa van steenfabrikant Th. G.J. Daams, die in 1899 samen met scheepsbouwer G.H. Bodewes en aannemer G.H. van Hezewijk de Lobithse Stoombootmaatschappij oprichtte, die een vaste stoombootverbinding onderhield met Nijmegen en Arnhem.
Jan Rijkmans (Steenwijk, 3 februari 1920 – Scheveningen, 14 april 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een van de vele honderden die tijdens de oorlog hun leven gaven, maar inmiddels bijna zijn vergeten. Rijkmans was in Steenwijk autohandelaar. Amper twintig jaar toen de oorlog uitbrak en direct in heel Drenthe zeer actief betrokken bij allerlei verzetsactiviteiten.Toen in het voorjaar van 1943 door het verzet in Meppel een knokploeg werd opgericht, slot Rijkmans zich hierbij direct aan.
Op 7 juni 1943 pleegde drie man van de KP-Meppel (Klaas Roelof Woltjer, Hendrik Drogt en Jan Daniël Rijkmans) een overval op het gemeentehuis in Wanneperveen. Om 17.00 uur kwamen ze aan bij het gemeentehuis, één van hen had een klein model van een cylinderrevolver bij zich waarmee de aanwezige gemeentesecretaris Lucas Wuite werd bedreigd. De twee anderen stalen de zaken waarvoor ze gekomen waren en knipten voor het weggaan de telefoondraden door. Bij het verlaten van het gemeentehuis werd nog achterwaarts een schot gelost, waarschijnlijk om de aanwezige ervan te weerhouden direct in actie te komen. Bij de goed voorbereide overval werden 1650 persoonskaarten, 70-80 blanco persoonsbewijzen, zegels, het bevolkingsregister, het woningsregister, een stalen kistje met slot met allerlei visakten meegenomen. Het bevolkingsregister werd verstopt onder het hooivak in de boerderij van Roelof Kooiker. Overvaller Klaas Woltjer overnachtte na de overval bij de familie Garnaat in Meppel en reisde een dag later op de fiets naar Groningen. Van de andere twee is niet bekend waar ze na de overval heengingen. Secretaris Wuite gaf de Duitsers ondeugdelijke signalementen van de overvallers, zodat de Sicherheitsdienst (SD) aanvankelijk weinig aanknopingspunten had. Het duurde niet lang voor de SD de waarheid grotendeels hadden achterhaald. Ze stelden een lijst op, de Bildtafel der in den Nordprovinzen im Zuge der Aufklarung von Mord- und Sabotage, met daarop 31 namen en foto’s van leden van de noordelijke knokploegen. Op de lijst stonden Woltjer en Drogt, maar Rijkmans ontbrak aanvankelijk. (meer…)
Louis Darragon (Vichy, 6 februari 1883- Parijs, 28 april 1918) was de zoon van een bakker in Vichy, die op zeventienjarige leeftijd het wielrennen ontdekt en al heel snel allerlei regionale en nationale wedstrijden wint. In 1901 doet hij mee aan een zesdaagse in de Verenigde Staten en in 1902, pas negentien jaar oud, wint bij in het baanwielrennen de Grand Prix-wedstrijden in Cannes, Menton en Clermont-Fernand. Daarna stapt hij over naar het stayeren, wat in die periode een attractieve maar ook levensgevaarlijke discipline is. De website Stayer France heeft een ijzingwekkend overzicht van de tientallen wielrenners die vanaf 1898 in afgrijselijke ongelukken het leven lieten. Darragon zal in 1906 (Genève) en 1907 (Parijs) twee maal wereldkampioen stayeren bij de professionals worden; in 1909 (Kopenhagen) en 1911 (Brussel) eindigde hij op de tweede plaats. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog betekende voor zijn generatie een ruwe onderbreking van de wielerloopbaan. Darragon meldde zich aan als vrijwilliger en werd als automobilist ingezet voor het vervoer van soldaten en munitie. Nadat hij in 1917 vanwege verwondingen uit de dienst werd ontslagen, kon hij terugkeren naar de wielerbanen.
