DIRK ARIE VAN DEN BOSCH (57)


Dirk Arie van den Bosch (Hazerswoude, 23 oktober 1884 – Amersfoort, 20 maart 1942) was de zoon van een veeboer. Het nakomertje in het gezin heeft echter weinig affiniteit met het boerenbestaan. In hervormde kring omschreef men dat als volgt: ’Als kind kent hij al het verlangen om in Gods wijngaard werkzaam te zijn’. Hij kreeg op school bijles om hem klaar te stomen voor het gymnasium in Leiden. In Leiden ging hij ook theologie studeren. Op 4 september 1910 werd hij als predikant bevestigd in Nieuw-Vennep, nadat hij in het huwelijk was getreden met Catrien Fortgens, de dochter van zijn leermeester in Hazerswoude. In 1914ging hij naar het Groningse Stedum. Twee jaar later aanvaardde hij een betrekking in Den Haag, tot diepe teleurstelling van de Stedumers. Een ervan verwoordde zijn teleurstelling: ‘Ik mag lijden dat hij met zijn hele verhuisboel de gracht inrijdt.’ In Den Haag kreeg hij de verantwoordelijkheid voor een wijk met 11.000 adressen en zo’n 20.000 zielen. In korte tijd maakte hij naam als bewogen prediker, trouw pastor en begaafd spreker. Het leverde hem de bijnaam ‘de Haagse Spurgeon’ op, een verwijzing naar de 19e-eeuwse Engelse baptistenpredikant Charles Haddon Spurgeon (Kelvedon, 19 juni 1834 – Menton, Frankrijk, 31 januari 1892) die een grote reputatie had binnen de protestante kerk. Duizenden kwamen af op de preken van Van den Bosch, waarin hij van leer trok tegen het nazisme en de Jodenvervolging in Duitsland. Zoals veel mensen uit de christelijke wereld had hij een grote afkeer van het nationaalsocialisme. Scherp veroordeelde hij de Jodenvervolging in Duitsland. Meermalen sprak hij op toogdagen van Elim, de Nederlandsche Vereeniging voor Zending onder Israël. Op 26 juni 1940, anderhalve maand na de inval van de Duitsers, opende de moedige predikant in Den Haag een zendingshuis voor Joden, die onder Elim wordt geplaatst. Begin 1941 wordt het pand door de Duitsers in beslag genomen en leeggeroofd. Op dat moment zit Van den Bosch al in hechtenis.

(meer…)

LUDO BLEYS (56)

Pater Ludovicus Adrianus Bleys werd op 17 oktober 1906 geboren in de Tilburgse wijk Veldhoven in het gezin van schoenmaker Adrianus Bleijs en Joanna Maria Meijers. Om onduidelijke redenen is zijn naam later gewijzigd in Bleys. Hij werd op 30 mei 1931 tot priester gewijd en was onder andere pater-kapelaan in de Kapel in ’t Zand naast het redemptoristenklooster in Roermond. De Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Congregatio Sanctissimi Redemptoris, C.Ss.R.) is een katholieke congregatie, meestal de redemptoristen genoemd, die een sterk christocentrische spiritualiteit hebben en erg zijn gericht op retraites, deels in eigen retraitehuizen, deels in volksmissies en vastenprediking. In de oorlog was hij onder de verzetsnaam Lodewijk actief op allerlei fronten en betrok vele jonge mensen bij zijn verzetsactiviteiten. Hij was vanaf het begin tegenstander van de gelijkschakeling met de Duitse opvattingen en methoden en werd lid van de Nederlandsche Unie omdat hij in deze beweging een mogelijkheid zag zich af te zetten tegen het nationaalsocialisme. Toen in Limburg onder leiding van reserve-generaal-majoor b.d. J.R.L. Jans de Ordedienst (OD) actief werd, werd Bleys belast met de geestelijke verzorging. Hij was de raadsman van iedereen die onder de verplichtingen van de arbeidsdienst vielen. Zijn bemoeienissen hadden tot gevolg dat hij zich moest verantwoorden bij de procureur-generaal in ‘s-Hertogenbosch, maar daar wist hij zich vrij te pleiten. Hij was later in zijn woonplaats Roermond een van de oprichters van de Limburgse Onderduikorganisatie (LO), die eind 1943 onderdeel werd van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). De Venlose onderwijzer Jan Hendrikx werd hun regionale vertegenwoordiger. Nadat de LO was gedwongen zich te reorganiseren, was Hendrikx ook lid van de zgn. Landelijke Top. Pater Bleys had contact met Jan Hendrix en stond ook in voortdurend contact met drs. J.L. Moonen, de secretaris van de bisschop van Roermond.

(meer…)

HENK BEERNINK (55)

Henk Beernink (Hendrikus Dirk Jan) (Lichtenvoorde, 3 februari 1910 – Zwolle, 8 februari 1945) woonde van januari 1932 tot eind november 1933 in Oldenzaal. Hij was toen leerling machinist bij de Nederlandse Spoorwegen. Hij was in de kost bij de wed. G. Kuijers aan de Julianastraat 51, later bij G. T. Derksen een paar huizen verderop. Daarna vertrok hij weer naar zijn ouders en zus in Winterswijk. In Mei 1938 trouwde hij met Riek te Riet, een jaar later verhuisden ze naar de Harculostraat 6 te Zwolle, waar in april 1940 hun dochtertje Rineke (Renée) werd geboren. Hij was inmiddels telegraafwerker bij de Nederlandse Spoorwegen. Op 8 februari 1947 zou de Harculostraat naar hem worden vernoemd. Hij was eerste telegraafwerker bij de Nederlandse Spoorwegen te Zwolle en gaf les aan aankomende technici bij de spoorwegen. In het eenvoudige milieu waarin hij opgroeide gold een technische basisopleiding als het hoogst haalbare. Hij had grote belangstelling voor geschiedenis en genealogie, was politiek liberaal georiënteerd en Nederlands-hervormd van gezindte. Niet bijzonder kerks, maar wel religieus geïnspireerd in zijn kijk hoe je met mensen omging. Beernink stond bekend als een wat introverte man, niet altijd even makkelijk in de omgang, maar wel erg wel toegankelijk. En zeer sociaal iemand, bij wie ‘alles kon’. Er was bij hert gezin Beerninks altijd volk over de vloer, zowel overdag als ’s nachts. Het was een voortdurend komen en gaan van mensen, plotselinge eters en slapers. De drukte, rommel en vuile schoenen maakte Henk en zijn vrouw niets uit.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 5

Op 1 maart 1911 begonnen de Italiaanse Nationalistische Vereniging een wekelijkse krant, L’Idea Nazionale. De verschijningsdatum 1 maart was niet toevallig, maar werd gekozen vanwege de 15e verjaardag van de voor Italië verpletterende nederlaag in de Slag bij Adwa. Italië had in de jaren 1885-1890 de Afrikaanse gebieden Eritrea en Somalië veroverd en zocht daarna uitbreiding naar het buurland Ethiopië. Keizer Menelik II van Ethiopië was hier zeer fel tegen, maar stemde ermee in om een verdrag met Italië te sluiten. Hij droeg een aantal gebieden van Ethiopië aan Italië over in ruil voor de verzekering dat Ethiopië onafhankelijkheid zou blijven en van Italië financiële en militaire hulp kreeg. Op 2 mei 1889 tekenden koning Menelik II van Shewa (later de keizer van Ethiopië) en Graaf Pietro Antonelli van Italië in het kleine Ethiopische stadje Wuchale het Verdrag van Wuchale, waarmee enerzijds de Italiaanse bezetting van Eritrea werd erkend en anderzijds de vriendschap en handel tussen Italië en Ethiopië werd vastgelegd. Het doel was een langdurige, vreedzame onderlinge relatie op te bouwen, maar door kleine verschillen in de Italiaanse en Amhaarse versie van het verdrag ontstond er al snel een conflict tussen beide landen. De Italiaans versie verklaarde dat Ethiopië verplicht was alle buitenlandse zaken via Italiaanse autoriteiten te regelen, waardoor Ethiopië in feite een Italiaans protectoraat werd. De Amhaarse versie gaf Ethiopië aanzienlijke autonomie, met de mogelijkheid om via de Italianen met derde mogendheden te communiceren. Dit verschil leidde ertoe dat Menelik II in 1893 het verdrag opzegde. De Italianen wilden via oorlog alsnog hun gelijk af te dwingen, maar de Eerste Italiaans-Ethiopische Oorlog (1895-1896) eindigde voor hen in een nederlaag. In 1895 haalden Italiaanse troepen vanuit Eritrea voortgang, maar al snel worden ze door Ethiopische troepen gestopt. Die vielen daarna de Italiaanse posities aan en zorgde ervoor dat de Italianen het belegerde fort Mekele moesten opgeven. De Italiaanse nederlaag kwam daarna tot stand bij de Slag bij Adwa, waar het Ethiopische leger de zwaar in de minderheid zijnde Italiaanse soldaten en Eritreeërs versloegen en dwongen tot een smadelijke terugtocht naar Eritrea. De Ethiopiërs hadden hun wapens geleverd gekregen door Drankrijk en Rusland. Sommige Eritreeërs, die door de Ethiopiërs als verraders werden beschouwd, werden gevangengenomen en verminkt. De oorlog eindigde op 23 oktober 1896 formeel met de Verdrag van Addis Abeba, waarmee het Verdrag van Wuchale nietig werd verklaard en Ethiopië als een onafhankelijk land werd erkend. Aansluitend sloten ook Frankrijk (januari 1897) en Groot-Brittannië (mei 18970 verdragen met Ethiopië. Het was de eerste overwinning van Afrikaanse troepen op een Europese koloniale macht, waardoor deze oorlog het symbool werd van panafrikanisme. In 1936 veroverde de Italianen Ethiopië alsnog, maar daarover later meer.

(meer…)

DE ORDEDIENST 3

In de periode november 1941- september 1942 waren de Duitsers er op uit om de Ordedienst volledig uit te schakelen, want ze veronderstelde dat het een bewapende strijdgroep was, die niet alleen de Engelsen kon helpen om Duitsland aan te vallen, maar ook al eerder tot sabotage, inlichtingenwerk en andere vormen van daadwerkelijk verzet kon overgaan. Had de organisatie niet een militaire structuur met commandanten, leden door het hele land en een schriftelijk plan met richtlijnen voor het handelen? Het gevolg was een grote arrestatiegolf,wat niet alleen het resultaat was van hardnekkige vervolging door de Duitse bezetter, maar ook van onvoorzichtigheid, van informatie uit eerdere verhoren, van pure pech én van verraad. De organisatie was namelijk geïnfiltreerd door ‘vertrouwensmannen’ die voor de Duitsers werkten zoals Mozes Brandon Bravo, Engelbertus Brune, Johnny de Droog, George Ridderhof en Anton van der Waals. De Sicherheitspolizei kreeg bovendien hulp van twee Haagse politiemannen, Leo Poos en Marten Slagter, die betrokken waren bij arrestaties en verhoren van personen die in het verzet zaten. 

Terwijl in april 1942 het Eerste OD-proces tegen leden van de Ordedienst, de Mekel-groep en de Schoemaker-groep door de Sicherheitsdienst lopend was, werd door dezelfde Duitse dienst het Tweede OD-proces al voorbereid. Op dat moment zaten namelijk in de gevangenis van het ‘Oranjehotel’ te Scheveningen zo’n driehonderd gearresteerde leden van de Ordedienst, waarvan er uiteindelijk ongeveer honderd ‘Todeskandidaten’ werden uitgezocht om voor de rechtbank te verschijnen. Een Todeskandidat was onder het nazi-regime een gevangene die op een lijst stond om als represaille voor een aanslag van het verzet gefusilleerd te worden. De fusillades vonden meestal plaats nabij de plek waar de aanslag had plaatsgevonden. Ter voorbereiding op de nieuw rechtszaak werden in het najaar van 1942 de beklaagden uit de gevangenissen/kampen van Scheveningen, Amersfoort en Vught overgebracht naar Kamp Haaren gebracht. Polizei- und Untersuchungsgefängnis Lager Haaren, zoals de Duitsers het noemden, was gevestigd in het grootseminarie Haarendael in Oisterwijk (Noord-Brabant) en functioneerde van 8 december 1941 tot 5 september 1944 als gijzelaarskamp en huis van bewaring in gebruik Voor de Sicherheitsdienst. Van 8 december 1941 tot 1 februari 1944 had SS-Obersturmführer Heinrich Wacker de leiding over de gevangenen, die enerzijds bestond uit personen die gegijzeld waren en anderzijds uit personen die Grenzübertritt (verzetsmensen, Nederlandse agenten die vanuit Engeland gedropt waren, piloten, parachutisten, ontsnapte gevangenen en onderduikers). Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) werd het kamp ontruimd en werden de gevangenen naar Kamp Vught gebracht. Gijzelaars zonder papieren werden vrijgelaten. De resterende 2800 mannen werden naar Sachsenhausen gedeporteerd; 650 vrouwen werden naar Ravensbrück gebracht. In het gebouw van het grootseminarie in Haaren zaten tussen 13 juli 1942 en begin 1943 ongeveer 600 min of meer bekende Nederlanders, waaronder de latere minister-president Jan de Quay, de reder Willem Ruys, de latere hoge Brusselse ambtenaar Max Kohnstamm, de schrijver Jan Campert, de componist Hendrik Andriessen, de concertpianist Willem Andriessen, de goochelaar Henri Nolles, de cabaretier Lou Bandy en Jan Goudriaan (president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen). Onder de gijzelaars waren 150 leiders van ondernemingen, 133 mensen uit de vrije beroepen, 60 hoogleraren, leraren en onderwijzers, 103 ambtenaren, 60 geestelijken, 3 vakbondsleiders en 5 studenten. Tweemaal, op 15 augustus 1942 en op 16 oktober 1942, werden er (totaal 85) gijzelaars uit Haaren gefusilleerd. (meer…)

WILLEM HERTLY / GERARD VINKESTEIJN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Twee van de zeventien terechtgestelden waren:

Willem Hendrik Hertly (Engwierum/Oostdongeradeel, 2 januari 1891) was hoofdambtenaar bij het Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf te Den Haag en was getrouwd met Frederika Rauws (Den Haag, 14 september 1887). Hij was actief betrokken bij het verzet van de Ordedienst, waarbij hij samenwerkte met Jan Velu (Malang, 29 juni 1882 – Sonnenburg, 31 mei 1944). Velu was een luitenant-kolonel van het KNIL, die tegelijk met Hertly door verraad op 25 juli 1942 werd gearresteerd en onder andere werd opgesloten in de kampen Vught en Haaren. Uiteindelijk kwam hij als Nacht und Nebel-gevangene om in het KZ-Aussenkommandi Sonnenburg, een buitenkamp van Buchenwald, waar krijgsgevangenen dwangarbeid moesten verrichten voor de Thüringer Zahnradwerke mbH Sonneberg, een dochteronderneming van Maschinenfabrik G. E. Reinhardt uit Leipzig. Hij stierf daar op 31 mei 1944 aan de ontberingen. Hertly stond bij het Tweede OD-proces terecht, werd door het Feldgericht des kommandierenden Generals und Befehlhabers im Luftgau Holland ter dood worden veroordeeld vanwege spionage, sabotage en wapenbezit en op 29 juli 1943 op de Leusderheide worden geëxecuteerd. Hertly ligt begraven op de Algemene Begraafplaats Rusthof te Amersfoort. Postuum is hem het Verzetsherdenkingskruis verleend. Er is van hem gen foto bewaard gebleven, slechts de overlijdensadvertentie.

Gerardus Joannes Franciscus Vinkesteijn (Schiedam, 22 maart 1907) was een binnenhuisarchitect te Wassenaar. Hij was voor de oorlog al lang bevriend met de Engelandvaarder Chris Krediet en sinds 1940 met Adriën Moonen, met wie hij ook deelnam aan activiteiten van de Ordedienst. Vinkesteijn stelde zijn huis ter beschikking voor het verzet en probeerde geld bij elkaar te brengen om voortvluchtige mensen te helpen. Op 5 januari 1942 probeerde hij naar Engeland te gaan, maar werd vier dagen later in de trein opgepakt. Vinkesteijn stond terecht bij het Tweede OD-proces, werd door het Feldgericht des kommandierenden Generals und Befehlhabers im Luftgau Holland ter dood worden veroordeeld vanwege spionage, sabotage en wapenbezit en werd op 29 juli 1943 op de Leusderheide worden geëxecuteerd. Voor de executie schreef hij een klein berichtje: ‘Gun me mijn onmetelbaar geluk.Ik zie dankbaar terug op mijn leven, dat soms streng,maar dikwijls ook ontstellend mild voor me is geweest. Mag Marie mijn rozenkrans hebben, hij is het die tot het laatst bij me was. Ik zal voor U bidden bij Gods troon en Uw zorgen aanbevelen. Adieu. Gerard‘. Aan zijn moeder liet de 36-jarige Vinkesteijn een langere brief na. Hij ligt begraven op de Algemene Begraafplaats Rusthof te Amersfoort, vak 12, rij C, nummer 146.

ADRIËN MOONEN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Adrien Lambert Jacques Emile Marie Moonen, bijgenaamd “Broer” (Den Haag, 16 december 1914 – Amersfoort, 7 augustus 1943), was een Nederlands politieman en verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog. Hij trad op 1 mei 1936 als ambtenaar in opleiding in dienst van de Haagse gemeentepolitie. Op 1 april 1938 werd hij bevorderd tot adjunct-inspecteur. Gedurende de mobilisatie van 1939-1940 diende hij van 24 augustus 1939 tot 25 mei 1940 als reserve eerste luitenant bij het 6e Regiment veldartillerie. Na de mobilisatie hervatte hij zijn werk bij de gemeentepolitie. Op 15 september 1940 werd hij bevorderd tot inspecteur van politie 2e klasse. Na de Nederlandse capitulatie besloot Moonen in het verzet te gaan. Hij sloot zich aan bij de Ordedienst. Hij ving Engelse agenten op die in Nederland gedropt werden. Als inspecteur van politie kon hij zich in spertijd, de periode dat een gewone burger niet op straat mocht komen, vrijelijk bewegen. Bij zijn verzetswerk werkte Moonen samen met onder anderen Peter Tazelaar, die hij in contact bracht met Aart Alblas en Gerard Dogger. Hij zorgde er ook voor dat Johannes Terlaak een onderduikadres kreeg.
(meer…)

KOLONIËN ITALIË 4

Nadat de Ottomaanse troepen uit Libië waren weggetrokken, werd de strijd door de Libiërs voortgezet. Dit gebeurde onder aanvoering van de Libiër Omar Mukhtar, bijgenaamd de Leeuw van de woestijn. Hij voerde twintig jaar lang een guerrillaoorlog tegen de Italianen en werd in 1931 gevangengenomen. Hij was toen inmiddels al zeventig jaar oud, maar de Italianen beschouwden hem als een belangrijke en gevaarlijke gevangene, die zware kettingen om zijn armen en benen kreeg. Volgens zijn ondervragers las Omar Mukhtar op uit de Koran op de momenten dat hij werd gemarteld. Muktar werd door de bezetter na een kort showproces ter dood veroordeeld en op 16 september 1931 in Benghazi in het openbaar opgehangen. Tegenwoordig staat zijn beeltenis In Libië op het briefpapier van 10 Libische dinar. In 1981 kwam er de film Lion of the Desert uit over de laatste jaren van zijn leven, met onder anderen Anthony Quinn, Oliver Reed en Irene Papas. Er zijn ook overal straten naar hem vernoemd, niet alleen in Libië, maar ook in andere Arabische landen, want hij geldt als een voorbeeld voor moslims in onderdrukte gebieden.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 3

Italië was net als Duitsland pas laat in de 19e eeuw een eenheidstaat geworden, dus veel te laat om op koloniaal gebied nog echt een rol van betekenis te spelen. Wat beide landen er overigens niet van weerhield grote dromen te hebben. Bij de Koloniale Conferentie van Berlijn (november 1884-februari 1885) werd door veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd het Afrikaanse continent verdeeld. Groot-Brittannië en Frankrijk pikten het grootste deel van Afrika in, Duitsland kreeg Duits-Oost-Afrika, Namibië, Kameroen en Togo, België kreeg de begeerde vette kluif Congo, Portugal voegde Angola en Mozambique toe aan het koloniale rijk toe en Spanje bezette het zuiden van Marokko. En de Italianen mochten Libië, Somalië en Eritrea bezetten. Vanaf 1886 werden Somalië en Eritrea onmiddellijk door de Italianen bezet.

De bezetting van Libië liet aanmerkelijk langer op zich wachten. In 1882 had Italië met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije een verdrag gesloten (de Triple Alliantie) met de afspraak dat ze elkaar zouden steunen indien een van hen door twee of meer grootmachten zou worden aangevallen. Het verdrag was vooral gericht tegen Frankrijk, dat in 1881 Tunesië had bezet. In haar expansiedromen naar de overkant van de Middellandse Zee hadden de Italianen nu juist Tunesië als eerste op het oog. De gespannen relatie met het militair aanzienlijk sterkere Frankrijk, plus de inspanningen vanwege de kolonisatie van Somalië en Eritrea zorgden ervoor dat de bezetting van Libië niet de hoogste prioriteit had. En verder was Libië natuurlijk nog steeds deel van het Ottomaanse Rijk, dat weliswaar in verval was maar nog altijd een geduchte tegenstander.

