JESÚS RAFAEL SOTO

Jesús Rafael Soto (Ciudad Bolívar, 5 juni 1923 – Parijs, 14 januari 2005) was de oudste van vier kinderen van Emma Soto en Luis Garcia Parra, een violist. Al op jonge leeftijd wilde hij geld verdienen om ter helpen het gezin financieel te steunen, maar hij zocht het wel uitdrukkelijk in de artistieke richting. In het begin speelde hij gitaar als straatartiest, daarna begon hij beroemde kunstwerken die hij in verschillende boeken, tijdschriften en almanakken vond na te schilderen. Op zestienjarige leeftijd kreeg hij een baantje bij de bioscopen in Ciudad Bolivar, waarvoor hij posters ging schilderen. Hij zei hierover later: ‘Op die leeftijd waren de enige kunstenaars die ik kende de letterschilders. Mijn familie was heel gelukkig. Ik kon wat geld verdienen, letters schilderen tot het einde van mijn dagen. Niemand keek verder dan dat…’ In 1938 sloot Soto zich aan bij een studentengroep die de ideeën van het surrealisme promootte en publiceerde hij in het plaatselijke tijdschrift enkele gedichten waarin hij de samenleving op de hak nam. In de groep leerde Soto over schrijven en maken van houtskooltekeningen. De portretten die hij maakte leidde ertoe dat hij in 1942 een studiebeurs kreeg die het hem mogelijk maakte in de hoofdstad Caracas een kunst- en onderwijsopleiding aan de Escuela de Artes Plásticas y Artes Aplicadas te volgen. Tot zijn medeleerlingen behoorden ook de schilder-kunstenaar Alejandro Otero (1921-1990) en Carlos Cruz-Diez, die een bekend kinetisch en op-art kunstenaar zou worden. Vooral Cruz-Diez raakte snel in de ban van de geometrische abstractie, waarin rechte lijnen de hoofdrol speelden. Hij werd duidelijk geïnspireerd door Piet Mondriaan en De Stijl. In 1947 haalde Soto aan zijn opleiding zijn onderwijsbevoegdheid en had daarna drie jaar lang de leiding aan de kleine Escuela de Artes Plásticas in Maracaibo. Toen hij daar les gaf, ontving hij een overheidssubsidie om naar Frankrijk te reizen en zich in Parijs te vestigen. In 1950 vertrok hij naar Parijs, waar hij werd opgewacht door zijn vrienden Otero en Cruz-Diez en andere kunstenaars uit Venezuela. Die brachten hem in contact met groeperingen van abstracte kunstenaars. In 1951 bezocht Soto met enkele vrienden Nederland, waar hij het Kröller-Müller Museum en het Stedelijk Museum Amsterdam bezocht, vooral om het werk van Piet Mondriaan te zien. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 053

Rob Scholte (Amsterdam, 1 juni 1958)  studeerde van 1977 tot 1982 aan de Gerrit Rietveld Academie. Daarna maakte hij onder meer deel uit van het kunstenaarscollectief W139, waar hij met Sandra Derks in 1982 debuteerde met het ‘meesterwerk’ Rom 87, dat deel uitmaakt van de collectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en in bruikleen is gegeven aan Museum Boijmans Van Beuningen. Het is een reeks in vrije stijl geschilderde variaties op een boek kinder-kleurplaten. Vanaf 1984 verving hij deze stijl door minutieus geschilderde werken die hij exposeerde in de pas opgerichte galerie The Living Room te Amsterdam. In de jaren daarna kregen zijn tentoonstellingen zowel veel lof als veel kritiek. Zijn werken waren onder meer te zien op de documenta (1987) en op de Biënnale van Venetië (1990), waar hij het Nederlandse paviljoen inrichtte. In 1991 kreeg hij de opdracht een 1200 vierkante meter grote wand- en plafondschildering te vervaardigen op het Huis Ten Bosch Resort in Nagasaki, Japan. Op 9 augustus 1995, de dag dat herdacht zou worden dat vijftig jaar eerder in Nagasaki de atoombom viel, zou de opening plaatsvinden van zijn schildering Après nous le déluge, over de voortdurende herhaling van oorlog, maar dat moest worden uitgesteld wegens een aanslag op Scholte. Op 24 november 1994 stapten Rob Scholte en zijn echtgenote Micky Hoogendijk bij de Laurierstraat in Amsterdam in zijn donkerblauwe BMW 525i. Kort daarna ontplofte een handgranaat onder de auto. Bij Rob Scholte moesten beide benen boven de knie worden geamputeerd; Micky Hoogendijk kreeg een miskraam. De dader van de aanslag is nooit gevonden. Een van de theorieën was dat de aanslag was bedoeld voor de advocaat Oscar Hammerstein, die eenzelfde type BMW in dezelfde kleur en met bijna hetzelfde nummerbord had. Andere theorieën hielden verband met het schimmige milieu van kunstenaars, cocaïnedealers en witwaspraktijken waarin Scholte zich indertijd bewoog. De aanslag zou een afstraffing zijn geweest voor gokschulden, cocaïneschulden of niet nagekomen verplichtingen. Scholte zelf beschuldigde aanvankelijk zijn collega-kunstenaars Paul Blanca en Koos Dalstra. De aanslag is nooit opgehelderd. In 2013 opende hij met beperkte middelen een aan hem gewijd museum in het voormalige Hoofdpostkantoor in Den Helder, maar een later conflict tussen de gemeente Den Helder en Scholte eindigde in een financieel drama voor Scholte, die zijn gehele collectie kunstwerken door de gemeente geconfisqueerd en geveild zag worden. (meer…)

TITUS WILLEM DE TOURTON BRUIJNS (86)

Titus Willem de Tourton Bruijns (Teteringen, 15 mei 1898 – Buchenwald, 6 april 1943) was een telg uit een militair geslacht. De achternaam ontstond nadat Willem von Bruyns (1771-1864) halverwege de negentiende eeuw toestemming kreeg de achternamen van zijn ouders Jan von Bruyns en Elizabeth Maria de Tourton samen te voegen. Deze Willem von Bruyns was in 1788 werkzaam aan het hof van stadhouder Willem V en 1e Luitenant in het Duitse Infanterieregiment 15 von Zach en daarna majoor bij het Koninklijke Nederlands-Indische Leger (KNIL). Deze Willem von Bruyns, inmiddels Willem de Tourton Bruijns, overleed in 1864 op 92-jarige leeftijd in Kampen, waar dat jaar zijn kleinzoon werd geboren. Titus Willem was de zoon van Titus Willem de Tourton Bruijns (Kampen, 1864), eerste luitenant van de artillerie van het Oost-Indische Leger, en Sara Magdalena Jakoba Immink (Bergh, 1863). Het echtpaar had al twee dochters. Drie dagen voor de geboorte van Titus Willem jr. was de vader al verhuisd naar Amsterdam, op 12 augustus 1898 werden ook de moeder en drie kinderen in het Amsterdamse geboorteregister ingeschreven, met de Tweede Oosterparkstraat 234 als definitieve adres van het gezin. Titus woonde bij het uitbreken van de oorlog in Amsterdam, waar hij Inspecteur van de Registratie en Domeinen was.  Die waren belast met het bijhouden van registers, het vorderen van vertalingen, de vermelding van een verklaring op de akte, de registratie van meerdere akten als een akte, het waarmerken van renvooien en het nummeren van de akten. Voorts waren zij belast met het afgeven van ontvangstbewijzen en verklaringen. Op 14 mei 1940 was Titus Willem de Tourton Bruijns een van de oprichters van het Legioen Oud-Frontstrijders (LOF), een van de vroegste verzetsorganisaties in Nederland. Een andere oprichter was Sybrand Marinus van Haersma Buma (Den Haag, 30 december 1903 – Neuengamme, 11 december 1942), die in 1929 op 26-jarige leeftijd burgemeester werd in Stavoren en in 1938 van Wymbritseradeel. (meer…)

031 – BEVROREN VIJVER 3

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

034 – ST. STEVENSKERK 8

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

HET FASCINERENDE WONDERMIDDEL RADIUM, deel 1

01 - RadiumRadium is een chemisch element, waarvan alle isotopen radioactief zijn; de meest stabiele isotoop is radium-226 met een halfwaardetijd van 1.600 jaar. Wanneer radium vervalt, zendt het als bijproduct ioniserende straling uit die fluorescerende chemicaliën kan opwekken en radioluminescentie kan veroorzaken. Radium werd in 1898 ontdekt door Pierre Curie en Marie Curie toen ze bij het onderzoeken van het mineraal uraniniet na het verwijderen van het uranium uit het mineraal, bemerkte dat het residu nog steeds radioactief was. In 1910 werd radium voor het eerst geïsoleerd in zijn metaalachtige toestand door Marie Curie en André-Louis Debierne door de elektrolyse van radiumchloride. Nadat wetenschappers in Europa in vroege experimenten met succes kankercellen hadden gedood met radium, steeg de vraag naar het element enorm. Zieke patiënten over de hele wereld eisten behandeling met ‘het wonderbaarlijke radium’. Terwijl sommige artsen serieus experimenteerden met een radiumgeneesmiddel voor ziekten als kanker, tuberculose en lupus, werd hun werk overschaduwd door gewetenloze zakenlieden en kwakzalvers die radiumgeneeswijzen voor bijna elke kwaal op de markt brachten. Radium fascineerde de wereld met zijn radioactieve en lichtgevende eigenschappen. Omdat er geen inzicht was in de nadelige gevolgen van stralingsvergiftiging, werd radium een modieuze trend, een medisch wondermiddel en een industrieel wonder. Kranten stelden zich toekomstige steden voor die verlicht zouden worden door radiumlampen, restaurants die glow-in-the-dark radiumcocktails en snoep zouden serveren, radiumkunstmest die de opbrengst van boerderijen zou verbeteren en artsen die radium gingen gebruiken om kanker voor altijd te genezen. De zakenlieden en kwakzalvers maakten echter op agressieve wijze reclame met hun radium-producten en verkochten met enorm succes radiumcrèmes, dranken, zouten en zetpillen die beweerden acne, bloedarmoede, artritis, astma, kaalheid, moedervlekken, blindheid, constipatie, diabetes, struma, verharde slagaders, hoofdpijn, impotentie, krankzinnigheid, rachitis, tandbederf en wratten te genezen. In dit en volgende delen enkele ‘fraaie’ producten uit de ‘Radium-dagen’, die grotendeels duurde van omstreeks 1904 tot 1927. (meer…)

DE TELEPORTATIE VAN GIL PÉREZ

Op 26 oktober 1593 had de soldaat Gil Pérez de wacht buiten het paleis van de gouverneur in Manilla. Extra waakzaamheid was geboden, want een dag eerder was Gómez Pérez Dasmariñas (Betanzos, 1539 – 25 oktober 1593), de zevende Spaanse gouverneur-generaal van de Filipijnen, vermoord. Dasmariñas had bij zijn aanstelling in 1590 de opdracht gekregen om de Audiencia van Manilla op te heffen en de verdediging van de stad te versterken. Hij hief die Audiencia snel op en stuurde de president en de rechters van het tribunaal terug naar Spanje. Voor e verdediging van de stad werd een garnizoen van enkele honderden manschappen opgericht en er werd rond de stad een muur gebouwd, die begin 1593 gereedkwam. Hij liet ook een versterkt Fort Santiago bouwen en spoorde de bewoners van Manilla aan in het vervolg stenen in plaats van houten gebouwen neer te zetten. In 1592 werd de nieuwe stenen Kathedraal van Manilla afgeleverd. Langs de kust liet hij versterkingen bouwen en hij stuurde zijn zoon Luis Pérez Dasmariñas op militaire expedities naar opstandige gewesten of delen van de archipel waar de Spanjaarden nog niet waren geweest. In 1593 organiseerde Dasmariñas een vloot en troepenmacht van zo’n 900 mensen naar het eiland Ternate van de Molukken om daar het stenen fort van de Hollanders te veroveren. Dasmariñas zou de expeditie persoonlijk leiden. Op 24 oktober 1593 vertrok hij in een galei met Chinese roeiers vanuit Cavite naar Pintados, waar zich de vloot onder leiding van zijn zoon bevond. Op de tweede dag van de reis daarheen kwamen de Chinese roeiers echter in opstand, waarbij gouverneur-generaal Dasmariñas en diverse andere Spanjaarden om het leven kwamen. Zijn zoon Luis Pérez Dasmariñas volgde hem op als gouverneur-generaal van de Filipijnen. (meer…)

ANDRÉ RENÉ DE NORMANDIE S’JACOB

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Wie kent of heeft gekend André René de Normandiër ’s Jacob in het concentratiekamp Engerhafen bij Aurich?

André René de Normandie s’Jacob (Staverden, 8 september 1921 – Neuengamme, 5 februari 1945) werd geboren op het landgoed Staverden als zoon van de grootgrondbezitter Herman Theodoor s’Jacob en van Elizabeth Jacoba van der Leeuw. Van het geslacht s’Jacob begon de stamreeks met René (Renier) Jacob, in rond 1630 in de omgeving van het Franse Châteaudun geboren, later werkzaam in het lakenbedrijf te Delft en in die plaats in 1708 overleden. Zijn kleinzoon Josué (1693-1776) werd in 1717 poorter van Rotterdam. Het geslacht kende in de loop der jaren vele bestuurders en in de persoon van Frederik s’Jacob (Den Haag, 25 februari 1822 – Utrecht, 3 april 1901) van 12 april 1881 tot 20 januari 1884 een gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. In 1911 werd het geslacht opgenomen in het genealogische naslagwerk Nederland’s Patriciaat en vanaf 7 november 1925 werd per Koninklijk Besluit de toch al ongebruikelijke achternaam ‘sJacob voorafgegaan met de toevoeging ‘de Normandie’, waarschijnlijk als verwijzing naar de afkomst van verre voorvader René Jacob. (meer…)

AUSSENKAMP 3 – AURICH-ENGERHAFE

Naam van het subkamp: Aurich-Engerhafe
Periode van bestaan: 21 oktober 1944 tot 22 december 1944
Aantal gevangenen: 2000 mannen
Type werk: Bouw van vestingwerken en Tankgrachten (Project Friesenwall)
Opdrachtgever: Reichsverteidigungskommissar im Wehrkreis X Militair district X

Tijdens het nationaalsocialistische tijdperk was in alle plattelandsgemeenschappen in Oost-Friesland sprake van een vergelijkbare situatie. Na de machtsoverdracht in het Duitse Rijk zette dit zich ook door in de gemeentelijke instellingen. In de gemeenten Engerhafe, Oldeborg, Upende en Fehnhusen werden in 1933 alle burgemeesters ingeruild voor partijleden of mensen die dicht bij de NSDAP stonden. Ook werden er geen gemeenteraadsleden meer gekozen, maar benoemd uit de rangen van de partij. De lokale leider van de NSDAP had het laatste woord over alle besluiten van het gemeentebestuur en de burgemeester. Met ingang van 1 april 1938 werden op bevel van de president van de provincie Hannover de gemeenten Engerhafe, Oldeborg, Upende en Fehnhusen samengevoegd tot de gemeente Oldeborg. De belangrijkste reden was dat de NSDAP niet genoeg gekwalificeerde mensen naar voren kon schuiven voor de diverse politieke functies. In de zomer van 1933 werd op basis van een Reichswet een verkiezing van kerkenraden verplicht, waarin de politieke bestuurders een grote inbreng hadden. Een enorme inbreuk door de nationalistische staat op het traditionele kerkelijk recht, maar er was geen enkel verzet van de regionale kerk. (meer…)

MARTIAL RAYSSE

Martial Raysse (Golfe-Juan, 12 februari 1936) groeide op in een gezin van keramisten in Vallauris in het district Alpes-Maritimes. Op twaalfjarige leeftijd begon hij met schilderen en schrijven van poëzie. Het gezin woonde ook in Nice, waar Raysse literatuur studeerde. Hij was gefascineerd door de schoonheid van plastic en struinde goedkope winkels af op zoek naar allerlei prullaria voor zijn verzameling, dat hij later in plexiglas kisten presenteerde. In 1957 exposeerde hij een aantal van zijn werken in Galerie Longchamp in Nice. Hij noemde zijn visie op de consumptiemaatschappij vision hygiene. Hij maakte zeefdrukken met fluorescerende kleuren en combineerde zijn objecten met contouren in neonlicht. In 1959 ontdekt hij in een warenhuis de onversleten schoonheid van opeengestapelde objecten, die onbesmet, onverbruikt, hygiënisch en vrij van interpretatie waren. In oktober 1960 was hij met zijn jeugdvrienden Arman en Yves Klein en de kunstenaars François Dufrêne, Raymond Hains, Daniel Spoerri, Jean Tinguely, Jacques Villeglé en kunstcriticus en filosoof Pierre Restany een van de oprichters van de Nouveaux Réalistes. Pierre Restany had op 14 april 1960 in zijn eerste Manifeste du Nouveau Réalisme de beweegredenen van de groep al omschreven: ‘De traditionele middelen zijn uitgeput; er is geen andere reactie mogelijk dan de afschaffing van het schilderij…’ In het tweede manifest, dat het jaar daarop verscheen, verklaarde hij: ‘De nieuwe realisten zien de wereld als een schilderij, een groot fundamenteel waarvan zij zich wezenlijke fragmenten eigen willen maken’. Een eerste collectieve manifestatie vond plaats tijdens het Festival d’avant-garde, te Parijs in november-december van 1960. Daarop volgde in mei 1961 een tweede expositie, in de ‘Galerie J.’, met het thema Quarante Degrés au-dessus de Dada. De ‘nieuwe realisten’ exposeerden vervolgens in juni te Stockholm en in juli te Nice. In 1961 en 1962 werd aan hun werk een speciale zaal gewijd tijdens de Parijse Salon Comparaisons. In juli 1961 waren ze te zien op de expositie Paris-New York van de Galerie Rive droite en in juni 1962 op de expo Donner à voir I van de Galerie Creuze. De kunstenaars confronteerden de kijker met de hun bewerkingen van alledaagse dingen uit de urbane omgeving. De Nouveau Réalisme was de Franse evenknie van de Nederlandse NUL-beweging en Zero-bewegingen in andere Europese landen en in Japan. Later sloten zich ook César, Mimmo Rotella, Niki de Saint Phalle en Christo aan bij de Nouveaux Réalistes. De groep wilde de werkelijkheid op een nieuwe manier benaderen en wel door de twintigste-eeuwse consumptiemaatschappij een plaats te geven in hun werk. (meer…)

030 – BEVROREN VIJVER 2

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

033 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

DE RAMP MET DE SS NORGE

SS NorgeIn de buurt van Rockall bevinden zich Hasselwood Rock (200 meter ten noorden van Rockall) en Helen’s Reef (2 km ten oostnoordoosten van Rockall), twee verraderlijke klippen die alleen op zeldzame momenten bij laag water zichtbaar worden, maar verder alleen te herkennen zijn aan de golfpatronen. Hasselwood Rock, op het breedste punt dertien meter en met een oppervlakte van 130 m2, ligt bij laag water slechts één meter boven de zeespiegel en normaliter slechts te herkennen aan brekende golven op de rotsen onder de oppervlakte. Helen’s Reef bestaat uit een serie van rotsachtige eilanden, die ook bijna altijd net onder het wateroppervlakte liggen. Het rotseiland Rockall en deze omliggende klippen bestaan voornamelijk uit fijnkorrelige stollingsgesteente gabbro, dat erg rijk aan olivijn is. Doordat die veel ferromagnetische mineralen bevatten, is er een magnetische anomalie waardoor scheepskompassen in het gebied tot zo’n 15 km afstand van het eiland onbetrouwbaar zijn. Gekoppeld aan de geringe hoogte van de rots en de twee verraderlijke klippen kan dit een groot aantal scheepsrampen in het gebied verklaren. (meer…)

DE NEDERLANDSE VULKANEN

Tot 1948 telde het Koninkrijk der Nederlanden honderden vulkanen, bijna allemaal gelegen in het toenmalige Nederlands-Indië. De topografie van Indonesië wordt gedomineerd door honderden vulkanen, die zijn ontstaan doordat de Euraziatische Plaat en de Indo-Australische plaat onder elkaar schuiven (subductie). De Indonesisxche vulkanen maken deel uit van de zogenaamde Pacifische Ring van Vuur, een hoefijzervormig gebied rondom de Grote Oceaan met veel aardbevingen, zeebevingen en vulkaanuitbarstingen die worden veroorzaakt door verschillende subductiezones van tektonische platen. In deze Ring of Fire treft men vaak diepe troggen in de oceaan aan of een boog van vulkanen. Over een lengte van ruim 40.000 kilometer loopt de gordel rond de Grote Oceaan, te beginnen bij Nieuw-Zeeland en loopt dan via een aantal eilandengroepen naar Indonesië, de Filipijnen, Japan, de Russische eilandengroep de Koerilen, het Russische schiereiland Kamtsjatka en Alaska. Vanaf hier gaat de ring verder langs de westkust van Canada, Amerika, Mexico en de volledige westkust van Midden- en Zuid-Amerika. Er zijn in totaal 452 vulkanen in dit gebied, waarvan 128 actieve vulkanen en daarvan gelden 65 vulkanen als extreem gevaarlijk. Bij het gebied van Sumatra tot Flores in Indonesië schuift de Australische plaat met een snelheid van ongeveer 6 centimeter per jaar onder de Euraziatische plaat. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 52

AUSSENKAMP 2 – ALT GARGE

Kraftwerk Alt GargeNaam van het subkamp: Alt Garge
Periode van bestaan: 24 augustus 1944 – 15 februari 1945
Aantal gevangenen: 500 mannen
Type werk: Bouw van elektriciteitscentrales
Opdrachtgever: HEW, Fa. Rosseburg, Grün & Bilfinger, Wayss & Freytag

Alt Garge was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hoofdzakelijk een industriegebied met spaarzame bewoning van het personeel van de daar gevestigde bedrijven. Het lag zo’n zes kilometer zuidoostelijk van Bleckede aan de westoever van de Elbe, op bijna tachtig kilometer van Hamburg. In de jaren dertig steeg in Duitsland de vraag naar elektrische energie sterk vanwege het sterk toenemende particuliere elektriciteitsgebruik. Steeds meer huizen en bedrijven kregen elektrisch licht, gaslantaarns werden massaal vervangen door elektrische verlichting en elektromotoren vervingen de stoomaandrijving. Er was een  enorme groei van energie-intensieve industrieën, met name voor de wapenindustrie ter voorbereiding op de aanstaande oorlog, die op volle toeren draaide. De Hamburgische Electricitäts-Werke AG (HEW), een bedrijf dat in 1894 werd opgericht om voor Hamburg elektriciteit en stadsverwarming te leveren, plande in Alt Garge een ​​nieuwe, ultramoderne energiecentrale met een vermogen van ongeveer honderdveertig megawatt om te voorzien in de groeiende elektriciteitsbehoefte van Hamburg en de industriële gebieden in het oosten van Nedersaksen en Mecklenburg. (meer…)

CIMON EN PERO – 17

17 - Pompeï - Giuseppe Chiantarelli 1838De legende van Cimon en Pero in het jaar 31 opgetekend door de Romeinse schrijver Valerius Maximus in zijn negendelige werk Facta et dicta memorabilia (‘Negen boeken memorabele daden en uitspraken’) dat hij opdroeg aan keizer Tiberius. In het korte verhaal wordt Myco (ook wel Cimon genoemd) veroordeeld tot verhongering in de gevangenis, maar als zijn dochter Pero hem bezoekt, ziet ze ‘een man op extreem hoge leeftijd’ die hongerig en vuil is. Ze legt hem ‘als een baby aan haar borst en voedt hem.’ Er zou overigens een soortgelijk verhaal hebben bestaan over een naamloze dochter die haar veroordeelde moeder voedt ‘met de hulp van haar eigen melk’. De jury die de zaak van de moeder beslechtte, bemerkte deze vrome daad en vergaf de moeder haar vonnis. Maximus kende het verhaal uit een muurschildering die een grote indruk op hem had gemaakt. Misschien wist hij ook dat er ook in Pompeï muurschilderingen van dit verhaal waren. Muurschilderingen die bij de uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79 verdwenen onder de dikke lag as die Pompeï eeuwenlang deed verdwijnen. Deze muurschilderingen laten vermoeden dat de legende uit de Griekse mythologie afstamde, wat verder zou worden ondersteund doordat op een van de muurschilderringen de naam niet als Cimon, maar als Micon werd gespeld. Aan het eind van de zestiende eeuw werden de eerste overblijfselen van Pompeï weer ontdekt en werden er vanaf de 18e eeuw vele archeologische opgravingen verricht, waardoor de oude stad grotendeels werd blootgelegd. Daarbij kwam ook de muurschildering met Cimon en Pero weer tevoorschijn. In 1838 maakte Giuseppe Chiantarelli een schilderij van een deel van een muur in een atrium (de centrale ruimte in een gebouw), met de muurschildering van Cimon en Pero in het midden van de muur. De vierkanten fresco van 53,7 centimeter bevindt zich nu in het Museo Archeologico Nazionale in Napels. (meer…)

029 – BEVROREN VIJVER 1

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

032 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

13 – ROCKALL

Rockall 3Rockall is een piepklein onbewoonbaar granieten eilandje in de Noord- Atlantische Oceaan: een oppervlakte van 0,0007843 km², 31 meter lang, 25 meter breed en met een hoogste punt dat 17,15 meter boven de zeespiegel uitstijgt. Oorspronkelijk was dat 21,4 meter hoog, maar in 1971 is door het Britse leger met Operation Top Hat de top met explosieven geëgaliseerd om er een lichtbaken op te kunnen plaatsen. De geschatte afstanden van de eenzame rotspunt in de oceaan tot de dichtstbijzijnde eilanden in elke richting zijn: 301,3 kilometer / 162,7 zeemijl ten westen van Soay, Schotland; 423,2 kilometer / 228,5 zeemijl ten noordwesten van Tory Island, Ierland ; 700 kilometer / 380 zeemijl ten zuiden van IJsland. De dichtstbijzijnde permanent bewoonde plaats is North Uist, een eiland in de Buiten-Hebriden van Schotland, 370 kilometer / 200 zeemijl naar het oosten. Eeuwenlang had geen enkele van deze landen enige belangstelling voor die rots, maar sinds in de naoorlogse jaren het vermoeden rees dat hier wel eens diep in de bodem olie te vinden zou zijn en tegelijkertijd de bescherming van visserijrechten steeds belangrijker werden, is Rockall en zijn directe omgeving een betwist gebied tussen Groot-Brittannië (namens Schotland), Ierland, IJsland en Denemarken (namens de Faeröer-eilanden). (meer…)