Op 28 april 1918 komt Louis Darragon op 35-jarige leeftijd om het leven bij de ‘Grand Prix de l’Heure’ op de Vélodrome d’Hiver, in Parijs. Bij de tweedaagse wedstrijd achter de grote motoren brak het linker pedaal toen hij een snelheid van ongeveer 75 kilometer per uur had. In de voorgaande rondes had hij al een paar keer aan dat pedaal gezeten om een mankementje te herstellen. Tevergeefs. (meer…)
Firmin André Salles, de Franse fotograaf met zo’n imposant oeuvre van verschillende landen van het toenmalige Franse koloniale rijk, zou volgens George Knight de koloniale verhoudingen (1895-1899) fotograferen (‘De foto’s van de Franse ontdekkingsreiziger en fotograaf André Salles (1860-1929) in de collectie van de Bibliothèque nationale de France zijn prachtig. Ze geven een beeld van de laat 19de en vroeg 20ste eeuwse samenleving. Inclusief koloniale verhoudingen.’) Dat ‘inclusief koloniale verhoudingen’ lijkt me in het werk van Firmin André Salles nu totaal niet aan de orde te zijn. Salles zal wel niet van koloniale smetten vrij zijn, hij was immers niet voor niets ‘inspecteur des colonies’, maar zijn fotowerk getuigt toch eigenlijk alleen maar van enorme liefde voor de exotische landen die hij vanaf 1883 bezocht. Niet vreemd dat hij er na de eeuwwisseling nog vaak op vakantie terugkeerde, in een tijd dat toerisme nog een bijna onbekend woord was. Hij fotografeerde er zelden de kolonialen, in wiens kringen hij ongetwijfeld vaak zal hebben verkeerd, maar vooral de lokale bevolking in hun dagelijkse bezigheden, de steden, het platteland en de monumenten uit het verleden. Een enkele keer zijn blanken de hoofdpersonen op zijn foto’s, het zijn de grote uitzonderingen binnen zijn werk, de zeldzame keren dat iets van koloniale verhoudingen doorsluimert. Zoals op de foto: ‘Indochine. A bord du paquebot d’Extrême-Orient. Henri et Toutou Sweert de Landas Wijborgh, et leur babou javanaise, à bord de l’Oxus allant à Batavia, 1895’. Knight geeft hierbij als begeleidende tekst: ‘Op de bovenste foto zien we twee witte kinderen uit het oude adellijke Nederlandse geslacht Weerts de Landas Wyborgh met hun Javaanse baboe op de Franse pakketboot Oxus die een lijndienst onderhoudt vanaf Marseille naar het Verre Oosten op weg naar Batavia. Waarschijnlijk is vice-admiraal Jacques Henri Leonard Jean Sweerts de Landas Wyborgh de vader van de kinderen. Tot maart 1895 was hij adjudant van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Beelden vertellen meer dan 1000 woorden: de zelfverzekerde kinderen en de gedienstige baboe’. (meer…)
Firmin André Salles (Tarbes, 5 september 1860 – Paris, 2 februari 1929) is vooral als fotograaf in de herinnering gebleven. In 1883 was hij als jeugdige marinecommissaris aanwezig op de vloot onder leiding van admiraal Amédé Courbet (1828-1885) en daardoor betrokken bij de eerste militaire operaties in Tonkin in Noord-Vietnam en vervolgens betrokken bij de gewelddadige Tonkin-campagne (juni 1883-april 1886) van Frankrijk om de regio om te vormen tot een protectoraat. Daarna zal Salles ook aanwezig zijn bij soortgelijke campagnes tegen Formosa en de Pescadores-eilanden (momenteel Penghu-geheten) in de Stille Zuidzee. De Pescadores werden op 31 maart 1885 tijdens de Chinees-Franse Oorlog (1884-1885) door admiraal Courbet bezet om van de archipel een permanent steunpunt voor de Franse vloot te maken. Na een vredesverdrag op 9 juni 1885 moesten de Fransen echter weer vertrekken. Nog voordat de evacuatie overleed Courbet op 11 juni 1885 op Pescadores. Ook daarna is Salles als ondergeschikte een opvarende van Franse oorlogsschepen die bij koloniale gevechten zijn betrokken.