(meer…)

EDUARD ALEXANDER LATUPERISSA

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Eduard Alexander ‘Eddy’ Latuperisa (Koedoes, 9 april 1902), de kapitein van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) die bij het uitbreken van de oorlog in Den Haag woonde, is meteen zeer actief in het verzet. Hij maakt deel uit van de Ordedienst, een groep van voornamelijk militairen, die de basis wil vormen van een nieuwe Nederlandse krijgsmacht na de oorlog. Deze Ordedienst moest bestaan om ongeregeldheden te voorkomen, die kunnen ontstaan na de oorlog, na het vertrek van de Duitsers. Onvermijdelijk ontwikkelt de Ordedienst zich vrijwel meteen tot verzetsorganisatie. Men wil bijvoorbeeld militaire steun bieden bij geallieerde landingen. Al in het eerste oorlogsjaar worden spionage- en sabotage-activiteiten gesteund en ondernomen. Kapitein Latuperisa staat in Den Haag in direct contact met een van de hoofdfiguren van de Ordedienst, jonkheer Johan Schimmelpenninck. In opdracht van deze Schimmelpenninck organiseert hij onder meer bridgeavonden, die in feite zijn bedoeld om cadetten van de officiersopleiding en adelborsten (aspirant zeemachtofficieren) tot de Ordedienst toe te laten treden. Hij trachten ook om wapens en een wapenopslagplaats te regelen, met geld van Schimmelpenninck.

Als een briefje uit de gevangenis is gesmokkeld over het transport van een gevangene is het Latuperisa die bij Schimmelpenninck aandringt een vrachtwagen te regelen om de gevangene (de Indische Johan Nout) te bevrijden. Latuperisa is ook betrokken bij de poging van drie mannen (Peter Tazelaar, Wiadi Beckman en Frans Goedhart) om in de nacht van 17 op 18 januari 1942 vanaf Scheveningen naar Engeland te vluchten. De poging mislukt, Tazelaar ontkomt, de andere twee worden opgepakt. Ook Latuperisa wordt op 13 maart 1942 aangehouden, twee maanden na het voorval op het Scheveningse strand. De aanklacht tegen de KNIL-kapitein luidt: ‘Sabotage, Feindbegünstigung (hulp aan de vijand), politischer Bestätigung und Wortbruch.’ (meer…)

HENRI FRANÇOIS RIKKEN

Henri François Rikken (Paramaribo, 30 mei 1863 – Paramaribo, 17 mei 1908) was een Surinaams prozaschrijver. Hij werd een maand voor de afschaffing van de slavernij geboren. Zijn vader was Jacobus Henricus Rikken, een sergeant-fourier bij de militairen, en zijn moeder was de ‘kleurling’ Elisabeth Maria Jantke, die rond 1825 was geboren. Hij bezocht er tot zijn veertiende jaar de burgerschool van frater Eduard en gaf toen al zijn ogen en oren goed de kost om kennis van de natuur en de mensen van zijn land te vergaren. In 1877 werd de veertienjarige Rikken naar Nederland gestuurd om een priesteropleiding te volgen. Daar schreef hij onder andere voor de Katholieke Illustrator. In Nederland bracht hij talrijke uren door in de Koloniale Bibliotheek in Den Haag en in archieven van Nederland, op zoek naar kennis over de Surinaamse geschiedenis en de folklore van de slaventijd. Op 24 mei 1892 kwam hij terug aan in Suriname waar hij als redemptorist ging werken in Coronie, Para, Vierkinderen, Chattilon en Nickerie. Omdat het Surinaams zijn eigen taal was, die hij door studie nog grondiger leerde en omdat hij ook een uitstekend redenaar was, waren zijn preken zeer geliefd en druk bezocht. Hij organiseerde de missie onder de Chinezen, waartoe hij hun taal leerde, bestudeerde de geschiedenis en folklore van Surinamem, verdiepte zich in het Sranantongo (de taal der Creolen) en ten behoeve van de Antilliaanse gouddelvers en spoorwegwerkers in het Papiaments (de Portugese Creoolse taal). In totaal schreef hij drie historische romans die als feuilleton verschenen in dagbladen en tijdschriften. Hij schreef verder ook enkele korte verhalen. In 1901 publiceerde hij Tokosì of Het Indiaansch meisje. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 35

SIEG VAZ DIAS

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Salomon Vaz Dias (Amsterdam, 1 juni 1904) was een Nederlands journalist, fotograaf en verzetsstrijder, die in de dagelijkse omgang door iedereen Sieg werd genoemd. Hij was de zoon van de kunsthandelaar Jacob de Salomon Vaz Dias en Hana Hamburger, die al voor de oorlog naar Groot-Brittannië waren geëmigreerd. Hij had één zus, Selma Vaz Dias (23 november 1911 — 30 augustus 1977), die ook in Amsterdam was geboren maar al op jonge leeftijd naar Groot-Brittannië was verhuisd en daar een carrière als actrice, schrijfster en schilderes opbouwde. Ze trad onder meer op in films van Alfred Hitchcock’s (The Lady Vanishes, 1938) en Michael Powell (One of Our Aircraft Is Missing, 1942), Ernest Morris (The Tell-Tale Heart, 1960). Verder zorgde ze dat het werk Good Morning, Midnight (1939) van de schrijfster Jean Rhys via theater en radio bekendheid verkreeg en introduceerde het werk van Jean Genet in het verenigd Koninkrijk. Sieg Vaz Dias was voor de oorlog als journalist verbonden aan De Telegraaf, waar Frans Goedhart een collega was. Gedurende de oorlog zouden beiden in de illegale Parool-groep  samenwerken. Sem Presser was in 1935 zijn leerling bij De Telegraaf. Het is niet uitgesloten dat Sieg familie was van Mozes Salomon Vaz Dias (Amsterdam, 22 mei 1881 – Amsterdam, 4 januari 1963), een Nederlands journalist en oprichter in 1904 van het Persbureau M.S. Vaz Dias, dat onder meer persberichten leverde aan dagbladen en in 1922 het eerste live-radioverslag ter wereld van een voetbalwedstrijd gaf. Het persbureau had ook een wereldprimeur door als eerste de moord op de aartshertog Franz Ferdinand en zijn echtgenote in Sarajevo op 28 juni 1914 wereldkundig te maken. Voor deze Mozes Salomon Vaz Dias is aan de Weesperstraat net ten zuiden van de M.S. Vaz Diasbrug het Monument Vaz Dias van Herman van der Heide geplaatst. Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zat Vaz Dias met fotojournalist Henk Temme bij de contraspionage, als medewerker van de Generale Staf sectie III (GS III), de eerste moderne Nederlandse inlichtingendienst die op 25 juni 1914 was opgericht om militaire gegevens over diverse Europese landen te verzamelen. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 2

Twee jaar later werd de Italiaanse koloniale droom een klein beetje ingevuld. Tussen 15 november 1884 en 26 februari 1885 werd de Koloniale Conferentie van Berlijn gehouden, waar veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd Afrika verdeelden. Groot-Brittannië richtte zich op het bezitten van een ononderbroken strook van Egypte tot aan Zuid-Afrika, dus het oosten en zuiden van het continent. Dat Nigeria en Zuidelijk Afrika Brits werden was grotendeels het gevolg van particulier initiatief. Het Britse streven werd doorkruist door dat van de Fransen die een west-oostverbinding wilden, een strook die het gehele continent bestreek vanaf de Atlantische Oceaan, via de Sahara, tot aan de Rode Zee. Op het snijpunt kwam het bijna tot een gewapend treffen, het Fashoda-incident. Het Britse streven werd ook doorkruist door de Duitse aanwezigheid in Duits-Oost-Afrika (het huidige Tanzania). Duitsland had behalve Tanzanië ook Namibië, Kameroen, en Togo toegewezen gekregen. België kreeg de begeerde vette kluif Congo, die privébezit van koning Leopold II zou worden. Portugal voegde Angola en Mozambique toe aan hun bezittingen en Spanje bezette het zuiden van Marokko. En de Italianen mochten Libië, Somalië en Eritrea bezetten. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 1


Vanaf de 17e eeuw was de macht van de Italiaanse stadstaten flink gedaald. In de klassieke oudheid was het Italiaanse schiereiland de kern van het Romeinse Rijk en toen een absoluut hoogtepunt wat betreft politieke, economische en culturele invloed. Vanaf de inval van de Longobarden in de vroege Middeleeuwen ging het rijk langzaam ten onder, hoewel het gebied ondanks de staatkundige verdeeldheid en onderlinge oorlogen nog redelijk belangrijk bleef. Het Apennijns Schiereiland kende rijke handelsrepublieken zoals Florence, Genua en Venetië en ook cultureel was de invloed nog steeds erg groot. Zo was de regio Toscane de oorsprong van de renaissance. Het Italiaans gebied was verder van belang omdat Rome de zetel van de paus was.

De macht van de Italiaanse staten slonk echter vanaf de 17e eeuw aanzienlijk. De wereldlijke en geestelijke macht in Europa van de paus ging door toedoen van de protestantse reformatie achteruit. Het Ottomaanse Rijk controleerde steeds meer de gehele Middellandse Zeegebied en de opkomst van West-Europese koloniale machten op de wereldmarkt verminderde de economische en militaire macht van alle Italiaanse staten. Het Italiaanse grondgebied, inclusief de eilanden, werd een speelbal van Spaanse, Franse en Habsburgse vorstenhuizen. In de Tweede Coalitieoorlog (1799-1802) versloeg Napoleon de Habsburgse monarchie. Deze nederlaag dwong Oostenrijk in 1801 tot het tekenen van de Vrede van Lunéville, waardoor een groot deel van Italië in Franse handen kwam. In 1805 liet Napoleon zich eveneens kronen tot koning van Italië. Het zou tot 1814 duren vooraleer hij het hele schiereiland, rechtstreeks of indirect, onder zijn heerschappij kreeg. (meer…)

DIETRICH VON SAUCKEN

Dietrich Friedrich Eduard Kasimir von Saucken (Fischhausen, 16 mei 1892 – Pullach im Isartal, 27 september 1980) was een Duits aristocraat, een telg uit het oude Pruisische geslacht Von Saucken. Hij werd geboren in Fischhausen in Oost-Pruisen, vlak bij Köningsberg. Het was een van de oudste nederzettingen in de regio. Het stadje werd na heftige gevechten van 21 tot 24 april 1945 door de Russen veroverd en bijna compleet verwoest. Sindsdien hoort de plaats tot de oblast Kalinigrad in Rusland, onder de naam Primorsk. Uit de Duitse tijd resteren nog het station, een brug en de ruïne van de kerk. In 1996 werd er een Duitse oorlogsbegraafplaats ingewijd. Von Saucken was de zoon van de Landrat, de hoogste gezagvoerder van een Duitse Landkreis, een bestuurlijke laag tussen de gemeenten en een Regierungsbezirk, (een van de districten waarin een deelstaat is verdeeld). Elke Landkreis heeft een eigen, gekozen volksvertegenwoordiging, de Kreistag en een Landrat als hoofdbestuurder. Deze hoogste ambtenaar op lokaal niveau wordt via directe verkiezingen gekozen door de inwoners. Ze is verantwoordelijk voor bepaalde bovengemeentelijk zaken zoals een ziekenhuizen, afvalverwerking, rijbewijzen, monumentenzorg en dergelijke.De jonge Von Saucken ging in Köningsberg naar het  Collegium Fridericianum, een zeer prestigieus gymnasium, waar hij in 1910 afstudeerde. Als student liet hij als zien artistieke kwaliteiten te hebben, wat door zijn moeder en Georg Ellendt, de directeur van het gymnasium, werd aangemoedigd. Hij bezocht dan ook vaak de kunstenaarskolonie Nidden (tegenwoordig Nida in Litouwen), waar beroemde schilders en dichters als Lovis Corinth, Max Pechstein, Alfred Lichtwark, Karl Schmidt-Rottluff, Alfred Partikel, Julius Freymuth, Eduard Bischoff, Ernst Wiechert, Carl Zuckmayer, Ernst Kirchner, Ernst Mollenhauer, Franz Domscheit, en Herrmann Wirth vaak vertoefden. (meer…)

BOB WIJNBERG

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Abraham ‘Bob’ Wijnberg (Groningen, 17 oktober 1913) was een zoon van Mozes Wijnberg (Leek, – Vught, – Sobibor, 15 juli 1909 – Sobibor, Vrouwgien (Groningen, 6 augustus 1911) overleefde als enige van het gezin de oorlog. Bob was getrouwd met Mimi Gobits (Den Haag, 29 december 1914), het oudste kind van stoffeerder Samuel Gobits en Rebecca Leeuwin. Haar ouders hadden in Dordrecht twee goedlopende meubelzaken aan de Voorstraat. Het gezin was traditioneel joods. Alle feestdagen werden gevierd en het huishouden was koosjer. Dat gold ook voor het gezin Wijnberg, al hield zoon Bob zich niet bepaald aan de spijswetten. Hij was vooral geïnteresseerd in de linkse zionistische jeugdbewegingen, zoals zoveel joodse jongeren – net als zijn aankomende vriendin Mimi. In 1932 ontmoetten Bob en Mimi elkaar tijdens een bijeenkomst van de Nederlandse Zionisten Bond. Ze waren eerst van plan naar Palestina te emigreren, maar het lukte Bob niet er vast werk te vinden en hij keerde terug. De jonggeliefden trouwden en kregen op 6 juli 1942 een dochter: Chawwa Hadassah Riwka. In 1941 ging Bob in het gewapend verzet, maar op 24 juli 1942 werd hij in Ede gearresteerd. Als gevolg van die arrestatie moeten Mimi en Chawwa in juli 1942 in Ilpendam onderduiken, wanneer ze nog maar zestien dagen oud is. Ze zouden de oorlog overleven, honderden familieleden werden echter vermoord in de vernietigingskampen. (meer…)

EERSTE NIEUWSBRIEF VAN PIETER ‘T HOEN

Op 25 juli 1940 verscheen van Frans Goedhart het eerste gestencilde krantje dat de naam De nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen had gekregen, een verwijzing naar de Nederlands journalist, dichter en politicus Pieter ’t Hoen (1744-1828) die als Patriot ten strijde was getrokken tegen het absolutisme van zijn tijd. Vlijmscherp legt Goedhart uit dat de neutraliteitspolitiek die Nederland jarenlang navolgde wel gedoemd moest zijn te mislukken en dat een enorme misrekening van de nationaalsocialistische dadendrang eraan ten grondslag lag. Goedhart stuurde het stencil op aan een aantal bekende Nederlanders en een aantal kapperszaken. Zijn pamfletten werden binnen Amsterdam en directe omgeving snel populair. Om de oplage te kunnen vergroten en de verspreiding te verbeteren was al snel samenwerking nodig met anderen. Met drukkers bijvoorbeeld, want voor grotere oplagen kon niet langer worden volstaan met stencils. Met andere journalisten, omdat het ondoenlijk was alle journalistieke werkzaamheden in je eentje te doen. Met medestanders die hetzelfde sociaaldemocratische gedachtegoed aanhingen. Met mensen die zorgden voor de financiën en organisatie. Met vrijwilligers die zorgden dat de kranten telkens weer bij die tienduizenden abonnees terecht kwamen. Vanaf 10 februari hield De nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen op te bestaan en werd het illegale werk via de nieuw opgerichte krant Het Parool voortgezet. Op 27 september 1943 zou Het Parool als allereerste uitgave in Nederland berichten over het bestaan van gaskamers in Duitse Kampen. Frans Goedhart hoorde dit in groot detail van Poolse medegevangenen toen hij in Kamp Vught vast zat. Twee pagina’s werden er gewijd aan het begrip concentratiekamp en de afschuwelijkheden die er gaande waren in deze kampen. Volgens Madelon de Keizer, die een boek schreef over het verzetsblad in oorlogstijd, verschenen na het eerste nummer van 25 juli 1940 nog 26 stencils van De nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen. De laatste verscheen op 10 april 1941, met de kanttekening dat van bij drie nummers geen exemplaren overgebleven zijn en vraagtekens kunnen worden geplaatst bij hun verschijning. Hieronder de eerste memorabel uitgave van Frans Goedhart.

(meer…)

FRANS GOEDHART

Frans Goedhart (Amsterdam, 25 januari 1904 – Amsterdam, 3 maart 1990) was een Nederlands politicus, verzetsstrijder en journalist. Vanaf zijn zesde jaar groeide hij op in verschillende weeshuizen, nadat zijn vader overleden was en zijn moeder niet in staat was hem te verzorgen. Na afronding van zijn MULO-opleiding in Dieren in 1922 werd hij als leerling-journalist aangenomen bij de Velpsche Courant. Een jaar later kwam hij in dienst bij de Provinciaalsche Geldersche en Nijmeegsche Courant. In 1924 trad hij in dienst van De Telegraaf, maar na anderhalf jaar werd hij ontslagen omdat hij aan astma leed. Hij slaagde er daarna nauwelijks in het hoofd boven water houden en greep de kans aan een baan te krijgen bij de Belgische krant Het Laatste Nieuws, een krant die in juni 1888 in Brussel was opgericht en een liberale en vrijzinnige karakter had. De krant was aanvankelijk een spreekbuis van het radicaal antiklerikalisme, maar later werd een ruimer publiek bereikt door een gematigdere stijl, meer regionaal nieuws en een verruimde sportkatern. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou het blad onder Duitse censuur blijven verschijnen. Hier beleefde Goedhart de eerste jaren van de economische depressie. Omdat hij in 1931 deelnam aan een grote typografenstaking werd hij hier ontslagen. Hij en zijn echtgenote (hij was op 10 juli 1929 in het huwelijk getreden met Maria van den Ring, met wie hij een zoon kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 12 november 1945. Op 13 december 1945 hertrouwde hij met Maria van Alebeek, lerares Nederlands en geschiedenis, met wie hij een dochter en een zoon kreeg) keerde begin 1932 terug naar Nederland. (meer…)

MEER DAN ALLEEN AUSCHWITZ

Kevin Prenger (1980, hoofdredacteur bij Traces of War) heeft een aantal boeken over de Tweede Wereldoorlog geschreven, waaronder biografieën van Kurt Gerstein (‘Een boodschapper uit de hel’), Konrad Morgen (‘Een rechter in Auschwitz’) en Arthur Nebe (‘Het masker van de massamoordenaar’). Drie SS’ers die enerzijds volop meedraaide in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds claimde betrokken te zijn in het Duitse verzet. Ook schreef hij aardig boeken over de manieren waarop aan de diverse fronten gedurende de oorlog Kerstmis werd gevierd (‘Kerstmis onder vuur’) en over de laatste Duitse propagandafilm en de ondergang van het stadje Kolberg (‘Kolberg’). In zijn laatste boek vertelt hij twaalf verhalen die de Holocaust beschrijven ‘vanuit een ander perspectief dan gebruikelijk’. Verhalen die makkelijk onafhankelijk van elkaar kunnen worden gelezen, maar tezamen een brede blik op verschillende facetten van de Jodenvervolging geven.

