WATERSNOODRAMP 1926 (2)

Op het Gelders Eiland zijn vanaf de aanleg van de eerste dijken in de dertiende eeuw tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw tientallen grote dijkdoorbraken en overstromingen geweest. Eeuwenlang is het water een niet te beheersen onderdeel van het dagelijkse leven geweest. De Watersnoodramp van 1926 is de laatste grote dijkdoorbraak en overstroming geweest. In twee afleveringen ooggetuigenverslagen van deze gebeurtenis.

L. Haggenburg, in: Het dorp Pannerden, 1931
En zoo naderde de 5e Januari 1926, het water stond ongekend hoog tot aan de kruin der dijken. Gevaar was er, maar bijna niemand besefte het: ook de uitgezette dijkwacht had er geen erg in wat ramp er over ons dorp zou komen. En zoo woelde het water onder den op moerassigen bodem gelegen dijk voort, tot deze eindelijk bezweek en het water met donderend geweld zich in den polder verspreidde en mensch en dier verraste, nog in diepen slaap verzoeken.
Op dezen tijd nu kwam Hend Wezendonk, die op den rijksbandijk wacht had gehouden naar huis, toen hij plotseling geruisch en gebrul hoorde. Wat was dat, zoo vroeg hij zichzelven af. Het antwoord was er spoedig, want zie daar kwamen de golven reeds aanrollen. Zich voortspoedende wekte hij nu nog links en rechts wie hij bereiken kon en zoo herinner ik mij nog hoe hij in de kom des dorps verscheen, luid roepende: Minsche, diekdeurbraak, diekdeurbraak.
Al spoedig begonnen de klokken te luiden en kwam alles in rep en roer om te redden wat er nog te redden was. Gelukkig was ’t inmiddels al in ’t vergevorderde morgenuur, het begon te schemeren, zoodat eenieder kans zag zich te redden en er dus geen menschenlevens te betreuren waren. Aan vee ging verloren: 12 koeien, 47 varkens, 40 biggen, 2555 kippen, 3 geiten, 10 schapen, 80 konijnen en 1 paard (uit: “De Post” van 26 april 1926). De schade aan gebouwen geleden bedroeg ƒ 48000, aan roerend goed ƒ 112.278. (meer…)

LEOPOLD VERMEIREN

Leopold Vermeiren (Deurne, 7 april 1914 – Mortsel, 14 december 2005) was een van de grootste jeugdschrijvers van Vlaanderen en vooral bekend als auteur van de De Rode Ridder-boeken. Hij heeft 64 verhalen geschreven over Johan, De Rode Ridder, waarvan tot op heden één miljoen exemplaren zijn verkocht. Vermeiren behaalde het diploma van onderwijzer. Na het beëindigen van zijn studies aan het Hoger Instituut voor Opvoedkunde te Antwerpen werd hij onderwijzer aan de oefenschool van de normaalschool, de school waar opleidingen tot leraar gegeven worden. Van 1949 tot 1973 was hij rijksinspecteur voor het basisonderwijs. Zijn eerste roman, Orolf, de roofridder, schreef hij al op zestienjarige leeftijd. In zijn beginperiode schreef hij hoofdzakelijk voor volwassenen, maar na de Tweede Wereldoorlog schreef hij nog bijna uitsluitend voor de jeugd, die zijn boeken wel enthousiast begroette. In het begin schreef hij verhaaltjes voor jeugdblad De Kleine Zondagsvriend, geïllustreerd door Paul Ausloos. Even later begon hij deze gebundeld uit te geven. Hij kwam daarna in contact met Willy Vandersteen, die besloot een stripreeks over De Rode Ridder te maken. In 1959 verscheen van de hand van Willy Vandersteen de eerste De Rode Ridder-strip. De Rode Ridder-strips werden een van de meest succesvolle en langstlopende reeksen uit de geschiedenis van Studio Vandersteen. Slechts de oplagecijfers van Suske en Wiske waren indrukwekkender. Vermeiren heeft zich nooit zelf met de strips beziggehouden. Enkele van zijn werken verschenen zelfs in het Esperanto, waaronder één Rode-Ridder-verhaal. Hij werkte ook mee aan Zonneland, Zonnestraal en Zonnekind, weekbladen voor kinderen van diverse leeftijdscategorieën uitgegeven in Uitgeverij Averbode. Zijn archief wordt bewaard in het Letterenhuis (vroegere AMVC) in Antwerpen. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 19

TROTSKI

Leon Trotski (Janivka, 7 november 1879 – Coyoacán, Mexico, 21 augustus 1940) was een Russische marxistische revolutionair en theoreticus, een Sovjet-politicus en de stichter en eerste leider van het Rode Leger. Hij werd geboren als Lev of Leiba Bronstein in een Joods gezin in een dorp dat tegenwoordig in Oekraïne ligt. Toen hij zeventien was sloot hij zich aan bij de Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP). Twee jaar later werd hij voor het eerst gearresteerd wegens revolutionaire activiteiten. Na een paar maanden in eenzame opsluiting werd hij verbannen naar Siberië. Hij wist daar echter te ontsnappen en ging naar Londen. Op het Tweede Congres van de Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij in Londen in 1903 sloot hij zich aan bij de mensjewieken, wat Stalin later tegen hem zou gebruiken. In september 1904 nam Leon Trotski afstand van de mensjewieken omdat zij er voor kozen om met de Russische liberalen te willen samenwerken. Trotski noemde zichzelf in de periode 1904 tot 1917 een “niet-factionele sociaaldemocraat”, dat wil zeggen een lid van de RSDAP die geen keuze heeft gemaakt tussen de stromingen en pleitte voor een verzoening van de mensjewieken en bolsjewieken. Dat zeer tegen de zin van Lenin. In Sint-Petersburg nam hij in 1905 de leiding van de eerste sovjet op zich. Hij werd weer gearresteerd en weer naar Siberië verbannen, maar opnieuw wist hij te ontsnappen. Trotski bracht als revolutionair activist en balling een paar jaar in Europa door. Wegens het opzetten van een communistische organisatie in Parijs werd hij Frankrijk uitgewezen. Hij vertrok naar de VS en keerde in mei 1917 terug naar Sint-Petersburg (inmiddels Petrograd geheten) waar hij het voorzitterschap van de plaatselijke sovjet op zich nam. Net vóór de Oktoberrevolutie van 1917 koos hij de kant van de bolsjewieken en werd uiteindelijk een leider binnen de partij. Tijdens de begindagen van de Sovjet-Unie diende hij eerst als volkscommissaris van Buitenlandse Zaken en later als stichter en aanvoerder van het Rode Leger als volkscommissaris van Militaire en Maritieme Zaken. Hij was een belangrijk figuur in de bolsjewistische overwinning van de Russische Burgeroorlog. Ook was hij een van de eerste leden van het Politbureau. Na het leiden van een mislukte strijd van de Linkse Oppositie tegen het beleid en de opkomst van Jozef Stalin in de jaren 1920 en de toenemende rol van de bureaucratie in de Sovjet-Unie, werd Trotski achtereenvolgens afgezet (1927), uit de Communistische Partij gezet en uiteindelijk verbannen uit de Sovjet-Unie (1929). Als hoofd van de Vierde Internationale bleef Trotski in ballingschap in Mexico voortdoen met het voeren van oppositie tegen de stalinistische bureaucratie in de Sovjet-Unie. Trotski was al vroeg voorstander van een interventie van het Rode Leger tegen het Europese fascisme en dus in de late jaren 1930 tegen Stalins non-agressiepact met Adolf Hitler. Trotski’s ideeën waren strijdig zijn met de theorieën van het stalinisme en vormden de basis van het trotskisme ofwel revolutionair socialisme, nog steeds een belangrijke stroming binnen het marxisme. Hij werd uiteindelijk in 2001 in Rusland gerehabiliteerd. (meer…)

WATERSNOODRAMP 1926 (1)

Op het Gelders Eiland zijn vanaf de aanleg van de eerste dijken in de dertiende eeuw tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw tientallen grote dijkdoorbraken en overstromingen geweest. Eeuwenlang is het water een niet te beheersen onderdeel van het dagelijkse leven geweest. In De Waterplaag van J. W. van Petersen wordt een indrukwekkend overzicht gegeven van alle doorbraken die de bewoners van het Gelders Eiland in de loop der eeuwen te trotseren hadden. Na de laatste grote overstromingen eind negentiende eeuw was men begonnen met verbetering van de Rijn en zijn zijtakken. Vervolgens kwam de Maas aan de beurt en werden beneden Heerewaarden grote verbeteringswerken uitgevoerd. Na de voltooiing hiervan in 1904 werden ook plannen gemaakt voor verbetering van de Maas stroomopwaarts. Problematisch daarbij was vooral het riviervak beneden Grave, waar ter hoogte van Beers langs de beide Maasoevers geen dijken, maar slechts lage kaden lagen, de zogeheten Beerse Overlaat. Bij hoge rivierstanden liep dit gebied altijd onder water. Aan Brabantse kant wilde men hier graag dijken maken, maar aan Gelderse kant zag men in de zijdelingse afleiding van het Maaswater een noodzakelijke veiligheidsklep voor de eigen dijken. Uiteindelijk was besloten tot een beperkte verhoging van de overlaat, die in 1922 werd uitgevoerd.  (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 024

Frans van den Muijsenberg / 14 april 2010 / Nijmegen, St. Stevenskerk, kunstwerk van Van Eck

HENDRIK DIENSKE (28)

Hendrik Dienske (Schiedam, 30 juni 1907 – Beendorf, 16 februari 1945) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als reserve-eerste-luitenant der Artillerie diende Dienske tijdens de meidagen van 1940 bij het 10e Regiment Artillerie, dat deelnam aan de strijd om Rotterdam. Nadat hij op 17 juni 1940 was gedemobiliseerd, bleef hij contact onderhouden met officieren, onderofficieren en manschappen van zijn legeronderdeel. Hij legde daarmee de basis voor zijn latere werk in het verzet. Dienske woonde me zijn gezin met zes kinderen aan de Dintelstraat in Amsterdam, vlakbij de Waalkerk waar hij ouderling was. Rond die kerk ontstaat in november 1940 een kleine verzetsgroep, die Joodse onderduikers voorziet van schuilplaatsen. Deze groep reisde stad en land af om in gereformeerde kringen de strijd tegen het nationaalsocialisme te stimuleren. Zelf herbergt hij in zijn woning ook een aantal onderduikers. Dienske koos voor zichzelf een schuiladres in de Waalstraat. Hij werd ‘de meneer uit de Waalstraat’ genoemd, bediende zich van de schuilnamen Van Bergen en De Ridder en had regelmatig contact met ‘Bolhoed’, Gerrit van der Veen.

Dienske was ook penningmeester van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), waar aan het begin van de oorlog voormalig minister-president Hendrik Colijn de leider was. De ARP kwam vanwege haar halsstarrige houding ten opzichte van de bezetter al snel onder druk te staan. Massameetings van de partij werden verboden, het blad Hou en Trou mocht ook niet meer verschijnen en in oktober 1940 werden een groot aantal ARP-leden gearresteerd. Enkele dagen na die arrestaties riep Colijn twaalf uitverkorenen bijeen in Pulchri Studio in Den Haag. Colijn vreesde dat het niet lang zou duren voor ook hij gevangen gezet zou worden en dat binnen niet al te lange tijd een algemeen verbod op politieke partijen zou volgen. In beide gevallen kreeg hij gelijk. Hij hield de ‘Twaalf Apostelen‘ voor dat ze een ‘schaduworganisatie’ moesten gaan vormen om na de opheffing van de ARP de achterban blijvend geestelijk te mobiliseren en weerbaar te houden. Hendrik Dienske was één van die twaalf personen. (meer…)

WILLEM DOLLEMAN

Willem Frederik Dolleman (Gorssel, 29 juli 1894 – Kamp Amersfoort, 13 april 1942) was één van de belangrijkste personen binnen de revolutionair-socialistische beweging in het interbellum. Het arme hervormde arbeidersgezin in het Gelderse dorp Gorssel waarin hij opgroeide verhuisde in 1897 naar Den Haag. Hij bezocht daar de lagere school en leerde daarna het bakkersvak, hetzelfde beroep dat zijn vader had en net als hij heeft hij dat beroep tot zijn dood heeft uitgeoefend. Zijn zusje overleed in 1915 op 11-jarige leeftijd aan tuberculose. Een ziekte die in de volksmond ‘de tering’ werd genoemd. Mensen met genoeg geld wisten meestal aan deze ziekte te ontsnappen door betere voeding, medicijnen en sanatoria. Willem is bedroefd én razend: Met bleek pijnlijk gezichtje lag je op je sterfbed, de oogen gesloten. Even deed je ze open toen ik een kus – de laatste – op je voorhoofd drukte. Met je lieve blauwe oogen keek je me nog eenmaal aan, om ze enkele uren later voorgoed te sluiten. Arme kleine! Hooger slaan de vlammen van haat in mij op, ik zal je wreken! Met verdubbelde kracht en energie zal ik den strijdbijl hanteren en mocht ooit de vijand trachten met sluwe list mij van den juisten weg, den onverzoenlijken strijd af te houden, zal ik steeds denken aan jou, jouw korte leven en droeve dood!’. Een belofte waar Willem zich aan zou houden. (meer…)

KINDERARBEID

Kinderarbeid komt overal ter wereld voor. Tot aan de 19e eeuw was kinderarbeid ook in Nederland heel gewoon. In de negentiende eeuw hadden in de westerse wereld de fabriekseigenaren graag kinderen in dienst omdat het erg goedkope arbeidskrachten waren. Kinderarbeid was dan ook een normaal verschijnsel. Kinderen werkten op het land, in de winkel of in de werkplaats. Een overstapje naar werken in een fabriek was dus niet zo verwonderlijk. Dat werk werd niet alleen nuttig gevonden omdat ze er wat van konden leren, maar was vaak ook nodig om het karige gezinsinkomen te verhogen en daarmee het eten, drinken, kleding en onderdak te kunnen betalen. De directeuren van fabrieken vonden het ook niet erg om kinderen als werknemers te hebben: je kon de kinderen makkelijker iets laten doen. De volwassenen klaagden eerder over sommig werk, terwijl kinderen met hun kleine handen veel makkelijk tussen de machines konden, wat de volwassenen niet konden omdat ze grotere handen hebben> de belangrijkste factor was echter dat kinderen aanzienlijk goedkoper waren dan de volwassenen. Hoe meer kinderen konden worden ingezet, hoe hoger de winsten waren voor de fabriekseigenaren. (meer…)

PEEKOFFIE EN ‘BUISMAN’

Eind 17e eeuw was koffie in Nederland nog een exotische en exclusieve drank. Slechts de gegoede burgerij kon het zich veroorloven koffie te kopen. Omdat het als een mysterieuze drank werd beschouwd, kenden sommige mensen er magische krachten aan toe. Zo ontstond het koffiedikkijken, wat met een geleerde naam tasseografie wordt genoemd. De cliënt en de waarzegger drinken eerst een kop koffie en daarna gaat de waarzegger het achtergebleven patroon in het koffiedik interpreteren. Soms wordt de cliënt gevraagd om eerst nog in de drab te roeren of deze op een schoteltje te doen. Ook kan gebruikgemaakt worden van een kop of schotel waarop afbeeldingen staan van bijvoorbeeld de dierenriem, speelkaarten of andere symbolen. De afbeeldingen die niet met koffiedik bedekt zijn, zijn op de cliënt van toepassing. Een aanverwante methode gold voor theedrinken en voorspellingen aan de hand van de overgebleven theeblaadjes. Uiteraard kon een gewiekste waarzegger bij het koffie- of theedrinken de cliënt eerst uithoren, waarna precies kon worden voorspeld wat de cliënt graag wilde horen. Deze vorm van oplichterij is inmiddels buiten gebruik geraakt, maar leeft voort in de uitdrukkingen ‘dat is voor mij koffiedik kijken’ of ‘dat heb je zeker in het koffiedik gezien’ om aan te geven dat een voorspelling niet te doen is of dat iemands verhaal ongeloofwaardig is.
(meer…)

SURVIVOR CAFÉ

Elisabeth Rosner groeide op in Schenectady, New York als dochter van ouders die beiden de Holocaust overleefden. Ze heeft gestudeerd aan Stanford University en de universiteit van Queensland (Australië). Rosner schreef drie romans en een poëziebundel. The Speed of Light stond onder andere op de shortlist voor de prestigieuze Prix Femina, won enkele internationale prijzen en werd in negen talen vertaald (in het Nederlands: De snelheid van het licht). Blue Nude werd door de San Francisco Chronicle een van de beste boeken van 2006 genoemd; Electric City kreeg dat predicaat in 2014 van de Amerikaanse radio-omroep NPR. Van Rosners verschenen verder essays en recensies in het New York Times Magazine, Elle en de San Francisco Chronicle. In september 2017 verscheen van haar Survivor Café, waarvoor de schrijfster opnieuw internationaal wordt geroemd.

Twee kleine kanttekeningen bij de verder voortreffelijke Nederlandse vertaling, die erg snel op de markt was: Het is natuurlijk een enorme misser om in het boek Buchenwald stelselmatig te vertalen als Berkenbos in plaats van Beukenbos. Verder blijft het ergerlijk dat Nederlandse uitgeverijen niet het besef hebben dat Holland en Nederland geen synoniemen zijn. Dat buitenlandse auteurs, en Rosner is daarop helaas geen uitzondering, bijna stelmatig over Holland spreken als ze The Netherlands bedoelen, ontslaat de uitgevers niet van de verplichting te zorgen voor een correcte naamsvermelding van ons land. (meer…)

PETRUS REGOUT

De beroemde Sphinx aardewerkfabriek van Petrus Regout in de Maastrichtse binnenstad was lang na zijn overlijden nog steeds onderwerp van emotionele discussie. Regout wordt algemeen afgeschilderd als een monster, de grote uitbuiter van het ganse wereldproletariaat, een man wiens trouwste bondgenoot de dood zelve was en een slavendrijver van het middeleeuwse soort die zijn arbeiders in ‘moordholen’ liet werken. Zijn vele fabrieken in Maastricht waren niet minder dan een voorportaal van ziekte, zedeloosheid en sterfte. In 1934 publiceerde de socialistische politicus Michael Ubachs een tweehonderd pagina’s dik boek waarin dat inktzwart beeld van Petrus Regout (1801-1878) werd neergezet. De oprichter van de Sphinxfabrieken en Nederlands eerste grootindustrieel was in zijn ogen geen gemiddelde uitbuitende kapitalist, wat op zich al erg genoeg zou zijn geweest, maar Regout was niet minder de bron en oorzaak van “de ellende en ongeëvenaarde uitbuiting van het vakbekwame en nijvere proletariaat in de oude Maasstad.” Het portret heeft wat karikaturale trekjes, maar in de kern wordt het nog altijd als een betrouwbaar portret gezien. Het boek werd dan ook in 1976 opnieuw uitgegeven. (meer…)

PIETER JANSZOON JONG

Pieter Janszoon Jong (Lutjebroek, 24 februari 1842 – Montelibretti, 13 oktober 1867) was een Nederlands soldaat die naam maakte bij gevechten in Italië. Hij stond bekend als de reus uit Lutjebroek en nam als jongeman dienst bij de Pauselijke Zoeaven, die de Kerkelijke Staat moesten verdedigen tegen de Garibaldisten, die een onafhankelijk en verenigd Italië nastreefden. Giuseppe Garibaldi (Nice, 4 juli 1807 – Caprera, 2 juni 1882, een Italiaans generaal, politicus en generaal, speelde een centrale rol in de Italiaanse eenwording, de Risorgimento. Vanaf 1860 streed hij met zijn Roodhemden om alle diverse staatjes te verenigen. Het was onvermijdelijk dat hij hierbij stuitte op de machtige Kerkelijke Staat, die grote delen van het land onder haar controle had en dat niet zonder slag of stoot wilde afgeven. Het streven naar eenwording werd door de Kerkelijke Staat, met paus Pius IX voorop, al direct opgevat als een tegen hen en tegen het katholieke geloof gerichte opstand.
Om de prille beweging 
neer te slaan werd in 1861 het Korps der Pauselijke Zouaven opgericht. Graaf Becdelievere, de oprichter van het korps, was erg onder de indruk van de Noord-Afrikaanse kledij van de stam Kabylen, die door de Fransen zouaves genoemd. Hij nam de naam over, maar ook de kledij: blauwgrijze pofbroek, rode buikband, blauwgrijs vest en bolero-jasje met rode versiering. Jonge katholieken mannen werden door heel Europa gerecruiteerd om voor de Paus de vechten. In de periode 1861-1870 hebben er zeker meer dan 11.000 vrijwillige jonge mannen zich aangemeld. Hiervan was een opvallend groot deel Nederlands, 3.181 man om precies te zijn. (meer…)

TJEERD PANNEKOEK (27)

Tjeerd Pannekoek (Hornhuizen, Kloosterburen, 1 december 1886 – Mauthausen, 18 december 1944) nam binnen de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) een vooraanstaande plaats in. Hij was gemeenteraadslid van Coevorden en lid van de Provinciale Staten va Groningen. Hij was verder hoofdbestuurder van de Nederlands Christelijke Landarbeidersbond (NCLB), die voor de oorlog een grote bond binnen de CNV was. Toen de oorlog uitbrak veranderde er de eerste maanden weinig. Op 16 juli stelde Suyss-Inquart een NSB-er aan het hoofd van de CNV, toen op 25 juli 1941 de bezetter probeerde de NCLB over te nemen, stapte het NCLB-bestuur op en waarna de bond werd opgeheven. Pannekoek ging in het verzet (schuilnaam Theo of Nap) en kwam bij de Verzetsgroep Garrelsweer, die onder leiding stond van Tjaako Zijlema. Door zijn vele relaties kon hij een belangrijke rol spelen binnen de LO. Hij werkte onder meer samen met de Nul-groep, de groep-Jaap Kroon en met verzetslieden als J.P. Gootjes en P. Gootjes. Pieter en Jacob Pieter (Jaap) Gootjes waren lid van een knokploeg en zo betrokken bij het gewapend verzet tegen de Duitse bezetters. In juni 1943 voerde hun knokploeg een succesvolle overval uit op het distributiekantoor van het Friese Langweer. Na nog een aantal overvallen besloten de leden van de groep onder te duiken. De gebroeders Gootjes verborgen zich in de buurt van Toornwerd, bij Middelstum. Ze werden in februari 1944 ontdekt door de Duitsers en er brak een vuurgevecht uit. Pieter (28 jaar) en Jaap (23) wisten nog te vluchten, de landerijen op, maar een van de broers raakte gewond. De ander wilde hem blijkbaar niet in de steek laten en zo werden beiden uiteindelijk doodgeschoten. Bij de hervormde kerk in Baflo is een monument ter herinnering aan de vijf slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog uit het dorp. Ook de namen van P. en J.P Gootjes zijn erop vermeld. Ook een straatnaam in het dorp herinnert aan het tragische einde van deze twee zonen van de gereformeerde predikant van Baflo. (meer…)

SAMUEL VAN HOUTEN

Samuel van Houten (Groningen, 17 februari 1837 – Den Haag, 14 oktober 1930) was een Nederlands liberaal politicus. Hij was de zoon van een doopsgezinde houthandelaar en liberaal lid van de Groningse gemeenteraad en provinciale staten. Zijn zus  was de schilderes Sientje van Houten, de echtgenote van Hendrik Willem Mesdag. Op 29 juni 1861 trad hij in het huwelijk met Elisabeth van Konijnenburg, met wie hij vijf dochters en twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 16 juni 1872 hertrouwde hij op 3 juni 1873 met Hermine Leendertz, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

In 1859 sloot Van Houten zijn rechtenstudie af met een dissertatie op het het gebied van de staathuishoudkunde. Onderwerp was de economische theorie over ‘de waarde’, waarbij hij als één der eersten afweek van het waardebegrip van de klassieke liberale theoretici over de vrije concurrentie. Hij stelde dat dit model teveel alleen economisch van aard was, te weinig rekening hield met sociale en historische factoren en daardoor te weinig geschikt was voor de dagelijkse praktijk. In het proefschrift nam hij daarmee stelling tegen de ideeën van Adam Smith en Ricardo en verkreeg enige bekendheid als theoreticus op het gebied van de economie. Hij zou vaker drastisch afwijken van de liberale grondprincipes (zie artikel op Huygens Ing), vooral in het begin van zijn carrière. Bij zijn binnenkomst in de Tweede Kamer gold hij als uiterst progressief. Zo zette hij zich af tegen de leer van staatsonthouding van Thorbecke, brak ook al snel met de liberale voorman, die door zijn vader juist werd vereerd. Geleidelijk kwam hij echter wel in steeds conservatiever vaarwater en keerde zich tegen de plannen van Tak voor algemeen mannenkiesrecht. Hij was in de dagelijkse omgang een beminnelijk man met een brede belangstelling; cultuurminnend en erudiet. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 023

Frans van den Muijsenberg / 31 augustus 2009 / Calais, Noord-Frankrijk

HET VERBODEN BOEK

Ewoud Kieft (1977) studeerde geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij publiceerde in 2006 zijn eerste boek Het Plagiaat, dat in de media lovend werd ontvangen. Hij deed bij het NIOD en de Universiteit Utrecht promotieonderzoek naar religieuze radicalisering en het ontstaan van oorlogsenthousiasme in West-Europa 1870-1918, waar hij in 2011 op promoveerde met zijn proefschrift Tot oorlog bekeerd: religieuze radicalisering in West-Europa 1870-1918. In 2012 publiceerde hij een essaybundel over W.F. Hermans en de Tweede Wereldoorlog, Oorlogsmythen. Voor dit boek werd hij genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In 2015 verscheen Oorlogsenthousiasme. Europa 1900-1918, waarvoor hij werd genomineerd voor de Libris Geschiedenisprijs. Kortom, weliswaar nog maar een beperkt aantal publicaties maar allemaal van hoge kwaliteit.

Het was dan ook niet verwonderlijk dat zijn oude werkgever NIOD hem in februari 2015 vroeg het voorwoord te schrijven van een nieuwe Nederlandse editie van Mijn Kampf. Het was namelijk de bedoeling dat eindelijk een wetenschappelijke uitgave van het omstreden werk van Adolf Hitler zou verschijnen. Alle voorgaande pogingen van Nederlandse instanties en uitgevers om het boek weer op de markt te brengen, al dan niet in een zwaar geannoteerde versie, waren steeds gestrand op emotionele protesten vanuit de samenleving en daaropvolgende politieke weerstand. Zeventig jaar na het overlijden van de Führer zouden echter de auteursrechten op zijn boek vervallen. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 18

HENDRIK PIETER HOS (26)

Hendrik Pieter Hos (Haarlem, 1 december 1906 – Waalsdorpervlakte, 11 mei 1944) was op 14 september 1939 bij de algemene mobilisatie opgekomen als dienstplichtige bij de Koninklijke Marine, maar hij werd om medische redenen op 16 oktober 1939 uit de dienst ontslagen. Na de Nederlandse capitulatie werkte hij voor de groep-Mekel, een verzetsgroep die onder leiding stond van de Delftse professor Jan Mekel. Hos hield zich hier bezig met het verzamelen van militaire inlichtingen. De Mekel-groep werd in 1941 verraden door een van hen die vanwege diefstal was gearresteerd en alles wat hij wist aan de Duitsers doorvertelde. Bijna de gehele verzetsgroep werd in juli en augustus 1941 gearresteerd, overgebracht naar Oraniënburg en daar op 3 mei 1942 geëxecuteerd. Vijf anderen leden zouden op 25 september 1942 in Overveen (bij Bloemendaal) worden geëxecuteerd. In datzelfde Overveen was Henk Hos, die een opleiding tot chemisch analist had gevolgd, in dienst van huisarts dr. W.J. Talsma gekomen als medisch analist. Daarnaast was hij werkzaam voor ziekenhuis Sint Johannes de Deo in Haarlem, van de GG & GD in Amsterdam en en enkele andere huisartsen. Via de Mekel-groep was Hos in contact gekomen met de Ordedienst (OD), een landelijke illegale organisatie die voor een deel was ontstaan in militaire kringen, met de spionagegroep Zwaantje in Delfzijl en met de radioman Thijssen. Ook maakte hij kennis met W.P. Speelman en Henk van Randwijk, waarna hij actief werd binnen het verspreidingsapparaat van Vrij Nederland. (meer…)

JAN MEKEL (25)

Prof. dr. ir. Jan Mekel (Bedum 22 december 1891 – Sachsenhausen 3 mei 1942) was sinds 1929 hoogleraar in de historische geologie en paleontologie aan de Technische Hoogeschool, de latere TU Delft, bij de faculteit mijnbouwkunde. In zijn vrije tijd hield Mekel zich bezig met muziek, literatuur, geschiedenis en theologie. Door zijn brede belangstelling verzamelde hij een kring van intellectuelen om zich heen, die regelmatig in zijn huis samenkwamen. Onder deze mensen bevonden zich onder andere Johan Brouwer, Anton van Duinkerken, Dirk Coster en L.J.M. Feber. Vlak na het begin van de Duitse bezetting in 1940 richtte Mekel een verzetsgroep op. De groep verzamelde informatie door spionage en speelde die door aan de Engelsen. De Mekel-groep stond los van de Ordedienst, maar had wel contact met de groep rond een andere Delftse hoogleraar, Richard Schoemaker. Professor Mekel werd door zijn collega Schermerhorn, de latere minister-president, als volgt gekarakteriseerd: ‘Een man die milde wijsheid kon paren aan felle haat’. Hij moet een grote persoonlijke invloed hebben gehad op zijn studenten en medewerkers.

