Abraham ‘Bob’ Wijnberg (Groningen, 17 oktober 1913) was een zoon van Mozes Wijnberg (Leek, – Vught, – Sobibor, 15 juli 1909 – Sobibor, Vrouwgien (Groningen, 6 augustus 1911) overleefde als enige van het gezin de oorlog. Bob was getrouwd met Mimi Gobits (Den Haag, 29 december 1914), het oudste kind van stoffeerder Samuel Gobits en Rebecca Leeuwin. Haar ouders hadden in Dordrecht twee goedlopende meubelzaken aan de Voorstraat. Het gezin was traditioneel joods. Alle feestdagen werden gevierd en het huishouden was koosjer. Dat gold ook voor het gezin Wijnberg, al hield zoon Bob zich niet bepaald aan de spijswetten. Hij was vooral geïnteresseerd in de linkse zionistische jeugdbewegingen, zoals zoveel joodse jongeren – net als zijn aankomende vriendin Mimi. In 1932 ontmoetten Bob en Mimi elkaar tijdens een bijeenkomst van de Nederlandse Zionisten Bond. Ze waren eerst van plan naar Palestina te emigreren, maar het lukte Bob niet er vast werk te vinden en hij keerde terug. De jonggeliefden trouwden en kregen op 6 juli 1942 een dochter: Chawwa Hadassah Riwka. In 1941 ging Bob in het gewapend verzet, maar op 24 juli 1942 werd hij in Ede gearresteerd. Als gevolg van die arrestatie moeten Mimi en Chawwa in juli 1942 in Ilpendam onderduiken, wanneer ze nog maar zestien dagen oud is. Ze zouden de oorlog overleven, honderden familieleden werden echter vermoord in de vernietigingskampen. (meer…)

Pater Ludovicus Adrianus Bleys werd op 17 oktober 1906 geboren in de Tilburgse wijk Veldhoven in het gezin van schoenmaker Adrianus Bleijs en Joanna Maria Meijers. Om onduidelijke redenen is zijn naam later gewijzigd in Bleys. Hij werd op 30 mei 1931 tot priester gewijd en was onder andere pater-kapelaan in de Kapel in ’t Zand naast het redemptoristenklooster in Roermond. De Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Congregatio Sanctissimi Redemptoris, C.Ss.R.) is een katholieke congregatie, meestal de redemptoristen genoemd, die een sterk christocentrische spiritualiteit hebben en erg zijn gericht op retraites, deels in eigen retraitehuizen, deels in volksmissies en vastenprediking. In de oorlog was hij onder de verzetsnaam Lodewijk actief op allerlei fronten en betrok vele jonge mensen bij zijn verzetsactiviteiten. Hij was vanaf het begin tegenstander van de gelijkschakeling met de Duitse opvattingen en methoden en werd lid van de Nederlandsche Unie omdat hij in deze beweging een mogelijkheid zag zich af te zetten tegen het nationaalsocialisme. Toen in Limburg onder leiding van reserve-generaal-majoor b.d. J.R.L. Jans de Ordedienst (OD) actief werd, werd Bleys belast met de geestelijke verzorging. Hij was de raadsman van iedereen die onder de verplichtingen van de arbeidsdienst vielen. Zijn bemoeienissen hadden tot gevolg dat hij zich moest verantwoorden bij de procureur-generaal in ‘s-Hertogenbosch, maar daar wist hij zich vrij te pleiten. Hij was later in zijn woonplaats Roermond een van de oprichters van de Limburgse Onderduikorganisatie (LO), die eind 1943 onderdeel werd van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). De Venlose onderwijzer
Henk Beernink (Hendrikus Dirk Jan) (Lichtenvoorde, 3 februari 1910 – Zwolle, 8 februari 1945) woonde van januari 1932 tot eind november 1933 in Oldenzaal. Hij was toen leerling machinist bij de Nederlandse Spoorwegen. Hij was in de kost bij de wed. G. Kuijers aan de Julianastraat 51, later bij G. T. Derksen een paar huizen verderop. Daarna vertrok hij weer naar zijn ouders en zus in Winterswijk. In Mei 1938 trouwde hij met Riek te Riet, een jaar later verhuisden ze naar de Harculostraat 6 te Zwolle, waar in april 1940 hun dochtertje Rineke (Renée) werd geboren. Hij was inmiddels telegraafwerker bij de Nederlandse Spoorwegen. Op 8 februari 1947 zou de Harculostraat naar hem worden vernoemd. Hij was eerste telegraafwerker bij de Nederlandse Spoorwegen te Zwolle en gaf les aan aankomende technici bij de spoorwegen. In het eenvoudige milieu waarin hij opgroeide gold een technische basisopleiding als het hoogst haalbare. Hij had grote belangstelling voor geschiedenis en genealogie, was politiek liberaal georiënteerd en Nederlands-hervormd van gezindte. Niet bijzonder kerks, maar wel religieus geïnspireerd in zijn kijk hoe je met mensen omging. Beernink stond bekend als een wat introverte man, niet altijd even makkelijk in de omgang, maar wel erg wel toegankelijk. En zeer sociaal iemand, bij wie ‘alles kon’. Er was bij hert gezin Beerninks altijd volk over de vloer, zowel overdag als ’s nachts. Het was een voortdurend komen en gaan van mensen, plotselinge eters en slapers. De drukte, rommel en vuile schoenen maakte Henk en zijn vrouw niets uit.