BERNARD AUBERTIN

Bernard Aubertin 1Bernard Aubertin (Fontenay-aux-Roses, 29 juli 1934 – Reutlingen, 31 augustus 2015) studeerde van 1955 tot 1957 schilderkunst in Parijs. In die periode maakte hij figuratieve kunst, vooral landschappen, stillevens en portretten, maar verdiepte hij zich ook in het kubisme en futurisme. In 1957 ontmoette hij Yves Klein (1928-1962), die al in 1946 zijn eerste Monochromes maakte, panelen in een uniforme zuivere kleur. Klein exposeerde in 1955 exposeerde in Parijs zijn Monochromes in de Galerie des Solitaires, een jaar later stelde hij zijn Propositions monochromes voor in de Galerie Colette Allendy. In de avantgardistische kunstkringen werd Klein al snel een bekende naam en vanaf 1957 had hij talloze tentoonstellingen in binnen- en buitenland met zijn ultramarijn blauw (IKB). In 1960 maakte hij zijn bekendste werk Le saut dans le vide, een spectaculaire duik in de onsterfelijkheid of eigenlijk in de leegte, zoals de iconische titel aangeeft. Geïnspireerd op de ultramarijne kunstwerken van Klein, ging Aubertin aan de slag met het maken van monochrome rode paneelschilderijen, waarin hij het beeldoppervlak structureerde met behulp van spatels, de achterkant van lepels, messen of vorken. In 1959 werden nog meer monochrome, rode structuurafbeeldingen gemaakt. Hij concentreerde zich op de kleur rood als een uitdrukking van vuur om ruimtes van kleur en licht te creëren. (meer…)

BLAAUW GARRIT

Blaauw Garrit (ook Blauwe Gerrit of Blauwbroek genoemd) was een plaaggeest die in verschillende sagen uit de Veluwe voorkwam. Hij was een aapachtig en vaak onzichtbaar wezen, dat als een blauw licht door de bossen op de Veluwe danste, met ogen die gloeiden als schoteltjes. Tussen de huizen van mensen had hij weinig macht, want als natuurwezen hoorde hij thuis in de duisternis en de eenzaamheid. De ene keer was hij lucht, de andere keer bijna van vlees en bloed. Hij kon licht als een veertje op iemand neerdalen, maar ook als een zwaar gewicht op een persoon drukken zodat men nog amper kon bewegen. Meestal konden mensen hem niet zien, maar zijn gewicht en gelach verraadden zijn aanwezigheid. Blaauw Garrit viel alleen mensen met snode plannen aan als onrecht dreigde plaats te gaan vinden. In de meeste verhalen deed hij echter niemand kwaad en was hij vooral kwajongensachtig en plagerig. In sommige verhalen sprong Blaauw Garrit op zwaarbeladen wagens waarvan de voerlieden te veel hadden gedronken. De kar was nu zo zwaar geworden dat ze niet meer vooruit was te krijgen. Hij voorkwam zo dat er ongelukken zouden gebeuren. Zodra de voerman was nuchter was, verliet Blaauw Garrit de wagen en kon de voerman veilig verder reizen. In andere verhalen sprong Blaauw Garrit op verlaten plekken mensen op de schouders, die vanwege het zware gewicht niet verder konden of slechts uitgeput hun bestemming bereikten. Soms duwde hij wandelaars die in een karrenspoor liepen ruw aan de kant, vooral op die punten waar twee wegen paden elkaar kruisten. (meer…)

AUSSENKAMP 1 – ALDERNEY

Alderney 1

Naam van het subkamp: Alderney (I. SS-Baubrigade)
Periode van bestaan: 5 maart 1943 – 22 september 1944
Aantal gevangenen: 1000 mannen
Type werk: Bouw van verdedigingswerken
Opdrachtgever: Opperbevel van de Wehrmacht, Organisation Todt

Het lege eiland Alderney was op 2 juli 1940 door de Wehrmacht bezet. Een maand eerder had Groot-Brittannië de 1.400 inwoners al van het eiland naar Engeland geëvacueerd. Voor de Duitsers moesten de Britse Kanaaleilanden deel gaan uitmaken van hun Atlantikwall. In januari 1942 richtte Organisation Todt op het Britse Kanaaleiland Alderney vier werkkampen in, die allemaal een naam kregen die verwees naar de Oost-Friese eilanden. De vier werkkampen moesten zorgen voor de bouw van verdedigingswerken op het eiland, om het Derde Rijk te kunnen beschermen tegen een gevreesde invasie vanuit Groot-Brittannië. Voor de bouw maakte Organisation Todt gebruik van dwangarbeiders, maar in hun terminologie waren het vrijwilligers (Hiwi’s) die in werkkampen gehuisvest waren. Werkkampen die ze eerst zelf moesten bouwen. Het Lager Borkum lag dicht bij het centrum van Alderney en was het kleinste van de vier kampen. Hier werkte voornamelijk Duitse technici en echte vrijwilligers uit diverse landen. Het Lager Helgoland lag in de noordwestelijke hoek van het eiland; hier werkte voornamelijk Russische Hiwi’s. De mannen in deze twee kampen werden voor hun werk (karig) betaald, maar hun werkomstandigheden en de behandeling door de kampleiding waren uitzonderlijk streng en bijna gelijk aan de beide andere kampen. Deze twee kampen bleven tot het eind van de oorlog onder de bewindvoering staan van Organisation Todt. Van Lager Borkum resteren momenteel nog slechts de toegangspoorten in een open veld, van Lager Helgoland zijn geen sporen meer te vinden op het eiland. (meer…)

JOHN HEIJNING

John Heijning (Den Haag, 12 december 1884 – Hilversum, 19 mei 1947) was verdediger bij de Haagse club HVV. Binnen de club stond hij bekend om zijn leidinggevende kwaliteiten. Als jongen van vijftien jaar debuteerde hij in 1900 tegen Ajax Leiden en presenteerde zich daarbij al direct als een zelfbewuste voetballer. Ook in vrij zwakke teams wist hij dikwijls door zijn bezielende houding, de rest van het team tot betere prestaties te leiden: ‘Met juisten blik veranderde hij de plaatsen in het elftal en moest er nog een doelpunt worden gemaakt, dan was Heijning het die de anderen achterspelers in den steek liet, naar voren rende en het doelpunt maakte’. John Heijning zou in totaal voor HVV dertig doelpunten maken, wat voor iemand die zijn hele loopbaan verdediger is gewest een behoorlijk hoog aantal was. Op 1 april 1907 werd hij op 22-jarige leeftijd door de Nederlandsch Elftal Commissie geselecteerd voor het nationale elftal, waarvoor hij ook direct tot aanvoerder werd benoemd. De 7.454 toeschouwers op het HVV-terrein De Diepput zagen een forse 8-01 nederlaag tegen de Engelse amateurs. Daarna zou Heijning nog zeven maal voor Oranje spelen, de laatste keer op 28 april 1912 in Dordrecht tegen België. Heijning was tweebenig en werd meestal opgesteld als licksback, aan linkspoten is er altijd een gebrek. Hij werd echter als dat zo uitkwam even makkelijk opgesteld als rechtsback, onder meer in twee van zijn acht interlands.Hij maakte ook deel uit van de selectie voor de Olympische Zomerspelen in 1908, maar kwam daarbij niet in actie en kreeg geen bronzen medaille uitgereikt. Heijning werd na zijn studie rechten directeur van de N.V. Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Stoomvaartmaatschappij (de Holland-Zuid-Afrika lijn). Vanaf 1926 tot aan zijn overlijden was hij werkzaam als secretaris-generaal bij de Rijksverzekeringsbank, die in 1901 was opgericht om de Ongevallenwet 1901, de eerste sociale verzekeringswet uit te voeren. In 1937 werd hij onderscheiden als Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij werd begraven op Oud Eik en Duinen in Den Haag. (meer…)

028 – OMGEVING VAN ELTEN 2

.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

031 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

12 – MONT BLANC

web-Mont-Blanc-GetVeel territoriale geschillen gaan op het eerste gezicht om triviale zaken, meer principiële discussies dan echt grote conflicten tussen twee landen. Denemarken en Canada bijvoorbeeld die lang een twistgesprek hadden over Hans Island, een onbewoonde rotsblok dat een groot deel van het jaar onder het ijs verborgen en midden in de scheidingsrivier ligt die beide landen en de continenten Amerika en Europa van elkaar scheidt. De Franse Zuidelijke en Antarctische Gebieden zijn een groep van honderden dunbevolkte vulkanische eilanden in de zuidelijke Indische Oceaan, het zuiden van Afrika en een gedeelte van Antarctica, waarop Madagaskar, de Comoren en de Seychellen bescheiden claims kunnen leggen, maar daar weinig werk van maken omdat ze er geen enkel voordeel van hebben. Het piepkleine Finse-Zweedse eilandje Märket in de Oostzee met zijn Z-vormige grens, vlak voor de Zweedse kust en ver gelegen van de Finse Ålands-eilanden. De grensconflicten tussen Koeweit en Qatar over de Hawar-eilanden, het minuscule eilandje Fasht Dibal en de zandplaat Qit’at Jaradah, die slechts bij eb zichtbaar is. En er is dus een al minstens 150 jaar oud grensconflict tussen Frankrijk en Italië over een paar vierkante kilometer grondgebied rond drie grote bergen in de Alpen, de Dôme du Goûter, de Punta Helbronner en de Mont Blanc. Cartografen uit Frankrijk en Zwitserland beweren dat het terreingedeelte rond de drie toppen op Frans grondgebied liggen, terwijl Italië met documenten schermt die aantonen dat de grens op de drie bergpieken ligt en de bergen dus gezamenlijk territorium zijn. Volgens de Italianen berust de Franse claim op een bewuste fout van een Franse cartograaf in 1865, die de grens niet over de top liet lopen maar iets lager op de zuidelijke berghelling. (meer…)

ODALISKEN – 35

Guillaume Seignac (Rennes, 1870 – Parijs, 1924) studeerde van 1889 tot 1895 in Parijs aan de Académie Julian, waar hij les kreeg van onder meer de portretschilder en oriëntalist Gabriel Ferrier, de genreschilder Tony Robert-Fleury en vooral van William Bouguereau, die wordt beschouwd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Franse academische kunst. Bouguereau haalde zijn inspiratie vooral uit de Griekse mythologie, dus schilderde veel allegorische onderwerpen en idyllische landelijke voorstellingen. Hij had veel succes met zijn naakten, maar kreeg vanwege die werken ook veel kritiek. Guillaume Seignac liet zich bij zijn werken sterk beïnvloeden door de Engelse kunstschilder Albert Moore en de van oorsprong Nederlandse kunstschilder Lourens Alma Tadema ((Dronrijp, 1836 – Wiesbaden, 1912), die beroemd werd door zijn historische afbeeldingen van luxe en decadentie in het Romeinse Rijk, met smachtende figuren in prachtige marmeren interieurs, afgebeeld tegen een achtergrond van een blauwe Middellandse Zee of een azuurblauwe hemel. Seignac had dezelfde formidabele technische vaardigheid, die het best tot uitdrukking kwam in zijn weergave van gewaden en doorschijnende gordijnen. Of het nu een bescheiden vrouw was, van top tot teen gehuld in een kledingstuk in Griekse stijl, of een semi-naakte nimf die alleen in transparante stof is gekleed, Seignac gebruikt gordijnen om het lichaam onder de stof te onthullen. (meer…)

CONCENTRATIEKAMP NEUENGAMME 2

Neuengamme 1Begin 1945 waren er voor het hele kamp ongeveer 49.000 gevangenen geregistreerd, waarvan ongeveer 10.000 vrouwen. Alleen al het hoofdkamp was drie keer overvol met 12.000 gevangenen. Het hele kamp Neuengamme werd beheerd door 2.211 SS-leden. Inclusief de subkampen werden tussen januari 1945 en de ontruiming van het kamp minstens 9.000 doden geregistreerd. Op 15 maart 1945 begon de repatriëring van de Scandinavische gevangenen, vanaf 24 maart 1945 werden de subkampen ontruimd, als eerste de Emsland-kampen. Naar schatting 20.000 gevangenen werden overgebracht naar opvangkampen zoals Bergen-Belsen , Stammlager XB in Sandbostel of Wöbbelin. Vele duizenden gevangenen stierven van de honger. Op 8 april 1945 bombardeerde het Britse leger een gevangenentrein, waarbij ongeveer 2.000 gevangenen omkwamen. Het 9e Amerikaanse leger bevrijdden op 14 april 1945 3.000 vrouwen uit het kamp Salzwedel. Vanaf 19 april 1945 werd het hoofdkamp geëvacueerd. In Neuengamme voerde SS-arts Kurt Heißmeyer (1905-1967) tuberculose-experimenten uit op gevangenen. In de nacht van 20 op 21 april 1945, slechts enkele dagen voor het einde van de oorlog, werden twintig Joodse kinderen vermoord in de kelder van de school aan de Bullenhuser Damm in Hamburg-Rothenburgsort, een gebouw dat sinds oktober 1944 als subkamp werd gebruikt. Hun vier verzorgers en 24 Sovjet-krijgsgevangenen werden samen met de kinderen vermoord. De moord was bedoeld om elk bewijs van menselijke experimenten te verdoezelen voor de naderende Britse troepen. Tussen 20 en 26 april 1945 werden zo’n 9.000 gevangenen naar Lübeck vervoerd en op de schepen Cap Arcona, Thielbek en Elmenhorst geplaatst. Het zinken van de Cap Arcona bij Neustadt op 3 mei 1945 eiste ongeveer 7.100 levens, waaronder 6.600 gevangenen. Ook de stoomschepen Olga Siemers en Rheinfels werden in april 1945 ingezet om concentratiekampgevangenen uit Neuengamme te vervoeren. Eind april 1945 werden de laatste 600 tot 700 gevangenen geëvacueerd, alle dossiers werden vernietigd en het kamp werd gedeeltelijk ontmanteld en opgeruimd. De laatste gevangenen werden overgebracht naar de speciale eenheid SS Dirlewanger. Op 2 mei 1945 troffen Britse troepen het concentratiekamp leeg aan. De laatste gevangenen werden op 10 mei 1945 in Flensburg vrijgelaten. (meer…)

CONCENTRATIEKAMP NEUENGAMME 1

Neuengamme 1In 1938 begon het SS-bedrijf Deutsche Erd- und Steinwerke GmbH met de stad Hamburg de onderhandelingen voor de aankoop van een terrein van vijftig hectare in de wijk Neuengamme. Daar stond een steenfabriek die al jaren gesloten was, maar er waren hier gebieden die geschikt waren voor de kleiwinning. De contractpartners kwamen overeen een door de stad gefinancierd Concentratiekamp Neuengamme te bouwen, dat zou functioneren als een subkamp van het concentratiekamp Sachsenhausen in Oranienburg (bij Berlijn). Het concentratiekamp moest jaarlijks twintig miljoen stenen gaan leveren voor de herontwikkeling van de oevers van de Elbe. De steenfabriek begon op 12 december 1938 met honderd gevangenen uit het concentratiekamp Sachsenhausen, die door veertig SS’ers uit het concentratiekamp Buchenwald werden bewaakt. Na een inspectie van Heinrich Himmler in januari 1940 werd besloten dat de productie van stenen voor de bestuurdersgebouwen aan de oevers van de Elbe de belangrijkste taak van het kamp zou worden. Hiervoor moet op het terrein een grotere steenfabriek worden gebouwd, moest een spoorverbinding worden aangelegd, een zijkanaal naar de Dove Elbe (een achttien lange zijrivier van de Elbe) worden gegraven, een nieuw havenbekken worden gerealiseerd en moest de Dove Elbe stroomafwaarts worden verbreed.

De consequentie was dat het subkamp in het voorjaar van 1940 door de grote uitbreiding een onafhankelijk concentratiekamp werd. De eerste maand had SS-Sturmbannführer Walter Eisfeld (1905-1940) de leiding van het kamp. In april 1940 werd Martin Gottfried Weiß (1905-1946) als tweede kommandant belast met de opbouw van het kamp. Hij was in 1933 een van de medewerkers in het eerste concentratiekamp Dachau en had in de daarop volgende jaren veel ervaring opgedaan met het begrip ‘Vernichtung durch Arbeit’. De eerste taak die de gevangenen van de SS kregen was een nieuw kamp te bouwen. Eind 1940 werkten hiervoor al 2.900 gevangenen, die zich naast de bouw van hun eigen gevangenkamp ook werkzaam waren in de werkploegen ‘Dove Elbe’ en ‘Klinkerwerk’ om de eerste kleiputten bloot te leggen. Kommandant Weiß onthield de gevangenen elke medische zorg en liet het toezicht op de gevangenen uitvoeren door criminele gevangenisfunctionarissen, die wreder en dus gevreesder waren dan de meeste politieke gevangenisfunctionarissen. Tegen het einde van het jaar waren al 430 gevangenen omgekomen. (meer…)

DE VN-VERKLARING VAN 17 DECEMBER 1942

In de Verenigde Staten was vanaf de dertiger jaren al goed bekend dat antisemitisme een centraal onderdeel was van de nazi-ideologie. Gedurende de jaren van grote economische depressie vanaf 1929 was de NSDAP van Adolf Hitler snel populair geworden, waarbij consequent de Joden werden afgeschilderd als de verantwoordelijken voor alle politieke, sociale en economische problemen waarmee de Duitse bevolking werd geconfronteerd. Daarbij grepen ze terug op al langer bestaande vooroordelen op sociaal-economisch en religieus gebied ten opzichte van de Joodse minderheid. Nadat ze in januari 1933 aan de macht waren gekomen, werd deze lijn dor de nazi’s steeds sterker doorgevoerd. Vanaf 1933 werd een groot aantal anti-Joodse wetten en maatregelen afgekondigd, waarbij de rechtvaardiging steeds was dat de Joden streefden naar wereldheerschappij en daarbij parasiteerde op de Duitse samenleving. Om het beleid te verdedigen gebruikte de nazi’s een keur van raciale argumenten, maar werd ook gebruik gemaakt van negatieve stereotyperingen: communistische subversieve elementen, oorlogsprofiteurs, zwarthandelaren en niet-loyale staatsburgers. Er volgden boycots tegen Joodse winkeliers en boekverbrandingen. In 1935 werden de Rassenwetten van Neurenberg aangenomen waarmee en strikte scheiding tussen Ariërs en niet-Ariërs werd afgekondigd. Tijdens de Kristallnacht in november 1938 werden in Duitsland 1400 synagogen en 7.500 Joodse winkels en bedrijven vernietigd. Ook Joodse huizen, scholen, begraafplaatsen en ziekenhuizen kregen de maken met vernietigende aanvallen. De brandweer en politie was het verboden in te grijpen. Ook in Oostenrijk en Sudetenland werden Joden aangevallen en hun bezittingen vernield. Er zouden minstens vierhonderd Joden zijn vermoord of tot zelfmoord gedreven. Daarnaast werden ongeveer 30.000 Joden overgebracht naar de concentratiekampen in Duitsland, waar ook al snel ongeveer duizend doden vielen. Nadat Duitsland in september 1939 Polen was binnengevallen, in het voorjaar van 1940 West-Europa door hen was overrompeld en ze in juni 1941 waren begonnen aan de veldtocht tegen Rusland, was het voor elke Amerkaan wel duidelijk hoe groot het gevaar vanuit nazi-Duitsland was. IN de beter ingelichte kringen begon ook het besef te komen dat het antisemitisme wel eens kon uitmonden in een grootschalige genocide. (meer…)

027 – OMGEVING VAN ELTEN 1

.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

030 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

OBERPULLENDORF 2

Lackenbach eerste gevangenen 23 november 194086e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Roma in Oberpullendorf
Volgens de volkstelling in 1936  woonde er 802 Roma in het district Oberpullendorf, waarvan het na de districten Oberwart (3.912 Roma) en Jennersdorf (1.059 Roma) de derde grootste zigeunerpopulatie in Burgenland had. Daarvan wonden slecht 60 Roma in het dorp Oberpullendorf. Met de annexatie in 1938 stonden racisme, rassenhygiëne en ‘preventieve misdaadbestrijding’ hoog op de politieke agenda van dr. Tobias Portschy, de zelfbenoemde gouverneur van Burgenland. Hij beschreef alle joden en zigeuners als ‘ondraaglijk’ en riep in zijn pamflet ‘Oplossing van de zigeunerkwestie’ onder meer op tot sterilisatie en deportatie naar werkkampen. Joodse en Roma-kinderen werden tijdens het naziregime het recht ontzegd om naar school te gaan, een van de eerste stappen in jet kader van de ‘Endlösung’ ofwel de definitieve uitroeiing van joden en zigeuners. Vanaf 1939 mochten de Roma hun woonplaats niet meer verlaten en moesten ze worden ondergebracht ‘in speciale verzamelkampen totdat ze uiteindelijk werden weggevoerd’. Het plan was de Roma naar het bezette Polen te deporteren. Op 5 juli 1939 gaf het ‘Reichskriminalpolizeiamt’ de opdracht om drieduizend Roma uit Burgenland naar concentratiekampen te sturen. Omdat dit op dat moment niet mogelijk was, werden als tussenoplossing ‘zigeunerkampen’ opgericht, een tijdelijke oplossing voor de onvermijdelijke deportaties. In november 1940 werd het zigeunergevangeniskamp Lackenbach gebouwd, waar de 200 tot 900 gevangenen dwangarbeid moesten verrichten in bosbouwbedrijven, landbouwgronden, boerderijen, een steenfabriek of in de wegenbouw. Baron György Rohonczy wist een groot aantal Roma uit dit kamp te bevrijden en hun leven te redden. Slechts een paar honderd Roma werden in april 1945 door Sovjettroepen bevrijd. Op bevel van Reichsführer Heinrich Himmler werden op 1 oktober 1941 5.000 Roma vanuit Oostenrijk naar Łódź gedeporteerd. Zij werden hoofdzakelijk geselecteerd op basis van het selectiecriterium ‘arbeidsvermogen’. Vanuit zigeunergevangeniskamp Lackenbach werden 2.000 Roma getransporteerd naar Polen. (meer…)

OBERPULLENDORF 1

Lackenbach eerste gevangenen 23 november 194085e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Het nationaalsocialisme in Oberpullendorf
Nadat Burgenland in 1921 bij Oostenrijk was gevoegd, verschenen er tussen 1923 en 1925 de eerste, maar slechts marginale nationaalsocialistische groeperingen. De oudste lokale groepen van de NSDAP in Bruckneudorf, Sauerbrunn en Mattersburg waren totaal onbeduidend en bestonden maar kort. Bij de landelijke verkiezingen in 1930 kregen de nationaalsocialisten in Burgenland maar 0,7% van de stemmen. Tot 1933 toen de NSDAP in Duitsland aan de macht kwam, probeerde de Oostenrijkse geestverwanten tevergeefs in Burgenland hun invloed uit te breiden. Vooral in Oberpullendorf kregen ze geen voet aan de grond, vooral omdat in dit deel van Burgenland omvangrijke Hongaarse en Kroatische gemeenschappen woonden. In 1932 waren in het district Oberpullendorf ongeveer tweehonderd NSDAP-leden woonachtig en pas in de zomer van dat jaar kwam de SA hier voor het eerst in de openbaarheid. Deze organisatie telde dit jaar in Oberpullendorf 168 leden. In augustus 1932 waren er ook de eerste aanwijzingen dat de SS in Burgenland actief werd in Oberpullendorf, dat deel uitmaakte van de SS-Sturm Mitte. Het dorp telde toen omstreeks 1.800 inwoners. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 052

Pieter de Jode II (Antwerpen, 1596 – Antwerpen, 1674) was een Vlaams graveur. Hij was de zoon van de graveur Pieter de Jode I (Antwerpen, 1570 – Antwerpen, 9 augustus 1634) en het laat zich raden dat de werken van vader en zoon nogal eens met elkaar verward worden. Dat gold zeker voor de eerste jaren van de werken van Pieter de Jode II, toen hun stijlen heel dicht bij elkaar lagen. Ook grootvader Gerard de Jode was een telg uit een familie van graveurs. Vader Pieter de Jode I was tekenaar, graveur en uitgever, onder meer van bepaalde prenten van de Rubens- grafiek. Na een reis naar Italië had De Jode I in de Noordelijke Nederlanden les gehad van de befaamde schilder, tekenaar, prentkunstenaar en uitgever Hendrik Goltzius (1558-1617). Zeer waarschijnlijk was Pieter de Jode I, die lid was van het Antwerpse Sint-Lucasgilde, vanaf 1612 vaak werkzaam in het atelier van Peter Paul Rubens (1577-1640). Zoon Pieter de Jode zal ongetwijfeld door zijn vader zijn ingebracht als lid van dat gilde, waarvan niet iedereen zomaar lid kon worden. Een jongen die een bepaald vak wilde gaan uitoefenen moest eerst bij een gildemeester als gezel in de leer. De gezel werkte in loondienst voor de meester. Na een periode van zes tot negen jaar mocht een gezel die goed genoeg was bevonden, een meesterproef afleggen om te bewijzen dat hij het vak verstond. Als de gezel voor deze proef slaagde, kon hij zich meester noemen en mocht hij zijn eigen bedrijf beginnen. Pieter de Jode II werd in 1628 of 1629 vrijmeerster, inmiddels al ruim de dertig jaar gepasseerd. Net als zijn vader maakte hij, vaak in opdracht van uitgever-drukker Johan Meyssens, talrijke prachtige portretgravures, waarvan het Museum Brugge een aardige collectie heeft. Ook het Centraal Museum Utrecht heeft twee gravures van hem in haar collectie. In de periode 1635-1645 vervaardigde Pieter de Jode II deze gravure van De Drie Gratiën naar een schilderij uit 1635 van Pieter Paul Rubens, die zich in het Prada te Madrid bevindt. (meer…)

DE FRIESENWALL

Om de veiligheid van Duitsland te waarborgen gaf Hitler al direct na zijn aantreden in 1933 opdracht voor de bouw van de Westwall, een aaneenschakeling van (ondergrondse) bunkers, betonnen tankversperringen, mitrailleursnesten, loopgraven, prikkeldraadversperringen en mijnenvelden. De Westwall werd gebouwd tussen 1936 en 1945, waarbij de leiding van de werken vanaf 1938 berustte bij ingenieur Fritz Todt. De linie was overigens een reactie op de Franse Maginotlinie, een gigantisch fortenstelsel langs de Duitse grens dat de Duitsers veel ontzag inboezemde. De verdedigingslinie van 630 kilometer liep vanaf Kleef aan de Nederlandse grens tot aan de Zwitserse grens. De Geallieerden noemde het liever de Siegfriedlinie, wat door de Duitsers niet erg werd gevonden omdat deze naam veel beter dan het neutrale Westwall de gewenste ‘onoverwinnelijkheid’ uitstraalde. Toen in 1941 heel West-Europa was bezet, werd het plan gelanceerd een Neue Westwall te bouwen, die  langs de kust van Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland, België en Frankrijk moest lopen, een totale lengte van 5.000 kilometer. Met deze verdedigingslijn zou het Derde Rijk worden behoed voor een eventuele invasie van de geallieerden. Bovendien kon via deze ijzersterke linie een groot aantal troepen van de kustverdediging worden vrijgemaakt  en worden ingezet om aan het oostfront tegen de Sovjet-Unie te vechten. Om propagandistische redenen werd de linie later de Atlantikwall. (meer…)

NIEUWJAAR 2024

OUDEJAARSNACHTLEGENDE

Vroeger was het op het Drentse platteland een traditie om bij de jaarwisseling kniepertjes en rollegjes te bakken. Kniepertjes waren kleine, platte en ronde wafeltjes van ongeveer vijf à zes centimeter in doorsnee en rolletjes waren opgerolde kniepertjes. Voor dat oprollen gebruikte men vaak een houten breischee (ook wel breihoutje genoemd), een stokje dat werd gebruikt om tijdens het breien de breinaald te ondersteunen. Een kniepertje stond symbool voor een opengevouwen boekrol, want het oude jaar was helemaal bekend en dus uitgelezen. De kniepertjes werden daarom met oudjaar gegeten, terwijl de rollegjes werden gegeten met nieuwjaar waarvan het boek nog helemaal gesloten was. Een andere traditie was dat op Nieuwjaarsdag op het platteland uitgebreide visites werden gehouden en dat kinderen langs de huizen gingen, een liedje zongen en als tegenprestatie verwachtten wat lekkers te krijgen. Een rollegje was voor de visite en kinderen dan een veelvoorkomende traktatie. Oorspronkelijk waren het de armen die langs de huizen gingen om een aalmoes of wat eten te vragen.