Zijn losse stijl van leven continueerde Jan Mekel in een periode waarin zijn spontane gastvrijheid tot levensgevaarlijke situaties ging leiden. Naast het verzamelen van inlichtingen ten behoeve van de geallieerde oorlogvoering, gaf hij ook valse identiteitspapieren uit, die hij als burgemeester van de een of andere gemeente ondertekende. Van enige structuur was geen sprake. Dat lag enerzijds in de aard van het echtpaar Merkel, maar werd ook in de hand gewerkt omdat hun groep-Mekel tamelijk gering van omvang was. Men ontving iedereen gewoon in huiselijke kring. Het was er een komen en gaan van jongelui die Mekel en elkaar verslag uitbrachten van hun verrichtingen en die hun plannen voor nieuwe activiteiten bespraken. Dit gebeurde ook in aanwezigheid van vreemden, zoals Joop van der Meij tot zijn schrik bemerkte toen hij eind februari 1941 met zijn vrouw een bezoek bracht aan Mekel. Na zijn waarschuwing om toch vooral voorzichtiger te zijn, zeker in het bijzijn van mensen die zij niet kenden, was de laconieke reactie: ‘We zijn toch allemaal goede vaderlanders!’. Waarna Van der Meij het verstandige besluit nam in het vervolg maar af te zien van contact.
(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 17

ALBERT VAN HUFFEL

Albert Van huffel (Gent, 20 januari 1877 – Tervuren, 17 maart 1935) was een Belgisch ontwerper en architect. Hij was van bescheiden afkomst. Zijn vader heette Vanhuffel, maar op de geboorteakte werd hij foutief ingeschreven als ‘Van huffel’ en zonder naamsverandering blijft deze naam levenslang behouden. De architect ging dus door het leven met een ongebruikelijke kleine letter in de achternaam. Van huffel volgde een opleiding aan de Kunstacademie van Gent, die hij in 1901 afbrak. Tussen 1896 en 1912 had hij verschillende beroepen: schilder, decorateur, meubelmaker, metser en glazenier. Tussen 1895 en 1904 had de groep Kunst en Kennis een belangrijke invloed op zijn werk. Hij was gefascineerd door de schoonheid van bloemmotieven. Zijn ontwerpen voor meubels, tapijten en borduurwerk reflecteren de overgang van art nouveau naar functionalisme. Samen met generatiegenoten als Léon Sneyers, Fernand Bodson en Antoine Pompe, leverde Van huffel een belangrijke bijdrage tot de evolutie van art nouveau naar functionalisme. Hij staat niet alleen bekend als architect en ontwerper van meubels, ook zijn ontwerpen voor tapijten en borduurwerk worden sinds kort internationaal gewaardeerd. Kenmerkend voor zijn oeuvre zowel in zijn art nouveau- als zijn modernistische periode, is de synthese van architectuur, interieur en decoratieve kunsten die zijn realisaties tot een totaalkunstwerk maakt. Van huffel ontwierp daarbij doorgaans het volledige interieur, inclusief het vaste en het losse meubilair, tapijten en textiel, haarden en verlichtingstoestellen, glas-in-loodramen en muurschilderingen. Enkele interieurs werden ontworpen voor bestaande gebouwen.  Door zelfstudie werkte hij zich op tot architect (zonder diploma), waardoor hij totaalontwerpen kon uitvoeren. In 1903 trad hij in dienst bij de Gentse bouwfirma Van Herreweghe & De Wilde. In 1912 werd hij zelfstandig architect. Tot 1925 was hij ook artistiek directeur in het Brusselse bedrijf L’Art Décoratif C. Dangotte. In 1926 nodigde Henry van de Velde hem uit om kunstnijverheid te doceren aan het La Cambre-instituut in Brussel. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 022

Frans van den Muijsenberg / 19 januari 2019 / Lobith

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 021

Frans van den Muijsenberg / 19 januari 2019 / Lobith

DE SIGARENFABRIEK VAN ISAY ROOTENBERG

Bij toeval worden de nichtjes Hella Rottenberg en Sandra Rottenberg eind 2014 gewezen op een advertentie van een ‘Claims Conference’ in het Nieuw Israëlisch Weekblad. Daarin worden erfgenamen van vervolgde en beroofde Joden opgeroepen mogelijke rechten op bezittingen tijdens de Holocaustperiode in voormalig Oost-Duitsland kenbaar te maken bij The Conference on Jewish Material Claims Against Germany. Binnen de familie Rottenberg meende men ooit iets gehoord te hebben over een fabriek die grootvader Isay Rottenberg (1889-1971) voor de oorlog ergens in Duitsland heeft gehad en die door de nazi’s zou zijn geroofd. Niemand wist er verder ook maar iets van af, want zowel de grootouders Isay en Lena Rottenberg als hun kinderen Alfred, Edwin en Tini en hun partners hebben er ooit over gesproken. Via de lange lijst met duizenden namen en adressen van het compensatiefonds stuitte ze op de bekende naam Isay Rottenberg en een onbekend bedrijf: Deutsche Zigarren Werke, Industriestrasse 2, Döbeln. Met die luttele gegevens gaan ze aan de slag. Die speurtocht leidt tot een drietal interessante verhaallijnen die telkens weer mooi in elkaar overlopen. (meer…)

HITLERS FAMILIE 2

1 – Paula Hitler (Hafeld, 21 januari 1896 – Berchtesgaden, 1 juni 1960) was Adolf Hitlers jongere zus en het jongste kind van Alois Hitler en diens derde vrouw Klara Pölzl. Nadat Hitler naar Wenen was vertrokken verloren hij en zijn acht jaar jongere zusje het contact. Toen zij elkaar in de jaren twintig weer troffen, was Paula verrast en zij herkende haar broer in eerste instantie niet. Vanaf 1929 hadden zij jaarlijks contact, meestal bij grote nazi-evenementen. In 1936 stelde Adolf haar voor haar naam te veranderen in Paula Wolff (Adolf Hitlers bijnaam in zijn jeugd was Wolf). Paula Hitler werd door haar broer vanaf de vroege jaren dertig tot zijn dood in april 1945 financieel onderhouden. Paula Hitler deed administratief werk in een militair ziekenhuis tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Ze werd door de Amerikanen in mei 1945 gearresteerd en later dat jaar vrijgelaten. Ze gaf aan dat ze niet kon geloven dat haar broer verantwoordelijk was voor de Holocaust. Dit werd door de Amerikaanse inlichtingendienst verklaard uit de loyaliteit van een zus ten opzichte van haar broer. Later onderzoek wees echter uit dat Paula Hitler niet de onschuldige, onopvallende vrouw met een verkeerde broer was voor wie ze eerder vaak werd gehouden. Ze was verloofd met Erwin Jekelius, een beruchte Weense arts, die verantwoordelijk was voor de dood van 4.000 geestelijk en lichamelijk gehandicapten. Het huwelijk werd afgelast op bevel van Hitler, die het “onwenselijk” vond dat zijn zuster zou trouwen. Toen Jekelius naar Berlijn reisde om Hitler de hand van diens zuster te vragen, werd hij onderweg onderschept door de Gestapo. Hij werd naar het oostfront gestuurd, waar het Rode Leger hem gevangen nam, waarna hij overleed in gevangenschap in 1952. Er zijn aanwijzingen dat Paula Hitler de Duits-nationalistische ideeën van haar broer deelde, maar ze is nooit politiek actief geweest. Na haar vrijlating door de Amerikanen vertrok Paula Hitler naar Wenen, waar ze werkte in een kunst- en nijverheidswinkel. In 1952 verhuisde ze naar Berchtesgaden, waar ze zich afzonderde in een tweekamerappartement tot haar dood op 1 juni 1960. Zij was nooit getrouwd en had geen kinderen. In 2005 en 2006 werd in haar graf in Berchtesgaden een echtpaar begraven, dat het graf van Paula Hitler de laatste jaren had onderhouden. De naam van Paula Hitler is van het houten grafmonument verdwenen, over haar naam heen is een houten bord bevestigd met de namen van de beide echtelieden. (meer…)

HITLERS FAMILIE 1

Adolf Hitler had in de nazi-propaganda aardig goed het beeld gevestigd dat hij op zijn zuster Paula na geen levende familie had. Zelf trouwde Adolf pas een paar uur voor zijn dood met zijn jarenlange vriendin Eva Braun en er waren dus geen kinderen van de Führer. Zijn zus Paula werd door hem als een zwakke vrouw beschouwd en zo veel mogelijk weggemoffeld. Haar verloofde werd ingezet aan het oostfront en sneuvelde daar. Paula Hitler bleef de rest van haar leven ongehuwd en kinderloos. Het leek dat daarmee de familie Hitler was uitgestorven. Maar Hitlers vader, Alois Hitler sr. (iemand met een duistere afkomst en dus veel gespeculeer), was voordat hij trouwde met Klara Pölzl (1860-1907) al twee keer getrouwd geweest. In 1876, tijdens Alois Hitlers sr. eerste huwelijk met Anna Glassl, trad Klara Pölzl bij hem in dienst als huishoudster. Niet lang daarna begon Alois een relatie met de 19-jarige Franziska “Fanni” Matzelsberger (31 januari 1861 – Ranshofen, 10 augustus 1884), terwijl hij van tafel en bed scheidde van zijn zieke vrouw. Dat huwelijk met Galsl bleef kinderloos. Deze Fanni eiste direct dat Klara weg zou gaan, omdat ze haar als rivale beschouwde. Alois trouwde na de dood van Anna Glassl op 22 mei 1883 in Braunau am Inn met Fanni, die op dat moment hoogzwanger was van hun tweede kind, Angela Hitler (1883-1949). Fanni had op 13 januari 1882 al een zoon gekregen, Alois jr. (1882-1956) die na het huwelijk van zijn ouders erkend werd en de achternaam Hitler kreeg. Fanni overleed op 10 augustus 1884 op 23-jarige leeftijd aan tuberculose en vrijwel direct erna begon Alois een relatie met Klara Pölzl. Op 7 januari 1885 trouwden ze. Uit dit huwelijk zouden zes kinderen worden geboren, maar drie zoons (Gustav, Otto en Edmund) en een dochter (Ida) stierven al in hun prille jeugd. Alois sr. vestigde al zijn hoop op de enig overgebleven zoon Adolf en deed dat op hardvochtige manier. Klara daarentegen overlaadde dezelfde zoon met aandacht en verwende hem mateloos. Daarnaast was er nog de al genoemde zus Paula (1896-1960). Hoe verliep het nu met de familieleden van Adolf Hitler?

(meer…)

DE DOLKSTOOTLEGENDE

Gedurende de gehele oorlog had de legertop beweerd dat het Duitse Keizerrijk onverslaanbaar was. Op 29 september 1918 berichtte generaal Ludendorff echter namens de Duitse legertop aan keizer Wilhelm II en de toenmalige Rijkskanselier Georg von Hertling (1843-1919) dat de oorlog uitzichtloos was geworden voor Duitsland. Hij deed een dwingend verzoek aan de Duitse regering om de geallieerden een wapenstilstand aan te bieden en deed ook de aanbeveling om, volgens artikel 1 uit de Veertien Punten van de Amerikaanse president Woodrow Wilson (1856-1924), in Duitsland een nieuwe, democratische regering te installeren om op die manier het gunstig mogelijke vredesverdrag te kunnen afsluiten. De tactiek van de legerleiding was op die manier de schuld over de nederlaag in de schoenen van de democratie te kunnen schuiven. (meer…)

KOLONEL MAX BAUER

Kolonel Max Hermann Bauer (Quedlinburg, 31 januari 1869 – Sjanghai, 6 mei 1929) was tijdens de Eerste Wereldoorlog een officier van de Duitse generale staf en artillerie-expert. Bauer was aanvankelijk begonnen met een studie medicijnen aan de universiteit in Berlijn, maar stapte al in 1888 over naar een officiersopleiding bij de artillerie. Na afronding van die studie bekwaamde hij zich steeds in de snelle ontwikkeling van de artillerie. In 1905 werd hij als adviseur toegevoegd aan de Duitse generale staf, waardoor hij ook een groot netwerk opbouwde met vooraanstaande Duitse industriëlen, onderzoekers en politici. Vanaf 1908 gold hij als de rechterhand van Erich Ludendorff, naast Paul van Hindenburg een van de leidende figuren binnen de Duitse oorlogsvoering. Ludendorff beschouwde Bauer als de intelligentste officier in het Duitse leger en Bauer werd daarmee de belangrijkste adviseur op het gebied van economisch management en vooral op politiek terrein voor de Duitse legerleiding. Voor de Eerste Wereldoorlog had Bauer er al een studie van gemaakt hoe de Duitse economie moest functioneren gedurende een mogelijke Europese oorlog. Toen die grote oorlog in 1914 daadwerkelijk uitbrak was Bauer een van de verantwoordelijken voor de inzet van alle artillerie-middelen en mortieren. Dat deed hij naar tevredenheid van zijn meerderen, want gedurende de oorlog kreeg hij 25 Duitse en buitenlandse oorlogsonderscheidingen. (meer…)

GEZICHTEN EN BERICHTEN ROND KERSTMIS 1942

H.M. van Randwijk publiceerde in 1967 In de schaduw van gisteren, een kroniek van de bezetting, waarin de auteur twintig jaar na afloop van de oorlog terugkijkt op de oorlogsjaren. Op 22 december 1962 schreef hij onderstaand verhaal, Gezichten en berichten rond kerstmis 1962.

Ik zei het al in mijn vorige artikel, Kerstmis 1942 was voor ons een goede Kerstmis. ‘Goed’ natuurlijk naar de maatstaven van de tijd. Maar daarover ditmaal niet. Dit jaar is het twintigste kerstfeest dat wij nadien vieren. Wanneer men midden in oorlogstijd de garantie zou hebben gekregen het jaar 1962 te halen, ik denk dat men gebroken zou zijn van geluk.
Misschien ook niet. Er nu over nadenkend valt het mij op, hoe weinig gedacht werd aan het naoorlogse individuele lot. Zeker, over de toekomst van de wereld. Over veranderingen in de maatschappij van morgen en over een nieuwe status voor de koloniale gebieden. Koningin Wilhelmina had in december 1942 haar grote redevoering gehouden over de toekomstige verhouding van Nederland tot Indonesië. Een dappere rede. ‘You can’t beat the Dutch’ schreven de Amerikaanse kranten. Midden in oorlogstijd, het vaderland door vreemde machten bezet, en nochtans denkt dit volk onder leiding van zijn koningin Wilhelmina aan de toekomst en zet een forse streep onder verouderde koloniale verhoudingen en kondigt de vorming aan van een gemenebest van vrije volken…
We hebben er na de oorlog wel een beetje meer moeite mee gehad dan hier gezegd werd, maar het klonk toch mooi en het werd een bron van vruchtbare gedachtenwisseling, ook in de kringen van het verzet. Je kon er niet alleen de dagelijkse nood mee ontvluchten, het gaf er ook perspectief aan. (meer…)

KERSTMIS IN AUSCHWITZ

Tegenwoordig staat de naam Auschwitz symbool voor misschien wel de grootste misdaad van de twintigste eeuw, maar in 1943 beleefde John Green hier een vrolijke kerst. De Britse krijgsgevangene bevond zich al drie jaar in Duitse krijgsgevangenschap toen hij in 1943 overgeplaatst werd naar E715, een onderdeel van het conglomeraat van kampen in en om Auschwitz waar hij en andere krijgsgevangenen uit Groot-Brittannië en het Gemenebest tewerkgesteld werden in de fabriek van chemieconcern IG-Farben, waar ook Joodse gevangenen dwangarbeid verrichtten.

De bewakers van de Wehrmacht in E715 waren een stuk milder dan die van de SS. John en zijn maten – vooral leden van de Royal Engineers -hadden daarnaast het geluk dat de leiding over hun vijfentwintig man tellende arbeidsgroep in handen was van een goedaardige Oostenrijker, Herr Legal. Deze chef zorgde er zelfs voor dat zijn Joodse assistent, Hans, in de fabriek kon slapen, waardoor hij niet elke avond terug naar het kamp hoefde te lopen. In 1943 gaf de opzichter aan de krijgsgevangenen toestemming om Kerstmis te vieren. Dat hoefde hij geen twee keer te zeggen. Met de nederlagen van de Wehrmacht in Rusland en de geallieerde invasie in Italië dachten de krijgsgevangenen de vrijheid al te kunnen ruiken. Ze verwachtten de volgende kerst thuis te zijn. Goed geluimd begonnen ze daarom met de voorbereiding voor kerstavond. Ze versierden hun werkplaats met gekleurde gloeilampen en maakten bloemen, sneeuwballen en kerstballen van lege voedselblikken van het Rode Kruis. (meer…)

DE DRIE WIJZEN

Op kerstavond 1943 werd er op de deur geklopt van het kleine appartement van de Joodse familie Szajdholc in het bergdorpje Andonno in Noord-West-Italië. Ze vreesden meteen dat het wel eens Duitsers konden zijn. Zou hun jarenlange vlucht voor de nazi’s, die al voor het uitbreken van de oorlog begon, hier dan eindigen? Voordat Duitse troepen Polen binnentrokken woonde het gezin, bestaande uit Salomon en Esther en hun vier kinderen, in Warschau. Ze emigreerden voorafgaand aan de Duitse invasie van Polen naar België waar ze zich in Brussel vestigden. Toen Hitler in mei 1940 ook België binnenviel, probeerden ze tevergeefs via Frankrijk naar Engeland te vluchten. Ze belandden vervolgens in Saint-Martin-Vésubie in de Alpen boven Nice. Het dorp bevond zich in het deel van Zuid-Frankrijk dat door de Italianen werd bezet. De Italiaanse autoriteiten weigerden Joden uit te leveren aan de Duitse of Vichy-Franse autoriteiten, waardoor het gezin hier veilig was voor deportatie, totdat de Italianen in september 1943 capituleerden en de Duitsers het gebied bezetten. De Italiaanse commandant had het gezin en de andere onderduikers op tijd gewaarschuwd, waardoor ze samen met het Italiaanse leger te voet naar Italië vluchtten. Ze staken met honderden andere voortvluchtige Joden de 2.543 meter hoge Col de Cerise over en belandden in het Italiaanse dorp Valdieri, waar ze tijdelijk onderdak vonden.

Vanwege de inval van het Duitse leger in Noord-Italië was het voor de familie in Valdieri niet langer veilig. Tijdens een razzia op 18 september 1943 werden 350 Joden in het dorp opgepakt door de SS. Salomon en Esther en hun kinderen vluchtten opnieuw de bergen in en bleven zo uit Duitse handen. Het was echter niet mogelijk om in de winter in de bergen te overleven en het zestal kwam terecht in het een paar kilometer ten noordoosten liggende dorp Andonno. De dorpspriester, vader Antonio Borsotto, had naastenliefde hoog in het vaandel staan en gaf hen onderdak in een kamer of klein appartement aangrenzend aan zijn kerk. Daarmee nam de geestelijke een groot risico want zijn positie beschermde hem niet tegen het nazigeweld. Op 19 september 1943 hadden de Duitsers een bloedbad aangericht in het vlakbij gelegen dorp Boves, waarbij de lokale priester was gedood. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 020

Frans van den Muijsenberg / 29 september 2012 / Vallei der Koningen, Luxor (Egypte)

MAX, FRIEDRICH EN ADOLF

Prins Max von Baden zit het grootste deel van de dag ongeduldig te wachten op nieuws van keizer Wilhelm II.
Prins Max is een goed verzorgd man, die op elke foto de onheilspellende blik etaleert van iemand die veel heeft meegemaakt, niet snel onder de indruk is en weinig illusies over zijn medemensen koestert. Hij heeft een ongebruikelijke reputatie als linkse Duitse prins. Dat was de reden waarom hij in oktober op eenenvijftigjarige leeftijd tot kanselier van het Duitse rijk werd benoemd. Later zal hij op droge toon verslag doen van zijn ervaringen, waarbij hij laat doorschemeren hoezeer hij zich heeft gestoord aan vrijwel iedereen met wie hij te maken kreeg: de keizer, de generaals, de gematigde en de radicale socialisten.
Prins Max’ probleem is dat de keizer, de erfelijke monarch wiens familie vanaf de vijftiende eeuw vanuit Berlijn heeft geregeerd, niet kan beslissen om af te treden. Duitsland raakt steeds meer in de greep van de revolutie, en elke minuut telt. Telkens wanneer Max opbelt naar het legerhoofdkwartier in Spa in België, waar de keizer op dat moment verblijft, wordt hij afgescheept. De prins wil van de oude orde redden wat er te redden valt. Hij weet dat de revolutie aan de winnende hand is. Ze kan niet worden ‘neergeslagen’, maar ‘misschien kan ze wel worden gesmoord’. Het enige wat hij kan doen, is de revolutie binnen de perken te houden door Friedrich Ebert, de leider van de gematigde sociaaldemocraten, op bevel van de keizer tot kanselier te benoemen. (meer…)

PRINS MAX VON BADEN

Maximilian Alexander Friedrich Wilhelm (Max) Prinz von Baden (Baden-Baden, 10 juli 1867 – Salem bij Konstanz, 6 november 1929), prins van Baden, was erfgroothertog van Baden, generaal en de laatste rijkskanselier van het Duitse Keizerrijk. Hij was de zoon van de Pruisische generaal prins Willem van Baden (1829-1897), wiens moeder een kleindochter van Eugène de Beauharnais, die nog onder Napoleon Bonaparte gediend had. Maximilian was sinds 1900 getrouwd met Marie-Louise van Hannover-Cumberland, prinses van Groot-Brittannië en Ierland, achterklein-dochter van koning George V van Hannover. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren: Berthold en Marie Alexandra. Berthold trouwde in 1924 met prinses Theodora van Griekenland; één van de vier zusters van Philip, hertog van Edinburgh.

Zijn broer was Frederik I von Baden (Karlsruhe, 9 september 1826 – Mainau, 28 september 1907), die van 1852 tot 1856 regent en daarna tot zijn dood groothertog van Baden was. Hij trouwde in 1856 met Louise Marie Elisabeth van Pruisen, dochter van de latere Duitse keizer Wilhelm I. Er waren ook nog wat familierelaties met het Zweedse koningshuis. Frederik I was zeer liberaal gezind en verklaarde dat de constitutionele monarchie de beste regeringsvorm was. Onder zijn bewind werden vele belangrijke hervormingen doorgevoerd, waaronder de invoering van het burgerlijk huwelijk. Hij bracht het godsdienstonderwijs op de openbare maar op kerkelijke leest geschoeide scholen onder de hoede van de kerken, maar verklaarde dat het openbaar onderwijs een zaak van de staat was. Tot slot voerde hij in 1904 een grondwetsherziening door die het algemene, directe en geheime stemrecht voor de Tweede Kamer mogelijk maakte. (meer…)

H.M. VAN RANDWIJK

Hendrik Mattheus van Randwijk (Gorichem, 9 november 1909 – Purmerend, 13 mei 1966) was een Nederlands dichter en prozaschrijver. Hij was hoofd van een school in een Amsterdamse volksbuurt en actief op sociaal gebied. Voor de Tweede Wereldoorlog behoorde Van Randwijk tot de protestants-christelijke groep rond Opwaartsche Wegen. Zijn eerste gedichten werden gebundeld in Op verbeurd gebied (1934). Hierin toont hij zich een strijdbaar sociaal-christen, evenals in zijn sociale romans Burgers in nood (1936) en Een zoon begraaft zijn vader (1938). Tijdens de oorlog schreef hij het verzetsgedicht Celdroom dat, na zijn arrestatie door de Duitsers, clandestien werd verspreid (1943). Al in 1941 had hij samen met Jan H. de Groot en G. Kamphuis de eerste verzameling verzetspoëzie samengesteld onder de titel Nieuw Geuzenliedboek. Tijdens de oorlog was hij een van leidende figuren van de verzetsorganisatie Vrij Nederland en na de bevrijding de eerste hoofdredacteur van het radicale weekblad met dezelfde naam. Hij stichtte vervolgens de uitgeverij Djambatan-De Brug, die zich vooral op Indonesië richtte. Ook via Vrij Nederland pleitte hij voor onafhankelijkheid van Nederlands-Indië. Het is een misvatting dat dit het blad veel abonnees kostte, zo tonen Gerard Mulder en Paul Koedijk aan in hun biografie van Van Randwijk. Van Randwijk zag zich in 1948 genoodzaakt af te treden als hoofdredacteur. In de jaren daarna trad hij veel op als commentator, onder andere op de televisie. Als journalist leverde hij bijdragen aan De Groene Amsterdammer. De armoede in de wereld was een belangrijk thema. Na de oorlog evolueerde hij tot overtuigd socialist. In 1967 verscheen In de schaduwen van gisteren, een kroniek van de bezetting. In Heet van de naald werd een bloemlezing van zijn werk bijeengebracht. Zijn Bericht aan de levenden wordt bij de dodenherdenking op 4 mei voorgedragen met muziek van H. Henkemans. De tekst is op de erebegraafplaats te Bloemendaal als herinnering aan de oorlog aangebracht. Een deel van het Weteringplantsoen in Amsterdam, dat tijdens de oorlog een fusilladeplaats was waar onder andere op 12 maart 1945 dertig verzetsstrijders werden geëxecuteerd, is hernoemd tot H.M. van Randwijkplantsoen. Er is een monument opgericht met daarop de bekende dichtregels die oorspronkelijk door Van Randwijk voor de Eerebegraafplaats Bloemendaal werden geschreven. (meer…)

RIJKSKANSELIER EN RIJKSPRESIDENT

Door de novemberrevolutie van 1918 werd de monarchie afgeschaft en de keizer afgezet als staatshoofd. Duitsland werd voor het eerst een republiek, de zogenaamde Weimarrepubliek (1919-1933/34). In 1919 werd door de Grondwet van Weimar het ambt van een gekozen rijkspresident ingesteld als staatshoofd. Voortaan zou een democratisch gekozen rijkspresident het staatshoofd van Duitsland zijn en kwam er een collegiale Rijksregering met de rijkskanselier als regeringsleider. Volgens de Grondwet van Weimar werd de rijkspresident voor zeven jaar door het volk gekozen en was zonder beperking herkiesbaar. Hij benoemde de regering en het hoofd daarvan (de Rijkskanselier), kon het parlement laten ontbinden en via nooddecreten bijzondere maatregelingen treffen. Het parlement echter had het recht om de regering te laten vallen, de rijkspresident via een referendum af te zetten en de nooddecreten ongedaan te maken. Omdat in het parlement maar zelden een absolute meerderheid voor een stabiele regering tot stand kwam, was de feitelijke rol van de rijkspresident veel groter dan bedoeld.