De titel geeft wat dat betreft de intentie van de auteur treffend weer: de Holocaust was meer dan alleen Auschwitz. Dat vernietigingskamp is niet ten onrechte het symbool van de massamoord geworden, maar is in de loop der jaren zo allesoverheersend geworden dat soms het idee postvat dat de zes miljoen vermoorde Joden allemaal in de gaskamers van dat Duitse kamp in Polen om het leven werden gebracht. In Auschwitz zijn volgens de meest accurate schatting 1,1 miljoen mensen vermoord, waaronder ongeveer 200.000 niet-Joden (140.000 Polen, 23.000 zigeuners, 15.000 Russische krijgsgevangenen en ruim 25 000 slachtoffers van andere etniciteiten). De andere vijf miljoen Joden die gedurende de oorlog het leven verloren werden dus elders omgebracht. (meer…)

PIETER ‘T HOEN

Pieter ’t Hoen (gedoopt 18 oktober 1744 in Utrecht – Amersfoort, 9 januari 1828) was een Nederlands journalist, dichter en politicus die een belangrijke rol speelde tijdens de Patriottentijd als de redacteur van De Post van den Neder-Rhijn. Hij was de zoon van een Utrechtse kruidenier en kaashandelaar. Pieter begon in 1755 een studie aan de hoog aangeschreven Hiëronymusschool (een Latijnse school in Utrecht), maar was zo onhandelbaar dat hij op verzoek van zijn ouders op 29 december 1761 veroordeeld werd om voor een jaar opgesloten te worden in De Vurige Kolom, een verbeterhuis in de Lange Nieuwstraat in Utrecht. Hier mocht hij in november 1762 weer van vertrekken. In april 1763 trouwde de negentienjarige Pieter met de toen zeventienjarige Annemietje Nihot, dochter van een Leidse textielkoopman. Ze zouden bijna 63 jaar gehuwd blijven en tussen 1764 en 1781 vier zonen en vier dochters krijgen. Het paar trok in bij zijn ouders op de Neude in Utrecht, waar hij waarschijnlijk tot 1777 werkzaam werd in het bedrijf van zijn vader. Via zelfstudie probeerde hij de afgebroken schoolopleiding weer goed te maken en tegelijkertijd probeerde hij toegang te krijgen tot de literaire kringen van eind 18e eeuw. Dat lukte hem en in de loop der jaren werd hij een succesvol schrijver van poëzie, vooral van kinderrijm en toneelstukken. In 1777 werd hij benoemd tot rentmeester van het Collegium Willebrordi, een internaat dat was verbonden aan de Hiëronymusschool. Hij kreeg nu meer tijd om zich te wijden aan zijn literaire werk en de functie gaf hem toegang tot de wereld van de Utrechtse regenten en de Utrechtse politiek. (meer…)

JOHAN DE JONGE MELLIJ

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Johan Frederik Henri de Jonge Mellij (Amsterdam, 16 oktober 1905) was een eerste luitenant der infanterie, die in 1938 bij het Kaderbataljon te Laren werd geplaatst en woonachtig was in Bussum. Hij maakte in Den Haag deel uit van een informele groep van cadetten van de KMA te Breda, die de onderlinge contacten intact wilde houden. Tot die groep behoorde onder meer de tweede-luitenant Chris Navis, de kornet Fridtjof Dudok van Heel en de cadet Ton Abbenbroek. Het roepje zou later deel uitmaken van de verzetsgroep van Joan Schimmelpenninck, een groep die later geruisloos zou opgaan in de Ordedienst. De Jonge Mellij werd door Pierre Versteegh gevraagd om voor de Ordedienst koerier te worden en wapens te verzamelen. Nadat Versteegh was gearresteerd werd op dezelfde manier doorgewerkt door De Jonge Mellij onder leiding van respectievelijk Schimmelpenninck, Abbenbroek en Gerard Dogger. Hij pleegde bijvoorbeeld sabotage op het vliegveld Soesterberg en wist wapens te bemachtigen uit door Duitsers bewaakte magazijnen.

Op 18 januari 1942 was er op de Scheveningse Boulevard een ‘afhaaloperatie‘ van de groep-Hazelhoff Roelfzema, die Wiardi Beckman en Frans Goedhart met een torpedoboot naar Engeland zouden brengen. Deze operatie mislukte waarbij Wiardi Beckman, Goedhart en Willem Pasdeloup werden gearresteerd. Pasdeloup kreeg bij zijn arrestatie te maken met twee beruchte Haagse agenten, Leo Poos en Marten Slagter, die de Sicherheitspolizei hielpen bij de opsporing en hardhandige ondervraging van verzetslieden. Het duo was onder meer betrokken bij de arrestaties en verhoren van Joan Schimmelpenninck, Stuuf Wiardi Beckman, Frans Goedhart, Willem Pasdeloup, de groep van Velu en Hertly, sergeant-majoor Hoekstra, Pim Boellaard, Cor Gootjes, de Bastiaans-Nout en de studenten Bekkie de Loos en Frits van der Schrieck. (meer…)

ROWWEN HÈZE

CHRISTIAAN HESEN

Christiaan Hesen (Horst, 19 mei 1853 – Tegelen, 5 februari 1947) was een dorpsfiguur uit het Limburgse dorp America, die postuum legendarisch zou worden. Hij was de zoon vaneen arme  dagloner, de jongste van acht kinderen. Met z’n 1,61 meter was hij betrekkelijk klein van stuk en zijn dikke neus en ronde kin maken hem tot een markant figuur. Hij trouwde op 30 november 1883 in Horst met de drie jaar jongere Maria Scheeres uit Roggel. Kort daarna verhuisde het echtpaar naar America, waarschijnlijk omdat werk te vinden was in dat dorp van veenarbeiders dat pas enkele decennia bestaat. Door verbeterde landbouwmethoden en de uitvinding van kunstmest vonden in de loop van de negentiende eeuw in de Peel kleinschalige ontginningen plaats van de immense heidevelden, wat steeds gepaard ging met de bouw van boerderijen. De ontwikkeling van America tot dorp hing ook samen met de aanleg van de spoorlijn Venlo-Eindhoven. Op de plaats waar een karrenspoor de spoorlijn kruiste, werd in 1866 Wachtpost 16 gebouwd, wat uitgroeide tot een dorpskern met onder meer een school (1888), een kerk (1892) en een bakkerij met maalderij, winkel en café (1892). Werk is vooral te vinden in het naburige Griendtsveen, waar op grote schaal turf wordt gewonnen en verwerkt, onder impuls van de familie Van de Griendt. Jan van de Griendt (1804 – 1882), een koopman uit Den Bosch, was de aannemer van het traject Helmond-Venlo van de spoorlijn geweest. In 1853 was hij een van de oprichters van de Maatschappij tot ontginning en vervening van de Peel, later omgedoopt in Maatschappij Helenaveen. Hij stichtte het dorp Helenaveen, dat in Noord-Brabant ligt. Zijn zoons Jozef en Eduard zetten zijn werk voort en stichtten in Limburg het dorp Griendtsveen, waar de Griendtsveen Turfstrooisel Maatschappij actief was. Beide door de familie gestichte dorpen waren verbonden door de Helenavaart, een 15,7 km lang kanaal dat van 1853-1880 door de Maatschappij Helenaveen werd gegraven om turf af te voeren uit verveningsgebieden en ter ontwatering van het veengebied. (meer…)

RUDOLF HARTOGS

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Rudolf Hartogs (Berlijn, 1918) was een boekhouder te Amsterdam. Hij werd op 18 april 1942 in Amsterdam opgepakt, samen met Jacob Knol. Er is nergens te achterhalen voor welk misdrijf beide mannen werden aangehouden en hoe het direct daarna is verlopen. Van Jakob Knol (Amsterdam, 17 april 1914) is bekend dat hij op van 6 november 1942 tot 16 januari 1943 gevangen zat in kamp Amersfoort, daarna tot 11 maart in kamp Vught, daarna tot 25 oktober 1943 op een onbekend gebleve locatie verbleef, op 25 oktober 1943 op transport werd gezet naar Natzweiler en van daaruit op 6 september direct naar Dachau. Sommige bronnen zeggen dat hij ook van daaruit direct werd doorgestuurd, nu naar concentratiekamp Flossenburg, waar hij op 27 september 1944 zou zijn overleden, pas dertig jaar oud. Een andere bron meldt echter dat hij pas op 2 april 1945, vlak voor zijn 31ste verjaardag, zou zijn in Aussenlager Gröditz, dat van 27 september 1944 tot 17 april 1945 een buitenkamp van concentratiekamp Flossenbürg was en waar in totaal bijna 1.000 mannen tewerkgesteld waren aan de bouw van Flak-afweergeschut voor de Mitteldeutsche Stahlwerke van het Flick-concern. Ze werkten en waren ondergebracht in een afgescheiden deel van de machinebouwfabriek. Van Rudolf Hartogs is het traject niet bekend. Hij was een van de leden van de Ordedienst die op 27 april 1943 in kamp Haaren ter dood werden veroordeeld en op 3 mei 1943 op de Leusderheide werd geëxecuteerd.

BOUDEWIJN DE GROOT

DE STORMRAMP VAN 1863 – 2

In de nacht van 3 op 4 december 1863 woedde een zeer zware storm in het Noordzeegebied en ook elders in Europa was het aan de kust aanhoudend uitzonderlijk zwaar weer. De hele week werd beheerst door storm; van het Skagerrak tot aan Zuid-Spanje hadden de kusten het hevig te verduren.

De grootste scheepsramp tijdens de stormramp van 3-4 december 1863 was die van de Duitse bark Wilhelmsburg op de Boschplaat bij Terschelling. Het schip, genoemd naar een havenwijk van Hamburg, was in 1853 gebouwd voor vervoer van landverhuizers. De Wilhelmsburg kwam ’s nachts bij Oost-Terschelling in moeilijkheden. Het schip was op 25 november 1865 uit Hamburg vertrokken met 29 bemanningsleden en ruim driehonderd passagiers aan boord, die op weg waren naar Moretonbay, Queensland in Australië, waar ze een nieuw bestaan wilden opbouwen. Moreton Bay en de gelijknamige eilanden ligt vlak voor de kust van Brisbane. Vermoedelijk waren de landverhuizers op weg naar Brisbane, maar zouden ze in de Moreton Bay aan land gaan. Vanaf woensdag 2 december had het schip te kampen met harde storm uit het westen, die op donderdag 3 december in de middag toenam en uit West Zuid West kwam. De zee was toen al ‘schrikwekkend hoog’. Om negen uur in de avond van 3 december was de wind toegenomen tot orkaankracht waardoor het schip door de zee overstelpt werd en op haar kant kwam te liggen. Rond middernacht was de wind west-noord-west, een hevige orkaan met hagel en regen. Om twee uur ’s nachts raakte het schip grond op de Boschplaat ten oosten van Terschelling, waarna werd besloten de masten te breken. Om drie uur begon het schip in stukken te breken. (meer…)

DE STORMRAMP VAN 1863 – 1

In de nacht van 3 op 4 december 1863 woedde een zeer zware storm in het Noordzeegebied en ook elders in Europa was het aan de kust aanhoudend uitzonderlijk zwaar weer. De hele week werd beheerst door storm; van het Skagerrak tot aan Zuid-Spanje hadden de kusten het hevig te verduren. Op 3 december was het overdag meteen als raak. In de loop van de dag bereikte het centrum van de depressie via de Britse eilanden de Noordzee, die door de orkaan werd opgezweept tot een ontembaar monster. In de avond van 3 december daalde het weerglas op Terschelling plotseling tot ongekende laagte. Het centrum van de depressie zou die nacht langs de Waddeneilanden trekken, een spoor van menselijk leed achterlatend. De Harlinger Courant berichtte later: ‘In de namiddag van de 3de december 1863 wakkerde de wind steeds meer aan en bereikte in het begin van de avond stormkracht. De bergplaatsen der locomotieven en wagons waren reeds vroeg ingestort. In de nacht begon het steeds harder te waaien, hetgeen gepaard ging met donder en bliksem, terwijl de storm haar grootste kracht scheen te bereiken. De volgende dag durfde zich haast niemand op straat te begeven, daar het hoogst moeilijk was om staande te blijven en de neerstortende dakpannen, schoorstenen, gevels of gedeelten daarvan iedere dreigde te verpletteren. Met het aanbreken van de dag zag onze stad er uit alsof zij een kanonnade had doorstaan. Overal puinhopen, aan alle zijden verwoesting en zelfs ingestorte gebouwen’. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 34

FRITJOF DUDOK VAN HEEL

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Fritjof Dudok van Heel (Semarang, 19 april 1918) was de zoon van een administrateur van een suikerfabriek in de buurt van Kendal, ten westen van Semarang. Het gezin keerde na de crash van 1929 naar Europa terug en vestigde zich in 1932 in Bussum. In de zomer van 1938 behaalde Fritjof zijn diploma HBS-B aan het Christelijk Lyceum in Bussum. Aanvankelijk was hij vrijgesteld van militaire dienst vanwege ‘broederdienst’, maar die vrijstelling kwam te vervallen. Vanaf 10 oktober 1938 was hij in actieve dienst, per 2 januari 1939 bij het 1e Regiment Huzaren. Hij werd geplaatst op het depot van de cavalerie in Amersfoort: ‘alles meldt zich hier aan, tot de lichting 1929 toe. Dat zijn mensen die al zo’n veertien jaar uit de dienst zijn, getrouwde mannen, die nu net als de groenjassen (nieuwelingen), opnieuw afgericht moeten worden, door ons, piepjonge wachtmeesters.’ Als kornet was hij in de meidagen van 1940 commandant van het 3e peloton van het 3e eskadron van het 4e regiment Huzaren. Dat was gelegerd in Winssen, iets ten westen van Nijmegen in Gelderland. Al op 9 mei om 22.00 uur bereikten het eskadron alarmerende berichten. ‘Volgens vastgesteld plan werden de orders van Staf Brigade B, voor verhoogde en volledige strijdvaardigheid, uitgevoerd, waaronder bruggen bezetten, springladingen en versperringen aanleggen, e.d.’ In een verslag van 12 februari 1941 beschreef Dudok van Heel de oorlogshandelingen van de volgende vier dagen van zijn peloton. Op 12 en 13 mei raakten zij betrokken bij de gevechten rond Rhenen. Daarna moesten ze zich noodgedwongen terugtrekken. Toen het regiment op 14 mei in Achtersloot, ten zuidwesten van Utrecht, was gelegerd hoorden ze in de vooravond het bericht van de capitulatie. ‘Het 3e Peloton is gedurende alle oorlogsdagen volledig in de hand geweest. Er hebben zich geen ontvluchtingspogingen voorgedaan. Ordonnansen zijn steeds teruggekeerd en Huzaren die gewonden naar achteren vervoerden, hebben zich later weer teruggemeld bij hun commandant’, zo besloot hij zijn rapport. Fritjof meldde zich aan bij de School voor Suikerindustrie in de Van Breestraat in Amsterdam en werkte als volontair bij de Suikerfabriek Holland in Halfweg. Maar dat hij zich bij het verzet zou aansluiten, lag voor hem voor de hand: ‘Ben trouw aan Koningin verschuldigd, dus moet ook werken voor Vaderland. Daadwerkelijk meehelpen is wat anders dan met de mond.’ Hij was niet de enige in het gezin. Zijn jongere zus Mun was koerier bij de Geheime Dienst Nederland. De familie had onderduikers in huis en een stencilmachine voor verzetswerk. Zijn vader stierf aan een hartaanval op oudejaarsavond 1942, toen hij op straat werd aangehouden.

Nadat Gerard Dogger, Peter Tazelaar en Stuuf Wiardi Beckman een aantal malen tevergeefs op het strand op Erik Hazelhoff Roelfzema hadden gewacht, besloot Dogger in december 1941 om ‘hulptroepen’ mee te nemen. Zijn verzetsvrienden van de Ordedienst Chris Navis en Fritjof Dudok van Heel zouden de andere piertjes bewaken ‘om de weg te wijzen als die amateurs uit Engeland verkeerd landen’. Fritjof Dudok van Heel en Gerard Dogger kenden elkaar uit de verzetsgroep rond jonkheer Joan Schimmelpenninck. Toen die hem op 7 november 1941 had gevraagd om zich geheel aan het illegale werk te wijden, had Dudok van Heel dat verzoek aanvaard en was naar Den Haag verhuisd. Eerder al, direct na de capitulatie was hij met enkele vrienden, ongeorganiseerd, aan illegale activiteiten begonnen. Daartoe voelde hij zich als reserve kornet van de Cavalerie verplicht. In augustus en september 1941 trad hij enkele malen op als ordonnans van kolonel Peter Versteegh, toen chef-staf van de Ordedienst. Die woonde op de Jacoblaan 16, op een steenworp afstand van Dudok van Heels ouderlijk huis op de Busken Huetlaan 10 in Bussum. Fritjof was verloofd met Versteeghs stiefdochter Bé der Kinderen.

Bij de Ordedienst werd Fritjof verbindingsofficier. Zo verzorgde hij enige tijd de verbinding met de gewestelijke Ordedienst-organisaties in Friesland, Limburg, Overijssel en de Achterhoek en was betrokken bij de financiering van de organisatie door Auguste van Lennep. Na de arrestaties in de top van de Ordedienst, moest Fritjof samen met Chris Navis vanaf maart 1942 de organisatie overeind proberen te houden. Ze zagen elkaar eens in de veertien dagen, ‘waarbij wij elkaar in groote lijnen onze vorderingen mededeelden en beiden nogal geheimzinnig waren’, zo schreef Navis na de oorlog. Dudok van Heel was maar net ontkomen toen er begin maart een inval gedaan werd op zijn adres in de Piet Heinstraat. Zijn hospita had de Gestapo naar de bovenverdieping gestuurd, terwijl hij beneden sliep. Navis had vervolgens de spullen uit zijn kamer gehaald. Maar op 14 juli liep het fout. Cees van der Put, die sinds een maand als koerier van Dudok van Heel fungeerde, haalde hem op in Amersfoort, waar Fritjof bij zijn schoonzus logeerde. Daarna werden ze beiden opgepakt. Van der Put verraadde alles bij zijn verhoor en werd vrijgelaten. Dudok werd gevangen gehouden: tot 7 november 1942 verbleef hij in strenge Einzelhaft in Scheveningen, tot ongeveer 18 januari 1943 was hij geïnterneerd in Amersfoort, tot 12 maart in Vught.

Uit de gevangenis in Haaren had Fritjof een groot aantal boodschappen naar zijn verloofde Bé der Kinderen weten te sturen. Bé werd na de oorlog een van de belangrijke verslagleggers van de geschiedenis van de Ordedienst. Over Scheveningen schreef hij: ‘Einzelhaft (streng) ohne Begünstigung, Briefverkehr oder Lüften. Daarmee zonderen ze je volkomen af van elk ander levend wezen. Toen ik na 3 mnd. eindelijk een boek in handen had, kon ik wel huilen van plezier.’ Sachbearbeiter Walter Bartels had tijdens de verhoren gedreigd zijn ouders en zusje gevangen te nemen. ‘Niet hard geslagen, doch veel geplaagd met kruisverhoren op gekste momenten. ’s Nachts uit bed gehaald of vlak voor eten als dit reeds in gang is gehoord. Onthouding van maaltijd. Eerste 2 dagen niets gekregen. Wel roken. Duizelig van slapte en langdurig verhoor, soms 6 à 7 man tegelijk.’ Het regime dat hij in de Kampen Amersfoort en Vught meemaakte was barbaars. Mishandeling, ondervoeding, doodslag en moord, vernedering, uitputting. Het ‘ophitsen van half afgerichte honden’, de volstrekt onvoldoende kleding, het staan in de kou, de willekeur en het sadisme. De Joodse gevangenen hadden het het zwaarst te verduren.