De schrijver Anne de Vries (Assen, 22 mei 1904 – Zeist, 29 november 1964), vooral bekend door streek streekromans over de Drentse jongen Bartje en door het oorlogsboek voor de jeugd Reis door de Nacht, publiceerde in 1936 Verhalen uit het Land van Bartje, waarin zijn versie van het oude Drentse verhaal Oudejaarsnachtlegende (pagina 33-46) over een nieuwsgierige boer die om middernacht bij de jaarwisseling zijn paard de toekomst hoort voorspellen. Een verhaal dat herinnert het gedicht De Tuinman en de Dood (1926) van Pieter Nicolaas van Eyck (1887-1954), dat als moraal heeft dat aan de dood niet te ontsnappen is. De oudste versie staat aan in de Babylonische Talmoed in een verhaal over koning Salomo die twee van zijn klerken zich liet verbergen op de plaats waar de Engel des Doods het tweetal moest ophalen. Vanaf de middeleeuwen dook het verhaal in allerlei islamitische teksten, waaronder de Arabische versie van de vertellingen van Duizend-en-een-nacht. Het verhaal ontbrak echter in de versie van Duizend-en-een-nacht van de Franse 17e eeuwse oriëntalist Antoine Galland. In Europa werd het verhaal pas in 1923 geïntroduceerd door de Franse schrijver en filmmaker Jean Cocteau in zijn roman Le grand écart. Dus drie jaar vóór Van Eycks gedicht werd gepubliceerd, wat kan betekenen dat Van Eyck plagiaat pleegde omdat veel details overeenkomstig waren. (meer…)

029 – ST. AGNETENWEG 1

St Agnetenweg 1
.
St. Agnetenweg, wijk 41 van De Kamp, deel van de Lindenholt, kadastraal Neerbosch-West
© Frans van den Muijsenberg.

JOSEPH APOUX

Joseph Apoux (Le Blanc, 5 november 1846 – Kremlin-Bicêtre (nu een wijk in Parijs), 11 november 1910) was een Franse schilder en illustrator uit de laat negentiende eeuw en aanhanger van het decadentisme. De naam daarvan is afgeleid van het Latijnse ‘de-cadentia’, dat verval betekent. De term werd in de negentiende eeuw voor het eerst gebruikt door vijandig gezinde critici, maar al snel opgepakt als geuzennaam. Karakteristiek van de stroming was hun teleurstelling over de teloorgang van zekerheden, van verlies aan duidelijkheid over de toekomst, weerzin tegenover de blinde geldzucht van de burgerlijke maatschappij en het geloof dat de wetenschap en industrie alle problemen zouden oplossen. In die banale wereld zou kunst de vrijplaats zijn om te ontsnappen door uiterste schoonheid en zuiverheid na te streven. De stroming kenmerkt zich door negativiteit, Weltschmerz, existentiële verveling, vermoeidheid, stuurloosheid, maar ook een uitdrukkelijk zoeken naar schoonheid als enige uitweg uit de banale burgerlijkheid. Daarvan waren dandy’s met een extreem streven naar zuiverheid, estheticisme en zich willen onderscheiden van de massa de belangrijkste exponenten.

Apoux groeide op in het kleine stadje Le Blanc, zo’n 240 kilometer ten zuiden van Parijs, en verhuisde in 1875 naar de hoofdstad om schilderen en tekenen te studeren bij Jean-Léon Gérôme, een schilder die niet wenste mee te gaan in het door Claude Monet en Édouard Manet gepromote impressionisme. Gérôme wilde vasthouden aan de traditie van het Franse neoclassicisme en de romantiek. Veel van zijn werk heeft een historische, oriëntalistische sfeer, zoals de twee schilderijen van odalisken op deze website. (meer…)

JOOP VAN COEVORDEN – 010

Op de lijst van Joodse kinderen die via de onderduikadressen van Hanna van der Voort de Tweede Wereldoorlog overleefden komen helaas nogal wat foutjes voor. Zo wordt hierop melding gemaakt van ene Joop van Coevorden, die op 15 november 1933 in Groningen zou zijn geboren en onder de schuilnaam Joop Stolk in Melderslo zat ondergedoken bij de weduwnaar Grad van Helden. In werkelijkheid werd Joop van Coevorden op 15 november 1932 in Haarlem geboren. Hij was de zoon van de handelsreiziger Joshua van Coevorden (Amsterdam, 8 december 1900 – Gleiwitz, 18 januari 1945) en van Grietje (Gré) Waag (Groningen, 13 september 1905 – Haarlem, 25 november 1988). Op 24 juli 1942, in de periode dat de eerste deportaties van Joden begonnen, stond in Het Joodsche Weekblad een advertenties waarin hun beide kinderen Joop en Henny lieten weten het 12,5 jarige huwelijk van hun ouders te herdenken. Op dat moment woonde het gezin aan de Marsstraat 95 in Haarlem-Noord. Op 5 november 1942 berichtte het Algemeen Politieblad dat de Commissaris van Politie van Haarlem de opsporing, aanhouding en voorgeleiding verzocht van Josua van Coevorden, die ervan werd verdacht van woonplaats te zijn veranderd zonder daartoe de vereiste vergunning te hebben. Wat voor de goede verstaander betekende dat Joshua was ondergedoken en de rest van het gezin ongetwijfeld ook. Josua zou op een gegeven moment toch worden opgespoord. Op 24 maart 1944 kwam hij terecht in Westerbork, verbleef daar tot 5 april 1944 toen hij op transport werd gezet naar Auschwitz, waar hij twee dagen later aankom. Joshua zou op 18 januari 1945 sterven in Arbeitslager Gleiwitz IV, een buitenkamp van Auschwitz. In dit kamp, dat in juni 1944 in gebruik werd genomen, werkte de overwegend Joodse gevangenen voor Organisation Todt aan het vliegveld, de haven, bouwden voor de bedrijven Zieleniewski Maschinen en Waggonbau GmbH legervoertuigen om zodat ze op houtverbranding konden rijden, ruimden na bombardementen de ingestorte gebouwen op en bouwden schuilkelders. Op 18 januari 1945 werden de gevangenen die nog fit genoeg waren op transport gezet naar het kamp Blechhammer, een ander buitenkamp van Auschwitz. De ongeveer zestig gevangenen die voor deze zware reis niet fit genoeg waren, werden geëxecuteerd. De 42-jarige Joshua van Coevorden was een van hen. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 51

KERSTMIS 1914 IN DE WESTHOEK 2

De Britse kunstenaar Andy Edward ontwierp in 2014 een levensgroot kunstwerk over het befaamde kerstbestand in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog. Op het kunstwerk met de titel All Together Now reikte een Britse en Duitse soldaat elkaar de hand reiken, terwijl een voetbal aan hun voeten lag. Een polyester voorontwerp van het kunstwerk werd in december getoond tijdens de voetbalmatch in de Engelse Premier League tussen Stoke City en Chelsea. Een fraaie verwijzing naar de mythische voetbalwedstrijd tussen Duitse en Engelse militairen, eindigend in een 3-2 zege voor de Duitsers. Een wedstrijd die misschien wel nooit heeft plaatsgevonden en zeker niet op die eerste kerstdag. Op woensdag 24 december 2014, aan de vooravond van de honderdste verjaardag van het historische kerstbestand, kwam het kunstwerk aan in Mesen aan, waar het gedurende een paar weken lang op de Markt stond. Daarna stond het ontwerp een tijdje bij de Menenpoort in Ieper en vervolgens begon het model aan een reizende tentoonstelling door Europa, waarbij het onder meer werd tentoongesteld in de buurt van de gebouwen van het Europees Parlement in Brussel en van de Unesco in Parijs. Op 7 juni 2015 zou het ontwerp zijn Europese rondreis beëindigen bij de vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Ierland en Engeland in Dublin. Daar werd echter door de autoriteiten en stokje voor gestoken, omdat men vond dat de betreffende wedstrijd geen enkele relatie had met Duitsland en men bovendien een herhaling vreesde van de supportersrellen die twintig jaar eerder plaatsvonden bij de laatste ontmoeting tussen de Ieren en Engelsen. Het standbeeld was in mei 2015 wel aanwezig bij de Engelse Cup Final in het Wembley stadion. Nadat hiervoor voldoende financiën waren verworven kon het echte standbeeld worden vervaardigd. Op dinsdag 22 december 2015 werd het standbeeld officieel onthuld op de markt in Mesen, voor de ingang van het bezoekerscentrum dat het historische verhaal van Mesen tijdens de Eerste Wereldoorlog toont. (meer…)

KERSTMIS 1914 IN DE WESTHOEK 1

Niemand had verwacht dat de oorlog zo lang zou duren. De Duitse legerleiding had de stellige verwachting dat na ‘eine kurze und fröhliche Krieg’ de manschappen half september in Parijs zouden staan. Al snel werd die hoop de grond in geboord. Na de Eerste Slag bij de Marne (5-12 september 1914) groeven de legers zich in en begon een loopgravenoorlog, die uiteindelijk vier jaar zou duren. Tegen Kerstmis 1914 was aan het westelijke front meer dan een miljoen soldaten gesneuveld, gewond, vermist of krijgsgevangen. De Britse legerleiding vreesde een spontaan kerstbestand van de Geallieerde en Duitse militairen. Dat was immers ook gebeurd tijdens de Krimoorlog (1853-1856), de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) en de Tweede Boerenoorlog (1899-1902), toen de vijanden op vriendschappelijke manier samen Kerstmis vierden. Generaal Horace Smith-Dorrien berichtte op 5 december 1914 aan alle hogere officieren: ‘Met Kerstmis vermindert de aanvalsbereidheid.  Daarom moeten alle officieren ervoor zorgen dat het vijandbeeld versterkt wordt.  Elke vriendelijke omgang met de vijand en alle onofficiële wapenbestanden zijn absoluut verboden.’

Wel kregen de Britse militairen voor de kerstdagen pakjes van thuis en werden er honderdduizenden Princess Mary’s Gift Boxes uitgedeeld, officieel een geschenk van de enige dochter van koning George V, die sigaretten, tabak en een reep chocola bevatten. De legerleiding had voor zichzelf een welverzorgd kerstdiner van ‘koud blikjesvlees en een stuk koude kerstpudding’. (meer…)

PRETTIGE KERSTDAGEN

Prettige kerstdagen
.
copyright F. van den Muijsenberg.

028 – NEERBOSCH-OOST 1

Neerbosch-Oost kerk 1
.
Uitzicht over Neerbosch-Oost, met op de achtergrond de St. Stevenskerk.
© Frans van den Muijsenberg.

DAVID VOGEL 2

Na de twee conferenties bleef het leven moeilijk voor Vogel. In juni 1914, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog schreef hij sinds enige tijd te dromen over Palestina. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij door de Oostenrijkers gearresteerd omdat hij ervan werd verdacht een Russische vijand te zijn. Hij zat 23 maanden gevangen in interneringskampen in dorpen in Noord-Oostenrijk. Toen hij weer terug was in Wenen kon hij zich aansluiten bij een kring van Joodse auteurs, vooral met de dichter Avraham Ben-Jitzchak Sonne, die net als hij een buitenbeentje was. David Vogel trouwde in 1919 met Ilka, die kort daarna vanwege tbc in het sanatorium moest worden opgenomen. Vogel zelf zou daarvoor ook enige tijd zijn behandeld. In 1927 schreef hij hierover de korte roman In het sanatorium. De relatie met Ilka was een weinig gelukkig, want al in 1923 scheidde het tweetal weer. Uit het dagboek bleek dat ze zeer dominant was en vrijwel zeker het model was voor Thea in Huwelijksleven. IN het jaar van de scheiding publiceerde Vogel zijn dichtbundel Voor de donkere poort, een verzameling van de poëzie die hij tussen 1912 en 1922 schreef. (meer…)

DAVID VOGEL 1

David Vogel (Sataniv, Oekraïne, 15 mei 1891 – Auschwitz, 10 maart 1944) werd als Russisch staatsburger geboren in een Jiddisch sprekende familie in de regio Podolië, in het westen van Oekraïne en grenzend aan Moldavië, in het plaatsje Sataniv dat in 1793 door de Russen op de Polen werd veroverd en aan hun rijk werd toegevoegd. Daar had zich vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw een Joodse gemeenschap gevestigd, die zich voornamelijk bezighield met de handel van goederen uit het oosten, het leasen van landgoederen en douanerechten en de productie van alcoholische dranken en goudsmeden. Omdat de stad regelmatig te maken had met aanvallen van Kozakken en Tataren, besloot de Joodse bevolking haar synagoge in Sataniv als een fort te bouwen om zich beter te kunnen verdedigen. Tot 1862 werd de Joodse bevolking door de autoriteiten goed in de gaten gehouden omdat het dicht bij de toenmalige Oostenrijks-Hongaarse grens lag. In 1897 bedroeg de omvang van de Joodse bevolking met haar 2.848 personen maar liefst 64% van de bevolking. Na de Eerste Wereldoorlog werd het Oekraïense platteland geteisterd door onderlinge gevechten tussen allerlei groeperingen die om de macht streden. Daarbij kreeg de Joodse bevolking het steeds zwaar te verduren. Zo werd Sataniv in 1919 door Oekraïense nationalisten overvallen. Omstreeks 1930 was het aantal Joodse bewoners gedaald tot ongeveer 40% van de bevolking. In 1995 was de Joodse bevolking gedaald tot één persoon. (meer…)

JEHOEDIEM (“RASGENOTEN”) – 3

In pijnlijke wachting zaten ze Donderdagsavonds om de Poeriemtafel. Hel zingend gaslicht van ’t koperen armpje aan de laag gele zoldering was boven de keurige schikking van fruit en gebak op ’t heldere blokjes-wit van ’t tafellaken. In ’t midden een broodbak met sinaasappelen, de prachtige oranje-kleuren in volle beschijning. Er om heen, op boterhambordjes de blauwe trosrozijnen met melig gele amandelen, de klittende geconfijte dadels, de verrollende, werkende pinda’s, de logge walnoten, de komieke hazelnootjes. Op ’n gebloemd-porceleinen gebakschotel met handvatsel, met twaalf gelijke kleine bordjes er naast, alles met rooie blommetjes, alles cadeautjes van de bruiloft nog, spitsten gestapelde brokken bruin-gebakken boterkoek. Er naast, in glazen biscuitpotje, staafden de gelige ijswafeltjes van Huntley en Palmers. En op ’t uitgeschoven tafelblad stond eindelijk, op verlakt chineesch blaadje, ’t theegerei, de wit-porceleinen kopjes met oortjes en schoteltjes om ’t theelichtje van Roos, dat geelblauwe vlammetjes knetterde tegen de emaille theepot….

‘Wat blijft-ie uit van avet’, zei Saar.
Moeder zei, wat ze al zoo dikwijls ondervonden had: ‘Dat zal me nou altijd zien, as me graag iemand thuis het, duurt ’t wachte lang.’
In bleek-blauw lijfje zat ze aan ’t eind van de tafel, in den groenig trijpen leunstoel, ’t bleeke wegtrekkende gezicht, met de kleine zeere oogjes, in felle beschijning van ’t helle gaslicht, onder ’t helder-witte kapje, waarin een rood zijen lintje strikte.

Achter haar donkerde al de kamer weg, waar ’t bruine papier, te ver voor ’t bereik van ’t enkele lampje, nog behangen was met jassen en doeken en mantels en hoeden van Roos en Sam. (meer…)

JEHOEDIEM (“RASGENOTEN”) – 2

Den eersten dag, dat Nathan in z’n nieuwe betrekking was, nà ’n maand zonder werk, waarin Moeder’s spaarduitje opgegaan was, en Roos kranig had bijgesprongen, had-ie, met de blije herkenning van klein, goedig Breestraat-joodje opgemerkt, dat de meesterknecht van de fabriek een Jood was. Hij kende z’n familie als Joden, schoon de man zelf rossig van haar was en ’n bijna Griekschen neus had. En in ’n onschuldige domheid, zonder attentie tegenover de christenwerklui om zich heen, had-ie onmiddellijk een te intieme houding tegenover hem aangenomen, kwam honderd maal bij hem strompelen met z’n werk, zag hem aan met de sentimenteele vertrouwelijkheid van z’n dikken lach, groette zelfs enkele malen met ’n enkel hoofdknikje: ‘Nou, aju!’

Maar de meesterknecht, met ’t tikje modernerige ontwikkeling, door vroegere betrekkingen onder christenen, heel geïsoleerd van z’n krijtenden, werkenden, wroetende jodenhoek, joodsche vormen, joodsche dialoog, joodsche snelle vertrouwelijkheid ontwend, had ook, als meer ontwikkelde joodjes, de kleinheid, de vieze vreesachtigheid, z’n joodsche afkomst verborgen te houden, en loog, begunstigd door z’n rossig haar, z’n kleine, rechte neus, de luidjes voor, dat z’n ouwe lui hervormd waren, zie je, maar hij was modern, hij was liberaal. Daarom vond hij ’t aanstellerige, onhandige joodje onuitstaanbaar; hij zag de werklui angstig aan, telkens als ’t kleine, zwarte, harige ventje hem oogjes toewierp onder de onnoodige zanikgesprekjes, en eenmaal zelfs, den eersten Vrijdag, toen ze naar huis gingen was Nathan Schlemieltje naar hem toegekomen en had, vooroverbuigend, met z’n eeuwig ongelukkig lachje gezegd: ‘Nou – wij gaan naar ons Vrijdag-avetsoepie, hè? woon u ver?’ (meer…)

JEHOEDIEM (“RASGENOTEN”) – 1

Na ’n maand zoeken had Nathan eindelijk weer werk gevonden op ’n christen-sigarenfabriek. Nathan was ’n schlemiel, de schlemiel van de familie. Hij was klein en zwart, had ’n dikken, ruigen snor, zware wenkbrauwen, en zat meestal dik in z’n baard. Ook was z’n linkerbeen wat langer dan z’n rechter, zoodat-ie naar rechts ’n tikje mank liep. Nathan had ’n klein vrouwtje, jolig wezentje, met twee prettig-schalksche oogen in ’t magere gezichtje, en donker haar, dat levendig golfde en soms wolkjes kroesde om de slapen. Ze hielden van elkaar, heel povertjes en gewoontjes, geen van beiden vatbaar voor groote dingen en ze waren samen vijf-en-veertig. Hun sympathie was alleen gehechtheid, sleur; ze hadden elkaar leeren kennen en kussen, vonden toen dat ze bij elkaar hoorden, engageerden zich, trouwden.

Zóó hadden ze elkaar gekregen: Zij, bij moeder’s fruitkar in de steeg bij de Breestraat, moeder aflossend, als ze moe was van ’t schreeuwen, of alleen sjokkend achter eigen tweeden wagen in de buitenbuurten. Hij, iederen morgen ’t eene trapje afhinkend tegenover haar, om naar de fabriek te gaan; zonder uitzondering even aankomend om te praten: over ’t weer, dat was één; over ’t vroeg- of laat zijn, twee; en eindelijk vragend, of ze goeie waar en al wat verkocht had. (meer…)

026 – LOBITH – HOME SWEET HOME 1

bloem 1 bloem 2 .
.
Lobith, Home Sweet Home, de eigen tuin, 21 juni 2010, copyright F. van den Muijsenberg.

027 – DE GILDEKAMP 2

CIMON EN PERO – 16

In 1796 publiceerde de Londens uitgever de print ‘Filial Piety’ ofwel ‘Eerbied van kinderen voor hun ouders’, naar het bijbelse verhaal van Cimon en Pero, waarbij de jonge vrouw Pero haar gevangen vader in zijn gevangeniscel borstvoeding geeft om hem van de hongerdood te redden. Onder de mezzotint afbeelding staat behalve de titel gegraveerd: ‘From a beautiful Copy in Crayons by S. de Koster, after the Original by Hereyns of Mecklin, in the Possession of I. Thiorais Esqr. / Engraved by James Daniell / London, Published May 23d. 1796, by I. Brydon, at his Print & Looking Glass Warehouse, Charing Cross’. Er is van de afbeelding ook een ingekleurde versie (à la poupée) in omloop, die behoorlijk zeldzaam schijnt te zijn. Het Teylers Museum te Haarlem schijnt een van de mezzotint drukken te hebben.

De genoemde Simon de Koster (Middelburg, 22 augustus 1767 – Londen, 24 augustus 1831) trok in 1788 na afronding van zijn teken- en schilderopleiding naar de Britse hoofdstad en zou de rest van zijn leven blijven wonen. Hij verwierf vooral faam door de portretten die hij van andere kunstenaars maakte. (meer…)

IZAAK CREVELD – 009

Izaak Levie Creveld (Utrecht, 8 juni 1932 – Utrecht, 28 maart 1992) was de zoon van Benjamin Creveld (Utrecht, 19 december 1903 – Utrecht, 19 januari 1978), waarvan als beroep in de archieven staat dat hij ‘bedrijfsleider en vleeshouwer’ was, dus waarschijnlijk een slager met eigen zaak. Hij was op 24 juni 1931 in Arnhem getrouwd met Eva Bromet (Arnhem, 16 maart 1905 – Amsterdam, 16 december 1989), op het moment van haar huwelijk een ‘rijkstelefoniste’ bij de gemeente Arnhem. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Izaak Levie en Rebecca, roepnaam Rita (1937).  Van dit gezin van vier personen zou iedereen de oorlog overleven. Voor andere familieleden gold dat niet. De ouders van Benjamin hadden acht kinderen, waarvan de moeder al in 1934 was overleden, maar de vader Izaak Crefeld (1874), de kinderen Emmanuel (1905), Simon (1909) (zie foto hieronder met zijn echtgenote Jet Keizer), Esther (1912), Mietje (1914), Joseph (1918) en Bertha (1922), hun partners en kinderen werden allemaal vermoord in Auschwitz of Sobibor. Slechts de zonen Samuel en Benjamin (1903) en Samuel (1908) zouden de oorlog overleven. Van de familie van Eva Bromet, de moeder van Izaak Levie Crefeld, kwamen de beide ouders Levie Bromet (1877) en Frederika Kaufman (1880), haar drie zussen Sophia (1909), Cornelia (1913) en Sara (1915), hun drie partners en twee jonge kinderen om in de Duitse vernietigingskampen. Tegenover het geluk van het gezin van Izaak Levie’s gezin staat dus de diepe ellende dat bijna de gehele rest van de uitgebreide familie de oorlog niet had overleefd. (meer…)

DOVE PETER EN DOVE WAANDER

In de tijd dat de meeste grond gemeenschappelijk bezit was en onder het bestuur van de marke viel, was de heide daar zo groot dat niemand meer precies wist waar nu precies de Marke van Wezup begon en waar de Marke van Aalden eindigde. Al meer dan twintig jaar hadden beide markenbesturen en de boeren die hun schapen over de heide lieten grazen ruzie over de plaats waar de grenspalen moesten komen staan. Elk jaar verschenen op de boervergadering, de goorspraak en de vierschaar (de plaatselijke rechtbank) getuigen om de ruzie te beslechten. Steeds pleitten boeren uit Aalden voor verplaatsing van de stenen, maar steevast waren de boeren uit Wezup hier fel tegen. De Wezupers riepen dat het betwistte gebied altijd hun eigendom was geweest. ‘Van ouds trokken we hier de scheidslijn en hier staat de grenspaal sinds heugenis van iedereen.’ De boeren uit Aalden spraken hier schande van en riepen op hun beurt dat Aalden hen wilden beroven van hun ouderlijk gebied. Ze verklaarden op heftige toon dat ze hun rechten wilden behouden en dat ze geen voet of duimbreed veld zouden opgeven.

De spanningen tussen de boeren van Aalden en Wezup liepen steeds verder op en dreigden uit te lopen op een onderling gevecht. Als er geen bestuurlijke oplossing kon worden gevonden, moest het recht van de sterkste maar zegevieren, vond men. Dat duurde totdat Peter en Waander, twee boeren die onder Aalden woonden, zich er mee gingen bemoeien. Ze waren al erg oud en stonden bekend als zeer inhalig. Wat niet verhinderde dat ze blijkbaar toch geloofwaardig wisten over te komen. De twee oude broers vertelden dat zij de enige nog levenden waren die indertijd getuigen waren geweest van een officiële grensbepaling tussen Aalden en Wezup. Peter en Waander vertelden dat zij daarom de enigen waren, die voor eens en voor altijd op een eerlijke wijze dit conflict konden oplossen. ‘Ons heugt nog, dat de scheidsstenen zijn geplaatst. Dwaas is het dat jullie daarom willen vechten. Wij, ja wij, zullen voor waar verklaren waar de plek is, waar de grensstenen zijn geplaatst’, verklaarden ze. Zij vertelden erbij te zijn geweest toen vroeger de grens werd bepaald en nog precies te weten waar deze toen liep. Op een dag in het najaar, de oogst was al binnengehaald en het zou binnenkort Zweelermarkt zijn, begaf een groep boeren uit beide marken zich naar het veld. Peter en Waander bevonden zich in de afvaardiging uit Aalden. Bij de omstreden stenen wachtten de boeren uit Wezup de anderen al op. De heide kleurde nog na van de zomerbloei en de vogels scheerden over de meerstallen. Van ver duidelijk zichtbaar stonden de twee grensstenen als wachters in het open veld. (meer…)

DE MARKEN VAN COEVORDEN

Vanaf de twaalfde eeuw kende men in de Lage Landen de zogenaamde gemene gronden, het grondgebied dat algemeen bezit was van de bewoners. Hier hadden ze gezamenlijk bepaalde rechten en plichten voor het bewerken van de grond, het houden van vee en het onderhouden van het terrein. In Groningen en Friesland had deze gemene grond overwegend de naam ‘meent’ of ‘mient’. In Drenthe, Twente, Salland, de Veluwe, rond Zutphen, in Het Gooi en op de Utrechtse Heuvelrug werd voornamelijk gesproken over een ‘marke’, in Brabant over ‘het gemeynt’ en in Vlaanderen over een ‘vroen’. Het woord gemeente is direct verwant aan ‘meent’ of ‘gemeynt’. In veel Nederlandse en Belgische geografische namen komt het toponiem ‘meent’, ‘marke’ of ‘vroen’ voor.