Paul von Hindenburg

(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 16

KERSTMIS ONDER VUUR

De afgelopen jaren schreef Kevin Prenger, projectleider van go2war.nl, een drieluik over drie SS’ers die een dubbelrol zouden hebben gespeeld, namelijk enerzijds volop actief in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds ook met betrokkenheid in het Duitse verzet. In deel 1 werd Kurt Gerstein besproken, een SS-Oberstürmführer die probeerde zand in de moordmachine te gooien door informatie aan buitenlanders te verstrekken over de geheime en gewelddadige operaties in Oost-Europa, maar tegelijkertijd wel in de positie zat dat hij betrokken was bij het euthanasieprogramma, bij Aktion Reinhard en Zyklon-B aan de concentratieprogramma leverde. In het tweede deel kwam Konrad Morgen aan bod, een SS’er en steile jurist die allerlei hooggeplaatste SS’ers die in Auschwitz en andere kampen werkzaam waren op beschuldiging van moord voor de rechtbank bracht. Niet vanwege morele bezwaren, want voor Morgen lag het verderfelijke niet in de moord op de Joden en andere slachtoffers, maar in het feit dat alles niet via de correcte procedures was uitgevoerd. Het leek er in beide gevallen op dat ze aan het eind van de oorlog heel sluw voor zichzelf een ontsnappingsroute wilden creëren toen de oorlog eenmaal verloren leek. Vooral bij Gerstein zijn er omstandigheden om zijn verhaal geloofwaardig te maken (er waren dan ook behoorlijk wat mensen die in zijn onschuld en verzet bleven geloven), maar alle eventuele goede intenties ten spijt, ze maken de feiten waaraan hij zich aantoonbaar schuldig heeft gemaakt niet ongedaan en maakt er zeker geen voorbeeld of held van. Dat gold in aanzienlijk sterkere mate voor Morgen en bij de hoofdpersoon van deel 3, Kriminalpolizeichef Arthur Nebe, kan het eindoordeel nooit anders kan luiden dat hij gezien moet worden als een oorlogsmisdadiger. (meer…)

BORIS KOWADLO

Israel Baruch (Boris) Kowadlo (Plotzk (Polen), 2 december 1911 – Porto (Portugal), 29 mei 1959) was een fotograaf en Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kowadlo groeide op in een religieus gezin, als zoon van een rabbijn. In Polen was hij in de leer geweest in de fotostudio van zijn zwager Adam Watman, maar het lukte hem niet om daar een bestaan als fotograaf op te bouwen. Kowadlo kwam in 1933 naar Amsterdam vanwege het groeiend antisemitisme in zijn vaderland. Hij werkte er aanvankelijk als medewerker bij een automatiek, maar in 1937 werd hij al als (kunst)fotograaf geregistreerd op de kaart in het bevolkingsregister. Boris was gericht op de Pools-Joodse gemeenschap die in Amsterdam goed vertegenwoordigd was, onder meer met hun eigen vereniging Sch.Anski en eigen chewresjoels (verenigingssynagogen). Deze Pools-Joodse gemeenschap was dan ook regelmatig het onderwerp van zijn foto’s. Hij was de belangrijkste fotograaf van deze gemeenschap. Hij was bekend door zijn uitgebreide fotoreportages die hij maakte van de Pools-Joodse gemeenschap. Gedurende de Duitse bezetting was hij actief in het verzet onder de naam “Bernard van der Linden” en raakte hij betrokken bij de fotografengroep De Ondergedoken Camera (1943-1945), die de Duitse bezetting van Nederland in het geheim te documenteren. De groep ontstond op initiatief van de fotograaf Fritz Kahlenberg en de verzetsman Tonny van Renterghem en omvatte 38 professionele fotografen als amateurs. Omdat fotograferen verboden was, werkten zij onder zeer moeilijke omstandigheden. Voor hun eigen veiligheid bleven ze vaak anoniem voor elkaar en kenden ze elkaar soms alleen bij hun schuilnaam. Met de grootst mogelijke logistieke problemen, zoals het ontbreken van materiaal en beperkte stroom waardoor carbidlampen ingezet moesten worden en een centrale “donkere kamer” werd ingericht, lukte het hen om veel op de foto vast te leggen. (meer…)

AUGUSTA DE WIT

Anna Augusta Henriette de Wit (roepnaam Augusta) was een schrijfster en journaliste, actief voor de Communistische Partij in Nederland. Ze werd geboren op 25 november 1864 in Sibolga (Sumatra) en overleed te Baarn op 9 februari 1939. Zij was de dochter van Jan Carel de Wit, resident van achtereenvolgens Tapanoelie, de Padangsche Bovenlanden en Timor, en Anna Maria Johanna de la Couture. ‘Het is schandelijk zooals je je leven verbrokkelt’ schreef Henriette Roland Holst omstreeks 1926 aan Augusta de Wit. Een overzicht van De Wit’s levensloop verduidelijkt de verzuchting van haar vriendin, collega en politieke medestander. Augusta de Wit bracht haar jeugd als dochter van een hoge ambtenaar door in diverse plaatsen op Sumatra en Timor, onderbroken door een verblijf van twee jaar in Nederland. In 1874 keerde de familie De Wit definitief terug naar Nederland en woonde achtereenvolgens in Helvoirt, Utrecht en Oosterbeek. Van 1888 tot 1890 studeerde De Wit aan het Bedford College te Londen en het Girton College te Cambridge. Van 1894 tot 1896 gaf zij Duits, Engels en geschiedenis aan de Hoogere Burgerschool voor Meisjes in Batavia. Zij schreef reisreportages voor de Singapore Straits Times, die in 1898 in Singapore gebundeld verschenen onder de titel Facts and Fancies about Java. Als literator debuteerde zij in 1895 en 1896 onder pseudoniem in Eigen Haard en De Gids met verhalen in de traditie van de Tachtigers, die in 1899 in Verborgen bronnen werden verzameld. In 1903 volgden haar bekendste boek, de novelle Orpheus in de dessa, en de roman De godin die wacht, beide met Indische thema’s. Rond de eeuwwisseling begon De Wit’s reizende en ‘verbrokkelde’ leven als correspondente voornamelijk op literair gebied – van het Utrechtsch Dagblad, de Javabode en de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC). Zij woonde korte of langere tijd in onder meer Berlijn, Laren, Amsterdam (diverse adressen), Amersfoort, Lerici (Italië), Mittenwald en Fürstenfeldbruck (beide Beieren), Weimar, Oosterbeek, Freiburg im Breisgau, Zürich, Parijs en Granow/Neumark (Pruisen, waar haar zuster woonde). De literaire produktie ging, zij het in een langzaam tempo, door. In 1907 verscheen de roman Het dure moederschap, De Wit’s enige boek dat kan worden beschouwd als ‘sociale belletrie’ en dat zich afspeelt in het milieu van het Gooise textielproletariaat. In 1918 en 1920 verschenen verhalenbundels met opnieuw Indische thema’s: De wake bij de brug en De drie vrouwen in het Heilige Woud. Bovendien bundelde zij na een bijna driejarig verblijf van begin 1911 tot eind 1913 in Nederlands-Indië haar reisreportages voor de NRC: Natuur en menschen in Indië (Amsterdam 1914). (meer…)

SWASTIKA

Op de weblog Groninganus trof ik een artikel aan uit het Nieuwsblad van het Noord van 20 september 1933, onder de titel ‘Winkelier in moeilijkheden’: Hoe men tegenwoordig onbewust ïn politieke moeilijkheden kan geraken heeft dezer dagen een eerzaam sigarenwinkelier in Alkmaar ondervonden, vertelt de „Standaard”. Deze winkelier had ruim een jaar geleden sigarenzakjes laten maken. De fabriek had voor een aardig zakje gezorgd. Behalve naam en adres van den winkelier kwam er een teekening op voor; met eenige figuratie waren open blijvende vlakken gevuld. De winkelier was met zijn zakjes best tevreden en geen enkele klant maakte aanmerkingen. Totdat er korten tijd geleden op een avond een oploop voor den winkel ontstond. „Dood aan de Nazi’s”. „Weg met Hitler”. „Rood front”, werd er geschreeuwd. Den volgenden morgen was de winkelpui met een groot hakenkruis versierd. De winkelier stond stomverbaasd over de herrie. Hij had zich nooit met het nationaal-socialisme bemoeid. Hij informeerde bij de communisten wat dat beteekenen moest en deze hielden hem een van zijn sigarenzakjes voor: „Ziedaar je brandmerk”. In de figuratie op het sigarenzakje was een hakenkruisje verwerkt. Een jaar geleden gold de „Swastika” In Nederland nog als een onschuldig figuurtje, waar geen mensch naar keek. Nu is het ineens een politiek embleem geworden, dat een doodonschuldig mensch den grootsten last kan bezorgen.

De swastika is een symbool in de vorm van een kruis met aan alle uiteinden een haak, vandaar dat het ook vaak het hakenkruis werd genoemd. De naam swastika komt uit het Sanskriet van ‘svatika’. Vijfduizend jaar geleden zouden Amerikaanse indianen het teken al gebruikt hebben. Ook van de Maya’s, Azteken en Vikingen is bekend dat ze het symbool gebruikten. Ook in oude oude synagogen zijn swastika’s gevonden. Zowel in het hindoeïsme als boeddhisme is de swastika vaak te vinden op de borst of voeten van Boeddhabeelden. Nog steeds zijn veel tempels in India en Nepal versierd met swastika’s. Het teken wordt daar ook wel zonnerad genoemd en staat soms symbool voor de vier windstreken. Het symbool betekent zoveel als ‘datgene wat geluk brengt’. We vinden daarom op oude wenskaarten nog regelmatig swastika’s. Zelfs op Amerikaanse kerstkaarten. Ze moesten de ontvanger een lang en gelukkig leven bezorgen. Swastika’s kun je ook vaak zien in mozaïeken en ornamenten. Coca Cola bracht in 1925 een gelukshanger op de markt in de vorm van een roestbruine swastika met daarop Drink Coca-Cola in bottles 5 C. Ten onrechte wordt deze hanger in verband gebracht met het naziregime. (meer…)

OTTO LILIENTHAL

Otto Lilienthal (Anklam, 23 mei 1848 – Berlijn, 10 augustus 1896) was een Duitse uitvinder en ontwerper van vele zweefvliegtuigen. Hij wordt beschouwd als één der pioniers van het vliegtuig. Het leek logisch dat de eerste pioniers goed naar vogels keken om de kunst van het vliegen af te kijken. Vogels zijn immers zwaarder dan lucht en kunnen toch vliegen. Otto Lilienthal bestudeerde al van jongs af aan de vlucht van de vogels. Bij zijn eerste experimenten, toen hij ongeveer 14 jaar oud was, had hij vleugels aan zijn schouders vastgemaakt. Dat werkte dus niet. Na zijn opleiding aan een technische school in Potsdam in 1867 begon hij met allerlei vliegmodellen te experimenteren. In het begin ging het om zweeftoestellen en toestellen met klepperende vleugels. Lilienthal kwam tot de conclusie dat het principe van klepperende vleugels veel te ingewikkeld was om na te doen. Een vogel doet heel wat meer dan zijn vleugels simpel op en neer te bewegen. Het is ook de stand van de vleugels die belangrijk is.

Vanaf 1871 hield Lilienthal zich alleen nog maar met zweefvliegtuigen bezig. Hij ontdekte, net als andere pioniers, dat gebogen vleugeloppervlakten meer weerstand bieden dan platte en dus in een vliegtuig beter functioneren. Om goed te kunnen experimenteren maakte hij bij Berlijn een heuveltje van 15 meter hoog. Hier kon hij met zijn toestellen van afzweven. Logisch, dat dit ook regelmatig veel publiek trok. Door te experimenten met verschillende vormen en maten kwam Lilienthal tot tabellen, waarin hij aangaf wat het effect is van bepaalde vleugeloppervlakten. Hij publiceerde zijn gegevens over de vogelvlucht in het boek Der Vogelflug als Grundlage der Fliegerkunst (De vogelvlucht als grondslag voor de vliegkunst). (meer…)

SINT-VITUSKERK ELTEN

Vanaf Lobith zie je een bult oprijzen uit het landschap, de Eltenberg, dat met zijn hoogte van 80 meter een van hoogste heuvels in de omgeving is met een mooi uitzichtpunt. Volgens de legende was het een magische plek, die duizenden jaren geleden door reuzen spelenderwijs was aangelegd en daardoor het landschap vorm hadden gegeven. Met hun reuzenscheppen groeven ze het Rijndal en van de grond wierpen ze de Eltenberg op. Deze berg is altijd bron van mysterieuze verhalen geweest, want mensen zoeken nu eenmaal graag verklaringen voor dingen die ze niet direct begrijpen. Dat biedt houvast, soms troost en in elk geval verstrooiing. Zo ook over de Sint-Vituskerk in Hoog-Elten, bovenop de Eltenberg, waarvan het torentje vanaf een groot deel van ‘t Gelders Eiland te zien is. In de kerk bevindt zich een mysterieus beeld dat tegen de stroom in vanuit Dordrecht naar Elten zou zijn gedreven. Dit beeld van de heilige Machutus, oorspronkelijk een Mariabeeld uit de 12e eeuw, heeft het lichaam van een vrouw en het hoofd van een man. Zo is er ook het verhaal over de dochters van Kerrio, de hoofdman van een oude stam die hier leefde. Als het erg slecht ging met zijn stam, zo eens in de tien jaar, dan was een mensenoffer het enige wat verlossing kon brengen. Als goed stamhoofd bood Kerrio aan om zijn eigen jongste dochter te offeren. Zijn andere dochters konden dat niet over hun hart verkrijgen en wilden stiekem van plaats ruilen met haar. Het liep niet goed af en uiteindelijk bleef Kerrio over als bedroefde vader zonder dochters. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 019

Frans van den Muijsenberg / 5 augustus 2017 / Begraafplaats West-Vleteren

DE ZWARTE HAND

In 1993 schreef Tjen Mampaye het boek De Zwarte Hand, opgedragen aan alle leden van de gelijknamige Belgische verzetsgroep voor hun moedige verzet, in het bijzonder aan de twaalf leden die op 7 augustus 1943 In Lingen werden gefusilleerd. In augustus 2018 verscheen een herziene tweede druk van het boek. De Zwarte Hand was tijdens de Tweede Wereldoorlog vooral actief in Klein-Brabant (De Vlaamse streek langs de Schelde en de Rupel) en de Rupelstreek (onderdeel van het Scheldeland, dat onder meer bestaat uit de gemeenten Boom, Rumst en Willebroek). De groep had haar oorsprong in de gemeenten Puurs en Rumst, beiden net iets onder Antwerpen gelegen. De meesten waren slechts 20 tot 25 jaar, de jongste nog maar 15 jaar oud. In de directe nabijheid van Puurs lag het beruchte Fort van Breendonk dat door de nazi’s tijdens de oorlog werd gebruikt als werk- en doorgangskamp. Het is het enige kamp dat nog volledig intact is gebleven. In het fort bevindt zich het ‘Nationaal Gedenkteken van het Fort van Breendonk’. Mampaye was onderwijzer verbonden aan de Gemeenschapsschool in Puurs. Hij koppelde de geschiedenislessen zoveel mogelijk aan lokale gebeurtenissen, gebouwen en andere historische restanten uit de directe omgeving om daarmee het geschiedenisonderwijs levend te houden en betrokkenheid bij het onderwerp te genereren. Jarenlang kwam Luc De Geyter, een voormalig lid van de verzetsgroep De Zwarte Hand, vertellen over de verzetsbeweging en over de lijdensweg langs de Duitse concentratiekampen. De Geyser ontpopt zich als een meesterlijk verteller; tijdens de lessen kunnen je een speld horen vallen. De Geyser verzorgt ook de rondleidingen door het sinistere en sombere Fort van Breendonk, wellicht de ergste van de Nederlandse en Belgische Kampen, en vertelt ook daar over het lot van zijn medestrijders, die vaak eerst hier terechtkwamen voordat ze gefusilleerd werden of doorgestuurd naar de Duitse kampen. Hij weet ook steeds goed de link te leggen met de actualiteit, want op dat moment is in België het Vlaamse Blok in opmars, een club met bedenkelijke politieke idealen. Door hun verschijnen op het politieke toneel was het fascisme niet langer slechts een donkere periode uit de geschiedenis, maar meer en meer een actueel onderwerp. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 018

.
Frans van den Muijsenberg / 1 mei 2005 / Berlijnse Muur, Stralauerstrasse

DE ALLEREERSTE WERELDOORLOG

Vraag een willekeurige Nederlander wat hij weet van de Tachtigjarige Oorlog, onze vaderlandse bevrijdingsoorlog van de onbekende en nog meer onbeminde Spaanse overheerser, en er zal snel blijken dat het verdomde weinig is. De jongelui kun je het amper kwalijk nemen, want die krijgen dit onderdeel niet meer bij geschiedenisles. Als ze überhaupt nog geschiedenisonderwijs krijgen. Bij de oudere garde zal een groepje iets mompelen over de Slag bij Nieuwpoort en het makkelijk te onthouden jaartal 1600, zonder te hebben onthouden welk belangrijk historisch feit zich toen heeft afgespeeld (er was weliswaar een veldslag tegen de Spanjaarden gewonnen, maar de verliezen aan manschappen waren enorm, er waren diverse steden platgebrand, er was geen gebied op de Spanjaarden veroverd en het doel – de Duinkerker kapers uitschakelen – was ook niet bereikt). Het zal blijven bij hapsnap wat kennis van losse gebeurtenissen en personen die in het geheugen zijn blijven hangen. U kent ze wel: Heiligerlee, Den Briel, Alva, Willem van Oranje (‘werd die niet in Delft vermoord en begraven?’), Johan van Oldenbarnevelt en Prins Maurits. Zonder dat het uitmondt in een lopend verhaal over oorsprong, verloop en einde van de oorlog. De kennis van onze vaderlandse geschiedenis komt er bekaaid van af, zowel van de zaken waarop we trots kunnen zijn als van de vele donkere pagina’s. (meer…)

DE GESCHIEDENIS VAN SINTERKLAAS (3)

Vorige week in het eerste deel van de geschiedenis van Sinterklaas heb ik enkele hardnekkige verhalen van halsstarrige Sint-en-Piet-aanhangers besproken en een beetje mijn ergernis laten zien over de onwil zich eens te verdiepen in de échte geschiedenis van de goedheiligman in plaats vast te blijven houden aan de geromantiseerde versie van Jan Schenkman, die ik hier vorig jaar al eens heb besproken, of zelfs eigen gefantaseerde versies te belijden. In het tweede deel van de geschiedenis van Sinterklaas dus de echte geschiedenis verteld, althans het eerste deel ervan, want het verhaal werd iets te omvangrijk voor één blog. In dat tweede deel voornamelijk het internationale verhaal, in het derde en afsluitende deel gaan we verder in op de Nederlandse situatie, zonder de inbreng van Schenkman opnieuw te vertellen. Dat is ten slotte al eens gedaan.

Al in de middeleeuwen werd op Duitse en Noord-Franse kloosterscholen het Sint-Nicolaasfeest gevierd. Tijdens een mirakelspel verscheen de heilige voor de kinderen; hij beloonde de ijverige leerlingen en vermaande de luie. De Sint-Nicolaasviering liep samen met het kinderbisschopsspel (ca. 1300 – ca. 1600). Op 6 december werd in die tijd een kinderbisschop met aanhang gekozen. Zij werden tot 28 december (Onnozele Kinderen) van voedsel en geschenken voorzien. Andere kinderen kregen geld en een vrije dag om op 6 december feest te kunnen vieren. De waarschijnlijk oudste vermelding daarover komt uit Dordrecht, in 1360. Aanvankelijk werd de kinderbisschop pas op de vooravond van 28 december gekozen, maar vanwege ongewenste vermenging met het Narrenfeest werd dit verlegd naar 6 december. Kinderen gingen in die tijd verkleed in een optocht door de straten en kregen bisschopsgeld van voorbijgangers (soortgelijke tradities komen nog voor in andere landen, zoals het Chlausjagen). In de Utrechtse Nicolaaskerk werd vanaf 1427 geld in kinderschoenen gedaan. In de late middeleeuwen ontstonden ook de Sint-Nicolaasmarkten. (meer…)

DE GESCHIEDENIS VAN SINTERKLAAS (2)

Gisteren in het eerste deel van de geschiedenis van Sinterklaas heb ik enkele hardnekkige verhalen van halsstarrige Sint-en-Piet-aanhangers besproken en een beetje mijn ergernis laten zien over de onwil zich eens te verdiepen in de échte geschiedenis van de goedheiligman in plaats vast te blijven houden aan de geromantiseerde versie van Jan Schenkman, die ik hier vorig jaar al eens heb besproken, of zelfs eigen gefantaseerde versies te belijden.

Nicolaas van Myra (bijgenaamd ‘Nicolaas de Wonderdoener’), die ook wel Nicolaas van Bari of Nicolaas van Patara werd genoemd, werd waarschijnlijk geboren omstreeks 280 te Patara in Lycië, een gebied langs de zuidkust van het huidige Turkije. De regio maakte toen onderdeel uit van het Romeinse Rijk. Het lag grotendeels op het schiereiland Teke, tussen de Golf van Fethiye en de Golf van Antalya. In de Oudheid werd het gebied bewoond door een cultuurvolk, de Lyciërs, waarvan wordt aangenomen dat ze afstammen van Egyptische zeepiraten, de zogenaamde Lukka-volken. De exacte geboortedag en -plaats van Nicolaas van Myra is niet bekend.  De stad Patara bevond zich nabij het huidige Gelemis in de Turkse provincie Antalya. Het was een belangrijke handelsstad in de oudheid vanwege de natuurlijke haven. Patara had het maximale aantal van drie stemmen in de Lycische Liga. In 333 vChr. viel de stad in handen van Alexander de Grote en na diens plotselinge dood in 323 vChr. een speelbal in de Macedonische generaals (de diadochen) die om de erfenis van zijn omvangrijke rijd streden. Volgens het Nieuwe Testament deden Paulus en Lucas de stad aan, die als een van de eerste steden christelijk zou worden. Tot omstreeks het jaar 800 bleef de stad een belangrijk christelijk centrum. Na oorlogen tussen de Selsjoeken en de Byzantijnen in de 11e eeuw werd Patara verlaten. Er resteert slechts een kleine archeologische site van de oude handelsstad, met een stadspoort, amfitheater, een kleine theater en de hoofdstraat. De Volkskrant vermelde hierover n een reisverslag: Je verwacht het gewoon niet, als je uit het dennenbos komt fietsen richting een verlaten Turks strand. Daar, tussen hoge zandduinen en een moeras met hoge rietkragen, blinkt een vierkant gebouw van wit marmer in de zon. Je zet je mountainbike tegen een tweeduizend jaar oude pilaar en gluurt naar binnen. Op die rijen bankjes van gepolijst marmer debatteerden de eerste democraten. De grote vergaderzaal van de Lycische Liga, vermeldt een informatiebord, is het oudste parlementsgebouw ter wereld. En het nieuwste, want de Turkse regering liet de ruïne afgelopen jaren uitgraven en weer opbouwen. Nippend aan je waterbidon verken je ook het grote amfitheater, de badhuizen, de stadspoort en de hoofdstraat met zuilenrij. Hier winkelden Lyciërs, Egyptenaren, Grieken en Romeinen, hier stapten de apostelen Paulus en Lucas over op hun weg naar Rome, hier werd Sint Nicolaas geboren.’
(meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 017

.
Frans van den Muijsenberg / 3 augustus 2007 / Rijnoever te Keulen

LEENDERT LAFEBER

Leendert Lafeber (Schoonhoven, 21 oktober 1894 – Hoogeveen, 9 mei 1967) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was eewas huisschilder en woonde met zijn vrouw Immigje Kiers (Hoogeveen, 29 oktober 1892 – Hengelo, 27 september 1982) in een klein huis aan de Schutstraat 155 te Hoogeveen. Vanaf het uitbreken van de oorlog was het echtpaar actief in het verzet. Tijdens de mobilisatie was Lafeber actief voor de Luchtbescherming en in de oorlog hielp hij vluchtelingen onderdak te komen. Student Wim Dekker uit Warmond was drie jaar lang onderduiker in hun huis. Lafeber verschool de radio van de gemeenteontvanger en daar luisterden hij, Wim Dekker en huisarts Piet Kooiman naar de BBC. Piet Kooiman (Het Bildt, 27 november 1891 – Hoogeveen, 23 februari 1959) zat ook in het verzet. Hij had aan de Universiteit van Amsterdam medicijnen gestudeerd en vestigde zich in 1917 als huisarts te Hoogeveen. In 1931 richtte Kooiman met een aantal anderen de Vrijzinnig Democraten op, die met één zetel in de gemeenteraad vertegenwoordigd was. In 1935 ging de partij samen met de Liberale Staatspartij onder de naam Onafhankelijke Democratische Kieskring en werden twee zetels in de Hoogeveense gemeenteraad behaald die ingenomen werden door Kooiman en Salomo Polak. In 1939 werd er nog een zetel bijgewonnen en kwam J. Koning uit Noordscheschut er bij. Vanaf het begin van de Duitse bezetting was Kooiman betrokken bij het verzet. Hij kwam in contact met Leendert Lafeber toen hij bij hem thuis illegaal naar de BBC kon luisteren. (meer…)

DE GESCHIEDENIS VAN SINTERKLAAS (1)

De al bijna traditionele zwartepietendiscussie is weer losgebarsten. Niet verwonderlijk want 6 december nadert met rasse schreden, maar bovendien werd vorige week uitspraak gedaan in de rechtszaak tegen de zogenaamde ‘Blokkeerfriezen’. Die werden terecht veroordeeld vanwege het in gevaar brengen van automobilisten met hun blokkade van de snelweg en het verstoren van het recht op demonstratie van het anti-zwartepietenfront. De strijd tussen beide bewegingen lijkt zich flink te verharden, waarbij dagblad de Telegraaf volledig partij heeft gekozen voor Jenny Douwes en andere twijfelachtige types. Blog Frontaal Naakt heeft zich in onder meer deze twee blogs flink uitgelaten tegen de dubieuze ‘journalistieke’ werkwijze van Wierd Duk, en over het voorbeeldige gedrag van Jerry Afriyie en zijn medestanders.