In 1886 publiceerde hij zijn eerste foto’s, gemaakt tijdens een verblijf in Eritrea. Van 1891 tot 1893 verbleef hij op de Dévastation, die hoofdzakelijk in het gebied van de Middellandse Zee vaart. Hij fotografeert er onder meer op Corsica, in Athene, Palestina en Palestina. In 1894 rondde hij een opleiding af die hem bevorderde tot ‘inspecteur des colonies’, om onder die titel in de jaren 1895-1896 terug te keren naar Indochina. De indrukwekkende fotoreportages die hij maakte in Vietnam, Cambodja en Laos staan aan het begin van een grootse Frans koloniale fotografie. Als inspecteur en fotograaf bezocht hij ook de Stille Zuidzee, Dahomey en Somalië. In 1898-1899 verbleef hij in het Caraïbisch Gebied en maakte daarbij onder meer een geweldige fotoreportage van Martinique. Na 1899 woonde hij in Frankrijk, maar bracht met regelmaat een vakantie dor in Indochina. Hij publiceerde een aantal artikelen en fotoboeken. (meer…)
Harm Smits (Amsterdam, 30 januari 1923 – Duffel, België, 12 februari 1988) was een Amsterdamse coureur met een zeer bescheiden palmares. Hij begon bij de Amsterdamse wielervereniging ARC Ulysses en was direct na de oorlog een van de sterkste amateurs, maar na de overstap naar de profs kon hij deze belofte niet helemaal inlossen. Hij was beroepsrenner tussen 1947 en 1959 en alleen al de opsomming van ploegen waarvoor hij reed is een aardige indicatie dat hij geen hoogvlieger was en waarschijnlijk elk jaar weer blij was ergens onderdak te hebben gevonden: Individueel (1947, 1953, 1956, 1958 en 1959), Végé en Dilecta-Louvet-Wolber (Fr, 1948), Joco (1949), Garin-Wolber (Fr, 1950), RIH, Patria WKC (Dui) en Ceylon-Joco-Pontiac (1951), Express (Dui) en Odol (1952), Determeyer en Feru (Zw, 1954), Dossche Sport-Titan (Bel, 1955) en Radium-RIH (1957).
Harm Smits reed in zijn carrière nooit de Tour de France, nooit de Giro en nooit de Vuelta. Bij slechts drie wielerklassiekers stond hij ooit aan de start: In 1949 werd hij 71e in Parijs-Brussel, in 1950 eindigde hij als 59e in Luik-Bastenaken-Luik en in 1951 was hij 22e in Gent-Wevelgem.
