Het wandel- en fietspad ligt aan het eind van het jaar bezaaid met duizenden kleine blaadjes. De ene dag wat meer dan de andere, een beetje afhankelijk van de sterkte van de wind. Of van de regen die ervoor zorgt dat ze wat langer aan het cement blijven plakken. Dagelijks passeren voetgangers en fietsers die alles nog wat vaster aan het cement houdt. Wat na een tijdje fantastische patronen op het pad achterlaat.
.
.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg,
december 2018, copyright F. van den Muijsenberg. (meer…)
In de eerste naoorlogse uitgave van De Zwerver, het blad van de LO-LKP, verscheen op de openingspagina een kort bericht ‘De galerij onzer doden’ met als ondertitel ‘Een woord van gedachtenis’ vanuit het stichtingsbestuur, waarin in vogelvlucht de geschiedenis van de landelijke organisatie werd geduid en, met de nodige nationalistische en religieuze verwijzingen, werd gewaarschuwd dat de vrede nog lang niet was bereikt. Ik veronderstel niet dat hiermee gedoeld werd op het feit dat in Azië de oorlog nog lang niet was betwist en dat Nederlands-Indië nog bezet was, maar meer dat zo kort na de oorlog niet al te optimistisch moest worden verondersteld dat het alle nationaalsocialistisch gedachtengoed voorgoed tot het verleden behoorde. De strijd was nog niet helemaal gestreden en men diende alert te zijn dat de naoorlogse samenleving werd ingericht conform de idealen waarvoor men gestreden had en waarvoor zovelen waren gesneuveld.
Gesprekken, ze zwijgen; de twisten zijn stil. Met omfloerste blik zien we op naar hen, die vielen, onze makkers van de L.O. Ze waren niet zo edel en hooggeboren, niet zo rijk en hooggetiteld: een bakker, een klerk, een landarbeider, een technicus, een schoolmeester … Trouwens, hoe ontstond de L.O.? Een plattelandsdominee uit een dorpje bij de Duitse grens; hij doorziet het nieuwe heidendom beter, dan de heren in Den Haag. Hem hielp een vrouw. Die predikant en die vrouw zijn de “stichters” van de LO.! Een geestelijke en een huismoeder. Frits, de dominee werd destijds gevangen, maar bevrijd en is nu vrij. Tante Riek werd in Juli ’44 gegrepen. Waar ze nu is ……? De derde “stichter kwam uit het Westen waar hij zelf al wat opgezet had, een schoolmeester. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Eysink, Fredericus Berend, geb. 23-3-’23. Op 2-6-’44 gearresteerd door S.D. Tot 4-8-’44 in Huis van Bewaring te Groningen. Daarna op transport naar Amersfoort’.
Frederikus Berend Eijsink, roepnaam Frits (Hoogezand, 23 maart 1923 – Vught, 22 augustus 1944) was een winkelbediende die lid was van de K-groep, die haar hoofdkwartier had aan Martinikerkhof 19 in Groningen, recht tegenover het beruchte Scholtenhuis. De groep werd zo genoemd omdat iedereen een identificatienummer had dat met een K begon, zodat men elkaars naam niet kende en elkaar bij eventuele verhoren niet zou kunnen verraden. Frits Eijsink had nummer K-05 en werkte binnen de groep voor de ‘materiaal inlichtingendienst’. (meer…)

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.
Rondlopen door de natuur betekent onvermijdelijk dat men een keer op een dood dier stuit. Het is dan altijd de vraag wat er is gebeurd. Is die eend van ouderdom langs de kant van de weg overleden of daar terechtgekomen nadat ie uit de lucht was geknald? Die muis … heeft ie de pech gehad onder de wielen van een voorbijrazende scooter te komen terwijl hij rustig het wandel- en fietspad overstak?
.
.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg,
december 2018, copyright F. van den Muijsenberg. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Hermann Kropff. In October ’44 verplaatst van Concentratiekamp “Oranienburg” naar ,,Neuengamme” bij Hamburg’.
Hermanus Willem Karel Kropff (Den Haag, 1 februari 1922 – Neuengamme, 23 april 1945) woonde in de Sophiastraat 45 te Voorburg. Hij was van beroep kantoorbediende. In 1940 was de dan pas achttienjarige Herman de medeoprichter van de sabotage- en inlichtingengroep ‘De Witte Anjer’, waarvan alleen bekend is dat zijn latere echtgenote Alida Johanna Minderman (Den Haag, 9 augustus 1922), roepnaam Ans, er bij betrokken was. Welke andere deelnemers deel uitmaakte van het jeugdige groepje is onbekend, maar wellicht dat Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD) documentatie heeft die meer informatie geeft. Duidelijk is in elk geval dat met de arrestatie op 30 december 1943 van het echtpaar Kropff ook een eind kwam aan de verzetsgroep de Witte Anjer. Het verzetsgroepje beschikte over een zender waarmee berichten werden overgeseind naar Engeland. (meer…)

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.
De hof te Balgoy behoorde waarschijnlijk tot het beginkapitaal van het kapittel van St. Jan te Utrecht, dat rond het midden van de elfde eeuw werd gesticht. Het is onbekend hoe Balgoy door St. Jan is verworven. Wel is zeker dat de hof of curtis Balgoy aanvankelijk een van de belangrijkste bezittingen van het kapittel uitmaakte en dat de proost er de hoge rechtsmacht uitoefende. De oudste vermelding van de goederen te Balgoy, waartoe ook een aantal tijnsgoederen binnen Balgoy zelf en over de Maas in Brabant behoorden, dateert eerst uit het jaar 1172. De curtis werd aanvankelijk in erfpacht uitgegeven, maar in de tweede helft van de veertiende eeuw bestond er een leenverhouding tussen de proost van het kapittel en de bezitter van de curtis. Het kasteel in het Gelderse dorp Balgoij (gemeente Wijchen) werd in 1257 voor het eerst vermeld. De graaf van Kleef en de proost van de Utrechts Sint-Janskerk verdeelden namelijk dat jaar hun goederen in Balgoij. De proost kreeg het hof, de graaf ontving het kasteel. Binnen de expansiepolitiek van de graven van Kleef paste het in de macht hebben van de heerlijkheid Balgoy en Keent. Rond 1350 werd Balgoy en Keent in zijn geheel Kleefs leen. Om zijn macht te bevestigen bouwde de graaf van Kleef een kasteel, het Huys tot Balgoye. Met zijn zware zaaltoren en grote voorburcht behoorde het kasteel tot een van de geduchtste in het gebied. (meer…)
In de negentiende eeuw was de Amerikaanse markt voor ‘geneesmiddelen’ vergeten van allerlei zogenaamde patentgeneesmiddelen. Dat was een vrij verkrijgbaar (zonder recept) geneesmiddel of medicinaal preparaat, dat door een handelsnaam en soms ook een octrooi werd beschermd. In de veelvuldige advertenties om het middel te promoten werd beweerd dat het tegen allerlei kleine aandoeningen en symptomen zou helpen. Aan de praktijk kwam pas voorzichtig een eind toen in 1906 de Pure Food and Drug Act werd ingevoerd, fabrikanten de samenstelling van hun product kenbaar moesten maken en de overheid met controles startte. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam echt een eind aan de fabricage en verkoop van de vaak niet ongevaarlijke producten. In vorige blogs zijn Clark Stanley’s Snake Oil en Mrs. Winslow’s Soothing Syrup al de revue gepasseerd. Dat ‘revue’ is hier wel een toepasselijke omschrijving, want heel wat van deze producten maakten reclame via medicijnshows in het middenwesten. Een praktijk die met emigranten was overgebracht vanuit Europa, waar al eeuwenlang door rondreizende ‘charlatans’ met mooie praatjes ondeugdelijke middelen werden verkocht. Tegen de tijd dat men ontdekte dat het middel waardeloos was, trad de charlatan al elders op. Als het om de verkoop van ‘geneesmiddelen’ ging werd de persoon een kwakzalver genoemd. In ‘The Canterbury Tales’ van Geoffrey Chaucer (1340-1400) in The Pardoner de charlatan die zondaars verleidt tot het kopen van valse religieuze relikwieën. De beroemdste straatcharlatan was Tabarin uit Parijs, die via kluchtige dialogen jarenlang en met groot succes allerlei kwakzalvermedicijnen verkocht. Dat gebeurde in een openluchtshow met veel muziek. Zijn optreden was zo succesvol dat hij Molière en De la Fontaine in hun werk inspireerde. (meer…)
De voormalige Franse provincie Gévaudan komt nagenoeg geheel overeen met het huidige departement van de Lozère in de regio Languedoc-Roussillon. In de vroege middeleeuwen behoorde het gebied tot het Graafschap Toulouse met eerst Javols en later Mende als centrum. Het werd Frans gebied in 1258. In 1789 kwam met de Franse Revolutie een einde aan de macht van de provincies; in 1790-1791 werd de provincie Gévaudan hernoemd tot het departement Lozère. De naam Gévaudan bleef echter bewaard door het legendarische Beest van Gévaudan, een mysterieus roofdier dat in 18e eeuw veel dodelijke slachtoffers maakte. In de periode 1764-1767 viel het enorme monster namelijk mensen aan en maakte tientallen slachtoffers. Het afgelegen gebied Gévaudan was enkele jarenlang een angstige streek, een gebied dat men beter kon vermijden.
De eerste aanval van het beest vond plaats op 1 juni 1764. Een vrouw uit Langogne zag een grote hond uit het bos komen, die haar direct aanviel. Het dier kon echter door de stieren van de boerderij worden weggejaagd. Op 30 juni 1764 werd in Gévaudan de viertienjarige Jeanne Boulet aangevallen terwijl ze schapen aan het hoeden was. Als schuldige voor haar dood werd ‘het woeste beest’ opgeschreven. Het beest was na de eerdere aanval in Langogne dus bij de lokale bevolking bekend. Wellicht waren er hier en daar nog andere mislukte aanvallen geweest. Wat iedereen daarbij wel was opgevallen was dat het roofdier op een ongebruikelijke manier aanviel. Roofdieren gaan gebruikelijk naar de benen of de keel, maar dit beest richtte zich op het hoofd. De trieste dood van de jonge Jeanne was geen reden voor paniek, want aanvallen door wilde dieren waren geen zeldzaamheid. Dat veranderde echter toen in augustus een vijftienjarig meisje en een zestienjarige jongen werden aangevallen en deze aanval ook niet overleefde. In september volgde nog eens vier aanvallen. Een van de slachtoffers was een zesendertigjarige vrouw die nota bene vlak voor haar voordeur door ‘het woeste beest’ was doodgebeten. De aanvallen werden nu een serieuze bedreiging. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 47 van 3 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Tom Lambrechtsen van Ritthem. Schuilnaam Chilly. Was werkzaam in Amsterdam. Waarschijnlijk bij L.O., 3 Mei j.I. gefusilleerd.’
Thomas Jan Lambrechtsen van Ritthem (Batavia, 11 augustus 1922 – Rheden, 20 november 1944) stamde uit een geslacht dat oorspronkelijk uit Petegem, Oost-Vlaanderen afkomstig was en toen nog gewoon Lambrechtsen heette. Het geslacht verhuisde al vroeg naar Zeeland. Zo was Joos Lambrechtsen (1597-1669) in Zierikzee poorter, winkelier en kaarsenmaker en Nicolaas Lambrechtsen (1674-1707) werd een bestuurder in Vlissingen. Ook in latere generaties kwamen Zeeuwse bestuurders voor. In 1764 kocht een telg de heerlijkheid Ritthem; de naam is in 1816 per ongeluk aan de geslachtsnaam toegevoegd en is sindsdien als Lambrechtsen van Ritthem bewaard gebleven. Het geslacht is opgenomen in het genealogische naslagwerk Nederland’s Patriciaat. De ouders van Tom, Nicolaas Jan Cornelis Lambrechtsen van Ritthem (1890-1974) en Albertine Maria van der Mieden van Opmeer (1896-?) trouwde op 24 september in 1921 in Den Haag en vertrokken toen naar Nederlands-Indië. Daar werd elf maanden later in Batavia Tom geboren. Een paar jaar later keerde het gezien terug naar Nederland en vestigde zich in Terneuzen, waar vader havenmeester werd. In Zeeuws-Vlaanderen werden Toms zusjes Tineke en Martha geboren. (meer…)
Neerbosch was een voormalig landelijk gebied waarvan de eerste bewoning dateert uit de 13 eeuw toen de moerassen ten westen van Nijmegen werden drooggelegd. De naam verwees naar het grote bos (het Reichswald), dat zich toentertijd uitstrekte van Kleef tot Beuningen en Ewijk. De naam ‘in den Nederen Bosche’ komt voor het eerst voor in 1410. Sinds de 19e eeuw ligt Neerbosch binnen de gemeentegrenzen van Nijmegen. Het was een grotendeels leeg gebied, met her en der een boerderij en aan de oostkant het langgerekt dorp Neerbosch. In een minuutplan uit 1822 bestond de kadastrale gemeente Neerbosch uit zes secties, namelijk De Biezen, Hees, den Heikant, het Teersche Broek, Bijsterhuizen en het dorp Neerbosch.
Die situatie veranderde dramatisch toen in 1920 werd begonnen met de aanleg van het Maas-Waalkanaal, een 13,5 kilometer lange verbinding tussen beide rivieren, van Heumen naar Weurt. Voorheen moesten schepen om van Heumen naar Nijmegen te kunnen en dan naar het Duitse achterland te kunnen varen een omweg van ruim honderd kilometer maken. Op 27 oktober 1927 werd het kanaal door koningin Wilhelmina geopend. Na de aanleg werd het dorp lastig bereikbaar omdat het op het punt kwam te liggen waar de Maas en het kanaal samenkwamen. De consequenties voor het dorp Neerbosch waren niet minder ernstig, want het werd doormidden gedeeld. Het dorp Hatert werd later geconfronteerd met de bouw van de Hatertsebrug waardoor twee dorpskroegjes en de kerk en daarmee de dorpskern verdween. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Elias (Herman) Rooselaar, geb. 31-10-1903. 19-11-’43 in Asd. gearresteerd. Medio Jan. naar Westerbork. 2-3-’44 naar Duitschland. Moet voor transport naar Dsld. geholpen zijn door Groningsche dame, welke werkzaam was te Westerbork.’
Elias Rooselaar werd op 31 oktober 1903 in Amsterdam geboren. Hij werd vernoemd naar zijn opa, de ‘werkman’ Elias Rooselaar, die op 17 juni 1842 in de hoofdstad was geboren. Uit diens huwelijk met Keetje Salomons Waals (16 maart 1836) kreeg hij vijf kinderen: Abraham (1868), Salomon (1870), Philip (1872), Elisaberth (1876) en Greetje (1879). Het gezin woonde in de Joden Houttuinen nummer 41,een deel van de zogenaamde Jodenhoek (Joden Houttuinen, Valkenburgerstraat, Uilenburgerstraat en Batavierstraat), De verdwenen straat dankte zijn naam aan de oorspronkelijke functie als opslagplaats voor hout en de latere bewoning door voornamelijk Joden die vanaf in grote getale vanuit Oost-Europa naar Amsterdam kwamen. Het was een sloppenwijk waar de armste Joden van de stad opeengehoopt woonden in kleine eenkamerwoningen in nauwe steegjes en straatjes. Louis M. Hermans beschreef in 1901 in zijn rapport over de Amsterdamse krottenwijken ook de Joden Houttuinen: ‘Daar was “een slop ‘Wijde gang’ waar zo veel ongedierte is dat vader en moeder in de zomer op de vensterbanken slapen omdat in het ‘donkere gat, dat men bedstede noemt’ de wandluizen zo bijten. Alleen de van het venten of bedelen uitgeputte kinderen kunnen er slapen, al krabben zij ook het vuile vleesch tot bloedens toe in hun slaap.’ Het gezin verhuisde later naar de Valkenburgerstraat, wat wellicht een verbetering is geweest ten opzichte van het vorige adres. Elias vader, Salomon Rooselaar (1870) woont in 1906 in de Langebrugsteeg, wat wel een behoorlijke verbetering is te noemen. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In mei 1945 verscheen in het verzetsblad De Zwerver een korte oproep: ‘2. Donsje Kater, gebracht naar Friesland’. Jarenlang bleef het een raadsel waar Donsje Kater was gebleven, dat kleine Joodse meisje met de brede zwarte wenkbrauwen en de grote bos haar, die haar de naam Donsje opleverde. Donsje verdween uit beeld, nadat haar vader Bertus Kater haar via een advertentie in De Zwerver op het spoor was gekomen en haar ophaalde op haar onderduikadres in Bakhuizen, Friesland. Daarna bleef het een raadsel waar ze was gebleven., tot men haar weer op het spoor kwam na een bericht uit de Verenigde Staten van de dochter van Ruth de Jonge.
Ruth de Jonge woonde met haar ouders en twee broers aan het Zaailand in Leeuwarden. Voor de oorlog woonde de Joodse familie in het Duitse Weener, net over de grens, waar ze een machinefabriek hebben. In de jaren dertig werd het in nazi-Duitsland steeds lastiger voor Joodse ondernemers en vader De Jonge zat zelfs een tijd in concentratiekamp Börgermoor, de eerste van de vijftien Emslandkampen, waar hij vreselijk is gemarteld. Toen hij weer naar huis mocht, heeft hij zijn oudste zoon Heine aangeraden om naar Groningen te gaan. Uiteindelijk belandde hij in Leeuwarden, waar hij een nieuwe machinefabriek opstartte: ‘H. de Jonge – Huis der Techniek’. Vader Jakob de Jonge kwam voor een tweede maal in een concentratiekamp terecht, ditmaal in Sachsenhausen. Toen hij werd vrijgelaten, wist de zestigjarige Jakob dat ze nu zeer snel moesten vertrekken. (meer…)