Op 1 maart 1911 begonnen de Italiaanse Nationalistische Vereniging een wekelijkse krant, L’Idea Nazionale. De verschijningsdatum 1 maart was niet toevallig, maar werd gekozen vanwege de 15e verjaardag van de voor Italië verpletterende nederlaag in de 
Willem Hendrik Hertly (Engwierum/Oostdongeradeel, 2 januari 1891) was hoofdambtenaar bij het Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf te Den Haag en was getrouwd met Frederika Rauws (Den Haag, 14 september 1887). Hij was actief betrokken bij het verzet van de Ordedienst, waarbij hij samenwerkte met Jan Velu (Malang, 29 juni 1882 – Sonnenburg, 31 mei 1944). Velu was een luitenant-kolonel van het KNIL, die tegelijk met Hertly door verraad op 25 juli 1942 werd gearresteerd en onder andere werd opgesloten in de kampen Vught en Haaren. Uiteindelijk kwam hij als Nacht und Nebel-gevangene om in het
op 29 juli 1943 op de Leusderheide worden geëxecuteerd. Hertly ligt begraven op de Algemene Begraafplaats Rusthof te Amersfoort. Postuum is hem het Verzetsherdenkingskruis verleend. Er is van hem gen foto bewaard gebleven, slechts de overlijdensadvertentie.
Adrien Lambert Jacques Emile Marie Moonen, bijgenaamd “Broer” (Den Haag, 16 december 1914 – Amersfoort, 7 augustus 1943), was een Nederlands politieman en verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog. Hij
Nadat de
Italië was net als Duitsland pas laat in de 19e eeuw een eenheidstaat geworden, dus veel te laat om op koloniaal gebied nog echt een rol van betekenis te spelen. Wat beide landen er overigens niet van weerhield grote dromen te hebben. Bij de 


Salomon Vaz Dias (Amsterdam, 1 juni 1904) was een Nederlands journalist, fotograaf en verzetsstrijder, die in de dagelijkse omgang door iedereen Sieg werd genoemd. Hij was de zoon van de kunsthandelaar Jacob de Salomon Vaz Dias en Hana Hamburger, die al voor de oorlog naar Groot-Brittannië waren geëmigreerd. Hij had één zus,
Twee jaar later werd de Italiaanse koloniale droom een klein beetje ingevuld. Tussen 15 november 1884 en 26 februari 1885 werd de Koloniale Conferentie van Berlijn gehouden, waar veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd Afrika verdeelden. Groot-Brittannië richtte zich op het bezitten van een ononderbroken strook van Egypte tot aan Zuid-Afrika, dus het oosten en zuiden van het continent. Dat Nigeria en Zuidelijk Afrika Brits werden was grotendeels het gevolg van particulier initiatief. Het Britse streven werd doorkruist door dat van de Fransen die een west-oostverbinding wilden, een strook die het gehele continent bestreek vanaf de Atlantische Oceaan, via de Sahara, tot aan de Rode Zee. Op het snijpunt kwam het bijna tot een gewapend treffen, het Fashoda-incident. Het Britse streven werd ook doorkruist door de Duitse aanwezigheid in Duits-Oost-Afrika (het huidige Tanzania). Duitsland had behalve Tanzanië ook Namibië, Kameroen, en Togo toegewezen gekregen. België kreeg de begeerde vette kluif Congo, die privébezit van koning Leopold II zou worden. Portugal voegde Angola en Mozambique toe aan hun bezittingen en Spanje bezette het zuiden van Marokko. En de Italianen mochten Libië, Somalië en Eritrea bezetten. 
Dietrich Friedrich Eduard Kasimir von Saucken (Fischhausen, 16 mei 1892 – Pullach im Isartal, 27 september 1980) was een Duits aristocraat, een telg uit het oude Pruisische geslacht
Op 25 juli 1940 verscheen van
Frans Goedhart (Amsterdam, 25 januari 1904 – Amsterdam, 3 maart 1990) was een Nederlands politicus, verzetsstrijder en journalist. Vanaf zijn zesde jaar groeide hij op in verschillende weeshuizen, nadat zijn vader overleden was en zijn moeder niet in staat was hem te verzorgen. Na afronding van zijn MULO-opleiding in Dieren in 1922 werd hij als leerling-journalist aangenomen bij de Velpsche Courant. Een jaar later kwam hij in dienst bij de Provinciaalsche Geldersche en Nijmeegsche Courant. In 1924 trad hij in dienst van De Telegraaf, maar na anderhalf jaar werd hij ontslagen omdat hij aan astma leed. Hij slaagde er daarna nauwelijks in het hoofd boven water houden en greep de kans aan een baan te krijgen bij de Belgische krant Het Laatste Nieuws, een krant die in juni 1888 in Brussel was opgericht en een liberale en vrijzinnige karakter had. De krant was aanvankelijk een spreekbuis van het radicaal antiklerikalisme, maar later werd een ruimer publiek bereikt door een gematigdere stijl, meer regionaal nieuws en een verruimde sportkatern. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou het blad onder Duitse censuur blijven verschijnen. Hier beleefde Goedhart de eerste jaren van de economische depressie. Omdat hij in 1931 deelnam aan een grote typografenstaking werd hij hier ontslagen. Hij en zijn echtgenote (hij was op 10 juli 1929 in het huwelijk getreden met Maria van den Ring, met wie hij een zoon kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 12 november 1945. Op 13 december 1945 hertrouwde hij met Maria van Alebeek, lerares Nederlands en geschiedenis, met wie hij een dochter en een zoon kreeg) keerde begin 1932 terug naar Nederland.