Hij haalde de meeste overwinningen in 1952 toen hij een etappe won in de Ronde van Duitsland en dagzeges had in Roosendaal, Eede en Wouw. De eindstand van die laatste koers op 21 september 1952 laat zien dat het deelnemersveld van bescheiden allure was: 1. Harm Smits (Antwerpen) 130 km in 3.33.38; 2. Brinkman (Maasland); 3. v., d. Zande (Halsteren); 4. Loos (Amsterdam); 5. Buuron (Bergen op Zoom); 6. Grist (Soest); 7. Bijster (Amsterdam); 8, Maas (Geldrop); 9. Steenbakkers (Den Bosch); 10, Schoenmakers (Eindhoven); 11. Ewers (Wormerveer); 12. Mangelaars (Hoogerheide); 13, Hulshof (Den Bosch). Hij staat hier al genoemd als inwoner van Antwerpen, want al vroeg in zijn wielerloopbaan hing Smits in België wonen. Hij zou er ook niet meer vertrekken. (meer…)
Alfred Léonard Loewenstein (Brussel, 11 maart 1877 – Noordzee, 4 juli 1928) was een Belgische ondernemer, die zijn fortuin maakte tijdens de opkomst van de elektriciteitsvoorziening en de handel in kunststoffen. In alle officiële documenten werd de naam geschreven als ‘Löwenstein’, wat niet onlogisch is want zijn vader was de welgestelde wisselagent Bernard Löwenstein (1849-1915), een Joodse Duitser die zich in januari 1846 in België vestigde. Op 16 november 1872 trouwde Bernard in Sint-Joost-ten-Node met Fanny Dansaert (1855-1922), de dochter van de makelaar, wisselagent en kunstverzamelaar Chrétien Dansaert. De familie zou haar naam geven aan de trendy Dansaertwijk in hartje Brussel. Er zou later over Alfred Loewenstein worden geschreven dat hij ‘al in de kinderkamer de beurslucht had ingeademd’. Behalve Alfred werd uit het huwelijk een dochter geboren, Hélène Loewenstein, die op 24 april 1885 al op tienjarige leeftijd zou overlijden. Vader Bernard claimde later in 1881 de Belgische nationaliteit te hebben aangevraagd en ook zijn dienstplicht te hebben vervuld, maar bewijzen daarvan zijn in zijn dossier van de Staatsveiligheid niet terug te vinden. Door de grote economische crisis aan het eind van de negentiende eeuw kwam Bernard diep in de schulden, namelijk een totaal van 18.000 Belgische frank in een tijd dat een beambte per maand ongeveer 90 frank verdiende. Zoon Alfred beloofde die reusachtige schuld binnen twee jaar terug te betalen en deed dat ook. Hij slaagde er namelijk in al op zeer jeugdige leeftijd een gigantisch fortuin te vergaren dankzij gedurfde financiële speculaties. (meer…)
Märket is een piepklein onbewoond eiland van slechts 0,033 km² in de Oostzee, tussen het Zweedse vasteland en de Finse Ålands-eilanden. Deze eilandengroep met verregaande autonomie binnen Finland ligt in de Scherenzee, met de Botnische Golf in het noorden en de Baltische Zee in het zuiden. Het gebied telt ruim 26.000 eilanden en scheren, die elk een eigen naam hebben, waarvan slechts 6.757 eilanden een oppervlak hebben dat groter is dan ¼ hectare en waarvan maar 65 enige bewoning hebben. In totaal wonen er maar iets van 30.000 inwoners die merendeels wonen in de hoofdstad Mariehamn op het grootste eiland Åland (12.000 inwoners) en de buurgemeente Jomala (5.000 inwoners). En hoewel alle eilanden, op Märket na, geheel tot Finland horen, is Zweeds de gesproken taal voor de bewoners en ook de officiële taal met de Finse overheid. De Ålands-eilanden hebben ook een autonome regering, een eigen parlement, een eigen politiekorps, een eigen vlag, een eigen volkslied, eigen kentekenplaten, een eigen postservice, een eigen internetextensie (.ax), geeft sinds 1984 eigen postzegels uit en Ålandse schepen varen niet onder de Finse vlag maar onder Ålandse vlag uit. De Ålands-eilanden hebben één zetel in de Noordse Raad en één afgevaardigde in het Finse parlement. Hun autonome status is verankerd in de Finse Grondwet en de Ålandse autonomiewet, en kan slechts na instemming van 2/3e meerderheid van het Finse en Ålandse parlement worden aangepast. Na twee referenda in 1994 is eerst het lidmaatschap van de autonome regio tot de Europese Unie geregeld en daarna de aparte status op belastingtechnisch gebied geregeld om de belangrijkste inkomstenbron (scheepvaart, handel en toerisme) voor de eilanden veilig te stellen. Omdat Åland niet binnen het btw-gebied van de Europese Unie valt, kunnen op schepen die Åland aandoen tabakswaren en alcoholica btw-vrij verhandeld worden. De grote veerboten tussen Stockholm en Helsinki of Turku maken om die reden allemaal een tussenstop in Mariehamn of Långnäs. (meer…)