.
Nijmegen, Achter de hoofdwacht, oud verbindingsstraatje tussen de Smidstraat en Grote Markt.
© Frans van den Muijsenberg
In de Romeinse tijd was de Rijn een sterk meanderende rivier, waarvan de meanders in het gebied ten noorden van Herwen nog steeds te zien zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Oude Rijn in het gebied van de Rijnstrangen. De Oude Rijn is een oude loop van de Boven-Rijn van 21,7 kilometer lang, die bestaat uit twee waterlopen. Totdat in 1707 het Pannerdensch kanaal gereed was, was de Oude Rijn de hoofdroute van de Rijn naar de Noordzee. In 1970 werd de verbinding met de hoofdstroom van de Rijn afgesloten. Het gebied ligt nu geheel binnendijks, maar het overwegend laaggelegen land is zeer waterrijk en het kent onder meer rietmoerassen die vooral door kwelwater worden gevoed. De Oude Rijn ontvangt nog wel wat water van het grensriviertje Die Wild, dat ook een oude Rijnloop is. De Tiefe Wild is een verbreed en meerachtig deel van Die Wild ten zuiden van Hoch-Elten, dat als recreatiegebied populair is. Op het eind van de Duitse Spijker Weg ligt nog een oude stalen brug uit de Tweede Wereldoorlog die op de monumentenlijst van Emmerik staat. Ter hoogte van Herwen en Lobith loopt Die Wild over in de Oude Rijn. Ten zuiden van Elten en noorden van Spijk vormt Die Wild de grens tussen Nederland en Duitsland. Die Wild is het verlengde van het grenskanaal de Berghsche Wetering, dat een natuurlijke grens is tussen de Nederlandse gemeente Montferland en de Duitse gemeente Emmerik en het Netterdensch Kanaal. Op haar beurt is de Berghsche Wetering, die een viertal grensovergangen kent, weer het verlengde van de Duitse Hetterlandwehr aan het natuurgebied Hetter-Millinger Bruch. Vanaf het dorp Netterden, op het punt waar een waterverdeelstation de Hetterlandwehr aansluit op de Löwenberger Landwehr, draagt het grenskanaal vanaf Duitse zijde de naam Netterdensch Kanaal. (meer…)
De Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) werd halverwege 1942 opgericht door Helena Kuipers-Rietberg (‘Tante Riek’) uit Winterswijk en Frits Slomp uit Heemse, een dorpje bij Hardenberg. Helena Kuipers-Rietberg had een driejarige HBS-opleiding gevolgd en daar haar toekomstige echtgenoot ontmoet, de graanhandelaar Piet Kuipers (1892-1978). Die werkte op het kantoor van haar vader, die molenaar en graanhandelaar was. Later kocht Kuipers zich in bij het bedrijf van zijn schoonvader. Helena zorgde voor de huishouding, de opvoeding van de vijf kinderen en was verder actief in diverse maatschappelijke organisaties. In 1932 was ze medeoprichter van de Gereformeerde Vrouwenvereeniging in Nederland en vanaf de oprichting in 1937 hoofdbestuurslid van de Bond van Gereformeerde Vrouwenvereenigingen in Nederland, wat haar een uitgebreid netwerk opleverde dat in de bezettingstijd erg nuttig bleek te zijn. Ze was erg tegen de nationaalsocialistische beweging en begon direct na de bezetting al met hulpverlening aan onderduikers. Daarbij kwam ze in contact met de gereformeerde dominee Frits Slomp, die in juli 1942 moest onderduiken vanwege zijn anti-nationaalsocialistische activiteiten. Tegelijkertijd werden steeds meer Joodse Nederlanders weggevoerd, moesten grote aantallen jongeren verplicht werken voor de Duitse oorlogsindustrie, kwamen er gevluchte krijgsgevangenen de grens over en moesten ook bemanningsleden van neergeschoten geallieerde vliegtuigen worden geholpen. Het aantal onderduikers nam daardoor snel toe. Geld voor al dat werk kreeg Kuipers-Rietberg uit een van de illegale noodfondsen, later het Nationaal Steun Fonds, waarvoor zij de uitbetaalster voor de Achterhoek was. Valse papieren en voedselbonnen werden door anderen geleverd. De door hen opgerichte Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) groeide snel uit tot een grote landelijke organisatie, die in augustus 1943 de Landelijke Knokploegen (LKP) oprichtte. (meer…)
Nadat S.D.-commandant Enkelstroht het echtpaar Kuipers-Rietveld op hun onderduikadres had gearresteerd (zie: De Onderduik van het gezin Kuipers-Rietveld) werden ze meteen overgebracht naar de gevangenis van Arnhem. Daar moeten ze met de handen omhoog en met de gezichten naar de muur blijven staan. De Duitsers laten hen enige tijd zo staan. Dan worden ze meegenomen en in twee aparte cellen die naast elkaar liggen opgesloten. Het zijn twee kale cellen, in die van Heleen Kuipers staat alleen een rustbed en er ligt nog wast brood, waarschijnlijk van een vorige gevangene, in die van Piet Kuipers staat helemaal niets. Hoewel het moeizaam gaat is het toch mogelijk door de muur van hun cel heen enig contact met elkaar te onderhouden. Heleen Kuipers getuigt zingend van haar geloof, iets wat ook haar man de nodige steun geeft. Dit in die moeilijke tijden getuigen van haar geloof ontlokt de Duitsers de opmerking, dat ze met een ‘godsdienstwaanzinnige’ te maken hebben. Maar voor beiden is het geloof een vast punt in deze onzekere momenten. Ze krijgen niets te eten, noch op zaterdag, noch op zondagmorgen. Op zaterdag om een uur of twaalf hoort Piet Kuipers, dat zijn vrouw wordt teruggebracht in haar cel na verhoord te zijn. Wat ze tijdens dit verhoor doorstaan heeft, is niet bekend. Misschien heeft ze gepleit voor haar man. Ze hebben namelijk afgesproken, dat zijn alle schuld op zich zou nemen. Een vrouw zou minder gevaar lopen dan een men en het zou de kans op vrijlating van Piet Kuipers hopelijk vergroten. Wel weet ze bij de ingang van haar cel, zo hard, dat hij het kan horen, nog te zeggen, dat ze wel eens jongens heeft ondergebracht om ze aan werk te helpen. Maar ze heeft nooit illegaal werk gedaan. Op deze manier weet Piet Kuipers precies wat zijn vrouw wel en niet tegen de Duitsers gezegd heeft. Zo kan hij zich voorbereiden op zijn ondervraging door de S.D. Voor hij aan de beurt is om ondervraagd te worden, kunnen ze elkaar weer alleen door de muren van de cel wat vertroosten. Heleen Kuipers ziet het somber in na haar verhoor en heeft weinig hoop op een goede afloop. Het getuigt van haar geestkracht, dat ze toch in staat is af en toe een psalm te zingen, ‘meer voor mij (Piet), dan voor haar eigen vrolijkheid. Met voorbijgaan aan haar eigen angst steunt ze haar man en ze nemen afscheid van elkaar. Ze zullen elkaar niet weerzien. (meer…)
Begin 1944 wordt in Nijmegen een meisje, Jacobs genaamd, door de Duitsers gearresteerd. Alhoewel ze kort na haar arrestatie weet te vluchten, wordt ze door haar ouders onder druk gezet om zich weer bij de S.D. aan te geven, wat ze dan ook doet. Ze besluit met de Duitsers samen te werken; waarom is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk onder dwang. Deze samenwerking is voor de Duitsers belangrijk, omdat ze de verloofde is van Wim Koenen uit Winterswijk, die samen met onder meer Henk Baarschers opdrachten uitvoert voor de groep “Vrij Nederland”. Wim Koenen was op 22 maart 1944, naar aanleiding van een brandstichting in de bioscoop van Winterswijk, gearresteerd en de S.D. had op hem een brief van zijn verloofde gevonden, wat er toe leidde, dat ook zij werd opgepakt. Ze is door haar relatie met Koenen ook bekend met de groep rondom Henk Baarschers en daarom wordt ze door het N.S.B.-hoofd van politie te Winterswijk, de opperluitenant Velle, gebruikt om Baarschers die lid is van de K.P. te compromitteren. Ze biedt hem de revolver van Velle aan, zogenaamd namens een illegale groep. Als lid van een knokploeg kan hij altijd een revolver gebruiken en daar hij geen onraad vermoedt, gaat hij op het aanlokkelijke aanbod in. (meer…)
Helena Theodora Kuipers-Rietberg (Winterswijk, 26 mei 1893 – Ravensbrück, 27 december 1944) was het vijfde kind van de acht kinderen in het gereformeerde gezin van Hendrik Rietberg en Clara Christina Theodora Dulfer. Hendrik Rietberg was in Winterswijk graanhandelaar en molenaar. Na de lagere school volgde Helena de driejarige HBS, wat toen voor meisjes erg ongebruikelijk was. Daarna ging ze de administratie doen in de zaak van haar vader. Op school had ze Piet Heino Kuipers (1892-1978) leren kennen, die na zijn opleiding naar Nederlands-Indië vertrok. Toen hij in 1919 op verlof in Nederland was, vroeg hij zijn vroegere schoolvriendin ten huwelijk e stelde ook direct voor mee te gaan naar Medan, op Sumatra. Daar voelde Heleens vader weinig voor. Die stelt voor dat Piet Kuipers medefirmant wordt in de zaak. Op 21 april 1921 traden Piet kuipers en Helena Rietberg in het huwelijk. In de periode 1921-1933 kreeg het echtpaar twee zoons en drie dochters. Helena zorgde voor het huishouden en de kinderen, maar was daarnaast actief in diverse maatschappelijke organisaties.
In 1932 was ze medeoprichter van de Gereformeerde Vrouwenvereeniging in Nederland en toen in september 1937 in navolging van de ’Bond van Gereformeerde Mannenverenigingen in Nederland’ de ‘Bond van Gereformeerde Vrouwenvereenigingen in Nederland’ werd opgericht , werd Helena Kuipers-Rietberg de penningmeesteresse van de vereniging. De twee andere bestuursleden waren mevrouw J. Zwart-De Jong uit Utrecht (presidente) en mevrouw F.M.L. Nawijn-Van Dijk uit het Friese Burgum (secretaresse). In plaatselijke verenigingen kwamen de vrouwen enige keren per maand bijeen en bespraken dan Bijbelse onderwerpen en bezonnen zich daar op ‘actuele vragen en meningen van deze tijd’. Ook werden vormingsconferenties en studiedagen gehouden, maar de hoogtepunten werden gevormd door de provinciale toogdagen en landelijke Bondsdagen, meestal door duizenden dames bezocht. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus 1870 de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen, waarvan de Vlaamse journalist en schrijver August Snieders in 1872 in zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, uitgebreid verslag deed. In Saarbrücken werd door de Franse keizer een monument geplaatst om te herdenken dat de veertienjarige zoon en kroonprins Napoleon Eugène Lodewijk Bonaparte (1856-1879) hier zijn eerste gevechtshandeling had verricht, de zogenaamd Lulustein.
Op 19 juli 1870 verklaarde Frankrijk dus de oorlog aan Pruisen, in de verwachting een snelle en simpele overwinning te halen. De snelle en makkelijke opmars naar Saarbrücken gaf reden tot optimisme, de snelle inname van het hoger gelegen gedeelte van de stad maakte de euforie alleen maar groter. Men beperkte zich vanaf 3 augustus 1870 tot wat beschietingen vanaf de heuvels op de omliggende dorpen. In de tussentijd trokken de Duitse legereenheden zich rustig terug om een Franse aanval te kunnen weerstaan en direct het initiatief te kunnen nemen. Een overzicht van de Pruisische troepenbewegingen in de eerste weken. (meer…)
Tijdens de eerste paar honderd jaar van het bestaan van de stad mochten Joden niet binnen de stadsmuren wonen. Ze kwamen Piotrków Trybunalski binnen om handel te drijven, wanneer de stad gastheer was van een zitting van de Poolse Sejm of wanneer een speciaal tribunaal werd gehouden van de rechtbank (vandaar de naam ‘Trybunalski’). Enkele Poolse edellieden, die het recht hadden hun pachters in de stad te laten wonen, verhuurden echter binnen de stadsmuren huizen aan Joden. Er ontstond zo een kleine joodse gemeenschap in Piotrków Trybunalski. De Joodse gemeenschap had echter zwaar te leiden onder de regelmatige pogroms door de lokale bevolking of door binnenvallende troepen.
De Joodse gemeenschap in Piotrków Trybunalski had vooral zwaar te lijden tijdens de Chmelnytskyopstand, de burgeroorlog tussen 1648 en 1654 binnen het Pools-Litouwse Gemenebest. De troepen van het Gemenebest stonden tegenover zwaarbewapende Oekraïense Kozakken onder leiding van Bohdan Chmelnytsky. De opstand was gericht tegen de Poolse adel en de Asjkenazische Joden. De laatste groep waarschijnlijk ingegeven door de verbittering bij Chlmelnytsky dat de Poolse grondbezitters van boeren lijfeigenen maakten en vaak joodse rentmeesters aanstelden aan om zoveel mogelijk winst te maken. Decennialange woede en frustratie bij de Oekraïense boeren liepen uit op een van de bloedigste rampen in de Europese geschiedenis. Sociale onrechtvaardigheid, aangevuurd door etnische haat en gelegitimeerd door religie leidden tot massamoorden op Joden en Polen, die tot de nazi-bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog hun weerga niet kenden. Steden boden tijdens de opstand geen veiligheid, want die vielen in handen van boerenrebellen, die werden gesteund door Kozakken en paupers in de steden. Toen de opstand afnam waren er 56.000 Joden vermoord onder pijnlijke en vernederende omstandigheden. De Joden bevonden zich in zo’n benarde situatie dat sommigen zich zelfs aanboden als slaven om maar in veiligheid te zijn en eventueel later met losgeld te kunnen worden vrijgekocht. (meer…)
Jozef (“Jos”) Felix Henri Marie baron van Hövell van Wezeveld en Westerflier (Maastricht, 12 januari 1919 – Neuengamme, 4 januari 1945 was de zesde van tien kinderen van Eduard Otto Joseph Maria van Hövell tot Westerflier, die van 1918 tot zijn overlijden in 1936 gouverneur van Limburg was. De katholieke adellijke familie Van Hövell kende tal van personen met vooraanstaande posities in het Nederlandse bestuur. Zo was Eduard van Hövell (zoals de familienaam meestal werd afgekort) de zwager van L.F.J.M. baron van Voorst tot Voorst, een lid van de Eerste- en Tweede Kamer namens de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) en was hij de kleinzoon van jhr. E.J.C.M. de Kuijper, die in de periode 1874-1893 Commissaris des Konings in Limburg was. Jozef volgde in Maastricht aan het Henric van Veldekecollege een middelbare schoolopleiding en ging daarna aan de Katholieke Universiteit Nijmegen rechten studeren. In 1942 haalde hij daar zijn kandidaatsexamen.
Jozef van Hövell van Wezeveld en Westerflier was tijdens de mobilisatie in opleiding voor reserveofficier vliegen. In mei 1940 bevond hij zich in Rotterdam, maar hij kon daar niet aan de strijd tegen de Duitsers deelnemen omdat hij de opleiding aan de School voor Reserve-Officieren Militaire Luchtvaart (SROML) nog niet had afgerond. Na zijn demobilisatie zette hij in Nijmegen zijn rechtenstudie voort. Binnen het Nijmeegse studentenwereldje was hij lid van de elitaire DispuutGezelschap H.O.E.K., het oudste herendispuut van de Nijmeegse Studentenvereniging Carolus Magnus., een toen al een door de bezetter verboden vereniging. Carolus Magnus had namelijk geweigerd op de sociëteit een bordje met ‘verboden voor joden’ op te hangen. In 1942 was Van Hövell praeses van Carolus Magnus. (meer…)
Mrs. Winslow’s Soothing Syrup was een gepatenteerd geneesmiddel, wat betekende dat het een vrij verkrijgbaar (zonder recept) geneesmiddel of medicinaal preparaat was, dat door een handelsnaam en soms ook een octrooi wordt beschermd. In de veelvuldige advertenties om het middel te promoten werd beweerd dat het tegen allerlei kleine aandoeningen en symptomen zou helpen. Tot de groep gepatenteerde geneesmiddelen behoren antiseptica, analgetica, sommige kalmerende middelen, laxeermiddelen, maagzuurremmers, medicijnen tegen verkoudheid/ hoest en verschillende huidpreparaten. De inhoud van het wondermiddel was bijna altijd in nevelen gehuld, zodat de doeltreffendheid en veiligheid bij gebruik van het middel op zijn minst twijfelachtig was.
Mrs. Winslow’s Soothing Syrup was zo’n gepatenteerd geneesmiddel. Het werd toegeschreven als een product dat was ontwikkeld door Charlotte N. Winslow (1789-1850), een kinderverpleegster, en werd vanaf 1845 in de Verenigde Staten op de markt gebracht door haar schoonzoon Jeremiah Curtis en zijn compagnon Benjamin A. Perkins. In 1852 zorgden ze ervoor dat hun geneesmiddel wettelijk werd gedeponeerd. In 1856 zou Perkins het bedrijf verlaten, werd de opengevallen plaats ingenomen door de zoon van Curtis en werd de berdrijfsnaam veranderd in Curtis and Son. Het bedrijf kreeg natuurlijk bij herhaling de vraag wie toch in hemelsnaam Mevrouw Winslow was, waarop het standaardantwoord volgde ‘dat zij een dame is die al meer dan dertig jaar op inspirerende wijze haar tijd en talenten als vrouwelijke arts en verpleegster heeft besteed, voornamelijk onder kinderen … we denken dat mevrouw Winslow haar naam heeft vereeuwigd met dit onschatbare artikel (Soothing Syrup) dat duizenden kinderen van een vroeg graf heeft gered’. Weer enkele jaren (1865) ging Curtis and Son een commanditaire vennootschap aan met John I. Brown uit Boston, zodat onder de naam Curtis and Brown zowel Mrs. Winslow’s Soothing Syrup als Brown’s Bronchial Troches op de markt konden worden gebracht. Curtis beweerde in 1868 meer dan 1,5 miljoen flessen te hebben verkocht. In 1880 werd het bedrijf ontbonden werd de Anglo-American Drug Company opgericht om Mrs. Winslow’s Soothing Syrup te verkopen. (meer…)
De Joden vestigden zich al in de zestiende eeuw in Piotrków Trybunalski, maar deze vroege periode eindigde met de pogrom op de Joodse bevolking, uitgevoerd door het Kroonleger in april 1657. De Joden werden er vervolgens van beschuldigd het Zweedse leger te begunstigen en te helpen. Bijna vijftig families stierven als gevolg van de pogrom. Vanaf 1679 vestigden de Joden zich hier permanent op voorspraak van Jan III Sobieski, van wie de Joodse bevolking in Piotrków en omgeving mocht wonen. Als gevolg hiervan ontwikkelde zich in de buurt van Piotrków een groot district, dat De Stad of De Joodse Stad werd genoemd. De Joden woonden hier echter voornamelijk in één Joodse straat. In 1636 werden in de parochieregisters gevallen geregistreerd van mensen van joodse afkomst die gedoopt werden. In de jaren 1727–1796 werden 53 gevallen van doop onder Joden geregistreerd in parochieregisters. De leeftijd van de bekeerlingen varieerde van 4 tot 40 jaar. De meerderheid waren echter jongeren tussen 10 en 18 jaar oud.
In 1840 werd het gebied van De Joodse Stad opgenomen in Piotrków Trybunalski. Aan het einde van de achttiende eeuw hielden Joden zich bezig met kleine handel en huisnijverheid. In de negentiende eeuw waren zij de grondleggers van de eerste fabrieken. Piotrków onderscheidde zich door een ontwikkelde grafische industrie. De plaatselijke drukkerijen drukten de bijbel, de talmoed, rabbijnse literatuur, werken van Hebreeuwse en Joodse literatuur. De eerste fabriek werd in 1864 opgericht, was eigendom van Fajwel Belchatowski en Chaim Frenkel en bevond zich op Plac Maryjny 1 (nu Rynek Trybunalski). Tijdens de Eerste Wereldoorlog drukte ze ‘Di Pietrkower Sztyme’ (De Stem van Piotrków), onder redactie van Moses Feinkind. (meer…)
Piotrków Trybunalski werd in 1569 onderdeel van het Pools-Litouwse Gemenebest en werd van 1578 tot 1793 de zetel van het Kroontribunaal, het hoogste gerechtshof van Polen, vandaar de latere toevoeging ‘Trybunalski’ aan de oorspronkelijke naam. Nog steeds beheerst het majestueuze Hogegerechtshof het stadsbeeld. In hetzelfde jaar dat het Kroontribunaal met haar werkzaamheden begon, werd de Joodse bevolking van Piotrków de stad uitgedreven om pas rond 1700 te mogen terugkeren. In 1705 arriveerden de eerste Duitse kolonisten, voornamelijk Zwaben, in de omgeving van de stad en stichtten er enkele dorpen. Tot 1945 wisten zij daar hun Duitse taal en gebruiken grotendeels te behouden. Gedurende de 17e en 18e eeuw nam de belangrijke positie die Piotrków Trybunalski had gestaag af door branden, epidemieën, oorlogen tegen Zweden en ten slotte de Poolse Delingen (1772, 1793 en 1795), toen Rusland, Oostenrijk en Pruisen in drie stappen het sterk verzwakte Pools-Litouws Gemenebest onderling verdeelden. In 1795 was het Pools-Litouws Gemenebest van de Europese kaart verdween.
Tussen 1795 en 1918 vonden in het voormalige Pools-Litouws Gemenebest twee grote opstanden (1830 en 1863) plaats om weer een soeverein Polen te laten herrijzen. Beide opstanden mislukten en leidden tot heftige repressie. De economische en industriële ontwikkeling van Piotrków nam pas halverwege de 19e eeuw weer wat toe, toen de spoorlijn Warschau-Wenen werd aangelegd en de stad een spoorwegstation kreeg. In 1867 vormden de Russische autoriteiten de oblast Piotrków, die ook de plaatsen Łódź, Częstochowa, Dąbrowa Górnicza en Sosnowiec omvatte, waar volgens de Russische telling van 1897 toen 30.800 personen leefden, waarvan 9.500 Joden, bijna een derde van de bevolking. In 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, was de oblast Piotrków de best ontwikkelde industrie van dit deel van het Russische Rijk. Een rijk dat niet erg populair was bij de bevolking, wat bleek bij massale demonstraties van ontevreden burgers tijdens de Russische revolutie van 1905. (meer…)
De Sint-Stevenskerk, die in de volksmond gewoonlijk de Stevenskerk wordt genoemd, is de oudste en grootste kerk van Nijmegen. De kerk is gebouwd op een kleine heuvel met een hoogte van 28 meter, de Hundisburg ofwel de Halsberg. Het is één van de zeven heuvels waarop Nijmegen is gebouwd. Heuvels die ontstonden in de voorlaatste ijstijd, die ongeveer 10.000 jaar geleden eindigde. Vanuit Scandinavië schoof het landijs toen honderden meters hoge bergen zand en grind voor zich uit. Daaruit ontstond een enorme stuwwal die later door de grote rivieren werd uitgesleten. De heuvels die daardoor ontstonden werden later bebouwd, de dalen werden straten. De zeven heuvels van de Nijmeegse Benedenstad, elk bebouwd met een of meerdere belangrijke beschermde monumenten zijn de Hessenberg (Heezeberg), de Hundisburg, de St. Jansberg, de Klokkenberg, de St. Anthoniusberg ( of Geitenberg, Lindenberg), de Hofberg en de St. Geertruidsberg (die een deel is van de Hunnerberg, Hoenderberg).
In de zevende eeuw werd door bisschop Kunibert van Keulen, waar nog steeds de St. Kunibert Kirche een va de twaalf gezichtsbepalende basilieken is, gestart met en kersteningscampagne en werd in Nijmegen op het Kelfkensbos de Gertrudiskerk gebouwd. In 1247 werd de stad Nijmegen in pacht werd gegeven aan graaf Otto II van Gelre (ca. 1215-1271), die vanwege zijn klompvoet de bijnamen De Lamme, De Hinkende en De Paardenvoet had, maar ook wel De Stedenstichter werd genoemd omdat hij veel plaatsen tot stad verhief. Nijmegen kreeg deze stadsrechten in 1230. Otto II liet vanaf 1254 om strategische redenen de Gertrudiskerk, de oudste parochiekerk in Nijmegen en de voorloper van de Stevenskerk, verplaatst van het Kelfkensbos naar de Hundisburg. De grote, machtige Stevenskerk was een mooie tegenhanger voor de massieve Valkhofburcht aan de andere kant van de stad. (meer…)
Zo af en toe stuit je op een levensbeschrijving van iemand, waarvan je denkt dat dat dit soort personages slechts bestaan in de fantasie van romanschrijver of scriptschrijvers van twintigdelige Netflix-series. Maar soms heeft zo iemand in het echt bestaan. Zo iemand was Jane Elizabeth Digby (3 april 1807 – 11 augustus 1881), een Engelse aristocraat die in de 19e eeuw een opmerkelijk liefdesleven en uitbundige levensstijl had. Ze had vele minnaars en vier echtgenoten van standing, was daardoor betrokken bij enkele schandalen, had bij enkele van hen kinderen, zes in totaal) en stierf uiteindelijk in 1881 in Damascus, Syrië na een lang en gelukkig huwelijk met een Arabische sjeik die twintig jaar jonger dan zij was.
Ze werd op 3 april 1807 geboren in Holkham Hall, een enorm landhuis (zie hieronder) aan de Noordzeekust in de buurt van het dorpje Holkham (Norfolk) als dochter van admiraal Sir Henry Digby en Lady Jane Elizabeth Coke. Holkham Hall werd eind 18e eeuw gebouwd door Thomas Coke (1697-1759, een grootgrondbezitter, jarenlang parlementslid namens Norfolk en later benoemd tot de eerste Graaf van Leicester. Hij was Jane Digby’s grootvader van moederskant. Het landhuis werd gebouwd in de Neo-Palladiaanse stijl, de Engelse tegenreactie op de barokke stijl die op het continentaal Europa populair was, maar door de Britten werd beschouwd als ‘theatraal, uitbundig en katholiek’. Het Engelse palladianisme kenmerkte zich door een ‘ernstig gebrek aan versiering’. Het uiterlijk van Holkham Hall was geïnspireerd op een grote Romeins paleis en zelfs naar palladiaanse maatstaven sober en verstoken van versieringen. (meer…)
Fort de Bilt in Utrecht werd in de periode 1816-1819 gebouwd als een van de verdedigingswerken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de belangrijk Nederlandse verdedigingslinie die de stad Utrecht en grote delen van Holland moest beschermen. Het fort diende voor het afsluiten van de toegang naar de straatweg tussen Utrecht en De Bilt. In de loop van de 19e en 20ste eeuw werden er een wachthuis (1850), een bomvrije kazerne (1875) en remises en groepsschuilplaatsen gebouwd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte de Duitsers het Fort de Bilt als executieplaats. Tussen 3 mei 1942 en 2 mei 1945 werden hier minstens honderdveertig mannen, vooral verzetsstrijders, gefusilleerd. Ter herinnering daaraan is in het fort een monument, een klokkenstoel, de dodenbunker en herdenkingsstenen aangebracht. Het Herdenkingsmonument van Leo Jungblut. Hij maakte hiervoor een beeld van een rouwende vrouw met aan haar ene zijde een jongen en aan de andere zijde een hond. Het beeld van een treurende vrouw met kind werd vaker gebruikt voor oorlogsmonumenten, als symbool van het onvolledige gezin. Het monument werd op 18 juni 1949 onthuld door de weduwe van een van de verzetsmensen. Op de naamplaten zouden volgens een onderzoek uit 2022 nogal wat fouten te vinden zijn. Jaarlijks vindt bij het monument de herdenking plaats van de omgekomen verzetsstrijders. (meer…)
Gerrit Mannoury (Wormerveer, 17 mei 1867 – Amsterdam, 30 januari 1956) was een Nederlandse wiskundige en filosoof die ook sociaal bewogen en politiek actief was. Mannoury heeft belangrijke bijdragen geleverd op het gebied rond de formele wetenschap, de grondslagen der wiskunde, de symbolische logica en de leer der significa. Op 8 augustus 1907 trad hij in het huwelijk met Elizabeth Maria Berkelbach van der Sprenkel, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg.
Hij was de zoon van scheepskapitein Gerrit Mannoury. In 1870, toen hij nog maar drie jaar oud was, overleed zijn vader in China. Zijn moeder keerde daarna met de drie kinderen terug naar Nederland en vestigde zich in Amsterdam. Omdat het gezin het bepaald niet breed had, werden de kinderen voor een belangrijk deel opgevoed door de tantes die in Wormerveer een melkwinkel hadden. Met een beurs van de gemeente Amsterdam kon Gerrit Mannoury naar de Hoogere Burger School (HBS), waar hij in 1885 zijn diploma haalde. Drie maanden later legde hij ook met succes het onderwijzersexamen af. Omdat hij in zijn eerste betrekkingen aan de Openbare Handelsschool en enkele lagere scholen in Amsterdam problemen had met de handhaving van de orde in de klas, gaf het lesgeven hem aanvankelijk weinig plezier. Pas na enkele jaren wist hij zijn didactische en pedagogische kwaliteiten te ontwikkelen en werd een goede en geliefde leraar. In die tijd haalde hij door middel van avondstudie de middelbare onderwijsaktes voor wiskunde, boekhouden en mechanica. (meer…)
Al in 1944 werd het Centraal Comité van Poolse Joden in Lublin besloten om in Warschau een monument te bouwen om de partizanen van het Joodse getto te herdenken. Het eerste deel van het monument werd ontworpen door architect Leon Suzin (1901-1976) en werd onthuld op 16 april 1946. Het werd geplaatst op het plein dat wordt begrensd door de Anielewicza-straat, Karmelicka-straat, Lewartowskiego-straat en Zamenhofa-straat. Op dat plein bevond zich van augustus 1942 tot het einde van het getto de laatste locatie van de Judenrat. Het bestond uit een kleine cirkelvormige gedenksteen met een palmblad, een Hebreeuwse letter B en in het Hebreeuws, Pools en Jiddisch de inscriptie: ‘Voor degenen die vielen in een ongekende en heroïsche strijd voor de waardigheid en vrijheid van het Joodse volk, voor een vrij Polen, en voor de bevrijding van de mensheid. Poolse Joden’. Het werd gedeeltelijk gemaakt van labradorietsteen, die in 1942 door Albert Speer naar Warschau waren gebracht voor zijn geplande werken op het voormalige getto te bouwen.
Met de plaatsing werd ook besloten in de toekomst een groter monument te bouwen. Suzin werkte samen met de beeldhouwer Natan Rapaport (1911-1987) aan het ontwerp van het tweede monument, dat op 19 april 1948 zou worden onthuld. Dit nieuwe en aanzienlijk grotere Helden van het Getto-monument heeft een elf meter hoge muur die zowel de muren van het getto als de Klaagmuur in Jerusalem verbeeldt. Op het westelijk deel van het monument staat een bronzen groepsbeeld van opstandelingen. Mannen, vrouwen en kinderen, met ZOB-commandant Mordechaj Anielewicz als centrale figuur. Op het oostelijke deel wordt de Jodenvervolging door de nazi-Duitsland verbeeldt. Het drietalige bord heeft de tekst: ‘De Joodse natie voor zijn strijders en martelaren’. (meer…)
Al onmiddellijk na de Duitse bezetting van Polen in september 1939 ontstonden er plannen om de Joodse bewoners van de Poolse hoofdstad en de aangrenzende buitengebieden van de overige bevolking te isoleren. De Judenrat in Warschau, onder leiding van Adam Czerniaków (1880-1942), kon de oprichting van het getto echter met een jaar te vertragen, vooral door het leger erop te wijzen hoe waardevol Joden als werkkrachten waren. Hij had daarbij het geluk dat in het eerste jaar binnen het Duitse Generalgouvernement drie partijen elkaar beconcurreerden: de burgeroverheid, het leger en de SS. Op 16 oktober 1940 verordonneerde Hans Frank, de Duitse gouverneur-generaal, dat in Warschau een getto werd opgericht in dat deel van de stad waar traditioneel veel Joden woonden. Alle niet-Joden moesten de wijk verlaten en de vrijgekomen plaatsen moesten worden ingenomen door Joden die elders in de stad woonden. Czerniakóws Judenrat kreeg over het getto de administratieve leiding en plicht te zorgen voor uitvoering van alle Duitse bevelen. Bij de oprichting woonden in het getto, dat slechts 2,4% van het grondgebied van Warschau had, ongeveer 380.000 personen, wat neerkwam op ongeveer 30% van de bevolking van Warschau. Het getto van Warschau was daarmee het grootste Joodse getto opgericht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 16 november 1940 werd rond het getto een muur van drie meter hoog gebouwd om de Joden nog verder van de Poolse bevolking af te scheiden. De Duitsers en Poolse politie controleerden de toegang tot hert getto; binnen het getto was de ordehandhaving in handen van dezelfde twee politiekorpsen, plus de Jüdischer Ordnungsdienst, die bestond uit bijna 2.000 door de nazi’s aangestelde Joden. (meer…)
Jürgen Stroop (Detmold, 26 september 1895 – Warschau, 6 maart 1952) gaf als SS-Gruppenführer leiding aan het gewelddadig neerslaan van de opstand in het getto van Warschau van 19 april 1943 tot 16 mei 1943. Hij werd geboren als Josef Stroop, als zoon van een politiecommandant uit Lippe. Zijn moeder was een gelovige rooms-katholieke vrouw (zijn voornaam wijst daar op), terwijl de beide ouders overtuigde monarchisten waren. Zijn vader hoopte dat zijn zoon altijd trouw Leopold IV, de prins van Lippe, zou dienen. Leopold werd vanwege de Novemberrevolutie net als alle andere Duitse vorsten gedwongen op 12 november 1918 af te treden. Hij mocht echter het familieslot behouden, waar de familie Lippe-Biesterfeld nog steeds woont. Leopolds zoon Chlodwig was aanvankelijk een huwelijkskandidaat voor prinses Juliana, maar omdat hij daar geen belangstelling voor had, viel de keuze vervolgens op zijn neef Bernhard von Lippe-Biesterfeld.
Josef Stroop ging in zijn geboortestad naar de lagere en middelbare school en ging daarna werken bij het kadaster. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, meldde de negentienjarige Stroop zich als vrijwilliger. Hij diende in enkele infanterieregimenten aan het westelijk front en vervolgens aan het oostelijk front en in Roemenië. Gedurende de oorlog klom hij op tot de rang van Vizefeldwebel, de laagste officiersrang in het toenmalige Duitse leger. Na zijn ontslag uit actieve dienst eind november 1918 keerde Stroop terug naar zijn baantje bij het kadaster in Detmold. Daar bleef hij werken tot 1933. In 1923 trouwde hij en werd vader van drie kinderen. Zijn zoon Jürgen zou in het begin van de oorlog overlijden, waarna Josef Stroop op 9 mei 1941 zijn katholieke voornaam ‘vanwege ideologische opvattingen’ en ter nagedachtenis aan zijn overleden zoon van Josef in Jürgen veranderde. (meer…)
Op 5 maart was het zeventig jaar geleden dat Joseph Stalin stierf. Als leider van de USSR van 1924 tot aan zijn dood in 1953 vestigde hij een totalitair regime, lokte massale hongersnood met miljoenen slachtoffers uit en veroorzaakte de Grote Terreur. Zijn heerschappij wordt door de meeste Sovjetburgers echter vooral herinnerd door de overwinning in de Grote Patriottische Oorlog. In de moderne Russische politiek is Stalin alweer tijdenlang aanwezig en nadat Rusland zijn grootschalige oorlog tegen Oekraïne begon, lijkt het tempo van herstalinisatie te zijn versneld. In februari 2023 werd bijvoorbeeld (tijdelijk) de stad Volgograd hernoemd in Stalingrad en werd er een nieuw monument voor ‘De Leider’ geïnstalleerd. In een eerder artikel ‘Bolsjewistische politiek was oorlogvoering’ uit Meduza, een vanuit Riga (Letland) opererende onafhankelijk Russisch weblog, ging professor Ronald Grigor Suny (historicus en politicoloog aan de Universiteit van Michigan; auteur van verschillende boeken over Stalin en het stalinisme, over Stalins politiek, zijn opkomst aan de macht in de eerste jaren van de USSR en de nalatenschap van het stalinisme) al in op Stalins erfenis. Door Novaya Gazeta, een ook vanuit Riga opererende Russische tweetalige krant, werd Andrea Graziosi, een Italiaans historicus en expert op het gebied van stalinisme, geïnterviewd. De centrale vraag was waarom Poetin de figuur van Stalin en stalinistische praktijken nodig heeft, wat ze te maken hebben met Oekraïne en hoe dat het leven onder dictatuur de Sovjet- en Russische samenleving heeft beïnvloed . (meer…)
Op 5 maart was het zeventig jaar geleden dat Joseph Stalin stierf. Als leider van de USSR van 1924 tot aan zijn dood in 1953 vestigde hij een totalitair regime, lokte massale hongersnood uit, veroorzaakte de Grote Terreur en leidde de Sovjet-Unie naar de overwinning in de Tweede Wereldoorlog. Meduza, een vanuit Riga (Letland) opererende onafhankelijk Russisch weblog, had een interview met professor Ronald Grigor Suny, een historicus en politicoloog aan de Universiteit van Michigan, en auteur van verschillende boeken over Stalin en het stalinisme, over Stalins politiek, zijn opkomst aan de macht in de eerste jaren van de USSR en de nalatenschap van het stalinisme, die zich laat omschrijven als ‘Bolsjewistische politiek was oorlogvoering’.
Wie was Stalin vóór de revolutie van 1917?
Stalin werd geboren als een zeer arm persoon en hij ontwikkelde zich na verloop van tijd tot wat ik een outlaw zou noemen. Hij begon als een relatief religieus persoon, als een jonge man. Hij was een romantische dichter. Hij schreef gedichten in het Georgisch die als redelijk goed werden beschouwd. Hij ging naar het seminarie volgens de instructies en verlangens van zijn moeder. En toen raakte hij in dat seminarie, dat in sommige opzichten meer revolutionairen dan priesters voortbracht, vervreemd van het tsaristische regime en van de kerk en nam hij de lokale dissidente ideologie in zich op, wat een soort marxisme was. Vreemd genoeg was er in Georgië, in plaats van dat nationalisme de dominante aantrekkingskracht was op jonge mensen in de jaren 1890, een zeer machtige en invloedrijke marxistische beweging onder leiding van een man genaamd Noe Žordania. En Stalin werd onderdeel van die beweging. Maar als jonge man was hij behoorlijk militant. Hij had zijn eigen verlangens. Hij was een ruige kerel, een soort straatvechter, en uiteindelijk werd hij aangetrokken tot de meer militante vleugel van de sociaal-democratie in het tsaristische Rusland, dat wil zeggen het bolsjewisme. Er waren aspecten van zijn revolutionaire ervaring vóór 1917 die al vooruitgaven van het soort persoon dat hij zou zijn. Hij was een manipulator, hij was pragmatisch, hij was machiavellistisch, hij deed alles om de zaak te bevorderen. En hij identificeerde zich met die oorzaak. Er was bij Stalin dus altijd die vreemde combinatie van de behoefte om een revolutie te creëren en om zichzelf te promoten. (meer…)
Timothy W. Ryback is een Duits-Amerikaans historicus en wetenschapper. Hij was een tijd directeur van het Institute for Historical Justice and Reconciliation (IHJR) in Den Haag, een instituut dat onderzoek doet naar historische multi-etnische problemen. Daarvoor werkte hij voor de Académie Diplomatique Internationale in Paris, het Oostenrijkse Salzburg Global Seminar en Harvard University. Ryback heeft een aanzienlijk aantal publicaties op zijn naam staan voor gerenommeerde Amerikaanse historische bladen en kranten. In 2008 publiceerde hij Hitler’s Private Library: The Books That Shaped His Life, dat ook in een Nederlandse vertaling verscheen. Hij maakte daarbij gebruik van de lijst met honderden titels van boeken uit de privécollectie van de Führer, compleet met de aantekeningen die Hitler in die boeken had gemaakt. Die lijst was vlak daarvoor opgedoken in de Library of Congress in Washington. Timothy Ryback onderzocht hoe Hitlers intellectuele ontwikkeling was verlopen en hoe bepaalde formuleringen en ideeën uit die boeken terechtkwamen in zijn geschriften, toespraken, gesprekken, denken en activiteiten. Ryback is gefascineerd door he concentratiekamp Dachau. In 1999 maakte hij er in opdracht van The New Yorker een reportage over de vraag hoe de inwoners kunnen leven met het verleden van het stadje, dat het eerste concentratiekamp van de nationaalsocialisten had en ruim twaalf jaar een epicentrum was van Teutoons geweld en wreedheid. Hier verrezen de eerste crematoriumovens en eerste gaskamer en werden de eerste medische experimenten met menselijke wezens uitgevoerd. Hij kwam er in contact met Martin Zaidenstadt, een Poolse jood die in 1942 in het kamp terecht kwam en sindsdien in Dachau is blijven wonen om dagelijks bij het kamp aan bezoekers te getuigen over de gruwelijkheden die er hebben plaatsgevonden. In 1999 publiceerde Ryback hierover The Last Survivor: In Search of Martin Zaidenstadt. In 2014 verscheen van hem Hitler’s First Victims: The Quest for Justice, dat ingaat op de eerste slachtoffers in het kamp in april 1933. Het boek verscheen in 2015 in een Nederlandse vertaling met een wat misleidende ondertitel, waarop nog wordt teruggekomen. (meer…)