Kevin Prenger (1980, hoofdredacteur bij Traces of War) heeft een aantal boeken over de Tweede Wereldoorlog geschreven, waaronder biografieën van Kurt Gerstein (
Pieter ’t Hoen (gedoopt 18 oktober 1744 in Utrecht – Amersfoort, 9 januari 1828) was een Nederlands journalist, dichter en politicus die een belangrijke rol speelde tijdens de Patriottentijd als de redacteur van
Johan Frederik Henri de Jonge Mellij (Amsterdam, 16 oktober 1905) was een eerste luitenant der infanterie, die in 1938 bij het Kaderbataljon te Laren werd geplaatst en woonachtig was in Bussum. Hij maakte in Den Haag deel uit van een informele groep van cadetten van de KMA te Breda, die de onderlinge contacten intact wilde houden. Tot die groep behoorde onder meer de tweede-luitenant 
Christiaan Hesen (Horst, 19 mei 1853 – Tegelen, 5 februari 1947) was een dorpsfiguur uit het Limburgse dorp America, die postuum legendarisch zou worden. Hij was de zoon vaneen arme dagloner, de jongste van acht kinderen. Met z’n 1,61 meter was hij betrekkelijk klein van stuk en zijn dikke neus en ronde kin maken hem tot een markant figuur. Hij trouwde op 30 november 1883 in Horst met de drie jaar jongere Maria Scheeres uit Roggel. Kort daarna verhuisde het echtpaar naar America, waarschijnlijk omdat werk te vinden was in dat dorp van veenarbeiders dat pas enkele decennia bestaat. Door verbeterde landbouwmethoden en de uitvinding van kunstmest vonden in de loop van de negentiende eeuw in de Peel kleinschalige ontginningen plaats van de immense heidevelden, wat steeds gepaard ging met de bouw van boerderijen. De ontwikkeling van America tot dorp hing ook samen met de aanleg van de spoorlijn Venlo-Eindhoven. Op de plaats waar een karrenspoor de spoorlijn kruiste, werd in 1866 Wachtpost 16 gebouwd, wat uitgroeide tot een dorpskern met onder meer een school (1888), een kerk (1892) en een bakkerij met maalderij, winkel en café (1892). Werk is vooral te vinden in het naburige Griendtsveen, waar op grote schaal turf wordt gewonnen en verwerkt, onder impuls van de familie Van de Griendt. Jan van de Griendt (1804 – 1882), een koopman uit Den Bosch, was de aannemer van het traject Helmond-Venlo van de spoorlijn geweest. In 1853 was hij een van de oprichters van de Maatschappij tot ontginning en vervening van de Peel, later omgedoopt in Maatschappij Helenaveen. Hij stichtte het dorp Helenaveen, dat in Noord-Brabant ligt. Zijn zoons Jozef en Eduard zetten zijn werk voort en stichtten in Limburg het dorp Griendtsveen, waar de
Rudolf Hartogs (Berlijn, 1918) was een boekhouder te Amsterdam. Hij werd op 18 april 1942 in Amsterdam opgepakt, samen met Jacob Knol. Er is nergens te achterhalen voor welk misdrijf beide mannen werden aangehouden en hoe het direct daarna is verlopen. Van Jakob Knol (Amsterdam, 17 april 1914) is bekend dat hij op van 6 november 1942 tot 16 januari 1943 gevangen zat in kamp Amersfoort, daarna tot 11 maart in kamp Vught, daarna tot 25 oktober 1943 op een onbekend gebleve locatie verbleef, op 25 oktober 1943 op transport werd gezet naar Natzweiler en van daaruit op 6 september direct naar Dachau. Sommige bronnen zeggen dat hij ook van daaruit direct werd doorgestuurd, nu naar 
In de nacht van 3 op 4 december 1863 woedde een zeer zware storm in het Noordzeegebied en ook elders in Europa was het aan de kust aanhoudend uitzonderlijk zwaar weer. De hele week werd beheerst door storm; van het Skagerrak tot aan Zuid-Spanje hadden de kusten het hevig te verduren.
In de nacht van 3 op 4 december 1863 woedde een zeer zware storm in het Noordzeegebied en ook elders in Europa was het aan de kust aanhoudend uitzonderlijk zwaar weer. De hele week werd beheerst door storm; van het Skagerrak tot aan Zuid-Spanje hadden de kusten het hevig te verduren. Op 3 december was het overdag meteen als raak. In de loop van de dag bereikte het centrum van de depressie via de Britse eilanden de Noordzee, die door de orkaan werd opgezweept tot een ontembaar monster. In de avond van 3 december daalde het weerglas op Terschelling plotseling tot ongekende laagte. Het centrum van de depressie zou die nacht langs de Waddeneilanden trekken, een spoor van menselijk leed achterlatend. De Harlinger Courant berichtte later: ‘In de namiddag van de 3de december 1863 wakkerde de wind steeds meer aan en bereikte in het begin van de avond stormkracht. De bergplaatsen der locomotieven en wagons waren reeds vroeg ingestort. In de nacht begon het steeds harder te waaien, hetgeen gepaard ging met donder en bliksem, terwijl de storm haar grootste kracht scheen te bereiken. De volgende dag durfde zich haast niemand op straat te begeven, daar het hoogst moeilijk was om staande te blijven en de neerstortende dakpannen, schoorstenen, gevels of gedeelten daarvan iedere dreigde te verpletteren. Met het aanbreken van de dag zag onze stad er uit alsof zij een kanonnade had doorstaan. Overal puinhopen, aan alle zijden verwoesting en zelfs ingestorte gebouwen’.