De gronden waren meestal in handen van machtige grootgrondbezitters, zoals het bisdom Utrecht, de Stift Essen, het graafschap Bentheim, het Bisdom Münster of het Hertogdom Gelre. Deze eigenaren gaven de dorpen onder vastgestelde voorwaarden rechten voor gebruik en beheer van de grond. De boeren in de dorpen (de gerechtigden) hadden hun eigen boerderij en land, maar alle venen, heide, weilanden en bossen rondom het dorp waren dus van alle inwoners samen. Het systeem zorgde voor goede burenhulp of naboarschap, een gegeven waar tegenwoordig nog heftig naar wordt terugverlangd. Als er in een marke bijvoorbeeld heide moest worden geplagd, kwamen desgewenst ook gerechtigden van andere marken met paard en wagen hulpverlenen. Eind negentiende eeuw werden de marken opgeheven. Net als bij latere ruilverkaveling werd ieders aandeel opgemeten en toebedeeld. (meer…)

SAMUEL GOUDSMIT

Sam Goudsmit (Kampen, 29 januari 1884-23 januari 1954) werd geboren in een arm Joods gezin in Kampen, een gereformeerd bolwerk. Begin veertiende eeuw waren Joodse kooplui en geldschieters in Kampen betrokken bij de economie. De stad was met zijn grote vloot koggeschepen een belangrijke en machtige stad (‘het Rotterdam van de Middeleeuwen’). Met die koggeschepen werd de Ommelandvaart gemaakt: de zeereis rond Denemarken naar de Oostzee om daar het zout te verhandelen dat uit Portugal was gehaald. Kampen was verder erg georiënteerd op handel met het achterland van de Rijn. In 1441 trad de stad formeel toe tot de Hanze. De Joodse gemeenschap in Kampen in de veertiende eeuw was dan ook afkomstig uit het Rijnland, maar in 1349-1350 werd ze door godsdienstfanatici allemaal vermoord omdat ze verantwoordelijk werden geacht voor de pest en ander onheil. In de daarop volgende eeuwen kwamen nog maar sporadisch Joden zich in de stad vestigen. De Republiek der Verenigde Nederlanden bood religieuze minderheden echter nieuwe kansen. De Unie van Utrecht (1579) verbood vervolging op grond van religie, maar het duurde tot 1661 voordat Kampen als eerste stad in Oost-Nederland Joden weer uitnodigde om zich er te vestigen. Hun kapitaal en economisch vernuft was weer welkom om de Kampense economie een impuls te geven. Joden konden het klein- en grootburgerschap van de stad kopen en kregen een begraafplaats toegewezen. Eind achttiende eeuw  werden de Joodse ‘vreemdelingen’ burgers van de Bataafse Republiek. In 1847 werd, ter vervanging van een eerdere kleine synagoge uit 1767, een grootse, nieuwe sjoel geopend, gevestigd op een prominente plek aan de IJssel en op Jeruzalem georiënteerd. Na 1847 nam de Joods-Nederlandse minderheid actief deel aan het economische en sociale leven van Kampen en groeide daarna uit tot ongeveer 500 leden in 1875. (meer…)

025 – SPIJK 2


.
Wellman Recycling aan de Spijksedijk, halverwege tussen Spijk en Lobith, 16 december 2007, © Frans van den Muijsenberg.

026 – DE GILDEKAMP 1

electriciteitshuisje01a.
Elektriciteitshuisje in De Gildekamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.

GYÖRGY ROHONCZY

Lackenbach eerste gevangenen 23 november 194084e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Baron György Rohonczy (1885-1975) was een telg van de adellijke familie Rohonczy uit Hongarije, die in de 17e eeuw de adelbrief ontving en zich vestigde in het Hongaarse dorp Felsőpulya. Sinds Burgenland bij Oostenrijk kwam heet het dorp Oberpullendorf; het ligt in het uiterste oosten van het land, pal aan de Hongaarse grens. Al vanaf de middeleeuwen vestigde zich in Oberpullendorf verschillende kleine Hongaarse aristocratische families, die als ambtenaren voor de grote heren werkten en hier adellijke boerderijen en kleine aristocratische woningen bezaten. In de 18e eeuw verwierf de familie Nadasdy hier een residentie, die nu bekend staat als Kasteel Rohonczy. Het gebouw stamde waarschijnlijk uit de Middeleeuwen, want er zijn nog overblijfselen van muren van 150 cm dik en een sloot langs de vestigingsmuren. De familie Nadasdy  gebruikte het gebouw als herberg. Later kocht de familie Niczky von Nebersdorf het gebouw en verbouwde het tot een fort. Uiteindelijk werd het fort gekocht door de familie Rohonczy, die een groot landgoed bezat in Mitterpullendorf, enkele kilometers verderop en nog dichter tegen de huidige Oostenrijks-Hongaarse grens gelegen. Tot ver in de twintigste eeuw woonde de familie Rohonczy hier in wat aanvankelijk Fort Oberpullendorf bleef heten. Nadat het in 1880 in historistische stijl werd gerestaureerd kreeg het haar definitieve naam: Kasteel Rohonczy. Het kasteel werd gebouwd op een haakvormige plattegrond, aan de ene kant begrensd door een vierkante toren van drie verdiepingen met een tentdak. Onder het hoofdgebouw bevindt zich een ruime kelder, met daarin een ondergrondse vluchtroute naar buiten. (meer…)

ZIGEUNERGEVANGENENKAMP LACKENBACH

Lackenbach appel83e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

In 1921 werd met het Verdrag van Saint Germain her Burgenland vanuit Hongarije overgeheveld naar Oostenrijk. Dat betekende voor de nieuwe republiek Oostenrijk een aanzienlijke uitbreiding van het aantal Roma in hun bevolking en deze bevolkingsgroep was er bepaald niet populair. De Roma in Burgenland werden nu beroofd van hun groot deel van hun levensonderhoud als rondtrekkende ambachtslieden, muzikanten, handelaren en losse arbeiders, omdat de toegang tot hun voormalige Hongaarse werkterrein was afgesloten. Bovendien dreigde deportatie naar Hongarije als ze geen doop- of geboorteakte van een Oostenrijkse gemeenschap konden overleggen. In 1924 werd ook nog eens een ‘Festsetzungserlass’ ingevoerd, dat bepaalde de Roma in Burgenland verbood hun dorpen te verlaten. Het maakte definitief een einde aan hun eeuwenlange praktijk van rondreizende handelaren en dus een einde aan het kunnen voorzien in het eigen levensonderhoud. Door de mondiale economische crisis namen de werkeloosheid en armoede nog verder toe. De Roma kregen vanaf 1921 ook te maken met veel discriminatie door de Duits-nationalistische stromingen binnen Oostenrijk, die sterk in opmars waren. De website Burgenland-Roma geeft hiervan schrijnende voorbeelden. Illustratief hiervoor is de maatregel van het ‘Onderzoekscentrum voor Roma’, dat werd opgericht in 1928 en als eerste maatregel bepaalde dat alle Roma van 14 jaar en ouder moesten worden geregistreerd. Door deze ‘Zigeunerkartothek’ ging politie- en juridische willekeur steeds meer het dagelijks leven van de Roma bepalen. Op basis van de gegevensverzameling werd in 1935 een voor heel Oostenrijk geldend ‘centraal register’ opgezet. In Burgenland zelf werd al in 1933 een ‘Conferentie over de zigeunerkwestie in Burgenland’ gehouden, waarin de eis werd geformuleerd dat een speciale wet voor zigeuners moest worden ingevoerd, waarmee alle zigeuners die geen gereguleerd beroep hadden, hun burgerrechten moesten worden ontzegd en werd opgeroepen tot aanscherping van de straffen voor landlopers, namelijk dwangarbeid in de plaats van gevangenisstraf. (meer…)

ANDRÉ-VICTOR LYNEN

André-Victor Lynen (Antwerpen, 4 december 1888 – Vorst (Brussel), 29 juli 1984) was de zoon van de succesrijke Antwerpse zakenman Victor Lynen, die grote commerciële belangen had in Zuid-Amerika en binnen Antwerpen veel contacten had met kunstschilders en componisten. André-Victor studeerde eerst in zijn geboorteplaats aan de Academie voor Schone Kunsten, waar hij leerling was van Piet Verhaert en Isidore Opsomer.  Piet Verhaert (1852-1908) was vooral etser van genretaferelen, stadsgezichten, interieurs, figuren en portretten. Hij verwierf vooral bekendheid als schilder van de oude stadsbuurten van Antwerpen en van kusttaferelen. Isidore Opsomer (1878-1967) was een realistisch en postimpressionistisch schilder van portretten, stadsgezichten, landschappen, en stillevens. Voor de Eerste Wereldoorlog waren de nauwe steegjes en huisjes van Lier zijn voornaamste bron van inspiratie. Hun invloed is terug te zien in de specialisaties van Lynen in het schilderen van figuren, portretten, landschappen, marines en stillevens. Als figuratief schilder met moderne invloeden, was hij vooral een realistisch schilder met impressionistische invloeden. Had hij een grote voorkeur voor zee, duinen, strand en haventjes, maar hij maakte ook Scheldegezichten, portretten, figuren, interieurs, stillevens en stadsgezichten. In 1909 betrok hij een atelier aan de Elisaweg in Nieuwpoort-Bad. De plaats had toen een grote artistieke reputatie, waar talrijke Belgische en buitenlandse schilders neerstreken. Voor Lynen waren toen de monding van de IJzer, de havengeul in Nieuwpoort en de nabije polders de favoriete plekken. Het schijnt dat zijn woonkamer in deze periode vol hing met luministische stillevens. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog nam Lynen deel aan de Salon 1914 in Spa met de drie werken ‘De Japanse schotel’, ‘Marine. Winter’ en ‘Kanaal in Vlaanderen’. Tijdens de oorlogsjaren werd Nieuwpoort grotendeels verwoest en ging bijna het gehele oeuvre van Lynen verloren. (meer…)

011 – DE VERNIETIGING VAN HET DORP WAVERVEEN 2

Andries Schoemaker - WaverveenWaverveen is een klein dorp in de polder Groot-Mijdrecht, het gebied en voormalige waterschap bij de plaatsen Mijdrecht en Wilnis, ten westen van de Vinkeveens Plassen. Al in de middeleeuwen stond de heerlijkheid Waverveen op de kaart, midden in een agrarisch gebied. De heerlijkheid hoorde bij het graafschap Holland en het baljuwschap Amstelland. Het heerlijkheidswapen was dan ook nauw verbonden met de wapens van onder meer Amsterdam, Amstelveen, Ouder-Amstel en Nieuwer-Amstel. Allemaal wapens die zijn afgeleid van het wapen van Jan van Persijn, met zijn kenmerkende andreaskruizen als zinnebeeld van goddelijke kracht en bescherming tegen het kwade geesten, demonen en onheil. Het teken werd om die reden ook vaak gebruikt bij muurankers als bescherming tegen blikseminslag. Het Wapen van Waverveen had een rood schild met daarop een zwarte horizontale balk waarop twee zilveren andreaskruizen. Vanaf begin zeventiende eeuw werd het landbouwgebied steeds meer gebruikt voor de winning van turf. Tijdelijk erg winstgevend, maar door de grote plassen die ontstonden, verarmde het gebied langzaam. In 1731 verkochten de Staten van Holland de heerlijkheid Waverveen. In 1795 werd Waverveen na de Bataafse Omwenteling met de drie aangrenzende heerlijkheden Waveren, Botshol en Ruige Wilnis samengevoegd tot één gemeente. Het waren inmiddels sterk verarmde gebieden die voor het grootste deel uit water bestonden. Op 1 januari 1819 ging de gemeente van de provincie Noord-Holland over naar de provincie Utrecht. Op 1 januari 1841 werd de gemeente toegevoegd aan de gemeente Vinkeveen en Waverveen, die op 1 januari 1989 opging in de gemeente De Ronde Venen. (meer…)

010 – DE VERNIETIGING VAN HET DORP WAVERVEEN 1

Andries Schoemaker - WaverveenIn 1672 werd het echter duidelijk dat Frankrijk onder leiding van koning Lodewijk XIV van plan was op korte termijn een oorlog met de Republiek te beginnen. In februari 1672 werd weer gesproken over het bouwen van de waterlinie. De Staten-Generaal wilde een gezamenlijke defensie tegen de te verwachte invasie door te zorgen voor een troepenopbouw bij Maastricht, langs de Gelderse IJssel en in de Kleefse barrière. De Staten van Holland en Staten van Utrecht voelden daar weinig voor en onderzochten net als in 1589 twee opties: een waterlinie in de Grebbevallei en een waterlinie langs de Vaartsche Rijn en Vecht, aansluitend op het Horstermeer, Naardermeer en de Hollandse vesting Naarden. Omdat voor Utrecht de verdedigingslinie in de Grebbevallei al snel op grote bezwaren stuitte, resteerde slechts de optie van verdediging langs de Utrechtse Vecht. Op 22 april sloten beide provincies een overeenkomst om een gezamenlijke verdedigingslinie te gaan bouwen, maar al op 11 mei 1672 werden de werkzaamheden stilgelegd. De Staten van Holland hadden hier al geanticipeerd met de benoeming in april 1672 van een commissie die moest onderzoeken of op Hollands grondgebied een eigen waterlinie kon worden gerealiseerd. (meer…)

024 – SPIJK 1


.
Wellman Recycling aan de Spijksedijk, halverwege tussen Spijk en Lobith, 16 december 2007, © Frans van den Muijsenberg.

025 – ST. STEVENSKERK 7

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

HENNY EICKENBOOM – 008

Henny Eickenboom (Den Haag, 22 februari 1933) woonde bij het uitbreken van de oorlog met haar ouders in Maastricht. Haar oorspronkelijke naam was Henny Fresco, de dochter van de ongehuwde Adriana Eleonora Fresco (Den Haag, 9 maart 1911), die op 28 september 1938 in Den Haag zou trouwen met Peter Anton Eickenboom‏‎ (Wesel, 7 november 1909 – Amstelveen, 28 januari 2001), die in het Amsterdamse Gemeentearchief stond ingeschreven als kantoorbediende en musicus. Hij was de kleinzoon van de Maastrichtse porseleinwerker Piet Eikenboom (Maastricht, 28 juni 1845), die in 1884 met zijn gezin verhuisde naar het Duitse Poppelsdorf, in de omgeving van Bonn. In 1894 emigreerde het gezin voor de tweede keer, nu naar Longwy in de Franse Elzas. Daar raken vader Piet, moeder Jantje en drie van hun zoons in conflict met de familie Balthasar, wat leidde tot wat slagen over en weer en enkele verwondingen. Elk gezinslid kreeg een boete van vijf frank en men keerde weer terug naar Duitsland. Zoon Willem Eikenboom (Maastricht, 9 januari 1878 – Rotterdam, 21 december 1953), de vader van Peter Anton, verhuisde in 1910 voor een paar jaar naar Engeland, maar het is bekend of zijn vrouw en pasgeboren zoon toen meegingen. Peter Anton groeide verder op in Duitsland, de reden dat zijn achternaam toen werd gewijzigd in ‘Eickenboom’. Na de oorlog keerde de gebruikelijke Nederlandse achternaam weer terug. Blijkbaar verhuisde het gezin Eickenboom-Fresco naar Maastricht, de thuisbasis van de echtgenoot. Er werden daar nog drie kinderen geboren: Louis, Lilian en Boudewijn Eickenboom‏‎. Henny Fresco werd blijkbaar door Piet, de roepnaam van Peter Anton, erkend als zijn dochter en kreeg de naam Henny Eickenboom. Het was blijkbaar geen gelukkig huwelijk, want op 30 maart 1942 werd het huwelijk na slechts iets meer dan drie jaar ontbonden. Het is ook niet ondenkbaar dat het feit dat het een huwelijk was met een Joodse vrouw een rol speelde. Adriana Fresco bleef gewoon in Maastricht wonen, waar ze op 4 augustus 1945 na een ongelukkige val van de trap op slechts 34-jarige leeftijd zou overlijden. Ex-partner Piet Eickenboom was op 91-jarige leeftijd in Amstelveen overlijden. (meer…)

ODALISKEN – 34

Lalla A. Essaydi (Marrakesh, 1956) groeide op in Marrakesh toen Marokko nog een van de conservatiefste islamitische steden van Marokko was. Toen ze zestien jaar kwam ze in problemen, nadat haar broer haar had voorgesteld naar een plaatselijke club te gaan. Dat was riskant, maar ondanks de voorzorgsmaatregelen kwamen haar ouders er achter. Als straf kreeg ze twee dagen huisarrest, geheel alleen in een prachtig, leegstaand oud huis dat ooit toebehoorde aan haar grootvader. Haar ouders veronderstelde dat ze op deze manier de ernst van haar daad zou beseffen. Lalla werd echter steeds bozer, want haar broer kreeg geen straf. In het huishouden werd als vanzelfsprekend alles afgestemd op de zonen. Als de mannen iets wilde drinken, moest een van de vrouwen dat halen. Ze besefte dat voor meisjes heel andere plichten en weinig rechten golden, dat ze nooit alleen op weg mocht gaan om vrienden te ontmoeten, dat niet ambitieus of onafhankelijk mochten zijn. Nog hetzelfde jaar 1956 vertrok ze naar Parijs voor een opleiding aan een middelbare school. Nadat ze terugkeerde naar Marokko trouwde ze en verhuisde naar Saoedi-Arabië, waar ze twee kinderen kreeg en scheidde. Begin jaren negentig keerde ze terug naar Parijs om aan de École nationale supérieure des Beaux-Arts te studeren. In 1996 verhuisde ze naar Boston voor verdere studies in schilderkunst en fotografie. (meer…)

DR. A. BOSCHEE’S GERMAN SYRUP en GREENS AUGUST FLOWERS

Col. George Gill Green (1842-1925) werd geboren in Clarksboro, New Jersey als zoon van de slager Lewis M. Green (1818-1894). In de zestiger jaren studeerde hij twee jaar lang medicijnen aan de University of Pennsylvania, maar verliet de opleiding in 1864 zonder te zijn afgestudeerd. Op dat moment was de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) in volle gang en Green meldde zich bij het 142nd Illinois Volunteer Infantry Regiment, waar hij vanaf 1864 tot het einde van de burgeroorlog dienst deed. In 1867 begon hij in Baltimore een groothandel in medicijnen, maar de fabriek werd na enkele jaren door brand geheel verwoest. Hij verhuisde toen naar Ohio om te trouwen met Angie Brown. Het echtpaar Brown-Green kreeg hier hun eerste kind. Later zou nog drie kinderen volgen.

In 1872 nam hij van zijn vader de patentrechten over van twee gepatenteerde geneesmiddelen, wat betekende dat het vrij verkrijgbaar (zonder recept) geneesmiddelen of medicinaal preparaten waren die door een handelsnaam en soms ook een octrooi werden beschermd. Lewis M. Green verkocht zijn elixer onder de naam ‘L.M. Green’, maar George Green introduceerde voor zijn twee handelsproducten de namen ‘Green’s August Flower’ en ‘Dr. Boschee’s German Syrup’. George Green begon daarna een uitgebreide marketingcampagne met onder meer de verspreiding op grote schaal van gratis proefexemplaren en de distributie van duizenden almanakken. Er werd over George Green opgemerkt: ‘It’s not the ingredients that make Green’s August Flower and Dr. Borchee’s German Syrup so fascinating; it’s the marketing genius behind them. If there was a hall-of-fame for peddlers of patent medicines and cure-alls, George Gill Green would be at the top of the heap.’ (meer…)

CIMON EN PERO – 15

De Duitse schilder en architect Januarius Zick (München, 6 februari 1730 – Ehrenbreitstein, 14 november 1797) had zich in 1760 gevestigd in Ehrenbreitstein, dat aan de voet lag van een heuvel aan de Rijn, tegenover Koblenz en de monding van de Moezel. Een pittoreske stad en daarom ook populair bij kunstenaars. Ook een strategische plaats war al voor de christelijke jaartelling de eerste militaire versterkingen op de strategisch gelegen heuvel werden gebouwd. Rond het jaar 1000 liet een zekere Ehrenbert op de heuvel een kasteel bouwen, die later werd bestuurd door de aartsbisschop van Trier. Het kasteel werd later uitgebouwd tot een fort. De aartsbisschoppen van Trier, en belangrijke opdrachtgever van Januarius Zick, bewaarden hier van 1657 tot 1794, met onderbrekingen, de Heilige Tuniek, het kleed dat Jezus zou hebben gedragen voordat hij gekruisigd werd. Na de Franse Revolutie (1789) probeerden de Fransen herhaaldelijk de stad Koblenz en Fort Ehrenbreitstein te veroveren. Het zorgde voor veel onrust. De keurvorst van Trier vluchtte in 1792 en 1794 al een tijd de stad. Ook voor Zick was het een moeilijke tijd, die hem ernstig belemmerde in zijn werkzaamheden, de belegering van het hoger gelegen fort betekende dat de manschappen van de aanvallende partij het aan de voet gelegen plaatsje in bezit hielden. In deze moeilijk periode schilderde Zick voor de tweede maal Cimon en Pero, het schilderij bevindt zich nu in de privécollectie van een onbekende Duitse verzamelaar. Zick overleed in 1797 op 67-jarige leeftijd en liet een verzameling onverkochte schilderijen achter voor zijn echtgenote, waaronder waarschijnlijk deze ‘Cimon und Pero’. In 1799 wisten de Fransen, na een belegering van ruim een jaar, eindelijk het fort te veroveren. In 1802 werd bij de Vrede van Lunéville bepaalt dat de linker-Rijnoever in Frans bezit kwam en dat zij zich zouden terugtrekken van de linker-Rijnoever, dus uit Fort Ehrenbreitstein. Voordat ze vertrokken, ontmantelde ze echter het fort compleet. (meer…)

MARY WINNIK

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 48 van 15 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Wil lange, donkere man, die zich Juli-Augustus 1944 vervoegd heeft bij DAMES, Hofmeyerstraat 25 II, met de mededeeling, dat Mary Winnink in of op weg naar het Westerbork ontsnapt is, zich met ons in verbinding stellen onder nr. 16 van ons blad.’