Op 15 maart 1943 begon in Haaren het zogenoemde Tweede OD-proces waar Dudok van Heel met 99 anderen werd aangeklaagd. Over het proces in Haaren schreef hij dat vanwege de vele verhoren en confrontaties, de Ordedienst-mensen er snel achter kwamen als anderen meer toegaven dan zij. Uit zijn 24 pagina’s lange verklaring moest Dudok van Heel woorden, soms hele bladzijden intrekken, ‘als uit andere getuigenverklaringen [het] tegendeel bleek’. Eerste luitenant Pieter Vroom, die met Navis had samengewerkt en Van der Put bij de Ordedienst had geïntroduceerd, bleek mee te werken: ‘Practisch alle Gew.[estelijke] Ctn.[Commandanten] genoemd. Belofte dan rest vrijuit […].’ Hij kwam ook bij Fritjof: ‘Zeg nu maar alles, het mes moet erin gezet om erger te voorkomen.’ Op 27 april werden 21 van de aangeklaagden ter dood veroordeeld. Ze werden naar het Huis van Bewaring in Utrecht gebracht. Daarna was het afwachten. Zou een gratieverzoek werken, revisie? Als sabotage en spionage niet bewezen konden worden, leek er nog hoop te zijn. Op 5 juli schreef Dudok van Heel in de clandestiene correspondentie aan Bé der Kinderen: ‘Inderdaad is onze zaak hoopvol, doch alles hangt ten slotte toch aan een zijden draad. Hangt er nu maar van af, of die draad sterk genoeg is voor het gewicht.’ Dat bleek niet het geval. Er werden slechts vier gratieverzoeken verleend, aan Willem Kolff, Nicolaas Tibo, Jan Velu en Willem Roëll. Zestien mannen werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide gefusilleerd, onder wie Joan Schimmelpenninck, Gerard Vinkesteijn, Anton Abbenbroek, Eddy Latuperisa, Johan de Jonge Mellij, Lex Althoff, Sieg Vaz Dias en Fritjof Dudok van Heel. Broer Moonen werd wegens ziekte later gefusilleerd, op 7 augustus. (overgenomen van www.wiardibeckman.com)

THE ANIMALS

NICO ROST

Nicolaas Rost (Groningen, 21 juni 1896 – Amsterdam, 1 februari 1967) was een Nederlands schrijver, vertaler, journalist en verzetsman. Actief antifascist en communist. Liefhebber van de Duitse literatuur. Rokkenjager. Levensgenieter. Hij heeft Kafka ontmoet, was aanwezig bij de begrafenis van Lenin en sprak met Trotski. Bevriend met tal van schrijvers en kunstenaars uit binnen- en buitenland. Zijn naam heeft bij de lezer van nu nog een bekende klank door zijn boek Goethe in Dachau, dat duidelijk maakt dat zijn oorlogs- en kampervaringen hem niet weerhielden van de Duitse cultuur en literatuur te blijven houden. Niet Duitsland was verkeerd, de nazi’s waren dat.Hij was de oudste van twee kinderen in een keurige familie in Groningen, dat woonde in een deftig huis aan een van de singels. Er was een kenmerkende tweedeling in de familie. Moeder en zus Lidi verlieten het huis altijd door de voordeur, terwijl vader en Nico door de achterdeur gingen waar ze uitkwamen in het armoedig deel van de stad, waar voornamelijk Joden woonden. In De vrienden van mijn vader (1956) liet Rost een gevoelig portret na van de Joden die in Groningen in en rond de Folkingestraat hebben geleefd. Het boek is een monument voor deze vrijwel geheel uitgemoorde groep mensen en vertelt over hun dagelijks leven, hun armoede, vroomheid en studiezin. De jonge Nico kwam dus al jong in aanraking met allerlei soorten mensen en vooral ook met armoede. Hij zag de grote sociale ongelijkheid, war de kiem moet hebben gelegd voor zijn latere communistische sympathieën. Zijn gymnasiumopleiding aan het Praedinius Gymnasium in Groningen maakte hij niet af, want Nico had teveel andere dingen waar hij mee bezig was. Hij las heel veel, had literaire aspiraties en wilde schrijver worden. Dat werd in het burgerlijk milieu niet op prijs gesteld, want daar werd verondersteld dat hij zijn vader zou opvolgen. Zijn eerste werk werd slecht ontvangen, maar desondanks kon hij na zijn militaire diensttijd wel van zijn schrijfwerk leven. In 1919 was hij al het huis uitgezet en werd zijn toelage ingetrokken omdat hij wilde trouwen met de 19-jarige Maud Kok. Het stel trouwde in Amsterdam, waar in 1920, op een lekkende zolderkamer onder een omgekeerd opgehangen paraplu, hun dochtertje Molly werd geboren. (meer…)

LEX ALTHOFF

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Adrianus Aloijsius Felix (Lex) Althoff (Haarlem, 12 september 1904) was een Nederlands journalist, die in 1924 zijn loopbaan begon bij het Haarlem’s Dagblad. Hij trouwde op 2 februari 1927 met Elisabeth van Loenen. Hij was katholiek opgevoed, maar in 1932 zette hij daar een punt achter. Hij volgde als journalist nauwgezet de ontwikkelingen in nazi-Duitsland en schreef daarover romans. Daarna ging hij op 1 februari 1932 voor Het Volk werken. Hij werd daar chef van de nachtredactie. Omdat hij niet bij een nationaalsocialistische krant wilde werken, nam hij op 20 juli 1940 ontslag bij Het Volk. Hij ging in het verzet en was vanaf het begin medewerker bij de illegale krant Het Parool. Na een onenigheid in de redactie in maart 1942 stopte hij zijn medewerking. Althoff zou begin 1942 op uitnodiging van de regering in ballingschap als vervanger van Koos Vorrink naar Londen proberen te reizen. Erik Hazelhoff Roelfzema en Chris Krediet die hem op 11 mei met een motorboot van het strand zouden ophalen, bereikten echter de Nederlandse kust niet. Op 22 mei 1942 werd hij bij een nieuwe poging in Rotterdam met allerlei belastend materiaal gearresteerd. Hij werd verhoord op het Binnenhof in Den Haag, maar wist tijdens de rit naar de gevangenis in Scheveningen uit de auto te ontsnappen. Later werd hij echter opnieuw opgepakt. Lex Althoff bracht een jaar door in gevangenissen in Scheveningen, Haaren en Utrecht. In de gevangenis hield hij zich bezig met schrijven van onder andere zijn dagboek. Op 27 april 1943 werd hij ter dood veroordeeld en op 29 juli 1943 samen met zijn groep bij de Leusderheide gefusilleerd. Zijn lichaam werd naamloos in een kuil begraven. Althoff werd op 21 november 1945 opnieuw begraven op begraafplaats Rusthof in Leusden.

RALPH VAUGHAN WILLIAMS

CHRISTIAAN BOERS

Christiaan Boers (Den Haag, 24 oktober 1889 – Oranienburg, 3 mei 1942) was een Nederlandse beroepsmilitair, kapitein bij de Koninklijke Landmacht. Hij bracht zijn jeugd door in Den Haag. Zijn ouders stuurden hem naar een particuliere school en daarna begon hij aan een militaire opleiding. Na de Koninklijke Nederlandse Militaire Academie in Breda en komt hij in Amersfoort terecht. In 1921 woonde de Eerste Luitenant der Infanterie op de Utrechtseweg 100, was hij getrouwd met Helena Wiepkes uit de gemeente ‘Wijk aan Zee en Duin’ en ze had het echtpaar twee zoontjes, Henk (1919) en Dirk (1921). Het huwelijk met Helena liep echter op de klippen en eind twintiger jaren volgde een echtscheiding. In 1933 trouwde hij opnieuw, met de 26-jarige Janna Metz . Christiaan was toen al bevorderd tot Kapitein der Infanterie.

Tijdens de Duitse aanval op Nederland in mei 1940 was hij commandant over de zeer moderne Stelling Kornwerderzand, waar 255 manschappen waren ondergebracht in diverse zware betonnen kazematten. Het complex had een groot aantal bunkers met mitrailleurs en licht geschut; het was voorbereid op een lange geïsoleerde belegering. De verdediging van de open dijk en de maritieme naderingszone was de enige taak van het detachement waar Boers het bevel over voerde. In de eerste oorlogsdagen rukten de Duitsers langzaam op richting Afsluitdijk, waar ze op 13 mei 1940 eerst een ‘gewapende verkenning’ uitvoerde om de paraatheid van de defensie bij Kornwerderzand te testen. Ze openden het vuur op de stelling en stuurden verkenners en stoottroepen op fietsen de Afsluitdijk op. Boers wachtte rustig af tot de Duitsers op circa achthonderd meter waren genaderd en liet toen vuur uitbrengen uit kazemat VI. Daarna werden de vluchtende Duitsers vanuit kazemat II onder vuur genomen. Na anderhalf uur was de strijd voorbij; er volgden verder geen Duitse aanvallen meer. De Slag om de Afsluitdijk was afgelopen en werd op basis van geruchten en militaire overdrijvingen een mythische overwinning op het Duitse leger, een van de weinige plaatsen in West-Europa waar de Duitse troepen tijdens de Blitzkrieg niet wisten door te breken en ze zware verliezen leden. Gesproken werd over vele honderden gesneuvelde Duitsers, terwijl er in werkelijkheid slechts vijf Duitsers het leven verloren en een paar vliegtuigen werden beschadigd of neerstorten. In werkelijkheid besloot de Duitse bevelvoerders dat de Nederlandse capitulatie al nabij was en het zinloos was zwaar strijd om de Afsluitdijk te gaan voeren. Boers was echter zo euforisch over het met succes afslaan van de voorzichtige Duitse aanval dat hij op 14 mei 1940 voorstelde een tegenaanval te lanceren om Friesland schoon te vegen. Een dag later capituleerden de Nederlandse strijdkrachten echter. (meer…)

SLAG OM DE AFSLUITDIJK

De Slag om de Afsluitdijk geldt in veler ogen nog steeds als een poging van nazi-Duitsland om in mei 1940 de Afsluitdijk in te nemen. Een poging die mislukte door heldhaftig optreden van de ongeveer 255 Nederlandse soldaten, onder aanvoering van Christiaan Boers, de commandant van de Stelling Kornwerderzand. Hoewel in de minderheid en minder goed bewapend, wisten de Nederlandse militairen de 1e Duitse cavaleriedivisie bij de Stelling Kornwerderzand tegen te houden. De Stelling Kornwerderzand was de verdedigingslinie op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand (Friesland), die vanwege de aanwezigheid van de uitwateringssluizen voor de Afsluitdijk een belangrijke rol speelden bij de plannen voor een mogelijk inunderen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Toen de Afsluitdijk was gerealiseerd, werd de Vesting Holland en de marinebasis in Den Helder kwetsbaar voor een buitenlandse aanval over land vanuit het oosten. Als een aanvallend leger de uitwateringssluizen zou veroveren, konden ze het waterpeil van het IJsselmeer laten zakken en geïnundeerde terreinen weer droog laten vallen. De stelling op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand was een van de drie defensieve werken die dit moesten zien te voorkomen. De stelling werd in 1932-1933 gebouwd en niet als één groot en daardoor kwetsbaar verdedigingswerk, maar met gespreide opstellingen van kleine verdedigingswerken. De kazematten werden gemaakt van gewapend beton, op de meest kwetsbare plekken aangevuld met pantserstaal, en moesten bestand zijn tegen een intensieve beschieting van geschut opgesteld op diverse plaatsen langs de Friese kust. Bij het uitbreken van de oorlog waren er zeventien kazematten, verdeeld over twee kazematlinies. De eerste linie was gericht op het5t oosten, van waaruit een aanval normaliter te verwachten was. Vanuit de tweede linie kon ook het westen onder vuur worden genomen in geval vijandelijke troepen op de Afsluitdijk zouden landen en de stelling in de rug zouden aanvallen. (meer…)

CHRIS VAN DEN BERG

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Christiaan Frederik van den Berg (Arnhem, 27 juli 1901) was een kapitein der infanterie die actief was in het verzet in Den Haag voor de Ordedienst. Hij hield zich vooral bezig mer het verzamelen van inlichtingen. Hij was getrouwd met Cornelia Johanna van den Berg-van der Vlis die na zijn dood bij haar broer in Leeuwarden ging wonen en daar begon met verzetsactiviteiten. Ze zou later postuum worden onderscheiden met het Verzetskruis 1940-1945.

In februari 1942 was hij betrokken bij een paar belangrijke wapendroppings, maar op dat moment was zijn verzetsgroep al geïnfiltreerd door de V-Mann Mathijs Ridderhof, eerst via enkele leden van de Ordedienst in Zeeland, daarna in Rotterdam en ten slotte bij Van den Bergh. Via Van den Bergh hoorde Ridderhof over de afhaaloperatie op het Scheveningse strand en wist hij verder door te dringen in het verzet. Daardoor werden vele verzetsmensen opgepakt en uiteindelijk viel op 16 juni 1942 ook Van den Bergh in handen van de Sicherheitsdienst. Van den Berg werd gefusilleerd op de Leusderheide op 29 juli 1943. Na de oorlog werd hij postuum onderscheiden met de Bronzen Leeuw per Koninklijk Besluit van 11 september 1952. Ook ontving hij postuum het Verzets-herdenkingskruis.

RY X

ARNOLD BORRET 6

Het werk van Arnold Borret (1848-1888) omvatte vooral veel kleurenportretten en zwart-witportretten van de Surinaamse bevolking, zoals hij die tussen 1878 en 1882 aantrof. Het is niet bekend waarom hij maar zo weinig landschapstekeningen heeft gemaakt. Hij heeft mooie tekeningen gemaakt van de melaatsenkolonie Batavia, van de voormalige plantage Bleyendaal en van het indiaanse vissersdorp Kalebaskreek. Werken die duidelijk tot het beste uit zijn werk horen. In de laatste aflevering in de Borret-reeks een tekening van een afgodsboom. Her is niet onwaarschijnlijk dat ook deze tekening is gemaakt in de buurt van Kalebaskreek. De katholieke priesters in Batavia spraken namelijk ook wel van ‘Lazaruskreek’ of ‘Lazaretkreek’, naar de Bijbelse patroon van de lepralijders. De kalebasvrucht nam bij de oorspronkelijke bewoners een belangrijke plaats in, omdat een piaiman de kalebas bij het uitvoeren van rituelen vulden met stenen. Het geluid dat hiermee gemaakt kan worden gaf informatie van de goden door. Een piaiman was een religieus of geestelijk leider binnen hun gemeenschap. Iemand die optrad als ziener en genezer, die door gebruik te maken van bepaalde voorwerpen en ceremonieën contact kon leggen met de wereld van de geesten en boodschappen kon overbrengen.Dergelijk ceremonieën werden uitgevoerd bij afgodsboom, waarvoor ook wel de naam ‘mamaboom’ in gebruik was. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 041


.
Frans van den Muijsenberg, 19 oktober 2003, Dalyan, Turkije

THEO VAN DOORN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:
.
Jhr Willem Theodoor Cornelis van Doorn (Den Haag, 31 mei 1911 – Leusderheide, 29 juli 1943) zat op de lagere school in Den Haag en Gouda en daarna op het gymnasium in Den Haag en Kampen. In 1931 ging hij rechten studeren in Leiden. Hij was race-roeier en voorzitter van de Pro Patria. Na zijn kandidaats stopte hij met zijn studie om zich verder aan de Oxfordbeweging (1833) te wijden. Dat was een groep anglicaanse geestelijken die uit onvrede met de calvinistische en rationalistische invloeden in de Engelse ‘lagere’ kerk de nadruk legde op het katholieke, ‘hoogkerkelijke’ karakter van de Church of England, die bijzondere belangstelling aan de dag legde voor de liturgische tradities, de sacramenten, devoties en het priesterschap, waarmee de Katholieke Kerk weer meer in zicht kwam. Toen Van Doorn moest in dienst, ging hij naar de school Reserve Officieren Cavalerie in Amersfoort. Hij werd reserve-officier bij het 3de Regiment Huzaren in Den Haag. Tijdens de meidagen van 1940 zat hij bij een Eskadron Wielrijders, onder meer bij Schiebroek.

Als vooraanstaand lid van de Ordedienst werd het nodig gevonden dat de 29-jarige Van Doorn naar Engeland vertrok. Hij had een sportbrevet en een militair brevet en besloot een vliegtuigje te kopen om daarmee vanaf het Tjeukemeer naar Engeland te vliegen. Hij werd gearresteerd, maar wist te ontsnappen en dook onder. In de nacht van 18-19 april 1941 besloot hij een tweede poging te wagen, samen met de Poolse viceconsul Tolo Saryusz Makowski. Door Oscar de Brey en Dirk van Swaay werd een opvouwbare kano geregeld, die in het tunneltje bij het Zeehospitium bij Katwijk aan Zee werd verstopt. Nadat ze in die kano vanuit Katwijk waren vertrokken, stak er een storm op. De Katwijkse vissersboot KW 32, de Sakina, redde hen. Aangezien er twee Duitsers aan boord waren, moest kapitein Willem Ouwehand hun geld en paspoort afnemen, maar stuurman Nico van Beelen fluisterde hun toe dat ze in de haven van IJmuiden niet aan de kade zouden afmeren maar tegen een ander schip, in de buurt van het station. Daar zou hij de Duitsers afleiden zodat ze konden ontsnappen. Van Doorn en Makowski wandelden rustig naar het station en waren weer vrij. De kapitein en de stuurman werden gearresteerd en verhoord maar vervolgens weer vrijgelaten. Van Doorn verrichtte daarna spionagewerkzaamheden voor de Ordedienst totdat hij in november 1941 in opdracht van de Ordedienst naar Vichy vertrok. Onderweg viel de lange, blonde Nederlander op en werd in Reims gearresteerd. Toen bleek dat hij wapens en belastende papieren bij zich had, werd hij naar een gevangenis in Parijs gebracht en vandaar naar het Oranjehotel, Kamp Amersfoort en kamp Vught. In maart 1943 werd hij naar kamp Haaren overgeplaatst voor het Tweede OD-proces. Op 29 juli 1943 werd hij op de Leusderheide gefusilleerd. Hij werd op begraafplaats Rusthof in Leusden begraven.

AL STEWART

ARNOLD BORRET 5

Het werk van Arnold Borret (1848-1888) omvatte vooral veel kleurenportretten en zwart-witportretten van de Surinaamse bevolking, zoals hij die tussen 1878 en 1882 aantrof. Het is niet bekend of hij voor 1878 al veel tekende, maar dat lijkt wel waarschijnlijk. Er is echter niets van bewaard gebleven. Het is ook onduidelijk waarom hij de laatste zes levensjaren niet meer tekende, maar wellicht is daar een verband te vinden mer het feit dat hij in datzelfde jaar alle functies binnen de rechterlijke macht opgaf en toetrad tot de orde der redemptoristen. in 1882 stuurde hij ook alle tekeningen die hij de voorgaande jaren had gemaakt naar zijn broer, waarschijnlijk met als doel dat er een boekwerk van zou verschijnen.dat is echter niet gerealiseerd. Het is ook onduidelijk waarom hij maar zo weinig landschapstekeningen heeft gemaakt. Hij heeft mooie tekeningen gemaakt van de melaatsenkolonie Batavia en van de voormalige plantage Bleyendaal, die duidelijk tot zijn beste werken horen. In dit deel van de Borret-serie een drietal tekeningen van een indiaans vissersdorp, waarschijnlijk allen uit Kalebaskreek, een inheems vissersdorp in het district Saramacca, genoemd naar een gelijknamige kreek aan de rivier de Coppename. Kalebaskreek ligt oostelijk van de Coppename, bij een ondiep gedeelte, ongeveer 13 km ten zuiden van het punt waar de Coppename en Saramacca-rivier uitmonden in de Atlantische Oceaan. Kalebaskreek telde maximaal vijftig woningen, dicht bij elkaar en met bewoners die allemaal familie van elkaar waren. Dat waren overwegend Karaïben, een inheems volk van de Zuid-Amerikaanse kuststreek van Venezuela tot Brazilië. Aanvankelijk werd het dorp door Nederlanders Celebes-kreek genoemd. De gelijknamige Kalebas-kreek was de zuidgrens van een voormalige cacaoplantage, later leprozerie Batavia. Het is dus niet verwonderlijk dat Borret hier graag tekende. De katholieke priesters werkzaam op Batavia spraken ook wel van ‘Lazaruskreek’ of ‘Lazaretkreek’, naar de Bijbelse Lazarus die als patroon van de lepralijders werd beschouwd. Het is mogelijk dat de kalebas (de vrucht) bij de oorspronkelijke bewoners een belangrijke plaats innam. Zo bestond onder de inheemse Surinamers het rituele gebruik dat een piaiman of ‘medicijnman’ een kalebas vult met bepaalde stenen; het geluid dat hiermee gemaakt kan worden gaf informatie van de goden door. (meer…)

TON ABBENBROEK

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Anton Willem Marie (Ton) Abbenbroek (Den Haag, 9 december 1917), in het verzet ook bekend onder de schuilnaam Thierens, maar binnen de groep werd hij door zijn medestrijders/vrienden ‘Ab’ genoemd. Hij was bij het uitbreken van de oorlog cadet aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. In de zomer van 1940 namen Abbenbroek en jonkheer Joan Schimmelpenninck, alias ‘Oom Alexander’, het initiatief om een verzetsorganisatie op te richten. Hij deed verzetswerk als verbindingsofficier van de inlichtingengroep. Nadat Schimmelpennink op 13 november 1941 was gearresteerd nam hij samen met Gerard Dogger tijdelijk de leiding van de Ordedienst op zich. Zijn woonadres in Den Haag functioneerde toen als hoofdkwartier van de Ordedienst).