De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen, waarvan de Vlaamse journalist en schrijver August Snieders in 1872 in zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, uitgebreid verslag deed.
Snieders maakt in zijn verslag melding van een telegram dat keizer Napoleon III (1808-1873) op 2 augustus 1870 naar keizerin Eugénie (1826-1920) had gestuurd en tot haar grote ontevredenheid ook onmiddellijk openbaar had gemaakt. Deze Spaanse gravin Eugénie de Montijo, die voluit de indrukwekkende titel had van María Eugenia Ignacia Augustina Palafox de Guzmán Portocarrero y Kirkpatrick, 9e gravin van Teba, zou de laatste keizerin van Frankrijk worden. Ze had een indrukwekkend en lange stamboom, dit in tegenstelling tot die van haar echtgenoot waarvan de familie tot 1795 slechts een bescheiden rol speelde in Genua en Corsica. Theresia werd van jongsaf opgevoed om in hoge kringen te verkeren en frequenteerde alle bals en evenementen on een geschikte echtgenoot aan de haak te slaan. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen.
De Vlaamse journalist en schrijver August Snieders (1825-1904) publiceerde in 1872 zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, waarin onderstaande weergave van de inname van Saarbrücken:
De operatiën tegen Saarbrucken hadden, doch zonder goed gevolg, aanvang genomen, toen de keizer, vergezeld van zijn zoon, den 2den Augustus uit Metz naar Forbach vertrok en vervolgens naar Saarbrucken – een Pruisisch grensstadje, met ongeveer 10.000 inwoners, nijverig en welvarend, bloeiend, op den linkeroever der Saar gelegen en met eene brug aan de voorstad St.-Johann verbonden. Het prachtige bosch van Forbach; eene reeks van groene bergruggen; welige tuinen, die zich, van de hoogten gezien, als groote bloemtuilen voordoen; schaduwrijke wandelingen; de groepen huizen en monumenten der stad, door het daar bevaarbaar wordende water als omslingerd; de kolenmijnen en wijngaarden; de spoorweglijnen die in de verte verdwijnen – gansch die mengeling van natuur en menschenhand levert de meest schilderachtige vergezichten op.
Drie spoorweglijnen kruisen elkander te Saarbrucken. Deze lijnen verbinden haar met Trier, het hertogdom Luxemburg, Maintz en Metz. Het was dit opene stadje, zoo dikwijls reeds door den oorlog geteisterd; zoo dikwijls reeds van meester veranderd, dat het eerste tooneel van het gevecht worden moest. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen.
Op 19 juli 1870 verklaarde Frankrijk dus de oorlog aan Pruisen, in de verwachting een snelle en simpele overwinning te halen. Een opvatting die in de Europese pers algemeen werd gedeeld. Maarschalk Edmond Lebœuf (1809-1888), de Franse minister van Oorlog, had als ten tijde van de Luxemburgse Kwestie (1867) een plan opgesteld voor een Frans offensief om de Duitse expansiedrift te beteugelen. Daarin werd uitgegaan van een doorsteek in het front tussen Thionville en Trier, waarna naar het oosten kon worden opgerukt om de verbinding tussen de Noord- en Zuid-Duitse staten onmogelijk te maken. Vanwege de uitstekende Franse spoorwegverbindingen en Franse militaire vestingen in de regio een voor de hand liggend plan met grote kans van slagen. Het plan werd echter in 1868 door de Franse generaal Charles Auguste Frossard (1807-1875) vervangen door een veel defensiever plan, waarbij legeronderdelen de steden Staatsburg, Metz en Châlons moesten bezetten om een mogelijke Pruisische aanval te kunnen weerstaan. (meer…)
Kornelis Pieter van de Sande (Tholen, 24 januari 1918 – De Bilt, 30 april 1945) was de zoon van Johannes van de Sande en Jacoba Scherpenisse, de enige zoon in een gezin met drie zussen. In oktober 1938 wordt hij als dienstplichtige met de rang van wachtmeester ingedeeld bij het regiment Huzaren Motorrijders. In mei 1940 is hij in Den Haag gelegerd bij de depottroepen van de cavalerie, die de Vesting Holland moet verdedigen. Op 1 juli 1940 gaat hij met groot verlof, maar gaat zich al snel voorzichtig bezighouden met verzetswerk. In december 1941 kreeg hij een betrekking van controleur bij de Crisis Controle Dienst (CCD), een in 1934 opgerichte overheidsdienst die toezicht moest houden op de handel in schaarse goederen. De dienst moest tijdens de oorlog op last van de bezetter ook de welig tierende zwarte handel bestrijden en het binnenhalen van de oogst streng controleren. Deze baan maakte het Van de Sande mogelijk zich veel intensiever bezig te houden met zijn ondergrondse werkzaamheden.
Vanaf begin 1942 sloot Van de Sande zich aan bij het Nationaal Steun Fonds (NSF), de groep-Albrecht en Natura, drie verzetsorganisaties die zich inzette voor onder meer de voedselvoorziening van onderduikers. Bij deze activiteiten gebruikte Van de Sande onder andere de schuilnamen Cornelis Burgers en Cornelis Snel. In 1942 trouwde hij in Oud-Vossemeer met Jo van der Vlies; in november 1943 werd hun zoon geboren in Sleeuwijk, waar het gezin inmiddels woonde. Vanaf 1943 werd de Duitse repressie steeds erger en groeide als gevolg daarvan ook het Nederlandse verzet. Kees van de Sande sloot zich nu in het Land van Heusden en Altena aan bij de Knokploeg (KP) en de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), waarvan hij vanaf 5 september 1944 (‘Dolle Dinsdag’) districtscommandant is. In de maanden september en oktober 1943 werd het zuiden van Nederland bevrijd, maar het gebied boven de grote rivieren bleef na het mislukken van Operatie Market Garden bezet. (meer…)
Jan Rijkmans (Steenwijk, 3 februari 1920 – Scheveningen, 14 april 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een van de vele honderden die tijdens de oorlog hun leven gaven, maar inmiddels bijna zijn vergeten. Rijkmans was in Steenwijk autohandelaar. Amper twintig jaar toen de oorlog uitbrak en direct in heel Drenthe zeer actief betrokken bij allerlei verzetsactiviteiten.Toen in het voorjaar van 1943 door het verzet in Meppel een knokploeg werd opgericht, slot Rijkmans zich hierbij direct aan.
Op 7 juni 1943 pleegde drie man van de KP-Meppel (Klaas Roelof Woltjer, Hendrik Drogt en Jan Daniël Rijkmans) een overval op het gemeentehuis in Wanneperveen. Om 17.00 uur kwamen ze aan bij het gemeentehuis, één van hen had een klein model van een cylinderrevolver bij zich waarmee de aanwezige gemeentesecretaris Lucas Wuite werd bedreigd. De twee anderen stalen de zaken waarvoor ze gekomen waren en knipten voor het weggaan de telefoondraden door. Bij het verlaten van het gemeentehuis werd nog achterwaarts een schot gelost, waarschijnlijk om de aanwezige ervan te weerhouden direct in actie te komen. Bij de goed voorbereide overval werden 1650 persoonskaarten, 70-80 blanco persoonsbewijzen, zegels, het bevolkingsregister, het woningsregister, een stalen kistje met slot met allerlei visakten meegenomen. Het bevolkingsregister werd verstopt onder het hooivak in de boerderij van Roelof Kooiker. Overvaller Klaas Woltjer overnachtte na de overval bij de familie Garnaat in Meppel en reisde een dag later op de fiets naar Groningen. Van de andere twee is niet bekend waar ze na de overval heengingen. Secretaris Wuite gaf de Duitsers ondeugdelijke signalementen van de overvallers, zodat de Sicherheitsdienst (SD) aanvankelijk weinig aanknopingspunten had. Het duurde niet lang voor de SD de waarheid grotendeels hadden achterhaald. Ze stelden een lijst op, de Bildtafel der in den Nordprovinzen im Zuge der Aufklarung von Mord- und Sabotage, met daarop 31 namen en foto’s van leden van de noordelijke knokploegen. Op de lijst stonden Woltjer en Drogt, maar Rijkmans ontbrak aanvankelijk. (meer…)
Alfred Léonard Loewenstein (Brussel, 11 maart 1877 – Noordzee, 4 juli 1928) was een Belgische ondernemer, die zijn fortuin maakte tijdens de opkomst van de elektriciteitsvoorziening en de handel in kunststoffen. In alle officiële documenten werd de naam geschreven als ‘Löwenstein’, wat niet onlogisch is want zijn vader was de welgestelde wisselagent Bernard Löwenstein (1849-1915), een Joodse Duitser die zich in januari 1846 in België vestigde. Op 16 november 1872 trouwde Bernard in Sint-Joost-ten-Node met Fanny Dansaert (1855-1922), de dochter van de makelaar, wisselagent en kunstverzamelaar Chrétien Dansaert. De familie zou haar naam geven aan de trendy Dansaertwijk in hartje Brussel. Er zou later over Alfred Loewenstein worden geschreven dat hij ‘al in de kinderkamer de beurslucht had ingeademd’. Behalve Alfred werd uit het huwelijk een dochter geboren, Hélène Loewenstein, die op 24 april 1885 al op tienjarige leeftijd zou overlijden. Vader Bernard claimde later in 1881 de Belgische nationaliteit te hebben aangevraagd en ook zijn dienstplicht te hebben vervuld, maar bewijzen daarvan zijn in zijn dossier van de Staatsveiligheid niet terug te vinden. Door de grote economische crisis aan het eind van de negentiende eeuw kwam Bernard diep in de schulden, namelijk een totaal van 18.000 Belgische frank in een tijd dat een beambte per maand ongeveer 90 frank verdiende. Zoon Alfred beloofde die reusachtige schuld binnen twee jaar terug te betalen en deed dat ook. Hij slaagde er namelijk in al op zeer jeugdige leeftijd een gigantisch fortuin te vergaren dankzij gedurfde financiële speculaties. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog.
Aan de Frans-Pruisische Oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. In 1870 zouden de steeds toenemende spanningen tussen beide partijen escaleren, perfect georkestreerd door kanselier Otto von Bismarck van de Noord-Duitse Bond. Nederland keek vanaf de zijlijn bevreesd toe, bang dat haar neutraliteit geschonken zou worden en het een van de kleine koninkrijkjes zou worden die door die Noord-Duitse Bond zou worden opgeslokt. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog.
Aan de Frans-Pruisische Oorlog gingen een paar conflicten vooraf, die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. In 1870 zouden de steeds toenemende spanningen tussen beide partijen escaleren, perfect georkestreerd door kanselier Otto von Bismarck van de Noord-Duitse Bond. Nederland keek vanaf de zijlijn bevreesd toe, bang dat haar neutraliteit geschonken zou worden en het een van de kleine koninkrijkjes zou worden die door die Noord-Duitse Bond zou worden opgeslokt. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog.
Aan de Frans-Pruisische Oorlog gingen een paar conflicten vooraf, die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. In 1870 zouden de steeds toenemende spanningen tussen beide partijen escaleren, perfect georkestreerd door kanselier Otto von Bismarck van de Noord-Duitse Bond. Nederland keek vanaf de zijlijn bevreesd toe, bang dat haar neutraliteit geschonken zou worden en het een van de kleine koninkrijkjes zou worden die door die Noord-Duitse Bond zou worden opgeslokt. (meer…)
De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog.
Aan de Frans-Pruisische Oorlog gingen een paar conflicten vooraf, die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. In 1870 zouden de steeds toenemende spanningen tussen beide partijen escaleren, perfect georkestreerd door kanselier Otto von Bismarck van de Noord-Duitse Bond. Nederland keek vanaf de zijlijn bevreesd toe, bang dat haar neutraliteit geschonken zou worden en het een van de kleine koninkrijkjes zou worden die door die Noord-Duitse Bond zou worden opgeslokt. (meer…)

Gerrit Willem Kastein (Zutphen, 25 juni 1910 – Den Haag, 19 februari 1943) ging nadat hij in Zutphen in 1927 de HBS-B had afgemaakt aan de Rijksuniversiteit Groningen geneeskunde studeren. Hij was er snel actief in enkele verenigingen, zoals de Groningsche Studenten Geheelonthouders Vereeniging, de Groningsche Studentenvereeniging voor den Volkenbond en de Sociaal-Democratische Studentenclub. In 1932 werd Kastein lid van de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP), een nieuwe partij die op 28 maart van dat jaar was opgericht door Piet J. Schmidt en Jacques de Kadt als linkse afsplitsing van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). De afsplitsing was het gevolg van het verbod van het partijbestuur op het blad De Fakkel (dat eerder De Socialist heette) vanwege de te felle interne kritiek. De Fakkel werd daarna het partijblad van de OSP, onder redactie van de journalist Frank van der Goes, een van de leden van de literaire beweging der Tachtigers en een van de vertalers van Das Kapital van Karl Marx. In 1935 zou de OSP fuseren met de Revolutionair-Socialistische Partij (RSP) van Henk Sneevliet tot de trotskistische Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP). Toen was Kastein al overgestapt naar Communistische Partij Holland (CPH), die vanaf 1935 de correctere naam Communistische Partij Nederland (CPN) aanhield.
Begin 1933 werd Kastein coassistent in de Psychiatrisch-Neurologische Klinik van de Universität Heidelberg. Dat was precies in de periode dat in Duitsland Adolf Hitler aan de macht kwam. Hij ontmoette er zijn latere echtgenote Ria Sachse, met wie hij twee kinderen zou krijgen. Vanaf 1934 studeerde hij weer in Leiden, waar hij in 1935 afstudeerde en assistent in de Psychiatrisch-Neurologische Kliniek Rhijngeest in Oegstgeest werd. Hij schreef in de daaropvolgende jaren veel artikelen over neurologische onderwerpen, vooral over de insulinecomatherapie en de cardiazol-shocktherapie ter genezing van schizofrenie. In 1937 promoveerde Kastein op het proefschrift Eine Kritik der Ganzheitstheorien. (meer…)
Roman Sandgruber (1947) is een Oostenrijks historicus, die tot zijn pensionering in 2015 hoofd was van het Instituut voor Sociale en Economische Geschiedenis aan de Johannes Kepler Universiteit in Linz. Hij heeft vooral publicaties over de stad Wenen op zijn naam staan, met bijzondere aandacht voor het rijkste deel van de stedelijke bevolking (‘Traumzeit für Millionäre. Die 929 reichsten Wienerinnen und Wiener im Jahr 1910‘ (1913), ‘Rothschild. Glanz und Untergang des Wiener Welthauses‘ (2018) en ‘Reich sein: Das mondäne Wien um 1910‘). Daarnaast twee boeken over het gebruik van allerlei (onschadelijke) genotsmiddelen, zoals koffie, thee, chocolade, tabak en cola, ook gedurende de jaren kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. In juni 2020 schreef hij het artikel ‘Hitler hätte sicher Freude gehabt’ waarin hij fel afstand nam van de voorgestelde verbouwing van het geboortehuis van Hitler in het Oostenrijkse grensstadje Braunau am Inn. Een verbouwing die geheel in de lijn lag van ouderwetse architectonische uitgangspunten van de Führer. Op verdere belangstelling voor de persoon van Adolf Hitler en zijn politieke beweging heeft Sandgruber nooit blijk gegeven. Zijn uitgave in 2021 van een biografie van Alois Hitler (1837-1903) mag dan ook best verrassend worden genoemd.
Sandgruber zou van Anneliese Smigielski, de achterachterkleindochter van Josef Radlegger die in 1895 de boerderij Rauschergut in Hafeld bij Lambach verkocht aan Alois Hitler, de 31 zakelijke brieven hebben ontvangen die Alois Hitler na de koop aan Radlegger had verstuurd. Ze zou het bundeltje brieven recent hebben teruggevonden op een of andere zolder en de correspondentie hebben afgegeven aan Sandgruber. Dit roept allereerst de vraag op waarom ze hiervoor uitgerekend Sandgruber uitkoos. Er zijn gerenommeerde historici met gedetailleerde kennis over de (jonge) persoon Adolf Hitler die eerder in aanmerking zouden komen de brieven kritisch door te nemen. (meer…)

Jane Renouardt (1890-1972)
Kasteel Middachten, gelegen in het Gelderse De Steeg (gemeente Rheden), werd in 1190 voor het eerst vermeld als bezit van Jacobus de Mithdac. Het toenmalige kasteel lag strategisch tussen de hoge Veluwezoom en het lage moerassige land in een lus van de rivier de IJssel. Het middeleeuwse versterkte huis met grachten, torens en dikke muren werd gebouwd op een uitstekende locatie voor een verdedigingswerk en bood de bewoners voldoende bescherming.
In 1357 kwam het kasteel in bezit van Everardus van Steenre (1335-1392/1400), de zoon van Herman van Steenre, die het huis ten Weerde bij Steenderen en van de Hof te Rheden bezat. Deze Herman van Steenre staat aan het begin van de stamreeks van het Gelderse riddergeslacht Van Middachten. Op 28 augustus 1814 werd bij Souverein Besluit R.J.A.F. van Middachten, heer van Vrieswijk en Oldhagensdorp (1755-1840) benoemd in de ridderschap van Overijssel waardoor hij en zijn nageslacht tot de adel van het koninkrijk gingen behoren. Met een kleindochter van hem stierf het geslacht echter in 1901 uit.
Everardus van Middachten nam na het verkrijgen van het bezit in 1357 de naam Van Middachten aan en liet een omgrachte en onderkelderde vierkante donjon bouwen met twee haakse vleugels aan een binnenplaats. Ook liet hij een forse voorburcht aanleggen. Ze horen nu tot de oudste bouwdelen van het kasteel. In 1624 en 1629 werden flinke vernielingen aangericht door graaf Hendrik van den Bergh (1573-1638), heer van Stevensweert en markgraaf van Bergen op Zoom, die tijdens de Tachtigjarige Oorlog in Spaanse dienst was. Hij was toen stadhouder van Spaans Opper-Gelre. Hij streed onder meer bij Gulik, bij de twee invallen van de Veluwe (in 1624 en 1629) en bij de belegeringen van Breda, Grol en ’s-Hertogenbosch. (meer…)
Paul Gustave Sidonie Guermonprez (Gent, 28 december 1908 – Overveen, 10 juni 1944) was de zoon van Belgische ouders die in 1917 tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Nederland waren gevlucht. Zijn kinderjaren hadden Paul en zijn broer Oscar doorgebracht in Brussel, waar vader George Charles Guermonprez werkzaam was als civiel ingenieur bij de gemeente. Het gevluchte gezin werd eerst opgevangen bij baggermaatschappij Bos en Kalis in Sliedrecht, waarmee de vader contacten had. opgevangen. Van 1920 tot 1924 was George Guermonprez directeur Gemeentewerken in Helmond, daarna had hij dezelfde baan in Sliedrecht. Paul volgde eerst een studie aan de afdeling Chemie en Techniek van de MTS te Dordrecht, die hij niet afmaakte. In Amsterdam volgde Paul een opleiding aan de School voor Suikerindustrie aan de Herengracht, die gewoonlijk werd aangeduid als de Suikerschool. Deze school leidde mensen op voor een baan in de suikerindustrie, bij voorkeur ‘in den vreemde’. Vanaf 1931 vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij wordt ingeschakeld bij de suikercampagne op Kadipatan. Vlak voor zijn vertrek trouwt hij met Arda Hessefelt, maar het huwelijk liep snel uit in een scheiding. In Indië maakt hij een reeks foto’s van het dagelijkse leven en de cultuur van het Indonesische volk. Vanwege de economische malaise en zijn protesten tegen de ongelijkwaardige behandeling van de Indonesiërs door de Europeanen werd Guermonprez op 26 januari 1932 ontslagen.
Begin 1932 was hij al weer terug in Europa, want net als zijn vader had Guermonprez veel belangstelling voor fotografie. In 1932 ging hij in Berlijn aan Bauhaus fotografie en architectuur studeren. Hij krijgt onder meer les van de fotograaf Walter Peterhans. De nationaalsocialisten hadden Bauhaus gedwongen vanaf dat jaar in Berlijn te vestigen, maar maakte duidelijk dat ze niets wilden weten het progressieve en ‘bolsjewistisch’ gebrandmerkte Bauhaus. Na Hitlers machtsovername in 1933 besloot Bauhaus zelf de deuren te sluiten en niet langer toe te geven aan de politieke eisen van de nieuwe machthebbers, zoals de verwijdering van Joodse en buitenlandse docenten. (meer…)

André van Noort, van beroep archivaris, was jarenlang voorzitter en bestuurslid van het Historisch Genootschap Warmelda in Warmond. Hij richtte voor de vereniging in 2014 het historische tijdschrift De Hekkensluiter op en schreef in de loop der jaren een aantal artikelen en boeken over de geschiedenis van Warmond. Daarbij moet hij zijn gestuit op Arnold Meijer, de fascistenleider die vanaf september 1926 studeerde aan het Groot-Seminarie Warmond. Hij moest enkele jaren later vanwege een ernstig oplopend conflict met praeses mgr. Henricus Taskin (1865-1946) het seminarie verlaten. Deze mgr. Taskin, die in de periode 1906-1939 de leiding had in het seminarie, stond bekend als een zeer conservatief en autoritair bestuurder. Nu had Meijer ook een behoorlijk autoritair karakter, dus een botsing met het ‘schrikbewind’ van de praeses was onvermijdelijk. Van Noort heeft de korte maar zeer bepalende periode in het leven van de priesterstudent Arnold Meijer in Warmond aangegrepen om een biografie te schrijven over de fascistenleider van Zwart Front en later Nationaal Front.
De wat onheilspellende naam Zwart Front riep direct associaties op met de strijd binnen de NSB over de vraag of de beweging moest inzetten op de Groot-Nederlandse gedachte en dus een zelfstandige Nederlandse fascistische beweging moest blijven of dat Nederland juist moest opgaan in de Duitse Rijk en dus ook de fascistische beweging daarin moest opgaan. In tegenstelling tot de eerste gedachte zaten Arnold Meijer en Zwart Front niet op de laatste koers. Dat was de politiek van Henk Feldmeijer (1910-1935) die, gesteund door de invloedrijke Rost van Tonningen, binnen de NSB de felste tegenstander was van Anton Mussert. De namen Meijer en Feldmeijer zorgen dus voor verwarring, de naam Zwart Front deed de rest. Arnold Meijer en Anton Mussert zaten politiek op dit punt op dezelfde lijn, maar bestreden elkaar verder waar ze maar konden. In elk geval was het met alle drie heren slecht kersen eten. (meer…)

