
Een eeuw lang, van 1842 tot 1947 hadden enkele westerse landen en Japan concessies in enkele Chinese steden. het Chinese Keizerrijk behield weliswaar zijn soevereiniteit over het concessie- of pachtgebied, maar had alle soevereiniteits-rechten overgedragen aan de andere staten. De gebiedsverpachting geschiedde meestal voor een bepaalde tijd, maar kon ook eeuwigdurend zijn. De Verenigde Staten sloot bijvoorbeeld in 1903 een pachtverdrag voor haar vlootbasis Guantanamo Bay op Cuba, die sinds de verlenging bij verdrag op 31 mei 1934 voor onbepaalde duur is en enkel bij wederzijds akkoord kan worden beëindigd. Het ziet er vooralsnog niet naar uit dat de USA deze pachtovereenkomst ooit zal beëindigen. In 1903 sloot de VS ook een pachtverdrag met Panama, dat In 1903 sloot de VS een pachtverdrag met Panama, dat het bestuur over de Panamakanaalzone en de exploitatie van het dan nog te realiseren Panamakanaal overdroeg aan een door het VS-ministerie van defensie gecontroleerde Panama Canal Company. Panama kreeg het bestuur terug in 1979, de operationele controle van de Kanaalautoriteit in 1999. In China werden door de zwakke Qing-dynastie aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw veel concessies verleend. Bij allerlei ‘ongelijke verdragen’ moesten de Chinezen instemmen met het in concessie geven van een groot aantal territoria. Meestal was dat een belangrijke haven, soms ook het achterland daarvan. De belangrijkste was de haven Hongkong en haar achterland dat na de Eerste Opiumoorlog aan de Britse Oost-Indische Compagnie werd overgedragen. Toen woonden er niet meer dan 7000 mensen. Hongkong was vervolgens lange tijd een Britse kroonkolonie. Bij verdrag werd het pachtgebied uitgebreid en voor een periode van 99 jaar verpacht. (meer…)

Taeke Johan Kroeze (Ermelo, 13 april 1920 – Apeldoorn, 2 december 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder. Hij was Hij was aspirant-opzichter bij de Nederlandse Heidemaatschappij en begon zijn verzetswerk als koerier voor de Ordedienst (OD). Daarna werd hij verbindingsofficier van Gewest 6 (Veluwe) van de OD voor de gewesten Arnhem, Deventer, Zwolle en Zutphen, waarvoor Jan Jozua Barendsen, luitenant-kolonel b.d. van de KNIL, zijn gewestelijk commandant was. Door verraad werd hij op 14 november 1944 bij een razzia in Apeldoorn opgepakt. Bij de verhoren werd hij zwaar mishandeld, maar gaf toch geen informatie prijs aan de Duitsers. Hij werd toen als ‘Todeskandidat’ opgesloten. Hij had de pech dat kort daarvoor (2 oktober1944) in de stad begonnen was met een razzia, waardoor bijna het gehele ambtelijke apparaat en de middenstand van Apeldoorn plat lag. Na ongeveer vijf weken waren de meeste mannen weer teruggekeerd naar Apeldoorn. Burgemeester D.F. Pont had gezichtsverlies geleden bij de NSB-leiding. Bovendien bleek dat men in de IJssellinie nog steeds 4000 mensen moesten hebben voor het verrichten van versterkingswerkzaamheden. Daarom werd in de vroege ochtend van 2 december 1944 weer een grote razzia gehouden. Als waarschuwing vooraf werden er weer bevelen afgedrukt en reden er radiowagens door het dorp. In de buitengebieden van Apeldoorn werden in totaal zo’n 11.000 mannen en jonge jongens opgepakt en afgevoerd naar de markt te Apeldoorn. Daar werden er ongeveer 4.500 man geselecteerd en vastgehouden op het marktplein, het postkantoor, de bioscoop Centraal of de Meester Blitsschool. De eerste mannen die opgepakt waren stonden al om 06.00 uur op het marktplein. Daarna werd de mannen in groepen lopend afgevoerd naar het NS-station, waar twee treinen klaar stonden om de 4500 mannen af te voeren, richting Duitsland en IJssellinie te weten (naar Elten of Zevenaar). De eerste trein vertrok tegen 20.00 uur, de tweede trein twee uur later. De eerste trein werd onderweg in de ochtenduren door geallieerde vliegtuigen beschoten, maar de mannen kwamen toch ongedeerd aan in Elten of Zevenaar. Op 5 december werden de jongeren ( 40 jaar en jonger ) afgevoerd naar Kamp Rees. Kamp Rees (ook wel Arbeitslager Groin genoemd) was van 1944 tot 1945 een concentratiekamp aan de oostzijde van de Rijn, vlak over de Nederlandse grens. Het kamp was een arbeidskamp, waar de gevangenen dwangarbeid moesten verrichten, voornamelijk het aanleggen van militaire versterkingen zoals het graven van sloten die moesten dienen als tankgracht. (meer…)
Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte vijftal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.