Op 6 maart 1942 werd Abbenbroek door verraad gearresteerd en opgesloten in de gevangenis van Scheveningen (het Oranjehotel, cel 634). In november 1942 werden hij en de andere gevangen leden van de Ordedienst onder zware bewaking met de trein naar Kamp Amersfoort gebracht. Begin februari 1943 werden zij per trein naar het concentratiekamp Vught overgeplaatst en op 11 maart 1943 naar kamp Haaren. Hier werd Abbenbroek ter dood veroordeeld. In Utrecht was hij op 7 juni 1943 in de echt verbonden met Annie Kientz, met wie hij zes jaar verloofd was geweest. Dit zou gebeurd zijn op verzoek van zijn vader, die hoopte dat dit gratie voor zijn zoon zou opleveren. (meer…)

MAURICE RAVEL

ARNOLD BORRET 4

Arnold Borret (1848-1888) maakte in de jaren 1878-1882, de korte periode waarin al zijn tekeningen zijn gedateerd hoofdzakelijk kleurenportretten en zwart-witportretten van sw Surinaamse bevolking. Er zijn echter ook een aantal groter zwart-wit landschaps-tekeningen van hem bewaard gebleven. Dat betreft onder meer de leprozenkolonie Batavia, waar hij eigenlijk het liefst had willen werken maar helaas voor hem had het hoofd van de in Suriname actieve congregatie van de Redemptoristen, waarvan Arnold Borret deel uitmaakte, andere plannen met hem. Een van de andere tekeningen betrof de voormalige plantage Bleyendaal aan de Pauluskreek. De Pauluskreek ontspringt in de Surnaukreek en mondt uit in de Surinamerivier. Aan de kreek lagen maar liefst achttien plantages (Aurora, Belasoir, Bischoffsbeeck, Bitterzorg, Bleyendaal, Brandenburg, De Hoop, Hermitage, Hoop, Land van Laarwijk, La Paix, Land van Merveille, Mon Repos, Paracabo, Puttensorg, Sandgrond, ’t Yland, Weergevonden). De suikerplantage  Bleyendaal was in 1737 gestart door Jan Labbadie en was toen 1.000 akkers groot. Labbadie had de onderneming tot 1770. In beschrijving van de plantage in 1819 werd vermeld: ‘suikerplantage in Nederlands-Guiana, kol. Suriname, aan de Pauluskreek, ter regterzijde in het opvaren, palende bovenwaarts aan het verl. Land van Laarwijk en benedenwaarts aan de Suriname. Zij is 1.054 akk. groot, en wordt door 121 slaven bewerkt. Men heeft er eenen door beesten gedreven molen.’ (meer…)

JOAN SCHIMMELPENNINCK (54)

Jonkheer Joan Schimmelpenninck (Rhenen, 30 september 1887 – Leusderheide, Amersfoort, 29 juli 1943), binnen de vriendenkring Jaat genaamd, wasirecteur van hert Nederlandse kantoor van de Franse wijnfirma Mähler-Besse & Cie uit Bordeaux, die in Nederland twwe kantoren had, in Amsterdam aan de Prinsengracht en in Den haag aan de Anna Paulownastraat. Hij was een aangetrouwde neef van de luitenant-generaal b.d., oud-commandant Veldleger jonkheer W. Röell. Hij was goed ingevoerd in de hogere kringen in het Amsterdamse en Haagse wereldje. Voor de oorlog had Joan Schimmelpenninck nauwe contacten onderhouden met François van ’t Sant (Den Helder, 11 februari 1883 – Rotterdam, 3 juni 1966). Op 13 mei 1940 scheepte die zich in op hetzelfde schip als koningin Wilhelmina en stak over naar Londen. Zijn gezin bleef achter en zijn woning Huize Windekind werd later gevorderd door de Duitsers die er de Sicherheitsdienst onder brachten. In Londen werd Van ’t Sant raadsadviseur bij het ministerie van Justitie en hoofd van de Centrale Inlichtingsdienst (CID). Daarnaast bleef hij de particulier secretaris van de koningin. De opeenstapeling van functies leidde tot kritiek en op 14 augustus 1941 trad hij af als hoofd van de CID. Op aandringen van de koningin werd hij per 22 april 1942 benoemd tot hoofd van de afdeling Politie. In 1944 werd hij echter onder druk van Winston Churchill, Anthony Eden en Pieter Gerbrandy, die de hardnekkige geruchten rond Van ’t Sant omtrent het Englandspiel als een bezwaar gingen zien, door Wilhelmina ontslagen als haar secretaris. Na de oorlog keerde hij echter weer terug in als adviseur van Wilhelmina en Juliana. In de zomer van 1940, na de Nederlandse capitulatie, nam jhr. Joan Schimmelpenninck, alias ‘Oom Alexander’, het initiatief tot het oprichten van een verzetsorganisatie, waarvan de leden werden gerekruteerd uit de kringen van adelborsten en cadetten. Deze beweging had twee doelstellingen. Ten eerste dacht zij dat de bezetting niet lang zou gaan duren en het moment van bevrijding zouden de geallieerden gesteund moeten worden en zou het ontstane machtsvacuüm tijdelijk moeten worden opgevuld ter voorkoming van wanorde. Deze gedachtegang lag geheel in lijn met die van de Ordedienst. De tweede doelstelling was het verzamelen van militaire inlichtingen voor de geallieerden. De inlichtingen moesten dus naar Engeland verstuurd worden, naar koningin Wilhelmina en waarschijnlijk via Van ’t Sant met wie Schimmelpenninck immers contacten had gehad. Beide mannen wisten dat ze elkaar konden vertrouwen, geen onbelangrijk gegeven. (meer…)

DE ORDEDIENST 2

De interne beveiliging van de Ordedienst en van andere verzetsorganisaties uit het begin van de oorlog was allesbehalve waterdicht. Op 3 april 1941 was Johan Westerveld al gearresteerd. Zijn plaatsvervanger Pierre Versteegh werd op 12 september 1941 gearresteerd en zijn opvolger Joan Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 opgepakt. De vierde man die de leiding had, Anton Abbenbroek, ging op 6 maart 1942 richting gevangenis in Scheveningen. Vanaf dat moment zat de Ordedienst een tijdlang zonder algehele leiding. Eind maart 1942 worden 65 leden van de Ordedienst door de Duitsers gevangen gehouden. End maart begon in hotel de Witte op de Amersfoortse Berg, vlak bij Kamp Amersfoort het zogenaamde Eerste OD-proces, waarbij door de Duitse Sicherheitsdienst (SD) leden van drie verzetsorganisaties voor de rechtbank worden gebracht: de Ordedienst, de Delftse Mekel-groep en de Schoemaker-groep. Verder werden dertien beroepsofficieren berecht, die ondanks het ondertekenen van de erewoord-verklaring buiten een georganiseerd verband verzet hadden gepleegd.

De Mekel-groep was een verzetsgroep die onder leiding stond van de Delftse professor Jan Mekel. Die had contacten met enkele Nederlandse officieren die lid waren van de Ordedienst. Deze waren in het bezit van een aktetas met geheime Duitse documenten, doordat een van hen, Goris Mante,, een inspecteur voor de scheepvaart en voormalig onderzeebootcommandant, deze aktetas in de zomer van 1940 ergens had gevonden of (wat waarschijnlijker is) van een Duitse officier had gestolen toen hij deze moest begeleiden. Een wat lichtzinnige daad die zware gevolgen zou krijgen. (meer…)

BAP

ARNOLD BORRET 3

In de 19de eeuw voltrokken zich grote veranderingen in Suriname. Het was niet langer een particuliere kolonie maar onderdeel van het nieuwe koninkrijk. In het midden van de eeuw werd er de verfoeilijke slavernij afgeschaft. Het was ook een eeuw waarin verschillende reizende (amateur)kunstenaars de kolonie aandeden. Zij toonden de wereld hun indrukken en deze vormen tot vandaag een voorname bron van informatie over de kolonie en haar bewoners. Arnold Borret (1848-1888) was een relatieve laatkomer in het rijtje 19de-eeuwse illustratoren. Hij werd in Maastricht geboren in een gegoed katholiek milieu. Na een gedegen katholieke opleiding besloot Borret, na een retraite, Jezuïet te worden. Familieomstandigheden maakten dat echter onmogelijk. De diepgelovige jongeman begon aan een studie rechten aan de universiteit van Leiden en toen deze succesvol was afgerond, werd hij advocaat in Rotterdam. Een advies van goedbedoelende familieleden om een carrière in Nederlands Oost-Indië op te bouwen wees hij af omdat hij ‘de gevaren vreesde, waaraan de zedelijkheid aldaar is blootgesteld’. Het priesterleven bleef aan hem trekken en dat zal zeker zijn gestimuleerd toen bleek dat hij een niet erg succesvolle advocaat was. Opnieuw moest een retraite uitsluitsel geven over de vraag of hij ‘een roeping’ had. Het werd hem echter niet duidelijk. Zijn leven werd nog gecompliceerder toen er een aardige dame bleek te zijn die ‘genegenheid voor hem koesterde’. Arnold besloot toen om dan maar naar de Oost te gaan. Op advies van de minister van Justitie werd het echter een benoeming tot griffier aan het Hof van Justitie in Suriname. Dat was iets, waar Arnold Borret nog nooit aan had gedacht: ‘Ik wist nauwelijks dat het bestond’. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 33

PJOTR ILJITSJ TSJAIKOVSKI

ARNOLD BORRET 2

In mei 1878 vertrok Arnold Borret (1848-1888) naar Suriname. Hij was 29 jaar, jurist en had een aanstelling als griffier van het Hof van Justitie in Paramaribo op zak. Al spoedig werd hij rechter en later ook lid van de Koloniale Staten. In 1882 gaf hij al zijn hoge functies op om toe te treden tot de orde der redemptoristen. Ook hier klom hij snel op in de hiërarchie. Hij werd priester en later provicaris. In 1888 maakte de tyfus een einde aan zijn leven. Borret was een gedreven tekenaar en schilder. Hij legde zijn indrukken van Suriname vast in een album. Begin 1882 stuurde hij dit naar zijn broer Theodoor in Nederland. Deze schonk het in 1911 aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Enkele jaren geleden zijn alle 148 tekeningen uit het album gereproduceerd. Tevens bevat dit boek vier tekeningen die zijn gevonden in het archief van de redemptoristen in Wittem, Limburg. Deze publicatie laat zien hoe Borret tegen Suriname aankeek, een land dat hem, zoals hij zelf schreef, voor zijn vertrek geheel onbekend was. Wat gaf hij weer van de natuur, de mensen, de verschillende bevolkingsgroepen met hun kleding en gebruiken? Meteen als zijn schip in Frankrijk van wal steekt, begint hij te tekenen. De aquarellen, pen- en potloodtekeningen en een enkele krijttekening, laten ons delen in Borrets verwondering en belangstelling voor zijn nieuwe land.

Hieronder een aantal van kleurenportretten die Borret maakte. (meer…)

DE ORDEDIENST 1

De Ordedienst was een belangrijke illegale Nederlandse verzetsorganisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de Ordedienst speelden cadetten en adelborsten een belangrijke rol gespeeld. De toekomstige officieren van de land- en zeemacht werden opgeleid aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda en het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) in Den Helder. Toen Nederland op 15 mei 1940 capituleerde werden de cadetten (landmacht-officier in opleiding) en adelborsten (marine-officier in opleiding) naar huis gestuurd, terwijl de KMA en het KIM op 2 juli 1940 op last van de Duitse bezetter werden gesloten en opgeheven. Om hun belangen bij studiefinanciering en dergelijke bij het Afwikkelingsbureau van het Departement van Defensie te behartigen en onderling het sociale contact te onderhouden werd een Contact Commissie Cadetten (CCC) gevormd. Deze bevond zich in Den Haag. De adelborsten hadden een soortgelijke vereniging opgericht, de Contact Commissie Adelborsten (CCA). Er werden onder anderen borreluurtjes, lunches en onderlinge sportwedstrijden georganiseerd. De CCC en de CCA waren dus in eerste aanleg allerminst subversieve organisaties, maar waren gezelligheidsverenigingen zonder commercieel doel. Ze hadden daarom geen toestemming van de Duitse autoriteiten nodig. De onderlinge contacten hadden later wel tot gevolg dat verschillende cadetten en adelborsten binnen de Ordedienst zeer nauw zouden gaan samenwerken. In mei 1940 werden alle officieren en andere manschappen van het voormalige Nederlandse leger door de bezetter in krijgsgevangenschap genomen. Korte tijd later werden ze al weer vrijgelaten in het kader van een Duits charme-offensief. De bezetter veronderstelde dat de Nederlandse bevolking niet echt vijandig tegen hen zouden staan en wilden op deze manier de veronderstelde welwillende houding van de Nederlandse bevolking niet frustreren. Een groot aantal ex-militairen bleef echter met elkaar contact houden en vormden op initiatief van Johan Hendrik Westerveld  in 1940 een organisatie die ze Ordedienst (binnen het verzet meestal afgekort naar OD) noemden. Deze dienst richtte zich in eerste instantie alleen op de bevrijding in de naïeve veronderstelling dat het Duitse leger wel binnen een jaar zou worden verslagen. Met de gebeurtenissen na de Eerste Wereldoorlog in gedachten verwachtte men na de bevrijding communistische revolutiepogingen. In de onvermijdelijke chaos en het gezagsvacuüm na de bevrijding zou de Ordedienst dan de orde moeten handhaven. Ook zouden de Ordedienst de helpende hand moeten bieden aan de geallieerde bevrijders.  (meer…)

PIERRE VERSTEEGH (53)

Pierre Versteegh (Kedung Banteng, Centraal-Java, 6 juni 1888 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) was een Nederlands luitenant-kolonel der artillerie, een olympisch springruiter en verzetsman. Hij was een broer van generaal Willem Versteegh, de eerste Nederlandse militair mer een vliegbrevet en de man die aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië enkele vliegtuigen en manschappen van de Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij wist over te brengen naar Australië. Daar werd hij later commandant van het 19e Transport Squadron. Pierre Versteegh begon op 2 oktober 1906 als cadet artillerie zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Op 24 juni 1909 werd hij benoemd tot tweede luitenant en ingedeeld bij het vierde regiment veldartillerie, ingedeeld bij de derde afdeling te Ede. Op 14 oktober 1912 werd hij bevorderd tot eerste luitenant. Tijdens het Concours Hippique in mei 1914 te Breda behaalde hij bij een jachtrit voor officieren en heerrijders (een in de vergetelheid geraakt woord, waarmee iemand werd aangeduid die voor zijn plezier paard reed) met zijn paard Irish Laddy de eerste prijs, wat hem een vergulde zilveren medaille en 75 gulden opleverde. In dezelfde wedstrijd haalde hij met een ander paard, Salomé, de vijfde prijs, goed voor 25 gulden. In juli 1920 won Versteegh tijdens het springconcours voor springpaarden in alle klassen met zijn paard Noske de derde prijs; in 1922 werd hij, dan districtscommandant der Marechaussee te Groningen, eerste met zijn paard Not Yet tijdens het Concours Hippique in het Stadspark te Groningen. In januari 1924 werd hij overgeplaatst naar de marechaussees te Amsterdam als commandant van het district en werd hij woonachtig te Bussum. Op 1 februari 1925 werd hij bevorderd tot kapitein. Hij bleef de jaren daarop doorgaan met wedstrijdrijden. In 1928 behaalde Versteegh een bronzen medaille op de Olympische Spelen van Amsterdam, op het onderdeel dressuurrijden voor teams heren, samen met Jan van Reede en Gerard le Heux. Aan dat Olympisch toernooi deed namens Nederland ook Charles Labouchere mee, die als gedoodverfd kampioen er niet in slaagde de gouden medaille te veroveren. In februari 1928 trouwde hij in London met Emmy Hijmans. Hij was eerder getrouwd geweest met Flora Oudshoorn en had met haar drie kinderen. Emmy was eerder gehuwd geweest met Floris der Kinderen. Mogelijk heeft hij haar via de paarden leren kennen. In 1927 werd in de kranten bericht dat Versteegh met het paard Matador, eigendom van Emmy der Kinderen, deelnam aan springwedstrijden. Het echtpaar vestigde zich op 12 maart 1928 in Bussum. Het was een ruim huis, maar volgens het bevolkingsregister moest het dan ook onderdak bieden aan de drie kinderen van Versteegh en de twee van Hijmans. Waarschijnlijk bood het perceel ook mogelijkheden om een paard aan huis te hebben. (meer…)

BRIAN ENO

ARNOLD BORRET 1

Arnold Borret (Maastricht, 28 oktober 1848 – Paramaribo, 6 februari 1888) is een Nederlandse jurist die actief werd in de kolonie Suriname als rechter, priester en kunstenaar. Zijn teken- en schilderwerk geeft een breed beeld van het Suriname op het eind van de negentiende eeuw. Hij stamde uit een voorname Bossche, katholieke familie. Zijn vader Eduardus Borret (‘s-Hertogenbosch, 17 augustus 1816 – Den Haag, 10 november 1867), een zoon van Antonius Borret die van 1842 tot 1850 gouverneur van Noord-Brabant was, was een bestuurder en politicus. Hij was eerst advocaat-generaal in Maastricht en later in de Tweede Kamer behoorde hij als katholiek tot de conservatieven. Hij was dertien jaar staatsraad en werd in het kabinet-Van Zuylen van Nijevelt minister van Justitie. Hij overleed in deze functie. Toen Arnold vijf jaar oud was overleed zijn moeder. Op tienjarige leeftijd ging hij naar het college der Jezuïeten te Katwijk. Vanaf zijn achttiende studeerde hij rechten aan achtereenvolgens de universiteiten van Leuven, Leiden en Utrecht. In 1872 promoveerde Borret en vestigde hij zich als advocaat in Rotterdam. In 1878 werd Borret benoemd tot griffier aan het Hof van Justitie in Paramaribo. Twee jaar later werd hij, na het ontslag van J.H. Gilquin, aan dat hof als rechter geïnstalleerd. Daarnaast was hij vanaf 1881 minder dan een jaar een door de gouverneur benoemd lid van de Koloniale Staten van Suriname, de volksvertegenwoordiging van Suriname binne het Koninkrijk der Nederlanden. Borret was bevriend met monseigneur J.H. Schaap (Amsterdam, 27 september 1823 – 19 maart 1889), de apostolisch vicaris van Nederlands Guyana-Suriname en titulair bisschop van Etalonia, die net als hij in Katwijk en Leiden had gestudeerd. In 1882 gaf Borret al zijn hoge functies op en trad toe tot de congregatie der redemptoristen, waarbinnen hij in 1883 tot priester werd gewijd. In 1887 werd hij door mgr. Schaap, bij diens reis naar Europa, benoemd tot plaatsvervangend overste van de missie in Suriname. Borret preekte zowel in het ‘Negerengelsch’ als in het Hindoestaans. Arnoldus Borret stierf op veertigjarige leeftijd aan tyfus. (meer…)

KOENO GRAVEMEIJER

Koeno Henricus Eskelhoff Gravemeijer (Oosthem, gemeente Wymbritseradeel, 25 februari 1883 – Wassenaar, 13 februari 1970) was een Nederlandse calvinistische predikant, secretaris van de Algemene Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk en, samen met kardinaal de Jong, leider van het kerkelijk verzet in de Tweede Wereldoorlog. Hij was afkomstig uit een oud Oostfries predikantengeslacht. Hij studeerde theologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en werd eerst hulpprediker in Leeuwarden en daarna predikant in Giessen-Oudekerk (1911), Voorburg (1915) en Den Haag (1920). Gravemeijer trouwde in 1911 met Baukje van Popta, die op 23 oktober 1930 zou overlijden. Hij werd bekend als boeiend prediker, ijverig pastor en bekwaam organisator. Binnen zijn calvinistische traditie was hij sterk beïnvloed door H.F. Kohlbrügge (Amsterdam, 15 augustus 1803 – Elberfeld, 5 maart 1875), een Nederlandse gereformeerd theoloog die binnen zijn leer als kern had dat de gelovige onheilig in zichzelf (‘een niets’) is en blijft, maar is tegelijkertijd geheel geheiligd in Christus. Door zijn evangelische radicaliteit werd Kohlbrügge niet gewaardeerd en begrepen door de hoofdstroom van de 19e-eeuwse theologie, maar vond hij wel weerklank bij eenvoudige gelovigen in de rechterflank van de Hervormde Kerk en onder afgescheidenen. Gravemeijer zou gedurende zijn hele leven ijveren voor een reorganisatie van de Nederlands Hervormde Kerk, maar dat moest wel een reorganisatie zijn die paste in zijn theocratische visie op ‘het protestants karakter der natie’. Dit principe zag hij politiek vertolkt door de Hervormd-Gereformeerde Staatspartij (HGS), waarvan hij in 1921 medeoprichter was en vervolgens bestuurslid werd. Zijn broer Henricus Eskelhoff Gravemeijer was van 1921 tot 1936 voorzitter van die partij. Samen met zijn geestverwant, de rechtzinnige dominee C.A. Lingbeek, vertegenwoordiger van deze partij in de Tweede Kamer, die zich op grond van deze beginselen heftig verzette tegen regeringscoalities tussen de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) en de protestantse partijen, bestreed hij een reorganisatievoorstel in 1938 als zijnde in strijd met dit theocratisch principe. Hiernaast bekleedde Gravemeijer tal van bestuursfuncties in maatschappelijke organisaties. Het diaconaat heeft altijd zijn bijzondere liefde gehad. (meer…)

DARKWOOD

WILLEM IDENBURG

Willem Idenburg (Gouda, 18 februari 1904 – Neustadt, 27 april 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was  aannemer van stukadoorswerk van beroep, was lid van de Ordedienst en later van de Binnenlandse Strijdkrachten en was actief in het lokale verzet in Gouda, waarbinnen hij de belangen behartigde van onderduikers en Joden Zo was hij betrokken bij illegale transporten van bijvoorbeeld wapens of voedsel voor onderduikers. Als eigenaar van een stukadoorsbedrijf beschikte hij over vervoersmiddelen die het verzet goed kon gebruiken bij deze illegale wapendroppings en andere transporten. Tijdens een van die transporten werd hij herkend, vervolgens verraden en op 21 februari 1945 in Gouda gearresteerd. Een poging om hem tijdens zijn transport naar Rotterdam te bevrijden mislukte. Via het ‘Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen waar veel verzetsstrijders gevangen zaten, kwam hij in kamp Amersfoort terecht. Met het allerlaatste transport uit dat kamp werd hij vervolgens overgebracht naar het Duitse concentratiekamp Neuengamme, zo’n dertig kilometer ten zuidoosten van Hamburg. Een brief van 21 maart 1945 is het laatste levensteken dat zijn vrouw en kinderen van hem ontvingen. Nadat de Duitsers eind april 1945 op de vlucht voor de geallieerden dat kamp ontruimden, zetten ze de gevangenen vast op drie passagiersschepen in de Lübeckerbocht. Op 27 april 1945 overleed Willem Idenburg, verzwakt door alle ontberingen, aan boord van het schip Cap Arcona. Nog geen twee weken later was de oorlog voorbij. (meer…)

MATHILDE SANTING

KOVACS

HITLERS EDELJUDE

De Duits-Oostenrijkse historica Brigitte Hamann, die eerder in 1996 het onvolprezen “Hitlers Wien” schreef over de armoedige jaren van Hitler in Wenen in de jaren 1908-1913 en de verwoestende invloed die deze toenmalige smeltkroes van volkeren op zijn verwarde geest moet hebben gehad, vertelt nu het ongelofelijke verhaal van de Joodse armenarts Eduard Bloch en zijn gezin. Bloch was de voormalige huisarts van de familie Hitler en was zo zorgzaam en behulpzaam geweest bij de ziekte en het overlijden van Hitlers moeder, dat het een onvergetelijke indruk op de latere Führer maakte. Toen ruim dertig jaar later Oostenrijk door de Anschluss deel ging uitmaken van het grote Duitse Rijk stond de eenvoudige huisarts vanaf dag één onder de uitdrukkelijke bescherming van Adolf Hitler. “Das ist eine Edeljude. Wenn alle Juden so wären, gäbe es keinen Antisemitismus”, zou Hitler later over Bloch opmerken.