Franz Konrad (Liesing, 1 maart 1906 – Warschau, 8 september 1951) was de zoon van een mijnwerker, die na de middelbare schooltijd als verkoper ging werken voor verschillende bedrijven in de levensmiddelenbranche. Aansluitend kreeg hij een baan als filiaalleider bij een coöperatieve verenging. Daar kon hij op een gegeven moment de verleiding niet weerstaan om van zijn werkgever geld achterover te drukken. Hij verloor in 1931 uiteraard zijn baan, maar werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Na zijn ontslag uit de gevangenis zwierf hij een tijdje doelloos rond. De advocaat die hem had verdedigd, bracht hem toen in contact met de Oostenrijkse tak van de NSDAP. Konrad werd op 1 april 1932 lid van de NSDAP (lidnr. 1.085.499) en op 1 september 1932 ook van de SS (lidnr. 46.204). Konrad, die in 1931 in het huwelijk was getreden, werd in 1931 ook lid van Lebensborn en kreeg daarbij direct drie kinderen toegewezen. Toen de NSDAP op 19 juni 1933 tot verboden partij werd verklaard, kreeg Konrad de leiding over de SS-Sturmgruppe 5/II/38.
Op 25 juli 1934 probeerden de Oostenrijkse nationaalsocialisten de regering van kanselier Engelbert Dollfuss omver te werpen, maar daar werd in grote delen van het land aanzienlijk minder aan meegedaan dan de nazi’s hadden verwacht. Op 30 juli 1934 moesten die zich neerleggen bij een nederlaag. In de vijf dagen van de Juliputsch hadden meer dan tweehonderd mensen het leven verloren, waaronder kanselier Dollfuss. Meer dan 4.000 nationaalsocialisten werden veroordeeld tot gevangenisstraffen. Daarvan kregen dertien man de doodstraf. Veel anderen vluchten naar Duitsland of Joegoslavië. Franz Konrad hoorde tot het legertje dat werd opgesloten. (meer…)
Ferdinand von Sammern-Frankenegg (Grieskirchen, 17 maart 1897 – 20 september 1944) was de zoon van een magistraat uit de omgeving van Linz. Vanaf 1915 diende hij gedurende de Eerste Wereldoorlog en dec eerste naoorlogse jaren in het Oostenrijkse leger. Hij diende aanvankelijk aan het front, maar nadat hij door een granaat verwond was geraakt kwam hij terecht bij de militaire politie. Op 4 november, vlak voor het definitieve einde van de langdurige en bloedige oorlog, werd hij door de Italianen krijgsgevangene gemaakt. In september 1920 werd hij in vrijheid gesteld en iets later in de rang van 1e luitenant uit de actieve dienst ontslagen. Na zijn vrijlating begon hij aan een juridische opleiding aan de Universiteit van Innsbruck, waar hij in september 1922 afstudeerde. In zijn studententijd was Von Sammern-Frankenegg ook lid geworden van de traditionele, conservatieve studentenvereniging Skalden, waar veel werd getreurd over het verlies van Zuid-Tirol aan Italië en leden die gedurende de oorlog het leven hadden verloren. De vereniging had een antisemitische instelling, die in de loop der jaren steeds erger werd. Vanaf 1932 was het leden sterk verboden Joodse lokalen te betreden of ‘niet-arische’ winkels binnen te gaan. Na 1921 waren veel leden van Skalden dan ook lid van een paramilitaire organisatie. Dat gold ook voor Ferdinand von Sammern-Frankenegg. Hij werd daarna lid van twee paramilitaire organisaties, de Bund Oberland (1920–1926) en de Steirischen Heimatschutz (1922–1932). Ook was hij lid van de Deutsch-Völkischen Turnverein (1922–1932), die zich niet alleen bezig hield met turnen, maar met politiek. Al in 1919 waren via een Arierparagraaf Joden, andere ‘nicht-Deutsche Völker’ en leden van een vakbond van deze koepelorganisatie, uitgesloten van lidmaatschap. (meer…)
Arnout van Cruijningen (Kloetinge, 3 augustus 1960) studeerde in Nijmegen Geschiedenis, met Staats- en Bestuursrecht als belangrijke bijvakken. Zijn doctoraalscriptie ging over de geschiedenis van de ‘inhuldiging des Konings’. Hij is gespecialiseerd in dynastieke geschiedenis, wat tot uiting kwam in een groot aantal publicaties over Europese vorstenhuizen in de nationale en internationale media. Met name over het Huis Oranje-Nassau in relatie met de vaderlandse geschiedenis heeft hij veel geschreven. Daarnaast heeft Van Cruyningen veel historische werken vanuit het Engels vertaald. Begin dit jaar verscheen van hem ‘1672. Het Rampjaar van de Republiek’. De uitgever merkt op de achterzijde op dat Van Cruijningen in dit boek een levendig beeld schetst van de hachelijke situatie van de Republiek: ‘Welke militaire en politieke schokken deden zich voor? Wat ging er aan het Rampjaar vooraf en wat waren de gevolgen? In dit rijk geïllustreerde boek bespreekt Van Cruijningen de belangrijke gebeurtenissen en personen in deze bewogen periode in de Nederlandse geschiedenis”.
Het boek is inderdaad rijk geïllustreerd met een groot aantal kleurenfoto’s, maar het boek moet toch vooral worden gezien als een snelle inleiding op de gebeurtenissen die aan het Rampjaar voorafgingen. Net als de tv-serie Het Rampjaar, waarvan de twee eerste delen inmiddels zijn uitgezonden, heeft het boek van Van Cruijningen veel aandacht aan de strijd tussen enerzijds de Loevesteiners/regenten en anderzijds het Huis van Oranje en hun medestanders. Gezien de specialisatie van de auteur niet erg verrassend en ook niet onbelangrijk, want de inval van de buitenlandse legers zorgden voor een verstrekkende politieke omwenteling in de Republiek. Willem III werd aangesteld als stadhouder en legeraanvoerder, waarmee de bijna absolute macht van het Huis Oranje-Nassau weer helemaal was hersteld. De regenten-bestuurders die aan de macht waren, moesten rigoureus het veld ruimen, wat op de meest gruwelijke wijze tot uiting kwam met de moordpartij door het grauw van Den Haag op de gebroeders Johan en Cornelis de Wit. (meer…)
Jacques Noach (Londen, 1946) is de oudste zoon van Sally Noach en zijn tweede echtgenote, Annie Visser, met wie hij in maart 1946 in Kensington (Groot-Brittannië) was getrouwd. Jacques Noach werkte na zijn universitaire studie als registeraccountant en had veel bestuursfuncties. Hij is onderscheiden met de Franse ‘Chevalier dans l’Ordre National de Mérite’. De titel ‘Chevalier’ (ridder) wordt verleend aan degenen die minimaal 35 jaar oud zijn en die zich minimaal tien jaar als militair of in een ambtelijke functie verdienstelijk hebben gemaakt voor de Franse staat. Nadat zijn vader in 1980 overleed heeft hij diens archief (documenten, brieven, foto’s) uitgezocht en recent aan het NIOD geschonken. In die tussenliggende periode heeft hij archiefonderzoek gedaan naar het ‘dossier Sally Noach’ en zijn bevingen in dit boek beschreven. Integraal onderdelen van het boek zijn de uitgebreide notitie ‘Mededeelingen 25 september 1942’ die Sally Noach in december 1942 opstelde over zijn ervaringen met de Nederlandse diplomaten in Frankrijk en Portugal en in Deel 2 de autobiografie Sally Noach. Het moest gedaan worden, die in 1971 verscheen, met medewerking van de journalist Max Haringman.
Het deel dat door Jacques Noach is geschreven, beslaat (pagina 11-156) is kleiner dan de stukken die kunnen worden toegeschreven aan Sally Noach (pagina 161-348). Daarin zit een behoorlijke overlap aan historische informatie en een echt begenadigd schrijver is zoon Jacques helaas niet. Dat moet vader Sally ook niet zijn geweest. Hij liet wijselijk zijn notitie van december 1942 door een secretaresse van een van de Londense ministeries uitwerken en schakelde voor zijn autobiografie een journalist-schrijver in. Groot verschil tussen beide schrijvers is dat Sally probeert een zo’n neutraal mogelijk verslag van zijn belevenissen en gedachten op papier te zetten, terwijl bij zoon Jacques vaak de emotie over het onrecht dat zijn vader is aangedaan de boventoon voert. Terecht, maar daarover straks meer. (meer…)
Johannes ter Horst (Enschede, 1 april 1913 – Usselo, 23 september 1944) kreeg thuis een principieel bijbelse opvoeding. Op de christelijke lagere school ‘De Bron’ werd dat aangevuld met verhalen uit de bijbelse en vaderlandse geschiedenis. Na de lagere school volgde hij een bakkersopleiding en werd bakker in Enschede. Al in 1940 begon hij vanuit zijn gereformeerde geloofsovertuiging met illegale activiteiten. Waarschijnlijk werd hij daarbij erg beïnvloed door Klaas Schilder (Kampen, 19 december 1890 – Kampen, 23 maart 1952), een vooraanstaand theoloog en hoogleraar in de Gereformeerde Kerken. Die sprak zich in zijn geschrift ‘Geen duimbreed’ in 1936 onomwonden uit tegen het nationaalsocialisme, het fascisme en de NSB. Een christen zou geen lid van de NSB en soortgelijke partijen mogen zijn. Aan het begin van de bezetting verzette Schilder zich fel tegen de Duitsers, waarbij hij zich behalve op zijn theologische opvattingen ook beriep op het Landoorlogreglement, waarin in 1899 tijdens de Haagse Vredesconferenties de rechten en plichten van oorlogvoerende partijen waren vastgelegd en die in 1907 werden herzien. Het bevatte onder meer duidelijke regels over de wijze van besturen van bezette landen en de omgang met krijgsgevangenen. Schilder schreef in het blad De Reformatie felle anti-Duitse artikelen, waarna hij werd gearresteerd en pas werd vrijgelaten na de belofte te stoppen met deze opruiende artikelen. Hij hield zich daar aan, wat hem na de oorlog op veel kritiek kwam te staan. In augustus 1944 werd de inmiddels ondergedoken Schilder vanwege zijn theologische standpunten afgezet als hoogleraar en predikant van de Gereformeerde Kerken, wat op 11 augustus 1944 in de Lutherse Burgwalkerk in Den Haag leidde tot een afsplitsing, de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), ook wel de Artikel 31-kerk genoemd. Ter Horst wordt vaak een ‘Artikel 31’er’ genoemd omdat zijn geloofsovertuiging hierbij aansloot. Hij overleed echter vlak na de vrijmaking van de kerk. (meer…)
Rense Havinga (1988) studeerde in Amsterdam Militaire Geschiedenis en Krijgswetenschappen en is sinds 2011 werkzaam als historicus en conservator bij het Vrijheidsmuseum in Groesbeek. Hij is verder actief binnen de Transgendervereniging Nijmegen en had enige jaren bij de gemeente Nijmegen zitting in de adviescommissie ‘LHBT-beleid’. Tot september 2019 heette het Vrijheidsmuseum het Nationaal Bevrijdingsmuseum 1944-1945) en hield zich voornamelijk bezig met de bevrijding van de Nederlands-Duitse grensregio in 1944-1945. Het nieuwe museum heeft de vorm van een parachute, dit ter herinnering aan de dropping van duizenden Amerikaanse parachutisten op de landingsterreinen bij Groesbeek tijdens Operatie Market Garden op 17 september 1944 en aan het grote Rijnlandoffensief in februari en maart 1945. In het Vrijheidsmuseum komen naast de bevrijding thema’s aan de orde als de opkomst van het fascisme, de Duitse dictatuur en bezetting, de periode van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en de relatie met hedendaagse conflicten. Havinga maakte voor het museum vijftien wisseltentoonstellingen en leidde het team dat vanaf begin 2022 een tentoonstelling over de Zwarte Driehoek vormgaf. Hij publiceerde ook dit boek over ‘… het vergeten verhaal van de vervolging van de allerarmsten in Duitsland en Nederland tussen 1933 en 1945’. (meer…)


Afrika, omstreeks 1900
Cornelis de Groot (Den Haag, 13 oktober 1913 – Amsterdam, 8 maart 1945) was sinds begin 1940 een jonge ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken. Hij was gehuwd en had drie kinderen. Hij was tijdens zijn rechtenstudie redacteur van diverse studentenbladen, waaronder van Propria Cures, het satirische en tegendraadse Amsterdamse studentenblad. De Groot was in zijn studententijd actief in de politiek en de journalistiek voor onder meer De Socialist, Rood Kader en Fundament. In 1936 ging hij naar Spanje om als ‘oorlogscorrespondent’ reportages van de burgeroorlog te maken. In die tijd hielp hij ook Duits-Joodse vluchtelingen aan onderdak en verder transport. Nadat hij zijn meestertitel had behaald, werd hij opgeroepen voor militaire dienst en werd op grond van zijn universitaire titel uitgekozen om reserveofficier te worden. De Groot was echter pacifist en antimilitarist en wilde als gewoon dienstplichtig soldaat zijn diensttijd doorbrengen. Hij kwam toen terecht bij de Geneeskundige Troepen. In de mobilisatieperiode was De Groot directiesecretaris bij de KLM. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen was hij ingedeeld bij een afdeling luchtafweer bij het vliegveld Haamstede op Schouwen-Duiveland.
Vliegveld Haamstede was in 1931 het eerste vliegveld waarop de KLM vanaf Waalhaven interne lijnvluchten vloog. Daarna volgde diensten naar Vlissingen en Knokke. Omdat die vluchten vooral door rijke Rotterdammers werden gebruikt om naar het casino te gaan, werden die vluchten ‘miljonairslijntjes’ genoemd. Rond 1936 was vliegveld Haamstede na Schiphol en Waalhaven het derde transportvliegveld van Nederland. Vanwege oplopende politieke spanningen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werd het vliegveld in 1939 voor gewone vluchten gesloten. Ze zouden na de oorlog niet meer worden hervat. Vanaf 1939 werd het een militaire vliegschool en in maart 1940 door de militaire autoriteiten gevorderd voor de verdediging van Nederland. Bij het uitbreken van de oorlog stonden op het vliegveld 26 vliegtuigen. Op een na werden die op 13 mei 1940 door Duitse Messerschmitts vernietigd. (meer…)
In de periode 1482-1786 werden langs de Afrikaanse Goudkust (Ghana) een groot aantal kastelen, forten en versterkte handelsposten gebouwd door (onder andere) Portugezen, Britten, Nederlanders, Spanjaarden, Denen, Zweden en Duitsers. Al die bouwwerken verrezen toen door de Europese ontdekkingsreizen allerlei nieuwe handelsactiviteiten en kolonies ontstonden. Dat ging gepaard met veel onderlinge conflicten en strijd met de Afrikaanse mogendheden. De verdedigingswerken kwamen tot stand om de eigen handel, die grotendeels bestond uit handel in goud en slaven, te beschermen. Veel van die forten en kastelen staan nu op de Werelderfgoedlijst van UNESCO, variërend van in uitstekend onderhouden staat tot bouwvallen en ruïnes.
Een daarvan betrof Fort Batenstein in het dorp Buttre aan de kust in de bossen van Ahantaland ten oosten van de kaap Three Points. In 1598 bouwde de West-Indische Compagnie in de omgeving een factorij in het bos. Zo’n factorij was een kleine nederzetting als steunpunt voor overzeese handel, die werd bestuurd door een afgevaardigde namens de WIC. Vaak bestond een factorij uit een paar pakhuizen, woningen voor het personeel, een kerk en een hoofdkantoor, soms met een garnizoen en een versterking of fort om de handelspost tegen indringers of aanvallers te kunnen verdedigen. (meer…)
In 1672 ligt de splitsing van Rijn en Waal oostelijker, bij Fort Schenkenschans in de omgeving van Lobith. Het dorp Millingen ligt op een ruim aantal kilometer na de splitsing. Er bevinden zich bij het dorp twee kastelen, het Huis te Millingen en het Huis te Zeeland. Beide huizen hebben veel te kampen met overstromingen en met de strijd tussen Gelre en Kleef om dit grensgebied. Zo werd het Huis te Millingen in 1499 door de Kleefsen verwoest, maar in 1510 werd het toch weer herbouwd. Op een kaart van de cartograaf Isaac van Geelkercken uit 1638 werd het Huis te Millingen weergegeven in de uiterwaarden van de Waal, omgrensd door een gracht. Het huis moet bij benadering ten noordwesten van het huidige dorp hebben gelegen, buitendijks en op de splitsing van de Rijndijk en Loswal.
In juni of juli 1672 werd het Huis te Millingen, door de Fransen grotendeels vernield, één van de vele kastelen die ze in de Gelderse regio vernielden in hun streven slechts natuurlijke grenzen te hebben. De veel voorkomende overstromingen in het gebied zorgden ervoor dat steeds restanten van de ruïne door het water verdwenen. Tot 1768 stonden in het landshap nog enkele muren overeind, die vagelijk herinnerde aan de voorbije glorie. In 1930 werden die laatste restanten van de voorburcht echter afgebroken en werd in het kader van de onvermijdelijke vooruitgang het terrein afgegraven en geëgaliseerd. De afgegraven grond werd gebruikt om de laatste grenzen van de burcht, de grachten, te dempen. Over de gebeurtenissen in juni-juli 1672 zijn geen details bekend. Het meest logisch lijkt dat ze langs Millingen kwamen op weg naar Nijmegen, dat eerst vanuit het net veroverde Fort Knotsenburg werd belegerd en toen dat niet tot het gewenste resultaat leidde vanaf 2 juli 1672 vanaf de zuidelijke oever van de Waal werd belegerd. (meer…)
Fred van Slogteren heeft een zeer lange geschiedenis als auteur van verhalen en boeken over het wielrennen achter de rug, maar de krasse tachtiger heeft nu een heel ander geschiedenisverhaal geschreven. Het gaat over de levens van Appie Soesan en zijn echtgenote Beppie Soesan-Bolle. De ondertitel bij het korte verhaal (130 pagina’s) luidt ‘Het veelbewogen leven van Appie Soesan’, maar in werkelijkheid zijn er maar een paar zeer bewogen jaren, namelijk vanaf medio 1942 tot het eind van de oorlog. In die oorlogsjaren wordt de dan amper zestienjarige Appie samen met zijn ouders eerst vanuit Amsterdam overgebracht door het doorgangskamp Westerbork en al snel daarna wordt het gezin op transport gezet naar Auschwitz. Zijn broer Ruben is die weg al eerder gegaan.
Tot aan het begin van de oorlog had het leven van het gezin er redelijk zorgeloos uitgezien. Vader had een eigen schildersbedrijfje waarmee hij redelijk goed de kost kon verdienen, ook nog toen Nederland door de Duitsers werd bezet omdat de clientèle hoofdzakelijk uit Joodse opdrachtgevers bestond. Het optreden van de Duitsers zorgde uiteraard voor ongemak en toenemende ongerustheid, want het aantal anti-Joodse maatregelen nam vanaf mei 1940 snel toe. Het begon in juli 1940 met een verbod aan Joden om te werken voor de luchtbeschermingsdienst of in Duitsland. Ook het verbod eind juli 1940 op ritueel slachten raakte het deel van de Joodse bevolking dat niet strikt volgens de geloofsbepalingen leefde maar amper. Dat gold ook voor het verbod om nog langer mensen van ‘Joodschen bloede’ in overheidsdienst te benoemen of voor de overheid te laten werken. Het gezin Soesan zal er weinig van hebben gemerkt, maar ongetwijfeld bevreesd zijn geweest dat dit slechts het begin zou zijn en weldra maatregelen zouden volgen die hen wel degelijk zouden raken. En dat gebeurde dan ook. Amper anderhalf jaar later waren alle Joodse kranten verboden (uitgezonderd Het Joodsche Weekblad van de Joodse Raad), mochten Joden niet meer naar de bioscoop, zwembaden, stranden, cafés, theaters, universiteit en ander onderwijs, was de gehate gele ster ingevoerd, was in Amsterdam de Joodsche wijk met prikkeldraad afgezet en moesten ze alle radio’s hebben ingeleverd. De werkelijke lijst is afgrijselijk lang. Maar nog steeds viel er, zeker in Amsterdam met haar grote Joodse bevolking, ondanks alle restricties en discriminerende bepalingen redelijk mee te leven. (meer…)
Andries Kalter (Rotterdam, 11 november 1904 – Zwolle, 21 maart 1945) was de zoon van een Rotterdamse expediteur. Bij het uitbreken van de oorlog woonde de Nederland-Hervormde Andries Kalter in Nieuw-Amsterdam, dat samen met de pal daarnaast gelegen een tweelingdorp vormt, die sinds januari 1998 bij de gemeente Emmen horen. Hij was er grossier in groenten en aardappelen. In zijn woonplaats begon Kalter vanaf 1941 met het helpen van de tientallen Franse en Poolse krijgsgevangenen die erin waren geslaagd uit een van de Duitse concentratiekampen te ontsnappen. Dat betrof gevangenen uit de Emslandkampen, een groep van kampen in het Emsland en het graafschap Bentheim, gelegen in Noordwest-Duitsland in de buurt van de Nederlandse grens; aan de Nederlandse kant van de grens grofweg van Winschoten tot Coevorden. In totaal vielen onder de Emslandlager vijftien kampen die vanuit Papenburg werden geleid. Daarvan was Börgermoor het meest gevreesde kamp. De naziregering en regionale overheden in het Emsland hadden een overeenkomst waarin werd bepaald dat de gevangenen als dwangarbeiders konden worden gebruikt om het uitgestrekte veengebied in het Emsland te ontginnen. De ontgonnen gebieden zouden bijdragen aan een grotere economische zelfstandigheid van Duitsland. De kampen hadden wisselende functies. Ze werden door de nazi’s gebruikt als: concentratiekampen (1933-1936), strafgevangenenkampen (1934-1945), militaire strafgevangenenkampen (1939-1945), krijgsgevangenenkampen (1939-1945) en buitenkampen van het concentratiekamp Neuengamme (1944/45). De veranderende functies van de kampen is verweven met de ontwikkelingsgeschiedenis van het nationaalsocialisme. (meer…)
Op de website van Deutsche Welle verscheen in 2014 het artikel Musikalisches Säbelrasseln van Klaus Gehrke, waarin hij betoogt dat tussen 1871 en 1914 veel Europese staten wetenschappelijk en cultureel op hun hoogtepunt waren, maar dat tegelijkertijd de ressentimenten tussen de diverse staten steeds hoger opliepen. Die stemming kwam ook in de muziek tot uiting, wat met de titel (‘Muzikaal wapengekletter’) goed is weergegeven. Een groot aantal componisten bracht nationalistische werken uit, die in het vaderland op enorm veel bijval konden rekenen. Toen de Eerste Wereldoorlog eenmaal was uitgebroken, had dit onmiddellijk een effect op de muziek die in de concertzalen te horen was. Voor de oorlog was de muziek van Richard Wagner in Frankrijk al niet bijster populair, maar vanaf 1914 waren zo ongeveer alle Duitse componisten taboe in Franse concertzalen.
Het artikel ging vergezeld van een Duitse harmonie die tijdens de Eerste Wereldoorlog door een Frans plaatsje marcheert. De foto inspireerde een Nederlandse blogger tot de volgende gedachte: ‘De foto geeft de alledaagse invulling waar nationalistische liederen en leiders toe oproepen. De muzikanten van het voorste gelederen staan er onscherp op. Ze leiden met hun muziek de oorlog in. De scherpte zit ‘m in de geweren in het midden. De helmen zijn niet de Pickelhauben uit het begin van de oorlog, maar de Stahlhelm die pas in 1916 in massaproductie werd genomen. Het lijkt een straatbeeld in Midden-Europa, zoals in ons historisch besef veel oude straatbeelden Midden-Europees lijken, maar het is waarschijnlijk Midden-Frankrijk. Achter het front bij Verdun? Omdat Elzas-Lotharingen vanaf 1871 Duits gebied was, is het niet logisch om te veronderstellen dat daar 43 jaar later nog Franstalige opschriften op winkels staan.’ (meer…)
De Portugese zeevaarder Diogo Cão (circa 1440-1486) maakte in opdracht van koning Johan II van Portugal twee ontdekkingsreizen langs de westkust van Afrika. Op zijn eerste reis (1482-1483) ontdekte hij de Kongostroom en kwam hij in contact met het stroomopwaarts gelegen koninkrijk van de Bakongo. Daarna volgde hij de Afrikaanse kust tot aan Kaap Santa Maria in Angola. Op zijn tweede reis (1485-1486) kwam Diogo Cão zelfs tot aan Kaap Kruis in Namibië. Aangenomen wordt dat hij op deze reis bij Kaap Kruis is overleden en daar ook werd begraven. In 1483 voer hij de monding van de rivier Catumbela op. De rivier ontspringt in de heuvels van Cassoco, ruim 240 kilometer landinwaarts, en mondt uit in de Atlantische Oceaan. Op dat punt was sprake van groene heuvels en vegetatie, terwijl het omringende land dor en onherbergzaam was. Landinwaarts stroomt de rivier in ravijnen door een kaal gebergte. Vanwege de koude Benguelastroming langs de kust, lijkt het punt bij de monding uitstekend geschikt voor een nederzetting. Er zal later de plaats Catumbela worden gevestigd. (meer…)
Frans ten Kate (1927) deed in 1954 doctoraalexamen in sociale geografie, werkte vervolgens mee aan een cursus van de luchtmachtstaf in Den Haag en was daarna als docent geschiedenis werkzaam op het lyceum in Zeist. In 1968 promoveerde hij aan de Rijksuniversiteit in Utrecht op het proefschrift De Duitse aanval op de Sovjet-Unie in 1941 (Operatie Barbarossa). Een krijgsgeschiedkundige studie. Voor zijn studie sprak Ten Kate met tien Duitse hoge officieren die bij de Duitse aanval betrokken waren. Na de oorlog werden die allemaal vanwege verschillende oorlogsmisdrijven die ze op hun geweten hadden tot de doodstraf of tot langdurige gevangenisstraffen veroordeeld, maar elk van hen liep na enkele jaren weer vrij rond. Niet zelden ook nog verontwaardigd dat ze na de oorlog ter verantwoording werden geroepen, terwijl ze slechts hun plicht voor volk en vaderland hadden gedaan. Ten Kate vertelde in 1968 in een interview dat veldmaarschalk Albert Kesselring, die onder meer verantwoordelijk was voor de bombardementen op Warschau, Rotterdam en tal van Engelse steden, enthousiast over zijn oorlogservaringen vertelde. Hij schroomde ook tegen zijn Nederlandse gesprekspartner niet met dezelfde geestdrift te vertellen over de geslaagde operatie in Rotterdam. Slechts één van de tien geïnterviewden liet merken spijt te hebben gehad van zijn aandeel in de oorlog. Iedereen sprak redelijk frank en vrij, wat Ten Kate in de gelegenheid stelde zeer nauwgezet de Duitse standpunten bij elk van de vele gebeurtenissen gedurende de periode juni 1941- april 1942 te kunnen weergeven. Dit boek is een heruitgave van zijn proefschrift uit 1968, aangevuld met een nawoord waarin de analyse van Ten Kate is geactualiseerd met resultaten van recent militair-historisch onderzoek. (meer…)