Fritjof Dudok van Heel (Semarang, 19 april 1918) was de zoon van een administrateur van een suikerfabriek in de buurt van Kendal, ten westen van Semarang. Het gezin keerde na de crash van 1929 naar Europa terug en vestigde zich in 1932 in Bussum. In de zomer van 1938 behaalde Fritjof zijn diploma HBS-B aan het Christelijk Lyceum in Bussum. Aanvankelijk was hij vrijgesteld van militaire dienst vanwege ‘broederdienst’, maar die vrijstelling kwam te vervallen. Vanaf 10 oktober 1938 was hij in actieve dienst, per 2 januari 1939 bij het 1e Regiment Huzaren. Hij werd geplaatst op het depot van de cavalerie in Amersfoort: ‘alles meldt zich hier aan, tot de lichting 1929 toe. Dat zijn mensen die al zo’n veertien jaar uit de dienst zijn, getrouwde mannen, die nu net als de groenjassen (nieuwelingen), opnieuw afgericht moeten worden, door ons, piepjonge wachtmeesters.’ Als kornet was hij in de meidagen van 1940 commandant van het 3e peloton van het 3e eskadron van het 4e regiment Huzaren. Dat was gelegerd in Winssen, iets ten westen van Nijmegen in Gelderland. Al op 9 mei om 22.00 uur bereikten het eskadron alarmerende berichten. ‘Volgens vastgesteld plan werden de orders van Staf Brigade B, voor verhoogde en volledige strijdvaardigheid, uitgevoerd, waaronder bruggen bezetten, springladingen en versperringen aanleggen, e.d.’ In een verslag van 12 februari 1941 beschreef Dudok van Heel de oorlogshandelingen van de volgende vier dagen van zijn peloton. Op 12 en 13 mei raakten zij betrokken bij de gevechten rond Rhenen. Daarna moesten ze zich noodgedwongen terugtrekken. Toen het regiment op 14 mei in Achtersloot, ten zuidwesten van Utrecht, was gelegerd hoorden ze in de vooravond het bericht van de capitulatie. ‘Het 3e Peloton is gedurende alle oorlogsdagen volledig in de hand geweest. Er hebben zich geen ontvluchtingspogingen voorgedaan. Ordonnansen zijn steeds teruggekeerd en Huzaren die gewonden naar achteren vervoerden, hebben zich later weer teruggemeld bij hun commandant’, zo besloot hij zijn rapport. Fritjof meldde zich aan bij de School voor Suikerindustrie in de Van Breestraat in Amsterdam en werkte als volontair bij de Suikerfabriek Holland in Halfweg. Maar dat hij zich bij het verzet zou aansluiten, lag voor hem voor de hand: ‘Ben trouw aan Koningin verschuldigd, dus moet ook werken voor Vaderland. Daadwerkelijk meehelpen is wat anders dan met de mond.’ Hij was niet de enige in het gezin. Zijn jongere zus Mun was koerier bij de Geheime Dienst Nederland. De familie had onderduikers in huis en een stencilmachine voor verzetswerk. Zijn vader stierf aan een hartaanval op oudejaarsavond 1942, toen hij op straat werd aangehouden.
Bij de Ordedienst werd Fritjof verbindingsofficier. Zo verzorgde hij enige tijd de verbinding met de gewestelijke Ordedienst-organisaties in Friesland, Limburg, Overijssel en de Achterhoek en was betrokken bij de financiering van de organisatie door Auguste van Lennep. Na de arrestaties in de top van de Ordedienst, moest Fritjof samen met Chris Navis vanaf maart 1942 de organisatie overeind proberen te houden. Ze zagen elkaar eens in de veertien dagen, ‘waarbij wij elkaar in groote lijnen onze vorderingen mededeelden en beiden nogal geheimzinnig waren’, zo schreef Navis na de oorlog. Dudok van Heel was maar net ontkomen toen er begin maart een inval gedaan werd op zijn adres in de Piet Heinstraat. Zijn hospita had de Gestapo naar de bovenverdieping gestuurd, terwijl hij beneden sliep. Navis had vervolgens de spullen uit zijn kamer gehaald. Maar op 14 juli liep het fout. Cees van der Put, die sinds een maand als koerier van Dudok van Heel fungeerde, haalde hem op in Amersfoort, waar Fritjof bij zijn schoonzus logeerde. Daarna werden ze beiden opgepakt. Van der Put verraadde alles bij zijn verhoor en werd vrijgelaten. Dudok werd gevangen gehouden: tot 7 november 1942 verbleef hij in strenge Einzelhaft in Scheveningen, tot ongeveer 18 januari 1943 was hij geïnterneerd in Amersfoort, tot 12 maart in Vught.