Eduard Bloch (Frauenberg an der Moldau, 30 januari 1872 – New York, 1 juni 1945) werd geboren in de regio Zuid-Bohemen in een pittoresk plaatsje dat gedomineerd werd door kasteel Hluboká dat aan de rand van het dorp lag. Bij een renaissance rond 1840 was vrijwel de gehele oude burcht gesloopt en werd op dezelfde plek een nieuw kasteel in Tudor-gotische stijl gebouwd. Op de plaats van de afgebroken gebouwen en in de aangrenzende weiden werd een grote Engelse tuin aangelegd. Toenmalig eigenaar van het kasteel was de familie Schwarzenberg, een van de rijkste en machtigste families in Bohemen waar ze talrijke kastelen bezat en heerste over uitgestrekte landerijen en bossen. Ze had dan ook behoorlijk veel invloed binnen het Habsburgse rijk. Joachim Bloch, de grootvader van Eduard Bloch, was ‘Hofjude’ in dienst van de regerende vorsten van het huis Schwarzenberg. Later zou Moritz Bloch, de vader van Eduard Bloch, de functie overnemen. (meer…)

JOHAN WESTERVELD (52)

Johan Hendrik Westerveld (Haarlem, 21 augustus 1880 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) was militair tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Westerveld was aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda opgeleid tot beroepsofficier bij het Wapen der Artillerie, waar hij op 1 augustus 1901 werd benoemd tot tweede luitenant. Later vervulde hij onder meer de functie van Commandant School Reserve-Officieren Bereden Artillerie (SROBA). Gedurende zijn diensttijd leerde hij P.M.R. Versteegh kennen, met wie hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zou samenwerken. In 1920 verliet hij de militaire dienst om een functie te aanvaarden bij de firma Van den Bergh & Jurgens in Rotterdam. Van 1929 tot 1939 was hij namens deze firma bedrijfsleider van de vestiging in het Duitse Goch. Hij maakte dus van nabij de opkomst mee van het nationaalsocialisme in Duitsland. Op 30 oktober 1939 werd hij gemobiliseerd in de rang van van luitenant-kolonel. In de eerste dagen van mei 1940 was hij eerst werkzaam bij de Inspectie der Artillerie; vanaf 12 mei 1940 kwam hij terecht bij het Artillerie Commando Vesting Holland, waarvan het hoofdkwartier in Den Haag was gevestigd. Op 30 mei 1940 werd hij gedemobiliseerd.

Westerveld was in zijn woonplaats Den Haag via de politicus Hendrik Colijn in contact gekomen met andere vooraanstaande politici, waarbij hij vooral een nauwe band kreeg met de socialist Koos Vorrink. In de zomer van 1940 voerde de gedemobiliseerde Westerveld met verschillende personen overleg over de vorming van een militaire organisatie, die zou moeten optreden zodra de Duitsers weer zouden zijn vertrokken. In die situatie moest deze organisatie ervoor zorgen dat er geen chaos ontstond en dus de orde bewaken. De deelnemers aan de gesprekken hadden nog de optimistische verwachting dat de oorlog slechts van korte duur zou zijn en de Duitsers weer zouden vertrekken. Westerveld was een van de oprichters van deze Ordedienst en zou er de grote organisator van worden. Westerveld aanvaardde per 1 september 1940 een hoge functie bij Unilever in Rotterdam, wat hem de perfecte dekmantel gaf om zich met allerlei verzetsactiviteiten bezig te houden. (meer…)

MIKE OLDFIELD

NEDERLANDSE ARBEIDSDIENST

De Nederlandse Arbeidsdienst (NAD) werd op 15 oktober 1940 opgericht, een fusie van de in juli 1940 in het leven geroepen Nederlandse Opbouwdienst en het arbeidsbemiddelingsbureau voor diensten in Duitsland dat de Duitsers van de grond wilden krijgen. De Nederlandse Opbouwdienst was een overgangsorganisatie die de ontmanteling van het Nederlandse leger soepel moest laten verlopen en zorgen dat de werkloosheidscijfers in Nederland niet drastisch op zouden lopen. Parallel daarna wilden de bezetter, als voortzetting van het vooroorlogse beleid van werkverschaffing, werkloze mannen en vrouwen inschakelen voor in eerste instantie het herstel van de oorlogsschade en in tweede instantie voor vrijwillige werkzaamheden in Duitsland. Toen er weinig animo voor deze vrijwillige dienst bleek te zijn, kreeg de Arbeitseinsatz een verplicht karakter. In Duitsland werden tussen 1938 en 1945 zo’n 7,7 miljoen arbeiders van niet-Duitse origine ingeschakeld in de oorlogseconomie; in de Duitse wapenindustrie bleek uiteindelijk de helft van alle arbeidsplaatsen bezet te zijn door Fremdarbeiter. Op 15 oktober 1940 vloeide beide initiatieven dus in elkaar over, waarbij voor de Nederlandse Arbeidsdienst het motto “Ick Dien’ werd gelanceerd en in de propaganda een soort mythologisch figuur werd opgevoerd die Koenraad heette. Deze Koenraad werd neergezet als een ‘echte’ Hollandsche jongen: rechtschapen, welopgevoed, dapper en bereid om te werken. Er verschenen aanplakbiljetten waarop Koenraad met een schop op de schouder figureerde. Zijn goede opvoeding sprak uit afbeeldingen die in dagbladen werden geplaatst. Hij stond keurig zijn plaats in de tram af aan een staande dame en hij gaf een reprimande aan een ondeugende jongen die een hond plaagde. Zo’n brave hendrik wekt bij de gemiddelde Nederlander al snel ergernis op, maar komend uit de koker van de bezetter werd het al snel een voorwerp van spot. Koenraad werd al snel massaal Dollefie Sallefie genoemd. De propaganda werkte dan ook averechts en Koenraad verdween al snel. Dorus (Tom Manders) zou later in zijn sketches een personage opvoeren die Dollefie Sallefie werd genoemd, maar nooit ten tonele zou verschijnen. (meer…)

MIJN LIEF IS VANDAAG JARIG 2

Drie jaar geleden voor het laatst een verjaardagsbericht voor mijn lief geplaatst. Werd weer eens tijd voor wat extra aandacht.
U mag haar gerust via Facebook persoonlijk feliciteren hoor: https://www.facebook.com/dinie.groen

LONDONBEAT

NEDERLANDSE OPBOUWDIENST

De Nederlandse Opbouwdienst (N.O.D.) werd op 15 juli 1940 opgericht door de Nederlandse overheid, die op dat moment al door de Duitse bezetters werd aangestuurd. Het as een overgangsorganisatie die als doel had te zorgen dat de ontmanteling van het Nederlandse leger in de bezettingstijd ordentelijk zou verlopen. Er was in Nederland nog steeds een behoorlijk hoge werkeloosheid en de Duitsers wilden ervoor zogen geen onvrede in de Nederlandse samenleving te laten ontstaan door een verdere stijging van het werkloosheidspercentage doordat er vele ontslagen binnen defensie zouden moeten worden gedaan. Na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 was het verslagen Nederlandse leger an 270.000 man in zijn geheel door de Duitsers krijgsgevangen verklaard. Daarvan werden 30.000 man naar Duitsland overgebracht, de overige militairen moesten in de kazerne blijven. Maar al in juni 1940 mocht iedereen weer naar huis, een gebaar van de bezetters om de Nederlanders gunstig te stemmen. Er werden 60.000 werkloze ex-soldaten ondergebracht in de Nederlandse Opbouwdienst, een organisatie die moest helpen bij het herstel van de oorlogsschade in Nederland. Dat beleid was een voortzetting van een eerder werkverschaffingsbeleid in Nederland. De Opbouwdienst was officieel politiek neutraal en zou praktisch werk in het algemeen belang gaan doen. Het was daarom verboden tijdens de diensttijd lid te zijn van een politieke partij of organisatie. In de praktijk diende de organisatie echter ook om de mensen binnen de Opbouwdienst op te leiden in de nationaalsocialistische leer. Verder zou in de leiding ook plaats kunnen zijn voor burgers, die zich vrijwillig aanmelden en die op grond van hun deskundigheid, ontwikkeling en geschiktheid om met mensen om te gaan, hiervoor in aanmerking kwamen. In de propaganda werd dan ook veel gesport in de frisse buitenlucht, met de schop gemarcheerd in het platteland en nuttige karweitjes gedaan.
(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 32

ASAF AVIDAN

ANDERSON AND VANGELIS

RUM

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 040

Frans van den Muijsenberg / 25 november 2017 / Stevenskerk Nijmegen, kunstwerk Rob Platel

CORNELIA VAN DEN BERG – VAN DER VLIS (51)

Cornelia (Cor) van den Berg – van der Vlis (‘s-Gravenhage, 28 oktober 1892 – Vries, 8 september 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog, die actief was in Friesland en werkte onder de verzetsnaam ‘Annie Westland'(waarschijnlijk een verwijzing naar het feit dat ze oorspronkelijk uit Den Haag kwam, dus uit ‘het westen. Ze was getrouwd met kapitein in de infanterie Christiaan Frederik van den Berg (Arnhem, 27 juli 1901 – Leusderheide, 29 juli 1943), die in Den Haag actief lid van de Ordedienst was. Hij was daar inlichtingenofficier en leider van een sabotagegroep. Eind december 1941 kwam hij in contact met de geheim agenten Thijs Taconis en Huub Lauwers. Thijs Taconis (Rotterdam, 28 maart 1914 – Mauthausen, 6 september 1944) was in mei 1940 vanuit zijn woonplaats Scheveningen in een logger van Scheveningen naar Engeland gevaren om zich aan te sluiten bij het verzet. Huub Lauwers (Amsterdam, 19 juli 1915 – Utrecht, 13 juni 2004) had zich eveneens naar Engeland begeven om zijn diensten aan te bieden aan de Nederlandse regering. Beiden werden door de Special Operations Executive (SOE) te Beaulieu opgeleid als geheim agent. Op 7 november 1941 werden ze vanuit Engeland bij Ommen geparachuteerd, met als opdracht een radioverbinding met het hoofdkwartier in Londen te onderhouden. Op 3 januari 1942 werd het eerste codebericht naar Londen verzonden, maar al op 9 maart 1942 valt het duo in Duitse handen. Thijs Taconis zou op 6 september 1944 in Mauthausen worden gefusilleerd, samen met 23 andere Nederlandse geheim agenten. In de periode 6 -8 september 1944 zouden in het Duitse concentratiekamp in totaal 54 geheim agenten worden neergeschoten. Huub Lauwers ging in op het aanbod van de Duitsers met hen samen te werken, maar trachtte vele malen via de vooraf afgesproken security-checks tevergeefs Londen erover te informeren dat hij en Taconis gearresteerd zijn. Het was het begin van het Englandspiel dat 59 Nederlandse geheime agenten het leven zou kosten en waarvan de Beweegredenen vanuit Londen nog steeds in nevelen zijn gehuld. (meer…)

LAURENS RIJNHART BEIJNEN (50)

Laurens Rijnhart Beijnen (Brummen, 23 september 1896 – Brummen, 13 april 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was lid van de patriciërsfamilies Beijnen, die van oorsprong afkomstig was uit het Brabantse Waalre. De stamreeks gaat terug tot 1650 naar de schoolmeester Christiaan Beijnen. Een van zijn nazaten verkreeg in 1829 bij Koninklijk Besluit het recht de familienaam te wijzigen in Koolemans Beijnen; een andere nazaat, toevallig (?) met de naam Laurens Rijnhart Beijnen (1811-1897) wijzigde na zijn huwelijk met Catharina van Duijfhuijs (1814-1888) de naam in Van Duijfhuijs Beijnen. Laurens Beijnen had in Delft mijnbouw gestudeerd en werkte daarna ongeveer een jaar in Nederlands-Indië in Weltevreden, een door Europeanen bewoonde voorstad van Batavia, ongeveer tien kilometer van het stadscentrum verwijderd. In de loop van de achttiende eeuw verrezen hier statige herenhuizen waarmee de koloniale Nederlandse machthebbers de ongezonde levensomstandigheden in de hoofdstad konden ontvluchten. Weer terug in Nederland in 1934 stichtte hij in het Gelderse Eerbeek de zeefplatenfabriek Veco, een nog steeds florerend bedrijf.

Toen de oorlog uitbrak weigerde hij voor de Duitsers te gaan werken en wilde geen opdrachten laten uitvoeren in zijn fabriek, hoewel de commissarissen van de onderneming daar bij de eigenaar-directeur op aandrongen. Door plaatsgenoot mr. L.A.S.J. baron van der Feltz, die zijn standvastige opstelling wel kon waarderen, raakte hij betrokken bij het werk van de illegaliteit. Hij werd lid van de Ordedienst (OD); in de lente van 1944 werd Beijnen door de Gewestelijk Commandanten van de OD in Gewest 5 (Achterhoek), de reserve-luitenant W.A. van der Wall Bake en chef-staf jonkheer P.J. Six, gevraagd hoofd te worden van Sectie V van Gewest 5 van de Binnenlandse Strijdkrachten. De beide commandanten waren onderling zeer bevriend en kwamen veelvuldig bijeen in het landhuis ’t Kiefkamp te Vorden van de eer Van der Wall Blake. Beijnen hield zich onder meer bezig met inlichtingenwerk en speelde deze door aan de Ordedienst, waarvoor hij vooral in Amsterdam contact onderhield met majoor J. Kok, hoofd van Sectie v van het Algemeen Hoofdkwartier van de OD.Voor die bezoeken aan Amsterdam ging hij per fiets en leverde dan inlichtingenrapporten af. Beijnen trof namelijk de voorbereidingen voor de provisorische brugslag ten behoeve van de verwachte opmars van de geallieerde legers en wist te voorkomen dat allerlei materiaal van de brandweer naar Duitsland werd overgebracht.  (meer…)

HERMAN VAN VEEN 2

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 039

Frans van den Muijsenberg / 20 december 2020 / Klimmendaal Arrnhem

LOUISIANA BLUES 2

HIPPOCRATES IN DE HEL

Michel Cymes (geboren te Parijs op 14 mei 1957) is als specialist verbonden aan een kliniek in de Franse hoofdstad. Hij presenteert medische programma’s voor de publieke omroep France Télévisions. De grootouders van Cymes waren Poolse Joden, die in 1922 naar Frankrijk waren uitgeweken. Zijn beide grootvaders zijn in Auschwitz vermoord. Vanuit die achtergrond stelt hij aan alle Duitse nazi-artsen de vraag: “Hoe kun je een beroep kiezen dat leven redden als hoogste doel heeft en vervolgens de levens beëindigen van degenen die je niet langer beschouwt als mensen?”. Daarop volgend komt de vraag op of alle weerzinwekkende experimenten in de kampen de geneeskunde ook maar een millimeter verder hebben gebracht. Om het nog wat lastiger te maken, werpt Cymes een derde vraag op: Klopt zijn aanname dat alle folteraars tweederangs artsen waren, die door hun leraren en jaargenoten werden bespot en gemeden en nu de kans zagen te bewijzen dat ook zij, de minkukels, een grote wetenschappelijke bijdrage konden leveren aan het krankzinnige project van het Derde Rijk? Zij zouden wel eens even uitvinden hoe het Duitse volk het gezondste in de hele geschiedenis van de mensheid kon worden. Drie grote vragen, die een jarenlange studie naar een groot aantal betrokkenen vereisen, kennis van veel wetenschappelijke studies veronderstelt, waarvoor een behoorlijke dosis psychologisch inzicht onontbeerlijk is en een auteur moet beschikken over veel historisch inzicht in de ontwikkeling van de medische wetenschap. Het kan zijn dat dit boek een opwarmertje is voor zo’n magnum opus, maar dit blijkbaar snel geschreven boekje van een drukbezet iemand doet anders vermoeden. De tekst op de achterzijde geeft het min of meer al aan: (meer…)

BEDRICH SMETANA 2

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 038

Frans van den Muijsenberg / 27 november 2020 / Klimmendaal Arrnhem

COMMON & BILAL

HET 13e AMENDEMENT

Op Netflix een tijdje geleden geleken naar de Amerikaanse documentaire 13th, een indringende film over het eeuwenlange racisme in Amerika. Er wordt in uiteengezet hoe in de Verenigde Staten telkens een nieuw systeem ontstond om de Afro-Amerikaanse bevolking te onderdrukken. In 1865 werd voorgesteld via Amendement XIII van de Grondwet van de Verenigde Staten om de slavernij in de Verenigde Staten af te schaffen. Dat proces al in1863 door president Abraham Lincoln begonnen met diens Emancipatieproclamatie, die alleen de slaven uit de zuidelijke Geconfedereerde Staten, en niet die uit de noordelijke Unie bevrijdde. Het Dertiende Amendement geeft de staten en de federale overheid wel de mogelijkheid om veroordeelden onvrijwillig werk te laten verrichten, zolang die arbeid niet aangevuld werd met wrede of ongebruikelijke straffen, die worden verboden door het achtste amendement. De letterlijke tekst van sectie 1 van het amendement luidt: ‘Neither slavery nor involuntary servitude, except as a punishment for crime whereof the party shall have been duly convicted, shall exist within the United States, or any place subject to their jurisdiction’. Dat korte zinnetje dat bij gevangenisstraf wel de verplichting tot dwangarbeid kan worden opgelegd, zou al direct ingrijpende consequenties krijgen voor de Afro-Amerikaanse bevolking.  Op 1 februari 1865 was de staat Illinois de eerste staat van de VS die dit amendement ratificeerde. Georgia ratificeerde het amendement op 6 december 1865 als 27e staat. Daarmee was het vereiste aantal stemmen gehaald. Op 18 december 1865 trad het amendement in werking. andere staten ratificeerden het amendement pas vele, vele jaren later. Kentucky tekende pas op 18 maart 1976 en Mississippi op 16 maart 1995. Omdat de staat Mississippi de ratificatie niet had gemeld aan de nationale archivaris, was de ratificatie in die staat niet officieel tot 7 februari 2013.
(meer…)

MIDNIGHT OIL

JOAN ARMATRADING 2

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 31

GUSTAAF HENRI GELDER (49)

Gustaaf Henri Gelder (Batavia, 8 juli 1919 – Den Haag, 21 januari 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen in oktober 1941 door de Duitse bezetters werd afgekondigd dat Joden niet langer lid mochten zijn van een studentenvereniging, besloten die verenigingen zich op te heffen. Dat betekende echter ook dat er een eind dreigde te komen aan veel van de onderlinge contacten. Zo waren er literaire salons, waar door wetenschappers als de hispanoloog dr. Johan Brouwer (Delfshaven, 31 mei 1898 – Haarlem, 1 juli 1943) lezingen werden gehouden. Deze Brouwers was binnen het academische wereldje een curieus figuur. Zijn jeugdjaren werden gekenmerkt door een chronisch gebrek aan geld, reden voor hem en zijn broer een bankoverval te plegen. Een bekende die hiervan op de hoogte was, probeerde hen hiermee te chanteren en werd daarom in 1921 door de broers om het leven gebracht. Van 1922 tot 1928 moest hij zijn studie onderbreken om de opgelegde gevangenisstraf uit te zitten. Hierna pakte hij zijn studie Romaanse Talen weer op en studeerde in 1930 aan de Rijksuniversiteit Groningen cum laude af in de Spaanse letterkunde; in 1931 promoveerde hij er met een proefschrift over de Spaanse mystiek. Hij reisde daarna veel door Spanje en Portugal, publiceerde wetenschappelijke werken over de Spaanse letterkunde, vertaalde oude Spaanse literatuur en schreef enkele leerboeken Spaans. Door zijn reizen naar Spanje en het meemaken van de Spaanse Burgeroorlog, waar hij duidelijk koos voor de Republikeinen die tegen Franco vochten, werd hij zich bewust van de oorlogsdreiging en gaf hij waarschuwende lezingen in Nederland over het gevaar van non-interventie en de opkomst van het nationaalsocialisme. Toen begin 1941 dr. J.A. van Praag, de lector Spaans aan de Universiteit van Amsterdam, werd ontslagen omdat hij joods was, werd Brouwer tot zijn opvolger benoemd. (meer…)