Fransoos Lammers (Bolsward, 26 december 1899 – Breda, 24 juli 1971) was een medewerker van de S.D. te Leeuwarden waar hij werkte in de functie van Polizei-Angestellter, naar eigen zeggen uitsluitend als vertaler. In ’t Kleine Krantsje van 1 juni 1989 werd over hem opgemerkt dat hij leraar Duits was, maar ook privélessen gaf. Verder leidde hij mensen op voor examens, gaf conversatielessen en doceerde hij aan huis handelscorrespondentie. Daarnaast was hij tolk en ‘beëdigd-translateur’. Van de Water vat dit alles samen met de kwalificatie dat hij een bloeiend taleninstituut had. Duidelijk is in elk geval dat ook hij de vaak gehoorde bewering logenstrafte dat het vooral laagopgeleide mensen in sociaal povere omstandigheden waren die collaboreerden met de Duitsers. Paul van de Water merkt in zijn boek In dienst van de nazi’s, waarin tien Nederlandse collaborateurs worden beschreven, op dat voor hen morele vervlakking, gebrek aan empathie en drankmisbruik veel meer de bepalende factoren waren. Hij werd in Bolsward geboren als zoon van een molenaar in een gezin van vijf kinderen. Frans was het troetelkind van vooral zijn moeder, maar ook vader Lammers wilde van geen kwaad van zijn zoon weten. Op school deed hij het uitstekend, hij was daar een uitblinker en stak hij ook thuis qua intelligentie met kop en schouders boven zijn broers en zus uit. Na de lagere school en handelsschool ging hij talen studeren. Op achttienjarige leeftijd verliet hij het ouderlijk huis. Eind jaren twintig woonde hij op een kamertje op de Wirdumerdijk in Leeuwarden en gaf er taallessen. Volgens zijn vader was Frans een nette oppassende jongen, die hij rustig zijn gang kon laten gaan. Een broer beweerde echter dat hij al in zijn vroege jeugd ‘tot in de grond toe verpest’ was. Voor de oorlog was Frans zeker geen onbesproken figuur, zoals uit een aantal getuigenverklaringen bleek. Zijn zeer scherpe verstand stond voor iedereen die hem kende buiten kijf, maar dat was dan ook het enige positieve dat over hem gezegd werd. Zo was hij berucht vanwege zijn eeuwige financiële problemen, waarvoor hij steeds op zijn ouders moest terugvallen. Ook ging hij zich regelmatig te buiten aan drank en stond hij bekend als een rokkenjager. Een vriendin uit begin jaren dertig die de vriendschap met hem verbrak, belaagde hij met zeer compromitterende brieven aan haar en haar familie. Verschillende bekenden van voor de oorlog beschrijven Lammers als een leugenachtig, onbetrouwbaar en zeer geslepen, sluw en gemeen mens, die anderen graag zijn wil oplegde en de baas speelde. Dat is toch een stuk anders dan het mooie beeld dat zijn ouders schetsten. (meer…)