Nicolaas Rost (Groningen, 21 juni 1896 – Amsterdam, 1 februari 1967) was een Nederlands schrijver, vertaler, journalist en verzetsman. Actief antifascist en communist. Liefhebber van de Duitse literatuur. Rokkenjager. Levensgenieter. Hij heeft Kafka ontmoet, was aanwezig bij de begrafenis van Lenin en sprak met Trotski. Bevriend met tal van schrijvers en kunstenaars uit binnen- en buitenland. Zijn naam heeft bij de lezer van nu nog een bekende klank door zijn boek
Adrianus Aloijsius Felix (Lex) Althoff (Haarlem, 12 september 1904) was een Nederlands journalist, die in 1924 zijn loopbaan begon bij het Haarlem’s Dagblad. Hij trouwde op 2 februari 1927 met Elisabeth van Loenen. Hij was katholiek opgevoed, maar in 1932 zette hij daar een punt achter. Hij volgde als journalist nauwgezet de ontwikkelingen in nazi-Duitsland en schreef daarover romans. Daarna ging hij op 1 februari 1932 voor Het Volk werken. Hij werd daar chef van de nachtredactie. Omdat hij niet bij een nationaalsocialistische krant wilde werken, nam hij op 20 juli 1940 ontslag bij Het Volk. Hij ging in het verzet en was vanaf het begin medewerker bij de illegale krant Het Parool. Na een onenigheid in de redactie in maart 1942 stopte hij zijn medewerking. Althoff zou begin 1942 op uitnodiging van de regering in ballingschap als vervanger van Koos Vorrink naar Londen proberen te reizen. Erik Hazelhoff Roelfzema en Chris Krediet 
Christiaan Boers (Den Haag, 24 oktober 1889 – Oranienburg, 3 mei 1942) was een Nederlandse beroepsmilitair, kapitein bij de Koninklijke Landmacht. Hij bracht zijn jeugd door in Den Haag. Zijn ouders stuurden hem naar een particuliere school en daarna begon hij aan een militaire opleiding. Na de Koninklijke Nederlandse Militaire Academie in Breda en komt hij in Amersfoort terecht. In 1921 woonde de Eerste Luitenant der Infanterie op de Utrechtseweg 100, was hij getrouwd met Helena Wiepkes uit de gemeente ‘Wijk aan Zee en Duin’ en ze had het echtpaar twee zoontjes, Henk (1919) en Dirk (1921). Het huwelijk met Helena liep echter op de klippen en eind twintiger jaren volgde een echtscheiding. In 1933 trouwde hij opnieuw, met de 26-jarige Janna Metz . Christiaan was toen al bevorderd tot Kapitein der Infanterie.
De Slag om de Afsluitdijk geldt in veler ogen nog steeds als een poging van nazi-Duitsland om in mei 1940 de Afsluitdijk in te nemen. Een poging die mislukte door heldhaftig optreden van de ongeveer 255 Nederlandse soldaten, onder aanvoering van Christiaan Boers, de commandant van de
Christiaan Frederik van den Berg (Arnhem, 27 juli 1901) was een kapitein der infanterie die actief was in het verzet in Den Haag voor de Ordedienst. Hij hield zich vooral bezig mer het verzamelen van inlichtingen. Hij was getrouwd met 
Het werk van 
Jhr Willem Theodoor Cornelis van Doorn (Den Haag, 31 mei 1911 – Leusderheide, 29 juli 1943) zat op de lagere school in Den Haag en Gouda en daarna op het gymnasium in Den Haag en Kampen. In 1931 ging hij rechten studeren in Leiden. Hij was race-roeier en voorzitter van de Pro Patria. Na zijn kandidaats stopte hij met zijn studie om zich verder aan de 
Anton Willem Marie (Ton) Abbenbroek (Den Haag, 9 december 1917), in het verzet ook bekend onder de schuilnaam Thierens, maar binnen de groep werd hij door zijn medestrijders/vrienden ‘Ab’ genoemd. Hij was bij het uitbreken van de oorlog cadet aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. In de zomer van 1940 namen Abbenbroek en jonkheer Joan Schimmelpenninck, alias ‘Oom Alexander’, het initiatief om een verzetsorganisatie op te richten. Hij deed verzetswerk als verbindingsofficier van de inlichtingengroep. Nadat Schimmelpennink op 13 november 1941 was gearresteerd nam hij samen met Gerard Dogger tijdelijk de leiding van de Ordedienst op zich. Zijn woonadres in Den Haag functioneerde toen als hoofdkwartier van de Ordedienst). 
Jonkheer Joan Schimmelpenninck (Rhenen, 30 september 1887 – Leusderheide, Amersfoort, 29 juli 1943), binnen de vriendenkring Jaat genaamd, wasirecteur van hert Nederlandse kantoor van de Franse wijnfirma Mähler-Besse & Cie uit Bordeaux, die in Nederland twwe kantoren had, in Amsterdam aan de Prinsengracht en in Den haag aan de Anna Paulownastraat. Hij was een aangetrouwde neef van de luitenant-generaal b.d., oud-commandant Veldleger jonkheer W. Röell. Hij was goed ingevoerd in de hogere kringen in het Amsterdamse en Haagse wereldje. 