CUBY AND THE BLIZZARDS 2

DENEMARKEN 022

DENEMARKEN 021

DENEMARKEN 020

DENEMARKEN 019

BOB SEGER 2

DENEMARKEN 018

DENEMARKEN 017

DENEMARKEN 016

DENEMARKEN 015

JEAN-MICHEL JARRE 2

DENEMARKEN 014

DENEMARKEN 013

DENEMARKEN 012

DENEMARKEN 011

DENEMARKEN 010

DENEMARKEN 009

DENEMARKEN 008

PROCOL HARUM 2

DENEMARKEN 007

DENEMARKEN 006

DENEMARKEN 005

DENEMARKEN 004

DENEMARKEN 003

DENEMARKEN 002

DENEMARKEN 001

THE BUFFOONS 2

TREINRAMP RUINERWOLD

Op 3 januari 1888 vond een treinramp plaats van twee stoomtreinen tussen Stopplaats Ruinerwold en Station Koekange. Vijf personen verloren hun leven bij de treinramp. Stopplaats Ruinerwold lag aan Staatslijn C tussen Meppel en Groningen, enkele kilometer verwijderd van Meppel. Het station werd op 1 mei 1870 geopend en zou tot 15 mei 1933 dienst doen. In 1940 werd het in 1910 gebouwde station gesloopt. Weer enkele kilometers verder (8,2 kilometer buiten Meppel) lag het station Koekange, dat ook op 1 mei 1870 was geopend en tot 15 mei 1938 dienst zou doen; in de maanden mei t/m november 1940 werd het station tijdelijk weer geopend. Het stationsgebouw werd later gebruikt voor bewoning door spoorwegpersoneel en eind zeventiger jaren gesloopt. Staatslijn C is de spoorlijn tussen Meppel en Groningen, die op 1 mei 1870 officieel werd geopend. Samen met Staatslijn A (de lijn Zwolle-Leeuwarden) en Staatslijn B (de lijn Harlingen-Nieuweschans) moest ze zorgen voor aansluiting van de grote steden in Noord-Nederland met de rest van het Nederlandse spoorwegnet. In 1888 was het spoor tussen Groningen en Zwolle enkelsporig en moesten treinen op vooraf bepaalde stations elkaar kruisen. (meer…)

MOORDKRUIS DRUTEN

Op de Waalbandijk bij Afferden staat al sinds mensenheugenis een kruis in de berm, dat in de plaats bekend staat als ‘het stenen kruis’. Volgens de overlevering is het een aandenken aan de moord op een pater in 1542. Op de dag voor Kerstmis liep de Franciscaner pater Fidelis, waarschijnlijk afkomstig van het Franciscaner klooster ‘Onze Lieve Vrouw op de Holtmeer dat op de grens van Bergharen en Horssen lag, over de dijk bij Afferden.Hij was op weg naar Kasteel Druten om aan een stervende de laatste sacramenten toe te dienen. Hij trof op de dijk twee vechtende ridders aan. De pater wees beide  edelen erop dat ze de kerst niet met bloedvergieten moesten ontheiligen. De strijders wilden echter niet luisteren en gingen door met het bloedige duel. De pater sprong tussenbeide om een eind aan het gevecht te maken. In het strijdgewoel werd de pater door de zwaarden dodelijk getroffen. Onmiddelijk waren de beide edelen eensgezind. Met hun zwaarden maken ze in de berm van de weg en begroeven daar de ongelukkige pater-monnik. ook zorgde ze ervoor dat op de plaats een zogenaamd moordkruis werd geplaatst. Op het kruis staat een oude afbeelding van een miskelk, een duidelijke verwijzing naar een geestelijke. Volgens de overlevering waren de ridders zo geschrokken van hun wandaad dat beide het klooster ingingen om te boeten voor hun zonde. in de loop der eeuwen was het kruis gebroken, maar met ijzeren banden werd het kruis weer hersteld. In 2005 werd het kruis door de gemeente Druten gerestaureerd en herplaatst. (meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 4

In de afgelopen eeuw is er een enorme lijst ontstaan aan Britse kolonies, mandaten, protectoraten, territoriale claims en pure veroveringen. Hieronder een chronologisch overzicht, waarbij is gestreefd naar volledigheid, maar met name over de activiteiten in Azië en de Thirteen American Colonies een verdere detaillering gewenst is. In rood is aangegeven welke landen momenteel lid zijn van de Commonwealth of Nations en waarmee Groot-Brittannië dus stevige diplomatieke banden heeft. In blauw de landen van de British Overseas Territory aangegeven, die dus nog steeds behoren tot het grondgebied van Groot-Brittannië. In groen de gebieden die het moederland Groot-Brittannië en Noord-Ierland vormen.
.
(meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 3

De British Commonwealth startte in 1931 dus voorzichtig met zeven leden: Groot-Brittannië en zes dominions (Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de Unie van Zuid-Afrika, Newfoundland en de Ierse Vrijstaat). Daarnaast had Groot-Brittannië een groot aantal kolonies, waarvan Brits-Indië vanwege haar grootte en belang voor het koloniale rijk een soort ‘status aparte’ had. Het omvatte de huidige landen India, Pakistan, Bangladesh en delen van Myanmar (Birma) en in bredere zin werd onder het begrip Brits-Indië het geheel aan koloniale bezittingen op het Indisch subcontinent bedoeld die al vanaf de 17e eeuw stapsgewijs in Britse handen kwamen. Tot 1858 werd dat land bestuurd door de Britse Oost-Indische Compagnie, maar vanaf 1876 regeerde koningin Victoria deze kolonie niet meer als koningin van het Verenigd Koninkrijk en het Britse Rijk, maar nam zij ook de titel keizerin van India aan. Men spreekt van 1876 tot 1947 dan ook wel van het keizerrijk India. Victoria regeerde overigens niet zelf, maar had een onderkoning als haar plaatsvervanger. Deze maakte op zijn beurt weer gebruik van de macht van Indiase adel (radja’s en maharadja’s). Deze inheemse vorsten werden weer bijgestaan en in de gaten gehouden door Britse bestuursambtenaren. Hoewel de vorsten soms zelfs een eigen leger en luchtmacht bezaten, was hun onafhankelijkheid door verdragen en de dominante positie van de Britten sterk ingeperkt. Op deze manier lukte het de Britten om India, met een bevolking die vele malen groter was dan die van het ‘moederland’, onder controle te houden. Tot 1947, toen het uit was met de pret. (meer…)

FRANK BOEIJEN

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 2

Van 4 april tot 6 mei 1887 werd in Londen de First Colonial Conference gehouden, ter gelegenheid van het gouden jubileum van koningin Victoria. De naam geeft perfect aan hoe de verhoudingen lagen. De bijeenkomst diende namelijk allereerst om de onderlinge band van Groot-Brittannië met enkele belangrijke kolonies te verstevigen. De Ierse Vrijstaat, Canada, Newfoundland, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika hadden allemaal al enige zelfstandigheid verworven. De oude benaming ‘kolonie’ leek niet meer helemaal gepast en in plaats daarvan werd de term ‘dominion’ ingevoerd, waarmee tot uiting kwam dat er toch nog wel voldoende Britse zeggenschap over die landen was. Ook India, hoewel aanzienlijk minder ver op de weg naar zelfstandigheid, had een hogere status dan de gemiddelde kolonie had. Deze leiders van het Britse Rijk ontmoetten elkaar in een vriendschappelijk treffen, waar tussen wijn en eten beleidsafspraken werden genomen. Er waren meer dan honderd aanwezigen, waaronder veel onofficiële vertegenwoordigers. Er werd onder meer besloten dat de kolonies Australië en Nieuw-Zeeland jaarlijks 126.000 pond aan de Britse schatkist zou betalen, in ruil waarvoor de Britten beloofde niet zonder toestemming van de kolonies de aanwezigheid van de Britse vloot in de Pacific terug te brengen. Ook werd ingestemd met de aanleg van een telegrafiekabel tussen Vancouver en Australië.

Binnen verschillende koloniën begon met deze constructie te benauwend vinden en de naam ‘colonial’ stuitte ook op weerstand. Vanaf mei 1907, toen de vijfde samenkomst werd gehouden, heette deze dan ook Imperial Conferences, waarbij beter tot uitdrukking kwam dat de dominions hun eigen voorstellen hadden, die er zonder uitzondering op neerkwamen dat men wilde loskomen van de koloniale status. (meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 1

Een kolonie is een territorium dat onder bestuur van een soevereine staat valt, maar geen deel uitmaakt van het eigenlijke grondgebied van dat moederland. Oorspronkelijk was kolonisatie de vestiging van een deel van een bevolking buiten het eigenlijke territorium van dat volk, zoals de Oude Grieken die kolonies stichten in onder meer het huidige Turkije en op Sicilië. Bij latere kolonisaties werd echter de inheemse bevolking ook onderworpen. Deze vorm van westerse kolonisatie begon in de eerste jaren van de 15e eeuw toen de Spanjaarden en Portugezen de wereld gingen ontdekken en al doende diverse landen, kuststroken en steden aan hun territorium gingen toevoegen. Bij het Verdrag van Tordesillas verdeelde de paus de niet-Europese gebieden tussen Spanje en Portugal. In de Tachtigjarige Oorlog verschenen eerst Nederland als rivaal op het koloniale toneel. Groot-Brittannië speelde allereerst een marginale rol naast Spanje, Portugal en Nederland. De Britse activiteiten beperkten zich hoofdzakelijk tot piraterij. In de 17e en 18e eeuw manifesteerden de Britten zich echter in Amerika, India en Brits-West-Indië. Delen van het huidige Canada werden op de Fransen veroverd. De Kaap en de Franse gebieden in India kwamen aan Engeland na 1815. In het Victoriaanse Tijdperk bereikte het Britse Rijk (British Empire) zijn hoogtepunt met de consolidatie van macht in India. (meer…)

ARVO PÄRT

ARTHUR LUCIEN CHARROIN (48)

Arthur Lucien Charroin ( Saint Martin-de-Valgargues, 16 juni 1906 – Bergen-Belsen, februari 1945) was een inspecteur van de Sûreté nationale, het Franse onderzoeksinstituut dat al in de negentiende eeuw werd opgericht en als voorbeeld diende voor de opzet van bijvoorbeeld Scotland Yard. Zijn geboortedorp Saint-Martin-de-Valgalgues ligt in het Zuid-Franse arrondissement Alès van het departement Gard. Dat is dus in de Vrije Zone ofwel Vichy-Frankrijk dat onder leiding stond van de oude held uit de Eerste Wereldoorlog, maarschalk Pétain. Dit bewind collaboreerde met de nazi’s. Charroin was binnen de Sûreté nationale gedetacheerd bij de douanepost St. Julien-en-Genevois, gelegen aan een spoorwegverbinding van vlak aan de grens bij Genève. Inspecteur Charroin was op verschillende manieren betrokken bij het verzet, maar zijn voornaamste activiteit daarbij was voor de groep Dutch-Paris, het ondergrondse netwerk van het Nederlands, Belgisch en Frans verzet. Dat netwerk had als doel mensen te redden en documenten over de grens te smokkelen. Het was een van de belangrijkste en meest succesvolle ondergrondse netwerken om vervolgden vanwege geloof en ras, geallieerde piloten, en personen van groot Nederlands belang te helpen ontsnappen via Zwitserland en Spanje gedurende de Tweede Wereldoorlog. De ontsnappingsroute heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het Frans verzet, en is verantwoordelijk voor de redding van meer dan 1.080 mensen, waaronder 800 Nederlandse Joden en meer dan 112 neergehaalde geallieerde piloten. Zo’n 300 mensen maakten deel uit van dit ondergrondse netwerk, daarvan werden er ongeveer 150 gearresteerd. Veertig leden werden gedood of stierven aan de gevolgen van gevangenschap. Door zijn functie bij de Franse douanepost was hij de ideale contactpersoon op de zogenaamde Zwitserse Weg. De reis naar Zwitserland liep van Nederland naar Brussel, Parijs en Lyon naar Annecy om daarna over de Alpen de Zwitserse grens over te steken. Charroin maakte het mogelijk dat Jean Weidner, de grote organisator achter Dutch-Paris, met regelmaat van en naar Zwitserland kon reizen. Hij werkte verder samen met met P.C. Naeff, de Nederlandse vice-consul in Lyon en voorheen de directeur van het Casan (Centres d’Assistance Social aux Réfugiés Néerlandais) in Perpignan. Die beide plaatsen waren vooral belangrijk voor de Pyreneeën-route van Dutch-Paris. (meer…)

SHIGERU UMEBAYASHI

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 037


.
Frans van den Muijsenberg / 28 september 2012, Sfinx van Gizeh, Egypte

SOAP & SKIN

HERMANN KESTEN – DIE KINDER VON GERNIKA (1939)

Hermann Kesten is in een van de eerste artikelen over de exitliteratuur en uitgeverij De Lange al gepresenteerd. Om de uitgeverij echt goed van de grond te krijgen had de Amsterdamse uitgever en boekhandelaar Allert de Lange (1855-1927) contact gezocht met de Duitse schrijver Hermann Kesten (Pidwolotschysk, Oekraïne, 28 januari 1900 – Bazel, 3 mei 1996), die in het Duitsland van de twintiger jaren een belangrijk vertegenwoordiger was van de literaire Nieuwe Zakelijkheid. Kesten werd in 1933 vanwege zijn Joodse afkomst uitgewezen uit Duitsland. In de herfst van 1934 ontstaat door allerlei verbanningen in Nice een van de interessantste woongezelschappen van de twintigste eeuw. Aan de beroemde Promenade des Anglais vestigen op huisnummer 121 op de eerste verdieping Hermann Kesten en zijn echtgenote Toni, op de tweede verdiepingen vestigen zich Joseph Rot en zijn partner Manga Bell en op de derde verdieping trekken heinrich Mann en levensgezel Nelly Kroeger in. Na Parijs en Marseille werd Nice snel een van de belangrijke Duitse exilsteden. Tussen 1933 en 1940 vestigen zich daar onder meer ook Ferdinand Bruckner, Magnus Hirschfeld, Valeriu Marcu, René Schickele, Fritz von Unruh en Theo­dor Wolff. Klaus Mann zou later in zijn autobiografie verklaren dat het literaire klimaat in Nice niet onderhoefde te doen voor dat in Parijs. Kesten schreef later in zijn Erinnerungen. Meine Freunde, die Poeten over ‘blauwe avonden op onze balkons, waar we elkaar onderhielden met kleine verhalen en mooie anekdotes. Joseph Roth vertelde een liefdesverhaal uit Podolië, Heinrich Mann een romance uit Palestina en mevrouw Nelly Kroeger verhalen uit haar jeugdjaren aan de Kurfürstendamm, .. berlinerisch ausgezogene, sozusagen splitternackte Geschichten, die mehr nach rotem Wein als nach Nachtigallenzungen schmeckten. (meer…)

PETER GREEN / FLEEDWOOD MAC

VEEL VALSE HOOP

Katja Happe (1970) is een Duitse historica die in Siegen en Groningen studeerde en als afstudeeronderzoek zich verdiepte in de behandeling van de ‘moffenmeiden’ in Nederland. Sinds 2011 is ze geassocieerd onderzoeker bij het NIOD. Het is voor de eerste keer dat een Duitstalig onderzoek verschijnt over de Jodenvervolging in Nederland in de oorlogsjaren, met haast vanzelfsprekend een Nederlandse vertaling. Vanwege haar achtergrond lijkt Happe ook de uitgelezen persoon om de achtergronden, het verloop en de uitwerking van de Jodenvervolging in ons land voor een Duits publiek te presenteren. Een publiek waarvoor de massamoord op de Nederlandse Joden één van de vele grootschalige misdrijven namens het Duitse volk is geweest; met ‘slechts’ iets meer dan honderdduizend slachtoffers is men dan wellicht geneigd over het hoofd te zien welke enorme impact de grootschalige schending van de menselijkheid en Nederlandse rechtsorde en de brute moord van veel van haar onderdanen heeft gehad en nog steeds heeft in de Nederlandse samenleving.

De eerste boodschap die de Duitse bezettingsmacht in mei 1940 van de Nederlandse topambtenaren te horen kregen was dat er hier geen ‘Joods vraagstuk’ bestond. Wellicht met het naïeve idee dat die bezetter dat wel prettig vond, want bij het ontbreken van een vraagstuk hoeft er immers geen oplossing worden bedacht. Daar dachten Seyss-Inquart en zijn ondergeschikten echter anders over. Zij zagen wel een probleem en hadden de oplossingen ook al voorhanden. Er was in eigen land immers als jarenlang ervaring opgedaan en sinds bijna een jaar was men ook in Oost-Europa al drukdoende te werken aan ‘het Joodse vraagstuk’. Binnen de kortste keren werd een hele reeks anti-Joodse maatregelen afgekondigd, die leidden tot steeds verdergaande discriminatie, ontrechting, marginalisatie, deportatie en moord van de Nederlandse Joden en alle Joden die voor de Duitse inval vanuit Duitsland, Oostenrijk en Oost-Europa naar ons land waren gevlucht, in de hoop hier een veilig onderkomen in neutraal Nederland te hebben gevonden. Zoals de titel al aangeeft was het allemaal slechts valse hoop en de nazi’s hadden genoeg trucs in huis om alle denkbare illusies over veiligheid en barmhartigheid zo lang mogelijk in stand te houden. (meer…)

FUNGUS

JACOB BEEKMAN (47)

Jacobus Andreas Beekman (Delft, 17 augustus 1912 – Dordrecht, 8 juni 1945) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Beekman was rooms-katholiek, gehuwd, vader  van vier kinderen en woonachtig in de Van Baerlestraat in Dordrecht. In die plaats werkte als ingenieur bij de Meterfabriek (voluit: Maatschappij ter vervaardiging van gasmeters en toestellen voor gasfabrieken; deze uitgebreide bedrijfsnaam werd in de praktijk nooit gebruikt). De Meterfabriek was een metaalbewerkingsbedrijf dat vanaf 1858 in Dordrecht was gevestigd en zich na de opkomst van de lichtgasfabricage in het midden van de 19e eeuw bezighield met de reparatie van onderdelen zoals gasmeters. De Meterfabriek had een vooraanstaande positie binnen de Nederlandse gasbedrijven: zo’n 80% van de (munt)gasmeters kwam uit de Dordtse fabriek. Beekman was reserve-tweede-luitenant der Genie en tijdens de meidagen 1940 ingedeeld bij de Eerste Zoeklichtafdeling tegen luchtdoelen in de luchtverdedigingskring Amsterdam.In de loop van de oorlog raakte hij betrokken bij het verzet in zijn woonplaats. Zijn huis ging dienen als verzamelplaats van zijn Dordtse verzetsgroep. 

Op 5 september 1944 werden plannen gesmeed om te komen tot de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten als bundeling van de tot dan toe weinig samenwerkende eigenlijke verzetsgroepen in Nederland. Vooruitlopend daarop was in Dordrecht al een bundeling van de verzetsgroepen gerealiseerd. In de Wilhelminakerk werd in juni 1944 de oprichtingsvergadering gehouden van een nieuwe verzetsgroep. Deze verzetsgroep Paul was de bundeling van de diverse kleine clubjes die tot dan hun eigen koers voeren. Alle leden van die clubjes die te kennen gaven bereid te zijn oer te gaan tot gewapend verzet werden op papier overgeheveld naar de verzetsgroep Paul. Het clubje waarvan Beekman deel uitmaakte was er één van. (meer…)

PATTI SMITH

ATHENS CREEK

LINTHORST HOMANKANAAL (2)

Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het Linthorst Homankanaal. Hieronder eerst een beschrijving die een kleine twintig jaar geleden over het kanaal werd geplaatst in De Volkskrant, als onderdeel van een serie columns over bijzondere waterwegen. Daaronder een kleine fotografische sfeerimpressie van het kanaal.