Senegal, Afrika, omstreeks 1900
Vernielde dorpen en kastelen in het Rampjaar 1672, deel 3
Net buiten Jaarsveld, een komdorp dat ongeveer zeven kilometer ten zuidwesten van IJsselstein aan de rivier de Lek ligt en deel uitmaakt van de gemeente Lopik, lag kasteel Jaarsveld. Het kasteel, dat ook wel kasteel Veldenstein werd genoemd, lag op de noordelijke oeverwal van de Lek ten noordoosten van het dorp. In 1108 had de bisschop van Utrecht aan de kapittels van de Dom en Oudmunster toestemming gegeven om in Hagestein een parochiekerk te stichten. Deze Hagesteinse kerk werd de moederkerk van een aantal kerken in de Vijfheerenlanden en net boven de Lek, waaronder de kerken van Everdingen, Lexmond, Vianen, Hei en Boeicop, Zijderveld, Jaarsveld en Tull en ‘t Waal. In Jaarsveld werd in 1258 het gerecht Jaarsveld (dat onder de Hagesteinse goederen viel) in leen uitgegeven aan Ghiselbert Uten Goye (Gijsbrecht van Goye), heer van Hagestein, van Houten en ’t Goy. Kasteel Jaarsveld werd voor het eerst genoemd als Otto van Cuijk, op dat moment de leenheer van het gerecht Jaarsveld, voor de aflossing van zijn hoge schulden gedwongen is al zijn lenen en goederen in het Sticht en in de landen van Amstel en Woerden af te staan aan graaf Willem III van Holland. De Hollandse graaf verkocht de heerlijkheid en huis Jaarsveld weer door aan de heren van Vianen, die afstammelingen van de Van Goye’s waren. In de volgende eeuwen wisselt Jaarsveld steeds van eigenaar, in eerste instantie binnen de familie van Goye. In de loop der tijd komt de naam Veldenstein in zwang. Rond 1384 bouwde Hendrik van Vianen op de strategische plek aan de Lek bij Jaarsveld het kasteel. Een goede plek om het verkeer op de Lekdijk en de scheepvaart op de Lek in de gaten te houden en centraal gesitueerd in de heerlijkheid Jaarsveld. Pas in 1413 werd Jan van Vianen alle rechten beleend op de heerlijkheid en het gerecht van Jaarsveld, dat ze al zo lang in bezit hadden en bewoonden. De leen bleef tot 1518 in het bezit van de heren van Vianen. (meer…)
Willem Pieter Speelman (Sellingen, 20 januari 1919 – Halfweg, 17 februari 1945) werd als zoon van een gereformeerde dominee geboren in het Oost-Groningse esdorp Sellingen, dat toen tot de gemeente Vlagtwedde behoorde en tegenwoordig deel uitmaakt van de gemeente Westerwolde. De familie Speelman behoorde tot het gereformeerde deel van de bevolking, terwijl de meerderheid tot de Nederlands-hervormde kerk hoorde. Later verhuisde het gezin naar het Zuid-Hollandse Nieuwveen, waar vader Speelzoon een nieuwe betrekking als dominee kreeg. Daar raakte Willem Speelman bevriend met Anne Hendrik Kooistra (Amsterdam, 1 november 1919, Gross Rosen, 4 augustus 1942), de zoon van Hendrik Anne Kooistra, van 1926 tot 1947 de directeur van Johannes Stichting, die in Nieuwveen onderdak aan behoeftige ouderen bood. Wim Speelman had het gereformeerd gymnasium in Amsterdam doorlopen en was bij het uitbreken van de oorlog student economie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Zijn jeugdvriend Henk Kooistra had in Amsterdam aan gevestigde gereformeerde kweekschool zijn akte L.O. behaald en was aan het solliciteren voor een baan. Hij werd in augustus 1940 aangenomen op de Eben-Haëzerschool in de Jordaan.Al op 29 juni 1940, kort na de Duitse inval, begon ze samen aan het eerste verzetswerk. Het tweetal gaf op die dag de Circulaire van het Comité ‘In Verdrukking Eén’ uit, waarin tot verzet werd opgeroepen.
Ieder die het onrecht zonder protest verdraagt, is schuldig.
Ieder die zijn materiële belangen stelt boven de uitspraak van zijn geweten, is schuldig.
Ieder die uit egoïsme onze goede zaak veronachtzaamt, verraadt haar min of meer en is schuldig.
Lauwheid, banghartigheid, halfslachtigheid: deze dingen zullen ons volk hun plaats onder de volkeren doen verliezen…
Elke opoffering, elke inspanning is winst en een stap in de richting van onze bevrijding.
De beide naïeve auteurs ondertekende de uitgave met zijn eigen naam. Ze zouden beide gedurende bezetting vanwege hun verzetswerk het leven verliezen, Kooistra op in 1942, pas 22 jaar oud. In de zomer van 1940 hadden beide 21-jarigen dan ook al contact met de Amsterdamse tak van de Ordedienst. (meer…)
Kort na de bezetting, op 14 augustus 1940, werd Anne Hendrik Kooistra (Amsterdam 1 november 1919) aangenomen als onderwijzer aan de Eben Haezerschool. Gevestigd op de hoek van de Bloemgracht en de Lijnbaansgracht stond de school ook bekend als de Inrichting voor Haveloze Kinderen. Op Anjerdag, 29 juni 1940, vervaardigde Kooistra met zijn jeugdvriend en dorpsgenoot Wim P. Speelman het eerste pamflet van het “Comité in Verdrukking Eén”. Ze verspreidden het geschrift in kleine kring met de bedoeling dat het overgeschreven zou werden en aldus een grotere reikwijdte zou krijgen. Het tweetal vroeg mensen uit hun kennissenkring, onder wie de Rotterdamse dominee J.J. Buskes, om kernachtige artikelen te schrijven. Opmerkelijk genoeg ondertekenden zij de pamfletten tot ver in september 1940 met hun eigen naam. Samen raakten ze betrokken bij de verspreiding van het illegale blad Vrij Nederland. Kooistra bracht geld en distributiebonnen rond en hield zelfs wapens verborgen op de zolder van zijn school. Tijdens de aanloop tot de Februaristaking van 1941 rukte hij een hakenkruisvlag van de vlaggenmast die voor het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat stond. In deze periode bouwde hij een sterke band op met zijn schoolhoofd H.M. van Randwijk. Op 3 april 1941 wist hij ternauwernood te ontsnappen toen een poging om naar Engeland over te steken door verraad mislukte. Een maand later probeerde de Sicherheitsdienst hem in zijn ouderlijk huis en later op zijn school te arresteren. Zijn vader wist hem op tijd te waarschuwen en met hulp van Van Randwijk dook Kooistra onder in Hoevelaken. (meer…)
Het eiland, gelegen in het estuarium van de Sierra Leone Rivier, vlakbij de monding in de Atlantische Oceaan, is met haar grootte van 3,8 bij 3,8 kilometer het grootste eiland in de provincie North-West van Sierra Leone. Op die ongeveer 7,5 km2 bevindt zich een groot scala aan vogels. In de vier plaatsjes die het eiland kent wonen ongeveer 5.000 mensen, die overwegend islamitisch zijn. De huidige economie steunt bijna geheel op visserij en landbouw; het toerisme is een beetje in opkomst. Onder de Portugese naam Ilha de taco komt het eiland in 1635 voor het eerst voor op landkaarten. Rond 1660 werd het eiland door Britse kolonisten bezet en verschijnt de naam Tasso of Tasso Island. Het fort dat de Britten op het eiland bouwde, had toen de functie van opslagplaats voor de lokale landbouw en voor exportproducten. In 1664 werd het kleine fort door Michiel de Ruyter veroverd op de ritten. Daarbij werd door hem namens de West-Indische Compagnie ruim 500 slagtanden van olifanten buit gemaakt. Het is niet bekend hoe lang de WIC bezet hield, waarschijnlijk niet langer dan een paar jaar. Het is onbekend of toen door de Hollanders het fort ten behoeve van de slavenhandel werd gebruikt. (meer…)
Op de jonge duinen die zich rond de 12 eeuw langs de Noordzeekust hebben ontwikkeld, werd een dorp gebouwd. In een akte uit 1357 werd dat dorp voor het eerst genoemd. In die akte vroegen de dorpsbewoners een gunst aan de graaf. Vermoedelijk was de aanwezigheid bij de buurtschap Die Haghe vanaf het begin van de 13e eeuw van de residentie van de graven van Holland de aanzet tot het ontstaan van het kustdorp. Waarschijnlijk zorgde de toenemende vraag naar zeevis van de nieuwe, rijke nederzetting ervoor dat vissers zich in de omgeving vestigden. In de loop der eeuwen kreeg het vissersdorp enige malen stormvloeden te verduren. Tijdens de Allerheiligenvloed in 1570 verdween de helft van het dorp in de golven, waardoor de kerk aan de rand kwam te staan. Daar staat de kerk nog steeds. Tot omstreeks 1650 was Scheveningen alleen door een duinpad, het Westerpad, met Den Haag verbonden. Het pad kwam uit bij het Haagse Noordeinde. De verbinding tussen beide plaatsen werd aanmerkelijk verbeterd toen in 1665 de Scheveningseweg werd aangelegd, naar een ontwerp van Constantijn Huygens. (meer…)
Vernielde dorpen en kastelen in het Rampjaar 1672, deel 2
Helpman was een dorp gelegen op de Hondsrug tussen Groningen en Haren, dat in 1245 voor het eerst werd genoemd in een oorkonde onder de naam Heltman. Later heette het dorp ook enige tijd Helpen. Het dorp was een van de dertien oorspronkelijke kerspelen en buurtschappen van Gorecht, het rechtsgebied rond de stad Groningen. Het oorspronkelijke dorp Groningen lag zelf ook in het Gorecht, maar had een eigen positie en werd op den duur als stad een eigen rechtsgebied. Kerkelijk was het Gorecht oorspronkelijk een parochie die onder de Sint Maartenskerk (Martinikerk) in Groningen viel. Die kerk geldt als moederkerk van alle kerken in het Gorecht.
Het Middelnederlandse woord kerspel had normaliter betrekking op een gebied dat onder het gezag stond van een bepaalde (parochie)kerk en maakte op die manier ook deel uit van de kerkelijke organisatie van een bisdom. Een kerspel beschikte over een kerspelkapel, die door de omwonende gelovigen moest worden bekostigd en onderhouden. Zij betaalden ook voor het levensonderhoud van de dienstdoende geestelijke. De kerspelkapel had niet de volledige zielzorg van de parochianen, want de bevoegdheden van de dienstdoende geestelijke werden beperkt door de stoolrechten (privileges) van de parochiepastoor. In de kapel werden geen sacramenten toegediend en voor de doop, het vormsel, een huwelijk of een begrafenis moest men naar de parochiekerk. Er mocht wel een mis worden opgedragen, godsdienstonderwijs worden gegeven, het naamfeest van de patroonheilige mocht worden gevierd en andere religieuze ceremoniën konden er worden gevierd. Ook in Helpman moet vroeger een kapel zijn geweest, maar daar zijn verder nooit sporen van gevonden. (meer…)
Kevin Prenger (1980, hoofdredacteur bij Traces of War) heeft met In de schaduw van Schindler. Jodenhelpers uit nazi-Duitsland zijn zevende boek gepubliceerd, waarvan de verhouding Duitsers en verzet tegen het nationaalsocialisme als rode draad te bespeuren is. Waarbij in de eerste drie boeken het begrip ‘verzet’ met de nodige voorzichtigheid moet worden bekeken. Dat waren namelijk biografieën van SS’ers die enerzijds volop meedraaide in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds claimde betrokken te zijn in het Duitse verzet. Bij Kurt Gerstein (‘Een boodschapper uit de hel’) is een verzetsrol het minst twijfelachtig. Bij Konrad Morgen (‘Een rechter in Auschwitz’) was vooral sprake van een uiterst rechtlijnig jurist binnen het justitiële apparaat, maar hert betekende wel dat hij zijn hoofd behoorlijk ver boven het maaiveld uitstek. En dat is nooit een prettige positie. Hij overleefde het echter zonder noemenswaardige kleerscheuren, wat niet zonder betekenis is. Arthur Nebe (‘Het masker van de massamoordenaar’) was ronduit een massamoordenaar, die vanwege zijn passieve rol bij het complot van 20 juli 1944 (met de mislukte moordaanslag van Claus von Stauffenberg) en het feit dat ook hij dit met een doodstraf moest bekopen, ten onrechte lange tijd als verzetsheld werd gepresenteerd. Als iemand die per ongeluk verstrikt was geraakt in de afschuwelijke misdaden van het naziregime. De titel ‘Het masker van de massamoordenaar’ van Prengers boek spreekt boekdelen. In Meer dan alleen Auschwitz vertelt Kevin Prenger twaalf verhalen die de Holocaust beschrijven ‘vanuit een ander perspectief dan gebruikelijk’. Verhalen die makkelijk onafhankelijk van elkaar kunnen worden gelezen, maar tezamen een brede blik op verschillende facetten van de Jodenvervolging geven. Beter gezegd, de diverse manieren waarop door de Joodse bevolking met succes op allerlei ingenieuze en soms verbijsterende manieren werd geprobeerd in leven te blijven (meer…)
Julius Josephus Mohr (Haarlem, 1 februari 1893 – Buchenwald, 5 februari 1945) haalde op 19 december 1919 zijn vliegbrevet en was vanaf 1922 in dienst van de KLM, werkzaam in Parijs. Op 22 november 1923 trad hij in Rotterdam in het huwelijk met Jansje Cornelia van der Hilt (Charlois, 4 mei 1889). Binnen de Nederlandse kolonie in de Franse hoofdstad was hij blijkbaar een graag gezien iemand. In de meidagen van 1940 werd in Parijs door de Nederlandse gezant de Association de Seours aux Réfugiés Néerlandais opgericht. Het werd natuurlijk al snel duidelijk dat er niet alleen min of meer officiële vluchtelingen waren, maar dat er ook allerlei anderen personen geholpen moesten worden. Personen die een hoog risico hadden om gearresteerd te worden. Er werd daarom een afsplitsing van deze illegale activiteiten gedaan, waarvan Jules Mohr de leiding kreeg.
In 1943 raakte Mohr hierdoor betrokken bij het netwerk Dutch-Paris en hielp onder meer mee om piloten via Spanje te laten terugkeren naar Groot-Brittannië. Hij werkte daar samen met Jean Weidner, diens zuster Gabrielle Weidner, de diplomaat Johan Laatsman en de verzetsmannen Benno Nijkerk en Jan Doornik. Hij stond ook in contact met R.H.M. Verspyck, die in Parijs voor Unilever werkte, en diens dochter Mathilde Verspyck. Op 18 juli 1944 bevrijdden de geallieerden bij Normandië de steden St-Lo en Caen en staan nog maar tweehonderd kilometer van Parijs af. Die dag werd Mohr gearresteerd en opgesloten in het Polizeihaftlager Compiègne, dat ook bekend stond als Kamp Royallieu of Frontstalag 122. Ook andere Nederlandse verzetsmannen zoals Jacob Brantsen zaten hier een tijdje opgesloten. (meer…)
Ernst Knaack (Berlijn, 4 november 1914, Brandenburg, 28 augustus 1944) werd in 1928 van de Kommunistischen Jugendverband Deutschlands (KJVD), waarvoor hij zich in het district Prenzlauer Berg bezig ging houden met propaganda en agitatie. Dat betekende onherroepelijk dat hij vanaf januari 1933 toen de NSDAP aan de macht kwam intensief betrokken werd bij de strijd tegen het nationaalsocialisme. IN 1935 werd hij als 21-jarige voor het eerste gearresteerd en op 2 oktober 1936 door de Rechtbank Berlijn tot een gevangenisstraf van twee jaar veroordeeld. Na zijn vrijlating werd hij lid van de illegale verzetsorganisatie van Robert Uhrig. Op 26 maart 1942 werd hij door de Gestapo voor de tweede maal gearresteerd en toen overgebracht naar het concentratiekamp Sachsenhausen. Daar werd hij opgesloten tot zijn proces. Op 6 juli 1944 werd hij door het Volksgerichtshof tot de doodstraf veroordeeld. In het Tuchthuis Brandenburg werden in de periode 1940-1945 door de nazi’s 1.807 politieke gevangenen om het leven gebracht. Daarvan waren 75 jonger dan twintig jaar, eentje was zelfs slechts zestien jaar oud.
Over de toen 29-jarige Ernst Knaack werd in het droge ambtelijke jargon vermeld: ‘De veroordeelde werd, met de armen op de rug vastgebonden, door twee bewakers om 12.36 uur binnengebracht. De beul Röttger uit Berlijn en zijn drie assistenten stonden klaar. Ook aanwezig was de gevangenisarts, Reg. Med. Rat. Dr. Müller. Nadat was vastgesteld dat degene die was binnengebracht inderdaad de veroordeelde was, werd opdracht gegeven verder te gaan met de procedure. De gevangene, rustig en geconcentreerd, werd zonder verzet naar de guillotine gebracht, waarna de beul de onthoofding volbracht en liet weten dat het vonnis met succes ten uitvoer was gebracht. De executie, vanaf het moment dat de veroordeeld werd binnengebracht tot de aankondiging van de beul dat het vonnis was uitgevoerd, duurde in totaal zeven seconden’. (meer…)
Op zaterdag 11 juni as. presenteert de Heemkundekring Rijnwaarden (HKR) een drone-documentaire en een boek, wordt de Tolhuys-maquette onthuld, vind de introductie plaats van een speciaal biertje en wordt een tentoonstelling geopend met unieke foto’s, historische voorwerpen (bajonet, kanonskogel), originelen en kopieën van kunstwerken (schilderijen, etsen, munt), historische landkaarten). Alles houdt verband met de Passage du Rhin, precies 350 jaar geleden in het weekend van 11-12 juni in 1672. Toen stak bij Lobith een leger van zo’n 20.000 soldaten de Rijn over. De Zonnekoning Lodewijk XIV was hoogstpersoonlijk aanwezig als bevelhebber. Het markeerde het begin van het Rampjaar 1672. Voor de heemkundekring mocht ik het boek schrijven en de uitgave verzorgen. Hieronder de inleiding van deze uitgave.
In de Nederlandse geschiedenis staat 1672 bekend als het Rampjaar, omdat de Republiek der Verenigde Nederlanden werd aangevallen door de koninkrijken Frankrijk, Engeland en Zweden en prinsbisdommen Münster en Keulen. Daaraan wordt altijd toegevoegd dat het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos was. Het tragische hoogtepunt was dat op 20 augustus de gebroeders Johan en Cornelis de Witt op gruwelijke wijze door het Haagse gepeupel werden vermoord. Vervolgens blijft de geschiedschrijving meestal beperkt tot de interne verdeeldheid binnen de Republiek, met de heftige meningsverschillen tussen Orangisten en Staatsen. Centrale punt hierin is de vraag of voor het Huis Oranje nu wel of niet een plaats in het landbestuur moet zijn weggelegd. Verder is er nog aandacht voor Utrecht en de Waterlinie, die Holland tegen vijandelijke aanvallen moest beschermen. (meer…)
.
Frans van den Muijsenberg, 31 januari 2018, Bahai Paleis, Marrakesj, Marokko.
Harald Jähner (1953) studeerde literatuur, geschiedenis en kunstgeschiedenis aan de universiteit van Freiburg en Berlijn, die hij afsloot met een promotie op het beroemde boek Berlin Alexanderplatz van Alfred Döblin. Na zijn afstuderen werkte hij eerst een tijdlang als freelance journalist. Van 1889 tot 1997 was hij hoofd van de afdeling communicatie van het Haus der Kulturen der Welt in Berlijn, het nationale expositiecentrum voor moderne niet-Europese kunst. Tegelijkertijd was hij literair criticus voor de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Van 2009 tot 2015 was hij hoofdredacteur van de Berliner Zeitung. Sinds 2011 is hij bijzonder hoogleraar Culturele Journalistiek aan de Universität der Künste in Berlijn. In 2019 debuteerde hij met het boek Wolfszeit. Deutschland und die Deutschen, 1945-1955, waarover hij datzelfde jaar de Leipziger Buchmesse Preis ontving. Het boek is inmiddels in diverse vertalingen verschenen en een internationale bestseller.
Wolfstijd is een mentaliteitsgeschiedenis van de eerste naoorlogse jaren in Duitsland. Op het moment dat de Tweede Wereldoorlog werd beëindigd, bevond de helft van de mensen in Duitsland zich niet op de plaats waar ze thuishoorden of wilden zijn. Er waren negen miljoen evacués en daklozen na de jarenlange bombardementen op de grote steden. Er waren verder veertien miljoen vluchtelingen en verdrevenen, tien miljoen vrijgelaten dwangarbeiders en gevangenen en van lieverlee keerden miljoenen Duitse krijgsgevangenen weer terug. Dit hele samenraapsel van mensen moest samen met de andere helft van de bevolking op het resterende Duitse grondgebied een nieuwe onderlinge samenhang zien te vinden. Aanvankelijk sprak men over de eerste naoorlogse jaren over de ‘niemandstijd’ of de ‘wolfstijd’, namelijk de tijd waarin ‘de mens de mens tot wolf’ was geworden. Iedereen moest alleen voor zichzelf of de paar personen uit zijn roedel zorgen. (meer…)
Siegmund Sredzki (Berlijn, 30 november 1892, concentratiekamp Sachsenhausen, 11 oktober 1944) werkte aan de draaibank in een fabriek voor de Duitse wapen- en munitie-industrie, tot hij in 1915 werd opgeroepen voor militaire dienst. In 1918 nam hij tijdens de Novemberrevolutie deel aan de gewapende strijd. In dat jaar werd Sredzki ook lid van de Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands (USPD), een socialistisch-pacifistische partij onder leiding van Hugo Haase. De partij was een jaar eerder opgericht door leden van de SPD-fractie in de Rijksdag. De SPD steunde toen de oorlogspolitiek van de Duitse generale staf en stemde steeds vóór nieuwe oorlogskredieten. De USPD volgde een revolutionair en marxistisch programma aan. De partij beschouwde zich daarmee als de enige erfgenaam van de socialisten August Bebel en Wilhelm Scheidemann. Binnen korte tijd kende de USPD 40.000 leden, terwijl de communistische Spartacusbond slechts 3.000 leden telde. In november 1918 werd Raad van Volkscommissarissen als voorlopige regering benoemd, waarin zowel de SPD als de USPD met drie leden vertegenwoordigd was. Tijdens de Spartacus-opstand in januari 1919 bleef de rechtervleugel van de partij trouw aan de regering waarin men zitting had, maar de linkervleugel van de USPD vocht aan de zijde van de opstandelingen mee. In de loop van 1919 keerde de rechtervleugel met voorzitter Hugo Haase terug naar de SPD; het grootste deel van de linkervleugel sloot zich aan bij de Kommunistishe Partei Deutschland (KPD) en het restant probeerde de USPD overeind te houden. In 1924 hield de partij echter op te bestaan. (meer…)
Vernielde dorpen en kastelen in het Rampjaar 1672, deel 1
Veldmaarschalk Johan Maurits van Nassau, die het bevel voerde over het Staatse leger dat gelegerd was van Muiden tot Abcoude, bezette op 19 juli 1672 het Slot Abcoude, waarvan voor her eerst melding werd gemaakt tijdens de verwoesting door Gijsbrecht van Amstel in 1274. Johan Maurits was in 1668 toen een oorlog met Frankrijk al dreigde weer veldmaarschalk geworden en was in 1672 de belangrijkste raadgever voor stadhouder Willem III. Hij had goede contacten met zowel de Hollandse bestuurders als met de keurvorst van Brandenburg-Pruisen, dus de ideale persoon om het contact met de belangrijkste bondgenoot van de Republiek te onderhouden. Hij zorgde ervoor dat Slot Abcoude gaat dienen als legerplaats voor de Staatse groepen. Hij moest ervoor zorgen dat de Franse troepen niet op schepen de Vecht konden afzakken. De doortocht door de Angstel, een meanderend riviertje van ongeveer tien kilometer, werd versperd door vaartuigen die met geschut waren bewapend. Alle riviertjes en vaarten waren op dezelfde manier bewapend, waardoor de weg naar Amsterdam was afgesloten.
Slot Abcoude zou het verste punt op de route Utrecht-Amsterdam worden dat de Fransen wisten te bereiken. Op 6 november 1672 werd het dorp Abcoude door Franse troepen in brand gestoken. Op 17 november 1672 gaf de hertog van Luxemburg, de Franse legeraanvoerder, aan honderdvijftig man de opdracht het dorp geheel te ruïneren. De Fransen marcheerden in een dag naar Abcoude en het slot, en staken in het dorp veel in brand. Op 30 november kwamen ze terug om alles wat nog overeind stond verder af te branden. Intussen was de verdediging van het slot versterkt, zodat het verzet erg heftig was en de verdedigers erin slaagden veel Fransen gevangen te nemen. (meer…)
In de Nederlandse geschiedenis staat 1672 bekend als het Rampjaar. ‘Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos’, is hierbij een vaste uitdrukking. In het Rampjaar kreeg de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden te maken met een gezamenlijke aanval van Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen. Het Franse leger van omstreeks 120.000 man koos een wat langere weg vanuit Charleroi om de Spaanse Nederlanden te vermijden. Om dat mogelijk te maken waren de beide bisdommen bondgenoot gemaakt. Met de Engelsen werden enkele zeeslagen gevoerd, die bekend staan als de Derde Engels-Nederlandse Oorlog (1672-1674), waarin de Nederlandse zeevloot de overhand had. Op 1 juni 1672 trokken de bisschoppelijke leger, aangevuld met een flink contingent Franse soldaten, Twente en Overijssel binnen. Dit gedeelte van de Hollandse oorlog staat bekend als de Tweede Münsterse Oorlog (1672-1674), waarbij grote delen van het oostelijke en noordelijke deel van de Republiek werd bezet en te maken kreeg met grootschalige plundering, vernielingen, moorden en verkrachtingen. Op 12 juni 1672 trok het Franse leger bij Lobith de Rijn over. Eerder hadden ze alle Kleefse vestigingen van de Republiek in recordtijd overmeesterd. Bij de Slag bij Tolhuys te Lobith kon het zwakke leger van de Republiek makkelijk worden verslagen. De IJssellinie, die vanuit Arnhem naar Doesburg, Zutphen, Deventer en Zwolle liep, was voor de Republiek de eerste verdedigingslinie. Deze verdedigingslinie moest zorgen dat Holland en Zeeland, die werden beschouwd als de belangrijkste provincies, niet konden worden aangevallen. Door de gewonnen Slag bij Tolhuys was deze IJssellinie nier langer van belang. Het Franse leger kon nu snel doortrekken naar Utrecht. (meer…)
Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het Valleikanaal. Hieronder eerst een beschrijving over het kanaal die in 1998 werd geplaatst in De Volkskrant, als onderdeel van een serie columns over bijzondere waterwegen. Daaronder een kleine fotografische sfeerimpressie van het kanaal.
Het Valleikanaal
‘Via de Nederrijn kun je het Valleikanaal niet opvaren, ook niet met kano’s’, waarschuwt de boswachter nog eens. Ze heeft me zojuist betrapt in het vogelrustgebied van uiterwaarde de Blauwe Kamer, waar ik tussen zwartbehaarde runderen en heuphoge brandnetelresten het begin van het kanaal zocht. Over een hoge brug in de verte loopt de N233, langs de kerktoren van Rhenen. Vrachtwagens dreunen, eenden snateren, fazanten vliegen klapperend weg, de zon beschijnt de besneeuwde dijken. Voor mij ligt de Grebbeberg met zijn voeten in de rivier. Het begin van het Valleikanaal vlijt zich om de berg heen. De bevroren waterspiegel lijkt van matglas, op open plekken weerkaatst de oever helder.
Bij de rivierdijk loopt het kanaal de Gelderse Vallei in, vroeger lag hier een sluis voor scheepjes. De zuidflank van de Grebbeberg is door de provincie Utrecht uitgeroepen tot ‘aardkundig’ monument. Twee landschappen botsen hier op elkaar. Aan weerszijden van de vallei rijzen stuwwallen op: de Utrechtse Heuvelrug (met de Grebbeberg) en de Veluwe. Rechts liggen de flats van Wageningen en Ede. (meer…)
Het Valleikanaal van ongeveer veertig kilometer lang stroomt in noordelijke richting door de Gelderse Vallei, een streek in Midden-Nederland die ruwweg voor twee derde deel in Gelderland en voor een derde deel in Utrecht (en een piepklein stukje in Noord-Holland in de gemeente Blaricum. Het gebied wordt begrensd door de Utrechtse Heuvelrug, de Nederrijn, de Veluwe en de Veluwerandmeren. Een daarvan is het Eemmeer, het deel waar de Eem in uitkomt. De Eem, vaak genoemd als de langste Nederlandse rivier omdat het de enige rivier is die in ons land ontspringt en uitmondt, begint in Amersfoort en mondde voorheen na achttien kilometer uit in de Zuiderzee, later het IJsselmeer en nu dus in het Eemmeer.
De Gelderse Vallei ligt voor twee derde in de provincie Gelderland, voor een derde in de provincie Utrecht en een heel klein stukje Noord-Holland in de gemeente Blaricum. Het kanaal heeft zijn naam ontleend aan het feit dat ze door deze Gelderse Vallei stroomt. Op een aantal plaatsen vormt het de grens tussen de provincies Utrecht en Gelderland. Het kanaal begint aan de Nederrijn bij Rhenen, aan de voert van de Grebbeberg en mondt in Amersfoort uit in de Eem. Het doel van het kanaal was te zorgen voor een goede afwatering van de Gelderse Vallei en dus het voorkomen van wateroverlast voor de bewoners van de plaatsen waar het kanaal doorheen loopt: Rhenen, Wageningen, Veenendaal, Overberg, Scherpenzeel, Woudenberg, Leusden en Amersfoort. (meer…)
Joan Gelderman (Oldenzaal, 18 november 1922 – Vught, 4 september 1944) was de jongste van de vijf kinderen van de bekende Oldenzaalse textielfabrikant Joan Gelderman (1877-1975), een lid van de Eerste Kamer namens de Liberale Staatspartij van 1928 tot 1946. Hij was van 1921 tot 1928 ook de eerste voorzitter van de nieuw opgerichte Kamer van Koophandel voor Twente en Salland, verder president-commissaris van de Nederlandse Spoorwegen en de NV Heemaf, plus commissaris van de Koninklijke Nederlandse Katoenspinnerij, de Tilburgse Katoenspinnerij en de Centrale Werkgevers Risicobank. Als vooraanstaand ondernemer speelde hij een belangrijke rol op het gebied van de handelspolitiek en bij de samenwerking tussen textielondernemingen. Zijn vooraanstaande positie in Twente bleek uit zijn benoeming in 1945 tot Economische Commissaris van de provincie Overijssel en lid van de commissie Noodvoorziening van het Militair Gezag.
Joan Gelderman jr. had twee oudere broers en twee oudere zussen. Hij groeide op in villa De Hulst in hert landelijk gebied net buiten Oldenzaal. De buitenverblijf was midden in de 18e eeuw gebouwd en later vergroot met een park met lanen, bos en bouwgronden en een tuinkoepel. In 1916-1917 was de textielfabrikant Joan Gelderman eigenaar van het buitenverblijf, dat hij liet verbouwen naar een moderne villa. Ook werd het park gemoderniseerd, waarbij de oorspronkelijke, 18e eeuwse structuren grotendeels behouden bleven. Momenteel staan er op het uitgebreide landgoed een aantal zeer luxe appartementen. (meer…)