Duitsland zou na het Congres van Berlijn in 1884, waarbij de koloniale machten onderling het Afrikaanse continent en de resterende niet-bezette delen van Oceanië verdeelde, in de Stille Zuidzee twee kolonies toegewezen krijgen. Het belangrijkste was Duits-Nieuw-Guinea (1884-1914). Van Guinea zou het westelijke deel Nederlands blijven, waarbij de 141ste meridiaan als grens tussen het westelijk en oostelijk deel van het grote eiland werd vastgesteld. De zuidelijke helft van het oostelijk deel kwam in Britse handen, dat vanaf dat moment Brits-Nieuw-Guinea werd genoemd. De Britten zagen blijkbaar al snel dat het gebied hen weinig zou opleveren, want in 1906 droegen ze het over aan Australië, dat het daarna Territorium Papoea noemde. De noordelijk helft van het oostelijk deel van het eiland kwam in Duitse handen, die het deel omdoopte tot Kaiser-Wilhelms-Land. Dit gebied zou het belangrijkste deel uitmaken van de kolonie Duits-Nieuw-Guinea van het Duitse Rijk, die verder bestond uit een aantal eilanden en eilandgroepen (Bismarck-archipel, Marshalleilanden, Noordelijke Salomonseilanden, Carolinen, Palau, Duitse Marianen en Nauru), die in een volgende aflevering worden besproken. Deze kolonie is in Duitse koloniën 8 besproken. Daarnaast was ook Duits-Samoa in de periode 1900-1914 een Duitse kolonie in Oceanië, die dus hoorde dus niet tot Duits-Nieuw-Guinea. (meer…)

Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte vijftal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.
Jan Meekhof (Ruinen, 9 november 1922 – Utrecht, 17 april 1994) was een NSB’er SS’er tijdens de Tweede Wereldoorlog. In een verslag van zijn berechting in 1946 voor het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden wordt over hem opgemerkt: ‘Het behoort tot de grote zeldzaamheden, dat het Bijzonder Gerechtshof op één dag slechte één enkele zaak ter berechting op zijn rol heeft staan. Die éne zaak betrof die van den 23-jarigen Jan Meekhof, een naam welke in één adem behoort te worden en dan in de regel ook wordt genoemd met die van het beruchte duo Lammers en Sleijffer. Meekhof dan, die thans is ingesloten in het Huis van Bewaring „Crackstate” te Heerenveen, was in de oorlogsjaren opperwachtmeester der Staatspolitie en stond in zeer nauw contact met de Duitse Sicherheitsdienst. Reeds in het begin van de oorlog, nog geen achttien jaar oud, sloot deze kwajongen zich aan bij de Waffen S.S. Dit gebeurde te Zwolle. Was het hierbij gebleven, we geloven zeker, dat de advocaat-fiscaal, bij het uitspreken van zijn eis, rekening met de jeugdige leeftijd van dezen verdachte zou hebben gehouden. Doch we kunnen ons voorstellen, dat een gevoel van walging mr. Nubé moet hebben bekropen toen hij de lange lijst van wandaden voorlas, welke deze jonge onverlaat achtereenvolgens heeft bedreven.’ (meer…)
Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte vijftal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.