Pierre Versteegh (Kedung Banteng, Centraal-Java, 6 juni 1888 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) was een Nederlands luitenant-kolonel der artillerie, een olympisch springruiter en verzetsman. Hij was een broer van generaal 
Arnold Borret (Maastricht, 28 oktober 1848 – Paramaribo, 6 februari 1888) is een Nederlandse jurist die actief werd in de kolonie Suriname als rechter, priester en kunstenaar. Zijn teken- en schilderwerk geeft een breed beeld van het Suriname op het eind van de negentiende eeuw. Hij stamde uit een voorname Bossche, katholieke familie. Zijn vader
Koeno Henricus Eskelhoff Gravemeijer (Oosthem, gemeente Wymbritseradeel, 25 februari 1883 – Wassenaar, 13 februari 1970) was een Nederlandse calvinistische predikant, secretaris van de Algemene Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk en, samen met kardinaal de Jong, leider van het kerkelijk verzet in de Tweede Wereldoorlog. Hij was afkomstig uit een oud Oostfries predikantengeslacht. Hij studeerde theologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en werd eerst hulpprediker in Leeuwarden en daarna predikant in Giessen-Oudekerk (1911), Voorburg (1915) en Den Haag (1920). Gravemeijer trouwde in 1911 met Baukje van Popta, die op 23 oktober 1930 zou overlijden. Hij werd bekend als boeiend prediker, ijverig pastor en bekwaam organisator. Binnen zijn calvinistische traditie was hij sterk beïnvloed door 
Willem Idenburg (Gouda, 18 februari 1904 – Neustadt, 27 april 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was aannemer van stukadoorswerk van beroep, was lid van de Ordedienst en later van de Binnenlandse Strijdkrachten en was actief in het lokale verzet in Gouda, waarbinnen hij de belangen behartigde van onderduikers en Joden Zo was hij betrokken bij illegale transporten van bijvoorbeeld wapens of voedsel voor onderduikers. Als eigenaar van een stukadoorsbedrijf beschikte hij over vervoersmiddelen die het verzet goed kon gebruiken bij deze illegale wapendroppings en andere transporten. Tijdens een van die transporten werd hij herkend, vervolgens verraden en op 21 februari 1945 in Gouda gearresteerd. Een poging om hem tijdens zijn transport naar Rotterdam te bevrijden mislukte. Via het ‘Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen waar veel verzetsstrijders gevangen zaten, kwam hij in kamp Amersfoort terecht. Met het allerlaatste transport uit dat kamp werd hij vervolgens overgebracht naar het Duitse concentratiekamp Neuengamme, zo’n dertig kilometer ten zuidoosten van Hamburg. Een brief van 21 maart 1945 is het laatste levensteken dat zijn vrouw en kinderen van hem ontvingen. Nadat de Duitsers eind april 1945 op de vlucht voor de geallieerden dat kamp ontruimden, zetten ze de gevangenen vast op drie passagiersschepen in de Lübeckerbocht. Op 27 april 1945 overleed Willem Idenburg, verzwakt door alle ontberingen, aan boord van het schip Cap Arcona. Nog geen twee weken later was de oorlog voorbij. 

De Duits-Oostenrijkse historica Brigitte Hamann, die eerder in 1996 het onvolprezen “Hitlers Wien” schreef over de armoedige jaren van Hitler in Wenen in de jaren 1908-1913 en de verwoestende invloed die deze toenmalige smeltkroes van volkeren op zijn verwarde geest moet hebben gehad, vertelt nu het ongelofelijke verhaal van de Joodse armenarts Eduard Bloch en zijn gezin. Bloch was de voormalige huisarts van de familie Hitler en was zo zorgzaam en behulpzaam geweest bij de ziekte en het overlijden van Hitlers moeder, dat het een onvergetelijke indruk op de latere Führer maakte. Toen ruim dertig jaar later Oostenrijk door de Anschluss deel ging uitmaken van het grote Duitse Rijk stond de eenvoudige huisarts vanaf dag één onder de uitdrukkelijke bescherming van Adolf Hitler. “Das ist eine Edeljude. Wenn alle Juden so wären, gäbe es keinen Antisemitismus”, zou Hitler later over Bloch opmerken.
Johan Hendrik Westerveld (Haarlem, 21 augustus 1880 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) was militair tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Westerveld was aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda opgeleid tot beroepsofficier bij het Wapen der Artillerie, waar hij op 1 augustus 1901 werd benoemd tot tweede luitenant. Later vervulde hij onder meer de functie van Commandant School Reserve-Officieren Bereden Artillerie (SROBA). Gedurende zijn diensttijd leerde hij P.M.R. Versteegh kennen, met wie hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zou samenwerken. In 1920 verliet hij de militaire dienst om een functie te aanvaarden bij de firma Van den Bergh & Jurgens in Rotterdam. Van 1929 tot 1939 was hij namens deze firma bedrijfsleider van de vestiging in het Duitse Goch. Hij maakte dus van nabij de opkomst mee van het nationaalsocialisme in Duitsland. Op 30 oktober 1939 werd hij gemobiliseerd in de rang van van luitenant-kolonel. In de eerste dagen van mei 1940 was hij eerst werkzaam bij de Inspectie der Artillerie; vanaf 12 mei 1940 kwam hij terecht bij het Artillerie Commando Vesting Holland, waarvan het hoofdkwartier in Den Haag was gevestigd. Op 30 mei 1940 werd hij gedemobiliseerd.