Parijs, de cancan, omstreeks 1890
Oltman Reinder Thomsen (Leeuwarden, 5 november 1910 – Heveskes, 28 april 1945) groeide op in Scheemda en volgde in Groningen de MTS-opleiding Bouwkunde. Hij verhuisde daarna naar Amsterdam, waar hij zijn echtgenote Bep Tonia Lintvelt leerde kennen, die op 28 maart 1912 in de hoofdstad was geboren en kleuterleidster was. Oltman Reinder ging werken als bouwkundig opzichter werken bij de Dienst Weg en Werken van de Nederlandse Spoorwegen, eerst in Amsterdam en kort na de Duitse inval in Nederland in Utrecht. In 1936 trouwde Oltman en Bep; ze kregen in de loop der jaren vier dochter (Mirjam, Marijke, Karin en Anne-Marie).
Thomsen komt pas laat in de verzetsbeweging terecht. Toen de Nederlandse regering in Londen via Radio Oranje op 14 september 1944 de Spoorwegstaking afkondigde, legde de 30.000 personeelsleden van NS het werk neer. De Spoorwegstaking, die van september 1944 tot de bevrijding in mei 1945 zou duren, viel samen met het begin van Operatie Market Garden. De staking kon voor een groot deel via het Nationaal Steunfonds worden gefinancierd. De Duitsers waarschuwden dat de staking de voedselvoorziening in West Nederland in gevaar zou brengen en nadat Operatie Market Garden op een debacle was uitgelopen volgde inderdaad in West Nederland de Hongerwinter waarbij minstens 20.000 Nederlanders door honger en kou om het leven zouden komen. De Duitsers maakten van de staking ook gebruik door veel Nederlands spoorwegmaterieel naar Oost-Europa over te brengen. De staking hinderde de Duitse oorlogsmachine totaal niet en had voor hen zelfs het voordeel dat via de lege sporen veel sneller manschappen en materieel konden worden vervoerd. (meer…)
Op 25 juni 1925 werd de Zeeweg geopend, naar een ontwerp van de Haarlemse landschapsarchitect Leonard Springer. De weg liep vanuit Overveen, nu een dorp binnen de gemeente Bloemendaal, dwars door de duinen de Zeeweg naar het strand, naar Bloemendaal aan Zee en diende om het opkomende toerisme te bevorderen. Het was een ruime weg met links en rechts van de hoofdweg fiets- en wandelpaden. Vanaf de Kop van de Zeeweg loopt een boulevard naar Zandvoort. Na de bezetting bleef de Zeeweg en het strand nog enkele jaren geopend, maar in de zomer van 1943 sloten de Duitsers de stranden af. Op 23 juni 1943 werd het kustgebied tot Sperrgebiet verklaard en verrezen rond de Zeeweg Duitse kampementen en werd begonnen met de aanleg van bunkers en andere versterkingen. Restanten van deze verdedigingslinie, de Atlantikwall, zijn te zien in de Walzkörpersperre ten zuiden van de Zeeweg. Hiervoor werd het druk bezochte paviljoen ‘Het Ronde huis’ aan het eind van de Zeeweg afgebroken. Het duinengebied werd vol gelegd met mijnenvelden en daarmee levensgevaarlijk om te betreden. Voor de Duitsers dus de ideale plaats om te gebruiken voor executies en massagraven. In de nacht van 1 op 2 februari 1943 worden voor de eerste keer terechtgestelden in de duinen begraven. Dit als vergelding voor de in Haarlem door het verzet neergeschoten Feldwebel Bamberger, waarvoor SS- und Polizeiführer Rauter ‘joods-communistische kringen’ aansprakelijk stelt. Er werden 102 Haarlemmers gearresteerd, waarvan er tien als represaille worden geëxecuteerd. De terechtstelling vond plaats in het zandgat in de duinen onderaan de voet van Paviljoen De Uitkijk. De voor de executie verantwoordelijke Duitse officier geeft opdracht tot ‘veraschung’ van de tien kisten met lijken. Op 17 april 1945 vond de laatste executie plaats, toen Hannie Schaft werd geëxecuteerd en in een massagraf werd begraven. (meer…)
Op donderdag 5 april 1945 kwamen rond zes uur ’s avonds twee jonge Duitse soldaten op de boerderij van Klaas van Diepen om een paard en wagen te vorderen. Van Diepen was actief in het verzet. Juist op dat moment waren mensen uit de illegaliteit van Limmen bezig hun motoren te controleren en wapens schoon te maken. Van Diepen wist de beide soldaten weg te krijgen met de smoes dat de pest op de boerderij heerste en hij hen dus niet helpen. De Duitsers gingen toen naar de boerderij van boer Adrichem iets verderop. De verzetsmensen vreesden echter ontdekt te worden, wat kon leiden tot het oprollen van hun organisatie. Ze besloten ter plekke de twee Duitse militairen te liquideren. Ze volgden de Duitse militairen, die inmiddels bij de andere boerderij paard en wagen hadden gevorderd. De boer was zijn paarden al uit de wei aan het halen. De 19-jarige Johann Meiners, een van beide militairen, werd onmiddellijk neergeschoten. Omdat een revolver ketste kon de tweede soldaat schietend met zijn karabijn naar Limmen vluchten en direct aan zijn overste in Alkmaar doorgeven wat er was gebeurd. Op twee boerderijen was toen al grote paniek uitgebroken. De beide boeren, de geëvacueerde Egmonder Klaas Schol en de ondergrondse strijders werkten de gedode Duitser weg en namen zelf de vlucht. Cor Meijne, de zwager van Adrichem, bleef achter bij de echtgenote van Adrichem, zijn kinderen en het vee op de boerderij achter. (meer…)
Op de warme vrijdagmorgen 4 augustus 1944 tussen tien uur en half elf stopte een Duitse auto aan de Prinsengracht 263 voor de openstaande magazijndeuren van het bedrijfspand van NV Nederlandsche Opekta Mij., een filiaal van het in 1928 in Keulen gestichte moederbedrijf Opekta GmbH. Het bedrijf verkocht pectine, waarmee huisvrouwen thuis jam konden maken. Karl Josef Silberbauer, een Oostenrijkse politiefunctionaris en SS’er., en vier à vijf Nederlandse SD’ers in burger liepen het pand binnen. Een van hen stelde een vraag aan de magazijnchef die zijn duim omhoog stak en kort antwoordde: ‘Boven’. Na een korte speurtocht liep Silberbauer recht af op de boekenkast, waarachter zich de deur bevond die toegang gaf tot het achterhuis. Daar bevonden zich acht onderduikers: Otto Frank, zijn vrouw Edith en hun twee dochters Margot en Anne, Otto Franks zakenpartner Hermann van Pels, diens echtgenote Auguste en hun zoon Peter en de tandarts Fritz Pfeffer. Op bevel van Silberbauer moesten geld en sieraden worden afgegeven. Ruim 2,5 uur later kwam een gecharterde vrachtauto iedereen ophalen. In de tussentijd kon iedereen kleding en toiletgerei inpakken. De onderduikers werden naar het hoofdkwartier van de Aussenstelle des Befehlshabers der Sicherheitspolizei und des Sicherheitsdienstes aan de Euterpestraat overgebracht. Later vertelde Silberbauer dat hij voor de inval opdracht had gekregen van zijn superieur Julius Dettmann, die een telefonische mededeling had gekregen dat zich in het pand een aantal onderduikers bevond. (meer…)
Tot de komst van de Portugezen in januari 1471 waren Sao Tomé en Principe twee onbewoonde eilandjes in de Golf van Guinee. In de directe omgeving bevonden zich nog een aantal kleine eilandjes, niet meer dan wat kale rotspunten in de oceaan. Ze bevinden zich op ruim tweehonderd kilometer voor de huidige hoofdstad Libreville van Gabon. De Portugezen besloten na hun verkenning dat hier wel een goede handelspost kon worden gevestigd. Het grootste eiland noemde ze Sao Tomé, naar de apostel Tomas. In 1493 bouwde ze er hun eerste nederzetting. Enkele jaren later werd ook een nederzetting gesticht op het ander eilandje dat ze Principe noemde naar prins Johan III van Portugal. Het ligt ongeveer 150 kilometer ten noorden van Sao Tomé. Hert bleek echter zeer moeilijk mensen bereid te vinden zich op het nieuwe Portugese territorium te vestigen. Aanvankelijk kwamen alleen groepen die in Portugal niet erg gewenst waren, zoals Joden. Eind 15e eeuw werden ongeveer tweeduizend Joodse kinderen naar Sao Tomé verscheept en onder de paar Portugese kolonisten verdeeld. Na een paar jaar waren er nog slechts zestig van hen in leven; de rest was bezweken aan de tropische ziekten.
De kolonisten die zich er hadden gevestigd merkten al snel dat de vulkanische grond goed geschikt voor landbouw waren. Vooral het verbouwen van suikerriet verliep er voorspoedig, maar dat was wel een arbeidsintensief proces. Rond 1550 waren de eilanden dan ook de grootste Afrikaanse suikerexporteur, mede dankzij de slaven die de Portugese van het Afrikaanse platteland overbrachten. Nadat er steeds meer concurrentie kwam van de goedkopere suiker van de Zuid-Amerikaanse plantages nam de productie hier af. In plaats daarvan werden Sao Tomé en Principe belangrijke doorvoerhavens voor de slavenhandel naar Latijns-Amerika. (meer…)
De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641
Cornelis Jol volgde direct de instructies die inhielden dat, ongeacht of de aanval op Luanda nu wel of niet succesvol was geweest, vervolgens direct moest worden verdergegaan naar San Tomé om dit eiland voor de Compagnie op de Portugezen te veroveren. Nu de eerste helft van de opdracht zo goed was verlopen, kon snel worden begonnen met het tweede deel van de missie. Al op 17 september 1641 vertrok Jol met een deel van de vloot naar de Bocht van Guinée. Hert belangrijkste doel was de overmeestering van het fort/kasteel Sao Sebastiao, dat het enige verdedigingswerk van betekenis en was gelegen op een smalle landtong in het zuidelijk gedeelte van de baai van Anna de Chaves, de haven van San Tomé. Het was dan weliswaar het enige echte verdedigingswerk, maar met haar vier bastions, muren van bijna acht meter hoog en dertig bronzen kanonnen was het wel een van de sterkste forten aan de West-Afrikaanse kust. Jol moest na de verovering van dit fort er vooral voor zorgen dat de verbindingswegen van de Portugezen naar de zee werden afgesneden.
Een paar schepen bleven achter in Luanda, anderen keerden onder bevel van viceadmiraal Jacob Huygensz terug naar Brazilië. De nieuwe viceadmiraal werd nu Matheus Jansen van de Leeuwinne uit de Kamer Zeeland. Ook kwam eer een nieuwe schout bij nacht, Jan Fransen Groot van de Enchuysen omdat de Eendracht van de Kamer Op de Maze niet meevoer. De manschappen bestonden uit vijf compagnieën met blanke soldaten en drie compagnieën met de Braziliaanse hulptroepen. Ze stonden onder leiding van de kapiteins Valet, Dammert, Koin en Clant. (meer…)
Antonius Otto Hermannus Tellegen (Zwolle, 25 mei 1907 – Overveen, 23 oktober 1943) was een Nederlandse arts die in zijn geboorteplaats Zwolle de middelbare school afmaakte en daarna in Leiden medicijnen ging studeren. Gij gold als een vooruitstrevend arts. Hij was bijvoorbeeld een van de oprichters van de bloedtransfusiedienst en ontwierp met enkele andere deskundigen een unieke operatie-auto. Die was precies bij het uitbreken van de oorlog gereed, maar de militaire geneeskundige dienst durfde de auto niet gelijk in gebruik te nemen, zodat de puntgave auto direct na de capitulatie door de Duitsers kon worden gebruikt. Hij was op 31 juli 1935 in Oosterbeek getrouwd met Henriette Catherine Westerouen van Meeteren. Het echtpaar zou vijf kinderen krijgen. In 1938 meldde Tellegen zich aan bij het leger toen hem ter ore was gekomen dat er een tekort aan militaire artsen was. Op 25 juli 1938 werd hij benoemd tot officier der tweede klasse. Op jongere leeftijd had hij een opleiding gehad tot reserveofficier bij de Bereden Artillerie en toen de rang van reserve eerste luitenant gekregen.
In die meidagen van 1940 werd hij overgeplaatst naar het hoofdkantoor van het Rode Kruis in Den Haag. Als eerste luitenant gaf Tellegen in de vroege ochtend van 10 mei 1940, vóór de officiële orders waren gegeven, de ziekenhuizen in Den Haag opdracht om alle observatiepatiënten en lopende patiënten naar huis te sturen. Een verstandig besluit, want vlak daarna moesten na de gevechten met Duitse parachutisten die boven de vliegvelden Valkenburg, Ockenburgh en Ypenburg waren gelanden veel gewonden in de Haagse ziekenhuizen worden opgenomen. Hij raakte zwaar gewond toen Duitse jachtbommenwerpers duikvluchten op de stad uitvoerden, juist op het moment dat hij op zijn motor door de stad reed in een poging Wassenaar te bereiken. Door Duitse parachutisten die zich hadden verschanst in het Haagse bos werd hij op het kruispunt Alkemadelaan-Wassenaars weg beschoten en getroffen. Pas op 4 oktober 1940 werd hij uit het ziekenhuis ontslagen en werkte hij korte tijd bij de Geneeskundige en Gezondheidsdienst in Amsterdam. (meer…)
Friedrich Percyval Reck-Malleczewen (Malleczewo, 11 augustus 1884 – Dachau, 16 februar1 1945) werd geboren op het landgoed Malleczewen in het toenmalige Pruisische plaatsje Malleczewen (tegenwoordig Pools en Maleczewo geheten) als de zoon van Hermann Reck (1847-1931), een grootgrondbezitter die bij de verkiezingen voor de Reichstag in 1912 namens het district Gumbinnen 6 voor de Deutschkonservative Partei in het parlement werd gekozen en tot het eind van de Eerste Wereldoorlog in november 1918 hierin zitting zou hebben. Deze partij, die in juni 1876 werd opgericht, behartigde de belangen van de adel, grootgrondbezitters, traditiegetrouwe protestanten en aanhangers van Otto von Bismarck en keizerlijke familie. Ze waren sterk gekant tegen elke vorm van centraal gezag en nog meer tegen sociaal-democratie. Friedrich wilde aanvankelijk musicus worden, maar begon uiteindelijk toch aan een studie medicijnen aan de universiteit van Innsbruck. Hij was een tijdje officier in het Pruisische leger, maar moest vanwege zijn diabetes ontslag uit het leger nemen. In 1908 trouwde hij met Anna Louise Büttner, met wie hij vier dochters en een zoon kreeg. De zoon zou gedurende de Tweede Wereldoorlog als dienstplichtig soldaat vermist raken. In 1930 scheidde het echtpaar na al jarenlang gescheiden van elkaar te hebben geleefd. In 1935 zou hij voor de tweede maal trouwen, met Irmgard von Borcke, waarmee hij opnieuw drie dochters kreeg. Na zijn afstuderen in 1911 was hij een jaar lang scheeparts op een Amerikaans schip. Daarna vestigde hij zich in Stuttgart, waar hij voor de Süddeutsche Zeitung journalist en theatercriticus werd. Vlak voor aanvang van de Eerste Wereldoorlog verhuisde hij naar een klein landgoed bij Pasing, dat toen nog een zelfstandige gemeente was maar sinds 1938 een buitenwijk van München is. (meer…)
Op 11 februari 1575 landde de Portugese ontdekkingsreiziger Paulo Dias de Novais (c. 1510 – 9 mei 1589) op de kuststrook van het huidige Angola. Hij werd gevolgd door een paar honderd mensen die zich als kolonist in het gebied wilden vestigen en ongeveer vierhonderd soldaten. Hij was de kleinzoon van de beroemde zeevaarder en ontdekkingsreiziger Bartolomeu Dias (ca. 1450 – op zee nabij Kaap de Goede Hoop, 29 mei 1500), die in 1488 als eerste Europeaan Kaap de Goede Hoop rondde en daarmee het voorbereidende werk deed voor de eerste tocht door Vasco da Gama naar India. Paulo Dias de Novais stichtte aan de kust het stadje São Paulo de Luanda, beschut gelegen achter het eiland Luanda. De stad zou al snel slechts als Luanda bekend staan. Het is momenteel de grootste stad en hoofdstad van Angola. Paulo Dias de Novais was er op zoek naar de mysterieuze zilvermijnen van Cambambe. Dat verder landinwaarts gelegen gebied zou pas in 1604 door de Portugezen worden bereikt en gekoloniseerd. Vanaf 1575 tot 1850 was Luanda het Portugese centrum voor de slavenhandel naar Brazilië. In 1618 bouwde de Portugezen bij het stadje de vesting Fortaleza Sao Pedro da Barra; in 1634 werd een tweede vesting voltooid: Fortaleza de Sao Miguel. Vanaf 1627 was Luanda het bestuurlijke centrum van Angola, met uitzondering van 1641 tot 1648 toen de West-Indische Compagnie er de baas was. (meer…)



Ethiopië, omstreeks 1890
De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641
De overtocht begon al niet echt voorspoedig. Een eerste vereiste om op de juiste manier Angola te bezeilen was om eerst voldoende naar hert zuiden te gaan en daarna gebruik te kunnen maken van de juiste wind om goed uit te komen. De om de Noord gaande stroom langs de kust van Brazilië was sterker dan gebruikelijk, zodat maar matige voortgang werd bereikt. Op 4 juni was nog maar drie mijl naar het zuiden gevorderd. Bovendien moest Jol rekening houden met twee langzame boten in zijn vloot, de Eendracht en de Coninck David. Pas op 14 juni werd op 18° zuiderbreedte de Abrolhos Archipel gepasseerd, vijf onbewoonde eilandjes aan de kust van de staat Bahia in het zuidoosten van Brazilië, berucht vanwege haar vervaarlijke koraalriffen in ondiep water, scherpe rotsen of zandbanken. Vanaf dit punt werd gebruikelijk de koers naar het oosten ingezet.
Met de nieuwe koers werd eerst flinke vooruitgang geboekt, maar vanaf 23 juni ging de wind draaien. De vloot kreeg te maken met plotseling wisselende winden, met flinke wervelbuien en regenvlagen. De zeilschepen konden moeilijk allemaal dezelfde koers aanhouden, zodat Cornelis Jol moeite had ervoor te zorgen dat geen enkele boot van zijn vlag afdwaalde. Op 1 juli was de vloot afgedwaald naar de 27e breedtegraad, te ver naar het zuiden om gebruik te kunnen maken van de gunstige wind. De vloot kwam terecht in een gebied met rustige en verraderlijke wind. Jol riep de Breeden Raad bijeen om de toestand te bespreken. Er was voorzien in een reis van vier weken, maar die waren nu verstreken met weinig progressie en veel onzekerheid hoelang de reis nog zou duren. De watervoorraden waren flink geslonken. Enkele schepen hadden maar voor twintig dagen aan drinkwater ter beschikking ‘twelck op soo lange voyage als voor handen was niet en mach strecken indien Godt de Heere ons niet merckelijck en segent ende een goede wint verleent’. Er werd besloten daarom het waterrantsoen terug te brengen van acht naar vijf mutskens (een mutske is ongeveer 40 cl.) per hoofd en per dag, maar tegelijkertijd per week iedereen twee mutskens brandewijn extra te geven. (meer…)
De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641
De West-Indische Gids, een uitgave van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde dat in de periode 1919-1959 verscheen, publiceerde in de nummers 1 en 2 van de jaargang 1942 twee artikelen van de historica Mej. J.B. van Overeem, geboren in Batavia in 1912, over het optreden van admiraal Cornelis Corneliszoon Jol in de Caraïbische zee. Midden in de oorlog artikelen over een Nederlandse zeeheld, met veel verwijzingen naar nog beroemdere Nederlandse zeehelden die de toenmalige wereldoverheerser Spanje met succes bestreden. Het kan worden gezien als een daad van wetenschappelijk-historisch verzet. Van Overeem zou later directrice worden van het Maritiem Museum Prins Hendrik in Rotterdam. Op 2 februari 1974 werd door haar en prinses Beatrix een buste van prins Hendrik van Oranje-Nassau (1820-1879) onthuld (zie foto hieronder). Inmiddels Prins Hendrik verdwenen uit de naam van het museum, de buste van wel ergens in het archief staan. Van Overeem heeft een groot aantal publicaties over de vaderlandse maritieme geschiedenis op haar naam staan. De sloot de artikelen af met de opmerking: ‘In 1641 hebben de Heeren XIX hem naar de kust van Guinee laten gaan, om, voordat vrede met Portugal werd gesloten, het slavendepöt Angola te bemachtigen. Hij heeft zijn opdracht volvoerd, doch ten koste van zijn leven. In hem verloren de Bewindhebbers een trouw en moedig scheepskapitein, die alom in de West-Indiën schrik had verspreid en menige Spaansche prijs had opgebracht.’ (meer…)
Cornelis Corneliszoon Jol (Scheveningen, 1597 – São Tomé, 31 oktober 1641) werd geboren in een Scheveningse schippersfamilie, maar woonde later in Amsterdam. Hij was getrouwd met Aeltje Jans, met wie hij drie kinderen had, een dochter en twee zoons. Beide zoons werden schipper bij de VOC. Zijn jongste zoon Cornelis was tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog (1652-1654) ook kapitein van het schip De Leyden en vocht toen dus ook, net als zijn vader in 1639, onder aanvoering van Maarten Tromp. In 1626 werd Cornelis Jol sr. in dienst genomen door de West-Indische Compagnie (WIC). Namens de WIC stak hij negen keer de Atlantische Oceaan over om de Spanjaarden en Portugezen langs de Braziliaanse kust en in de Caraïben te bestrijden. Jol was illustratief voor de soort admiraals die de compagnie in dienst had. In de Republiek der Zeven Provinciën was Jol een volksheld vanwege zijn grote moed, groot vakmanschap als navigator en zijn grote successen in de strijd met Spaanse en Portugese zeevaarders. Daarnaast had hij ook de reputatie zeer menswaardig om te gaan met krijgsgevangenen, want in tegenstelling tot enkele collega’s en zeker tot veel piraten en boekaniers werden bij Jol de bemanningen van veroverde schepen niet achteloos overboord gegooid. Jol voer met kaperbrieven, wat betekende dat hij als een kaper-kapitein van een particulier schip van de WIC toestemming had om schepen van vijandige landen aan te vallen en hun lading in beslag te nemen. De kaapvaart was dus een vorm van toegestane zeeroverij in oorlogstijd. Het merendeel van de buit moest worden afgestaan aan het land dat de kaperbrief had gegeven, maar er bleef ruim voldoende over om het een aantrekkelijke business te maken. Via de kaperbrief was de kapitein en zijn bemanning bovendien vrijgesteld van vervolging vanwege piraterij. Dit gold uiteraard niet in de vijandige landen en landen die daarmee bevriend waren. Daar volgde na arrestatie bijna zonder uitzondering een veroordeling tot de doodstraf wegens piraterij. (meer…)
Gorée is een eiland op drie kilometer van Dakar, voor de kust van Senegal. Over de oorsprong van de Franse benaming Gorée bestaan twee versies. Volgens de ene versie is het eden Franstalige verbastering van de eerdere Nederlandse naam Goeree, een verwijzing naar het voormalige Zuid-Hollandse voormalig eiland Goeree. In de tweede versie is het afgeleid van het ook Nederlandse ‘Goe Ree’ ofwel Goede Rede, wat de betekenis van ‘Goede Haven’ Heeft. De oorsprong van de naam verwijst dus naar het kortstondige Nederlandse verblijf. Het eilandje, dat oorspronkelijk Barsaguiche heette en maar 900 meter bij 300 meter groot was, werd in 1444 door de Portugese kapitein Dinis Dias ontdekt. Deze Diaz maakte in dienst van Hendrik de Zeevaarder minimaal twee reizen naar de Afrikaanse kust. In 1442 bereikte hij Kaap Blanc in het huidige Mauritanië. In 1444 verkende hij de westelijkste punt van Afrika (het huidige Guinea en Senegal) en ontdekte de Kaapverdische Eilanden en het eilandje Barsaguiche, dat hij de naam Ilha de Palma gaf. Dinis Dias was de eerste Portugese ontdekkingsreiziger die de opdracht kreeg om gericht op slavenvangst te gaan om daarmede de hoge kosten van de Portugese ontdekkingsreizen ge compenseren. Opdrachtgever Hendrik de Zeevaarder (1394-1460), de derde zoon van de Portugese koning, was overigens zelf alles behalve een groot reiziger, maar vooral de grote initiator en financier van veel reizen. Hij gaf de aanzet voor het Portugese wereldrijk én de Europese bemoeienis met de slavenhandel. In 1536 werd door de Portugezen op Ilha de Palma een slavernijhuis opgericht. (meer…)
Leendert Marinus Valstar (Naaldwijk, 10 augustus 1908 – Vught, 4 september 1944) was een tuinder uit Naaldwijk, in het centrum van de tuinbouwstreek Het Westland. In 1931 trouwde hij met Neeltje Dekker (’s-Gravenzande, 1904), met wie hij een kind kreeg. Hij was de zoon van Fulps Vincentinus Valstar (1879-1944), die in Naaldwijk een eigen tuinbouwbedrijf had en dit ook aanhield ondanks zijn drukke bestuurlijke werkzaamheden, zoals lid van de Raad van Toezicht van de Coöperatieve Boerenleenbank De Voorschotbank Naaldwijk (1909 – 1927), bestuurslid van de Veiling Naaldwijk (1910-1912), secretaris en penningmeester van de Bond Westland (1911-1917), medeoprichter en voorzitter van het Centraal Bureau van de Nederlandse Tuinbouwveilingen (1917-1944), Regeringscommissaris voor Groenten-, Fruit- en Sierteelt voor de uitvoering van de Landbouwcrisismaatregelen op het terrein van de tuinbouw en Voorzitter van het bestuur van het Hoofdbedrijfschap voor Tuinbouwproducten, onder Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd (1933-1944)
Na de crisis in de dertiger jaren kwam de Westlandse tuinbouw er weer langzaam bovenop, maar de belangrijke export naar Duitsland stortte geheel in toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Toen in mei 1940 de Duitsers ook ons land binnenvielen werd het ergste gevreesd, maar in de twee eerste bezettingsjaren ging het onverwachts goed met de tuinbouw. Pas in de tweede helft van 1942 begon de situatie te verslechteren. Na de problemen met de voedselvoorziening gedurende de Eerste Wereldoorlog en crisisjaren was in 1937 het Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd opgericht, waarbij het vrijemarktprincipe werd losgelaten en overheidsingrijpen de norm werd. Na de Duitse inval werd door de bezetter al op 17 mei besloten dat doorgedraaide (onverkoopbare) producten niet meer mochten worden vernietigd, maar moesten worden geëxporteerd naar Duitsland. Al de volgende dag werden de eerste wagonladingen groenten tegen een vooraf bepaalde vaste prijs naar Duitsland verzonden. Niet lang na de invoering van deze maatregel bepaalden de Duitsers ook dat 50% van de op de veiling aangevoerde producten direct tegen maximumprijzen aan Duitsland verkocht moesten worden. In 1941 werd dit zelfs verhoogd tot 80%. (meer…)
Samuel Esmeijer (Driebergen, 20 december 1920 – Apeldoorn, 28 november 1944) bracht zijn jeugdjaren door in Driebergen, maar het gezin Esmeijer later naar Rotterdam. Daar volgde Esmeijer de HBS. Hij was lid van de Gereformeerde vereniging Calvijn, een soort van debatingclub voor oudere jongens, en van de padvinderij. Hij groeide op met een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, sportieve bekwaamheid, zwijgzaamheid en hulpvaardigheid. Omdat hij nogal druk was met allerlei activiteiten binnen de jongerenverenigingen, vlotte de studie aan de HBS niet erg. Toen de oorlog eenmaal was uitgebroken en Rotterdam zwaar was getroffen door het bombardement was hij meer betrokken bij hert geven van hulp aan de slachtoffers van dat bombardement dan bezig met studeren. Op 13 augustus 1942 trad hij af als secretaris van Calvijn, rondde alsnog zijn studie aan de HBS af en trad vrijwillig in dienst bij de politie in Driebergen. Zijn tante Teet had hiervoor bemiddeld bij haar kennis, de chef van het plaatselijke politiekorps. Hij vond onderdak bij zijn tante, die een bejaardenhuis beheerd, ging aan de slag als klerk en volgde in zijn vrije tijd een opleiding tot politie-inspecteur. In de herfst van 1942 oefende Esmeijer met een pistool in de bossen van Driebergen, hoewel hij op dat moment geen uniform droeg en wapen mocht hebben. Hij was toen al begonnen aan zijn ondergrondse ‘carrière’ door Joodse gezinnen te waarschuwen voor een op handen zijnde deportatie en raakte hij betrokken bij de hulp aan onderduikers. Hij waarschuwde ook het verzet een paar keer voor een aanstaande acte van de politie. Het was de korpsleiding wel duidelijk dat ergens binnen het korps een lek moest zitten. Voor Esmeijer was het even duidelijk dat hij er goed aan deed te verkassen. Bovendien wist hij dat hij op de nominatie stond naar Schalkhaar te worden gestuurd, waar zich een opleidingsinstituut bevond waar politieagenten werden geschoold in de nationalistische leer. Hij verzette zich hiertegen, war uiteindelijk leidde tot oneervol ontslag. (meer…)
Na het bombardement op Rotterdam in de meidagen 1940 duurde het even voor de bewoners van de stad weer waren opgekrabbeld. In vooral Den Haag ontstond direct verzet tegen de bezetter, maar in Rotterdam waren op dat moment eerst allerlei hulporganisaties actief. In eerste instantie was iedereen hier vooral bezig met zelfbehoud. ‘Eerst weer een dak boven het hoofd en weer werk hebben’, leek stilzwijgend het motto ge zijn. Voor verzet was helemaal geen tijd. Dat gild ook voor de meeste studenten die zoveel mogelijk probeerden door te gaan met hun leventje, hun studie en simpelweg de oorlog zo veel mogelijk buiten de deur te houden. Terwijl Rotterdam voor een belangrijk deel in puin lag, wilden zij vooral studeren, feesten, ontgroenen en kroegtochten houden. Dat conformisme gold ook de hoger onderwijsinstellingen zelf die gewoon wilde doorgaan met onderwijs en het weer opbouwen van de stad. De Nederlandsche Economische Hoogeschool in Rotterdam, de voorloper van de Erasmus Universiteit, telde toen ongeveer achthonderd studeten en was nog behoorlijk klein en jong. Bij de hogeschool waren ook veel bedrijven betrokken en een niet onaanzienlijk aantal daarvan werkte samen met de Duitsers. Voor hen was het ‘business as usual’, maar met andere machthebbers. Het Rotterdamse bedrijfsleven collaboreerden op grote schaal. Op een gegeven moment raakten steeds meer studenten bij het verzet betrokken, waardoor ze uiteindelijk in het Rotterdamse verzet goed vertegenwoordigd waren. Dat is voor een deel toe te wijzen aan het gegeven dat ze geen gezin en/of baan hadden en dus minder verantwoordelijkheden waarmee ze rekening moesten houden. (meer…)
Rien van der Stoep (Beesd, 27 september 1917 – Rotterdam, 6 april 1945) was in Rotterdam een vooraanstaand persoon in de illegaliteit. Hij was er leider van zijn eigen onafhankelijke knokploeg, van de Landelijke Knokploegen Rotterdam (LKP-Rotterdam) en was districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Van der Stoep, die werkzaam was als assistent-bedrijfsleider in de Jaminfabriek aan de Hugo de Grootstraat, woonde in Rotterdam op kamers. Hij startte in het verzet door de illegale krant Ons Volk te verspreiden. Bij dat blad had Gustaaf Gelder een belangrijke rol. Af en toe stelde hij voor de verspreiding een auto van Jamin beschikbaar. Het blad verscheen voor de eerste maal op 7 oktober 1943 en werd voor de laatste keer op 7 juli 1945 uitgegeven. Tot september 1944 verscheen het blad maandelijks, daarna twee keer per maand. De inhoud bestond vooral uit opinieartikelen en binnenlandse berichten. De oplage varieerde in de ongekend hoge oplage van 55.00 tot 120.000 exemplaren, wat de nodige organisatorische problemen bij de verspreiding met zich meebracht. Op 21 januari 1944 viel de Sicherheitspolizei bij de groep binnen, wat de arrestaties van veel kopstukken betekende. Van Gelder pleegde bij de inval zelfmoord. Het merendeel van de kopstukken van Ons Volk zou de oorlog niet overleven. Anderen namen de verspreiding echter over. (meer…)
Michal Wojcik is een Poolse historicus en journalist, die voor radio, televisie en tijdschriften werkt. Hij publiceerde vorig jaar in Polen het boek Treblinka’43, dat er een grote bestseller werd en de Newsweek Award kreeg voor het beste boek van het jaar. Nu moet gezegd worden dat de opstand in augustus 1943 binnen het vernietigingskamp Treblinka in Polen een enorme rol in de discussie speelt over de rol van het Poolse verzet en de mogelijkheden voor de Joodse Polen om in opstand te komen tegen de Duitse vernietigingsmachine. Daarover hieronder meer. In Nederland is Treblinka altijd een onbekend kamp gebleven, want geen van de 102 treinen die tussen woensdag 15 juli 1942 en woensdag 13 september 1944 uit Westerbork, Vught, Apeldoorn of Amsterdam vertrokken, ging naar Treblinka. Waarschijnlijk is geen enkele Nederlander in dit kamp om het leven gebracht.
In de zomer van 1941 werd vlak bij het dorp Treblinka in het noordoosten van Polen, op iets meer dan honderd kilometer van de hoofdstad Warschau, het Straf-Arbeitslager Treblinka 1 gebouwd. Dit werkkamp had een ‘gemengde’ bezetting van Polen en Joden, die gedwongen werden te werken in de steengroeve vlak bij het kamp of op het station van Małkinia, een dorpje aan de spoorlijn Warschau-Bialystok. Daarnaast waren een paar gevangenen (de zogenaamde Lagerkommandos) die in het kamp zelfs moesten werken en was er een kampboerderij waar een klein aantal vrouwen tewerkgesteld waren gesteld. Er konden in totaal 1.000-1.200 personen tegelijkertijd gevangen worden gehouden, maar de bezetting wisselde snel omdat het sterftecijfer hoog was. In totaal hebben hier ruim 20.000 personen gezeten, waarvan meer dan de helft is overleden ten gevolge van honger, marteling of executies vanwege een overtreding van de kampregels.