Een aardige illustratie van de opvattingen van de medestanders van de ‘Blokkeerfriezen’ (ik vrees dat dit verzinsel van de al genoemde krant niet meer weg te denken zal zijn in allerlei discussies) kan mooi gedemonstreerd met een opriep die ik gisteren op Facebook trof. Dat iemand al begint met te verklaren “Even dit, ik ben geen racist’, is al een aankondiging dat een stortvloed aan vooroordelen gaat volgen. Elisa Rutten uit Alkmaar laat weten: ‘Even dit. Ik ben geen racist. Ik ben het wel zat. Ik zeg dit één keer en daarna zeg ik er niets meer over. Ik heb namelijk zo’n gruwelijke hekel aan mensen die alles in Nederland racistisch vinden. Het wordt van kwaad tot erger. De Marokkaanse gemeenschap voelt zich gediscrimineerd omdat het programma ‘Opsporing Verzocht’ teveel items toont waarin de daders van Marokkaanse afkomst zijn. De programmamakers zijn gevraagd om minder daders van die afkomst op televisie te laten zien. Moeten zij smurfen laten zien dan? De woorden ‘negerzoenen’ en ‘zigeunersaus’ mogen ook niet meer. De Jodenkoeken hebben zich inmiddels verstopt. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 15


Josephine Baker

JACOBA VAN TONGEREN

Jacoba van Tongeren (Tjimahi bij Bandoeng, 14 oktober 1903 – Bergen, Noord-Holland, 15 september 1967) was verzetsstrijdster, oprichtster en leidster van de verzetsgroep Groep 2000, regio Amsterdam, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Groep 200 hielp ongeveer 4.500 onderduikers. In 1990 werd van Tongeren door Yad Vashem gehonoreerd als Rechtvaardige onder de Volkeren. Ze was de dochter van Hermannus van Tongeren, een KNIL-officier die van discipline hield. Haar leven werd dan ook sterk beïnvloed door de opvoeding die zij in haar jonge jaren van haar vader kreeg. Haar vader was als genieofficier van het KNIL verantwoordelijk voor de bouw van spoorwegbruggen op Sumatra, toenmalig Nederlands-Indië. In haar kindertijd woonde zij samen met haar vader in een verplaatsbare ambtswoning voor legerofficieren in het oerwoud. Ze bezocht geen basisschool, maar kreeg onderwijs van haar vader: een ‘militaire’ opvoeding, die haar de normen en waarden van militairen bijbracht. In 1916 keerde Hermannus van Tongeren met zijn gezin in Nederland terug uit Nederlands-Indië. Jacoba bezocht van 1916 tot 1922 het Gereformeerd Gymnasium in Amsterdam en ging door een moeizame periode van sociale aanpassing, want zij was eerder noch een gezin, noch een school, noch de omgang met leeftijdsgenoten gewend. In de tijd ontstond een goede band met haar oudere broer, verzetsstrijder Herman van Tongeren. In haar biografie uit 2015, geschreven door haar neef Paul van Tongeren, werd melding gemaakt van een mislukte zelfmoordpoging van Jacoba op vijftienjarige leeftijd nadat ze ten onrechte de schuld kreeg van een gebroken karaf  en hiervoor door pa lief meedogenloos werd gestraft. Uit wraak deed ze een zelfmoordpoging om daarmee haar familie een levenslang schuldgevoel te geven. De auteur betoogde ook dat het lang verzwegen incident waarschijnlijk heeft bijgedragen aan haar ontwikkeling als compromisloze verzetsvrouw. Jacoba volgde vanaf 1923 een opleiding tot verpleegster in Rotterdam, maar kon die niet voltooien omdat zij in 1928 een streptokokkeninfectie kreeg. Zij kuurde zeven jaar in Groenekan en de tbc-lighallen van Amersfoort. Daar leerde zij haar levensgezellin Nel Wateler kennen. Terug in Amsterdam werkte zij als maatschappelijk werkster voor de Centrale van Werklozenzorg. (meer…)

ULRIKE MEINHOF

Ulrike Marie Meinhof (Oldenburg, 7 oktober 1934 – Stuttgart, 9 mei 1976) was een journaliste en een van de bekendste leden van de Rote Armee Fraktion (RAF). Haar vader Werner Meinhof was kunsthistoricus; hij stierf aan kanker in 1940. Haar moeder was historica. Nadat ook haar moeder het leven liet in 1948, kreeg Ulrike Renate Riemeck, een oude studievriendin van haar moeder, als voogd. In 1955 kon Ulrike dankzij een studiebeurs filosofie, pedagogiek, sociologie en germanistiek gaan studeren in Marburg. Het volgende academiejaar trok ze naar Münster, waar ze actief werd binnen de Sozialistische Deutsche Studentenbund (SDS) en er in 1957 woordvoerder werd voor de commissie anti-atoomdoden. Ze schrijft er ook over in het studententijdschrift. Van 1959 tot 1969 schreef ze voor het invloedrijke linkse blad Konkret en was er van 1962 tot 1964 hoofdredacteur. In de tussentijd is ze lid geworden van de verboden communistische partij, de KPD. In 1961 trouwde ze met Klaus Rainer Röhl, de uitgever van Konkret, met wie ze in 1962 een tweeling kreeg: Regine en Bettina. Eind 1967 gingen ze uit elkaar en uiteindelijk scheidden ze in 1968. Nog datzelfde jaar verhuisde ze met haar twee dochters naar West-Berlijn. Hier kwam ze in contact met de politieke activisten Andreas Baader en Gudrun Ensslin. Meinhof ontwikkelde snel sympathie voor de strijd van het tweetal en betuigt in haar artikelen steun. In deze periode radicaliseert ze. (meer…)

JASPER VAN OORT

Jasper van Oort (1920-2009), geboren in Ameide, vocht in de meidagen van 1940 bij het militaire vliegveld Ypenburg. Na de oorlog kreeg hij een Oorlogsherinneringskruis voor ‘bijzondere krijgsverrichtingen’. Jasper van Oort raakte zijn onderscheiding kwijt. Zijn familie ging er pas rond 2003 achteraan en wist te regelen dat het Oorlogsherinneringskruis opnieuw aan de inwoner van Tienhoven werd uitgereikt.

Het Oorlogsherinneringskruis werd bij Koninklijk Besluit no. 6 van 16 maart 1944 ingesteld en verving het oude Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven, die voor bijzondere campagnes werd toegekend. Het was een algemenere onderscheiding voor allen die in de oorlog tegen Duitsland, Japan en hun bondgenoten in de krijgsmacht of in de handelsvloot, vissersvloot of burgerluchtvaart hadden gediend. Het diende als beloning voor: (a) militairen, in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden; (b) Nederlanders of Nederlandse onderdanen (inwoners van Nederlands-Indië waren geen Nederlanders), die dienden aan boord van Nederlandse koopvaardij- of vissersschepen onder Nederlands dan wel geallieerd beheer en (c) Nederlanders of Nederlandse onderdanen, deel uitmakende van vliegtuigbemanningen der Nederlandse burgerluchtvaart onder Nederlands dan wel geallieerd beheer. Zij dienden in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en goed gedrag te hebben getoond en vanaf 10 mei 1940 tot het einde van de oorlog ten minste zes maanden in hun functie dienst te hebben gedaan. Zij die niet in aanmerking kwamen voor het Oorlogsherinneringskruis konden het Mobilisatie-Oorlogskruis aanvragen. In principe kon men niet beide onderscheidingen ontvangen. (meer…)

HITLERS BEUL. LEVEN EN DOOD VAN REINHARD HEYDRICH, 1904-1942

Reinhard Heydrich was als hoofd van de Gestapo en tweede man onder Heinrich Himmler in de SS, een van de gevaarlijkste mannen binnen het Derde Rijk. Zelfs mannen als Hermann Göring, Adolf Eichmann, Heinrich Himmler, Joseph Goebbels, Rudolf Hess en Albert Speer, elk op hun eigen terrein mensen om terdege rekening mee te houden en waarmee men zeker geen vijand moest worden, waren bang voor hem. Of liever gezegd voor de berg aan gevoelige informatie die Heydrich via zijn omvangrijke, geheime netwerk van spionnen en infiltranten over hun privélevers had verzameld. “Het Blonde Beest”, zoals een van zijn vele bijnamen luidde, paarde een scherpe intelligentie en politieke vaardigheden aan een totale gewetenloosheid. Hitler omschreef hem als “de man met het ijzeren hart” en een bekende Amerikaanse racist noemde hem “the Naziest Nazi of them all”. De man was cultureel goed ontwikkeld, een degelijk sportman, een begenadigd musicus en een toegewijd vader. Hij was echter tegelijkertijd de meedogenloze Reichsprotektor van Bohemen en Moravië en de voorzitter van de beruchte Wannseeconferentie, waar besloten werd tot de systematische uitroeiing van de Europese Joden. Op 27 mei 1942 werd hij door twee Tsjechische verzetsmensen vermoord toen hij in zijn open Mercedes door Praag reed. Als represaille werd maandenlang een klopjacht gehouden op het Tsjechische verzet, dat daarmee totaal vernietigd werd. Op bevel van Adolf Hitler werd het bij Praag gelegen dorp Lidice met de grond gelijk gemaakt; alle bewoners werden geliquideerd. Reinhard Heydrich werd met de grootst mogelijke eer te Praag begraven, overladen met postume lofuitingen van de kopstukken uit de nationaal-socialistische beweging. Laurent Binet schreef over de aanslag en de gevolgen in 2010 zijn veelbekroonde boek “HhhH – Himmlers hersenen heten Heydrich”. (meer…)

WOLFGANG LANGHOFF – DE VEENSOLDATEN (1935)

Wolfgang Langhoff (Berlijn, 6 oktober 1901-Oost-Berlijn, 25 augustus 1966) was een Duitse toneelspeler en regisseur. Hij was een van de vier zonen van een Berlijnse koopman, maar het gezin verhuisde al snel na zijn geboorte naar het Zuid-Duitse Freiburg, waar hij naar het gymnasium ging. Van 1915 tot 1917 was hij matroos op de zeevaart, hij ambieerde ook een officiersopleiding bij de handelsvloot maar vanwege de Eerste Wereldoorlog kon daar niks van komen. Na de oorlog kreeg hij een baantje als figurant bij het theater in Köningsberg, het huidige Kaliningrad in Rusland. Het duurde niet lang voordat hij de eerste rollen kreeg waarin hij ook enige tekst kreeg. Wat al opmerkelijk was omdat Langhoff geen enkele acteursopleiding had gevolgd. Hij had blijkbaar talent én het werd opgemerkt. In 1923 kwam hij terecht bij het Thalia Theater in Hamburg, een van de drie grote theaters in de havenstad, en later in Wiesbaden. In 1926 trouwde hij met de toneelspeelster Renate Edwina Malacrida, een Italiaanse jodin. Ze kregen twee zonen, die in 1938 en 1941 werden geboren toen het echtpaar als lang in het buitenland verbleef. Vanaf 1928 tot 1932 was hij als acteur verbonden aan het Schauspielhaus Düsseldorf en in de perode september 1932 tot 28 februari 1933 aan de Städtischen Bühnen in Düsseldorf.

Op 28 januari 1933 was Adolf Hitler aan de macht gekomen, op 27 februari 1933 brandde de Rijksdag af en nog dezelfde dag wist Hitler via de zogenaamde Rijksdagdecreten de absolute macht naar zich toe te trekken. Men wist met succes de Rijksdagbrand voor te stellen als een communistische opstand. Binnen enkele uren naar de brand zaten tientallen communisten achter slot en grendel. Op 28 februari 1933 werd al een presidentiële noodverordening op basis van artikel 48 van de Grondwet opgesteld met uitgebreide bevoegdheden om de openbare veiligheid te garanderen. De grootschalige arrestaties konden nu beginnen. (meer…)

WERNER BERGENGRUEN

Werner Bergengruen (Riga, 16 september 1892 — Baden-Baden, 4 september 1964) was een Duits katholiek schrijver van Baltisch-Duitse afkomst. Hij was de zoon van een Duitstalige arts in Lijfland, maar kwam als kind naar Duitsland en ging tot 1910 in Lübeck naar school. Aanvankelijk studeerde hij theologie in Marburg, maar schakelde op germanistiek over. Hij studeerde in München toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak; als luitenant vocht hij in de Baltische staten, en na de oorlog streed hij nog tegen het Rode Leger. Hij huwde in 1919 met Charlotte Hensel, een afstammeling van de componist Hanny Mendelssohn en de dochter van de mathematicus Kurt Hensel. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren: Olaf, Luise, Maria en Alexander. Bergengruen studeerde nog verder in Berlijn, maar voltooide zijn studie niet. Tezelfdertijd ging hij als journalist werken en vertaalde romans van Dostojevski, Tolstoj en Toergenjev. Zijn eerste roman, Das Gesetz des Atum, verscheen in 1922, toen hij hoofdredacteur van het tijdschrift Ost-Informationen was.In latere jaren stond hij afwijzend tegenover dit werk (‘met Recht vergriffen, verbrannt, vergessen’), maar het is de vraag of dat te maken had met het veranderde politieke klimaat of zijn gewijzigde opvattingen. Vanaf 1927 leefde hij van de pen.

Zijn krantencommentaren waren zeer scherp voor de nazi’s. Hij en zijn vriendenkring stonden erg afwijzend tegenover het oprukkende nationaalsocialistische gedachtegoed. Hij was weliswaar nationaal-konservatief tot in zijn haarvaten, maar bewoog zich steeds richting het christelijk-humanistische levensopvatting. Dat stond al behoorlijk haaks op de ideeën van Hitler cs. Ook vanwege familiare redenen was het begrijpelijk dat hij zich gereserveerd opstelde ten opzichte van Hitlers wereldvisie. Volgens de Neurenberger Wetten werd zijn vrouw vanwege haar joodse grootouders van moederszijde namelijk als een ‘Mischling’. (meer…)

JOHAN KERKMEIJER

Johan Christiaan Kerkmeijer (Middelburg, 9 september 1875 — Hoorn, 9 maart 1956) was een zoon van Jan Kerkmeijer, een bode bij de provincie Zeeland en Hermien van den Brink, die beiden oorspronkelijk uit Gelderland kwamen, maar in 1969 in Middelburg trouwde. In die stad rondde Johan Kerkmeijer in 1892 de HBS af, om meteen aan een opleiding tot tekenleraar te beginnen aan de Rijks-Normaalschool voor Teekenonderwijzers. Deze opleiding was gevestigd in het pand van het Rijksmuseum in Amsterdam. Hier kreeg hij onder andere lessen van Marinus Vlamings, Joseph Cuypers en Jan Derk Huibers. Mogelijk heeft ook Pierre Cuypers nog les aan Kerkmeijer gegeven, maar dit is niet zeker. In 1895 slaagde hij voor de opleiding. In de winter van 1896-97 gaf hij lessen aan de Avond-Teekenschool in Amstelveen. In oktober 1897 ging hij naar Hoorn, waar hij aan de HBS, de Burgeravondschool en de Stadsteekenschool les ging geven. Als stadstekenmeester gaf hij les aan de Stadsteekenschool in een lokaal in de Waag. De Burgeravondschool huisde in een voormalig kantoorpand van de Vereenigde Oostindische Compagnie aan de Muntstraat. Twee jaar later kreeg hij daar een vaste aanstelling. In de tussentijd werden de Burgeravondschool en de Stadsteekenschool samengevoegd tot de nieuwe Burgeravondschool. Normaal gesproken zou de tekenaar aan de Hogere Burgerschool ook de directeur worden van de Burgeravondschool, maar omdat Kerkmeijer slechts 24 jaar oud was vond men hem te jong. In plaats van Kerkmeijer werd de stadsarchitect Johannes van Reijendam aangewezen als directeur. Tussen 1911 en 1915 was hij, als amateurschilder en -tekenaar, correspondentie-leerling bij Carel Drake. Kerkmeijer stuurde werken naar Drake op en kreeg die dan later met commentaar terug. Op voordracht van Jan Toorop exposeerde hij in 1916 enkele werken op de jaarlijkse zomertentoonstelling van de kunstenaarskolonie te Domburg. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 14

JOSEPH JASTROW – de Jastrow-illusie (1899)

Joseph Jastrow (30 januari 1863 – 8 januari 1944) was een Amerikaanse psycholoog. Jastrow werd in Warschau geboren, maar vertrok al op driejarige leeftijd met zijn ouders naar de verenigde Staten. Die vestigde zich in Philadelphia. Na zijn middelbare school studeerde hij aan de Universiteit van Pennsylvanië. Jastrow doceerde in 1883 en 1884 aan de Johns Hopkins Universiteit, ontving in 1886 zijn doctorstitel in de psychologie en werd in 1888 benoemd als professor aan de grote Universiteit van Wisconsin-Madison. Hij leidde in 1893 de sectie psychologie tijdens de wereldexpositie in Chicago en publiceerde zijn artikelen in toonaangevende tijdschriften als Science en Psychological Review. Joseph Jastrow bestudeerde de evolutie van de taal en werd bekend vanwege zijn experimentele psychologie. Daarbij introduceerde hij het fenomeen van optische illusies, waarvan de beeltenis met een konijn en eend onder de naam ‘de Jastrow-illusie’ wereldberoemd werd. Na zijn pensionering in 1927 werkte hij nog vele jaren in zijn vakgebied en gaf veel voordrachten. Zo was hij tot 1933 verbonden aan de New School of Social Research.

Op 23 oktober 1892 was in München in het satirische weekblad Fliegende Blätter een eend-konijn-tekening van een onbekende kunstenaar verschenen. Gewoon bedoeld als aardigheidje. Een maand later nam het Amerikaanse blad Harper’s Weekly, die de aardigheid van de tekening wel inzag, het ook in haar uitgave op. Pas zeven jaar later gebruikte Jastrow het als voorbeeld hoe kan worden getest hoe mensen hun omgeving waarnemen. De uitleg die Jastrow aan de eend-konijnillusie gaf was veel dubbelzinniger dan het origineel. Hoe werkt die eend-konijnillusie nu eigenlijk? In een gecontroleerde situatie lijkt het oog te worden geleid door de lijnen die het beeld vormen, en niet zozeer door de afbeelding zelf. Het zijn deze lijnen die we proberen te interpreteren, het beeld is slechts ‘het lokkertje’. De lijnen worden vervolgens beurtelings als eend en als konijn gezien. (meer…)

VLIEGVELD VALKENBURG

Op 17 april 1939 werd in de voormalige gemeente Valkenburg (sinds 2006 onderdeel van de gemeente Katwijk) door de Nederlandsche Heidemaatschappij begonnen met de aanleg van het militaire vliegveld Valkenburg. Voor het werkverschaffingsproject waren uit de wijde omgeving van het dorp ruim duizend werkloze arbeiders aangetrokken. Ten tijde van de Duitse aanval in mei 1940 was het project nog niet afgerond, er werd nog steeds flink bemalen om de grond geschikt te maken voor luchtvaartverkeer. Blijkbaar was dat niet bekend bij de Duitse plannenmakers, want op 10 mei werd Valkenburg eerst bezet door Duitse parachutisten, waarna zestig transportvliegtuigen op de basis kwamen aangevlogen. De eerste JU-52 boorde zich direct vast in de zachte bodem en kwam aan het begin van de landingsbaan tot stilstand. Het tweede vliegtuig boorde zich in volle vaart in de stilstaande Juncker. Dit herhaalde zich een paar keer, totdat men besefte dat men diende uit te wijken naar andere locaties. De rest van de toestellen maakten daarop een noodlanding op het strand tussen Scheveningen en Katwijk. Deze uitwijkmanoeuvre had voor de Duitse aanvalsplannen verstrekkende gevolgen, omdat het bereiken van het uiteindelijke doel van de aanval (snel doorstoten naar Den Haag en daar de regering en het koningshuis gevangen te nemen) daarmee op voorhand al een stuk lastiger werd. Tegen de avond wisten de Nederlandse strijdkrachten de luchthaven te heroveren. Bij deze strijd vielen veel doden. Een aantal militairen werden later onderscheiden met de Willemsorde, waaronder majoor Jan Mallinckrodt.
(meer…)

GINA KAUS – DIE SCHWESTERN KLEH (1933)

Gina Kaus (Wenen, 21 oktober 1893 – Los Angeles, 23 december 1985) was een Oostenrijkse schrijfster, vertaalster en auteurs van draaiboeken voor films. Haar oorspronkelijke naam was Regina Wiener; ze was de dochter van geldhandelaar Max Wiener. Haar halfzuster was Stephanie Richter (1891-1972), die later een twijfelachtige reputatie kreeg als een van de topspionnen van het Derde Rijk. Deze Stefanie werd geboren als de dochter van Johann Sebastian Richter, die als openbare aanklager verbonden was aan de Weense rechtbank. Max Wiener bleek echter de biologische vader te zijn. Door haar huwelijk kreeg ze de fraaie naam Stéphanie Maria Veronika Juliana Prinzessin zu Hohenlohe-Waldenburg-Schillingsfürst en de Hongaarse nationaliteit. Ondanks haar half-Joodse afstemming werd ze een van Hitlers favoriete vrouwen. Regina bezocht in Wenen een ‘Höhere Töchterschule’. Nog voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog trouwde Regina in 1913 met de muzikant Josef Zirner. Die sneuvelde in 1915; Regina bleef wonen bij haar schoonouders, die een juwelierszaak hadden. Daar leerde ze een bekende van de Zirners kennen, Joseph Kranz. Kranz was bankdirecteur en betrokkenen bij allerlei zakelijke deals en daardoor een van de centrale figuren in de Joodse gemeenschap in Wenen. Ze werd zijn geliefde en liet zich op een gegeven moment vanwege de financiële zekerheden die daaraan waren verbonden door hem adopteren. Vanaf dat moment droeg ze de achternaam Zirner-Kranz. (meer…)

OVERSTROMINGEN OP HET GELDERS EILAND

Het Gelders Eiland is de bijnaam van het gebied van de voormalige gemeente Rijnwaarden. Na een gemeentelijke herindeling is Rijnwaarden door de gemeente Zevenaar ingelijfd. De gemeentegrenzen van Rijnwaarden werden begrensd door de Rijn, de Oude Rijn (een rivierarm waar vroeger de hoofdstroom van de Rijn liep) en het Pannerdensch Kanaal. Die gemeente Rijnwaarden was pas in 1985 gevormd uit de toenmalige gemeente Herwen en Aerdt en de gemeente Pannerden, een samenvoeging die ook al niet met erg veel enthousiasme werd begroet. De gemeente omvatte daarmee in alfabetische volgorde de volgende zeven kernen: Aerdt, Herwen, Lobith, Pannerden, Spijk, Tolkamer en Tuindorp. In april 2017 woonde er 10.849 inwoners op het Gelders Eiland, dat een oppervlakte had van 44,86 km², waarvan 8 km² water.

De naam heeft het gebied te danken aan het feit dat het gebied eeuwenlang omgeven was door water en soms door overstromingen een tijdje van de buitenwereld was afgesloten. Op het Gelders Eiland zijn vanaf de aanleg van de eerste dijken in de 13e eeuw tot in de jaren 70 van de vorige eeuw tientallen grote dijkdoorbraken en overstromingen geweest. In De Waterplaag van J. W. van Petersen wordt een indrukwekkend overzicht gegeven van alle doorbraken die de bewoners van het Gelders Eiland in de loop der eeuwen te trotseren hadden. Het gebied was hierin overigens niet uniek. Een website over de Biesbosch en de Lekdijk geven een overzicht wat hier aan natuurrampen te verteren was. Er zullen geen gebieden in Nederland zijn waar niet dezelfde rampoverzichten te maken zijn. Eeuwenlang is het water een niet te beheersen onderdeel van het dagelijkse leven geweest.
(meer…)

JAN VAN STRAELEN

Jan van Straelen (Bussum, 26 augustus 1915 – Leusderheide bij Amersfoort, 29 juli 1943) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij maakte deel uit van de Groep-Dobbe en deed onder leiding van Gerard Reeskamp en Theo Dobbe, die in 1940 samenwerkten in de actiegroep Reeskamp, mee aan de wapenoverval op de vesting Naarden in 1940 en de aanslag aan de Bernard Zweerskade te Amsterdam 1941. Hij werkte samen met onder meer zijn broer Ton en zijn zus Ans, die enige maanden gearresteerd is geweest om de schuilplaats van haar broer Jan prijs te geven, wat zij niet heeft gedaan. Hij stal koffers van hoge Duitse officieren die vervolgens naar Engeland werden gesmokkeld. Een opmerkelijk wapenfeit is dat hij in een Duits marineuniform het hoofdkwartier van de Duitse Marine in Amsterdam binnenging en vervolgens weer naar buiten kwam met de blauwdrukken van een nieuwe U-boot. Van Straelen hield zich voornamelijk bezig met spionage.

Hij was een van de leidende figuren binnen de Ordedienst. De top van de OD kwam regelmatig bijeen in café Rademaker in Hilversum met als voorman Willem Rademaker. Tot voor kort was hier weinig over bekend, tot er recentelijk geheime briefjes tevoorschijn kwamen, die in 1943 uit de gevangenis in Utrecht waren gesmokkeld. Aldaar gaf de inmiddels gevangen gezette Van Straelen opdracht tot het liquideren van provocateur J. de Droog. Vanuit Utrecht werd hij vervolgens naar Kamp Amersfoort gestuurd. Daar werd hij met twintig andere verzetsstrijders tijdens het Tweede Ordedienstproces ter dood veroordeeld wegens ‘Feindbegünstigung’ en op de Leusderheide bij Amersfoort gefusilleerd. Deze groep bestond behalve Van Straelen uit de volgende verzetsstrijders: Anton Abbenbroek, Lex Althoff, Christiaan Frederik van den Berg, jhr. W.Th.C. van Doorn, F. Dudok van Heel, R. Hartogs, W.H. Hertly, J.F.H. de Jonge Melly, E.A. Latuperisa, Adriën Moonen, W. Mulder, A.C.Th. van Rijn, Johan Schimmelpenninck, S. Vaz Dias, G.F.M. Vinkesteyn en A. Wijnberg. Van Straelen is in Amersfoort herbegraven met militaire eer, wat opmerkelijk is voor een burger. Postuum is hem het Verzetsherdenkingskruis toegekend. (meer…)

DIE MOORSOLDATEN

Het lied Die Moorsoldaten is een lied dat in de zomer 1933 door gevangenen van kamp Börgermoor, een van de vijftien Emslandkampen, is geschreven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ook daarna, stond het lied symbool voor het verzet tegen de overheerser. In Börgermoor, dicht bij de Nederlandse grens, werden onder meer politieke tegenstanders van het naziregime, Jehova’s getuigen en homoseksuelen gevangengezet. Met eenvoudig gereedschap, zoals een spade, moest men in het veen (Duits: Moor) kanalen graven en ontginningswerkzaam-heden verrichten.

Eén van de gevangenen was de gevierde toneelspeler en regisseur Wolfgang Langhoff uit Düsseldorf. Hij was gearresteerd wegens z’n socialistische sympathieën. In het kamp zette hij met andere gevangenen een revue op, sarcastisch ‘Zirkus Konzentrazani’ genoemd, en schreef de tekst van het Moorsoldatenlied. Om de lange werkdagen wat te verlichten zong de gevangenen liederen die soms zelf gemaakt werden. Mijnwerker Hans Esser en acteur Wolfgang Langhoff waren verantwoordelijk voor de tekst van het lied over de dwangarbeid in het veen, terwijl Rudi Goguel de melodie schreef. Het lied sprak de gevangenen direct aan omdat het hun gezamenlijk lot beschreef en de hoop op een toekomst in vrijheid bezong. Op 28 augustus 1933 tijdens ‘Zirkus Konzentrazani’, een ontspanningsavond voor en door gevangenen, werd het lied voor het eerst gezongen. Twee dagen later werd het door de kampleiding verboden. Blijkbaar had men toen de moeite genomen eens goed naar de tekst te luisteren. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 016

Frans van den Muijsenberg / 28 november 2015 / Thuis

KAMP BÖRGERMOOR

Kamp Börgermoor was het eerste van de vijftien Emslandkampen, het lag ongeveer 10 kilometer ten zuidoosten van Papenburg. Kamp Börgermoor werd in 1933 gebouwd als gevangenkamp voor tegenstanders van het nationaalsocialisme. Als eerste gevangenen werden vakmensen geselecteerd, negentig gevangen handwerkslieden uit de gevangenis van Düsseldorf. Zij werden verplicht hun eigen kamp te bouwen. De gevangenen bouwden tevens het kamp Esterwegen en werden ingezet bij de ontginning van het veengebied. De gevangenen moesten langdurig zware arbeid verrichten. Zij kregen geen machines tot hun beschikking, hadden gebrekkige en onvolledige kleding, slechte voeding en werden regelmatig mishandeld. Soms werden ze aangevallen door opgehitste honden. Daarbij vielen doden. De “nacht van de lange latten” was een drama. Iemand had het rookverbod overtreden, waarop alle gevangenen van de barak van de overtreder midden in de nacht uit die barak werden gejaagd, buiten spitsroeden moesten lopen en daarbij werden geslagen met lange latten waarin spijkers zaten. De gevangenen werden slecht verzorgd en dag in dag in het veen te werk gesteld waar zij onmogelijk hard en zonder gebruikmaking van machines moesten zwoegen ter vervulling van een of ander utopisch tienjarenplan. Ze hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de opbouw van een infrastructuur in het in die tijd nog vrij ontoegankelijke Emsland. Tot meerdere eer en glorie van de plaatselijke autoriteiten werden er drainage, kanalen en wegen aangelegd. Wat door de nationaalsocialisten als een soort werkstraf tot nut van het algemeen werd afgeschilderd, betekende voor vele gevangenen niets anders dan “vernietiging door arbeid”. (meer…)

CATHARINA COOL

Catharina Cool (Wormerveer, 19 augustus 1874 – Leiden, 20 juni 1928) was een Nederlandse mycoloog; ze heeft veel betekend voor de ‘populaire paddenstoelenstudie in Nederland’ en propageerde ze in Nederland ook het eten van paddenstoelen. Ze was de dochter van een doopsgezinde predikant te Wormerveer; ze droeg dezelfde namen als haar in 1871 op eenjarige leeftijd overleden zusje, een andere zus zou in 1881 op tienjarige leeftijd overlijden. Na de lagere school ging ze naar de ‘Fransche School’, daarna volgde ze een opleiding tot apothekersassistente. Haar hele leven kampte Catharina met een slechte gezondheid. Na het emeritaat van jaar vader in 1899 verhuisde ze met haar ouders naar Nijmegen. Ze was ongelukkig en ging te rade bij een bevriend echtpaar, waarvan de man zenuwarts was. Die raadde haar aan ‘de natuurstudie ter hand te nemen’. In de tijd van de opkomende belangstelling voor natuurstudie (vooral geïnspireerd door Eli Heimans en Jac. P. Thijsse) was dat niet ongebruikelijk. De periode wordt wel het ‘biologisch réveil’ genoemd. (meer…)

COEN ROOD

In “Onze Dagen” beschrijft Coen Rood zijn omzwervingen door de macabere wereld van de Duitse kampen. In de periode 25 april 1942 tot 2 mei 1945 voert zijn reis hem achtereenvolgens naar het werkkamp Conrad in Rouveen, het doorgangskamp Westerbork, het doorgangskamp Annaberg en het dwangarbeiderskamp Gleiwitz in Opper-Silezië, via de beruchte dodenmars naar het Duitse concentratiekamp Oranienburg, van daaruit naar het concentratiekamp Flossenbürg en ten slotte achtereenvolgens langs de Zuid-Duitse concentratiekampen Leonberg, Kaufering, Landsberg en Ampfing. In laatstgenoemde kamp wordt hij eindelijk door de Amerikanen bevrijd en mag hij in het nabijgelegen Müldorf weer wat aansterken. Begin juni wordt hij gerepatrieerd naar Nederland. Op 9 juni 1945 staat hij weer op de plek waar hij in april 1942 vertrok: het Centraal Station in Amsterdam.