Mary Winnik (Amsterdam, 22 augustus 1937 – Auschwitz, 6 september 1944) en Annie Koekoek (Amsterdam, 5 december 1935 – Auschwitz, 6 september 1944) (hieronder twee foto’s van haar) zaten ondergedoken op de adressen Vilgert 247 en Vilgert 267 in Velden, een buurtschap bij Venlo. Ze waren twee van de vele Joodse kinderen uit Amsterdam die door de groep rond Hanna van der Voort in de omgeving in een onderduikadres waren geplaatst. Op dinsdag 4 juli 1944 werden zij daar door opperwachtmeester Johan Berendsen en zijn compagnon Geert Kannegieter, een agent uit Ommen, opgehaald. Omstreeks 17.30 uur werden ze afgeleverd op het politiebureau in Venlo. Uit de notitie in het dagrapport van de gemeentepolitie valt geen emotie af te lezen: “17.30 In bewaring. Voor Berendsen in bewaring gesteld twee Joodsche kinderen genaamd: Marij Winnik en Annie Leesma.” De daaropvolgende dagen werd volstaan met minimale notities. Om acht uur ’s ochtends controleerde men of de gevangenen nog in de cel zaten: “8 (uur) In bewaring … Winnik, Leesma, …” ‘Leesma’ was de onderduikachternaam van Annie, haar echte achternaam was Koekoek. (meer…)

023 – EMMERICH AM RHEIN – RHEINBRÜCKE 1


.
Rheinbrücke bij Emmerich am Rhein, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

024 – ST. STEVENSKERK 6

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, grafzerk.
© Frans van den Muijsenberg

DE VÉLOCIPEDRAISIAVAPORIANNA

De geschiedenis van de fiets en het wielrennen – 9

Door de Frans-Pruisische Oorlog (1870-1871) was de verdere productie van de fietsen van Pierre Michaux tot stilstand gekomen, maar het familiebedrijf Michaux bleef actief op ontwikkeling van persoonlijk vervoer. In 1888 vroegen Pierre Michaux en Louis-Guillaume Perraux patent aan op een stoommotorfiets. Al vanaf 1869 hadden beiden gewerkt aan verschillende prototypes. Louis-Guillaume Perreaux (Almenêches, 19 februari 1816 – 5 april 1889) was een Franse uitvinder, die op twaalfjarige leeftijd al een wandelstokgeweer (een soort wandelstok met een verborgen pistool) uitvond. Blijkbaar viel dat niet bij iedereen in goed aarde, want hij werd daarna naar het seminarie gestuurd. In 1836 kreeg hij een studiebeurs voor de  l’École des arts et métiers in Châlons-sur-Marne. Vervolgens verhuisde hij naar Parijs, waar hij een reeks uitvindingen patenteerde, waaronder een meerkamergeweer, een slotmechanisme, een cirkelzaag en wetenschappelijke instrumenten. Perreaux experimenteerde ook met een kleine stoommachine in een fietsframe en droeg zo bij aan de uitvinding van de eerste motorfiets. Hij patenteerde dit ontwerp op 16 maart 1869 en bleef zijn uitvinding verbeteren tot 1885. Het ontwerp bestond uit een met messing beklede eencilinderstoommachine met een alcoholbrander onder het zadel van een Michaux vélocipède. De aandrijving gebeurde door dubbele riemen en het voertuig kon een snelheid halen van ongeveer 14 km/u. De originele machine is te zien in het Musée de l’Île-de-France in het Château de Sceaux. Tegen de tijd dat Perreaux en de Michaux-fabriek patent aanvroegen voor hun motorfiets, had echter in Duitsland Gottlieb Daimler zijn Einspur al gebouwd die met een viertaktmotor was uitgerust, de eerste motorfiets met benzinemotor. (meer…)

PIERRE LALLEMENT EN PIERRE MICHAUX

De geschiedenis van de fiets en het wielrennen – 8

In de geschiedenis van de ontwikkeling wordt algemeen de introductie van de loopmachine door Karl von Drais in 1817 als de eerste belangrijke stap gezien, waarbij een eerdere loopfiets van Michael Kassler uit 1761 consequent buiten beschouwing wordt gelaten. De grote prestatie van Von Drais was dat hij het tweewielprincipe uitvond. Daarna zijn er weliswaar allerlei personen in vooral Engeland (Denis Johnson), Schotland (Kirkpatrick MacMillan, Thomas McGall en Gavin Dalzell) en Duitsland (Joseph von Baader, Heinrich Mylius en Philipp Fischer) die enthousiast aan de draisine uit 1817 sleutelen, maar het waren in feite steeds variaties op het oorspronkelijke model. De tweede belangrijke stap in de ontwikkeling van de fiets was de toevoeging van de pedaalaandrijving. Vooral van de drie Duitse uitvinders zijn claims neergelegd dat zij deze pedaalaandrijving zouden hebben ontwikkeld, maar al hun uitvindingen werden nooit gepatenteerd en bleven slechts tijdelijke, regionale fenomenen. De belangrijke tweede fase in de ontwikkeling van de fiets had van Schotse of Duitse makelij kunnen zijn, maar vanwege het ontbreken van een patent en grotere bekendheid dan het eigen kringetje, ging de eer naar Frankrijk. Discussiepunt was slechts welke Fransman deze eer toekomt: Pierre Lallement, Pierre Michaux of Ernest Michaux. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 50

FRANZ HORVATH

82e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Begin maart 1938 werd door Duitsland de druk op de Oostenrijkse president Schuschnigg steeds verder opgevoerd. Onder zware druk van Adolf Hitler werd de Oostenrijkse nazi Arthur Seyss-Inquart in de regering-Schuschnigg opgenomen als minister van Binnenlandse Zaken. Op 11 maart 1938 trad de Oostenrijkse president af nadat Hitler had gedreigd een inval te doen, waarna een dag later Seyss-Inquart werd benoemd tot kanselier van Oostenrijk. Zijn eerste daad op die 12 maart was een vooraf opgesteld telegram te versturen naar Berlijn waarin hij Duitsland vroeg om het Duitse leger te zenden “om vrede en veiligheid te brengen … en om bloedvergieten te voorkomen”. Nog dezelfde dag trokken Duitse troepen Oostenrijk binnen, die overal juichend werden begroet. Hitler zelf stak die middag de grens over bij Braunau, zijn geboorteplaats en vierde later die dag uitgebreid feest in zijn lievelingsstad Linz. Op 13 maart 1938 proclameerde Hitler in Wenen de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland. Tobias Portschy was al op 11 maart 1938 met zijn nationaalsocialistische troepen opgerukt naar het regeringsgebouw van Burgenland in Eisenstadt en namen zonder slag of stoot de macht over in de deelstaatregering. Twee weken later, in een toespraak op 2 april 1938, verkondigde Portschy: ‘De zigeuners en de joden zijn sinds de oprichting van het Derde Rijk ondraaglijk geweest. Geloof ons dat we deze kwestie met nationaalsocialistische consistentie zullen oplossen.(meer…)

JAN GOTTLIEB

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Jan Gottlieb, geb. 13 Januari 1916, overgebracht naar Scheveningen op 12 October 1944.’

Hendrikus Martinus Jan Gottlieb (Den Haag, 13 januari 1916 – Waalsdorpervlakte, 6 november 1944) was de zoon van een Haagse politieagent, later rechercheur. Na eerst twee jaar de Mulo te hebben gevolgd, ging hij vier jaar lang naar de kleermakersschool. Na afronding van deze studie ging hij werken als gediplomeerd coupeur. In 1934 verbond hij zich als aspirant voorgeoefend sergeant bij het Landstormverband ’s Gravenhage van de Vrijwillige Landstorm. Deze organisatie was aan het begin van de Eerste Wereldoorlog (1914) opgericht voor vrijwilligers bij het Nederlandse leger en gericht op het verdedigen van Nederland. Aanvankelijk lag de focus op het beschermen tegen een mogelijke socialistische revolutiepoging, maar vanaf begin jaren dertig zag men als grootste gevaar het nationaalsocialisme vanuit Duitsland en de opkomst van de NSB in eigen land. De Vrijwillige Landstorm groeide uit tot een grote organisatie ‘om steun te geven aan het wettige gezag’ met bijna 100.000 leden, verdeeld over ongeveer 1.300 steden en dorpen. Er werd wekelijks geoefend met schieten en er waren jaarlijkse landdagen met grote opkomst. In mei 1940 vocht de Vrijwillige Landstorm met ongeveer 42.000 man mee met het Nederlandse staande leger van 240.000 man tegen de binnenvallende Duitse troepen. Honderden vrijwilligers komen bij de gevechten om het leven. Na de capitulatie werd de Vrijwillige Landstorm door de bezetter opgeheven. (meer…)

022 – EMMERICH AM RHEIN 1


.
Landschap bij de Rheinbrücke bij Emmerich am Rhein, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

023 – ST. STEVENSKERK 5

11 – DE GRENSCONFLICTEN TUSSEN KOEWEIT EN QATAR

OpelFahrrad a quintHet Koninkrijk Bahrein is een kleine eilandstaat in de Perzische Golf, bestand uit een archipel met 33 eilanden, waarvan het grootste eiland (qua oppervlakte iets groter dan Terschelling) vlak voor de kust ligt van Saoedi-Arabië. Via de Koning Fahddijk is Koeweit verbonden met het vasteland. In het zuidoosten ligt het schiereiland Qatar, waarmee ook een veertig kilometer lange brugverbinding in de planning ligt. Van 1507 tot 1602 bestuurden de Portugezen de archipel, die toen de naam Aval Eilanden hadden. In 1602 namen de sjiitische Safawieden uit Perzië de macht over. In 1783 greep de uit Koeweit afkomstige soennitische familie Khalifa de macht, na een langdurige strijd tussen Perzen en Arabieren. De Khalifa-familie regeert het land nog steeds. Al snel nadat ze de macht hadden overgenomen, werd contact gelegd met de Britten. In 1820 sloten beide landen een verdrag, dat er in uitmondde dat Koeweit in 1867 een Brits protectoraat werd. Van 1861 tot 1971 bestuurden de Britten de archipel, hoewel Bahrein officieel onafhankelijk bleef. Op 16 december 1971 werd het land daadwerkelijk een onafhankelijk koninkrijk. Het land is sindsdien een belangrijk standplaats van de Amerikaanse vijfde vloot in Perzische Golf. De hoofdstad Manama is het centrum van de Amerikaanse marine in de regio. Aanvankelijk zouden Koeweit en Qatar toetreden tot de Verenigde Arabische Emiraten, waar voor Koeweit was de voorgestelde grondwet een belangrijk struikelblok. De toenmalige sjeik vond deze te weinig vooruitstrevend. Hij wilde een gematigde vorm van parlementaire democratie, waarbij vanaf 1973 de mannelijke bevolking kon meedoen aan parlementsverkiezingen. Binnen eigen land mislukte dit streven ok maar langzaam en gedeeltelijk. In februari 2001 werd bepaald dat het land een constitutionele monarchie zou worden, maar in de praktijk bleven echte veranderingen uit. Koeweit is lid van de Arabische Liga. (meer…)

LEO MOONEN (85)

Leo Moonen (Heerlen, 31 augustus 1895 – Bergen-Belsen, 2 april 1945) was de zoon van een bakker. Hij werd in 1923 op 28-jarige leeftijd in Heerlen tot priester gewijd. Van 1923 tot 1927 studeerde hij in Nijmegen theologie aan de Rooms Katholieke Universiteit. Toen in mei 1940 Nederland bij de Tweede Wereldoorlog werd betrokken was Leo Moonen al enkele jaren werkzaam als secretaris van het bisdom Roermond. Guillaume Lemmens, de bisschop van Roermond, was een fervent tegenstander van het nationaalsocialisme en wees elke vorm van samenwerking met de Duitse bezetter af. Guillaume Lemmens, Johannes Huibers, zijn collega in het bisdom Haarlem en aartsbisschop Johannes de Jong uit Utrecht, liet gedurende de oorlog verschillende herderlijke brieven uitgaan waarin het beleid en de maatregelen van de Duitsers scherp werden veroordeeld. Aartsbisschop De Jong gaf daarbij leiding aan de katholieke verzet tegen de Duitse bezetter. De Jong kondigde een door Titus Brandsma ontworpen verbod uit over het opnemen van NSB-advertenties in de rooms-katholieke dagbladen. Op 21 februari 1943 werd een gezamenlijke bisschoppelijke brief in de kerken voorgelezen over de Duitse misdaden en in een bisschoppelijk mandement van 16 mei 1943 werd geageerd tegen de verplichte tewerkstelling van Nederlanders in Duitsland. Gelovigen werden steeds opgeroepen in de lijn van deze brieven niet met de bezetter samen te werken. Door deze principiële afwijzing van de Duitse aanwezigheid en hun beleid werden veel lagere geestelijken en gelovigen ook actief verzet en gingen hulp bieden aan degenen die onder het Duitse beleid grote problemen ondervinden. (meer…)

EEN DAGJE UIT 3

OpelFahrrad a quintHet verhaal Een dagje uit is lang beschouwd als het laatst herdrukte stuk van August P. van Groeningen (Ommen, 14 februari 1866 – Rotterdam, 12 februari 1894) dat in 1964 werd opgenomen in de bloemlezing ‘Onze onzalige erfenis’ van Rob Nieuwenhuys. In 1977 werd in de nieuwe naturalistische verzameling ‘Uit het leven’ van Nop Maas en Marijke Stapert-Eggen 1977) twee verder onbekende verhalen van Van Groeningen opgenomen, namelijk ‘Op de Bewaarschool’ en ‘Besmettelijke ziekte’. Over de jonggestorven A.P. van Groeningen merken de samenstellers op dat hij, wars van groepen, scholen en theorieën, het naturalisme gewoon van de straat opraapt in de Rotterdamse volksbuurt waar hij lesgaf en woonde. Hij zag de ellende om hem heen en gaf die literair op een onbewogen-objectieve manier weer. Ze spreken over zijn schrijfstijl als ‘Nieuw-Romantisme’. Zijn streven net als Emile Zola een soort Nederlandse Rougon-Macquartserie van tien boeken te schrijven als ‘de verklanking en verbeelding der mensengeschiedenis in het ruim der eeuwen’ kon hij echter nooit realiseren. Het bleef bij één boek, ‘Martha de Bruin’, dat minder goed werd ontvangen dan hij hoopte en hem deed twijfelen over de voortgang van zijn schrijverschap. Hij stierf een vroegtijdige dood door tuberculose en liet een bescheiden oeuvre na.

Een dagje uit, deel 3
door Aug. P. van Groeningen.

(meer…)

EEN DAGJE UIT 2

OpelFahrrad a quintHet verhaal Een dagje uit is lang beschouwd als het laatst herdrukte stuk van August P. van Groeningen (Ommen, 14 februari 1866 – Rotterdam, 12 februari 1894) dat in 1964 werd opgenomen in de bloemlezing ‘Onze onzalige erfenis’ van Rob Nieuwenhuys. In 1977 werd in de nieuwe naturalistische verzameling ‘Uit het leven’ van Nop Maas en Marijke Stapert-Eggen 1977) twee verder onbekende verhalen van Van Groeningen opgenomen, namelijk ‘Op de Bewaarschool’ en ‘Besmettelijke ziekte’. Over de jonggestorven A.P. van Groeningen merken de samenstellers op dat hij, wars van groepen, scholen en theorieën, het naturalisme gewoon van de straat opraapt in de Rotterdamse volksbuurt waar hij lesgaf en woonde. Hij zag de ellende om hem heen en gaf die literair op een onbewogen-objectieve manier weer. Ze spreken over zijn schrijfstijl als ‘Nieuw-Romantisme’. Zijn streven net als Emile Zola een soort Nederlandse Rougon-Macquartserie van tien boeken te schrijven als ‘de verklanking en verbeelding der mensengeschiedenis in het ruim der eeuwen’ kon hij echter nooit realiseren. Het bleef bij één boek, ‘Martha de Bruin’, dat minder goed werd ontvangen dan hij hoopte en hem deed twijfelen over de voortgang van zijn schrijverschap. Hij stierf een vroegtijdige dood door tuberculose en liet een bescheiden oeuvre na.

Een dagje uit, deel 2
door Aug. P. van Groeningen.

(meer…)

EEN DAGJE UIT 1

OpelFahrrad a quintHet verhaal Een dagje uit is lang beschouwd als het laatst herdrukte stuk van August P. van Groeningen (Ommen, 14 februari 1866 – Rotterdam, 12 februari 1894) dat in 1964 werd opgenomen in de bloemlezing ‘Onze onzalige erfenis’ van Rob Nieuwenhuys. In 1977 werd in de nieuwe naturalistische verzameling ‘Uit het leven’ van Nop Maas en Marijke Stapert-Eggen 1977) twee verder onbekende verhalen van Van Groeningen opgenomen, namelijk ‘Op de Bewaarschool’ en ‘Besmettelijke ziekte’. Over de jonggestorven A.P. van Groeningen merken de samenstellers op dat hij, wars van groepen, scholen en theorieën, het naturalisme gewoon van de straat opraapt in de Rotterdamse volksbuurt waar hij lesgaf en woonde. Hij zag de ellende om hem heen en gaf die literair op een onbewogen-objectieve manier weer. Ze spreken over zijn schrijfstijl als ‘Nieuw-Romantisme’. Zijn streven net als Emile Zola een soort Nederlandse Rougon-Macquartserie van tien boeken te schrijven als ‘de verklanking en verbeelding der mensengeschiedenis in het ruim der eeuwen’ kon hij echter nooit realiseren. Het bleef bij één boek, ‘Martha de Bruin’, dat minder goed werd ontvangen dan hij hoopte en hem deed twijfelen over de voortgang van zijn schrijverschap. Hij stierf een vroegtijdige dood door tuberculose en liet een bescheiden oeuvre na.

Een dagje uit, deel 1
door Aug. P. van Groeningen.

(meer…)

EMMERICH AM RHEIN

OpelFahrrad a quintEmmerich am Rhein, een naam die het pas sinds 1 februari 20011 heeft, daarvoor was het gewoon Emmerich en in het dagelijks gebruik wordt door iedereen dat ‘am Rhein’ ook consequent weggelaten, werd in 828 voor het eerst schriftelijk vermeld onder de naam Emmerik, wat tot de stad door het koninkrijk Pruisen werd overgenomen in 1816 ook de officiële naam was. Emmerik ontwikkelde zich in de Middeleeuwen tot een belangrijke handelsplaats aan de Rijn. Tussen 1307 en 1570 was Emmerik een hanzestad. Tot 1233 berustte het gezag en de rechtspraak over de handelsnederzetting Emmerik bij het kapittel van Sint-Maarten namens de bisschop van Utrecht. Op 12 mei 1233 kwam de stad onder de bescherming van graaf Otto II van Zutphen en Gelre, maar nog twee jaar lang behield de Utrechtse bisschop de rechten op de parochiekerk, het tol- en muntrecht en de rechten op de jaarmarkten. Toen graaf Otto II op 31 mei 1233 aan Emmerik stadsrechten gaf, droeg hij ok de rechtspraak over aan de stad. Door de stadsrechtverlening breidde Otto II zijn gezag en territorium flink uit, allemaal ten koste van de Utrechtse bisschop. Koning II verklaarde echter op de rijksdag van 5 september 1310 te Worms dat deze stadsrechtverlening ongeldig was, omdat de graaf hiertoe net zonder koninklijke goedkeuring had mogen besluiten. Tot 1402 bleef Emmerik behoren tot het hertogdom Gelre . In de 17e eeuw was het fort van Emmerik deel van de Kleefse barrière, de benaming voor een zestal Rijnforten in het Hertogdom Kleef: Rees, Orsoy, Wezel, Emmerik, Büderich en Rijnberk. Ten tijde van het Rampjaar 1672 had de Republiek der Zeven Provinciën er tevergeefs op vertrouwd dat deze forten de Franse opmars flink zouden vertragen, misschien wel tegenhouden. De forten waren trouwens niet in het bezit van de Republiek, maar ze kregen wel toestemming hier garnizoenen te legeren. De Fransen konden de forten zonder slag of stoot innemen, waarmee een definitief einde kwam aan de Nederlandse aanwezigheid en invloed in deze zes plaatsen. (meer…)

022 – ST. STEVENSKERK 4

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

DE WANDSCHILDERINGEN VAN MARIE HUBRECHT

Maria Hubrecht (Rotterdam, 21 november 1865 – Doorn, 8 juni 1950) was een schilder, wandschilder, tekenaar, etser en vervaardiger van houtsneden. Ze was een dochter van mr. Paul François Hubrecht (1829-1902), een secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken en Staatsraad, en een zus van de schilderes Bramine Hubrecht. Maria kreeg maar een fragmentarische schilderopleiding, volgde lessen in Den Haag en Parijs en realiseerde een bescheiden oeuvre. Er werd over haar gezegd dat ze een dame in stijl was, maar ook een dame met ballen. Een vrouw uit gegoede kring, een amateurkunstenares want zonder kunstopleiding. Als ongetrouwde vrouw uit een rijke patriciërsfamilie verkeerde ze in kringen van wetenschappers en politici. Voor een vriendin in Oslo schilde ze in een klaslokaal ‘Het Paradijs’en toen de kinderen haar na de onthulling van de wandschildering huilend van ontroering in de armen waren gevlogen, nam ze het besluit om voor de jeugd ‘Het Ontstaan van de Wereld’ te gaan schilderen. Binnen haar werk bleef dat onderwijsaspect overheersend. Ze wilde jongeren via haar werk iets bijbrengen over het ontstaan van de wereld. Belangrijk hierbij zijn de wandschilderingen die ze in de jaren 1925 en 1926 maakte voor het toenmalige Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes, dat in 1925 van start ging aan de Reijnier Vinkeleskade in Amsterdam. Op dat moment was het voor meisjes zeer moeilijk een opleiding te volgen die gelijkwaardig was aan die voor meisjes. Er was wel een middelbare school voor meisjes, maar ondanks de steeds sterkere vraag was er nog geen school die toegang gaf tot de universiteit. Op het Gemeentelijk Lyceum konden meisjes onderwijs volgen dat voor een deel gelijk was aan de vakken die jongens op de HBS kregen, aangevuld met vakken die gericht waren op de ‘vrouwelijke vorming’. (meer…)

LENNIE BOAS – 007

Lennie Boas (Lenie van de Bergh) werd op 16 juli 1931 in Amsterdam geboren. Haar vader Mozes Boas (Amsterdam, 12 oktober 1898 – Auschwitz, 28 januari 1944) was een koopman, die met zijn echtgenote Roosje Boas-Cohen (Amsterdam, 18 augustus 1902 – Auschwitz, 28 januari 1944) en twee dochter Sipora Leny Boas (Amsterdam, 12 december 1924 – Auschwitz, 28 januari 1944) en Lennie Boas woonde op Rijnstraat 129-iii te Amsterdam. Lenie is de enige overlevende van het gezin. De drie anderen werden eind januari 1944 vanuit Westerbork op transport gezet en na aankomst vermoord.

Lennie was toen uit vanuit de hoofdstad overgebracht naar Limburg waar ze werd ondergebracht bij de familie Rutten-Linders in Meerlo. Lennie schijnt het haar onderduikouders niet erg gemakkelijk te hebben gemaakt. Herman van Rees merkt in zijn boek ‘Vervolgd in Limburg. Joden en Sinti in Nederlands Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog’(2013) over haar op: ‘Soms werden gastgezinnen werkelijk tot wanhoop gedreven door het gedrag van hun pleegkind. Lenie Boas was via Hanna van de Voort ondergedoken bij een familie in Meerlo. Haar gedrag was onuitstaanbaar. Toch wisten de pleegouders het met haar vol te houden tot na de bevrijding. Toen was de maat vol. Zij zetten Lenie buiten de deur en stuurden haar naar Hanna, met een briefje: Wij zijn zo vrij geweest Lenie naar Tienray te sturen. Vermoedelijk had u ze al eerder verwacht. Enfin, vanmiddag heb ik haar weggejaagd, na er eerst nog een bord (dat jammer genoeg tegen de muur in plaats van tegen haar hoofd is terechtgekomen), een vork en een asbak aan gewaagd te hebben. Het afscheid was zo dat een goed geschoolde woonwagenbewoner van de ergste en brutaalste soort haar niet had kunnen verbeteren, wat het bezigen van schimpscheuten en scheldwoorden betreft. Het tekent de solidariteit van de gastouders in Noord-Limburg, dat er toch een gezin in Melderslo werd gevonden dat bereid was het nog eens met Lenie te proberen.’ Dat tweede gezin was de familie Van Gerven-Reinders in Melderslo, waar ze bleef tot ook de rest van Nederland was bevrijd. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 7)

Deel 7 – Anton de Kom over reis naar Suriname

In 1934 verscheen Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, waarin hij onder de titel Weerzien en afscheid (pagina 205-222) beschreef hoe hij zijn verblijf van zes maanden had ervaren. De notities aan het eind van de tekst zijn overgenomen uit de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (BDNL).
De Kom was al begin dertiger jaren begonnen met het schrijven van het boek. In 1931 had hij de eerste versie klaar. Samen met de latere uitgever redigeerde hij de tekst verschillende keren. Eind 1931 was de tekst klaar. De Kom ging toen terug naar Suriname en het duurde daarom tot 1934 voor het boek kon worden gepubliceerd. In het voorwoord werd vermeld dat in de tekst een paar wijzigingen waren aangebracht om uitgave mogelijk te maken. Het is onduidelijk of hier sprake was van regelrechte censuur en in hoeverre dit gebeurde door de uitgever uit voorzorg was niet in conflict te komen met de inlichtingendienst. Het originele manuscript van deze uitgave is verloren gegaan. In Suriname mocht het niet op de markt worden gebracht.
Na de oorlog was de tekst van de eerste druk niet meer beschikbaar en raakte De Kom in de vergetelheid. In de jaren zestig ontdekte een Surinaamse studente het boek in de universiteitsbibliotheek van de Universiteit Leiden. Vervolgens typte een groep studenten het boek over en stencilde het om het te verspreiden, een roofdruk die ook in Suriname werd verspreid. In 1971 verscheen daarop de tweede druk, met aantekeningen, een jaar later al een derde druk en in 2020 verscheen de 16e druk. Er zijn ook vertalingen in het Engels en Duits verschenen.

Weerzien en afscheid – deel 2.

Voller en voller worden mijn schriften der ellende. Feller en feller worden de hetzartikelen in de blanda pers, ‘de West’ en ‘de Surinamer’. Voorop de pers der Katholieke geestelijkheid. De ‘echo’s uit de missie’ jammerden over de ‘arme misleiden’. Hadden het tegelijkertijd over ‘communistische Creolen en zwarte deernen’. Over ‘sluw overlegd plan’. Men sprak van moorden, brand stichten in huiveringwekkende geheimzinnigheid. Door de straat ratelen nog altijd, dag aan dag, de motorbrigades. En toch, wat kan ik voorloopig anders doen dan in de harten het beginsel der solidariteit planten, het eerste zaadje waaruit naar ik hoop eenmaal de sterke, goedgefundeerde organisatie zal groeien die wij noodig hebben. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 6)

Deel 6- Anton de Kom over reis naar Suriname

In 1934 verscheen Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, waarin hij onder de titel Weerzien en afscheid (pagina 205-222) beschreef hoe hij zijn verblijf van zes maanden had ervaren. De notities aan het eind van de tekst zijn overgenomen uit de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (BDNL).
De Kom was al begin dertiger jaren begonnen met het schrijven van het boek. In 1931 had hij de eerste versie klaar. Samen met de latere uitgever redigeerde hij de tekst verschillende keren. Eind 1931 was de tekst klaar. De Kom ging toen terug naar Suriname en het duurde daarom tot 1934 voor het boek kon worden gepubliceerd. In het voorwoord werd vermeld dat in de tekst een paar wijzigingen waren aangebracht om uitgave mogelijk te maken. Het is onduidelijk of hier sprake was van regelrechte censuur en in hoeverre dit gebeurde door de uitgever uit voorzorg was niet in conflict te komen met de inlichtingendienst. Het originele manuscript van deze uitgave is verloren gegaan. In Suriname mocht het niet op de markt worden gebracht.
Na de oorlog was de tekst van de eerste druk niet meer beschikbaar en raakte De Kom in de vergetelheid. In de jaren zestig ontdekte een Surinaamse studente het boek in de universiteitsbibliotheek van de Universiteit Leiden. Vervolgens typte een groep studenten het boek over en stencilde het om het te verspreiden, een roofdruk die ook in Suriname werd verspreid. In 1971 verscheen daarop de tweede druk, met aantekeningen, een jaar later al een derde druk en in 2020 verscheen de 16e druk. Er zijn ook vertalingen in het Engels en Duits verschenen.

Weerzien en afscheid – deel 1.

Sranang, mijn vaderland, ik heb U weergezien, en uwe schoonheid was zooals ik die vaak gedroomd heb, verlangend woelend in mijn bed in Holland. Over het diepe blauwe water van den Oceaan draagt de ‘Rensselaer’ mij naar uw kusten. Vliegende visschen, als dansende diamantjes, schrikken op bij het naderen van de boot, vliegen vijf à zes meter verder, werpen zich dan opnieuw, een zilveren spoor teekenend, in het water. De lucht is vochtig en frisch, een sterke passaatwind waait om mij heen met den adem der vrijheid. Als het monotone geluid der meeuwen zingt door mijn hart verlangen naar het weerzien. (meer…)

WILLEM HANEGRAAF

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Willem Hanegraaf, geb. 20-9-’21, wonende te Den Haag, P. v. Troostwijkstr. 255; gearresteerd 12 October 1944 en naar Scheveningen gebracht.’