Het VAM-kanaal

Op gewone wegenkaarten staat het VAM-kanaal niet. Wie zou er ook iets te zoeken hebben? Het is eigendom van de Vuilafvoermaat-schappij (VAM), een kanaal van hooguit 2,5 kilometer lang. En wie er toch heen wil, hoeft in de buurt van Wijster maar te zoeken naar een berg in het vlakke land. Daar is de VAM, daar begint het kanaal. In 1931 groef de VAM een eigen doorvaart naar het Linthorst Homankanaal. Vandaar voeren de schepen diep het Drentse kanalennet op om de begeerde compost – gemaakt van Haags huisvuil – naar de schrale akkers op de afgegraven veengronden te brengen. Inmiddels is de VAM uitgegroeid tot een afvalgigant, de compost gaat per trein het hele land door, en op het kanaal vaart al zo’n dertig jaar geen schip meer.
Het terrein om de VAM is nieuw aangeplant, op de afvalberg weiden schapen. De weg wordt versperd door een heuphoog wit hek dat op een landgoed thuishoort. Het bordje verboden toegang art. 461 W.v.S. lijkt ook niet echt op zijn plaats. Een asfaltweggetje voert naar de top. Het uitzicht wordt steeds weidser, de stank steeds adembenemender, een mengeling van riool, rotting en gas. Boven is de bron te zien, een enorme vuilberg, als een afgraving, honderden zeemeeuwen zwermen er krijsend rond. Ondanks de verboden toegang spreekt een helder blauw bord bezoekers toe: ‘U bevindt zich op het hoogste punt van de provincie Drenthe. 56 Meter boven zeeniveau, 40 meter boven maaiveld.’ Wat aardig van de VAM, denk ik, hier is vast een recreatiegebied gedacht. Later hoor ik dat het een kwestie was van ‘voor wat hoort wat’. De VAM mocht de stortplaats verhogen, als ze zo’n 130 hectare bos-, erf- en wegbeplanting zou aanbrengen op en om de berg. (meer…)

LINTHORST HOMANKANAAL (1)

In Nederland werd vanaf de jaren twintig van de twintigste een groot aantal werkverschaffingsprojecten opgezet. In de werkverschaffing kregen de werklozen geen echte baan aangeboden, maar werden ze door de overheid verplicht om in grote werkploegen ongeschoold werk uit te voeren, bijvoorbeeld het ontginnen van een hoogveengebied of het graven van kanalen. Dit alles gebeurde met schop, kruiwagen en kiepkar. De werkverschaffing was omstreden, en niet ten onrechte want het kan met een gerust hart worden beschouwd als een vorm van uitbuiting. Deze gedachtegang hoe met werklozen moet worden omgegaan, leeft overigens in liberale kringen in ons land onverdroten verder. Het werk binnen de werkverschaffingsprojecten was zwaar: de werkweken  bedroegen gemiddeld zo’n 50 uur, de omstandigheden waren erbarmelijk slecht en het loon was maar net genoeg om met een gezin rond te komen. In 1939 verdiende iemand in de werkverschaffing 14 tot 17,50 gulden per week (omgerekend naar 2020 tussen de € 150,00 en € 200,00). Met de schop werd bijvoorbeeld in Nijmegen het Goffertpark en het NEC-stadion aangelegd, reden voor de Nijmeegse bevolking om het decennialang de ‘bloedkuul’ te noemen. Een naam die in de volksmond nog steeds niet is vergaten. In de nabijheid van de projecten liet de overheid vaak zogenoemde ‘werkkampen bouwen, waar de tewerkgestelden woonden. Alleen zaterdagavond en zondag konden zij thuis zijn.’ Veel van deze werkkampen werden overigens door de Duitsers in de eerste jaren van de bezetting gebruikt als Joodse werkkampen, tot ze in oktober in één nacht werden overgebracht naar Westerbork. Werklozen die weigerden of zij die het werk niet konden volhouden, kregen geen steun en waren aangewezen op de armenzorg, wat in die dagen als een blamage werd gezien. Veel werkverschaffingsprojecten werden uitgevoerd onder leiding van de Nederlandse Heidemaatschappij; zover mij bekend heeft de Heidemij nooit excuses aangeboden voor deze dwangarbeid maar maakt ze nog steeds goede sier met deze projecten. (meer…)

HOE LENIE DICKE WERD BEVRIJD

Dordtse verzetshelden wisten in januari 1945 koerierster Lenie Dicke uit een strengbewaakte gevangenis te bevrijden. Maar de actie kwam de familie Dicke duur te staan. Een reconstructie van een riskante gevangeniskraak.

Woensdag 3 januari 1945 – De inval: Het is enkele dagen na Nieuwjaar, de bel gaat. Niets vreemds, want de familie Dicke krijgt veel bezoek over de vloer. Legaal én illegaal. ‘De bel stond nu eenmaal nooit stil’, aldus opgetekend uit Lenies mond. ‘Onbevangen ging ik zelf opendoen.’ Als ze de deur opent, staan er twee automatische pistolen op haar hoofd gericht. ‘Ze zochten ein schwarzes Mädchen. Ik begreep onmiddellijk dat het hen om Truus (Trix Brouwer) te doen was.’
Truus was koerierster in het verzet en een goede vriendin van Lenie. Ze is die dag ‘toevallig’ niet aanwezig. ‘Hände hoch! An der Wand! Schnell!’, tieren de Duitsers. De hele familie, die nog aan de eettafel zit, staat in een mum van tijd overeind. Lenie wordt meegenomen naar het hoofdkantoor van de Duitse Sicherheidsdienst (SD) aan de Singel. Op het kantoor wordt ze verhoord door de Gestapo. Carol Neumann, hoofd van de Dordtse Gestapo, wil alles van haar weten. Dat gaat niet zonder geweld. ‘Neumann sloeg haar in het gezicht of stompte haar met zijn vuist’, blijkt uit zijn eigen memoires. Hij sloot Lenie enige tijd op in een kast om haar tot spreken te dwingen. Alle details wilde hij weten. Waar werden de illegale blaadjes gedrukt? Wie kende Lenie nog meer uit de ondergrondse? Hoe kwam ze aan bonkaarten? Waren er wapens? Hoeveel en waar? Het verhoor gaat de hele dag door, tot ze uiteindelijk naar de gevangenis aan de Doelstraat wordt gebracht. (meer…)

FIVE HAND REEL

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 037

Frans van den Muijsenberg / 26 augustus 2015, Weimar

ROB HOEKE

LOUIS PASTEUR – de microben-verdelger

Louis Pasteur
scheikundige en bioloog
Dole, 27 december 1822 – Saint-Cloud, 28 september 1895

De microben-verdelger

Louis Pasteur (Dole, 27 december 1822 – Saint-Cloud, 28 september 1895) was een Franse scheikundige en bioloog. Hij werd geboren in Dole, in de Franse Jura, als derde kind van Jean-Joseph Pasteur en Jeanne-Étienne Roqui; zijn vader was leerlooier van beroep. Pasteur studeerde scheikunde en biologie en werd wereldberoemd vanwege de naar hem vernoemde pasteurisatietechniek en door zijn ontdekking van het vaccin tegen hondsdolheid. Tot 1885 bleef de kleine man, met een dun sikje en een half verlamd been, voor de buitenwereld echter nagenoeg een on­bekende. Anderen hadden weliswaar microben al gezien en beschreven, maar Pasteur was de eerste die hun geweldige macht – ten goede en ten kwade – pas echt besefte. Zijn wetenschappelijke carrière begon in 1848 met onderzoek aan wijnsteenzuurkristallen. Wijnsteenzuur is een zuur dat wordt aangetroffen in onder andere druiven, bananen, pompelmoezen en vruchten van de tamarinde en overeenkomsten heeft met appelzuur. De zuivere stof komt voor als een wit kristallijn poeder dat zeer goed oplosbaar is in water. Hij ontdekte dat er twee vormen van wijnsteenzuur bestaan waarvan de kristallen elkaars spiegelbeeld zijn. Ook ontdekte hij dat de ene vorm wel, maar de andere vorm niet door bacteriën kon worden gebruikt als voedsel. Het wordt nu gebruikt in de geneeskunde, de textielnijverheid, de cosmetica (haarverf) en in warme klimaten om wijn wat frisser van smaak te maken. In de voedingsindustrie wordt het gebruikt als antioxidant en heeft het E-nummer E334. Pasteur was met zijn ontdekking een van de eersten die macroscopische effecten van de ruimtelijke bouw van moleculen beschreef en de vader van de stereochemie (de studie van de ruimtelijke opbouw van (organische) verbindingen en de manier hoe stoffen op elkaar reageren). Pasteur schreef hierover handboeken over de gisting die voor wijnbouwers, bierbrouwers en azijnfabrikanten nog steeds bijbels zijn. (meer…)

HERMAN VAN AALDEREN (46)

Herman Jan van Aalderen (Zwolle, 4 oktober 1886 – Bergen-Belsen, 31 mei 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van Aalderen was ingenieur en chef van het seinwezen bij de Nederlandse Spoorwegen, waarbij de ene bron vermeldt dat hij werkzaam was in Zwolle en een andere bron in Utrecht. Gezien het feit dat hij woonachtig was aan de Rembrandtlaan 99 te Bilthoven lijkt Utrecht als de correcte werkplaats. Binnen de Nederlandse Spoorwegen was hij een zeer geziene persoonlijkheid, die zijn anti-Duitse gevoelens niet onder stoelen of banken stak. Hij gebruikte zijn werk om allerlei illegaal werk te doen. Zo gaf hij in 1942 tekeningen aan H. Leeuw, een machinist bij de spoorwegen en ook lid van de illegale groep-Hamelink, een verzetsgroep rond vakbondsman Jaap Hamelink, een lasser bij de Centrale Werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen te Haarlem. De groep-Hamelink maakte van de tekeningen microfilms die werden opgestuurd naar het coördinerend verzet in Londen, die ze nodig had voor aanslagen op het spoor. De verzetsgroep was onder meer actief met hulp aan Joden en het vervalsen van persoonsbewijzen. Vanaf het begin van de bezetting spoorde Jaap Hamelink (Kruiningen, 24 juli 1902 – Rotterdam, 18 oktober 1942) zijn collega’s aan om het arbeidstempo te verlagen en de ‘bazen’ om de controles te matigen. In het hele land riep hij NS-medewerkers op de gelijkgeschakelde spoorwegvakbond te verlaten. In 1941 riep hij het NS-personeel op deel te nemen aan de Februaristaking. Op verdenking deze staking mede te hebben georganiseerd, werd hij gearresteerd, maar korte tijd later vrijgelaten. Uit principieel bezwaar nog langer voor de bezetter te werken, nam hij in september 1941 ontslag en zette hij zijn verzetswerk verder via huiskamerbijeenkomsten. Vanaf februari 1942 gaf Hamelink het illegale blad De Kern uit. Hierin protesteerde hij vooral tegen het inzetten van werklozen voor Duitse bouwactiviteiten. Daarnaast verspreidde zijn groep het illegale blad Verzet, een blad dat onder leiding stond van de sociaaldemocraat Koos Vorrink. Op 18 oktober 1942 gaf Hamelink leiding aan een vergadering in Rotterdam om het Nederlands verzet beter te organiseren. De vergadering bleek verraden te zijn door een kennis van één van de deelnemers. Bij de inval van de politie trok Hamelink een revolver en werd direct doodgeschoten. (meer…)

ALQUIN

HET KEIENMONUMENT APELDOORN 3

Op 22 november 1944 waren in Apeldoorn door de Sicherheitsdienst vijftien kopstukken van het verzet aangehouden en opgesloten in de zwaar bewaakte Koning Willem III kazerne. Het verzet heeft haast om de gevangengenomen kopstukken te bevrijden, want de kans dat iemand tijdens de verhoren doorslaat neemt met de dag toe. De kazerne werd echter zwaar bewaakt, waardoor het Apeldoornse verzet er niet in slaagde een incomplete omgevingsschets te maken. Daarom besloten Johannes ‘Frank’ van Bijnen, Samuel ‘Paul’ Esmeijer en Huibert Verschoor om op 28 november 1944 de bewaking van de Willem III kazerne te bekijken. Het eindigt met de directe dood van Esmeijer omkomt; Van Bijnen overleed enkele dagen later. Verschoor wist te ontsnappen, maar zal later in de oorlog alsnog om het leven komen. Op 2 december 1944 werden als represaille elf verzetsstrijders en de Amerikaanse piloot Bill F. Moore opgesloten in de Koning Willem III kazerne en gefusilleerd: A. L. Ansems, J. Balk, Ph. Corts, H.G. Drost, J. Engelaan, T.J. Kroeze, L.J. Kleiboer, S. Postma, J.D. Suyling, J. Vos, G. Westdijk en J. van Zanten. A. L. Ansems, Ph. Corts, H.G. Drost, J. Engelaar, L.J. Kleiboer, S. Postma, J.D. Suijling, J. Vos, G. Westdijk en J. van Zanten. Ter nagedachtenis aan de omgekomenen werd op 2 december 1946 vlakbij de kazerne het zogenaamde Keienmonument onthuld, ontworpen door Gerard Post Greve en bestaande uit drie zwerfstenen die piramidevormig tegen een talud zijn geplaatst. In eerste instantie stonden op de kleine zwerfkei alleen de namen van Van Bijnen en Esmeijer, maar in 1985 is in overleg met de ontwerper besloten ook de naam van Verschoor, de derde deelnemer de de mislukte verkenning, hier aan toe te voegen. Vandaag een eerste aflevering over deze vergeten verzetshelden.
(meer…)

HET KEIENMONUMENT APELDOORN 2

Op 22 november 1944 waren in Apeldoorn door de Sicherheitsdienst vijftien kopstukken van het verzet aangehouden en opgesloten in de zwaar bewaakte Koning Willem III kazerne. Het verzet heeft haast om de gevangengenomen kopstukken te bevrijden, want de kans dat iemand tijdens de verhoren doorslaat neemt met de dag toe. De kazerne werd echter zwaar bewaakt, waardoor het Apeldoornse verzet er niet in slaagde een incomplete omgevingsschets te maken. Daarom besloten Johannes ‘Frank’ van Bijnen, Samuel ‘Paul’ Esmeijer en Huibert Verschoor om op 28 november 1944 de bewaking van de Willem III kazerne te bekijken. Het eindigt met de directe dood van Esmeijer omkomt; Van Bijnen overleed enkele dagen later. Verschoor wist te ontsnappen, maar zal later in de oorlog alsnog om het leven komen. Op 2 december 1944 werden als represaille elf verzetsstrijders en de Amerikaanse piloot Bill F. Moore opgesloten in de Koning Willem III kazerne en gefusilleerd: A. L. Ansems, J. Balk, Ph. Corts, H.G. Drost, J. Engelaan, T.J. Kroeze, L.J. Kleiboer, S. Postma, J.D. Suyling, J. Vos, G. Westdijk en J. van Zanten. A. L. Ansems, Ph. Corts, H.G. Drost, J. Engelaar, L.J. Kleiboer, S. Postma, J.D. Suijling, J. Vos, G. Westdijk en J. van Zanten. Ter nagedachtenis aan de omgekomenen werd op 2 december 1946 vlakbij de kazerne het zogenaamde Keienmonument onthuld, ontworpen door Gerard Post Greve en bestaande uit drie zwerfstenen die piramidevormig tegen een talud zijn geplaatst.  In eerste instantie stonden op de kleine zwerfkei alleen de namen van Van Bijnen en Esmeijer, maar in 1985 is in overleg met de ontwerper besloten ook de naam van Verschoor, de derde deelnemer de de mislukte verkenning, hier aan toe te voegen. Vandaag een eerste aflevering over deze vergeten verzetshelden.
(meer…)

SANTANA

DUITSE KOLONIËN 12

Duitsland had als laatkomer in de imperiale wedloop in de jaren 1884-1900 in sneltreinvaart een redelijk groot koloniaal rijk opgebouwd, verdeeld over Afrika, de Stille Zuidzee en China. Nadat in 1682 de Brandenburgisch-Afrikanische Compagnie kortstondig actief was geweest aan de Afrikaanse Goudkust gesticht, waardoor het koninkrijk Brandenburg-Pruisen kon worden toegevoegd aan het lijstje achttien koloniale mogendheden bleef het twee eeuwen rustig in de Duitse staten en vorstendommen. Pas na 1871 begon Duitsland voorzichtig koloniale ambities te ontwikkelen, maar bij het Congres van Berlijn (1878) was men toch vooral gericht op het verzekeren van een vaste plaats onder de Europese mogendheden en de bemoeienissen om het rijk van ‘de zieke man van Europa‘ te verdelen. Een strijd die overigens heel erg veel overeenkomst had met de verdeling van enkele decennia later van het Chinese Keizerrijk. Pas na de Koloniale Conferentie van Berlijn (1884-1885) werd serieus begonnen met het opbouwen van een Duitse koloniale macht. Otto von Bismarck, aanvankelijk een tegenstander van het verwerven van overzeese gebiedsdelen, wilde naar Brits voorbeeld allerlei handelspunten opzetten die staatsbescherming zouden genieten. Achtereenvolgens werden Duits-Kameroen, Togoland en Duits-Nieuw-Guinea (in 1884), Duits-Oost-Afrika, Duits-Zuidwest-Afrika en Duits-Witu (in 1885), Duits-Samoa (in 1900) en Neukameroen (in 1911) als kolonie aan het Duitse Keizerrijk toegevoegd. Daarnaast had Duitsland vanaf 1897 Kiautschou als protectoraat in China, vanaf 1895 in de Chinese stad Hankow en vanaf 1899 in Tianjin. Pas rond 1900 bezat het Keizerrijk een koloniaal rijk dat enigszins met dat van de genoemde te vergelijken was, hoewel het veel kleiner en van minder belang was. Het gehele koloniale rijk ging tijdens de oorlog of als gevolg van het Verdrag van Versailles (1919) verloren.
(meer…)

DUITSE KOLONIËN 11

Duitsland was een laatkomer in de imperialistische strijd om kolonies omdat het pas in 1871 een staatkundige eenheid was geworden. De Brandenburgisch-Afrikanische Compagnie had vanaf 1682 koloniën (handelsposten) op de Goudkust gesticht, maar dat was maar een zeer kortstondig avontuur geweest. Het kreeg er overigens wel de twijfelachtige eer van een plaatsje in de lijst van achttien koloniale mogendheden. Pas na 1871 begon Duitsland voorzichtig koloniale ambities te ontwikkelen, maar bij het Congres van Berlijn (1878) was men toch vooral gericht op het verzekeren van een vaste plaats onder de Europese mogendheden en de bemoeienissen om het rijk van ‘de zieke man van Europa‘ te verdelen. Een strijd die overigens heel erg veel overeenkomst had met de verdeling van enkele decennia later van het Chinese Keizerrijk. Pas na de Koloniale Conferentie van Berlijn (1884-1885) werd het serieus en werd begonnen met het opbouwen van een Duitse koloniale macht. Otto von Bismarck, aanvankelijk een tegenstander van het verwerven van overzeese gebiedsdelen, wilde naar Brits voorbeeld allerlei handelspunten opzetten die staatsbescherming zouden genieten. Achtereenvolgens werden Duits-Kameroen, Togoland en Duits-Nieuw-Guinea (in 1884), Duits-Oost-Afrika, Duits-Zuidwest-Afrika en Duits-Witu (in 1885), Duits-Samoa (in 1900) en Neukameroen (in 1911) als kolonie aan het Duitse Keizerrijk toegevoegd. Daarnaast had Duitsland vanaf 1897 Kiautschou als protectoraat in China en vanaf 1899 een concessie in de Chinese stad Tianjin. Pas rond 1900 bezat het Keizerrijk een koloniaal rijk dat enigszins met dat van de genoemde te vergelijken was, hoewel het veel kleiner en van minder belang was. Het gehele koloniale rijk ging tijdens de oorlog of als gevolg van het Verdrag van Versailles (1919) verloren.
(meer…)

HET KEIENMONUMENT APELDOORN 1

Als in september 1944 Zuid-Nederland is bevrijd neemt in de rest van het land het verzet toe. Allerlei groepjes gaan zich formeren en gaan verzetsactiviteiten ontplooien. Om enige structuur in het geheel te krijgen en te zorgen voor goed onderling overleg en afstemming leek het koningin Wilhelmina wel een aardig plan te bevelen dat het verzet moest worden gecentraliseerd. Al heel snel werd die beslissing van Wilhelmina gekenschetst als ‘een betreurenswaardige domheid’. Een snoeihard oordeel die nog stamde uit een tijd dat eerbied voor het koningshuis nog vanzelfsprekend was. Het grensde haast aan majesteitsschennis om dit hardop te zeggen. Toch was dat oordeel toen al goed verdedigbaar want het besluit heeft honderden verzetsmensen het leven gekost. Het was zo’n desastreus besluit omdat Wilhelmina zo goed als niets wist over het verzet en de onderlinge strijd die zich daarbinnen afspeelde tussen katholieken, gereformeerden, communisten en allerlei andere stromingen.Het was ook niet zo handig om schoonzoon prins Bernhard te bestempelen als de chef van de verenigde verzetsgroepen. Het klonk wel imposant: Bevelhebber der Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten en Bernhard heeft er later ook veel voordeel mee kunnen doen. Wilhelmina deed dat met een vastomlijnd doel voor ogen, namelijk de indruk gegeven dat het Oranjehuis onder de moedige leiding van Bernhard een fors aandeel in de bevrijding van het vaderland had gehad. Het zou de monarchie weer steviger dan ooit in het zadel helpen. De noodzaak van de grootst mogelijke geheimhouding snapte ze al evenmin. Koeriers gingen op pad met schriftelijke uitnodigingen voor vergaderingen waarin adressen, namen van deelnemers alsook de tijd en plaats van samenkomst stonden. In het echte verzet ging dat soort dingen mondeling, zonder dat er een snipper papier aan te pas kwam. Het werd voor de Duitsers een koud kunstje het verzet te infilteren en honderden mensen ‘kalt zu stellen‘. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 30