Coen(raad) Rood werd op 12 augustus 1917 in Amsterdam geboren als zoon van een bloemen- en plantenhandelaar. Behalve Coen waren er nog drie jongens en twee meisjes in het niet-orthodoxe Joodse gezin. Na de lagere school volgde hij een opleiding tot banketbakker, op zijn veertiende ging hij aan de slag in een bakkerij. Een paar jaar later maakte hij een opmerkelijke keuze: hij werd verpleger in verzorgingstehuis De Joodsche Invalide. Daar leerde hij in 1938 de ziekenverzorgster Bep Kooperberg kennen, met wie hij in september 1940 trouwde. (meer…)

DE EMSLANDKAMPEN

De Emslandkampen waren een groep van kampen in het Duitse Emsland en het graafschap Bentheim, gelegen in Noordwest-Duitsland in de buurt van de Nederlandse grens; aan de Nederlandse kant van de grens grofweg van Winschoten tot Coevorden. In totaal vielen onder de Emslandlager vijftien kampen, die vanuit Papenburg werden geleid. De naziregering en regionale overheden in het Emsland hadden een overeenkomst waarin werd bepaald dat de gevangenen als dwangarbeiders konden worden gebruikt om het uitgestrekte veengebied in het Emsland te ontginnen. De ontgonnen gebieden zouden bijdragen aan een grotere economische zelfstandigheid van Duitsland. De kampen hadden wisselende functies. Ze werden door de nazi’s gebruikt als: concentratiekampen (1933-1936), strafgevangenenkampen (1934-1945), militaire strafgevangenenkampen (1939-1945), krijgsgevangenenkampen (1939-1945) en buitenkampen van het concentratiekamp Neuengamme (1944/45). De veranderende functies van de kampen is verweven met de ontwikkelingsgeschiedenis van het nationaalsocialisme. De Emslandkampen hadden buitenkampen in Noord-Duitsland, Noorwegen en in het westen van Frankrijk. (meer…)

DUITSE KAMPEN IN NEDERLAND EN BELGIË

De omvang van de Holocaust blijft van een adembenemende omvang. Al jarenlang schrijf ik recensies over boeken die te maken hebben met de systematische vervolging en genocide van de Joodse bevolking van de Europese landen, in de vernietigingskampen en door massa-executies door de Duitse Einsatzgruppen. Die Einsatzgruppen waren paramilitaire doodseskaders, die direct achter de eerste Duitse troepen aan het oostfront actief waren. Deze eenheden, die bestonden uit leden van de Sicherheitspolizei (Sipo), Sicherheitsdienst (SD), Ordnungspolizei (Orpo) en Waffen-SS, volgden de Wehrmacht in het spoor van haar opmars en hadden als missie om alle weerstand achter de Duitse frontlinie uit te schakelen. Ze doodden in hun ogen ‘ongewenste elementen’ zoals Joden, communisten, zigeuners, homoseksuelen, intellectuelen, gehandicapten en partizanen. De slachtoffers waren voornamelijk burgers die zonder enige vorm van proces werden vermoord. Het aantal Joodse slachtoffers wordt door wetenschappers geschat tussen de 5,1 en 6,0 miljoen; in de media wordt steevast dat laatste, hoogste aantal genoemd. Een aantal dat zo vaak wordt genoemd dat we haast vergeten dat er ook nog 44-45 miljoen andere slachtoffers vielen, waaronder een paar miljoen Roma, homoseksuelen,gehandicapten en politieke gevangenen. De meeste historici komen uit op een totaal van 50 miljoen doden als gevolg van het oorlogsgeweld in de jaren 1939-1945. Er zijn echter ook schattingen waarbij het aantal oploopt tot 85 miljoen.
(meer…)

COR WITSCHGE

Cor Witschge (Amsterdam, 5 augustus 1925 – Terschelling, 13 maart 1991) was een Nederlands acteur. Hij speelde van 1958 tot 1980 de rol van Pipo de Clown in de oorspronkelijke televisieserie. Witschge groeide op in de Amsterdamse wijk de Jordaan. Na de lagere school bezocht hij enkele jaren de ambachtsschool, maar hij wilde liever de artistieke kant op. Op zijn zestiende deed hij auditie bij het gezelschap het Nederlandsch Jeugdtooneel dat onder leiding stond van Rob Geraerds en Rie Beyer. Zijn eerste rol was die van lakei in de toneelbewerking van het sprookje Assepoester. Witschge kreeg te horen dat hij wel zijn Jordanese accent moest wegwerken, hetgeen hem met enige moeite lukte. Vervolgens werkte hij bij diverse toneelgezelschappen en maakte twee Indische tournees. In 1958 werd Witschge freelancer en werkte enkele jaren voornamelijk voor de televisie. Hij had in 1953 al voor tv opgetreden in House of het brave en dat was hem goed bevallen. Vanaf 1958 kreeg nationale bekendheid met de titelrol in de televisieserie Pipo de Clown van Wim Meuldijk, die vanaf 17 september 1958 werd uitgezonden door de VARA. Overigens viel de overlast van die bekendheid wel mee, want het gezicht van Witschge was verborgen onder de schmink van de clown Pipo. Wel herkenden mensen hem aan zijn kenmerkende stemgeluid. In 1964 verdween Pipo van de buis en ging Witschge spelen bij het gezelschap de Nederlandse Comedie. Na drie jaar keerde hij weer terug naar de rol van Pipo, die hij met tussenpozen zou vertolken tot 1980. In totaal speelde Witschge Pipo in twaalf televisieseries en in honderden korte filmpjes van vijf minuten. Ook speelde hij de rol van de clown in diverse theatervoorstellingen voor de jeugd. (meer…)

VLIEGVELD YPENBURG

Vliegveld Ypenburg was van 1936 tot 1991 een Nederlands vliegveld op het grondgebied van de gemeenten Rijswijk, Nootdorp, Leidschendam en Den Haag. Al in 1926 had de Haagse burgemeester, mr. J.A.N. Patijn, het plan gelanceerd om in de buurt van Den Haag een vliegveld aan te leggen dat Schiphol moet overtreffen. Dat is niet helemaal geworden wat hem voor ogen stond. Al enkele jaren later bleek dat door de tegenvallende economische groei het plan vooralsnog niet haalbaar zou zijn. Begin jaren dertig werd het initiatief weer opgepakt, doordat de sportvliegerij dan populair was geworden en men hier mogelijkheden ziet in de gewenste groei te voorzien. Het weiland bij de voormalige hoeve Ypenburg werd op dat moment al veelvuldig gebruikt door zweefvliegers. Het initiatief om hier een vliegveld aan te leggen is gericht op de ontwikkeling van de sportluchtvaart, maar men realiseert zich al vanaf het begin, dat dit terrein de gunstige ligging bij het regeringscentrum ook van belang kan worden voor de commerciële luchtvaart. Op 22 februari 1936 stak de Rijswijkse burgemeester mr. J.A.G.M. van Hellenberg Hubar de eerste spade in de grond voor de aanleg van het vliegveld, dat als werkverschaffingsproject werd aangelegd door een samenwerkingsverband tussen de Haagsche Aeroclub, de bank Fa. Heldering en Pierson, de Rotterdamsche Aeroclub en particulieren. Al een half jaar later, op 29 augustus 1936, verrichte Minister van Waterstaat, jhr. O.C.A. van Lith de Jeude, de officiële opening van het eerste sportvliegveld van Nederland, maar hij benadrukte ook dat het eventueel als uitwijkhaven of noodlandingsterrein, zelfs voor militaire doeleinden gebruikt zou kunnen worden. Het vliegveld werd ook gebruikt door de Nationale Luchtvaart School (NLS). (meer…)

BERTOLD BRECHT – DIE DREIGROSCHENOPER (1934)

Bertold Brecht (Augsburg, 10 februari 1898 – Berlijn, 14 augustus 1956) was een Duits dichter, auteur, toneelschrijver, toneelregisseur en literatuurcriticus. Zijn werk was sterk politiek geëngageerd. Brecht wordt gezien als de grondlegger van het episch theater. Hij werkte veel samen met de componisten Hanns Eisler en Kurt Weill. In 1933 vluchtte Brecht uit Duitsland en kwam na omzwervingen in de Verenigde Staten terecht. Hier zou hij later vervolgd worden wegens on-Amerikaanse activiteiten, waarna hij vertrok naar Oost-Berlijn. Met zijn stukken wil Brecht een spiegel voorhouden, hij wil de maatschappelijke structuur zichtbaar maken en laten zien dat die niet onveranderlijk is. Als we dat willen, kunnen we een betere, meer rechtvaardige wereld maken. Stukje bij beetje, door het creëren van inzicht, streeft Brecht een maatschappelijke omwenteling of vreedzame revolutie na. Zijn werk wordt in die tijd sterk beïnvloed door de ideeën van Marx en Hegel, waarbij hij zich had laten onderwijzen door Karl Korsch en Fritz Sternberg, twee onorthodoxe partij-ideologen waren. De revolutie die Brecht nastreefde was naar communistische snit.

In 1928 vindt de première van de Driestuiversopera plaats, een bewerking van een Engelse opera uit de 18e eeuw (The Beggar’s Opera). Brecht bewerkt de opera in samenwerking met Elisabeth Hauptmann, de muziek is van Kurt Weill. Met de Driestuiversopera behaalt Brecht een van zijn grootste successen – een succes dat ook daarna in Duitsland zelden meer is geëvenaard. De Driestuiversopera is een zeer maatschappijkritisch stuk waarin maatschappelijke verhoudingen aan de kaak worden gesteld. Brecht geeft af op de kloof tussen arm en rijk, de burgermansmoraal, corruptie en de vruchteloze pogingen van mensen om naar het goede te streven. Bekende zin uit de opera: ‘Eerst komt het vreten, dan komt de moraal’. (meer…)

GABRIELLE WEIDNER (24)

Gabrielle Weidner (Brussel, 17 augustus 1914 – Königsberg in der Neumark, 17 februari 1945) was een Nederlands verzetsstrijdster, actief in het Franse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze werd geboren in Brussel als dochter van Nederlandse ouders, maar groeide op in Zwitserland, dicht tegen de Franse grens bij Collonges-sous-Salève – een plaats in het Franse departement Haute-Savoie, waar haar vader Johan Hendrik Weidner sr. Latijn en Grieks doceerde aan het Kerkgenootschap der Zevendedagsadventisten. Als gevolg van haar multiculturele achtergrond en haar middelbare school in Londen sprak ze verschillende talen. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonde ze in Parijs, waar ze als vroom meisje werk deed voor de Kerkgenootschap der Zevendedagsadventisten. Met de daarop volgende bezetting van Frankrijk door Duitsland vluchtte ze met haar broer Jean Weidner en anderen naar Lyon in het onbezette deel van Frankrijk. Toen in 22 juni 1940 de Duitse bezetter de Vichy-regering installeerde, keerde ze terug naar Parijs. Jean Weidner bleef in Lyon en richtte er het ondergronds netwerk Dutch-Paris op. In Parijs hervatte ze haar werk voor het kerkgenootschap, van waaruit ze in het geheim met hulp van andere vrijwilligers ontsnappingen voor Dutch-Paris hielp te coördineren. Bekend als Dutch-Paris zou deze ondergrondse organisatie uitgroeien tot een van de belangrijkste verzetsnetwerken met ontsnappingsroutes via Brussel en Parijs naar Spanje en Zwitserland. Vanuit Parijs was Gabrielle Weidner bij dit verzetswerk betrokken, al is nooit vastgesteld welke rol ze precies gespeeld heeft. Ze zou koerierswerk tussen het bezette en onbezette deel van Frankrijk verricht hebben, pakketjes hebben geregeld voor Joden in kampen en in Parijs onderdak hebben verleend aan vluchtelingen op doorreis. Verder zou zij tussenpersoon zijn geweest van agenten op de route voor het doorgeven van boodschappen en informatie op microfilms. Als belangrijk lid van de résistance is ze mede-verantwoordelijk geweest voor de redding van meer dan 1.080 mensen, waaronder 800 Nederlandse Joden en meer dan 112 neergehaalde geallieerde piloten. (meer…)

JOHANNES RIJPSTRA

Johannes Rijpstra (Wonseradeel, 29 juli 1889 – Hamburg-Hammerbrook, 9 december 1944) was een Nederlands politicus voor de ARP. In 1893 emigreerden zijn ouders, de veldwachter Hedzer Rijpstra en Kornelische Kingma, vanuit Friesland naar de Verenigde Staten. Samen met zijn ouders en drie stuks bagage reisde hij op de SS Werkendam vanuit Rotterdam via Boulogne (Frankrijk) naar New York, waar ze op 12 mei 1893 op Ellis Island arriveerden. Het gezin vestigde zich in Paterson, New Jersey, maar kon er blijkbaar niet aarden. Binnen een jaar keren ze echter weer terug naar Friesland. Vader Rijpstra werd gemeenteveldwachter wordt in Kollum. Johannes verhuisde op 18-jarige leeftijd van Ferwerderadeel, waar hij op dat moment werkzaam was als ambtenaar, naar Purmerend waar hij voor de gemeente gaat werken. In 1910 vertrekt hij naar de gemeente Enschede waar hij voor de afdeling financiën gaat werken. In september 1915 gaat hij naar de Achterhoek. Daar gaat hij als gemeentesecretaris werken in de plaats Zelhem. Op 2 februari 1921 wordt Rijpstra benoemd tot burgemeester van de Achterhoekse gemeente. Hij zou hier ruim 23 jaar burgemeester zijn, van februari 1921 tot zijn arrestatie in juni 1944. Daarmee is hij de langst zittende burgemeester die Zelhem ooit gehad heeft. Na enkele jaren wordt hij bovendien verkozen tot lid van de Provinciale Staten van Gelderland.

Toen op 10 mei 1940 Duitsland Nederland binnenviel, bleef Rijpstra aan als burgemeester. Hij zette zich zo veel mogelijk in voor zijn dorpsgenoten, en kreeg dus te maken met de dilemma’s van een burgemeester in oorlogstijd. Waarbij hij veel overlegde met onder andere collega-burgemeester Joost Boot van de gemeente Wisch. In oktober 1940 werd Rijpstra met andere ARP-prominenten gearresteerd en zat hij enkele dagen vast in Scheveningen. Hij werd als gijzelaar vastgezet voor de in Nederlands-Indië gearresteerde NSB’ers en Duitsers. Rijpstra zou hiervoor naar Buchenwald worden overgebracht, maar om onduidelijke redenen werd hij vrijgelaten. Ook hierna bleef hij aan als burgemeester. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 015

Frans van den Muijsenberg / 17 augustus 2009 / Fontein in Fontenai, Frankrijk

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 13

HOE HITLER AAN DE MACHT KWAM (2)

In het artikel van gisteren staat een beetje argeloos in de tekst vermeld dat rijkspresident Von Hindenburg op 27 februari 1933, een dag na de Rijksdagbrand, op verzoek van Hitler het zogenaamde ‘Rijksdagbranddecreet’ ondertekende. Dat decreet was echter samen met de Machtigingswet uit maart 1933 de cruciale schakel tussen de verkiezingen van november 1932 waaruit Hitler als verreweg de grootste partij naar voren kwam en de vestiging van een dictatuur in Duitsland, die pas in mei 1945 eindigde. 

In de constitutie van de Weimar Republiek was de mogelijkheid voor de rijkspresident opgenomen om tijdelijke noodverordeningen uit te vaardigen (artikel 48). De achtereenvolgende rijkspresidenten Friedrich Ebert (tot 1925) en vervolgens Paul von Hindenburg hadden meerdere malen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. Voorbeelden zijn de verordening van 13 januari 1920, uitgevaardigd naar aanleiding van het Bloedbad voor de Rijksdag op 13 januari 1920 en die van 19 maart 1920 naar aanleiding van de Kapp-putsch. Het Bloedbad voor de Rijksdag speelde zich voor het Rijksdaggebouw in Berlijn tijdens een bijeenkomst van de Nationale Vergadering van Weimar over de Betriebsrätegesetz, de wet op de ondernemingsraden. Hoewel het aantal slachtoffers omstreden is, is het zeker de meest bloedige demonstratie uit de Duitse geschiedenis. Als historische gebeurtenis werd ze overschaduwd door de Kapp-putsch, die twee maanden later plaatsvond; bij de arbeidersbeweging en de Berlijnse veiligheidstroepen is zij echter in het collectieve geheugen voort blijven leven. De Kapp-Putsch, of preciezer aangeduid de Kapp-Lüttwitz-Putsch, was een poging tot staatsgreep in Duitsland en had tot doel de Weimarrepubliek omver te werpen. De putsch was een direct gevolg van de bepalingen van het Verdrag van Versailles. De Kapp-putsch dreigde overigens precies het tegengestelde te bereiken van wat de plegers beoogden. In verschillende delen van Duitsland braken arbeidersopstanden uit, geregisseerd door linkse partijen die een revolutie wilden ontketenen. Dit was de zogenaamde Maartopstand, waarvan de Ruhropstand de bekendste is. (meer…)

HOE HITLER AAN DE MACHT KWAM (1)

In alle geschiedenisboeken waarin de opkomst van Adolf Hitler en zijn NSDAP wordt besproken, komt wel de constatering voor dat we niet mogen vergeten dat de nazi’s op een democratische manier zijn gekozen, gevolgd door de mededeling dat Hitler bij vrije verkiezingen nooit de meerderheid van de Duitsers achter zich wist te krijgen. Een constatering die op zich wel klopt, maar toch ook altijd een beetje de indruk wekt dat de verkiezingen keurig volgens de democratische principes zijn verlopen en ook dat de meerderheid van de Duitsers niet echt warm liep voor de persoon Adolf Hitler en het rechts-extremistische gedachtegoed dat hij verdedigde.

Eind jaren twintig kon de NSDAP uitgroeien tot een grote landelijke partij die op de Reichsparteitagsgelände in Neurenberg grote manifestaties organiseerde. De crisis van 1929, ontstaan door de Beurskrach, breidde zich uit naar Duitsland. Een golf van faillissementen deed de werkloosheid explosief stijgen. De rijksregering moest impopulaire maatregelen nemen met toepassing van artikel 48 van de Grondwet, waarna zij direct in nieuwe verkiezingen werd afgestraft. De kiezers stemden weer massaal op de extremistische partijen ter rechter- en ter linkerzijde van het politieke spectrum, terwijl het gematigde centrum werd weggevaagd. De NSDAP kwam met 107 zetels terug in het parlement. In augustus 1932 behaalden ze bij een van de vele verkiezingen dat jaar het grootste aantal zetels in het parlement (280), maar Hitler behaalde bij de presidentsverkiezingen geen meerderheid van stemmen. Maar ook de communisten behaalden een groot aantal zetels. Er zou in theorie een meerderheidskabinet gevormd kunnen worden door of de nazi’s of de communisten. Deelname aan de regering door een van beiden werd echter door rijkspresident Von Hindenburg verhinderd, die van beide kampen niets moest hebben. Bovendien wilde Hitler alleen deelnemen aan een kabinet als hijzelf hierin regeringsleider (rijkskanselier) werd. In november werden opnieuw verkiezingen gehouden, waarbij de nazi’s terugvielen van 280 naar 196 zetels. De overige partijen, conservatieven en socialisten, bleven echter sterk verdeeld. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 014

Frans van den Muijsenberg / 5 juli 2009 / Tussen Doesburg en Brummen

IWAN DEMJANJUK 8

Op 12 mei 2011 veroordeelde de rechtbank in München de inmiddels 91-jarige Iwan Demjanjuk tot vijf jaar celstraf voor medeplichtigheid aan moord op zeker 28.000 Joden. In vier afleveringen wordt een korte biografie gegeven van één van de laatste nazi-beulen die voor de rechter werd gebracht.
Bij het proces werden mede-aanklagers gehoord, waaronder Rob Fransman, Paul Hellmann en Marco de Groot, die over het proces of naar aanleiding daarvan hun levensverhaal opschreven.
Verder schreef de journalist Wim Boevink voor Trouw columns over het proces, die onder de titel “Dienstausweis 1393” werden gepubliceerd. In de afleveringen vijf t/m acht worden de recensies op die boeken gegeven.
.
.
Aflevering 8
.
Oorlogswees
Van november 2009 tot mei 2011 stond in München Ivan Demjanjuk terecht op beschuldiging van medeplichtigheid aan de moord op de Joden die in zijn diensttijd in Sobibor tussen 26 maart 1943 en 1 oktober 1943 om het leven waren gebracht. Het ging om ten minste 28.060 mannen, vrouwen en kinderen. Hieronder bevond zich een Pools transport en de vijftien treinen die tussen 30 maart 1943 en 20 juli 1943 vanuit Westerbork met Nederlandse en Duitse Joden aankwamen. In totaal kwamen ruim 27.000 Joden vanuit Westerbork met die vijftien treinen in Sobibor aan. Slechts vijf daarvan wisten het kamp te overleven, waaronder Selma Wijnberg, waarover het boek “Selma, de vrouw die Sobibor overleefde” verscheen, en Jules Schelvis die een standaardwerk over het vernietigingskamp Sobibor schreef. Op 12 mei 2011 werd Demjanjuk veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. (meer…)

HET VERHAAL VAN DOMINEE HAMBROEK 3

In essentie zijn er twee versies mogelijk om het verhaal van dominee Hambroek te kadreren. Het eerste is als onderdeel van onze vaderlandse geschiedenis, waarin de koloniale periode als een vanzelfsprekendheid aan bod komt, omringd met heldhaftige verhalen over onverschrokken helden die onbevreesd Spanjaarden, Portugezen en inheemse volkeren tegemoet kwamen. Die versie is in deel 1 (Wikipedia) en deel 2 (Historische Vereniging Oud-Schipluiden) al aan bod gekomen. In dit derde en afsluitende deel de beschrijving van Ewald Vanvught zoals die wordt gegeven in zijn boek ‘Roofstaat’, dat de terechte ondertitel heeft ‘Wat iedere Nederlander moet weten’. Het geeft een ontluisterend portret van de manier waarop Holland en Zeeland door de eeuwen heen opereerden in/op West- en Zuid-Afrika, Ambon, de Molukken, Suriname, Curaçao, Japan, Ceylon, Formosa, Cochin, Zuid-West India, Makassar, Bengalen en alle andere steden, streken en landen waar ze ooit aankwamen. Een compleet ander beeld dan dat van eerlijke handelaren, begeleid door priesters en dominees om het christelijk geloof te verspreiden en onder de deskundige leiding van rechtvaardige leiders. Vanvught besteedt twee hoofdstukken aan het vaderlandse verblijf op Formosa, het huidige Taiwan. Hij bespreekt het jaar 1652, toen een massaslachting op het eiland plaatsvond en het jaar 1662, toen de Chinezen in opstand kwamen, enkele priesters werden vermoord (en later in de nationale geschiedenis uitgroeiden toto koloniale martelaren) en Formosa voor de VOC verloren ging. Slechts tien jaar verbleef de VOC op het eiland. Tien catastrofale jaren voor het eiland.

(meer…)

HET VERHAAL VAN DOMINEE HAMBROEK 2

In essentie zijn er twee versies mogelijk om het verhaal van dominee Hambroek te kadreren. Het eerste is als onderdeel van onze vaderlandse geschiedenis, waarin de koloniale periode als een vanzelfsprekendheid aan bod komt, omringd met heldhaftige verhalen over onverschrokken helden die onbevreesd Spanjaarden, Portugezen en inheemse volkeren tegemoet kwamen. Het is een periode ‘waarin iets groots werd verricht’ en dankzij het continue ‘batig saldo’ de Nederlandse welstand en weelde groeide en groeide. In dat proces vielen uiteraard ook wel eens aan Hollandse zijde slachtoffers. Overigens, zelden lelieblanke slachtoffers, want aan bijna iedereen die in den vreemde vertoefde zat wel een krasje. Die krasjes worden de laatste jaren al wel vaker genoemd en bij de grote Hollandse ploerten wordt inmiddels steeds luider gevraagd of al die standbeelden en andere huldeblijken nog wel te handhaven zijn. Ook wordt de lange periode van kolonialisme minder en minder beschreven als een en al goedertierenheid en christelijke naastenliefde jegens de ‘edele wilden’, maar wordt ook het gewelddadig karakter van de veroveringstochten beschreven. Niet al te ruimhartig, zeker niet als we wat erg dichtbij in de tijd komen. Op het optreden tijdens wat zo fraai ‘de politionele acties’ wordt genoemd, rust nog steeds een groot taboe.

Gisteren ging het over de relatie Nederland-Formosa, waarin het verhaal van dominee Hambroek slechts een marginale rol speelde. In elk geval was duidelijk dat de Nederlanders er in dit politiek-correcte verhaal voorbeeldig vanaf kwamen. Brave en keurige handelaren, die zich staande moesten houden in een barbaarse omgeving met wrede en onbetrouwbare tegenstanders. Vandaag een pleidooi van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden om een gedenkteken te plaatsen voor hun oud-stadsgenoot. Ook hier een zelfde beeld als op Wikipedia, waarin Hambroek de allerdeugdelijkste van allen was. (meer…)

HET VERHAAL VAN DOMINEE HAMBROEK 1

In essentie zijn er twee versies mogelijk om het verhaal van dominee Hambroek te kadreren. Het eerste is als onderdeel van onze vaderlandse geschiedenis, waarin de koloniale periode als een vanzelfsprekendheid aan bod komt, omringd met heldhaftige verhalen over onverschrokken helden die onbevreesd Spanjaarden, Portugezen en inheemse volkeren tegemoet kwamen. Het is een periode ‘waarin iets groots werd verricht’ en dankzij het continue ‘batig saldo’ de Nederlandse welstand en weelde groeide en groeide. In dat proces vielen uiteraard ook wel eens aan Hollandse zijde slachtoffers. Overigens, zelden lelieblanke slachtoffers, want aan bijna iedereen die in den vreemde vertoefde zat wel een krasje. Die krasjes worden de laatste jaren al wel vaker genoemd en bij de grote Hollandse ploerten wordt inmiddels steeds luider gevraagd of al die standbeelden en andere huldeblijken nog wel te handhaven zijn. Ook wordt de lange periode van kolonialisme minder en minder beschreven als een en al goedertierenheid en christelijke naastenliefde jegens de ‘edele wilden’, maar wordt ook het gewelddadig karakter van de veroveringstochten beschreven. Niet al te ruimhartig, zeker niet als we wat erg dichtbij in de tijd komen. Op het optreden tijdens wat zo fraai ‘de politionele acties’ wordt genoemd, rust nog steeds een groot taboe.