Willem Hanegraaf (Nijmegen, 20 september 1921 – Waalsdorpervlakte, 6 november 1944) was een ongehuwde zoon van het gereformeerde Nijmeegse echtpaar Govert Hanegraaf (Gameren, 13 augustus 1893) en Antje de Zwart (Boksum, 11 november 1892). Hij werkte bij het uitbreken van de oorlog in Den Haag als kantoorbediende bij het Bedrijfschap Zuivel. In mei 1941 raakte hij bij het verzet betrokken toen in Rijswijk en Delft werd herdacht dat een jaar eerder de Duitse inval had plaatsgevonden. Er werden in beide plaatsen duizenden enveloppen met illegaal vervaardigde circulaires verspreid. In mei 1943 hielp Hanegraaf mee bij het verzenden door het verzet van duizenden circulaires waarin Nederlandse officieren en militairen werd opgeroepen geen gehoor te geven aan de Duitse oproep zich te melden voor krijgsgevangenschap. (meer…)

021 – TOLKAMER 4


.
Zicht vanaf Tolkamer op voorbijvarende schepen op de Rijn, juli 2007, © Frans van den Muijsenberg.

021 – MAASPLEIN 4

EEN VREEMDE EEND IN DE BIJT

F.A. Stoett geeft in zijn Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) de volgende uitleg bij de uitdrukking Een vreemde eend in de bijt ‘Zoo noemt men wel eens iemand, die een vreemdeling is in een gezelschap of in een bepaalden kring van menschen. De uitdr. is opgeteekend uit de 18de eeuw bij Van Effen, Spectator IV, 157: Ik vond ‘er zes of zeven jonge borsten, en wil wel bekennen, dat het noch al ordentelyk toeging, schoon ik geloof, dat het was om de vreemde eend in de bijt te lokken. Ook in het Friesch is zij bekend: hy is in freamde ein yn ’t bit, hij is een vreemdeling in het gezelschap, waarmede te vergelijken is: in freamde hoanne op ‘e matte, dat hetzelfde beteekent als het 17de-eeuwsche een vreemde doffer op ’t slag, en het bij Harrebomée I, 185 a vermelde: een vreemde haan op het erf, een medeminnaar; in Limb. een vreemde haan op den mist (mesthoop).

Justus van Effen (Utrecht, 21 februari 1684 – ‘s-Hertogenbosch, 18 september 1735) was een Nederlandse cursiefjesschrijver. Hij was in 1731 de oprichter van het weekblad Hollandsche Spectator, waarin hij moraliserende schetsen schreef over zeer uiteenlopende onderwerpen van het Nederlandse leven van zijn tijd: de schoonmaakwoede van de Nederlandse huisvrouw, de zucht naar titels, overdreven purisme, overmatig eten en drinken, chauvinisme en bekrompen provincialisme. Zijn stijl is koel en nuchter. Van Effen zocht aansluiting bij de spreektaal. Bekend is zijn novelle Kobus en Agnietje, die in 1733 in de Hollandsche Spectator verscheen, over twee jonge mensen die verliefd op elkaar werden en uiteindelijk trouwen, in een tijd toen het ongebruikelijk was beneden de eigen stand te trouwen. Kobus stond er echter financieel veel beter voor dan Agnietje. (meer…)

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 8)

Yisrael Meir Lau werd op 1 juni 1937 geboren in Piotrków Trybunalski en was een van de zeer weinige uit zijn geboortestad die de oorlog overleefde. Zijn vader, rabbijn Moshe Chaim Lau (Lviv, 22 mei 1891 – Treblinka, oktober 1942) was de laatste opperrabbijn van deze stad en werd op 51-jarige leeftijd vermoord in het vernietigingskamp Treblinka. Toen Yisrael Meir Lau nog maar amper zes jaar oud was werd hij overgebracht naar het concentratiekamp Treblinka en daar gescheiden van zijn vader Moshe en moeder Chaya Fraenkel-Teomim (Chrzanow, 1 januari 1900–Ravensbrück, 1945), die uiteindelijk in de loop van 1945 in het Duitse concentratiekamp van ontbering zou sterven. Ook bijna alle andere kinderen van het gezin zouden de oorlog niet overleven. Slechts Yisrael Meir Lau en zijn oudere broer Naphtali Lau-Lavie (1926-2014) zouden wel overleven en naar Palestina emigreren. Op 21 augustus 1943 werd Treblinka ontmanteld en werd het gehele terrein omgebouwd tot een boerderij. Een Oekraïense bewaker bleef achter om de indruk te wekken dat er niets bijzonders was gebeurd en ook om te voorkomen dat de lokale bevolking zou gaan zoeken naar mogelijk achtergebleven kostbaarheden. De laatst overgebleven Joodse gevangenen werden overgebracht naar Sobibór. In november 1943 resteerde er niets meer van Treblinka, waar na Auschwitz de meeste Joden werden vermoord. De jonge Yisrael Meir Lau kan dus nooit erg lang in dit concentratiekamp hebben verbleven. Hij werd uiteindelijk op 11 april 1945 bevrijd in het concentratiekamp Buchenwald, nog geen acht jaar oud. Dat hij die erbarmelijke omstandigheden wist te overleven schreef Yisrael later toe aan de heldhaftige inspanningen van zijn oudere broer Naphtali Lau-Lavie, die hem samen met andere gevangenen de hele tijd verborgen hield. (meer…)

CIMON EN PERO – 14

Januarius Zick (München, 6 februari 1730 – Ehrenbreitstein, 14 november 1797) was een Duitse schilder en architect in de tijd dat de late barok werd vervangen door het vroege classicisme. Hij leerde het vak van frescoschilder van zijn vader Johannes Zick. Ook zijn drie jaar jongere broer kreeg van vader Zick deze opleiding, maar die viel in 1844 op elfjarige leeftijd van de stijger terwijl hij in de abdij van Weingarten ongeschoold werk deed en overleed ter plaatse. Van 1745 tot 1748 voltooide Januarius een stage als metselaar bij Jakob Emele in Schussenried, in het diepe zuiden van Beieren. Daarna ging hij op achttienjarige leeftijd samenwerken met zijn vader, eerst in de residentie van Würzburg en tot het midden van de jaren 1750 aan de fresco’s in kasteel Bruchsal. In 1756 ging Zick voor verdere opleiding naar Parijs, waar hij contacten kreeg met de kunstwereld in Rome, Bazel en Augsburg. In 1760 maakte hij fresco’s in kasteel Engers bij Neuwied, wat hem de functie van hofschilder van het keurvorstendom Trier opleverde. Hij vestigde zich in Ehrenbreitstein, waar hij trouwde met de dochter van de herbergier, Anna Maria Gruber (1745–1811). Het echtpaar kreeg veertien kinderen, waaronder de portret- en landschapsschilder Konrad Zick. Zick kreeg gedurende zijn leven vele belangrijke fresco-opdrachten en altaarstukken voor kloosters en parochiekerken in Opper-Zwaben, het keurvorstendom Trier en het keurvorstendom Mainz. Januarius Zick maakte echter ook olieverfschilderijen en gezien zijn klassieke opleiding is het niet vreemd dat hij ook het klassieke verhaal van ‘Cimon und Pero’ schilderde. Het uit 1794 daterende werk (78 × 156 cm) bevindt zich Germanisches Nationalmuseum in Neurenberg. Net als bij een van de versies van Peter Paul Rubens kijkt een soldaat door een venster en komt zo te weten hoe Cimon toch in leven blijft. (meer…)

CILIE BLITZ – 006

Cilie Blitz (Tineke Kuipers en Anneke Schouten) was de dochter van Louis Blitz en Anna van Lochem, die beiden op 4 juni 1943 in Sobibor werden vermoord. De ouders van Anna van Lochem waren Elias van Lochem (Amsterdam, 25 maart 1880 – Amsterdam, 12 juni 1929) en Eva van Dal (Amsterdam, 15 september 1880-Sobibor, 23 april 1943) die op 18 juni 1902 in hun beide geboortestad trouwde. Op het moment dat Elias werd opgeroepen voor de keuring voor militaire dienst was hij diamantversteller, maar ten tijde van zijn huwelijk was hij venter van beroep. Vanaf 1903 woonde aan de Verwersstraat, waar de beide kinderen Salomon van Lochem en Anna van Lochem werden geboren. Daarna verhuisden men nog een paar keer. Vanaf 1923 hadden Eva en Elias allebei marktkaarten voor de Nieuwmarkt met ‘kanten en stroken’. Eva stond ook zelf op de markt aan de Westerstraat met ‘borduursels en modeartikelen’. Elias overleed op 12 juni 1929 in Amsterdam. In 1930 trouwde dochter Anna met Louis Blitz. Zoon Salomon trouwde in 1933 en Eva trok toen in bij haar dochter Anna en schoonzoon Louis, die toen aan de Slingerbeekstraat 25 III hoog in de Rivierenbuurt woonden. Na een paar maanden vertrok Eva naar de Geulstraat 19 II hoog, waar ze bleef wonen tot 9 december 1942. Ze trok toen in hij haar zoon Salomon en zijn vrouw aan de Maasstraat 140 III hoog. Dit is haar laatst bekende woonadres, want ze werd opgepakt en naar Westerbork gebracht. (meer…)

FRED BENEDIK – 005

Fred Benedik (Beek, 18 juli 1911-Sittard, 3 december 1974) was bij de familie Dinghs in Castenray, ook door de bemiddeling van Hanna van der Voort (foto). Hij trouwde op 16 augustus 1946 te Venray voor de burgerlijke stand en op 3 september 1946 werd in Castenray het kerkelijk huwelijk voltrokken met Petronella Hubertina Dinghs, de dochter van de zijn onderduikgezin. Hij zette later in Landgraaf  de voormalige slachterij Benedik op. Fred Benedik was al volwassen toen hij als Jood moest onderduiken. Zijn vader Jacob Benedik (Schimmert, 27 januari 1870-Sobibor, 14 mei 1943) stamde uit een familie van handelaars, aanvankelijk in dierenhuiden, later in vee en vlees. In 1899 trouwde hij met de Duitse Johanna Brückheimer (Külsheim, 18 oktober 1875-Sobibor, 14 mei 1943). Het jonge echtpaar vestigde zich in Beek en kreeg vier kinderen: Selma (1900), Leo (1902), Bertha (1903) en Fred (1911). Jacob vormde samen met veehandelaar Joep Wolf het bestuur van de Joodse hulpsynagoge in Beek. De twee ondertekenden in januari 1943 een brief waarin zij weigerden de heilige wetsrollen uit de synagoge van Beek elders veilig onder te brengen. Op 24 augustus 1942 overhandigden Beekse politiemensen aan Joden die jonger waren dan 60 jaar een schriftelijke ‘oproeping’ met het bevel zich op 25 augustus te melden op een verzamelplaats in Maastricht om vervolgens te worden overgebracht naar Westerbork. De twee zonen Leo en Fred kregen ook een oproep. Fred dook dankzij de hulp van twee Beekse vrienden onder en kwam terecht in Castenray. Leo Benedik meldde zich wel in Maastricht en werd op 28 augustus 1942 gedeporteerd. Bij een tussenstop in Cosel werd hij uit de trein geselecteerd en ingezet bij dwangarbeid in Silezië voor de Organisation Schmelt. Op 30 april 1943 bezweek hij op een onbekende plaats in Midden-Europa. (meer…)

020 – PANNERDEN DE POL 2

2 - Pannerden De Pol 04

Galerie en beeldentuin De Pol in Pannerden, © Frans van den Muijsenberg, 2008.

020 – MAASPLEIN 3

maasplein 05
.
Maasplein in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 7)

Het district van Arthur Greiser stond niet alleen met de massale deportaties in de voorhoede van ‘interne rassenzuivering’ volgens nazi-idealen. Twee SS’ers die direct onder Greisers bevel stonden, SS-Standartenführer Ernst Damzog en SS-Obergruppenfüfrer Wilhelm Koppe, zorgde in mei-juni 1940 voor de deportatie van geestelijk gehandicapten aan het Sonderkommando van Herbert Lange, die in de Reichsgau Oost-Pruisen verantwoordelijk was voor het vergassen van duizenden patiënten uit psychiatrische inrichtingen. Greiser zorgden voor de hervestiging van Volksdeutsche vluchtelingen uit op de Sovjet-Unie veroverde gebieden. Tussen oktober en december 1939 werden bijna 60.000 Volksduitsers vanuit de Baltische staten Estland en Letland naar Duitsland overgebracht. Later werden ruim 100.000 Volksduitsers, voornamelijk boeren en plattelandsmensen, geëvacueerd uit Wolynië en Oost- Galicië naar de omgeving van Lódz, dat intussen was aangewezen als het belangrijkste opvangcentrum van de Volksdeutsche Mittelstelle (VoMi). In mei 1940 werden nog eens 30.000 Volksduitsers overgeplaatst vanuit het Generalgouvernement overgeplaatst naar Greisers Reichsgau. Vanaf juni 1941, tijdens de Duitse invasie en bezetting van de Sovjet-Unie, werden nog eens 300.000 etnische Duitsers uit Rusland en Oekraïne naar Reichsgau Wartheland geëvacueerd. Daar werd Posen inmiddels beschouwd als de meest gegermaniseerde stad in de veroverde gebieden. Dat werd op 3 augustus 1943 in aanwezigheid van kopstukken als Martin Bormann, Joseph Goebbels en Heinrich Himmler feestelijk gevierd. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 5)

Deel 5- Anton de Kom in LinksRichten

In Links Richten, nummer 5-6 van maart 1933 verschenen twee artikelen over de reis van Anton de Kom naar Suriname.
Het eerste, korte artikel bevatte een kort berichtje van Adekom, het weinig verhullende pseudoniem van De Kom, en een redactionele toevoeging over diens snelle arrestatie na aankomst.
In het tweede artikel, ‘Hoe Van der Sleen Suriname zag’, gaf De Kom zijn eerste impressies van de levensomstandigheden in Suriname voor de arbeiders, waarin de auteur ingaat op de lezingen die de Nederlandse schrijver en ‘ontdekkingsreiziger’ Wicher van der Sleen eind 1932 had gehouden over zijn bezoeken aan Indonesië en Suriname. Het geeft een aardig beeld van hetgeen hij in januari 1933 aan zijn Surinaamse toehoorders moet hebben gemeld en wat het gezag ter ore moet zijn gekomen.
In nummer 8 van LinksRichten iets later in 1933 verscheen een gedicht van Bertus Meijer, waarin de inmiddels weer in Nederland teruggestuurde Anton de Kom en zijn Surinaamse medestanders een hart onder de riem werd gestoken. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 4)

Deel 4- Anton de Kom in Suriname

Anton de Kom (Paramaribo, 22 februari 1898 – Kamp Sandbostel, Neuengamme, 24 april 1945) was een Surinaamse antikoloniale schrijver en nationalist en tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland een verzetsstrijder. De Kom was de zoon van de boer Adolf Damon de Kom en Judith Jacoba Dulder. Zijn vader was nog geboren in slavernij en behoorde toe aan de slavenmacht van plantage Molhoop, in eigendom toebehorend aan Hendrik Jan Veldwijk. Zijn naam is waarschijnlijk afgeleid van een plantage-eigenaar Mok. Zijn moeder kwam uit een familie die in 1841 werd vrijgekocht; ze had een winkel. Anton de Kom vertrok eind 1920 naar Nederland, waar hij omstreeks 1925 vertegenwoordiger in koffie, thee en tabak was voor de Haagse koffiebranderij Reuser en Smulders. Hier leerde hij zijn latere echtgenote Nel Borsboom, met wie hij vier kinderen zou krijgen. Hij was actief in diverse socialistische en antikoloniale organisaties. Zo was hij in 1927 aanwezig op de oprichtingsvergadering in Brussel van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking. Hij riep daar Mohammed Hatta en andere Nederlands-Indische leiders op om op te staan tegen het kolonialisme. Ook was hij betrokken bij Indische studentenverenigingen die zich afzetten tegen het kolonialisme en bij Links Richten, een vereniging met sympathie voor het Russische communisme, en het communistische dagblad De Tribune. De Centrale Inlichtingendienst (CID) had hem in 1929 al in het vizier en had het over één West-Indiër die zich ophield bij de antikoloniale beweging Perhimpoenan Indonesia. (meer…)

JOUNO BIRNBAUM – 004

Jouno Birnbaum (Joke Pereboom) werd op 4 april 1939 in Rotterdam geboren. Zijn vader Henri Birnbaum was daar administrateur van het Joodse kerkhof. Henri Birnbaum had drie broers en een zus, die alle vier in Auschwitz of Sobibor om het leven kwamen: Marcus Birnbaum (1891-1943), Louise Cahn-Birnbaum (1892-1943), Betsij Workum-Birnbaum (1893-1943) en Simon Sigmund Birnbaum (1894-1943). Ook hun echtgenoten, kinderen en aangetrouwde familieleden werden tijdens de oorlog bijna allemaal vermoord.

Alleen van Simon Sigmund Birnbaum (Amsterdam, 17 juni 1894-Sobibor, 23 juli 1943), de oom van Jouno Birnbaum is een redelijke beschrijving te vinden. Op 17 november 1924 trouwde Simon met Jeanne Charlotte Lang (Zürich, 11 augustus 1904-Sobibor, 23 juli 1943). Het echtpaar kreeg drie kinderen. De eerste twee werden in Amsterdam geboren: Eugène Arthur op 2 september 1925 en Doris Sabine op 27 april 1928. In februari 1931 verhuisde de familie Birnbaum van Amsterdam naar Hilversum. Daar werd op 13 februari 1936 Elly Rosalie geboren. De verhuizing naar Hilversum was nodig vanwege de aanstelling van Simon als directeur van het Bioscooptheater Casino (voorheen Feest- en Concertgebouw Trianon). Het pand met een voor die tijd vooruitstrevende architectuur werd in 1912 gebouwd als autogarage en showroom voor de welgestelden uit Hilversum en omstreken. Simon was actief in het Hilversumse Joodse leven: hij was penningmeester van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Hilversum en tijdens de oorlog werd hij plaatselijk Hoofdvertegenwoordiger van de Joodse Raad te Hilversum. In 1939 nam men de Duits-Joodse vluchteling Heinz Erich Pfifferling (1926-1945) in huis. (meer…)

JOHN BLOM – 003

John Blom (Jan Blom) werd op 27 oktober 1930 geboren als tweede zoon van Maurits Blom (Amsterdam, 21 september 1894 – Sobibor, 16 juli 1943) en Rachel Blom-Maij (Amsterdam, 29 september 1894 – Auschwitz, 19 november 1943), aan Rijnstraat 58 in Amsterdam een luxe banketbakkerij annex chocolaterie genaamd ‘Maison Blom’ hadden, bekend van de orgeade- en gemberbolussen. De clientèle kwam uit de hele stad. Zijn acht jaar oudere broer Daniel Gerrit  Blom (Amsterdam, 24 mei 1922 – Sobibor, 4 juni 1943) was na de middelbare school het diamantvak ingegaan bij de Firma May op de Ceintuurbaan, ongetwijfeld familie van moederskant. In het gezin werden veel boeken gelezen en werd naar klassieke muziek geluisterd. Het gezin was niet godsdienstig, maar onderhield wel bepaalde joodse tradities. John Blom publiceerde in 2008 als enig overlevende kind uit dit gezin zijn levensverhaal ‘Nooit meer naar huis. Mijn ontsnapping uit de Hollandsche Schouwburg’. John verbleef sinds 1 september 1943 tot 1 augustus 1944 bij het gezin Custers-Claessens in Swolgen. Daarna was hij nog een tijdje bij een pleeggezin in Sint Hubert. Op Joods Monument plaatste hij in januari 2011 drie korte ‘Herinneringen aan het gezin Blom-Maij’ ter herinnering aan zijn beide ouders en broer. John Blom heeft zijn ervaringen opgeschreven in het boek ‘Nooit meer naar huis : mijn ontsnapping uit de Hollandsche Schouwburg’. (meer…)

019 – PANNERDEN DE POL 1

019 – MAASPLEIN 2

2006-07-10 Maasplein2

Maasplein in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

DE DRIE GRATIËN – 051

Manierre Dawson (Chicago, 22 december 1887 – Sarasota, 15 augustus 1969) was een abstracte Amerikaanse schilder en beeldhouwer. Hij volgde eerst een opleiding in civiele techniek, wat een blijvende invloed op zijn schilderstijl zou hebben. De mechanische tekenmethoden en cursussen beschrijvende geometrie hadden tot gevolg dat hij in 1908 in een geometrische stijl te schilderen. Niet toevallig was vanaf 1906 in Frankrijk het kubisme populair en dat ging niet ongemerkt aan de Verenigde Staten voorbij. In het voorjaar van 1910 maakte Manierre Dawson een eerste serie van abstracte schilderijen. Hij werkte op dat moment nog als eerstejaars medewerker bij een architectenbureau in Chicago, maar zegde die baan tijdelijk op toen hij een beurs kreeg voor een educatieve reis naar Europa. In 1910 maakte hij een reis van zes maanden door Europa, waarin hij Engeland, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland en Italië aandeed. Hij bezocht er een hele reeks musea en archeologische sites, bezocht gelijkgestemde kunstschilders en sprak met vooraanstaande kunstverzamelaars. Het zou zijn enige buitenlandse reis blijven, die hij tot in detail in een dagboek vastlegde. In 1911 en 1914 maakte hij op basis van deze indrukken een serie schilderijen, gebaseerd op klassieke voorstellingen en schilderijen van oude meesters. Deze vier jaren zouden de meest productieve periode uit zijn schildersleven worden. Daarin, haast onvermijdelijk, een interpretatie van het mythologische verhaal van De Drie Gratiën, waarin de invloeden van het kubisme en zijn ervaring met mechanische tekenmethoden overduidelijk zijn. Datzelfde gold voor andere werken uit die periode, zoals ‘Meditation’ en ‘Statement.

(meer…)

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 6)

Arthur Karl Greiser (1897-1946) is een van de tienduizenden onbekende Duitse ‘Schreibtischtäter’, die Hannah Arendt in haar beroemde boek in 1963 over het proces tegen Adolf Eichmann al beschreef en betitelde als ‘the bureaucracy of murder“  en ‘the modern, state-employed mass murderers’.  De soort moordenaars die vaak wegkomt met alle wandaden die ze onder hun verantwoordelijkheid hebben laten plegen, terwijl de ondergeschikten wel vaak (en terecht) zwaar moeten boeten voor de door hen medegepleegde massamoorden. De nazi-politicus, SS-Obergruppenführer, Gauleiter en Reichsstatthalter van de Reichsgau Wartheland had niet dat geluk. Hij was primair verantwoordelijk voor het organiseren van de holocaust in zijn deel van bezet Polen en voor tal van andere misdaden tegen de menselijkheid. Hij werd in 1945 door de Amerikanen gearresteerd en in 1946 in Polen berecht, veroordeeld en geëxecuteerd door ophanging.

Greiser werd op 22 januari 1897 geboren in Schroda (nu Środa Wielkopolska) in de toenmalige Duitse provincie Posen als zoon van een lokale gerechtsdeurwaarder, in de omgeving van Poznan. Tijdens zijn jeugd binnen een overwegend Poolse gemeenschap leerde hij vloeiend Pools spreken. Na de lagere school volgde hij eerst twee jaar de middelbare school en daarna het Königlich-Humanistisches Gymnasium in Hohensalza, een oud Poolse stadje dat centraal ligt in de driehoek Lódz-Poznan-Bydgoszcz. Die naam kreeg het pas in 1904, voorheen heette het Inowrocław, dat het na 1945 weer aannam. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, verliet de zeventienjarige Greiser de school zonder een diploma te hebben behaald om op 4 augustus 1914 vrijwillig dienst te nemen in de Duitse Keizerlijke Marine. Van augustus 1914 tot juli 1915 was hij gelegerd bij de marine in Fort Korügen, en Fort Laboe, die tot 1919 op de oostelijke rivierkant deel uitmaakte van forten voor de landverdediging van de belangrijke marinebasis in Kiel. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 3)

Deel 3- Wolfenbüttel als strafkamp

Het opsluiten van Louis Doedel, een van de organisatoren van de Hongeroproer in 1931, in de psychiatrische inrichting Wolfenbüttel was geen eenmalige actie van het koloniale bewind. De link tussen Surinaamse namen van plantages en nederzettingen met Duitsland, waarvan Wolfenbüttel er slechts een van de velen is, is uiteengezet in een artikel op Buku-Bibliotheca Surinamica van Carl Haarnack. In 1737 werd voor het eerst melding gemaakt van de ‘coffiegrond Wolffenbuttel, gelegen aan het reypad’’, vlakbij Paramaribo. Rond 1891 besloot het koloniaal bestuur om een stuk land van 85 ha groot bij plantage Wolfenbüttel aan te kopen om te dienen als ‘bewaarplaats voor de geesteszieken’. In 1895 kon in de directe omgeving van Plantage Wolfenbüttel de inrichting voor psychiatrische patiënten in gebruik worden genomen. De inrichting werd in de volksmond vaak ‘Kolera’ genoemd, omdat voorheen psychiatrische patiënten werden opgesloten in barakken die eerder waren gebruikt om cholerapatiënten in quarantaine op te sluiten. Op 10 augustus 1896 werd dr. F.C. Dobberke, psychiater en geneesheer aan het provinciaal gesticht voor krankzinnigen Meer en Berg in de gemeente Bloemendaal benoemd tot eerste geneesheer-directeur van het krankzinnigengesticht. Er werd begonnen met veertig patiënten (26 mannen, 14 vrouwen) bij een capaciteit van honderd bedden en een personeelsbestand van zeven personen. De patiënten werden toen nog steeds in isolatie gehouden, maar er werden, zonder grote successen overigens, wel door de uit Nederland overgekomen Dobberke nieuwe behandelingsmethoden toegepast, zoals koortsbehandeling, badtherapie, therapieën waarbij insuline en cardiazol werd gebruikt en elektroshocktherapie. In 1912 werd de Krankzinnigenwet afgekondigd, waarin werd bepaald dat de procureur-generaal verantwoordelijk was voor de opname en verpleging van krankzinnigen in het gesticht. (meer…)

ZILLI BAK – 002

OpelFahrrad a quintZilli Bak (Thea Maarschalkerweerd), geboren op 14 mei 1937, was de dochter van winkelier Benediktus Bak (Den Haag, 4 mei 1909 – Auschwitz, 30 juni 1944) en Debora Bak-Lehrer (Mochnate, 15 november 1913 – Auschwitz, 28 januari 1944), die van Poolse afkomst was. Benedictus Bak was een zoon van Joël Bak en Kaatje Bak-Gobes die in de Wagenstraat 165 te Den Haag een winkel in belegde broodjes hadden, waar het echtpaar ook woonde. Ze hadden ook nog een winkel in Scheveningen. Het echtpaar had drie kinderen: Benedictus, Joseph en Betsy. Vader Joël Bak overleed onverwachts op zestigjarige leeftijd in Amsterdam op 12 augustus 1942.