Armand Desmet (Waregem, 23 januari 1931 – 17 november 2012) was een Vlaamse beroepsrenner tussen 1955 en 1967. Van 1955 tot 1960 reed hij voor de Belgische formatie van fietsenfabrikant Groene Leeuw, een bedrijf van Adolphe De Kimpe, waarvan vanaf 1942 tot 1966 diens zoon Albert “Berten” De Kimpe de ploegleider was. Vanaf 1958 functioneerde Groene Leeuw in samenwerking met afwisselende co-sponsors. Hoogtepunt van Groene Leeuw was de Ronde van Spanje 1960 waar de ploeg de winnaar en tweede van het eindklassement (Frans De Mulder, met vier ritwinsten, en Armand Desmet) leverde, met Tuur Decabooter nog een renner in de top-tien had, die bovendien twee ritten won en de blauwe trui van het puntenklassement kreeg. In 1961 stapte Desmet over naar de concurrerende Belgische formatie Faema-Flandria van Lomme Driessens en later Briek Schotte, waar Rik van Looy de eerste twee jaar de bepalende renner was. In 1964 ging hij rijden voor Solo-Superia, waar opnieuw Rik van Looy de grote meneer was en het jeugdige talent Eddy Merckx een jaartje in meereed. In 1967 stapte Armand Desmet over naar zijn vierde Belgische ploeg, Flandria – De Clerck, waar hij zijn carrière afsloot. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog.
Aan de Frans-Pruisische Oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. In 1870 zouden de steeds toenemende spanningen tussen beide partijen escaleren, perfect georkestreerd door kanselier Otto von Bismarck van de Noord-Duitse Bond. Nederland keek vanaf de zijlijn bevreesd toe, bang dat haar neutraliteit geschonken zou worden en het een van de kleine koninkrijkjes zou worden die door die Noord-Duitse Bond zou worden opgeslokt. (meer…)
Roger Lapébie (Bayonne, 16 januari 1911 – Pessac, 12 oktober 1996) was in de periode 1932-1939 een redelijk succesvol, maar ook wat omstreden wielrenner, die vanwege de Tweede Wereldoorlog zijn carrière abrupt afgebroken zag worden. Hij maakte in 1932 zijn debuut in de Ronde van Frankrijk als lid van de Franse nationale ploeg die dor Tourdirecteur Henri Desgrange werd samengesteld. Hij wist gelijk één etappe te winnen, de 12e etappe op 22 juli van Gap naar Grenoble over 102 kilometer. Het jaar daarop mocht hij opnieuw in de nationale ploeg van start, maar wist toen gen ritzege te behalen. Toch was het geen onsuccesvol jaar voor hem: winnaar van eindklassement van de GP de l’Echo d’Alger, van het eindklassement van de Trophée Jean Floch, van Parijs-Angers, van het eindklassement van Parijs-Saint Etienne en vooral winnaar van het Franse nationale kampioenschap.
Ook 1934 was een prima jaar, want tweede in het eindklassement van Parijs-Nice, winnaar van hert prestigieuze Criterium International, voor de tweede maal winnaar van het eindklassement van Paris – Saint-Etienne en winnaar van Paris – Vichy. Lapébie beweerde later in 1934 te zijn bestolen van de zege in Parijs-Roubaix. Hij reed in de finale een platte band en hij leende van een toeschouwer een fiets, die hij later bij een controlepost weer inruilde voor zijn eigen fiets. Hij wist terug te keren in de kopgroep en de rit te winnen. Daarna volgde diskwalificatie omdat hij niet kon aantonen dat de fiets waarmee hij won dezelfde was als waarmee hij was gestart. Lapébie bleef zich zijn leven lang beschouwen als de echte winnaar en niet de Belg Gaston Rebry. In de Tour de France haalde Roger Lapébie maar liefst vijf overwinningen, werd zes maal tweede en eindigde in het klassement als derde op een respectabele afstand van 52.15 minuten van winnaar Antonin Magne. (meer…)