Hieronder eerst het verhaal over dominee Hambroek zoals Wikipedia dat weergeeft, morgen een stukje heldenverering van de Historische Vereniging Schipluiden, die graag een blijvende herinnering aan hu oud-stadsgenoot wil plaatsen, en later de versie van Vanvught in Roofstaat (2016). (meer…)

IWAN DEMJANJUK 7

Op 12 mei 2011 veroordeelde de rechtbank in München de inmiddels 91-jarige Iwan Demjanjuk tot vijf jaar celstraf voor medeplichtigheid aan moord op zeker 28.000 Joden. In vier afleveringen wordt een korte biografie gegeven van één van de laatste nazi-beulen die voor de rechter werd gebracht.
Bij het proces werden mede-aanklagers gehoord, waaronder Rob Fransman, Paul Hellmann en Marco de Groot, die over het proces of naar aanleiding daarvan hun levensverhaal opschreven.
Verder schreef de journalist Wim Boevink voor Trouw columns over het proces, die onder de titel “Dienstausweis 1393” werden gepubliceerd. In de afleveringen vijf t/m acht worden de recensies op die boeken gegeven.
.
.
Aflevering 7
.
Klein Kwaad. Het proces Demjanjuk en de speurtocht naar het verraad van mijn vader
Op 28 november 2009, aan de vooravond van zijn vertrek naar München waar hij een van de mede-aanklagers was in het proces tegen Ivan Demjanjuk, kreeg Paul Hellmann een telefoontje dat zijn leven op de kop zette. Een lang vergeten buurjongen uit de periode voordat de toen zevenjarige Hellmann in 1942 moest onderduiken, belde hem op. Hij had van een krantenfoto bij een interview over het proces het jongetje herkend, dat met zijn blokken en autootjes aan het spelen is. Het ging om informatie over Pauls vader, Bernhard Hellmann, die onder de schuilnaam Wouter in Lunteren ondergedoken zat, daar op 17 maart 1943 door verraad werd opgepakt en onmiddellijk via Westerbork op transport werd gezet naar Sobibor, waar hij enkele dagen later al werd vermoord. Informatie die Paul Hellmann maar ten dele kende. Vanaf dat moment werd zijn tijd verdeeld tussen het bijwonen van zoveel mogelijk rechtszittingen in het proces tegen Demjanjuk en een speurtocht om nu eindelijk te achterhalen wat er met zijn vader was gebeurd in de eerste maanden van 1943. In “Klein Kwaad” doet Hellmann verslag van beide zaken. (meer…)

FELICIA LANGER

Sinds januari 2009 schrijft Martin Hijmans met een bewonderenswaardige regelmaat artikelen op zijn weblog Abu Pessoptimist over het Israëlisch-Palestijns conflict. In de loop der jaren is dat uitgegroeid tot een archief van 13.627 artikelen (stand van zaken op zondag 24 juni jl. ), die op basis van overgenomen berichten uit (voornamelijk) Israëlische en Palestijnse bladen, plus eigen waarnemingen een overzicht geven van de dagelijkse gang van zaken in de bezette gebieden. Over de naam van zijn weblog verklaart Hijmans: ‘This blogname was derived from the novel The Secret Life Of Saeed The Pessoptimist by the Palestinian Israeli Emile Habiby: absurdism as weapon against the (ir)realities of daily life in Palestine/Israel. (The subtitle is from a book by Dutch author Renate Rubinstein. It could as well be my motto). My real name is Martin (Maarten Jan) Hijmans. I’ve been covering the ME since 1977 and have been a correspondent in Cairo. I started my ‘Abu Pessoptimist’ blog in January 2009 out of anger during the onslaught in Gaza.’

Over zijn kritische blik op Israel schrijft hij: ‘Zelfmoordaanslagen zijn gruwelijk, maar de 1000-ton wegende bom waarmee Israel in 2002 Salah Shehadeh [een Hamasleider] en 14 andere mensen (onder wie negen kinderen) die in dezelfde flat lagen te slapen naar de andere wereld naar de andere wereld bombardeerde was dat ook. Om niet te spreken van de vele nooit bestrafte wandaden van de Israelische veldtochten in Libanon 2006 en Gaza 2008-2009.’ Hijmans is tegenwoordig freelance journalist en doceert bij ‘Een Ander Joods Geluid’. Deze Nederlandse Stichting wil het taboe doorbreken dat joden geen kritiek zouden mogen uiten op Israël of zoals zij het zelf beschrijven: ‘Kritiek op Israël wordt vertaald als: tegen Israël.’ Onder deze noemer maken Hijmans en vele anderen zoals Harry de Winter, Dieuwertje Blok en Hedy d’Ancona zich samen sterk voor een publiek debat over de problematiek rond Israël en de bezette gebieden. (meer…)

IWAN DEMJANJUK 6

Op 12 mei 2011 veroordeelde de rechtbank in München de inmiddels 91-jarige Iwan Demjanjuk tot vijf jaar celstraf voor medeplichtigheid aan moord op zeker 28.000 Joden. In vier afleveringen wordt een korte biografie gegeven van één van de laatste nazi-beulen die voor de rechter werd gebracht.
Bij het proces werden mede-aanklagers gehoord, waaronder Rob Fransman, Paul Hellmann en Marco de Groot, die over het proces of naar aanleiding daarvan hun levensverhaal opschreven.
Verder schreef de journalist Wim Boevink voor Trouw columns over het proces, die onder de titel “Dienstausweis 1393” werden gepubliceerd. In de afleveringen vijf t/m acht worden de recensies op die boeken gegeven.
.
.
Aflevering 6
.
Dienstausweis 1393. Demjanjuk en het laatste grote naziproces
Van november 2009 tot mei 2011 stond in München Ivan Damjanjuk terecht op beschuldiging van medeplichtigheid aan de moord op de Joden die in zijn diensttijd in Sobibor tussen 26 maart 1943 en 1 oktober 1943 om het leven waren gebracht. Het ging om tenminste 28.060 mannen, vrouwen en kinderen. Hieronder bevond zich een Pools transport en de vijftien treinen die tussen 30 maart 1943 en 20 juli 1943 vanuit Westerbork met Nederlandse en Duitse Joden aankwamen. In totaal kwamen ruim 27.000 Joden vanuit Westerbork met die vijftien treinen in Sobibor aan. Slechts vijf daarvan wisten het kamp te overleven, waaronder Selma Wijnberg waarover vorig jaar het boek “Selma, de vrouw die Sobibor overleefde” verscheen, en Jules Schelvis die een standaardwerk over het vernietigingskamp Sobibor schreef. Op 12 mei 2011 werd Demjanjuk veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Bij het proces waren meer dan twintig medeaanklagers aanwezig. Jules Schelvis was één van hen. Een andere Nebenkläger, Rob Fransman, werd door de Wereldomroep gevraagd van zijn ervaringen verslag te doen. De zesenveertig korte verslagen die dat opleverde werden gebundeld in het boek “Het Demjanjuk Proces”. Ook aanwezig was verslaggever Wim Boevink die namens dagblad Trouw op alle procesdagen present was. Zijn honderddertig artikelen voor het dagblad zijn nu ook uitgegeven, evenals het boek van Fransman, in de onvolprezen Holocaust-serie van uitgeverij Verbum. (meer…)

WINTERCIRCUS GENT

In de 19de eeuw verschenen in veel steden specifieke gebouwen voor ontspanning, waaronder stenen circussen. Ook Gent ging mee in deze internationale tendens. Op het terrein van de vroegere katoenfabriek Van den Kerckhove die in 1885 was afgebrand (een terrein dat werd begrensd door de Lammerstraat, Platteberg en Korianderstraat), werd in 1894 in opdracht van de Cercle Equestre Gantois het zogenaamde ‘Nieuw Circus’ gebouwd. Het kwam aan de naam omdat het een opvolger was van het houten circus De Drie Sleutels of de Hippodome die in 1879 in de Sint-Amandstraat was gebouwd. Tot 1914 zouden het oude en nieuwe circus in hevige concurrentiestrijd met elkaar zijn. Het voordeel hiervan was wel dat zeer vermaarde gezelschappen naar Gent afreisden. Het ontwerp voor het Nieuw Circus kwam van de de architect Emile De Weerdt. Het gebouw werd aanvankelijk gezien als een paardenrenbaan met bijhorende feestzaal, maar al bij de opening werd het ingehuldigd als stenen circus, waar talrijke gezelschappen voorstellingen gaven, ook tijdens de winter. Blijkbaar deed het houten circus dat niet, waardoor het Nieuw Circus vooral de naam Winterpaleis had. (meer…)

VLIEGVELD OCKENBURGH

Vliegveld Ockenburgh was een Nederlands vliegveld in Kijkduin, een stadsdeel van Den Haag. Tussen 10 en 15 mei 1940 was Ockenburgh de plaats van hevige gevechten tussen de Duitse invallers en de Nederlandse verdedigers.

De vlieggeschiedenis begint op Ockenburgh op 3 april 1915 als bekend wordt gemaakt dat in een grote schuur op Ockenburgh begonnen is met het bouwen van een vliegmachine. De bouwer deed nogal geheimzinnig over de bouw van het toestel en de plannen die hij ermee had. Wat natuurlijk een garantie is voor wilde verhalen. Op maandagmiddag 17 mei 1915 werd door het dorp Loosduinen een grote vliegmachine per vrachtwagen vervoerd naar Ockenburgh gebracht, volgens de media was het de bedoeling op de locatie vlieglessen te gaan geven. Dat verhaal werd sterk gevoed door het feit dat net kort daarvoor luitenant Versteeg, één van de vier eerste militaire vliegers in Nederland, in de directe omgeving was gesignaleerd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden door onder meer Spyker en Van Berker’s Patent N.V. pogingen gedaan In Nederland een vliegtuigindustrie op te bouwen. Zij bouwde vliegtuigen voor de Luchtvaart Afdeling (LVA), de Marine Luchtvaartdienst (MLD) en het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), voornamelijk dus voor militaire toepassing. Na de oorlog bleven de meeste militaire vliegtuigen aan de grond staan. Er werd daarop getracht veel van deze toestellen voor de commerciële burgerluchtvaart op te bouwen. De luchtvaartmaatschappijtjes die daarvoor werden opgericht waren erg kleinschalig gericht en de behoefte onder de burgerij om (dure) vluchten te maken was ook niet echt imponerend. Veel maatschappijtjes gingen dus weer net zo snel ter ziele als dat ze waren opgericht. (meer…)

WOLFGANG ABENDROTH

Wolfgang Walter Arnulf Abendroth (Elberfeld, 2 mei 1906 – Frankfurt am Main, 15 september 1985) was een socialistische politicoloog en jurist.Zij was de zoon van Afred Abendroth, een leraar aan een middelbare school en Elberfeld (vandaag de dag deel van Wuppertal) en Ida Dambach. In Frankfurt ging hij naar het Helmholtz-Gymnasium en later het Realgymnasium Musterschule; hij studeerde rechtswetenschappen en economie aan de universiteiten van Tübingen, Münster en Frankfurt am Main. In 1930 rondde hij het eerste deel van de examen af; van 1930 tot 1933 werkte hij als referendaris bij de rechtbank van Hechingen. Als zoon van overtuigde siciaaldemocraten was Wolfgang al vroeg lid van de jeugdtak van de arbeidersbeweging. In 1920 werd hij als veertienjarige lid van de Communistische Jeugdbeweging (KJVD), later van de Communistische Partij Deutschlands (KPD) en van de Rote Hilfe Deutschlands, een aan de communistische partij gelieerde hulporganisatie die in 1924 werd opgericht en vanaf 1933 door de nazi;s zou worden verboden. Verder was hij actief in het Deutsche Freidenkerverband en als bestuurslid van de Freie Socialistische Jugend verantwoordelijk voor een degdelijke marxistische opleiding van de nieuwe leden. In 1928 werd hij vanwege kritiek op de koers van de partij, specifiek op de zogenaamde ‘sozialsfaschismustheorie’, uitgeschreven als lid van de KPD. Volgens die theorie moest de sociaaldemocratie worden beschouwd als de linkervleugel van het fascisme en met voorang worden bestreden. Hij werd in 1929 direct lid van de Kommunistischen Partei-Opposition, die zich wel op de eerste plaats richtte op de strijd tegen het opkomende nationaalsocialisme. (meer…)

IWAN DEMJANJUK 5

Op 12 mei 2011 veroordeelde de rechtbank in München de inmiddels 91-jarige Iwan Demjanjuk tot vijf jaar celstraf voor medeplichtigheid aan moord op zeker 28.000 Joden. In vier afleveringen wordt een korte biografie gegeven van één van de laatste nazi-beulen die voor de rechter werd gebracht.
Bij het proces werden mede-aanklagers gehoord, waaronder Rob Fransman, Paul Hellmann en Marco de Groot, die over het proces of naar aanleiding daarvan hun levensverhaal opschreven.
Verder schreef de journalist Wim Boevink voor Trouw columns over het proces, die onder de titel “Dienstausweis 1393” werden gepubliceerd. In de afleveringen vijf t/m acht worden de recensies op die boeken gegeven.
.
.
Aflevering 5
.
Het Demjanjuk-proces. Reportages van een Nebenkläger
Van november 2009 tot mei 2011 stond in München John Iwan Demjanjuk terecht op beschuldiging van medeplichtigheid aan de moord op de Joden die in zijn diensttijd in Sobibor tussen 26 maart 1943 en 1 oktober 1943 om het leven waren gebracht. Het ging om tenminste 28.060 mannen, vrouwen en kinderen. Hieronder bevond zich een transport in Polen en de vijftien treinen die tussen 30 maart 1943 en 20 juli 1943 vanuit Westerbork met Nederlandse en Duitse joden aankwamen. In totaal kwamen ruim 27.000 Joden vanuit Westerbork met die vijftien treinen in Sobibor aan. Slechts vijf daarvan wisten het kamp te overleven, waaronder Selma Wijnberg waarover vorig jaar het boek “Selma, de vrouw die Sobibor overleefde” verscheen. In de trein van 8 april 1943 zaten de ouders van Rob Fransman: Isaac Fransman, geboren in Amsterdam op 23 juli 1989 en Rachel Fransman-van Lochem, geboren in Amsterdam op 7 juli 1900, beiden overleden in Sobibor op 9 april 1943. Rob Fransman mocht bij het proces aanwezig zijn als Nebenankläger, toegevoegde openbare aanklagers namens de slachtoffers. Een andere Nebenankläger was Jules Schelvis, één van de vijf Nederlandse overlevenden van Sobibor en degene die een uitgebreide studie heeft gemaakt van de transportlijsten vanuit Westerbork. Rob Fransman werd door de Wereldomroep gevraagd van zijn ervaringen als mede-aanklager verslag te doen. Dat leverde zesenveertig korte verslagen op, die nu gebundeld zijn uitgegeven Daaraan is ook een mooie documentaire toegevoegd van het bezoek van Fransman met zijn oudste kleindochter aan het Duitse vernietigingskamp in Polen. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 013

.
Frans van den Muijsenberg / 9 april 2009 / Brug bij Emmerich

VERLAG ALLERT DE LANGE

Allert de Lange (1855 – 1927) was een Nederlandse uitgever en boekhandelaar. Hij was de zoon van een houthandelaar uit de Zaanstreek en vertelde zijn ouders, na de HBS te hebben doorlopen, dat hij het boekenvak in wilde. Allert verliet op zeventienjarige leeftijd Zaandam om als leerling-boekverkoper te gaan werken bij boekhandel Tj. van Holkema in Amsterdam. In 1876 ging hij naar Brussel en werkte daar twee jaar in de Librairie Mucquardt en daarna naar Londen, Engeland, waar hij nog twee jaar werkte bij Hachette. Toen had hij genoeg gespaard om als boekhandelaar te beginnen en keerde hij terug naar Nederland. Op 1 april 1880, begon de 25-jarige Allert de Lange zijn boekhandel aan het Damrak no. 62 in Amsterdam. Hij woonde daar boven de zaak en had één loopjongen in dienst. Door zijn huwelijk, met Rijkje Middelhoven, dochter van een houthandelaar, was Allert een vermogend man geworden. Door het vermogen van zijn vrouw was het in 1885 mogelijk het pand op het Damrak te kopen. Als uitgever van verschillende series en succesvolle publicaties werd de Lange erg bekend. Zijn boekhandel liep dan ook als een trein.

Na zijn overlijden in 1927 werd de zaak door zijn zoon Gerard de Lange (1896-1935) overgenomen. Gerard had er aanvankelijk geen zin in om in de zaak van zijn vader te werken, en besloot op zeventienjarige leeftijd, na de HBS, een opleiding te gaan volgen aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Na enige jaren het militaire bestaan volgehouden te hebben, kwam hij terug in Amsterdam en ging op wens van zijn vader toch in de zaak werken, waar hij in 1922 door zijn vader als mede-vennoot in de firma werd opgenomen. Na het plotselinge overlijden van zijn vader in 1927 kwam Gerard, die er een flamboyante levensstijl op nahield, niet meer op de zaak. Iedere ochtend liet hij zijn procuratiehouder, A.P.J. Kroonenburg (1902-1977), die reeds vanaf 1921 bij Allert de Lange in dienst was, bij zich komen in het restaurant van Schiphol of het Carlton Hotel om de lopende zaken te bespreken. Hilda van Praag-Sanders, de echtgenote van Siegfried van Praag (1899-2002), had na de machtsovername door Hitler in Duitsland in 1933 het plan opgevat in Nederland een Duitstalige uitgeverij op te richten. Omdat Siegfried van Praag zijn boeken liet uitgeven door de uitgeverij Allert de Lange, nam Hilda contact op met Gerard de Lange, wat uiteindelijk resulteerde in de oprichting van Verlag Allert de Lange. Hilda bezocht met haar man een aantal Duitse schrijvers zoals: Felix Salten, Arnold en Stefan Zweig, Max Brod en Joseph Roth om ze te polsen over medewerking aan de nieuwe firma. De zwerftocht van de schrijvers Bertolt Brecht, Max Brod, Ödön von Horvath, Joseph Roth en Stefan Zweig, was begonnen in 1933. Eerst kozen ze verblijf in omringende landen, later weken ze uit over de hele wereld. Brecht reisde via Praag naar Zwitserland en daarna naar Parijs, Denemarken, Zweden, Finland, Moskou, de Verenigde Staten en kwam na de oorlog weer terug in Berlijn. (meer…)

EXILLITERATUUR

Bettina Baltschev (1973), een Duitse journaliste en schrijfster die voortdurend heen en weer pendelt tussen haar beide woonplaatsen Leipzig en Amsterdam, schreef in 2008 al een boek met Amsterdam als thema (Ein Jahr in Amsterdam), dat blijkens de tekst op de achterzijde een wat clichématige reiswijzer voor jonge Duitse toeristen is aan de vrijgevochten Nederlandse hoofdstad: ‘Ein Jahr in Amsterdam – das bedeutet Massenpicknick im Vondelpark, ein Besuch im Coffeeshop, kulinarische Abenteuer mit Poffertjes, Pannekoeken, Matjes, Stropwafels und Snoepm und Hausboote überall. Und spätestens, wenn endlich das Fahrrad geklaut wird, gehört man dazu’. Haar tweede Amsterdamse boek is van een wat andere orde, namelijk de zogenaamde exilliteratuur van de Amsterdamse uitgeverij Querido. De schrijfster zoekt daarnaast naar de sporen van de exilauteurs: ‘de cafés waar schrijvers samenkwamen, de uitgeverij en de boekhandels die ze bezochten, de stad die ze zagen.’

Vanaf het moment dat Hitler in 1933 aan de macht kwam, ontvluchtte veel Duitse schrijvers hun land. De eerste boekverbrandingen op 10 mei 1933 maakte iedereen volkomen duidelijk dat het beter was de biezen te pakken. De minste van hun angsten was nog dat hun werk niet langer in eigen land uitgegeven kon worden; velen hadden echter de terechte vrees dat ze weldra vanwege hun joodse afkomst en/of politieke standpunten voor hun vrijheid moesten vrezen, om over gezondheid en leven maar te zwijgen.  (meer…)

ARTHUR NEBE – HET MASKER VAN DE MASSAMOORDENAAR

In 2016 verscheen het eerste deel van een drieluik, waarin Kevin Prenger drie SS’ers beschrijft die een dubbelrol zouden hebben gespeeld, namelijk enerzijds volop actief in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds ook met betrokkenheid in het Duitse verzet. In deel 1 werd Kurt Gerstein besproken, een SS-Oberstürmführer die probeerde zand in de moordmachine te gooien door informatie aan buitenlanders te verstrekken over de geheime en gewelddadige operaties in Oost-Europa, maar tegelijkertijd wel in de positie zat dat hij betrokken was bij het euthanasie-programma, bij Aktion Reinhard en Zyklon-B aan de concentratieprogramma leverde. In het tweede deel kwam Konrad Morgen aan bod, een SS’er die binnen de juridische sector van die organisatie actief was. Na de oorlog beriep die zich op verzetsactiviteiten, omdat hij talrijke SS’ers voor ernstige vergrijpen voor de rechtbank had gebracht. Het creëerde een wat schizofrene situatie: binnen in de oorlog bracht hij bijvoorbeeld hooggeplaatste SS’er die in Auschwitz of soortgelijke kampen werkzaam waren voor de rechtbank onder beschuldiging van moord. Daar lag dan overigens geen moreel bezwaar aan ten grondslag, maar Morgen toonde zich een bijzonder steile jurist: het verderfelijke lag hem niet in de moord op de Joden en andere slachtoffers, maar in het feit dat alles niet via de correcte procedures was uitgevoerd. In beide gevallen lijkt het er erg op dat men vooral heel sluw een ontsnappingsroute voor zichzelf heeft willen creëren toen men eenmaal inzag dat de oorlog verloren was. Spijt, berouw en pogingen het verhaal naar buiten te brengen zijn natuurlijk sterke verzachtende omstandigheden, maar maakt de schuld niet ongedaan en maakt er zeker geen voorbeeld of held van. (meer…)

IWAN DEMJANJUK 4

Op 12 mei 2011 veroordeelde de rechtbank in München de inmiddels 91-jarige Iwan Demjanjuk tot vijf jaar celstraf voor medeplichtigheid aan moord op zeker 28.000 Joden. In vier afleveringen wordt een korte biografie gegeven van één van de laatste nazi-beulen die voor de rechter werd gebracht.
Bij het proces werden mede-aanklagers gehoord, waaronder Rob Fransman, Paul Hellmann en Marco de Groot, die over het proces of naar aanleiding daarvan hun levensverhaal opschreven.
Verder schreef de journalist Wim Boevink voor Trouw columns over het proces, die onder de titel “Dienstausweis 1393” werden gepubliceerd. In de afleveringen vijf t/m acht worden de recensies op die boeken gegeven.
.
.
Aflevering 4
.
Het proces in Duitsland
In Duitsland werd Demjanjuk eerst door de artsen van de gevangenis Stadelheim onderzocht. Ze concludeerden dat de hoogbejaarde een prima conditie had en dus zonder problemen in hechtenis kon worden genomen en berecht kon worden. De gebruikelijke eerste stap van Demjanjuk was een proces te voeren tegen elke rechtsgang die hem bedreigd. Op 21 oktober 2009 verklaarde het Duitse constitutionele hof te Karlsruhe het beroep echter niet-ontvankelijk, zodat het proces op 30 november 2009 kon beginnen. De eerste stap van Demjanjuks advocaten was om op 1 december 2009 het proces te seponeren vanwege het ne bis in idem-principe omdat een verdachte niet twee keer voor hetzelfde feit kan worden berecht. Demjanjuk was volgens de advocaten in Israël al voor dezelfde beschuldigingen voor de rechtbank geweest en vrijgesproken; hij zou niet voor een tweede keer op basis van dezelfde beschuldigingen voor een rechtbank moeten komen. Op 21 december 2009 werd het beroep van de advocaten verworpen en kon de rechtszaak echt beginnen. (meer…)

IWAN DEMJANJUK 3

Op 12 mei 2011 veroordeelde de rechtbank in München de inmiddels 91-jarige Iwan Demjanjuk tot vijf jaar celstraf voor medeplichtigheid aan moord op zeker 28.000 Joden. In vier afleveringen wordt een korte biografie gegeven van één van de laatste nazi-beulen die voor de rechter werd gebracht.
Bij het proces werden mede-aanklagers gehoord, waaronder Rob Fransman, Paul Hellmann en Marco de Groot, die over het proces of naar aanleiding daarvan hun levensverhaal opschreven.
Verder schreef de journalist Wim Boevink voor Trouw columns over het proces, die onder de titel “Dienstausweis 1393” werden gepubliceerd. In de afleveringen vijf t/m acht worden de recensies op die boeken gegeven.
.
.
Aflevering 3
.
De Verenigde Staten en proces in Israël
Jarenlang leidde hij in Cleveland (Ohio) een onopvallend bestaan. Er werden nog twee kinderen geboren en in 1959 kreeg het gezin officieel het Amerikaanse staatsburgerschap. Een paar jaar later werden in het diepste geheim in Kiev in een tweede arrestatiegolf twaalf oude Trawniki-bewakers die in Sobibor dienst hadden gedaan voor de rechtbank gebracht: tien man werden ter dood veroordeeld, één kreeg vijftien jaar gevangenisstraf en één man werd vrijgesproken. Demjanjuk zal er niets van hebben vernomen en hebben gedacht veilig te zijn. Hij zou ook nog jarenlang een gelukkig en anoniem leven hebben geleid als eind zeventiger jaren de belangstelling voor de Holocaust niet was opgekomen. (meer…)

IWAN DEMJANJUK 2

Op 12 mei 2011 veroordeelde de rechtbank in München de inmiddels 91-jarige Iwan Demjanjuk tot vijf jaar celstraf voor medeplichtigheid aan moord op zeker 28.000 Joden. In vier afleveringen wordt een korte biografie gegeven van één van de laatste nazi-beulen die voor de rechter werd gebracht.
Bij het proces werden mede-aanklagers gehoord, waaronder Rob Fransman, Paul Hellmann en Marco de Groot, die over het proces of naar aanleiding daarvan hun levensverhaal opschreven.
Verder schreef de journalist Wim Boevink voor Trouw columns over het proces, die onder de titel “Dienstausweis 1393” werden gepubliceerd. In de afleveringen vijf t/m acht worden de recensies op die boeken gegeven.
.
.
Aflevering 2
.
Demjanjuk in Duitse dienst
Na zijn rekrutering werd Demjanjuk als Hilfswillige (Hiwi) naar het opleidingskamp Trawniki gestuurd, genoemd naar het gehucht in de omgeving van Sobibor waar dit kamp lag. Hij kwam er omstreeks 19 juli 1942 aan en doorliep de standaardprocedure: invullen van biografische gegevens, laten maken van een pasfoto, afgeven van vingerafdrukken, korte medische keuring, ondertekenen van Dienstverpflichtung en het afgeven van verklaringen dat men geen Joodse voorouders had, niet lid was geweest van de communistische partij of Komsomol (de jongerenorganisatie van de partij) en dat men zich voor de rest van de oorlog aan alle dienstvoorschriften zou onderwerpen. In de administratie van Trawniki kreeg Demjanjuk nummer 1393. De echtheid van zijn Dienstausweis 1393 zou later bij zijn proces in München een belangrijke rol spelen. (meer…)