Benedictus (bekend als Ben) en Joseph (Joop) werkten in de broodjeszaken, die bekend waren om hun heerlijke om hun kroketten. Ze woonden toen in de Koningin Wilhelminalaan 21 in Leidschendam. Er woonden aan het begin van de oorlog slechts 25 Joden in Leidschendam, inclusief Stompwijk dat in 1938 bij Leidschendam was gevoegd. Eind 1940 werd in Leidschendam Hendrik Banning benoemd tot burgemeester, nadat hij omstreeks oktober 1940 na slechts een half jaar moest vertrekken als burgemeester van Tubbergen om plaats te maken voor een nationaalsocialist. Al twee maanden na zijn benoeming vond In Leidschendam een aanslag plaats op zijn ambtswoning, waar geen gewonden bij vielen, want er waren grote twijfels over de politieke gezindheid van de nieuwe burgemeester. Dat bleek niet terecht en in 1942 werd hij door de Duitsers dan ook vervangen door NSB-burgemeester Simonis. (meer…)

LEA SZANOWSKI – 001

Lea Szanowski (Lenie de Groot) was de dochter van de Amsterdamse kleermaker Abram Szanowski (Lodz, 28 juli 1907-Mauthausen, 10 oktober 1941) en Gitel (Guta) Goldblum (Lodz, 15 februari 1914 – Buenos Aires, 16 september 2003). De ouders van Abram hadden in Lodz een kruidenierswinkel. Begin 1926 vertrok broer Jacob vanuit Lodz naar Amsterdam, Abram volgde hem in 1928. Beide broers waren kleermaker en vonden werk bij de confectiefabriek van David Nord op de Nieuwendijk. Jacob had nog een tijdje een ijswinkel, maar later begonnen de broers samen in de Van Swindenstraat 3 in Amsterdam-Oost, waar Abram vanaf eind 1933 woonde, de ‘Weener Kleerdermakerij’ waar ze klleding op maat maakten. Toen Abram in 1936 voor een bezoek terugging naar zijn geboortestad, ontmoete gij daar Gittel Goldblum. Op 13 augustus 1936 traden ze in Lodz in het huwelijk, maar pas bijna een jaar later kon Gitel zich bij haar man voegen die toen in de Van Swindenstraat in Amsterdam woonde. In november 1938 werd hun eerste dochtertje Lea geboren en op 8 januari 1941 hun tweede, Estera (roepnaam Elli), die was vernoemd naar Abrams zus, die ook naar Nederland was gekomen maar in het kraambed was gestorven. Abram zou zijn jongste dochtertje maar zes weken mee. Toen hij op zondag 23 februari 1941 naar het centrum van de stad ging om boodschappen te doen, werd hij bij de tweede razzia opgepakt. Als gevolg van al maandenlange spanningen en conflicten tussen enerzijds leden van de nationaalsocialistische Weerbaarheidsafdeling (WA) van de NSB en anderzijds communistische knokploegen en de Joodse bevolking in de stad, culminerend in de dood van WA-man Hendrik Koot en rellen rond diens begrafenis, voerde de Duitsers op 22 en 23 februari 1941 twee razzia’s uit. Er werden ongeveer 400 Joden opgepakt en overgebracht, waar de meeste om het leven kwamen. De twee razzia’s leidden tot een golf van ontzetting onder de Amsterdamse bevolking en waren de directe aanleiding voor de Februaristaking (25-26 februari 1941). Abram Szanowski was een van de opgepakten. Hij kwam via kamp Schoorl en Buchenwald in Mauthausen terecht, waar hij op 10 oktober 1941 stierf. (meer…)

PANNERDEN

Pannerden werd voor het eerst omstreeks het jaar 1.000 genoemd. Het is dan een nederzettinkje in de omgeving van een versterkt huis, waarschijnlijk de Heukelumshof dat later bekend zou worden als het Kasteel Byland. Het kasteel zou rond 1726 door de rivier zijn weggespoeld. De nederzetting behoorde in die tijd toe aan de bisschop van Luik. In 1284 werd de nederzetting Pannerden door de Proost van Luik verkocht aan het kapittel van Emmerik, die het daarna in erfpacht uitgaf aan Willem Doys, die al het Kasteel Byland (ook wel Kasteel Scate genaamd) van de Graaf van Kleef in leen had. Door het huwelijk van Willem’s kleindochter Sophia met de Graaf van Bergh in 1346 werd Pannerden een leen van het Huis Bergh, wat het tot 1801 zou blijven. In dat jaar werd de heerlijkheid Pannerden gekocht door Carel Herman van Nispen. In 1600 was Pannerden tijdens de reformatie gereformeerd geworden, maar van de Pannerdense kerk werd slechts het koor van de kerk door de gereformeerden voor de diensten gebruikt. Het kerkschip raakte in verval en op die plaats werd toen een schooltje gebouwd. In 1878 werd een nieuwe kerk gebouwd, de Sint-Martinuskerk.

Tot 1817 behoorde Pannerden tot het koninkrijk Pruisen, maar werd in dat jaar overgedragen aan het Koninkrijk der Nederlanden en werd op 1 januari 1818 een zelfstandige gemeente. Op die dag werd de gemeente Herwen verdeeld door het ene gedeelte verder te laten gaan als gemeente Pannerden en de andere helft als de gemeente Herwen en Aerdt, waartoe ook de opgeheven gemeente Lobith werd gevoegd. (meer…)

018 – MAASPLEIN 1

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 2)

Deel 2- Het tragische leven van Louis Doedel

Over de activiteiten van De Kom in Suriname wordt in de delen 4, 5 en 6 ingegaan. Eerst echter het tragische verhaal van hoe het Louis Doedel vanaf het vertrek van Anton de Kom in mei 1933 is vergaan.

In 1933 zette Louis Doedel een ‘Kantoor voor Algemene Zaken’, dat een vakliedenbeurs kende om beter zicht te krijgen op de omvang van de werkloosheid en om te bemiddelen bij werk. In de jaren daarna gaf hij een hele serie pamfletten, manifesten en kranten uit, waaronder De Banier, De Meidoorn en Jong Suriname. Hierin vroeg hij voortdurend aandacht voor de problemen waarmee arbeiders, kleine boeren en werklozen in Suriname te kampen hadden. In alle publicaties verweet hij consequent het koloniaal bewind een krachteloos beleid te voeren tijdens de jarenlange economische crisis. Door zijn politieke activiteiten en geprononceerde stellingname raakte Doedel onvermijdelijk in conflict met de koloniale autoriteiten. In 1934 raakte Doedel in conflict met procureur-generaal Frans van Haaren over het artikel ‘Welk parool?’ in zijn maandblad ‘Jong Suriname’, met een heftige aanval op de Nederlandse kruidenierspolitiek ten aanzien van Suriname. In 1935 publiceerde hij crisismanifesten, waarin hij twee jaar ‘laissez-faire-bestuursbeleid’ van gouverneur Johannes Kielstra (die in oktober 1933 gouverneur Rutgers had opgevolgd) onder de loep nam. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 1)

Deel 1- De voorgeschiedenis

Vanaf eind achttiende eeuw bevond de economie van Suriname zich in een neerwaartse spiraal. De opkomst van concurrerende producten zoals bietsuiker uit Europa en katoen uit de Verenigde Staten was goed merkbaar. De afschaffing van de slavernij in 1863 was een tweede factor van betekenis. Door de opening van het Suezkanaal waren er steeds betere investeringsmogelijkheden in het toenmalige Nederlands-Indië, wat ten koste ging van investeringen in Suriname. Bovendien volgde de Nederlandse regering een laissez-faire politiek in plaats van problemen planmatig aan te pakken. Als gevolg van dit alles verlieten vele voormalige slaven de plantages in de binnenlanden en trokken naar de steden, met name naar Paramaribo. Het koloniaal bestuur speelt hierop amper en in bleef krampachtig vasthouden aan de plantagelandbouw en de eind negentiende eeuw opkomende grondstoffenexploitatie. Toen vanaf 1929 een mondiale economische crisis uitbrak, was Suriname dan ook zeer slecht uitgerust om hier weerstand tegen te bieden.

Op politiek terrein werd het land sinds 1866 geregeerd door de Koloniale Staten, die slechts de elitaire bovenlaag van nog geen 2% van de bevolking vertegenwoordigden. Alle bevoegdheden tot het nemen van beslissingen berustte bij de gouverneur, een Nederlandse ambtenaar die door de Nederlandse regering werd benoemd. Alle politieke macht was dus in feite in handen van de Nederlandse regering. Er waren geen politieke partijen en de pers, vaak gerund door Statenleden, hadden een belangrijke politieke rol. De zogenaamde volksklasse had vanwege het censuskiesrecht niets in te brengen en kon haar stem slechts laten horen door bijvoorbeeld plichtsverzuim, stakingen, opstanden en vakbondsorganisatie. Gelukkig voor het koloniale gezag waren al die acties lokaal gericht, kenden geen lange-termijndoelstellingen en ontbrak het altijd aan goede leiding en organisatie, ook bij de vakbondjes die vanaf 1900 opkomen. (meer…)

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 5)

De Duitsers annexeerde op 8 oktober 1939 de veroverde Poolse gebieden en verdeelde het westelijk-noordelijke deel in vier Reischgaue en in het oosten werd het Generalgouvernement opgericht. Piotrków Trybunalski kwam te liggen in de Reichsgau Posen, waarvan SS-Obergruppenführer Arthur Greiser tot Gauleiter werd benoemd. Hij zou die functie gedurende gehele oorlog behouden. Op 29 januari 1940 werd de Reichsgau Posen omgedoopt tot de Reichsgau Wartheland. Piotrków Trybunalski werd benoemd tot de hoofdstad van een Kreis, die deel uitmaakte van het nieuw gecreëerde Regierungsbezirk Litzmannstadt (District Lódz) binnen de Reichsgau. De Wehrmacht onder bevel van General der Artillerie Walter Petzel vestigde zich in Posen (Poznan) en bestuurde van daaruit haar militaire operaties over het gebied, dat overwegend werd bewoond door etnische Polen. Er was een redelijke Duitse minderheid (16,7%) en een kleine Joodse bevolking.  De Duitse overheid streefde naar het volledig germaniseren van het geannexeerde Poolse gebied, waarmee in 1939 in de nieuwe Reichsgau Wartheland moest worden begonnen. De Poolse bevolking diende te worden geherhuisvest en hun plaatsen diende te worden ingenomen door Duitse militaire en civiele kolonisten, waaronder Oost -Europees Volksdeutsche. De Joodse bevolking werd in eerste instantie vooral bijeengedreven in het getto van Łódź, ongeveer 25 kilometer ten noorden van Piotrków Trybunalski, en vervolgens binnen twee jaar werden uitgeroeid in Vernichtungslager Kulmhof (Chełmno). (meer…)

ROB KORPERSHOEK

Al vanaf het begin van de oorlog was er in Hilversum en omstreken een groepje zeer jeugdige scholieren die zich afzette tegen de Duitse bezetting. Dat waren onder meer Rob Korpershoek (1926-2014), Wouter Albers, Wim Freni, Guus Dull en Leo de Zoeten. Ze lieten hun onvrede merken door illegale bladen en pamfletten te maken en die door de stad te verspreiden. Het amateuristische maar ook de jeugdige spontaniteit, zich amper bewust van de risico’s die ze liepen, spat er vanaf. Zo weerden artikelen ondertekent met ‘Simon Saboteur’ en Rob Korpershoek ondertekende altijd met een simpele ‘M’, die was afgeleid van de eerste letter van zijn schuilnaam ‘M.O.F. Fenhater. Vanaf 1943 gebruikte het groepje de naam NV De Strijders en publiceerde ze onder meer het blad Ons Verzet (nr. 580 in L. Winkel, De Ondergrondse Pers). Ook werd een jaarlijkse Vrijheidskalender uitgegeven, die in 1944 in een oplage van 100 exemplaren en een tarief van 50 cent werd verspreid onder geïnteresseerden. Op 15 januari 1945 publiceerde Korpershoek een prent tegen aanmelding tegen de Arbeitseinsatz, die tegen het eind van de oorlog bijzonder aansloeg.

In de Boekenlage1987 van Vrij Nederland verscheen onder de titel ‘Jongeren in de illegaliteit. Hilversumse scholieren in het verzet 1940-1945) onderstaand artikel van Hans Mulder. Dit naar aanleiding van het boek van Jet Baruch en Jenny Smit, ‘Oorlog met de tekenpen Verzet van jongeren in het Gooi, 1940-’45’ en de tentoonstelling die daarover tot maart 1988 in het Rijksmuseum liep. Ter illustratie daarbij de beroemde tekening die Rob Korpershoek maakte voor een strooibiljet, dat in een oplage van maar liefst 400.000 exemplaren werd verspreid. Vanwege die grote oplage werd lang gedacht dat het biljet vanuit de geallieerde propagandamachine kwam. (meer…)

HANNA VAN DER VOORT

Hanna van de Voort (Meerlo, 26 november 1904 – Utrecht, 26 juli 1956) was de dochter van een banketbakker in het Limburgse Meerlo, een dorpje langs de Maas en vlak bij Venray. Bij het uitbreken van de Tweede Oorlog was ze in het nabijgelegen Tienray kraamverzorgster. De oorlog zou bijna rustig aan haar voorbij zijn gegaan als ze niet in mei 1943 door twee Limburgse jongens die in Amsterdam studeerde was benaderd met de vraag of ze niet pleeggezinnen kende die een tijdje Joodse kinderen uit Amsterdam wilde opvangen. Dat waren Karel Ex (Venlo, 1923 – Amsterdam, 1999) en Joe Russell uit Tegelen, de zoon van de mede-eigenaar van het Tegelse keramiekbedrijf N.V. Russel-Tiglia was een keramiekbedrijf. Hanna vroeg na deze onverwachtse vraag om advies aan haar hulpbehoevende moeder Marie van de Voort-Everts, die direct antwoordde: ‘Duizend kinderen, Hanna! Die moeten we helpen!’ Hanna organiseerde vervolgens in Tienray de hulp aan joodse onderduikertjes. Ze werden hierin bijgestaan door de joodse onderduiker Kurt Löwenstein en de ondergedoken student Nico Dohmen.

Kurt Löwenstein (Allenstein, 17 november 1925 – Beverly Hills, 8 mei 2017) waas de zoon van een Joodse advocaat die zich nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen noodgedwongen Berlin moest vestigen waar een grotere Joodse gemeenschap was, dus meer kans op werk. Zijn oudere broer Heinz was enkele maanden voor het uitbreken van de oorlog naar Groot-Brittannië uitgeweken. Kurt en zijn ouders hadden de pech dat uitgerekend op de dag dat ze vanuit Rotterdam de overtocht naar de Verenigde Staten zouden maken, de Duitsers Nederland binnenvielen. Zijn vader kon door zijn werk bij de Joodse Raad in Amsterdam nog een tijdlang vrijstelling van deportatie krijgen, maar in juni 1943 kwam het drietal toch terecht in Kamp Westerbork. (meer…)

018 – LOBITH – CARVIUM NOVUM 12


.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.

MAASPLEIN NIJMEGEN

OpelFahrrad a quintHet Maasplein en omgeving ligt in het oudste gedeelte van het Waterkwartier en is genoemd naar de rivier de Maas, die in Frankrijk op het plateau van Langres ontspringt. De bijna geheel gekanaliseerde rivier heeft een lengte van 925 kilometer en komt bij Maastricht ons land binnen. Op 25 mei 1921 werd in Nijmegen het raadsbesluit genomen dit deel te bebouwen. In dat raadsvoorstel stonden onder meer de namen Amstelplein en Amstelstraat, Maasplein en Maasstraat, Merwedestraat, Rijnstraat en Waalstraat. Bij de Maasstraat en het Maasplein werd wel onderscheid gemaakt tussen de straat en het plein, maar het Maasplein was dan ook aanmerkelijk groter dan het zogenaamde Amstelplein. De buurt waar die straten en pleinen liggen, heette oorspronkelijk de Rivierenbuurt. Logisch gezien de namen. Al vanaf het begin kwam bij de bevolking echter de naam Waterkwartier in zwang en werd de officiële benaming helemaal verdrongen. Bij de Volkstelling 1960 werd de wijk- en buurtindeling aangepast en werd de naam Waterkwartier vervangen door Biezen. Meer dan zestig jaar later is deze nieuwe naam nog steeds niet erg ingeburgerd en wordt nog steeds gesproken over het Waterkwartier. Deze naam is nooit formeel door de gemeenteraad vastgesteld en komt ook niet voor in de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). Officieel bestaan het Amstelplein en het Waterkwartier dus niet. In 1922 werden in dit oudste gedeelte van het Waterkwartier 314 arbeiderswoningen gebouwd. Op 28 Januari 1923 besloot de Gemeenteraad tot aankoop van verschillende percelen om de verbinding tussen de Maasstraat (het oudste gedeelte) en de Biezenstraat te verbeteren. Per Raadsbesluit van 1 februari 1928 werd dit nieuwe gedeelte ook Maasstraat genoemd. Bij Raadsbesluit d.d. 14 mei 1997 kreeg een deel van de Maasstraat alsnog de naam Maasplein op grond van onder meer de volgende argumenten: (1) De tekst van de raadsbesluiten van de straatnamen Maasplein en Maasstraat wijkt af van de feitelijke situatie; (2) De huisnummering van de betreffende woningen is al op basis van de daadwerkelijke situatie vastgesteld. (meer…)

TOBIAS PORTSCHY

81e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Tobias Portschy (Unterschützen, 5 september 1905 – Rechnitz, 2 maart 1996) was een Oostenrijkse advocaat en nationaalsocialistische politicus. Portschy ging in zijn jeugd naar de lagere school in Unterschützen, een gehucht met een paar honderd inwoners. Daarna ging hij naar de Evangelische Hogeschool in Oberschützen, een iets groter dorp een paar kilometer verderop. Het lag niet al te ver verwijderd van de Siebengemeinde (Eisenstadt, Mattersdorf, Kobersdorf, Lackenbach, Frauenkirchen, Kittsee en Deutschkreutz), zeven Joodse gemeenten waarvan vooral Mattersdorf en Deutschkreutz een overwegend orthodoxe Joodse bevolking kende. In Deutschkreutz bevond zich een beroemde Talmoedschool, waar Joden van allerlei landen studeerde. De componist Karl Goldmark groeide daar op in de Joodse gemeenschap. Pas in 1920 was het westelijke, Duitstalige deel van Hongarije, dus ook Oberschützen, aan de Republiek Oostenrijk toegekend als uitkomst van het Verdrag van St. Germain (1919) en het Verdrag van Trianon (4 juni 1920). Het nietige Oberschützen was in de jaren dertig in Burgenland het centrum van de illegale NSDAP. Al in 1931 werd hier een lokale nationaalsocialistische afdeling opgericht. (meer…)

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 4)

Volgens het register van 1940 waren er 20.421 Joden in de provincie Piotrków. Het getto van Piotrków Trybunalski werd van 15 tot 21 oktober 1942 geliquideerd. Van juli tot september 1942 schoten de Duitsers zestig mensen dood in de bossen van Raków. Tijdens de liquidatie van het getto werden ongeveer 22.000 mensen afgevoerd naar het Duitse vernietigingskamp in Treblinka. Honderdvijftig mensen werden neergeschoten en de rest – in totaal 2,4 duizend – opgesloten in werkkampen. De laatsten uit deze kampen werden op 25 november 1944 naar Duitsland vervoerd. Gevangenen werden naar de kampen Buchenwald en Ravensbrück gestuurd. In 1945 waren er nog 372 Joden in Piotrków Trybunalski. Maar de overgrote meerderheid van hen verliet de stad in de daaropvolgende jaren. Binnen enkele jaren was een einde gekomen aan een eeuwenlang bloeiende Joodse gemeenschap binnen het Poolse stadje, waarvan in 1928 maar liefst 65% van alle ambachtslieden en kooplieden Joods was. Het stadje kende Joodse ondernemers met een sodawaterfabriek, een paar leerlooierijen, een oliemolen, een ijzergieterij, een timmermanswerkplaats, een zagerij, een steenfabriek, een triplexfabriek, een stoomzagerij, een vatenfabriek, drie graanmolens en tal van kruideniers- en kledingswinkels. Plus een rijk cultureel en religieus leven. Ruim 20.000 Joodse inwoners van Piotrków Trybunalski waren tussen 1942-1945 door de Duitsers vermoord. Twintigduizend, dat is een hoog aantal, maar zegt tegelijkertijd zo weinig omdat het slechts een getal is, een abstract gegeven. We kunnen er geen twintigduizend gezichten bij voorstellen, zoals we wel gezichten kunnen voorstellen  bij een ongeluk waarbij vijf mensen om het leven komen of een misdrijf waarbij vier mensen worden vermoord. Daarom spreekt het verhaal van Anne Frank zo aan, een jonge Joodse puber, die een dagboek naliet en waarvan wat foto’s dat trieste levensverhaal ondersteunen. Daarom is het boek In Memoriam van Guus Luijters ook zo overdonderend, want naast de lijst met namen van kinderen die naar de concentratiekampen werden getransporteerd, staan de foto’s die de schrijver van die kinderen heeft kunnen achterhalen. Van de inwoners van het getto in Piotrków Trybunalski in 1942 is het samenstelling van zo’n portrettengalerij onmogelijk. Een overzicht van enkele inwoners van het stadje in 1919-1920 geeft een aardig beeld van wat bruut werd vermoord. (meer…)

WESTERWEELGROEP

Joop Westerweel (Zutphen, 25 januari 1899 – Vught, 11 augustus 1944) was de zoon van een drukker in Zutphen. Zijn ouders werden later lid van de Vergadering van Gelovigen, een uit Engeland afkomstige protestantse vernieuwingsbeweging. Inspiratiebron voor hen waren de eerste christelijke bewegingen, gekoppeld aan eerbied voor het Oude Testament. Joop brak al jong met de Vergadering, maar de bijbel bleef voor hem een inspiratiebron. Hij was rond 1920 politiek actief ter linkerzijde van sociaaldemocratische SDAP. Als pacifistische christenanarchist geloofde hij sterk in een geweldloze oplossingen van conflicten. Hij werd dan ook onvermijdelijk dienstweigeraar toen hij opgeroepen werd voor militaire dienst. Hij was op dat moment werkzaam als onderwijzer in Nederlands-Indië. Hij kreeg een gevangenisstraf en werd het land uitgewezen. In Nederland ging hij werken aan de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven, een algemeen-bijzondere school met basisonderwijs en voortgezet onderwijs die in 1926 was opgericht door Kees Boeke en zijn vrouw Betty Cadbury. De school bestaat nog steeds en is onveranderd gebaseerd op hun pedagogische opvattingen waarbinnen de strijd tegen militarisme en geweld en het streven naar een vreedzame samenleving de centrale gedachten zijn. Voor de oorlog organiseerde Westerweel daar de opvang van Duitse en Poolse Joodse vluchtelingen en zorgde ervoor dat hun kinderen onderwijs kregen. (meer…)

JOHAN BERENDSEN, deel 2

Weer een dag later werd door Johan Berendsen met dezelfde meedogenloosheid Willem Kohlen (1881-1944) geëxecuteerd. Op 19 september liet de bezetter weten dat de binnenstad van Venlo moest worden ontruimd omdat het centrum Sperrgebiet zou worden. Ook het echtpaar Willem en Johanna Kohlen laden het broodnodige op een kar om hun woning te verlaten. Er ontstond commotie toen een medebewoonster van de Hakkesplaats de 63-jarige koopman en kraamverhuurder Kohlen, die de reputatie had nooit een blad voor de mond te nemen, ervan beschuldigde een portret van Adolf Hitler bij de vuilnis te hebben gezet en linnengoed van haar te hebben gestolen. Kohlen schamperde dat hij haar ‘stinkonderbroek’ niet nodig had. De jonge vrouw was echter in gezelschap van enkele Duitsers, die Kohlen een paar klappen gaven, zijn huis insleurden en daar verder mishandelden. De buurvrouw, werkzaam in het Deutsches Haus, en de Duitsers gingen vervolgens naar het pakhuis van de koopman en verdwenen iets later met twee kisten. Kohlen sloeg het advies in de wind zo snel mogelijk te verdwijnen. Toen de Duitsers terugkwamen, werd hij gearresteerd. Daarna werd door hen Johan Berendsen gebeld om naar de Ortskommandant in de Paterskerk te komen, Daar werd hem bevolen om een plunderaar te executeren. Berendsen en een AKD-collega, wachtmeester Sytze Blaauw, namen Willem Kohlen die avond mee en brachten hem bij de machineloods van de Maasbuurt-Spoorweg dicht bij het oude station met acht tot tien kogels om het leven. Een pater van de Sint-Josephparochie die het Heilig Oliesel wilde toedienen, werd door Berendsen weggestuurd. Een monteur van de Maasbuurt Spoorweg, L. Heurkens, had gezien wat er was voorgevallen en in oktober 1945 bleken ook twee andere personen getuigen te zijn geweest. Een van die getuigen beet hij toe: ‘Dit doen we met plunderaars!’ en in een rapport noteerde hij dat de man bij een vluchtpoging was neergeschoten. Het stoffelijk overschot van Wiel Kohlen werd overgebracht naar de begraafplaats aan de Kerkhofweg. Sytze Blaauw kreeg na de oorlog de doodstraf, maar werd later omgezet in een lange vrijheidsstraf. Mejuffrouw B., de boosaardige buurvrouw, werd ondanks halsstarrig ontkennen veroordeeld tot 3,5 jaar opsluiting in een Rijkswerkinstelling. (meer…)

JOHAN BERENDSEN, deel 1

Johan Berendsen (Avereest, 2 september 1912 – Vught, 2 mei 1947) werd geboren in Avereest, een Sallands dorpje in de omgeving van Dedemsvaart. In oktober 1939 trouwde hij met Annie de Vries (Blerick, 7 juli 1917 – Blerick, 15 april 1917), de dochter van een fanatiek NSB’er, en vestigde het echtpaar zich in haar woonplaats. Waarschijnlijk heeft Berendsen haar leren kennen toen hij daar zijn militaire dienstplicht vervulden. Daarna trad hij in dienst bij de politie in Venlo. Toen in mei 1940 de Duitsers Venlo aanvielen, maakte Berendsen deel uit van de bemanning van een van de bunkers bij de Maasbruggen in Blerick, waar hij een van de mitrailleurs bediende om de Duitse invallers te bestoken. Na zijn krijgsgevangenschap en ontslag uit de Nederlandse krijgsmacht werd hij in juli 1940 lid van de NSB-kring Venlo, waar hij vanaf december 1940 commandant was van de knokploeg van de Venlose NSB, de Weerbaarheids Afdeling (WA), door een Venlose amateurhistoricus treffend omschreven als ‘een irritant stelletje straatschenders’. Na een paar maanden van straatterreur bleek dat de leidinggevende capaciteiten van Berendsen ontoereikend waren. Hij stapte toen over naar de Nederlandsche SS, maar bedankte hiervoor al in 1941 omdat een dreigende gang naar het Oostfront hem afschrok.