.
Frans van den Muijsenberg, 21 augustus 2021, begraafplaats Tyne Cot, Zonnebeke, België.
Bob Oosthoek (Rotterdam, 25 juni 1912 – Hengelo, 12 oktober 1944) was een Nederlandse toneelspeler, regisseur en verzetsstrijder. In Rotterdam ging hij naar het Erasmiaans Gymnasium, het stedelijk gymnasium dat al lang bestond voor de naamgever Desiderius Erasmus (1467–1536) verscheen. De school werd al omstreeks 1300 en daarmee ‘het Erasmiaans’ een van de oudste scholen voor voortgezet onderwijs en het op drie na oudste gymnasium van Nederland. Omdat op het gymnasium bleek dat hij aanleg voor toneelspel had besloot hij in 1931 naar de Toneelschool in Amsterdam te gaan. In 1934 deed hij hier eindexamen. Hij werd daarna direct in dienst genomen door Cor van der Lugt Melsert, die de leiding had van het Vereenigd Rotterdamsch-Hofstad Tooneel. Dat toneelgezelschap werd in 1923 opgericht als fusie van de toneelgroepen het Rotterdamsch Tooneel en het Hofstad Tooneel, die beiden al onder directie van Cor van der Lugt Melsert stonden. Het nieuwe gezelschap kende een keur aan gerenommeerde toneelspelers/speelsters (onder meer Fie Carelsen, Mary Dresselhuys, Annie van Ees, Theo Frenkel jr., Leo de Hartogh, Adriaan van Hees, Fien de la Mar, Nap de la Mar, Else Mauhs, Enny Meunier, Bob Oosthoek, Alexander Pola, Bets Ranucci-Beckman en Jacques Snoek.
Het gezelschap kwam al snel in de problemen met het stadsbestuur van Rotterdam over de toegezegde financiële ondersteuning. Het gezelschap week daarna al in 1925 uit naar Den Haag, waar een aanzienlijk hogere subsidie werd toegezegd en het gezelschap vaste bespeler mocht worden van de Koninklijke Schouwburg. Daar waren echter wel voorwaarden aan verbonden, die Van der Lugt Melsert accepteerde, maar ook hier tot problemen ging leiden. Het repertoire moest voor minstens de helft bestaan uit artistiek verantwoorde stukken, wat door het college van Burgemeester en Wethouders moest worden, na een advies van de schouwburgcommissie. Ook diende er zoveel mogelijk eerste opvoeringen van Noord-Nederlandse stukken plaatsvinden én er moest één volksvoorstelling per jaar worden gebracht in Rotterdam, Utrecht, Haarlem en Amsterdam. (meer…)
Op zaterdag 6 januari 1945 werd op de Provincialeweg Alkmaar-Uitgeest, vlakbij de gemeentegrens van Castricum en Limmen, het lijk gevonden van de 54-jarige Duitser Johann Obmann, wachtman van het Marine-Lazarett in Heiloo, een hospitaal voor gewonde mariniers dat was gevestigd in de St. Willibrordus in Heiloo. Dat was voor de oorlog een rooms-katholieke instelling voor verpleging van psychiatrische patiënten. Tijdens de oorlog had de Kriegsmarine langs de Noordzee en Oostzee tachtig ziekenhuizen voor marinepersoneel. In Nederland waren er drie, namelijk in Eindhoven, Bergen op Zoom en Heiloo. De St. Willibrordus was voor de Duitsers gunstig gelegen, dichtbij de havens van IJmuiden en Den Helder. De Duitsers lieten er een zwembad aanleggen, dat na de oorlog nog decennia lang werd gebruikt. De achtergrond van de dood van de Duitser is nooit achterhaald, maar de bezetter vermoedde direct dat het een aanslag van de Nederlandse illegaliteit was. Burgemeester Nieuwenhuijsen van de gemeente Limmen verklaarde dat nog de gemeente of enige ingezetene er iets mee te maken had, maar dat werd door de Duitsers slechts ter kennisgeving aangenomen.
Op zondag 7 januari 1945 arriveerde rond het middaguur op de Provincialeweg een Duitse auto met twee officieren en twee vrachtauto’s, die stopte tussen twee boerderijen. In de eerste vrachtauto zat een executiepeloton van een man of tien. In de tweede vrachtauto zaten tien door de Duitsers ter dood veroordeelde verzetsstrijders, die gevangen zaten in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. Hanns Rauter, hoofd van de Duitse politie en SS in Nederland, had het bevel gegeven dat de tien Nederlandse gijzelaars als vergelding voor de gevonden Duitse soldaat standrechtelijk gefusilleerd, conform het zogenaamde Niederwachungsbefehl. Willy Lages, bevelhebber van de veiligheidsdienst in bezet Nederland, gaf Untersturmführer Adolf Golder opdracht om als commandant van het executiepeloton op te treden. (meer…)
Jan Coenraad Heriold Folmer van Hanxleden Houwert (Medemblik, 8 april 1906) werkte sinds 1938 in het in- en exportbedrijf en groothandel in specerijen en koloniale waren van zijn vader in Amsterdam. Medio mei 1940 kreeg hij de leiding over het bedrijf. Bij een tegenaanval op 12 mei 1940 onderscheidde hij zich als dienstplichtig sergeant van het 29 Regiment Infanterie bij gevechten nabij de Grebbeberg. Bij Koninklijk Besluit nr. 26 kreeg hij op 12 november 1947 postuum het Bronzen Kruis voor zijn dapper optreden als militair. Vanaf 1942 was Houwert actief in het verzet, waarbij hij de schuilnamen Bleumer, Bolland en Jan Houwing gebruikte. In het begin helpt hij alleen binnen de hulpverlening aan Joodse onderduikers, maar later ging hij ook ondergedoken studenten, arbeiders en spoorwegpersoneel ondersteunen. Als medewerker van Henk van der Tweel (Amsterdam, 20 maart 1917 – Amsterdam, 13 mei 1997) van de Persoonsbewijzencentrale (PBC) van Gerrit van der Veen kon hij makkelijk zorgen voor vervalste persoonsbewijzen, geld, distributiebescheiden en onderduikadressen. De cardioloog Van der Tweel was de meestervervalser medewerker van de Persoonsbewijzencentrale.
Vanaf 1942 werkte hij ook voor de Sectie V van het Algemeen Hoofdkwartier van de Ordedienst (AKH-OD), waarvoor hij Duitse verdedigingsobjecten in beeld bracht. Hij werkte hierbij nauw samen met Dirk Kroon. Met de schetsen en foto’s die hij maakte werden op het hoofdkwartier kaarten vervaardigd. Na de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten werkte Houwert mee aan het begeleiden van wapentransporten. (meer…)



.
Foto’s van Albert Arthur Allen.
Dirk Mara Rijk Hendrik Kroon (Den Haag, 27 mei 1909 – Limmen, 7 augustus 1945) verhuisde samen met zijn ouders in 1937 van zijn geboortestad Den Haag naar Soest. Hij was in mei 1940 dienstplichtig sergeant bij de Genie. Na de capitulatie keerde hij terug naar huis en vestigde zich als zelfstandig werktuigbouwkundige/ elektrotechnicus; hij was als vrijwilliger ook betrokken bij de (bos)brandweer. Vanaf 21 mei 1943 moesten alle jongemannen uit de geboortejaren 1922,1923 en 1924 zich verplicht melden bij de Arbeidsinzet. Burgemeester Loek des Tombe (De Bilt, 19 februari 1907 – Apeldoorn, 12 juni 1987), een CHU’er die vanaf oktober 1934 burgemeester was geweest van de gemeenten Abcoude-Baambrugge en Abcoude-Proostdij en in oktober 1939 tot burgemeester van Soest was benoemd, wist dat dit betekende dat de bezetter het bevolkingsregister zouden controleren en gaf aan brandweercommandant Groart de opdracht het register te verdonkeremanen. Groart gaf Gerbrand Zoetelief, Marinus de Moraaz Imans en Dirk Kroon, drie brandweermannen die hij volledig vertrouwde, de opdracht in het gemeentehuis in te breken en te zorgen dat het bevolkingsregister werd ‘gestolen’. Op 25 mei 1943 ging het drietal tot actie over, maar ze hadden hun taak wat te licht opgevat. Ze veronderstelden dat ze met een bakfiets alle persoonskaarten in één keer konden meenemen, maar ze moesten de route van gemeentehuis naar de woning van Kroon aan De Wieksloot twee keer afleggen. Het archief werd daar in een sloot begraven, waarbij Kroon werd geholpen door ‘Addie en Ellie’, twee onderduikers in zijn woning. Wachtcommandant Voet en agent Entrop van de politie, die op de hoogte was gebracht van de actie, hielden zich op de avond van de inbraak ‘doof en blind. De dag daarop konden inspecteur Voerman en rechercheur Meyer niets opmerkelijks vinden en de Rijksspeurhond Wanda nieste zich suf van de ruimschoots gestrooide peper. De bezetter voelde natuurlijk nattigheid en verhoorde korpschef Bakker, maar hij kwam er vanaf met twee jaar voorwaardelijke celstraf gekregen. Burgemeester des Tombe zou aansluitend weigeren werkkrachten aan te wijzen voor Duitse tewerkstelling. Als gevolg daarvan moest hij in oktober 1944 in de buurt van Soest onder te duiken. Al enkele uren na de bevrijding keerde hij terug in Soest, enthousiast onthaald door de bevolking.
Richard Schoemaker (Roermond, 5 oktober 1886 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) stamde uit een officiersgeslacht. In 1905 begon hij als cadet aan een opleiding tot officier der Genie aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. Aansluitend volgde hij aan de Technische Hogeschool de opleiding tot bouwkundig ingenieur. Hij was toen actief in diverse sporten, maar vooral als schermer zeer bedreven. In 1908 nam hij als schermer op het onderdeel ‘sabel individueel’ deel aan de Olympische Spelen in Londen. Hij overleefde daar de eerste ronde, maar eindigde in de tweede ronde op de derde plaats. Het zouden de enige Spelen voor hem blijven, want hij vertrok in 1912 hij samen met zijn broer Charles naar Nederlands-Indië. In Bandoeng begon hij als 1e luitenant; drie jaar later werd hij bevorderd tot kapitein der genie. In deze functie ontwierp en bouwde hij het Paleis van de Legercommandant. In 1920 aanvaarde hij het hoogleraarschap aan de Technische Hogeschool in Bandoeng, die in 1918 werd opgericht. Hij zou deze functie vier jaar bekleden en was daarnaast actief als architect, vaak samen met zijn broer Charles.
Charles Prosper Wolff Schoemaker (Banyubiru, Semarang, 25 juli 1882 – Bandung, 22 mei 1949) was in Nederlands-Indië geboren als oudste van drie zonen van een Nederlands militair. Een deel van zijn jeugd bracht hij door in Roermond, waar in 1886 zijn jongere broer Richard werd geboren. Ook Charles studeerde aan de KMA, waar hij als ingenieur afstudeerde. Hij was in Nederlands-Indië korte tijd als militair actief bij de Genie van het KNIL, daarna directeur gemeentewerken in Batavia en daarna had hij een eigen architectenbureau te Bandoeng. Hij werd een van de belangrijkste Nederlandse architecten in Nederlands-Indië en verwierf de bijnaam ‘de Frank Lloyd Wright van Indië’ vanwege zijn bouwstijl die elementen van de Amerikaanse architect combineerde met de Indonesische wereld. (meer…)

In drie eerdere blogs is al ingegaan op de Ordedienst en organisaties die daaraan nauw verwant waren en vaak ook onderling samenwerkte, zoals de groep rondom Joan Schimmelpenninck, de Mekelgroep, de Schoemakergroep. Er was ook nog de Stijkelgroep, die haar naam dankt aan Han Stijkel, een jonge academicus uit Den Haag die door de Duitsers werd beschouwd als de leider van de verzetsgroep. Stijkel streefde ernaar de verschillende verzetsgroepjes die direct na de bezetting actief waren onder één noemer te brengen. Ook wilde hij voorbereidingen treffen om na de verwachte snelle aftocht van de Duitsers de rust en orde te kunnen handhaven. Een streven dat alle genoemde groepen ook hadden. Aanvankelijk bestond de groep slechts uit een verzameling kleine verzetsverbanden uit Den Haag, de Zaanstreek en Amsterdam, met een zeer uiteenlopende signatuur. Er was een actieve groep uit Koog aan de Zaan, die vooral voortkwamen uit de AJC, de socialistische jeugdbeweging. Maar uit Koog aan de Zaan kwam ook Evert Honig, de directeur van de levensmiddelen-fabriek Honig, het echtpaar Edo-Chambon die eigenaar waren van café-restaurant-hotel De Waakzaamheid en de directeur van autobedrijf Zwart. Alle losse groepjes wisselden onder andere spionagemateriaal met elkaar uit omdat ze manieren zochten om informatie naar Engeland te krijgen. Een duidelijke structuur was er nog niet, de ontwikkeling was nog in volle gang toen de groep werd opgerold.
Lou Jansen (Amsterdam, 28 maart 1900 – Scheveningen, 9 oktober 1943) was een Nederlandse communist en verzetsman. Tot 1938 was hij kantoorbediende en vertegenwoordiger, daarna kwam hij in dienst van het secretariaat van de CPN. Van die partij was hij in 1930 lid geworden. In 1935 was hij namens de CPN lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en lid van de Amsterdamse gemeenteraad. In mei 1940 moest de communistische partij na de Duitse inval ondergronds en werd Lou Jansen met Paul de Groot (1899-1986) en Jan Dieters (1901-1943) gekozen in het driemanschap dat de illegale partij ging leiden. Jansen zou zich vooral bezighouden met Amsterdam, waar de partij veel leden had. Dieters moest het contact met de andere districten in het land te onderhouden, wat hij deed vanuit Noord-Brabant en later de IJsselstreek. Op 25 februari 1941 verspreidde de CPN in Amsterdam een manifest, dat een grote invloed had op het uitbreken van de Februaristaking van 25 en 26 februari 1941. Het was de eerste grootschalige verzetsactie tegen de Duitse bezetter in Nederland en het enige massale en openlijke protest tegen de Jodenvervolging in bezet Europa. De aanleiding waren de eerste razzia’s in Amsterdam waarbij honderden Joodse mannen opgepakt werden. Lou Jansen was de belangrijkste samensteller van dit manifest. Een tweede poging van Jansen op 6 maart 1941 en nieuwe staking uit te roepen mislukte echter.
Frits Nieuwenhuijsen (Amsterdam, 3 oktober 1905 – Haarlem, 12 februari 1945) volgde in zijn geboortestad eerst de HBS, studeerde aansluitend werktuigbouwkunde aan de MTS en na dat diploma te hebben gehaald studeerde hij bedrijfseconomie aan de universiteit van Amsterdam. Zijn ouders leefden in goede welstand. Zijn vader was directeur/mede-eigenaar van de technische handelsonderneming Stieltjes & Co. Het gezin was begin twintiger jaren verhuist naar Hilversum, toen de nieuwe spoorverbinding forenzen naar Amsterdam mogelijk maakte. Toen Frits net zijn kandidaatsexamen had afgerond, vond in New York de beurskrach plaats, die vaders bedrijf zwaar zou treffen. Binnen een paar jaar ging de onderneming failliet, maar omdat vader Nieuwenhuijsen al zijn geld in dat zinkende schip had gestoken, hing ook alle privévermogen verloren. Vanwege deze financiële malaise moest Frits zijn studie afbreken. In 1932 kreeg hij toen via een kennis van zijn ouders een baan bij de Hollandse Sociëteit van Levensverzekeringen (een bedrijf dat rond 1968 gefuseerd tot Delta Lloyd). Daar werd Nieuwenhuijsen als stagiair aangenomen op het regiokantoor in Utrecht. Na zes maanden werd hij benoemd tot hoofdagent. In 1937 kreeg Frits de opdracht in Rotterdam een nieuw kantoor voor de Hollandse Sociëteit op te bouwen. In Rotterdam richtte deze afdeling zich vooral op een totaal nieuw product van de verzekeringsmaatschappij, namelijk op het afsluiten van collectieve bedrijfsverzekeringen met de Rotterdamse zakenwereld. Eind mei 1940, twee weken na het bombardement op Rotterdam, werd Nieuwenhuijsen overgeplaatst naar het hoofdkantoor in Amsterdam en kreeg daar eerst de functie van generaal-agent voor collectieve zaken en snel daarna tot generaal-agent in algemene dienst. Dat hield in dat hij werd belast met de coördinatie van de binnen- en de buitendienst en de publiciteit voor het bedrijf. Vanwege deze overplaatsing verhuisde Frits en zijn gezin in juni 1940 van Hillegersberg naar Amstelveen.
Protectoraat Albanië (1939-1943) – Deel 2
Nadat de Italianen en Grieken in 1920 na de Vlora-oorlog waren vertrokken werd Albanië formeel een vorstendom, maar omdat er geen koning was benoemd en er ook geen sterke regering was, werd het land in de praktijk geregeerd door grootgrondbezitters en krijgsheren. In januari 1925 riep de machtige krijgsheer Ahmed Zogu, stamhoofd van de machtige islamitische Mati-stam, de republiek uit en benoemde zichzelf als president en premier. Zogu had in de voorgaande jaren heel wat politieke moorden op zijn naam staan en volgens de Albanese eerwraak mocht hij daarom door familieleden van omgekomenen worden gedood. Daarbij gold dat dit niet mocht gebeuren als hij werd vergezeld door een vrouw, zodat Zogu ervoor zorgde dat hij bij de zeldzame keren dat hij het paleis verliet door zijn moeder werd vergezeld. Zogu verplaatste de hoofdstad naar Tirana. In 1928 werd hij als Zog 1 koning van Albanië en voerde een despotisch regime. Om zich te beschermen tegen een steeds toenemend aantal vijanden zocht hij bescherming bij Italië, dat de olievoorraden mocht exploiteren en de Bank van Albanië ging runnen. Door de samenwerking met de Italianen kon elke mogelijke Joegoslavische invloed in het land worden gepareerd. In de jaren 1925-1939 werden door Italië en Albanië diverse verdragen gesloten: (meer…)
Protectoraat Albanië (1939-1943) – Deel 1
Italië had al direct na de stichting van de staat in 1870 koloniale ambities, om in de pas te lopen met de andere Europese landen. Al bij het Congres van Berlijn (1878) lieten de Italianen al weten dat ze bij de opdeling van het Osmaanse Rijk graag het eiland Rodos en de andere eilanden van de Dodekanesos voor zichzelf opeisten. Ook keek men al met een begerig oog naar de provincie Albanië. De prille staat kon op dat moment die ambities niet realiseren. Bij de Koloniale Conferentie van Berlijn in 1886 verkreeg Italië de koloniën Eritrea en Somaliland. Als Italiaans-Eritrea (1886-1960) en Italiaans-Somaliland (1886-1960) zouden ze tot 1960 eerst koloniën van Italië zijn en na de Tweede Wereldoorlog een Italiaans mandaatgebied. In 1960 werd het met Brits-Somaliland samengevoegd tot het huidige Somalië. In Oost-Afrika zouden de Italianen in 1935 ook Abessinië, het huidige Ethiopië, veroveren, maar hier moesten ze hun territoriale ambities al in 1941 opgeven. In Noord-Afrika hield Italië het twee jaar jaren vol. In 1911 had men Libië verovert, maar halverwege de Tweede Wereldoorlog werden de legers van Mussolini definitief uit Libië verdreven, waarbij niet op een oorlogsmisdaad meer of minder werd gekeken. In 1911 kon Italië eindelijk de lang gekoesterde Europese ambities tot uitvoering brengen. Op 25 september 1911 verklaarde Italië de oorlog aan het sterk verzwakte Ottomaanse Rijk en veroverde het, naast Libië in Noord-Afrika, ook de eilandengroep Dodekanesos op het Ottomaanse Rijk.
Max Nico Léons (Rotterdam, 24 november 1921 – Amsterdam, 2 november 2019) werd geboren in een liberaal joods gezin. Begin 1942 weigerde hij een baantje bij de Joodse Raad. Op 12 juli 1942 kreeg het gezin Léons een oproep om zich te melden voor deportatie naar Polen. Max was er van overtuigd dat alle Joden daar zouden worden vermoord en adviseerden zijn ouders om onder te duiken. Het hele gezin zou op diverse adressen de oorlog overleven. Begin 1943 kwam Max terecht in Nieuwlande, waar hij onder de schuilnaam Nico actief werd in hert verzet. Max had zich aangeleerd plat te praten, waardoor hij minder opviel. Samen met Arnold Douwes zorgde hij in het dorp en directe omgeving voor steeds nieuwe onderduikadressen, zorgde voor het transport van die onderduikers en onderhield alle noodzakelijke contacten. Douwes en Léons zorgde daarmee voor her vreedzame deel van de verzetsactiviteiten van de organisatie van Post, die zelf het gewapende verzet voor zijn rekening nam. Douwes en Léons redden gedurende oorlog het leven van enkele honderden Joden.
In het voorjaar van 1944 moest Léons elders onderdak zoeken, omdat de Duitsers Post en de zijnen steeds meer op het spoor waren. In het najaar van 1944 werd ook Léons opgepakt en in gevangenschap gemarteld. Hij overleefde de oorlog echter wel en werd toen herenigd met zijn ouders, broer en zus. Rond 1950 startte Léons een eenmanszaak als verzekeringsagent. Als Jood kon Léons niet worden onderscheidde door Yad Vashem, omdat het voor Joden een vanzelfsprekende plicht (mitswa) was om andere Joden te redden. Op 23 november 2011 ontving hij als eerste buiten Israël een onderscheiding van The Jews Rescued Jews during the Holocaust Committee en de The B’nai B’rith World Center. Max Léons overleed in 2019 op 97-jarige leeftijd.
Over de belevenissen van Max Leons en Arnold Douwes is een boek verschenen getiteld: ‘Mitswa en christenplicht, bescheiden helden uit de illegaliteit’.
Arnold Douwes (Laag-Keppel, 26 januari 1906 – Utrecht, 7 februari 1999) groeide tussen vijf zusters en twee broers op in een gezin in Laag-Keppel, waar zijn vader dominee van de Gereformeerde Gemeenten was, maar Arnold had al vroeg een belangstelling voor het communisme. Van jongs af was hij een eigenzinnige en onaangepaste persoontje. Hij werd om die reden twee keer van de lagere school gestuurd. Zo stak hij uit een tram hert bordje ‘Verboden te roken’ en hing dat aan de lessenaar van een pijprokende meester. De tweede keer dat hij van school werd gestuurd, had hij een ander gestolen bordje ‘Zeven zitplaatsen’ op de deur van het toilet geschroefd. Hij ging na de lagere school niet naar het voortgezet onderwijs, kwam echter in Nederland niet aan een baantje en vertrok toen naar Noord-Amerika. Tien jaar lang zwierf hij rond door de Verenigde Staten en Canada, maar ook daar lukte het de rusteloze Douwes niet een gezin te stichten en een carrière op te bouwen. Op een gegeven moment had hij zich aangesloten bij de International Labor Defense, een organisatie die streefde naar gelijke burgerrechten. Omdat deze ILD werd verdacht van communistische sympathieën moest Douwes de VS verlaten. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij weer in Nederland, waar hij in Boskoop ging wonen en op een boomkwekerij aan de slag ging als hovenier.
Nieuwlande is een dorp dat is ontstaan als veenkolonie, op een plaats waar vroeger maar liefst vijf gemeente bij elkaar kwamen: Oosterhesselen, Dalen, Hoogeveen, Coevorden en Hardenberg. Bij de gemeentelijke herindeling van 1 januari 1998 zijn de eerste twee onderdelen overgeheveld naar de gemeente Hoogeveen, simpelweg door de gemeentegrens van Hoogeveen ongeveer 1,5 kilometer naar het oosten op te schuiven. Enkele Nieuwlandse huizen bleven echter binnen de gemeenten Coevorden en Hardenberg liggen. In elk geval loopt de gemeentegrens sindsdien niet meer dwars door het dorp.
In de negentiende eeuw liep door het gebied waarop Nieuwlande zou ontstaan de Coehoornsdijk, genoemd naar de vestingbouwkundige Menno van Coehoorn (Britsum, maart 1641 – Den Haag, 17 maart 1704), die vaak de evenknie wordt genoemd van de beroemde Franse vestingbouwer Sebastien Vauban. Van Coehoorn liet de dijk omstreeks 1680 aanleggen als onderdeel van de fortificatie van de stad Coevorden. In 1816 werden voor het gebied vergunningen voor de veenwinning gegeven; rond 1850 vestigden de eerste veenarbeiders zich in het gebied. In 1890 stonden er ongeveer veertig woningen. Op het afgegraven veen werd eerst bos aangeplant, waarvan het hout in diverse Europese landen werd gebruikt om de gangen in kolenmijnen te stutten; de schors ging naar leerlooierijen in onder andere Hoogeveen. Na 1900 verdwenen de bossen echter en maakte men de grond gereed voor landbouw. De Hoogeveense eigenaren verkochten deze grond vooral aan jonge gereformeerde Groninger boeren, die na de eerdere veenarbeiders de tweede groep immigranten in de streek waren. Nu waren het echter kapitaalkrachtige nieuwelingen, die in dertig jaar tijd zo’n vijftig kapitale boerderijen in Nieuwlande lieten bouwen. De naam ontstond pas in nadat in 1909 een van die boeren in de dakpannen van zijn nieuwe boerderij de naam Nieuwlande liet aanbrengen, en dan nog pas na enkele decennia. Het verschil tussen de arme, hervormde veenarbeiders en de rijke, gereformeerde landbouwers bleef tot ver na de Tweede Wereldoorlog merkbaar. Pas nadat veel kanalen waren gedempt en er een grootschalige sanering van het veengebied had plaats gevonden verdwenen de vroegere sociologische tegenstelling.