IWAN DEMJANJUK 1

Op 12 mei 2011 veroordeelde de rechtbank in München de inmiddels 91-jarige Iwan Demjanjuk tot vijf jaar celstraf voor medeplichtigheid aan moord op zeker 28.000 Joden. In vier afleveringen wordt een korte biografie gegeven van één van de laatste nazi-beulen die voor de rechter werd gebracht.
Bij het proces werden mede-aanklagers gehoord, waaronder Rob Fransman, Paul Hellmann en Marco de Groot, die over het proces of naar aanleiding daarvan hun levensverhaal opschreven.
Verder schreef de journalist Wim Boevink voor Trouw columns over het proces, die onder de titel “Dienstausweis 1393” werden gepubliceerd. In de afleveringen vijf t/m acht worden de recensies op die boeken gegeven.
.
.
Aflevering 1
.
De jonge Demjanjuk
Iwan Demjanjuk werd op 3 april 1920 geboren in het Oekraïense dorpje Dubovi Makharintsi. Dat ligt in het rayon Kozjatyn van de regio Vinnytsja. Nog laat in 1918 was in Kozjatyn heftig gevochten tussen de Oekraïense opstandelingen en het Duitse leger. In februari 1919 leverde het “Sitsj-Schuttercorps” er slag met het Rode Leger en in de zomer van datzelfde jaar vocht het Oekraïens-Galicische leger tegen de Sovjets bij de opmars richting Kiev. De regio Vinnytsja was tot 1793 Pools territorium geweest en werd toen door het Russische rijk geannexeerd. Erg veel liefde voor Moskou was er echter nooit. Pas na de Tweede Wereldoorlog is het proces van sovjetisering in het gebied echt afgedwongen. (meer…)

MARIE-LOUISE MEUNIER (23)

Marie-Louise Clementine Meunier werd op 15 februari 1890 in Genas geboren, een dorpje in het departement l’Isere van de regio on Auvergne-Rhône-Alpes, niet al te ver van Lyon. In de Rue de la poste in Annecy had Marie-Louise een winkeltje in souvenirs, garen en band Het uithangbord luidde ‘Au Mimosa’. Jean Weidner benaderde haar met het verzoek haar huis beschikbaar te stellen als aanloophuis voor een vluchtroute. Weidner was een plaatsgenoot van haar; hij had er de textielzaak La Maison du Coupon. Haar huis zou het aanlooppunt worden voor vele Engelandvaarders, die vanuit Genève via Frankrijk en Spanje naar  Engeland wilden gaan. Meunier werd op 7 maart 1944 gearresteerd. Na een tijdje opgesloten te zijn geweest in de gevangenissen van Montluc en Fresnes werd ze gedeporteerd naar Torgau, waar zich een dependance van het concentratiekamp Buchenwald bevond. In het werkkamp werd munitie voor het Duitse leger gefabriceerd. De naam Torgau ging de geschiedenisboeken in als het plaatsje waar de Amerikaanse en Russische troepen elkaar op 25 april 1945 tegenkwamen. Van augustus 1945 tot maart 1947 zou het kamp door de Russen worden gebruikt als Speziallager, als een van de tien interneringskampen waar de Russen naar schatting 160.000 tot 180.000 Duitse gevangenen onderbrachten. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 012

Frans van den Muijsenberg / 7 juli 2010 / Driehuizerweg, Nijmegen

ÉMILE BOREL – de stelling van de eindeloos typende apen (1913)

Émile Borel (Saint-Affrique, 7 januari 1871 – Parijs, 3 februari 1956) was een Franse wiskundige en politicus. Borel werd in 1871 geboren als jongste zoon van de protestantse dominee, Honoré Borel. Hij kreeg zijn eerste onderwijs in de “pastorie” van zijn vader, waar de protestantse kinderen uit de ruime omgeving lager onderwijs genoten. Vanaf zijn twaalfde ging hij naar het lyceum in Montauban. In die periode woonde hij in bij een van zijn zusters die met een in Montauban werkzame protestantse dominee was getrouwd. Later ging hij in Parijs in de kost in het Collège van Saint-Barbe, van waaruit hij het prestigieuze lycée Louis-le-Grand bezocht om zich daar voor te bereiden op de toelatingsexamens voor de ‘grandes écoles’. Bij het landelijk toelatingsexamen van 1889 haalde Émile Borel zowel de eerste plaats voor de École polytechnique als voor de École normale supérieure. HIj koos vervolgens voor de meer op onderzoek gerichte École polytechnique. Na zijn afstuderen in 1892 sloeg hij een aantal aanbiedingen uit het bedrijfsleven af, omdat hij zich aan onderzoek wilde wijden. In 1893 werd hij benoemd tot docent aan de Universiteit van Lille benoemd. In de vier jaar dat hij daar werkte publiceerde hij 22 artikelen. In 1895 promoveerde hij op een proefschrift met de titel: “Sur quelques points sur la théorie des functions”, dat onmiddellijk de aandacht trok en dat de aanzet vormt voor zijn ideeën over maattheorie, divergente reeksen, de theorie van de niet-analytische voortzetting en quasi-analytische functies. In 1897 verliet hij Lille en keerde hij terug naar zijn alma mater, de ENS. In 1909 werd hij in Parijs benoemd tot hoogleraar in de functietheorie aan de Faculté des sciences de Paris. In 1921 volgde hij Joseph Boussinesq op als hoogleraar kansberekening en hoogleraar wiskundige natuurkunde. Vanaf 1920 was hij lid van de Raad van Universiteiten. Later werd hij vicepresident van deze organisatie. Op zijn initiatief werd in 1922 het Statistisch Instituut van de Universiteit van Parijs opgericht, de oudste onderwijsinstelling voor de statistiek in Frankrijk. Van 1923 tot 1924 was hij voorzitter van de confederatie van intellectuele arbeiders (confédération des travailleurs intellectuels, de CTI). In 1928 richtte Borel met financiële steun van de families Rockefeller en Rothschild het wiskundig instituut Henri Poincaré op. Hij leidde dit instituut bijna dertig jaar. Later is het instituut Henri Poincaré opgegaan in het centrum Émile Borel. In 1921 werd Borel gekozen tot lid van de Franse Academie van Wetenschappen, in 1933 werd hij vicepresident en in 1934 voorzitter van deze academie. Hij was ook buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit van Rome. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 011

Frans van den Muijsenberg / 13 september 2013 / Siegen, Sauerland

MOEDERDAG

Gisteren was het de 13e mei, de tweede zondag in mei, en dat betekent onherroepelijk: Moederdag. Een feest dat inmiddels vast verankerd is in de kalender van jaarlijkse onvermijdelijkheden. Wie heeft als kind niet onhandig morsend zijn moeder het ontbijt gebracht, vergezeld van een goedbedoeld knutselwerkje, op school met alle liefde in elkaar geklodderd? Moederdag is big business, een traditie met een grote T. Er is iets geks met tradities, we denken dat ze oud zijn en spontaan uit de volksaard zijn ontsproten, maar vaak zijn ze dat niet. Zo is het ook met Moederdag.

Moederdag hebben we te danken aan Anne Jarvis (1864-1948), een Amerikaanse vrouw met een mateloze bewondering voor haar moeder. Zij wilde van haar moeders sterfdag (9 mei 1905) een monument maken ter ere van alle moeders die zichzelf onopvallend dagelijks dienstbaar wegcijferden voor gezin en samenleving. Was het gezin de hoeksteen van de samenleving, de moeder daarvan toch het fundament. Het initiatief van Jarvis werd enthousiast ontvangen, niet in het minst door de enthousiaste steun van de middenstand. In 1914 riep president Wilson Moederdag uit tot een nationale feestdag. Anne Jarvis kon tevreden zijn. Maar ze was het niet. Met afgrijzen zag ze hoe de commercie met het feest aan de haal ging. Bloemenhandelaars, banketbakkers en wenskaartenmakers, iedereen wilde een graantje meepikken. Het zou Jarvis de rest van haar dagen frustreren. Ze voerde talloze rechtszaken tegen de geldelijke uitbating van ‘haar’ Moederdag en wilde Moederdag zelfs weer afschaffen. Het was vechten tegen de bierkaai. De laatste jaren van haar leven bracht Jarvis verbitterd en hulpbehoevend door in een verpleegtehuis, ironisch genoeg en zonder dat zij het wist, op kosten van de belangvereniging voor bloemisten. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 12

HOE KOMEN WE HEELHUIDS UIT DEZE HEL – 2

In het eerste deel van de recensie is ingegaan op de Nederlanders die zich in Sint Petersburg en Moskou bevonden op het momen dat de Russische Revolutie uitbrak. Behalve de afstammelingen van de Ruslui en het geprivilegieerde groepje ambassadepersoneel en zakenlui in Sint-Petersburg was er hier en daar in de enorme Russische rijk enkelingen die buiten de hoofdstad een bestaan probeerden op te bouwen. In hoofdstuk 4 gaat Janine jager in op de ervaringen van de Nederlanders in de zoutmijn Peter de Groote in Stupky (vroeger Stoupky), een gehucht op zo’n 1.750 kilometer van de hoofdstad en ruim 1.000 kilometer van Moskou. De dichtstbij gelegen stad is Bakhmut (het vroegere Artemivsk/Artyomovsk).

In december 1884 werd in Dordrecht de Hollandsche Maatschappij voor Zout-Exploitatie in Rusland (HZMER) opgericht. Deze ging in Stoupky in de Donbass een twintig meter dikke zoutlaag exploiteren, op een diepte van 600 voet en met een gehalte van 99% NaCl, zuiver keukenzout. Dit initiatief kwam voort uit ontmoetingen tussen de Russische ingenieur Tsjernov, die proefboringen had laten doen, en Nederlandse bouwers van een gasfabriek in Moskou. Het startkapitaal bedroeg 1 miljoen gulden. Naast een veertiental Nederlandse investeerders was ir. Tsjernov grootaandeelhouder van de Maatschappij. De ligging van de zoutmijn ‘Peter de Groote’ op een gepacht landgoed, direct aan de spoorlijn en vlakbij een station, was gunstig ten opzichte van die van de Franse concurrent. Op een kaart was ingetekend waar de beste prijzen te halen waren: tussen de Oeral en Warschau en tussen de Zwarte Zee en Sint-Petersburg. De Krim viel erbuiten. Na de start in het midden van de jaren 1880 liep de mijn goed (‘de zoutmijn werd een goudmijn’), maar in 1905-1906 kwam er een kentering: stakingen en prijsdalingen dreigden voor alle zoutmijnen. Dit leidde tot samenwerking met de voormalige concurrenten (kartel) in de vorm van prijsafspraken, waarna de inkomsten toch bevredigend bleven. In 1909-10 werd zelfs een tweede (service-)mijnschacht aangelegd. Ook leidde elektrificatie tot een schoner productieproces. (meer…)

HOE KOMEN WE HEELHUIDS UIT DEZE HEL – 1

Janine Jager (1955) is historica en werkt als freelance onderzoekster, schrijfster en vertaalster. Ze publiceerde verscheidene boeken en artikelen over de geschiedenis, cultuur en politiek in Rusland, waaronder de veelgeprezen biografie Wilhelmina Triesman (2012) en Pierewaaien op Nova Zembla (2012). Ook vertaalde en bewerkte ze de roman Baljurken en Bolsjewieken (2017) van Eugénie Oussakovskaïa, een Russische aristocratische emigrante. In 2017 verscheen van haar Hoe komen we heelhuids uit deze hel, waarin ze de ervaringen vertelt van een aantal Nederlanders die ten tijde van de Russische Revolutie in 1917 in de toenmalige hoofdstad Sint-Petersburg bevond en die er slechts met grote moeite en na veel ontberingen in slaagde de nieuwe heilstaat te verlaten. Totaal berooid kwamen de laatste in 1920 weer terug naar Nederland. Ze schreef het verhaal aan de hand van brieven, dagboeken, herinneringen, beeldmateriaal en andere bronnen van de overlevenden.

In 1917 woonden een paar honderd Nederlanders in Rusland, de meesten in Sint-Petersburg. Tussen Nederland en Rusland bestond een eeuwenlange band, die begon met de bezoeken die tsaar Peter de Grote in de Gouden eeuw bracht. Hij was de eerste tsaar die ook eens een keer buiten de eigen landsgrenzen keek, wat hem was ingegeven zijn land te moderniseren en de wetenschap op hetzelfde peil te brengen als de andere Europese landen. Met de stichting van Sint-Petersburg met haar ruim veertig grachten naar Nederlands model richtte het land zich meer op West-Europa. Peter hervormde het leger, de kerk, handel, nijverheid, onderwijs en volksgezondheid en versterkte Rusland tot een Europese grootmacht. Jager opent haar boek met een korte, krachtige beschrijving van de historische banden tussen Nederland en Rusland. Daarin komen de Vriezenveens Ruslui aan bod, handwerkslieden en wevers die vanaf 1720 naar Rusland trokken. (meer…)

FRITZ CONIJN (22)

fritz conijnDe Alkmaarder Fritz Conijn was een van de aanvoerders van het verzet in Noord-Holland. In eerste instantie was hij actief in Alkmaar en omgeving en nadat hem daar de grond te heet onder de voeten werd, week hij uit naar Amsterdam waar een aanvulling van de uitgedunde rijen in de illegaliteit meer dan welkom was. Begin september 1944 werd Conijn door de Duitsers doodgeschoten, volgens de officiële lezing in Vught. De auteur maakt in zijn boek echter aannemelijk dat hij waarschijnlijk ergens in de Noord-Hollandse duinen met een groep andere verzetsmensen werd geëxecuteerd. Fritz Conijn was op dat moment slechts 21 jaar en twee maanden oud, maar hij was op die jeugdige leeftijd al een oudgediende in het verzet. Iemand ook die de leiding had gegeven aan een groot aantal gedurfde acties van de Alkmaarse en Amsterdamse knokploegen, vooral overvallen op wapen- en bonnentransporten. “Een snotneus met een groot natuurlijk gezag’, noemde een van zijn kameraden uit het verzet hem. Na de oorlog werd hem postuum het Verzetskruis 1940-1945 toegekend, een Nederlandse onderscheiding die op 3 mei 1946 bij Koninklijk Besluit was ingesteld, “ter erkenning van bijzondere moed en beleid aan den dag gelegd bij het Verzet tegen de Vijanden van de Nederlandse zaak en voor behoud van de geestelijke vrijheid”. De onderscheiding werd 95 keer verleend, waarvan 93 keer postuum. In Alkmaar is hij nog steeds niet vergeten, want bij een enquête een aantal jaren geleden door de Alkmaarsche Courant naar de grootste Alkmaarder aller tijden kwam Fritz Conijn als derde uit de bus. Nu valt bij de uitslagen van dergelijke enquêtes best wel een aantal kritische kanttekeningen te maken, maar geheel zonder betekenis is de uitslag toch ook weer niet. De Alkmaarse Top 40 wordt in elk geval opvallend weinig ‘bevuild’ door de waan van de dag.De historicus Doeko Bosscher schetst in dit boek een portret van de jonge verzetsheld en van het Noord-Hollandse verzet. Hij doet dat mede aan de hand van veel persoonlijk bronnenmateriaal, want de hoofdpersoon was een oom van hem. Weliswaar een oom die Bosscher nooit heeft gekend, Bosscher werd in 1949 geboren, maar toch. Zoals het een goed historicus betaamt weet Bosscher dat dit vragen kan oproepen over zijn objectiviteit, alsof hij het kleine bewonderende neefje zou zijn van de onfeilbare verzetsheld uit de meedogenloze oorlog. Hij weet deze mogelijke kritiek goed de pas af te snijden, want nergens in het boek valt iets te bespeuren van bewondering of van een kritiekloze houding ten opzichte van de hoofdpersoon van het boek en/of het verzet. Getracht is de feiten zo neutraal mogelijk te presenteren en ook om fouten en onhebbelijkheden van Conijn en zijn medestrijders niet onder het vloerkleed te vegen.
(meer…)

DAG VAN DE ARBEID

De Dag van de Arbeid (in België ook het Feest van de Arbeid genoemd) is een feestdag van de socialistische, communistische en anarchistische arbeidersbeweging. De dag vindt in bijna alle landen elk jaar op 1 mei plaats; in Europa is het ook in bijna alle landen een officiële feestdag, maar niet in Nederland. (meer…)

KASTEEL BILJOEN

Kasteel Biljoen ligt tussen de Veluwe en de IJssel nabij Velp in de gemeente Rheden, in de Nederlandse provincie Gelderland. Dit cultuurhistorische Edele Huis uit de 16e eeuw werd door Karel van Gelre, hertog van Gelre en graaf van Zutphen omstreeks 1530, deels met bouwmaterialen van het nabijgelegen kasteel Overhagen gebouwd op het landgoed Broekerhof (of Broeckerhoeve), dat in 1076 door keizer Hendrik IV aan het kapittel van St.-Pieter te Utrecht was geschonken.Het onregelmatige metselwerk op kelderniveau bevestigt namelijk dat er sprake is van hergebruikte bouwmaterialen. Uit geldnood verkocht de hertog van Gelre op 1 juni 1535 het kasteel met de bijhorende heerlijke rechten aan zijn hofmeester en intendant Roelof van Lennep (1485-1546), drossaard van Middelaer. Deze liet het aan zijn zoon Carl van Lennep (1530-1567), burgemeester en schepen van Arnhem, aan zijn kleinzoon Roelof en aan zijn achterkleinzoon Johan. In 1633 erfde Cunera van Lennep tot Billion (1600-1657), aanvankelijk gehuwd met haar neef Willem van Lennep, nadien met Willem van Broeckhuysen van Barlham het kasteeldomein. Bij de dood van Cunera in 1657 werd haar dochter Johanna van Lennep de nieuwe eigenares, maar vier jaar later sterft zij kinderloos en wordt Biljoen na 126 jaar eigendom van de familie van Lennep, in 1661 verkocht aan Alexander van Spaen (1619-1692). (meer…)

THE JOKER IS ME

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 010

Frans van den Muijsenberg / 25 maart 2016 / Op het strand bij Domburg

PIETER VAN AS (21)

Pieter van As (Rotterdam, 25 januari 1899 – Amersfoort, 29 december 1942) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van As, verzetsnaam “Piet”, was haltewachter bij het openbaar vervoer te Rotterdam. Al sinds het begin van de oorlog begint hij samen met zijn broer Gerrit van As met verzetsactiviteiten in de verzetsgroep “Leeuwengarde”. Ze begonnen al kort na de capitulatie met het verzamelen van militaire gegevens en wapens en richtten een geheime wapenbergplaats in op het station Bergweg, waar Pieter werkte.Het station Bergweg, geopend in oktober 1908 was een halte van de Hofpleinlijn, de spoorwegverbinding tussen Rotterdam en Den Haag. In het najaar van 1940 vormden ze de verzetsgroep die later opging in de Leeuwengarde, waarvan Ph. W. Masselman en Gerrit van As de leiders waren. Gerrit van As (Rotterdam, 4 oktober 1902 – Amersfoort, 29 december 1942) was een broer van Pieter van As. Hij was een medewerker van een rederij.

De Leeuwengarde had een aantal ambitieuze doelstellingen. In de eerste plaats: steun aan een Engelse invasie in Nederland in de bereidheid vaderland en volk gewapenderhand vrij te vechten. En vervolgens de volledige vernietiging en uitroeiing van het nazisme en van de N.S.B.-ers, zodra de bezetter door de Engelsen bloedig teruggeslagen is. Het was de taak der Leeuwengardisten de bezetter met alle middelen te bestrijden, in het bijzonder met sabotage en spionage. De activiteiten van de Leeuwengarde werden georganiseerd in vier groepen: 1) het aanleggen van persoonslijsten voor “de dag der wrake” en het verspreiden van vlugschriften en geruchten. 2) de vervaardiging van vlugschriften. 3) het werven van “Gardisten” en het vergaren van spionagemateriaal. 4) het bijeen brengen van wapens en het plegen van sabotage: Ortskommandanturen, munitie-opslagplaatsen en militaire hospitalen moesten worden aangevallen en telefoonleidingen moesten worden vernield. (meer…)

THERESIËNSTADT 4 – HEINRICH JÖCKEL

Heinrich Jöckel (Offenbach am Main, 10 juli 1898 – Litoměřice, Tsjechoslowakije, 26 oktober 1946) was SS-Hauptsturmführer, commandant van de 1. Kompanie des SS-Wachbataillons Böhmen und Mähren en van 1940 tot 1945 de commandant van de Gestapo-gevangenis Kleine Festung Theresienstadt. Jöckel maakt al jonge soldaat nog net de laatste maanden van de Eerste Wereldoorlog mee en werkte na zijn ontslag uit dienst als arbeider in enkele fabrieken. In 1931 werd hij lid van de NSDAP en maakte daar voor iemand met zijn beperkte opleiding redelijk snel carrière. In de herfst van 1939 werd hij kampcommandant van het concentratiekamp Skrochowitz, gelegen vlakbij het stadje Troppau (het huidige Opava, Tsjechië). Heinrich Jöckel kwam uit een streek waarin de pro-Duitse sentimenten enorm groot waren en de haatgevoelens ten opzichte van Joden, Tsjechen en Polen enorm groot was

Troppau was de oude hoofdstad van Silezië, was net als de rest van zuidelijk Silezië eind 18e eeuw bij Oostenrijk gevoegd. Het ging toen deel uitmaken van het zogenaamde Sudetenland, het deel van de veelvolkerenstaat die de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie was. Na de Eerste Wereldoorlog werd het vele volkeren toegestaan op basis van etnische grenzen een eigen staat te stichten. Dat met die eigen grenzen was niet erg geslaagd, waarvan de sporen tot vandaag de dag in Oost-Europa te merken zijn. Vanaf het begin kende elke staat grote minderheden. Zo werd de Duitse bevolking van de Landkreis Troppau na afloop van de Eerste Wereldoorlog onderdeel van de nieuwe republiek Tjecho-Slowakije. Ook in andere landen ontstonden omvangrijke Duitse en Hongaarse minderheden. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 009

Frans van den Muijsenberg / 12 januari 2011 / Rheinbrücke bij Emmerich

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 11

HET VROUWENHOF

Het Vrouwenhof (of het Huis te Roosendaal) is de naam van een landhuis uit 1790 in het centrum van Roosendaal en van een stadspark dat in de twintigste eeuw op de plaats van het oorspronkelijke landgoed is aangelegd. Op de plaats van het landgoed werd door de Heren van Breda (of zijn verwanten) rond 1300 een hof en zetel van een heerlijkheid aangelegd. Er is niets bekend over de bouw van het oorspronkelijke landhuis. Mogelijk ging het om een omgrachte woontoren. Volgens een van de bronnen werd het ’t Huys te Rosendael oorspronkelijk gebruikt door nonnen en daarna als weduwgoed werd toegewezen aan Hadewij van Strijen, de dochter van Willem van Strijen, Heer van Strijen en de tweede vrouw van Raso II van Gaveren, Heer van Breda. Een andere bron spreekt van Hadewich van Strijen, Vrouwe van Roosendaal en de tweede vrouw van Nicolaas van Reimerswaal. Deze Nicolaas zou dan de bouwer zijn geweest. De naam Vrouwenhof is waarschijnlijk een verwijzing naar de eigenaresse van het landgoed. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 008

Frans van den Muijsenberg / 6 oktober 2008 / Moskee in Alanya, Turkije

ADRIAAN NAGTEGAAL (20)

Adrianus Cornelis Nagtegaal (Mijdrecht, 22 juli 1912 – Apeldoorn, 10 januari 1945) was de zoon van Pieter Nagtegaal en Maria Hage; hij had twee broers, Dirk en Kees. Adriaan was van beroep timmerman. Hij trouwde op 8 december 1939 met Irma Maria Grootaert en had uit dat huwelijk één zoon. Deze August Nagtegaal werd in 1942 geboren, maar op 9 juni 1942 werd door de Arrondissementsrechtbank Haarlem het huwelijk ontbonden van het echtpaar, dat op dat moment in Hoofddorp woonde. Eerder was al een dochter geboren, Irma Maria, maar deze is al jong overleden. Geboorte- en sterftedatum en ook de reden van overlijden zijn onbekend. Ook naar de reden van de snelle ontbinding van het huwelijk blijft het gissen.

Begin 1944 raakte Nagtegaal betrokken bij de KP in Apeldoorn. Hij gebruikte er de schuilnamen Jan, Jan van Ommen en Jan Pfeiffer. In mei 1944 name hij deel aan een bespreking te Amsterdam waarbij ook L. Scheepstra, J. Abbink, H. Nuis en P. Verburg aanwezig waren. Tijdens die bijeenkomst werd besloten tot de oprichting van de KP Apeldoorn. Na de vorming van de Binnenlandse Strijdkrachten  behoorde hij tot Gewest 6 (Veluwe) van de BS.

Op 10 januari 1945 deed de SD een inval op het adres Nijverheidsstraat 7 te Apeldoorn, arresteerde enkele verzetslieden en zette een val. Na enige tijd belde Nagtegaal aan en stond oog in oog met een Duitser. Hij was ongewapend, maar sloeg de Duitser neer en maakte zich meester van diens pistool. Vervolgens schoot hij een andere toegesnelde Duitser neer. Toen hij vervolgens wegvluchtte, werd hij neergeschoten. (meer…)

NAAKT ONDER DE WOLVEN

Het is half maart 1945. De Russen zijn in het oosten Duitsland al binnengedrongen en aan het westelijk front zijn de Amerikanen bij Remagen de Rijn overgestoken, waarmee de laatste natuurlijke Duitse verdedigingslinie werd geslecht. Voor beide legergroepen ligt de weg naar Berlijn open. Het is iedereen duidelijk dat het Derde Rijk op instorten staat. In het concentratiekamp Buchenwald arriveert een transport van zo’n 800 Joden, het restant van een vele mate grotere groep die vanuit Auschwitz is weggevoerd. De Pool Jankowski heeft in zijn koffer een driejarig jongetje meegesmokkeld. Het Internationale Lagerkomitee (ILK), de grote illegale communistische organisatie binnen het kampsysteem van de SS, besluit dat het jongetje zo snel mogelijk op een volgend transport vanuit Buchenwald naar Bergen-Belsen moet worden gezet. De organisatie is namelijk in volle voorbereiding om bij de aanstaande bevrijding van het kamp, die nu binnen enkele weken of hooguit enkele maanden verwacht mag worden, op het juiste moment in verzet te komen. Daarmee moet worden verhinderd dat onnodig veel mensen in de laatste oorlogsweken alsnog door nazigeweld worden gedood. De aanwezigheid van het onbekende jongetje kan alles in gevaar brengen. Even ongemerkt als hij is binnengesmokkeld, dient hij volgens het ILK dus weer te verdwijnen. Tegen de besluiten van het ILK in besluiten drie gevangenen het jongetje toch te verstoppen in de hoop het joch, dat de tocht naar en het verblijf in Bergen-Belsen zeker niet zal overleven, alsnog gered kan worden. Dit besluit brengt een keten van ontwikkelingen binnen het kamp teweeg, zowel bij de ILK als bij de SS-leiding. Die heeft op enig moment in de gaten dat er iets aan de hand is en met alle brute macht die ze op dat moment nog heeft treedt men hiertegen op. Het verhaal eindigt met de overhaaste vlucht van de laatste SS’ers, als de Amerikanen al bijna voor de poort staan en de lang voorbereide opstand door de ILK-organisatie de nog aanwezige 21.000 gevangenen definitief heeft bevrijd. (meer…)

PEARL WHITE

Pearl Fay White (Green Ridge, 4 maart 1889 – Neuilly-sur-Seine, 4 augustus 1938) was een Amerikaans actrice die bekend werd in de periode van de stomme film. Ze werd in 1889 geboren in Green Ridge, een gat in Missouri dat in 2000 slechts 445 inwoners telde en dat zal meer dan een eeuw daarvoor niet meer zijn geweest. Sommige bronnen beweren dat ze in 1897 werd geboren en enkele jaren extra aan haar identiteit smokkelde om ‘volwassener over te komen dan Mary Pickford’. Dit werd voor het eerst na haar overlijden door haar vader bekendgemaakt, maar werd echter nooit bevestigd. Over haar vroegere leven is weinig bekend. Een collectie van interviews met White over de jaren heen toont aan dat ze regelmatig loog tegen de pers, waardoor veel van haar sensationele levensverhalen worden afgedaan als onwaarheden. Zo beweerde ze dat bijna heel haar gezin om het leven kwam aan een tragische dood, dat ze al op vijfjarige leeftijd meetourde met een toneelproductie van De hut van Oom Tom en dat ze zich als tiener aansloot bij een circus, waar zij werkzaam was als trapeze-artieste.