In februari 1942 werd het eerste kind van het echtpaar Berendsen geboren, in maart 1943 volgde er nog een tweeling. In juli 1943 werd Johan Berendsen toegelaten op de Politieschool Schalkhaar (ook Politieopleidingsbataljon Schalkhaar genoemd), de centrale opleiding voor de Nederlandse politie. Vanaf juli 1941 werden daar in de Westenbergkazerne Nederlandse politiemensen in zes weken tijd onder Duits toezicht geschoold in de SS-ideologie om betere controle te krijgen over het Nederlandse politieapparaat. Na de opleiding werden deze agenten toegevoegd aan reguliere korpsen. Berendsen keerde op 16 augustus 1943 onder de rang van wachtmeester terug naar het korps in Venlo. Daar was een maand eerder de gevreesde SS’er Otto Couperus tot commandant was benoemd. In oktober 1943 werd Berendsen na een gunstige beoordeling bevorderd tot opperwachtmeester. (meer…)

017 – LOBITH CARVIUM NOVUM 11


.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.

GRAS IN DE WIND

DE DRIE GRATIËN – 050

Duncan Grant (Rothiemurchus, 21 januari 1885 – Aldermaston, 8 mei 1978) was een Schots kunstschilder die gerekend wordt tot de Bloomsburygroep, een groep schrijvers, kunstenaars en intellectuelen die aan het begin van de 20e eeuw met name binnen de Londense wijk Bloomsbury woonde en werkte. Grant was de zoon van een legerofficier, wat tot gevolg had dat hij zijn jeugd doorbracht in Birma en India. In 1894 keerde hij als negenjarige terug naar Engeland. Tot 1904 volgde hij enkele kunstopleidingen in Londen. In 1905 werd hij in de Bloomsburygroep geïntroduceerd door Lytton Strachey, een dichter en schrijver uit de groep. Strachey had als biseksueel een respectabel aantal, vaak ingewikkelde relaties, waaronder ook met Duncan Grant, die een neef van hem was. Grant zou ook een tijdlang een relatie hebben gehad met een ander bekend lid van de groep, de econoom John Maynard Keynes. In 1906 verhuisde Grant naar Parijs waar hij twee jaar lang kunstonderwijs volgde aan de La Palette School, gesticht en geleid door de portrettist Jacques-Émile Blanche, een goede vriend van Marcel Proust. Daarna keerde hij terug naar Londen, volgde verder schilderonderwijs. In 1914 kreeg de biseksuele Grant een relatie met de kunstschilder en binnenhuisarchitecte Vanessa Bell en met de schrijver David Garnett, die hij tijdens de Eerste Wereldoorlog had leren kennen. Die soort gemengde en wisselende seksuele relaties kwamen veel voor in de artistieke en intellectuele omgeving van de Bloomsburygroep, maar Duncan Grant en Vanessa Bell zouden tot haar overlijden in 1961 bij elkaar blijven. Het echtpaar woonden onder meer in het Charleston Farmhouse, waarin sinds 1986 een museum is gevestigd dat gewijd is aan de beeldende aspecten van de Bloomsburygroep. (meer…)

DE JOODSE INVALIDE

De rebbe Meyer de Hond (Amsterdam, 30 augustus 1882 – Sobibór, 23 juli 1943), geboren in een armlastig gezin in de Jodenbuurt en zeer begaan met de sociale ellende van de arme Joden, schreef begin 1911 de brochure ‘Een joods hart klopt aan uw deur’, waarin hij aandacht vroeg voor het lot van Joodse invaliden en ouderen, waarvoor amper aandacht was binnen de Joodse gemeenschap. De Hond was binnen de gemeenschap een controversieel figuur. Hij nam afstand van het socialisme en zionisme, bestreed het formalisme in het orthodoxe jodendom en ageerde tegen d Joodse elite die het niet zo nauw namen met de voorschriften. In 1904 kon hij nadat hij kandidaat-rabbijn was geworden door tegenstand van opperrabbijn Joseph Hirsch Dünner, de rector van het seminarium, zijn studie tot rabbijn niet vervolgen en nadat hij dit in Berlijn en Würzburg alsnog had gedaan, weigerde dezelfde Dünner deze prestigieuze opleiding te erkennen omdat ze niet in Nederland was gevolgd. Ondanks zijn tomeloze inzet via diverse verenigingen en zijn succesvolle toneelstukken met schetsen ut het dagelijkse Joodse leven zou De Hond in de Joodse bovenlag zijn verdere leven persona non grata blijven.

De door hem in 1905 opgerichte vereniging Touroh Our (‘De leer is het licht’) had het initiatief genomen om voor joodse bejaarden en invaliden, die verzorgd werden in het stedelijke werkhuis in de Roetersstraat, te zorgen voor kleding en andere extra’s. Het Nederlandse Israëlitische Ziekenhuis (NIZ) aan de Nieuwe Keizersgracht had niet voldoende ruimte voor deze groep, die werd ondergebracht naar het stedelijk Werkhuis. NIZ zorgde er wel voor dat drie keer daags een koosjere maaltijd werd verzorgd en had ook gezorgd voor een zaaltje voor het samenkomen op sjabbat en tijdens de feestdagen. In zijn brochure beschreef De Hond in welke erbarmelijke en mensonwaardige de bejaarden en invaliden hun dagen moesten slijten.  Tegelijkertijd met het verschijnen van de brochure in 1911 richtte hij de vereniging De Joodsche Invalide op. (meer…)

VERZETSGROEP DE WITTE ANJER

Op 8 mei 1945 werd het Rijksbureau voor Documentatie van de geschiedenis van Nederland in Oorlogstijd opgericht, waarvan al in oktober dat jaar de naam werd gewijzigd in het handzamere Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Die naam werd eerst afgekort tot RvO, later tot RIOD. Op 1 januari 1999 veranderde de naam in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Op zaterdagmiddag 22 november 1947 had het RIOD een onderhoud met mevrouw A.J. Kropff-Minderman op haar adres Maastrichtsestraat 82 te Scheveningen. Doel van het overleg meer inzicht te krijgen in het functioneren van de verzetsgroep De Witte Anjer, waarvan Ans Kropff-Minderman en haar echtgenoot Herman Kropff deel hadden uitgemaakt. Het overleg resulteerde in onderstaand verslag, waarvan het overgrote deel al in de korte biografie van Herman Kropff werd vermeld.

In 1940 richtten H. Kropff, Wim Merz en nog anderen – hoeveel en wie kan Mevrouw Kropff niet mededelen – de sabotage- en inlichtingengroep “De Witte Anjer” op. Medio 1941 is de Heer Kropff tot de O.D. ‘s- Gravenhage toegetreden. Of zijn medewerkers dit ook hebben gedaan is Mevrouw Kropff niet bekend. De leden van de Witte Anjer hadden zelf een zender gebouwd en slaagden er in daarmede contact te krijgen met de overkant. Mevrouw Kropff meent dat een dergelijk contact al in de Meidagen door haar echtgenoot was voorbereid. Alles wat maar op militair gebied voor de geallieerde oorlogvoering van belang kon zijn, werd overgeseind. Eind 1940 werd de zender echter door de S.D. overvallen. De jongens wisten nog net te ontkomen. Zij togen snel aan het werk om een nieuwe zender te bouwen, zodat zij weer spoedig in de lucht waren. Zij spraken soms op de golflengte van de Duitse radio Hilversum na sluitingstijd om 10 uur ’s avonds. Ze wekten de Nederlandse bevolking op zich tegen de Duitsers te keren. Toen de groep in de O.D. overging hielden zij de zender echter voor zich en opereerden daarmee niet in O.D. verband. (meer…)

017 – ST. STEVENSKERKHOF EN KERKBOOG 3

JAC. VAN LOOY – DE KLOKKENMAKER

Uren en uren zat hij voor zijn werktafel met zijn sloofje voor, half zichtbaar door het lage raam dat uitzicht op het roodomdaakte pleintje gaf, waar middenin het vierkante blok stond van een hardsteenen pomp. Iedereen kon van buiten door zijn winkeltje heenzien; hem op zijn krukje zien zitten door de glazen voordeur, waarop zijn naam en zijn beroep, van binnen, in spiegelschrift leesbaar was. Hij zat er als rondom beschenen, als in een torenkamertje, het ivorig blanke aangezicht voorover, doch altijd zonder het kokerachtig tuurglas in het oog gekneld, dat vele van zijn vakgenooten hebben om in het binnenst van een uurwerk te speuren. Er stonden altijd bij zijn lange, bleeke handen, eenige schoteltjes in het licht; bestolpt door een omgekeerd bekerglas zonder voet, waar raadjes en rondseltjes door henen blonken, die hij met scherpe houten stiftjes schoon had geboord; of dikwijls een gansch weêr saâmgevoegd horloge en dat hij op deze wijze stofvrij hield.

Steê-vast, behoorend bij het buurtje, zat hij in zijn ‘ateliertje’, in zijn kraamschutachtig gehokte en gordijnlooze kamertje; dag in, dag uit, des zomers en des winters als hij polsjes droeg; wanneer de sneeuw het pleintje stiller en helder maakte; wanneer de vroege zon kwam binnen vlagen of als de regens de keitjes stuk voor stuk beglibberden en den zwartigen bol deden glimmen bovenop de pomp. Wanneer hij door gezwengel aan de pomp eens opzag, of naar een jongen die naar binnen keek, bleek zijn schedel hoog boven zijn fijne brauwen en lang ook zijn gezicht er onder, bijna zonder naden en staarden er twee zwarte oogjes uit, recht en zonder knijping en was zijn mond versloten met verholen waardigheidsgevoel. (meer…)

016 – TOLKAMER 3


.
Zicht op Tolkamer vanaf het Bijlandsch Kanaal / de Rijn, december 2007, © Frans van den Muijsenberg.

JAFFA GATE, JERUSALEM

Uit: Aramcoworld, FirstLook, door Richard Doughty.

I bought them at a consignment shop this winter: a stereoscope viewer and a set of 21 card-mounted stereographs in a worn slipcase. Published around 1909, the cards showed views of Jerusalem. The contraption felt like a wood-and-metal prototype VR headset, and indeed it was with stereoscopes that 3D imaging was born in the mid-19th century.

So popular were stereoscopes in the US that many were sold door-to-door, and not just as entertainment but as education. The publishers of this set of Jerusalem images, Keystone View Company, was the largest US stereoscope producer. It employed photographers and published thousands of views of towns, cities, monuments, wonders and curiosities around the world. One of Keystone’s selling points was its extensive explanations of the images, touching on history, geography, peoples and culture. In this stereograph, we see the imposing stonemasonry of old Jerusalem’s Jaffa Gate, but perhaps most interesting now are the parked carriages and the routine procession of people and horses. This makes its era relatable to our eyes. We see also the unidentified man at lower right: As an editor interested in relationships among those who make and publish images and those who appear in them, I wonder, was he asked to sit there? Was he an assistant to the photographer? A porter for equipment? Or was he, like us, just curious about a pair of lenses peering out from a box, eyes of a new technology that would, over the next century, become what we call “virtual reality”?

Richard Doughty (meer…)

PIETER, WILLEM en ARNOLD BREEBAART

Het verslag van het overleg op zaterdagmiddag 22 november 1947 van het RIOD met mevrouw A.J. Kropff-Minderman om inzicht te krijgen in het functioneren van de verzetsgroep De Witte Anjer, waarvan zij en haar echtgenoot Herman Kropff deel hadden uitgemaakt, werd afgesloten met de zin: ‘Tenslotte vestigt Mevrouw Kropff nog de aandacht op de familie Breebaart uit Rijswijk. Van het gezin kwamen twee zoons en de Vader om. Een zoon is teruggekomen. Zij verzorgden een zender.’

Drie overledenen in één gezin, een vader en twee zoons. Een tragedie waarvan je zou veronderstellen, dat hierover het een en ander te vinden is in de talrijke websites over de Tweede Wereldoorlog en de (gesneuvelde) verzetshelden. Dat viel bitter tegen. In elk geval werd duidelijk dat het geheugen Ans Kropff-Minderman in de steek had gelaten. Vader Abraham Benjamin Breebaart (Leiden, 10 september 1889), elektrotechnicus van beroep, overleefde de oorlog. Drie van zijn zonen stierven echter in Duitse concentratiekampen. De vierde zoon, Abraham ‘Bram’ Benjamin Breebaart (Rijswijk, 20 november 1919 – Rijswijk, 1898) overleefde de oorlog. In het Jaarboek 2014 van de Historische Vereniging Rijswijk staat in het artikel over de fotograaf Cornelis Hageman (1876 – 1951) dat deze op het moment dat elektriciteit nog slechts werd geleverd aan bedrijven en instanties, hij beschikte over krachtstroom. Hij kon daardoor voor de verzetsgroep van Th. J. C. Beijersbergen ‘s nachts de accu’s vullen. De groep zou begin 1945 worden opgepakt; alle leden werden gefusilleerd. Ook ontwikkelde Hageman foto’s voor de verzetsgroep Breebaart. Bram Breebaart stuurde een zestienjarige jongen met een rolletje geheime foto’s naar de fotograaf. Zodra het rolletje was ontwikkeld en door de fotograaf in orde was bevonden, kreeg de jongeman te horen: ‘Zeg maar aan de heer Breebaart dat het gelukt is’. Blijkbaar wist Breebaart sr. aan arrestaties te ontsnappen of wist hij het concentratiekamp te overleven. Drie van zijn vier zonen hadden niet dat geluk. (meer…)

016 – ST. STEVENSKERKHOF EN KERKBOOG 2

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 49

015 – LOBITH CARVIUM NOVUM 10

BAREND JAN KEUTER

De student Wouter Frederik Brave (Amsterdam, 11 september 1918 – Den Haag, 12 april 1984), die in 1940 als  22-jarige student in het verzet belandde, tekende hierover later op dat hij in dat studentenverzet onder meer Leo Voogd en Barend Klaas Keuter (Oost Graftdijk, 14 augustus 1918 – Bergen-Belsen, 5 maart 1945), bijgenaamd ‘Jons’, tegenkwam. Op 16 september 1940 verhuisde Barend Jan vanuit Den Haag naar Delft om te studeren voor civiel ingenieur. Voogd en Keuter waren oud-schoolvrienden van het Haganum. Via hen kwam hij in contact met Ir. Freddy ter Galestin en Herman Kropff. Deze twee leden van de Groep ‘ter Galestin’ beschikte over een eigen zender en hield zich hoofdzakelijk bezig met inlichtingenwerk, economische sabotage (vooral chemische industrie) en het opzetten van een ontsnappingsroute voor Engelse Australische en Amerikaanse piloten. De leden van de groep brachten deze beurtelings naar Rotterdam, Utrecht en later naar Amsterdam, waarna ze via de ‘Escape-line’ verder werden gebracht. Via zijn zoon kwam ook ds. Albert Keuter in contact met het verzet. Keuter bood vooral hulp aan ondergedoken Joden.Albert Keuter (Blokzijl, 7 januari 1892 – Bergen-Belsen, 10 maart 1945) was een dominee bij het Doopsgezinde Broederschap in Den Haag. Daarvoor stond hij in Oost- en West Graftdijk (1917), Twisk en Medemblik (1920) en Akkrum (1925).

(meer…)

ANJERDAG

Op 29 juni 1940 vierde prins Bernhard zijn 29e verjaardag. De eerste verjaardag binnen het koninklijk huis sinds de Duitse inval, zes weken eerder. De prins had droeg al sinds zijn studententijd in de twintiger jaren bij iedere gelegenheid een anjer op de borst, conform de toenmalige modieuze gewoonte. Na zijn studententijd bleef hij volharden in deze buiten het studentenleven wat excentrieke gewoonte. Op deze dag staken in veel delen van het land mensen de Nederlandse vlag uit, anderen deden een oranje strikje in. In Den Haag knoopte op deze dag veel mensen ook een anjer in hun knoopsgat. Burgemeester De Monchy had voor 29 juni alle demonstraties verboden, maar de bevolking legde toch bloemen neer bij het beeld van Willem de Zwijger bij paleis Noordeinde. Een politieman gaf daarop opdracht aan paleismedewerkers om de bloemen binnen te leggen. De Monchy, die was langsgekomen om de situatie te bekijken, liet de bloemen toch weer buiten leggen. Toen een afgevaardigde van generaal Winkelman kwam om het felicitatieregister in paleis Noordeinde te tekenen, begon het publiek te joelen, het Wilhelmus te zingen en anti-Duitse leuzen te schreeuwen. Ook in tal van andere steden vonden georganiseerde bijeenkomsten plaats om steun aan het koninklijk huis te laten blijken en daarmee tegelijkertijd te protesteren tegen de Duitse bezetting. In Amsterdam werd het monument voor de koningin-moeder Emma op het Emmaplein bedolven onder de bloemen. Opvallend was dat bij het Monument voor Koningin Emma in Benoordenhout in Den Haag, in het zogenaamde Rosarium aan het Jozef Israëlsplein, door massaal aanwezige NSB’ers ook bloemen werden gelegd, want ook onder de Nederlandse nationaalsocialisten was er grote bewondering voor het Huis van Oranje en werd de verjaardag van de prins aangegrepen uiting te geven aan de pro-Oranje gevoelens, waarbij er wel op werd gelet geen aansluiting te zoeken met de bloemenlegging bij paleis Noordeinde vanwege de anti-Duitse stemming die er heerste. Voor de NSB’ers ging op dat moment pro-Oranje en pro-Duits nog prima samen. Lou de Jong geeft in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 4. Mei ’40- maart ’41, pagina 282-288 een overzicht van de verschillende georganiseerde en spontane acties, die onder de naam Anjerdag de geschiedenis zou ingaan. Het was de eerste keer dat in Nederland openlijk geprotesteerd werd tegen de Duitse bezetting. (meer…)

015 – ST. STEVENSKERKHOF EN KERKBOOG 1

JOSEPH VON BADER, HEINRICH MYLIUS UND PHILIPP FISCHER

De geschiedenis van de fiets en het wielrennen – 7

In Duitsland gold de ‘Tretkurbelrad‘ van de ingenieur en arts Joseph von Baader (München, 30 september 1763 – München, 20 november 1835) lang als de eerste fiets met twee wielen en pedalen. Joseph von Baaden geldt als een van de grote mensen achter de ontwikkeling van de Duitse spoorwegen en uitvinder van allerlei zaken voor het Schlosspark Nymphenburg, onder meer een trapwaterfiets in 1810. Hij zou in 1825 voor een boodschappersdienst tussen München en Nymphenburg een ontwerp voor deze fiets hebben gemaakt. Ze werd echter nooit gerealiseerd. Pas in 1862 zou in opdracht van de Bureau-Offizianten des königlichen Obersthofmeisterstabes door een smid een exemplaar zijn vervaardigd. Een moment dat de ontwikkeling van de fiets in Duitsland zelf en elders al vergevorderd was. De fiets zou tot eind van de negentiende eeuw in het Nationalmuseum in München hebben gestaan. Omdat het idee van Von Baader nooit verder dan de tekentafel kwam, werd de claim nooit echt erkend.

Serieus maar ook niet onomstreden werd de claim dat Heinrich Mylius de eerste trapfiets bouwde. Heinrich Erdmann Christian Mylius (Friedrichsthal, 5 september 1813 – Cleveland, 29 juni 1892) was een monteur en tevens dichter in het regionale dialect van Themar en omgeving, een stadje met destijds enkele honderden inwoners in de huidige Landkreis Hildburghausen in het zuidwestelijke deel van de deelstaat Thüringen. Zijn grootvader dr. Johann Christoph Mylius was in Friedrichsthal arts en rechter, die getrouwd was met Juliane Baumann, de eigenares van een porseleinfabriek in Hüttensteinach. Zijn vader Gottlieb Mylius was de achtste zoon van Johann Mylius. Hij erfde de positie van rechter in Friedrichsthal en werd ook mede-eigenaar van de porseleinfabriek. Zijn moeder van de dochter van de welvarende wijnhandelaar Eisbrückner uit Themar. (meer…)

014 – ZICHT OP ELTEN 2

.
Zicht op Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

ODALISKEN – 33

Eerder is van de Franse kunstschilder Jean-Auguste-Dominique Ingres (Montauban, 29 augustus 1780 – Parijs, 14 januari 1867) zijn beroemde La grande odalisque al gepasseerd. Dat schilderij dateerde uit 1814, aan het begin van zijn lange carrière. Het was een naakte odalisk die ruggelings werd geportretteerd terwijl ze over haar schouder de toeschouwer aankijkt. Een schilderij waarvoor Ingres de nodige anatomische aanpassingen doorvoerde die op het eerste gezicht niet direct opvallen. In 1839-1840 maakte Ingres in opdracht van Charles Marcotte (1844-1901), een Canadees politicus en levenslange vriend van Ingres, een tweede schilderij van een odalisk. Ingres had in 1810  al een portret van Marcotte gemaakt. Dit tweede schilderij over het onderwerp, L’Odalisque à l’esclave, dat zich sinds 1943 bevindt in het Fogg Museum, in 1896 in Cambridge, Massachusetts  geopend en daarmee het oudste en ook het grootste museum van de verzameling musea: The Harvard Art Museums. Het toont de gebruikelijke naakte vrouw in een Oosterse harem, die luistert naar de tanbourmuziek van een slavin. In het halfduister op de achtergrond staat een eunuch. Het is een denkbeeldige scene want, zoals veel schilders van odalisken, heeft Ingres het Nabije Oosten nooit bezocht. Ingres schilderde het werk in Rome, waar hij van 1835 tot 1841 woonde en daar directeur van de Franse Academie was. De odalisk is geschilderd naar een tekening die Ingres jaren eerder had gemaakt, de muzikant is geschilderd naar een model dat in de studio poseerde en veel details, zoals de tanbour, zijn ontleend aan gravures. Ingres liet zich bij het vervaardigen assisteren door Raymond Balze, een van zijn leerlingen, die hierover schreef: ‘Ingres began his studies from nature and prepared the rough sketch on his canvas, then had made by his students the less important parts, very finished, such as the architecture, mosaics, rugs, furniture, instruments, which he often had [them] reposition, reluctantly [as he was] satisfied with their execution … Then everything being finished with the figures, he alone undertook to harmonize the ensemble with onion skins of color.’ Het schilderij werd in september 1840 in zijn woning in Parijs afgeleverd, waar het door kunstcritici werd bekeken en positief werd beoordeeld. In 1845 werd het werk voor het eerst in het openbaar tentoongesteld en opniuew door iedereen zeer bewonderd. (meer…)

CIMON EN PERO – 13

13 - Peter Paul Rubens - Simon en Pero, 1612-aVoor de vijfde keer hier Peter Paul Rubens (Siegen, 28 juni 1577 – Antwerpen, 30 mei 1640), de beroemde Antwerpse schilder en diplomaat. De eerste drie keer was dat als schilder-tekenaar van De Drie Gratiën (nummer 2, nummer 3 en nummer 40), die gezamenlijk symbool staan voor vruchtbaarheid, creativiteit en charme. Rubens hield zich bezig met ontelbaar veel bijbelse thema’s en onderwerpen uit de Oudheid. Onvermijdelijk dus dat ook Cimon en Pero aan bod kwam en ook hier behandelde hij het thema meer dan eenmaal. Onder Cimon en Pero 10 zijn interpretatie uit 1630. Nu zijn eerdere schilderij uit 1612 (afmetingen van 141 x 180 cm) en getiteld ‘Roomse Liefdadigheid’, dat te bewonderen is in de Hermitage in St. Petersburg. Ook deze voorstelling is geheel in lijn met de manier waarop tijdgenoten het verhaal afbeeldden. Vergelijk het vooral maar eens met de versie van Jean-Baptiste Greuze uit 1767. In deze vroege afbeelding geen stiekeme soldaten die bekijken wat vader en dochter in de kerker uitspoken.

ST. STEVENSKERKHOF, KERKBOOG EN ST. STEVENSTOREN

De St. Stevenskerkhof is in de loop der jaren vele keren van naam veranderd. In de 17e eeuw werd het gebied rond de St. Stevenskerk aangeduid als Achterste Kerkhof, Hooge Kerkhof of Groote Kerkhof. In de 17e en 18e eeuw werd een deel van het kerkhofdoor een hek afgesloten, dat vervolgens de naam Binnen ’t Hekken kreeg. In 1812 heette het gebied Kerkhof, vanaf 1822 Het Kerkhof of Om het Kerkhof. In 1882 werd het kerkhof afgegraven, waarna tien jaar later de naam werd gewijzigd in st. stevenskerkhof. In 1924 werden de hoofdletters ingevoerd en kreeg het gebied zijn huidige naam: St. Stevenskerkhof. Op maandagen wordt al zeer lang hier een markt gehouden waar allerlei gebruikte artikelen te koop worden aangeboden. Het St. Stevenskerkhof wordt daarom in de volksmond vaak ‘de Luizenmarkt’ genoemd.

De Kerkboog (eerder De Kerk Boog, sinds 1924 Kerkboog) verbindt het St. Stevenskerkhof met de Grote Markt. De poort bestond al in 148, werd in 1545 herbouwd en in 1606 voorzien van een bovenbouw. In de middeleeuwen kon de Stevenskerk alleen worden bereikt via een kleine doorgang in de lakenhal, die uit 1382 stamt. Nijmegen had toen een bloeiende lakenhandel, waarvan de handel plaatsvond in de het Gewandhuis of Lakenhal, een vijftig meter lang gebouw aan de westzijde van de Grote Markt. Dat gebouw besloeg de gehele westwand van de Grote Markt. Gelijkvloers waren arcaden, een soort winkeltjes, die aan verschillende neringdoenden werden verpacht. Via een trap buitenom kon de eerste verdieping worden bereikt, waar in een grote hal het textiel werd geweven en geverfd. Deze hal was verdeeld in vakken, die door de handelaren gehuurd werden. Alleen hier mochten lakenhandelarenhandel drijven. Op de rechterhoek van de Lakenhal bevond zich sinds 1542 café ‘In de Blaauwe Hand’, het oudste café van Nijmegen. De kelder van het café werd door het lakengilde gebruikt als opslagplaats voor bier en wijn voor feesten en partijen. Op 9 februari 1546 schijnt keizer Karel V in de lakenhal aanwezig te zijn geweest op een groot feest. De naam ‘In de Blaauwe Hand’ verwijst naar het gebruik van de kleurstof indigo, dat erg afgaf aan de handen. Degenen die ermee werkten, waren al gauw van de vingers tot aan de elleboog blauw. Aan de lakenververs die hier wat gingen drinken, nog steeds meer blauwe handen, dankte de kroeg haar naam. (meer…)