Geert Schoonman (Wormerveer, 31 augustus 1917 – Vliegveld Twente, 13 oktober 1944) groeide op in Zaandam. Een opvallende verschijning van bijna twee meter lang en een rode haardos. Vanwege zijn handigheid en kennis van techniek komt hij in het Nederlandse leger bij de genie. Hij was sergeant-capitulant bij de genietroepen toen de oorlog uitbrak. In de meidagen van 1940 vocht Geert op de Grebbeberg. Na zijn mobilisatie op 15 juli 1940 kreeg hij een baan als ambtenaar bij de belastingen als grenscommies in Glanerbrug. Via collega-douanier Harry Saathof ontmoette hij in januari 1941 Johannes ter Horst, die op dat moment al zeer actief was in de illegaliteit. Geert werd daarna ingezet om uit Duitsland gevluchte Franse krijgsgevangenen in veiligheid te brengen. In een latere fase hielp hij Joden en neergeschoten geallieerde piloten aan een onderduikadres. Dit laatste in samenwerking met Johannes ter Horst en Jules Haeck. Hij werkte daarbij onder de schuilnaam Rooie Geert.
Op 5 oktober 1942 werd Schoonman overgeplaatst naar Zundert, maar op 12 december 1943 liet hij zich terugplaatsen naar Glanerbrug en ging wonen in Enschede. In februari 1944 werd hij lid van de KP-Enschede, die onder leiding stond van Ter Horst, die inmiddels een goede vriend van hem was geworden. Deze knokploeg voerde diverse acties uit, waaronder de zeer gewaagde bevrijding op 11 mei 1944 uit de Koepelgevangenis in Arnhem van onder meer ds. Frederik Slomp (‘Frits de Zwerver’) en Henk Kruithof, twee kopstukken van hert Twentse verzet. Ook Harry Saathof was hierbij betrokken. Hij werd als vermeende arrestant opgebracht door Johannes ter Horst en Geert Schoonman. Het Arnhemse Huis van Bewaring werd op 11 juni 1944 voor de tweede keer door Ter Horst en Schoonman bezocht, waarbij het tweetal maar liefst 56 gevangenen wisten te bevrijden, de grootste en meest succesvolle bevrijdingsactie uit de bezetting. Beide acties stonden onder leiding van de LKP-leider Liepke Scheepstra.
Jules Haeck (Croix, Frankrijk, 1 september 1894 – Weerselo, 7 oktober 1944) was vanuit zijn geboorteland Frankrijk in 1918 naar Hengelo verhuisd, nadat hij aan het eind van de Eerste Wereldoorlog uit het Franse leger was gedeserteerd en eerst naar België was getrokken en daar ontsnapte gevangenen had geholpen. In Hengelo werd hij eerst kostganger in het gezin van de familie van Sietse Dekema. In 1925 begonnen hij samen met Sietse een groothandel in groente en fruit, de firma S. Dekema & J. Haeck. De firma zou tot 1931 blijven bestaan. In sommige publicaties over Haeck wordt abusievelijk gezegd dat hij in Hengelo een groenteventer was. Bij de Dekema’s ontmoette hij Manie Jetten. Ze besloten niet in het huwelijk te treden, maar als partners verder samen te leven. In september 1933 verhuisde naar Arnhem, waar in januari 1934 werd hier de tweeling René en Irene geboren. In november 1934 waren ze weer terug in Hengelo en zette Jules een nieuwe groothandel in groenten en fruit op. De zaak zou bij een bombardement op 7 oktober 1944 volledig worden verwoest.
Al in 1941 werd Jules Haeck benaderd om een ontsnapte Franse krijgsgevangene te helpen. Een logische keuze omdat hij de Franse taal uiteraard volledig beheerste en familie in Frankrijk had wonen om verdere ondersteuning te kunnen geven. Het mondde uit in het opzette van een omvangrijke ontsnappingsroute waardoor tientallen gevluchte Franse krijgsgevangenen en geallieerde piloten richting Frankrijk konden worden doorgesluisd. In ‘De lijst van Haeck’, een boek van H.B. van Helden werd Haeck’s hulpverlening, dat een zeer omvangrijke biografie geeft van Jules Haeck en de hulp aan piloten, globaal in drie fasen onderverdeeld: (meer…)
De opeenvolgende Duitse nederlagen, het toenemende verzet in de bezette gebieden, de aanslag van Von Stauffenberg en Hitlerbefehl D-762 hadden ook grote gevolgen op de manier waarop de Duitse bezetter omging met het Nederlandse verzet. In het algemeen werd tot juli 1941 uitgegaan van ‘rechtvaardige’ vonnissen, uitgesproken door rechtbanken die weliswaar werden geacht precies te doen wat de bezettende macht van hen verlangde, maar toch de schijn ophielden dat correct via het recht en de vastgelegde procedures werd gehandeld. Vooral de steile jurist Arthur Seyss-Inquart werkte graag via deze lijn. Hij was overigens ook niet te beroerd hier in noodgevallen onverbiddelijke van af te wijken. Tijdens de Februaristaking op 25 en 26 februari 1941 naar aanleiding van de eerste razzia’s in Amsterdam waarbij honderden Joodse mannen werden opgepakt, stapte hij over op standrecht om met de demonstranten af te rekenen. De Duitsers braken de staking met geweld, intimidatie en meedogenloos ingrijpen. Er waren negen doden en 24 zwaargewonden te betreuren; vele demonstranten werden gearresteerd. Amsterdam kreeg een boete opgelegd van vijftien miljoen gulden, Zaandam van een half miljoen gulden en Hilversum 2,5 miljoen gulden. De Joodse communist Leendert Schijveschuurder, die op 5 maart 1941 werd betrapt op het aanplakken van nieuwe stakingsoproepen, werd de andere dag als eerste Nederlander standrechtelijk geëxecuteerd. Op 13 maart 1941 werden op de Waalsdorpervlakte drie communistische Februaristakers (Hermanus Coenradi, Joseph Eijl en Eduard Hellendoorn) en vijftien leden van de Geuzen-verzetsgroep door een Duits vuurpeloton gefusilleerd. Daarnaast werden 22 communisten veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen die in Duitsland moesten worden uitgezeten.
In juni 1944 werd SS-generaal Karl Eberhard Schöngarth (Leipzig, 22 april 1903 – Hamelen, 16 mei 1946) een nieuwe functie binnen het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), de overkoepelende veiligheidsdienst van het Derde Rijk die op 27 september 1939 door Heinrich Himmler was opgericht. Deze organisatie was een samenvoeging van de Sicherheitsdienst, de Gestapo en de Kriminalpolizei en had als doel alle ‘vijanden van het Rijk’ (zoals communisten, vrijmetselaars, Joden, zigeuners en andere ‘ongewenste rassen’) te bestrijden, zowel binnen als buiten Duitsland. Schöngarth werd in Nederland de bevelhebber van de Sicherheitspolizei en Sicherheitsdienst, en kwam daarmee rechtstreeks onder Generalkommissar für das Sicherheitswesen, Hanns Albin Rauter.
Schöngarth, de zoon van een bierbrouwer in Leipzig, zou in 1920 hebben meegedaan aan de Kapp-putsch, een mislukte staatsgreep. Van 1922 tot 1924 was hij lid van de NSDAP en de Sturmabteilung (SA). In de periode 1924-1929 studeerde hij rechten en trad daarna in dienst van de Pruisische overheid. In 1935 aanvaarde hij een baan bij de Gestapo en spoedig daarna bij de Sicherheitsdienst (SD). Vanaf 1936 was hij opnieuw lid van de NSDAP en ook van de SS. In 1940 was hij als reserve-luitenant van de Luftwaffe betrokken bij de Slag om Frankrijk. Daarna werd hij luitenant-kolonel van politie. Van begin 1941 tot midden 1943 was hij Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD in het Poolse Generaal-Gouvernement. In juli 1941 leidde hij een Einsatzkommando zur besonderen Verfügung (onderdeel van de zogeheten Einsatzgruppen), die in Lemberg verantwoordelijk was voor de moord op zeker twintig professoren en anderen medewerkers van de universiteit. Een actie die onderdeel was van een campagne van de nazi’s om de Joodse en Poolse intellectuele elite uit te roeien. (meer…)
Italië had al direct na de stichting van de staat koloniale ambities, om in de paste lopen met de andere Europese landen. Bij het Congres van Berlijn (1878) lieten de Italianen al weten dat ze bij de opdeling van het Osmaanse Rijk graag het eiland Rodos en de andere eilanden van de Dodekanesos voor zichzelf opeisten. Ook keek men al met een begerig oog naar de provincie Albanië. De prille staat kon op dat moment die ambities niet realiseren. Meer succes had men tijdens de Koloniale Conferentie van Berlijn (november 1884 – februari 1885), waar veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd Afrika verdeelden. Italië kreeg Somalië-Eritrea en Libië toebedeeld, wat eigenlijk een teleurstelling voor hen was, omdat men vooral belangstelling had voor Tunesië. Daar waren in 1881 de Fransen hen echter te slim af geweest, waarna de interesse verschoof naar de Osmaanse provincies Cyrenaica, Tripolitanië en Fezzan. In 1902 sloten Italië en Frankrijk een overeenkomst, waarmee Italië de vrije hand kreeg in die drie provincies, terwijl Frankrijk de vrijheid kreeg in Marokko. In 1911 werd Marokko een Frans protectoraat en begon Italië met de verovering van Libië. De Italianen wilden van de zwakte van de Osmanen ook gebruikmaken door haar oude ambities in de Balkan en het oostelijk deel van de Middellandse Zee te realiseren. Op 25 september 1911 verklaarde Italië de oorlog aan het Ottomaanse Rijk.
De Italiaanse-Turkse Oorlog begon op 29 september 1911 en eindigde op 18 oktober 1912. De oorlog staat ook bekend als de Tripolitaanse Oorlog of als Italiaanse verovering van Libië, want daar lag de kern van de oorlog. Hoewel de Italianen vele malen sterker waren dan de Osmaanse Turken, die nog volop bezig waren met de modernisering van hun leger, wisten de Osmaanse legers met de hulp van Libische stammen onverwacht veel weerstand te bieden. Vanwege de moeizame oorlog in Libië, zochten de Italianen daarop steun op de Balkan. Daar stonden de Bulgaren, Grieken, Serven en Montenegrijnen in een gezamenlijke liga klaar om de wapens op te nemen tegen hun overheersers. Op 13 maart 1912 kwamen deze vier christelijke volken in opstand, wat in 1912-1913 zo leiden tot de Eerste Balkanoorlog.
Albert Keuter (Blokzijl, 7 januari 1892 – Bergen-Belsen, 10 maart 1945) was eerst predikant geweest in Oost- en West Graftdijk (1917), Twisk en Medemblik (1920) en Akkrum (1925), voordat hij predikant werd bij het Doopsgezinde Broederschap in Den Haag. Tot die dorpsgezinde gemeente behoorden ook de honorair consul van Finland A.J.Th. van der Vlugt en Lambertus Neher (Amsterdam, 13 september 1889 – Voorst, 22 augustus 1967), die vanaf 1935 directeur van het Haagse telefoniebedrijf. Hij werd in 1943 door de Duitsers ontslagen omdat hij zich actief ingezette bij een ambtenarenactie tegen de verplichte Arbeitseinsatz. Onder de verzetsnaam Dijkstra was Neher actief in het verzet. Als lid van het Nationaal Comité van Verzet zorgde hij voor de coördinatie van het inlichtingenwerk verzorgde. Voor de Ordedienst zette Neher een uitgebreid illegaal telefoonnet op en samen met Herman Jan van Aalderen zette hij een geheim telefoonnetwerk op via het seinwezen van de Nederlandse Spoorwegen. In de zomer van 1944 werd hij lid van de Contactcommissie van de Groote Advies-Commissie der Illegaliteit en ook was hij lid van het College van Vertrouwensmannen, die vanuit Londen werd opgezet.
In Den Haag werkte Keuter nauw samen met ir. Casper ter Galestin, die ook lokale verzetsgroep van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) leidde. Ook zijn zoon Barend Klaas (‘Jons’) was lid van deze verzetsgroep Ter Galestin die zich bezig hield met de coördinatie van de hulpacties voor bemanningen van neergeschoten geallieerde vliegtuigen. Elke week werden neergeschoten Britse piloten uit Friesland gesmokkeld. Dit gevaarlijke werk combineerde Keuter met het onderbrengen van joden en met zijn taak in de gemeente. Op 2 januari 1944 preekte hij met de tekst ‘Sta op en ga uit’, een felle aanklacht tegen de bezetter.
Karel Hendrik Derkzen van Angeren (Hof van Delft, 2 februari 1903 – Keulen, 25 november 1943) was de zoon van Antoon Derkzen van Angeren (Delft, 21 april 1878 – Bedford (Canada), 14 juni 1961), een Nederlands etser, graficus, kunstschilder en van 1917 tot 1943 docent aan Academie voor Beeldende Kunsten te Rotterdam. Hij wordt gezien als grondlegger en nestor van de Rotterdamse grafiek. In 1952 emigreerde hij met zijn vrouw naar Canada. Toen de oorlog uitbrak was Karel Derkzen van Angeren de procuratiehouder bij Quick Dispatch in Antwerpen, een bedrijf dat was gespecialiseerd in de overslag van bulkgoederen. Het bedrijf was eigendom van Henk van Dulken en zijn zoon Frans, die met Anna Maria Swarttouw was getrouwd. Henk van Dulken was in Antwerpen ook de voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging. Een latere telg van de Swarttouw-dynastie was Frans Swarttouw (Den Haag, 15 december 1932 – Amsterdam, 3 februari 1997) die eind twintigste eeuw probeerde vliegtuigbouwer Fokker van de ondergang te redden en voor de Rotterdamse havens de overgang naar containervervoer stimuleerde.
Tijdens de meidagen van 1940 stelde Derkzen van Angeren zich met zijn auto ter beschikking van de Koninklijke Landmacht.
In december 1941 werd Derkzen door C.L. Kist gerekruteerd om inlichtingen in te winnen over Duitse vliegvelden en munitiedepots. Dat was binnen het spionagenetwerk van majoor J. de Mascureau, die onder de schuilnaam Roger le Saule opereerde. Die was in 1939-1940 de Franse militair attaché in Den Haag geweest en had toen Jan Somer (Assen 22 oktober 1899 – Bussum, 3 april 1979) leren kennen, een Nederlands militair die eerst bij de KNIL in Nederlands-Indië had gediend en vanaf 1928 als leraar was verbonden aan de KMA in Breda. (meer…)

De Leidse verzetsgroep ‘Ik zal handhaven’ bestond vooral uit studenten en was actief in spionage- en sabotageacties. Van 1 oktober 1940 tot en met 1 december 1943 gaven zij het illegale blad ‘Ik zal handhaven’ uit, dat praktische aanwijzingen bevatte voor de techniek en tactiek van het openlijk verzet, vooral bestemd voor personen die direct met de bezettingsautoriteiten te maken hadden, zoals ambtenaren. De betrokkenen waren onder meer de studenten drs. J .F. van Walsem, een chemicus en de vermoedelijke oprichter, H. ’t Hart, D.A.E. de Loos, F.N.F. van der Schrieck en de officieren C.L. Kist en Sj. Nauta en de cadet-vaandrig A.C.L. de Klerck. Deze aspirant-officieren hadden hun toevlucht gezocht bij de Leidse universiteit.
Het blad verscheen in Leiden van de herfst in 1940 tot december 1943 een tijdje regelmatig (maandelijks) in een oplage van 500 stuks, maar na de herfst van 1941 werd de uitgave onregelmatig. Het waren stencils waarvan de inhoud voornamelijk bestond uit binnenlandse berichten, humor en opinieartikelen. De exemplaren werden ook onder de Duitse Weermacht verspreid. Rond september 1941 werd door de redactie een lijst opgesteld van verraderlijke en onbetrouwbare officieren, studenten en dames uit deze kringen. Deze lijst werd in een oplage van 1000 exemplaren verspreid en later vele malen aangevuld en opnieuw vermenigvuldigd.
Cornelis Louis Kist (Bandoeng, 19 juli 1916 – Leusden, 24 juni 1943) was een 2e luitenant van de infanterie KNIL, die op 26-jarige leeftijd op de Leusderheide werd gefusilleerd. Met hem werden daar zeven andere verzetsmannen door de Duitsers vermoord. Dat waren Johannes Hendricus van Dongen (05-11-1916), chemicus Johannes Hovenkamp (16-10-1913), militair Adriaan Cornelis Laurens Klerck (21-06-1917) en militair Cornelis Spaans (14-07-1922), die op 6 augustus 1942 betrokken waren bij de liquidatie van verrader Izak Anthonie Daane bij Schipborg in Drenthe. Verder stratenmaker Henri Pieter Drenth (20-10-1917), monteur Willem Hendrik ’t Hart (27-10-1916) en militair Adriaan Cornelis Laurens Klerck (21-06-1917), die lid waren van de Zeeuwse verzetsgroep Van Beest, die samen met enkele andere leden van deze verzetsgroep hadden deelgenomen aan de aanslag op de verrader Gerard Stellbrink op 14 oktober 1941 in Haarlem. Louis Kist werd na de oorlog postuum onderscheiden met de Bronzen Leeuw, een onderscheiding die op 30 maart 1944 bij Koninklijk Besluit werd ingesteld en kon worden toegekend aan Nederlandse militairen die zich in de strijd tegenover de vijand door het bedrijven van bijzonder moedige en beleidvolle daden hadden onderscheiden. De Nederlandse Oorlogsgravenstichting plaatste op haar website onderstaand artikel over Louis Kist.
Edzard Jacob Bosch ridder van Rosenthal (Dordrecht, 27 mei 1892 – Almen, 2 april 1945) was een telg uit het geslacht Van Rosenthal, die vermoedelijk uit Wesel stamde en waarvan Hans Heinrich Conrrad von Rosenthal (1762-1822) in 1787 met hert Pruisische leger naar Nederland kwamen. Hij huwde in 1790 met Louisa Anna Bosch, dochter uit een Culemborgse familie. Sindsdien voerde deze Nederlandse tak van de familie de naam Bosch van Rosenthal. Twee van hun zonen werden in 1834 en 1843 ingelijfd in de Nederlandse adel. De mannelijke leden mogen de titel ridder voeren; de vrouwelijke leden jonkvrouw.
Edzard Bosch van Rosenthal was watergraaf van het Waterschap De Berkel in Oost-Gelderland. Het waterschap was in 1882 door de Provinciale Staten van Gelderland opgericht voor het waterbeheer van de rivieren de Berkel en de Groenlose Slinge. Het waterschap is in 1997 opgegaan in het Waterschap Rijn en IJssel. De Berkel ontspringt in Duitsland ontspringt, stroomt door de Achterhoek en mondt bij Zutphen in de IJssel. De Groenlose Slinge is een laaglandbeek die ontspringt achter Winterswijk en mondt tussen Lochem en Borculo uit in de Berkel. Hij woonde in Huis Den Dam te Eefde, een monumentaal landhuis dat vroeger een van de 36 erkende havezaten in het kwartier Zutphen was. Het is sinds 2015 een rijksmonument. Zijn broer L.H.N. Bosch van Rosenthal was de Commissaris der Koningin in de provincie Utrecht en sinds 1944 voorzitter van het College van Vertrouwensmannen, dat door het kabinet-Gerbrandy I was ingesteld om vanaf de bevrijding tot de terugkeer van de regering in Nederland als haar vertegenwoordiger op te treden en zo te voorkomen dat er tijdelijk een gezagsvacuüm zou ontstaan. De door de regering aangewezen leden uit het bezet gebied waren voormalige politici en vertegenwoordigers van het verzet.
Roelof Jan Dam (Barneveld, 18 november 1896 – Assen, 10 april 1945) studeerde in 1922 af toen hij al twee jaar docent klassieke talen aan het gereformeerde gymnasium in Kampen was. Van 1925-1930 gaf hij les op het christelijke lyceum in Zutphen, waarna hij weer terugkeerde naar Kampen als rector. In dat voormalige lyceum in nu een zaal naar hem genoemd, de Dr. R..J. Damzaal. Dat jaar behaalde hij cum laude zijn doctorsgraad aan de rijksuniversiteit in Utrecht. Dam was zeer calvinistisch en rechtlijnig. Hij was ouderling van de gereformeerde kerk in Kampen en was een volgeling van Klaas Schilder en volgde hem in de Vrijmaking in augustus 1944.
Hij kwam al vroeg in verzet tegen het nationaalsocialisme. In 1940 woonde hij bijeenkomsten bij van de Lutherse Kring en als lid van de Anti-Revolutionaire Partij ARP) had hij contact prof. Mr. Victor Henri Rutgers (‘s-Hertogenbosch, 16 december 1877 – Bochum, 5 februari 1945), een advocaat, ARP-Tweede Kamerlid, vooraanstaand lid van de Gereformeerde Kerken en kortstondig minister van Onderwijs in het eerste kabinet-Colijn. Hij was in de jaren 1933-1934 en 1940-1942 rector van de Vrije Universiteit. Rutgers was fel anti-Duits en zat vanwege zijn rol in het verzet in oktober-november 1940 enkele weken vast. In april 1943 werd hij opnieuw gearresteerd, toen op verdenking lid te zijn van het Groot Burger Comité, dat voorlichting en adviezen gaf aan de regering in Londen en maatregelen voorbereidde voor het geval er in ons land een gezagsvacuüm zou ontstaan. Aan de werkzaamheden van het comité kwam een einde, toen begin april 1943 alle leden door toedoen van de V-Mann Van der Waals werden gearresteerd. Begin september 1943 werd Rutgers weer vrij gelaten. Op 26 april 1944 probeerde hij vergeefs in een gammel bootje naar Engeland te gaan. Hij kreeg een straf van twee jaar tuchthuis en overleed vlak voor de bevrijding in de gevangenis van Bochum. Een ander vooraanstaand ARP-lid waarmee Dam contact had en die zijn deelname aan het verzet beïnvloedde was dr. Dr. Sieuwert Bruins Slot, die later van 1956 tot 1963 de Tweede Kamerfractie van de ARP zou leiden. In de oorlog nam hij ontslag als burgemeester en speelde in het verzet een belangrijke rol bij het illegale Trouw, waar hij na de oorlog als hoofdredacteur aan verbonden bleef.
De historica Lydia Winkel (Semarang, 4 mei 1913 – Guignes, 12 april 1964) schreef in 1954 het standaardwerk ‘De ondergrondse pers 1940-1945’. In de jaren 1941-1942 was zij betrokken bij het verzetsblad Vrij Nederland. In die periode kwam ze in contact met prof. N.W. Posthumus, die haar vroeg om mee te helpen bij het verzamelen en bewaren van Nederlandse illegale bladen en pamfletten uit de Tweede Wereldoorlog. Daardoor kwam Winkel direct na de bevrijding als eerste medewerkster in dienst van het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Ze bracht een imposante collectie van illegale bladen en pamfletten bijeen. Van 1176 titels (zowel bladen als pamfletten) had ze één of alle uitgaven achterhaald, maar ook steeds zoveel mogelijk feiten bijeen gesprokkeld omtrent het ontstaan en de verdere geschiedenis van de titels. Tijdens het schrijven van het boek kwamen er nog 14 titels bij. In een herziene uitgave in 1989 was het aantal illegale publicaties gestegen van 1190 naar bijna 1300 titels. Een van die 1.300 titels is Strijdend Nederland; het contact met de vrije wereld, dat vanaf 1 augustus 1943 tot 17 april 1945 in Kampen werd uitgegeven, drie keer per week en in een oplage tussen de 14 en 600 exemplaren. Initiatiefnemer voor het blad was Roelof Jan Dam, rector van het Gereformeerd Gymnasium van Kampen en vertegenwoordiger van de verzetskrant Trouw voor de vier noordelijke provinciën.

Dirk Arie van den Bosch (Hazerswoude, 23 oktober 1884 – Amersfoort, 20 maart 1942) was de zoon van een veeboer. Het nakomertje in het gezin heeft echter weinig affiniteit met het boerenbestaan. In hervormde kring omschreef men dat als volgt: ’Als kind kent hij al het verlangen om in Gods wijngaard werkzaam te zijn’. Hij kreeg op school bijles om hem klaar te stomen voor het gymnasium in Leiden. In Leiden ging hij ook theologie studeren. Op 4 september 1910 werd hij als predikant bevestigd in Nieuw-Vennep, nadat hij in het huwelijk was getreden met Catrien Fortgens, de dochter van zijn leermeester in Hazerswoude. In 1914ging hij naar het Groningse Stedum. Twee jaar later aanvaardde hij een betrekking in Den Haag, tot diepe teleurstelling van de Stedumers. Een ervan verwoordde zijn teleurstelling: ‘Ik mag lijden dat hij met zijn hele verhuisboel de gracht inrijdt.’ In Den Haag kreeg hij de verantwoordelijkheid voor een wijk met 11.000 adressen en zo’n 20.000 zielen. In korte tijd maakte hij naam als bewogen prediker, trouw pastor en begaafd spreker. Het leverde hem de bijnaam ‘de Haagse Spurgeon’ op, een verwijzing naar de 19e-eeuwse Engelse baptistenpredikant Charles Haddon Spurgeon (Kelvedon, 19 juni 1834 – Menton, Frankrijk, 31 januari 1892) die een grote reputatie had binnen de protestante kerk. Duizenden kwamen af op de preken van Van den Bosch, waarin hij van leer trok tegen het nazisme en de Jodenvervolging in Duitsland. Zoals veel mensen uit de christelijke wereld had hij een grote afkeer van het nationaalsocialisme. Scherp veroordeelde hij de Jodenvervolging in Duitsland. Meermalen sprak hij op toogdagen van Elim, de Nederlandsche Vereeniging voor Zending onder Israël. Op 26 juni 1940, anderhalve maand na de inval van de Duitsers, opende de moedige predikant in Den Haag een zendingshuis voor Joden, die onder Elim wordt geplaatst. Begin 1941 wordt het pand door de Duitsers in beslag genomen en leeggeroofd. Op dat moment zit Van den Bosch al in hechtenis.
Pater Ludovicus Adrianus Bleys werd op 17 oktober 1906 geboren in de Tilburgse wijk Veldhoven in het gezin van schoenmaker Adrianus Bleijs en Joanna Maria Meijers. Om onduidelijke redenen is zijn naam later gewijzigd in Bleys. Hij werd op 30 mei 1931 tot priester gewijd en was onder andere pater-kapelaan in de Kapel in ’t Zand naast het redemptoristenklooster in Roermond. De Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Congregatio Sanctissimi Redemptoris, C.Ss.R.) is een katholieke congregatie, meestal de redemptoristen genoemd, die een sterk christocentrische spiritualiteit hebben en erg zijn gericht op retraites, deels in eigen retraitehuizen, deels in volksmissies en vastenprediking. In de oorlog was hij onder de verzetsnaam Lodewijk actief op allerlei fronten en betrok vele jonge mensen bij zijn verzetsactiviteiten. Hij was vanaf het begin tegenstander van de gelijkschakeling met de Duitse opvattingen en methoden en werd lid van de Nederlandsche Unie omdat hij in deze beweging een mogelijkheid zag zich af te zetten tegen het nationaalsocialisme. Toen in Limburg onder leiding van reserve-generaal-majoor b.d. J.R.L. Jans de Ordedienst (OD) actief werd, werd Bleys belast met de geestelijke verzorging. Hij was de raadsman van iedereen die onder de verplichtingen van de arbeidsdienst vielen. Zijn bemoeienissen hadden tot gevolg dat hij zich moest verantwoorden bij de procureur-generaal in ‘s-Hertogenbosch, maar daar wist hij zich vrij te pleiten. Hij was later in zijn woonplaats Roermond een van de oprichters van de Limburgse Onderduikorganisatie (LO), die eind 1943 onderdeel werd van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). De Venlose onderwijzer Jan Hendrikx werd hun regionale vertegenwoordiger. Nadat de LO was gedwongen zich te reorganiseren, was Hendrikx ook lid van de zgn. Landelijke Top. Pater Bleys had contact met Jan Hendrix en stond ook in voortdurend contact met drs. J.L. Moonen, de secretaris van de bisschop van Roermond.