De Nederlandse Arbeidsdienst (NAD) werd op 15 oktober 1940 opgericht, een fusie van de in juli 1940 in het leven geroepen 

De Nederlandse Opbouwdienst (N.O.D.) werd op 15 juli 1940 opgericht door de Nederlandse overheid, die op dat moment al door de Duitse bezetters werd aangestuurd. Het as een overgangsorganisatie die als doel had te zorgen dat de ontmanteling van het Nederlandse leger in de bezettingstijd ordentelijk zou verlopen. Er was in Nederland nog steeds een behoorlijk hoge werkeloosheid en de Duitsers wilden ervoor zogen geen onvrede in de Nederlandse samenleving te laten ontstaan door een verdere stijging van het werkloosheidspercentage doordat er vele ontslagen binnen defensie zouden moeten worden gedaan. Na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 was het verslagen Nederlandse leger an 270.000 man in zijn geheel door de Duitsers krijgsgevangen verklaard. Daarvan werden 30.000 man naar Duitsland overgebracht, de overige militairen moesten in de kazerne blijven. Maar al in juni 1940 mocht iedereen weer naar huis, een gebaar van de bezetters om de Nederlanders gunstig te stemmen. Er werden 60.000 werkloze ex-soldaten ondergebracht in de Nederlandse Opbouwdienst, een organisatie die moest helpen bij het herstel van de oorlogsschade in Nederland. Dat beleid was een voortzetting van een eerder 






Laurens Rijnhart Beijnen (Brummen, 23 september 1896 – Brummen, 13 april 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was lid van de 


Michel Cymes (geboren te Parijs op 14 mei 1957) is als specialist verbonden aan een kliniek in de Franse hoofdstad. Hij presenteert medische programma’s voor de publieke omroep France Télévisions. De grootouders van Cymes waren Poolse Joden, die in 1922 naar Frankrijk waren uitgeweken. Zijn beide grootvaders zijn in Auschwitz vermoord. Vanuit die achtergrond stelt hij aan alle Duitse nazi-artsen de vraag: “Hoe kun je een beroep kiezen dat leven redden als hoogste doel heeft en vervolgens de levens beëindigen van degenen die je niet langer beschouwt als mensen?”. Daarop volgend komt de vraag op of alle weerzinwekkende experimenten in de kampen de geneeskunde ook maar een millimeter verder hebben gebracht. Om het nog wat lastiger te maken, werpt Cymes een derde vraag op: Klopt zijn aanname dat alle folteraars tweederangs artsen waren, die door hun leraren en jaargenoten werden bespot en gemeden en nu de kans zagen te bewijzen dat ook zij, de minkukels, een grote wetenschappelijke bijdrage konden leveren aan het krankzinnige project van het Derde Rijk? Zij zouden wel eens even uitvinden hoe het Duitse volk het gezondste in de hele geschiedenis van de mensheid kon worden. 


Op Netflix een tijdje geleden geleken naar de Amerikaanse documentaire 13th, een indringende film over het eeuwenlange racisme in Amerika. Er wordt in uiteengezet hoe in de Verenigde Staten telkens een nieuw systeem ontstond om de Afro-Amerikaanse bevolking te onderdrukken. In 1865 werd voorgesteld via 


Gustaaf Henri Gelder (Batavia, 8 juli 1919 – Den Haag, 21 januari 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen in oktober 1941 door de Duitse bezetters werd afgekondigd dat Joden niet langer lid mochten zijn van een studentenvereniging, besloten die verenigingen zich op te heffen. Dat betekende echter ook dat er een eind dreigde te komen aan veel van de onderlinge contacten. Zo waren er literaire salons, waar door wetenschappers als de hispanoloog 

















In de afgelopen eeuw is er een enorme lijst ontstaan aan
De British Commonwealth startte in 1931 dus voorzichtig met zeven leden: Groot-Brittannië en zes dominions (Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de Unie van Zuid-Afrika, Newfoundland en de Ierse Vrijstaat). Daarnaast had Groot-Brittannië een groot aantal kolonies, waarvan Brits-Indië vanwege haar grootte en belang voor het koloniale rijk een soort ‘status aparte’ had. Het omvatte de huidige landen India, Pakistan, Bangladesh en delen van Myanmar (Birma) en in bredere zin werd onder het begrip Brits-Indië het geheel aan koloniale bezittingen op het Indisch subcontinent bedoeld die al vanaf de 17e eeuw stapsgewijs in Britse handen kwamen. Tot 1858 werd dat land bestuurd door de Britse Oost-Indische Compagnie, maar vanaf 1876 regeerde koningin Victoria deze kolonie niet meer als koningin van het Verenigd Koninkrijk en het Britse Rijk, maar nam zij ook de titel keizerin van India aan. Men spreekt van 1876 tot 1947 dan ook wel van het keizerrijk India. Victoria regeerde overigens niet zelf, maar had een onderkoning als haar plaatsvervanger. Deze maakte op zijn beurt weer gebruik van de macht van Indiase adel (radja’s en maharadja’s). Deze inheemse vorsten werden weer bijgestaan en in de gaten gehouden door Britse bestuursambtenaren. Hoewel de vorsten soms zelfs een eigen leger en luchtmacht bezaten, was hun onafhankelijkheid door verdragen en de dominante positie van de Britten sterk ingeperkt. Op deze manier lukte het de Britten om India, met een bevolking die vele malen groter was dan die van het ‘moederland’, onder controle te houden. Tot 1947, toen het uit was met de pret.