Volgens een biograaf stierf haar moeder toen White drie jaar oud was. Het is bekend dat ze doorbrak in amateurtheater en in 1907 trouwde met collega Victor Sutherland. Het was een problematisch huwelijk en een scheiding volgde in 1914. In 1910 kreeg ze een filmcontract bij de onbekende studio The Powers Film Company en maakte er een aantal films, totdat ze in 1911 verhuisde naar Philadelphia. Daar sloot ze zich aan bij de professionelere filmstudio Lubin Film Company en werkte tegenover enkele bekende acteurs, waaronder Arthur Johnson en Florence Lawrence. Ze werd er echter al snel ontslagen en vertelde zelf dat dit te wijten was aan haar gebrek aan acteerervaring. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 007

Frans van den Muijsenberg / 24 oktober 2015 / ’t Peeske, Beek (Gld)

MARIUS CRANS (19)

Marius Crans (Zwolle, 1 oktober 1917 – Batavia, 23 november 1945) was een Nederlandse officier in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger tijdens de Tweede Wereldoorlog. Marius Crans werd geboren op 1 oktober 1917 in Zwolle en was opgeleid aan de Rijksuniversiteit Utrecht tot indoloog. Bij de mobilisatie van 1939 werd hij opgeroepen als dienstplichtig militair ij het 10e Regimenr Motorartillerie te Woerden. Op 24 mei 1941 legde hij te Utrecht met succes zijn doctoraalexamen af. Na zijn afstuderen ging hij werken bij het Nederlandsch Instituut voor Documentatie en Registratie in Den Haag. Hij vestigde zich ook daar en verhuisde wat later naar Delft.

In het verzet ging Crans zich bezighouden met het Natura-fonds, een verzorgingsdienst van de illegaliteit. In augustus 1941 werd deze landelijke organisatie gedecentraliseerd, waarna hij in Den Haag de belangrijke Verzorgingsdienst ’s Gravenhage (VOHA) oprichtte. Hij stond in contact met de NSF en waarschijnlijk heeft hij enige malen direct contact gehad met Walraven van Hall. Crans was ook lid van het Nationaal Comité va Verzet.

In de zomer van 1944 richtte hij met onder meer G. Monsees een illegaal blad op, De Opdracht, Tijdschrift gewijd aan het nieuwe Indië. Tijdens de bezetting verschenen tien edities van het blad. De redactie van De Opdracht bestond naast Crans en Monsees uit P. Donkers, S. Hettinga, J. Kooymans, K. Neys en H. Leopold. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 006

Frans van den Muijsenberg / 19 mei 2016 / kunstwerk in Reijmerstok

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 005

Frans van den Muijsenberg / 6 augustus 2016 / lavendelfabriekje in de buurt van Banon

CARNAVAL – VASTENAVOND

Carnaval (in Limburg vastelaovend) zijn in de katholieke traditie de drie dagen voorafgaand aan Aswoensdag, het begin van de vastentijd. Het volk mag dan zich in vermomming nog even helemaal laten gaan, waarna een periode van veertig vastendagen aanbreekt waarin slechts ruimte is voor matiging en bezinning. De datum waarop carnaval gevierd wordt hangt samen met de datum waarop Pasen valt. Dit moest volgens het concilie van Nicea gevierd worden op de zondag na de eerste volle maan in de lente. Veertig vastendagen eerder (zondagen tellen niet mee als vastendagen) is Aswoensdag, de dag volgend op de drie dagen van carnaval. Pasen kan op zijn vroegst op 22 maart vallen en op zijn laatst op 25 april; carnaval op zijn vroegst op 1 februari en op zijn laatst op 9 maart.

De naam Carnaval komt waarschijnlijk van het Italiaanse carne levare, het wegnemen van vlees. Carnaval was het laatste moment dat men zich tegoed kon doen aan vlees en ‘luxe’ etenswaren voordat men gedurende de vastenperiode moest volstaan met uitsluitend het broodnodige. Op carnavalsdinsdag, ook wel Vette Dinsdag of vastenavond genoemd, werd al het eten dat nog in voorraad was opgegeten omdat het anders zou bederven. Al in de 10e eeuw na Christus werd een afgeleide van de naam carnaval al gebruikt. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 004

Frans van den Muijsenberg / 9 juni 2016 / varens in Burgers Zoo

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 10

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 003

Frans van den Muijsenberg / 14 mei 2013 / tulpenveld

NICOLAS DUPONT (18)

Nicolas Dupont (Kerling-les-Sierck, 27 juli 1900 – Lübeck, 3 mei 1945) was een Franse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 30 mei 1927 trouwde hij in Waldwisse met Catherine Louise Viginie Brandenbourger. Zowel Kerling als Waldwisse liggen langs de grens van Frankrijk en Luxemburg. Ze zouden twee kinderen krijgen, Gilbert en Claire. Het gezin Dupont verhuisde echter voor zijn werk naar Annacy, in de buurt van Geneve. Dupont was er adjudant van de Brigade van de gendarmerie van Montigny.

In de oorlog hielp hij daar met het ontspannen van Joden naar Zwitserland. Hij moest hen in de trein aanhouden en vervolgens op het spoor van de vluchtlijnen zetten. Hij maakte deel uit van de groep Dutch-Paris, net als Vital Dreyfus, en hield daarbij een intensief contact met Jean Weidner en Marie-Louise Meunier. Hij hielp een groot aantal Nederlanders de Zwitserse grens over, dit in samenwerking met de inspecteur van politie, A.L. Charroin. (meer…)

MIJN LIEF IS VANDAAG JARIG

.
.
.
.
.
.
Ik wens je een jaar
vol gezelligheid en kracht
vol vreugde en hoop
en iedereen die naar je lacht.

Ik wens je een wereld
van al het beste en vol licht
vol liefde en vriendschap
en een glimlach op je gezicht.

Ik wens je veel en alles.
geen tranen
geen zorgen
geen pijn
dat je heel veel geniet
volop blijheid en plezier
en dat ik er altijd bij mag zijn

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 002

Frans van den Muijsenberg / 9 juni 2016 / gorilla’s in Burgers Zoo

MARIE BECKER

Marie Alexandrine Becker, met als bijnaam de Zwarte Weduwe, werd op 14 juli 1879 in Wamont (België) geboren. Ze is een van de grote Belgische massamoordenaars. Ze werd ter dood veroordeeld voor het vergiftigen van elf personen tussen 1932 en 1936. Omdat de doodstraf sinds 1863 in België niet meer werd uitgevoerd, werd dat automatisch omgezet naar een levenslange gevangenisstraf. Marie Becker stierf op 11 juni 1942 in de gevangenis.

Tot haar 53e verjaardag leidde Marie Becker een onopvallend leven in Luik. Ze overzag toen haar levens eens en concludeerde dat het allemaal wel erg middelmatig en saai was geweest. Haar hele leven was ze de brave huisvrouw geweest en ze realiseerde zich dat ze maar weinig tijd had hierin nog verandering te brengen. Die overpeinzingen zullen ongetwijfeld te maken hebben gehad met een ontmoeting met een zeker Lambert Bayer, een notoire rokkenjager. Marie viel echter als een baksteen voor de veel jongere Lambert en waande zich een tijdlang in de zevende hemel. Ze moest de affaire met Bayer, waarin ze eindelijk kon experimenteren met allerlei seksuele fantasieën, weliswaar goed verborgen houden voor haar saaie echtgenoot, maar een tijdlang werd dat voldoende gecompenseerd. Op een gegeven moment werd ze de stiekeme bezoekjes aan Bayer echter beu en ging ze meneer Becker steeds meer zien als een vreselijke sta in de weg voor het leventje dat ze eigenlijk wilde leiden. Een echtscheiding was in die tijd niet aan de orde, dus besloot Marie dat ze een manier moest verzinnen om haar echtgenoot uit de weg te ruimen. De oplossing lag in het gebruik van het middel digitaline. (meer…)

MARIE LOUISE VAN BOURBON-SICILIË

Maria Louise Immaculata van Bourbon-Sicilië (Napels, 21 januari 1855 – Pau, 23 februari 1874) was een prinses van Beide Siciliën. Zij was de jongste dochter van koning Ferdinand II der Beide Siciliën en diens vrouw Theresia. Op 25 november 1873 trouwde ze met Hendrik van Bourbon-Parma, de jongste zoon van hertog Karel III van Parma. Het huwelijk eindigde echter kort daarna in 1874, door haar plotse overlijden op slechts negentienjarige leeftijd.

Het Huis Bourbon-Sicilië is de Italiaanse linie van het Spaanse (en oorspronkelijk Franse) geslacht Bourbon. Het familiewapen geeft een mooi beeld van de enorme macht die de Bourbons tot eind 19e eeuw in geheel Europa hadden.

Het Koninkrijk der Beide Siciliën (informeel ook wel het Koninkrijk Napels genoemd) was de grootste en rijkste Italiaanse staat voor de Risorgimento. Het werd gevormd uit een unie van het Koninkrijk Sicilië en het Koninkrijk Napels in 1816 en duurde tot 1860, toen het werd geannexeerd door het Koninkrijk Sardinië, dat in 1861 werd omgevormd tot het Koninkrijk Italië werd in 1861. De hoofdstad was Napels. Het koninkrijk strekte zich uit over de Mezzogiorno (het zuidelijke deel van het vasteland van Italië) en het eiland Sicilië. De naam Beide Siciliën is ontstaan uit de verdeling van het middeleeuws Koninkrijk Sicilië. Tot 1285 waren het eiland Sicilië en de Mezzogiorno beide deel van het Koninkrijk Sicilië. Als gevolg van de Oorlog van de Siciliaanse Vespers verloor de Koning van Sicilië Sicilië aan de Kroon van Aragon, maar bleef koning over het schiereiland van het koninkrijk. Hoewel zijn territorium bekend werd als het Koninkrijk Napels gaven hij en zijn opvolgers de titel van Koning van Sicilië nooit op en ze verwezen naar hun koninkrijk als het Koninkrijk Sicilië. Op hetzelfde moment noemden de heersers van Aragon van het eiland Sicilië hun koninkrijk het Koninkrijk Sicilië. Dus waren er formeel twee koninkrijken die zichzelf “Sicilië” noemden: vandaar de Beide Siciliën. Het eerste Koninkrijk der Beide Siciliën ontstond in 1442 toen Alfons V van Aragón en Sicilië Napels veroverde en zichzelf uitriep tot koning der Beide Siciliën. Na zijn dood in 1458 werd het rijk echter weer opgedeeld. Napels kwam toe aan zijn bastaardzoon Ferdinand I en de rest aan zijn broer Johan II. In de periode van 1504 tot 1713 waren de Siciliën een onderkoninkrijk van Spanje. Na in korte tijd een aantal keer van eigenaar veranderd te zijn kwamen de twee koninkrijken in handen van het huis Bourbon.
(meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 001

Frans van den Muijsenberg / 19 mei 2016 / kunstwerk in Reijmerstok

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 09

COLONNE HENNEICKE

Zodra de Duitsers in mei 1940 Nederland hadden bezet, werd begonnen met de vervolging van het Joodse deel van de bevolking. Al na twee maanden kwam de eerste van een eindeloze reeks maatregelen, die er op waren gericht de Joodse bevolking stapsgewijs te isoleren, te beroven en uiteindelijk uit de samenleving te verwijderen (zie pagina 5 voor het overzicht).
De zogenoemde Colonne Henneicke was werkzaam gedurende de slotperiode van de vervolging van de Joodse bevolking in Nederland. De groep, onder leiding van Willem Henneicke en Willem Briedé, was actief in de periode maart – september 1943. Het was een gezelschap van omstreeks vijftig Nederlandse premiejagers die ondergedoken Joden opspoorde en aan de Duitse instanties uitleverde. Ook verrijkten de premiejagers zich met het opsporen en zich toe-eigenen van Joodse bezittingen.

In de Duitse organisatiestructuur was Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart de hoogste autoriteit in bezet Nederland. Direct onder hem viel Hanns Rauter, de Generalkommissar für das Sicherheitswesen en tevens Höhere SS-und Polizeiführer, daarmee de hoogste politiechef van de bezetter. Onder Rauter werkte dr. Wilhelm Harster, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD (= Sicherheitsdienst), tevens de baas over het kamp Amersfoort. Binnen Harster’s staf kwam een afdeling IVB4 (een naam die precies is overgenomen van de afdeling van Adolf Eichmann in zijn Berlijnse hoofdkwartier), met Willi Zöpf als hoogste landelijke baas en Willi Lages als eindverantwoordelijke voor de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, de instelling die verantwoordelijk was voor de deportatie van de Nederlandse Joden. Lages liet de dagelijkse leiding over de Zentralstelle over aan Ferdinand Aus der Fünten en Karl Wörlein. Vanaf 1942 begon de Duitse oorlogsmachine op volle toeren te draaien. Hoofdzakelijk een Duitse aangelegenheid, maar ondersteund door Nederlandse handlangers. Van de ruim 160.000 geregistreerde Joden werden wekelijks duizenden naar de vernietigingskampen in Polen gestuurd. Later zou blijken dat meer dan 100.000 Joodse Nederlanders de oorlog niet hadden overleefd. (meer…)

JOHAN BUZIAU

Johannes Franciscus Buziau (Den Haag, 7 januari 1877 – Rijswijk, 3 februari 1958) was een Nederlandse clowneske komiek en revue-artiest. Buziau werd geboren in een muzikantenfamilie. Toen hij zes jaar was, verhuisde het gezin naar Amsterdam en later naar Antwerpen. Van jongs af aan wilde hij theaterartiest worden, maar hij vond in eerste instantie slechts werk als ijsverkoper in een theater tijdens de pauze van de voorstelling. Omdat hij meer wilde, trad hij in dienst bij Circus Renz in een act met waterballetten, gevolgd door een ladderact met een groep acrobaten. Al op zeventienjarige leeftijd werd hij voltijds artiest en trok rond met clowneske nummers waarvan zijn creatie Professor Rikiri de beroemdste werd. Met deze act zwierf hij negen jaar langs theaters in binnen- en buitenland; het leidde tot een internationale carrière. In 1914 werd hij door Henri ter Hall gevraagd te komen optreden in de revue Pas d’r op; hij werd hierdoor een revueartiest in plaats van variétéartiest. Doordat hij nu een vast inkomen kreeg, kon hij huwen met Geertruitje Hartemink en kon hij zich ook vestigen in Rijswijk. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog beperkte hij zich noodgedwongen tot Nederland, waar hij vanaf 1914 de publiekstrekker voor het Eerste Nederlandse Revue Gezelschap van Henri ter Hall werd. De Ter Hall Revue werd in 1928 opgeheven omdat de Bouwmeester’s Revue veel populairder was. Buziau trad in dienst bij Louis Bouwmeester jr. en van 1928 tot 1942 vervulde hij dezelfde rol voor de Bouwmeester’s Revue. Buziau was in de periode tussen de beide wereldoorlogen als clown onbetwist Nederlands populairste komiek. Filmbeelden van de nummers die hij op het podium deed zijn nooit gemaakt, omdat hij bang was dat het publiek anders niet meer op zijn theateroptredens af zou komen. (meer…)

ALBERT ROZEMAN (17)

Albert Jan Rozeman (Zaandijk, 29 maart 1914 – Overveen, 6 juni 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Rozeman was ambtenaar sociale zaken en woonde in Hoogeveen. Hij was actief in het verzet in Drente als plaatselijk leider van de LO, hij had daarbij de schuilnaam Aro. Samen met Henk Raak vermenigvuldigde en verspreidde hij illegale pamfletten. Daarbij was ook de zus van Raak betrokken, Jannie Raak. In de eerste jaren van de Duitse bezetting werkte Jannie als bediende op het regionale distributiekantoor in Hoogeveen. Hier werden stam- en bonkaarten uitgegeven aan de bevolking. In Hoogeveen waren veel schippers ingeschreven die meestal niet in het dorp waren. De kaarten die daardoor overbleven, werden door Raak en haar collega’s doorgespeeld aan verzetsmensen zoals Jos van Aalderen en Albert Rozeman. Zo kon de eerste nood worden gelenigd van onderduikers die zelf niet aan kaarten konden komen.

Als voorzitter van de Hervormde Jongelingsvereniging zorgde hij er voor dat, op één na, alle leden voor de arbeidsinzet weigerden en onderdoken. Met onder meer Johannes Post werkte hij samen voor LO, KP en perswerk. Hij verspreidde ‘Vrij Nederland’ en ‘Trouw’, werkte mee aan het Nationaal Verzet van de AR-partij en was de ziel van het plaatselijke ambtenarenverzet. In de oprichting van een KP had hij een groot aandeel en was daarvan de geestelijke leidsman. (meer…)

LOUIS BOLK

Louis Bolk (Overschie, 10-12-1866 – Amsterdam, 17-6-1930) was de zoon van gemeenteontvanger Alexander Bolk en Cornelia Blok. Zijn vader was daarnaast ook werkzaam was bij de Nederlandsche Hervormde Kerk in Overschie, een belangrijke reden dat hij aanvankelijk wilde dat zijn zoon theologie zou gaan studeren. Om die reden ging Louis, na de MULO en enkele jaren HBS, naar het gymnasium in Schiedam. Zelf wilde hij echter liever geneeskunde studeren, maar omdat de rijkssubsidie voor de opleiding tot officier van gezondheid werd opgeheven, moest hij deze wens laten varen. Louis verliet daarom voortijdig het gymnasium en ging in de leer bij een notaris in Waalwijk. In 1888, nadat hij met succes het examen voor kandidaat-notaris had afgelegd, werd Bolk financieel in staat gesteld aan de Universiteit van Amsterdam medicijnen te studeren. Het notarisvak zegde hij echter niet helemaal vaarwel. Tijdens zijn studie geneeskunde bracht Bolk namelijk twee jaar lang zijn vrije tijd door bij een notaris in Amsterdam om tot notaris te worden beëdigd. Zijn studie leed er kennelijk niet onder, want na het kandidaatsexamen schreef hij, als antwoord op een in 1891 door de medische faculteit uitgeschreven prijsvraag, zijn eerste wetenschappelijke werk ‘Bijdrage tot de kennis van de innervatie der huid en der spiergroepen aan het bovenbeen van den mensch’. Dat zou later in bewerkte vorm worden gepubliceerd in het Morphologisches Jahrbuch (21 (1894) 241-277). Deze bijdrage – die met een gouden medaille werd bekroond – getuigde van Bolks grote prepareer-technische kwaliteiten, die gedurende zijn gehele verdere carrière de basis zouden vormen van een groot deel van zijn wetenschappelijk werk.
(meer…)

LOET HESSELBERG (16)

Johannes Louis Hesselberg, bekend onder de roepnaam Loet, werd op 22 augustus 1919 in Madioen (Java) geboren. Tijdens de oorlog staat Loet ingeschreven aan de Technische Hogeschool Delft, maar tijdens de oorlogsjaren zal er van studeren niet komen. Loet wordt een belangrijk lid van het Studenten Contact in Delft. Hij onderhoudt contacten met in Duitsland tewerkgestelde studenten en reist hiervoor onder de naam Von Slicher zelfs verschillende keren naar Duitsland. Daarnaast is Loet betrokken bij het falsificatiewerk dat door het Studenten Contact wordt verricht. Het Studenten Contact vergadert regelmatig bij Willem de Nie (Wampie), de leider van het LO-Delftland en Westland. Vermoedelijk komt de SD als gevolg van verraad door Miep Oranje aan Willems adres. Bij een inval in de nacht van 7 op 8 augustus wordt Willem gearresteerd. Toen Hesselberg de dag daarop, komend van zijn slaapadres, aanbelde, werd ook hij door de Sipo gearresteerd. Zij worden beiden op 30 augustus 1944 door de Duitsers nabij Kamp Vught gefusilleerd.

Loet Hesselberg kreeg het Verzetskruis 1940-1945, waarschijnlijk als representant van het Delftse studentenleven dat een eminente bijdrage leverde aan het verzet en waarvan een lange lijst met gestorven en gefusilleerde hoogleraren studenten te overleggen is. In mei 1940 vormden alle Nederlandse studentenverenigingen een plaatselijke Contactcommissie, die verenigd waren inde landelijke Studenten Federatie. In Leiden leidde dit verzet op 26 november 1940 tot de beroemde ‘Rede van Cleveringa’, waarin de Leidse hoogleraar Rudolph Cleveringa fel protesteerde tegen het ontslag van niet-arische collega’s. In Delft was er geen sprake van steunbetuiging bij de docenten, de Academische Senaat probeerde de rel te smoren, en de bezettingsautoriteiten sloten de Technische Hoogeschool. (meer…)

HERBERT JOEKS

Herman Jozef van Hugten (Amsterdam, 26 november 1915 – aldaar, 28 juli 1993) was een Nederlands acteur en zanger die bekend werd onder de naam Herbert Joeks. Als kind heeft Joeks al belangstelling voor toneel en hij speelt in zijn jeugd al snel rollen bij het amateurtoneel. Omdat hij van het amateurtoneel niet kan leven, gaat hij werken als verkoper in een modemagazijn. Ironisch genoeg is het de bezetting van Nederland door Duitsland in mei 1940 die hem weer doet terugkeren naar zijn oude liefde. Om aan de tewerkstelling in Duitsland te ontkomen gaat hij bij een cabaret werken. Bij het gezelschap Trianon, dat onder leiding staat van Dolly Dolores, zingt hij Weense liedjes en houdt conferences. Maar zijn nieuw hervonden carrière duurt niet lang, al snel moet hij onderduiken.

Na de bevrijding stopt Joeks definitief met verkopen van kleding. Rens van Dordt engageert hem voor zijn revuegezelschap. Later zingt hij bij gezelschap van Herman Tholen, Gerard Walden en Berry Kievits en bij Faveur. In 1947 krijgt hij een vast contract bij het Theater Plezier van Floris Meslier, waar hij het drie jaar uit zou houden. In diezelfde tijd treedt hij ook veelvuldig op voor de radio in programma’s als De bonte dinsdagavondtrein, Mimoza en Negen heit de klok. Als hij in 1951 opstapt bij Meslier wordt hij door de Snip en Snaprevue ingehuurd. Intussen komt ook de televisie op en in 1955 gaat Joeks werken bij de vaste toneelkern van de Nederlandse Televisiestichting. Tussen 1955 en 1958 speelt hij zo’n honderd rollen in diverse producties. (meer…)

KONRAD MORGEN: EEN RECHTER IN AUSCHWITZ

Valentin Georg Konrad Morgen werd geboren op 8 juni 1909 in Frankfurt am Main. Zijn vader was treinmachinist. In 1929 behaalde Konrad zijn examen aan de Oberrealschule. Daarna studeerde hij rechten aan de universiteiten van Frankfurt am Main, Rome en Berlijn. Tevens was hij student aan de Academie voor Internationaal Recht in Den Haag en het Instituut voor Wereldeconomie en Scheepvaart in Kiel. Na succesvolle afronding van zijn studies mocht hij zich doctor in de rechten noemen en als specialist in het internationale recht stond hem een mooie carrière te wachten in het “nieuwe” Duitsland. Hitler bood jonge academici als hij immers volop carrièremogelijkheden, mits ze zich gedienstig opstelden ten opzichte van het nationaalsocialisme en zich aansloten bij de partij of een daaraan gelieerde organisatie.

Ook Morgen bewandelde dat pad. Na de oorlog beweerde hij dat hij voordat Hitler aan de macht kwam weinig enthousiast was over het nationaalsocialisme en zichzelf eigenlijk beschouwde als een “nationaal-liberaal”. Niettemin sloot hij zich direct na de benoeming van Hitler tot rijkskanselier in januari 1933 aan bij de gelederen van de nationaalsocialisten. Op 1 maart 1933 werd hij lid van de Allgemeine-SS, de civiele tak van de SS, en een maand later werd Morgen lid van de NSDAP. Na de oorlog noemde hij zijn lidmaatschap noodzakelijk voor de voortzetting van studie (hij zat in zijn zesde semester) en in het geheel niet aan het partijleven deelgenomen te hebben. Wel was hij lid van de Nationalsozialistischer Deutscher Studentenbund (NSDStB, nazi-studentenvereniging) en de NS-Rechtswahrerbund (de nazi-advocatenbond). Hij lijkt één van de vele opportunisten die zich pas bij de partij aansloten nadat deze aan de macht was gekomen.
(meer…)

ISAAC LIPSCHITS

Isaac Lipschits (Rotterdam, 19 november 1930 – Groningen, 24 mei 2008) was een Nederlandse politicoloog en geschiedkundige. Lipschits kwam uit een Joods gezin waarvan de vader op de markt stond. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lieten zijn ouders hem en zijn jongere broer – zij waren de jongsten van het acht leden tellende gezin – in 1942 onderduiken. Daardoor waren zij de enigen die de Holocaust overleefden, de andere gezinsleden vonden de dood in de concentratie- en vernietigingskampen in Oost-Europa.

Na de oorlog studeerde hij politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en in Parijs. Vervolgens ging hij zelf college geven, aan diverse universiteiten in Nederland en Israël was hij werkzaam. In 1990 ging hij bij de Rijksuniversiteit Groningen, waaraan sinds 1973 hoogleraar eigentijdse geschiedenis was geweest, met emeritaat. Aan de Groningse universiteit was hij ook de oprichter van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Lipschits schreef diverse boeken, enerzijds over politieke onderwerpen, anderzijds over de naoorlogse Joodse gemeenschap in Nederland. Ook maakte hij vertalingen, zoals van Das Kapital van de Duitse econoom en filosoof Karl Marx. Voor het onderzoek naar geroofde Joodse bezittingen tijdens de oorlog – het zogeheten Liro-onderzoek – wist hij diverse van belang zijnde documenten te achterhalen. Het optreden van de Contactgroep Tegoeden WO-II, die onder leiding van oud-minister Jos van Kemenade de opdracht had te bepalen welk bedrag met het rechtsherstel van de Nederlandse Joodse gemeenschap gemoeid diende te zijn, kon zijn toets der kritiek niet doorstaan. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 08

GERRIT DE BOER (15)

Gerrit de Boer (Meppel, 26 juli 1923 – aldaar, 24 december 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Boer (verzetsnaam “Willy”) was eigenaar van een schoenenzaak aan de Hoofdstraat 39 in Meppel. Hij was lid van de verzetsgroep van Jan Gunnink (‘Ome Hein’). In 1941 had “Ome Hein” een aantal jongeren bijeengebracht om zich te gaan verzetten tegen de Duitse bezetter. Men legde contract met Wim Speelman, die betrokken was bij het verzetsblad Vrij Nederland (later van Trouw) en organisator was van de verspreiding. In januari 1943 stond er in januari een oproep in het Algemeen Politieblad waarin de Sicherheitsdienst (SD) vroeg om opsporing en aanhouding van 20-jarige De Boer. Hierop dook hij onder op verschillende adressen maar zette zijn verzetsactiviteiten voort. Hij vormde na de stakingen in april en mei 1943 een nieuwe verzetsgroep met als kern Albert Rozeman (‘Victor’), Jan Naber (‘Nico’), Fokke Jagersma, Henk Potman en de drie zonen van Jan Gunnink, Klaas, Hendrik en Gerrit. Ze houden zich bezig met de distributie van illegale bladen, overvallen op distributiekantoren, hulp aan piloten en het verzorgen van onderduikadressen voor Joden.

In november 1943 reisden Fokke Jagersma en Henk Potman naar ‘s-Hertogenbosch waar ze erin slaagden om uit het politiebureau daar een grote partij revolvers buit te maken. Hiermee kon de groep van ‘Ome Hein’ bewapend worden en werd het mogelijk om distributiekantoren te overvallen om zo bonkaarten te ontvreemden en ging men spoorlijnen saboteren. In augustus 1944 sloot de groep van De Boer c.s. zich aan als Knokploeg Meppel bij de Landelijke Knokploegen. Gunnink werd de commandant van de KP-Meppel.
(meer…)