Van 4 april tot 6 mei 1887 werd in Londen de
Een kolonie is een territorium dat onder bestuur van een soevereine staat valt, maar geen deel uitmaakt van het eigenlijke grondgebied van dat moederland. Oorspronkelijk was kolonisatie de vestiging van een deel van een bevolking buiten het eigenlijke territorium van dat volk, zoals de Oude Grieken die kolonies stichten in onder meer het huidige Turkije en op Sicilië. Bij latere kolonisaties werd echter de inheemse bevolking ook onderworpen. Deze vorm van westerse kolonisatie begon in de eerste jaren van de 15e eeuw toen de Spanjaarden en Portugezen de wereld gingen ontdekken en al doende diverse landen, kuststroken en steden aan hun territorium gingen toevoegen. Bij het 
Arthur Lucien Charroin ( Saint Martin-de-Valgargues, 16 juni 1906 – Bergen-Belsen, februari 1945) was een inspecteur van de Sûreté nationale, het Franse onderzoeksinstituut dat al in de negentiende eeuw werd opgericht en als voorbeeld diende voor de opzet van bijvoorbeeld Scotland Yard. Zijn geboortedorp Saint-Martin-de-Valgalgues ligt in het Zuid-Franse arrondissement Alès van het departement Gard. Dat is dus in de Vrije Zone ofwel 




Katja Happe (1970) is een Duitse historica die in Siegen en Groningen studeerde en als afstudeeronderzoek zich verdiepte in de behandeling van de ‘moffenmeiden’ in Nederland. Sinds 2011 is ze geassocieerd onderzoeker bij het NIOD. Het is voor de eerste keer dat een Duitstalig onderzoek verschijnt over de Jodenvervolging in Nederland in de oorlogsjaren, met haast vanzelfsprekend een Nederlandse vertaling. Vanwege haar achtergrond lijkt Happe ook de uitgelezen persoon om de achtergronden, het verloop en de uitwerking van de Jodenvervolging in ons land voor een Duits publiek te presenteren. Een publiek waarvoor de massamoord op de Nederlandse Joden één van de vele grootschalige misdrijven namens het Duitse volk is geweest; met ‘slechts’ iets meer dan honderdduizend slachtoffers is men dan wellicht geneigd over het hoofd te zien welke enorme impact de grootschalige schending van de menselijkheid en Nederlandse rechtsorde en de brute moord van veel van haar onderdanen heeft gehad en nog steeds heeft in de Nederlandse samenleving.
Jacobus Andreas Beekman (Delft, 17 augustus 1912 – Dordrecht, 8 juni 1945) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Beekman was rooms-katholiek, gehuwd, vader van vier kinderen en woonachtig in de Van Baerlestraat in Dordrecht. In die plaats werkte als ingenieur bij de 

Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het
In Nederland werd vanaf de jaren twintig van de twintigste een groot aantal
Dordtse verzetshelden wisten in januari 1945 koerierster Lenie Dicke uit een strengbewaakte gevangenis te bevrijden. Maar de actie kwam de familie Dicke duur te staan. Een reconstructie van een riskante gevangeniskraak.


Louis Pasteur
Herman Jan van Aalderen (Zwolle, 4 oktober 1886 – Bergen-Belsen, 31 mei 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van Aalderen was ingenieur en chef van het seinwezen bij de Nederlandse Spoorwegen, waarbij de ene bron vermeldt dat hij werkzaam was in Zwolle en een andere bron in Utrecht. Gezien het feit dat hij woonachtig was aan de Rembrandtlaan 99 te Bilthoven lijkt Utrecht als de correcte werkplaats. Binnen de Nederlandse Spoorwegen was hij een zeer geziene persoonlijkheid, die zijn anti-Duitse gevoelens niet onder stoelen of banken stak. Hij gebruikte zijn werk om allerlei illegaal werk te doen. Zo gaf hij in 1942 tekeningen aan H. Leeuw, een machinist bij de spoorwegen en ook lid van de illegale groep-Hamelink, een verzetsgroep rond vakbondsman Jaap Hamelink, een lasser bij de Centrale Werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen te Haarlem. De groep-Hamelink maakte van de tekeningen microfilms die werden opgestuurd naar het coördinerend verzet in Londen, die ze nodig had voor aanslagen op het spoor. De verzetsgroep was onder meer actief met hulp aan Joden en het vervalsen van persoonsbewijzen. Vanaf het begin van de bezetting spoorde 
Op 22 november 1944 waren in Apeldoorn door de Sicherheitsdienst vijftien kopstukken van het verzet aangehouden en opgesloten in de zwaar bewaakte Koning Willem III kazerne. Het verzet heeft haast om de gevangengenomen kopstukken te bevrijden, want de kans dat iemand tijdens de verhoren doorslaat neemt met de dag toe. De kazerne werd echter zwaar bewaakt, waardoor het Apeldoornse verzet er niet in slaagde een incomplete omgevingsschets te maken. Daarom besloten Johannes ‘Frank’ van Bijnen, Samuel ‘Paul’ Esmeijer en Huibert Verschoor om op 28 november 1944 de bewaking van de Willem III kazerne te bekijken. Het eindigt met de directe dood van Esmeijer omkomt; Van Bijnen overleed enkele dagen later. Verschoor wist te ontsnappen, maar zal later in de oorlog alsnog om het leven komen. Op 2 december 1944 werden als represaille elf verzetsstrijders en de Amerikaanse piloot Bill F. Moore opgesloten in de Koning Willem III kazerne en gefusilleerd: A. L. Ansems, J. Balk, Ph. Corts, H.G. Drost, J. Engelaan, 
Duitsland had als laatkomer in de imperiale wedloop in de jaren 1884-1900 in sneltreinvaart een redelijk groot koloniaal rijk opgebouwd, verdeeld over Afrika, de Stille Zuidzee en China. Nadat in 1682 de
Duitsland was een laatkomer in de imperialistische strijd om kolonies omdat het pas in 1871 een staatkundige eenheid was geworden. De 