Abraham Kaper (Zaandam, 9 mei 1890 – Groningen, 29 juni 1949) was een Nederlands politieagent, collaborateur en veroordeeld oorlogsmisdadiger. Bram was een van de jongste in een gezin met vijftien kinderen. Hij werd vernoemd naar een twee jaar eerder overleden broertje, dat slechts zes werd. Ook drie andere broers en een zus sterven voortijdig. Het gezin Kaper leidde een armoedig bestaan. Zijn vader maakte en verkocht houten gebruiksvoorwerpen. Het gezin is streng gereformeerd. Bram gaat naar school en de kerk, al met al een sober en overzichtelijk leven in de kleine, benauwende gereformeerde wereld in een arbeidersstad waar socialisme en anarchisme een hoofdrol spelen. Op 2 augustus 1913 verhuist hij naar Amsterdam, waar hij een baan heeft gekregen bij de politie. Hij was toen verloofd met de ook in Zaandam opgegroeide, vier jaar oudere Grietje Potman, die dan een één jaar oude zoon heeft die is verwekt door haar eerdere joodse werkgever. Die erkende het kind echter niet. De joodse komaf was voor Bram geen probleem. Hij zorgde er voor voor dat het kind zijn achternaam kreeg. Op 14 mei 1914 traden ze in Zaandam in het huwelijk; er volgen de jaren daarop nog twee kinderen. Bram maakte promotie en werd overgeplaatst het nieuwe Bureau Zeden- en Kinderpolitie en vijf jaar later naar het Bureau Centrale Recherche. Vanaf 1930 mocht hij zich brigadier-rechercheur noemen. De zondagen werden als vanouds benut voor bezoeken aan de gereformeerde kerk. Helemaal goed ging het echter toch niet met hem. Tijdens een Bijbellezing in de kerk kreeg hij een paniekaanval en hij schijnt in die jaren ook een zelfmoordpoging te hebben gedaan. Begin jaren dertig zit hij een tijdje in een zenuwinrichting. Na zijn ontslag daar keerde hij terug naar de politie. In 1933 belandde hij bij de verzelfstandigde Zedenpolitie, wat hem veel contacten met een groot aantal criminele informanten opleverde, die hem vanaf 1940 nog erg van pas zouden komen. (meer…)

Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte viertal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.
Lucas Bunt (Nijehaske, 17 april 1907 – Heerenveen, 21 april 1981) was een Nederlandse NSB’er en SS’er Hij was horecaondernemer en exploitant van het Friesch Koffiehuis in aan de oostzijde van de Wirdumerdijk te Leeuwarden. Hier werden in de oorlog geregeld feestpartijen voor Duitse officieren gegeven. Het pand zou later in Leeuwarden vaak ‘de rotte kies van Leeuwarden’ worden genoemd, niet vanwege het feit dat Lucas Bunt er ooit eigenaar en exploitant was, maar omdat de vervallen pandjes van het koffiehuis tot frustratie van de gemeente en omwonenden al vanaf eind negentiger jaren leeg stonden en steeds meer in verval raakten. In 2017 werd de hele boel eindelijk gesloopt en werd voor 1,2 miljoen euro een gloednieuw nieuw horeca-etablissement gebouwd. In zijn boek In dienst van de nazi’s merkt Paul van de Water op dat vaak ten onrechte wordt beweerd dat de meeste collaborateurs vooral laagopgeleide mensen waren in sociaal povere omstandigheden. Lucas Bunt was echter bepaald niet armlastig. Verder stond hij voor de oorlog bekend als een vrijmetselaar, apolitiek, Oranjegezind en anti-Duits. Van de Water: ‘Je zou niet verwachten dat hij ging werken voor en met de bezetter en dat hij gewelddadig werd. Dat is toch gebeurd. Tijdens de inval is zijn broer gesneuveld. In hedendaagse verklaringsmodellen voor extremisme wordt zo’n traumatische gebeurtenis als cruciaal gezien voor een omslag.’ Hij voegt eraan toe in zijn boek een meerdimensionale benadering te volgen en te onderzoeken welke psychologische, sociologische en maatschappelijke factoren van invloed zijn op de ontwikkeling naar radicaal en extremistisch en hoe die factoren elkaar versterken. (meer…)

Bij de Sichterheitsdienst (SD) in Leeuwarden werkte vier Nederlanders die als ‘het beruchte viertal van Friesland’ de geschiedenisboeken zouden ingaan. In Leeuwarden was vanaf het begin tot 28 oktober 1942 een afzonderlijke Aussendienststelle van de SD en Sicherheitspolizei (Sipo) gevestigd. Vanaf 28 oktober 1942 werd Leeuwarden een Polizeiposten die ressorteerde onder Groningen. In september 1944 kwamen door de snelle geallieerde opmars veel Duitsers en Duitsgezinde Belgen in Nederland terecht. Leeuwarden werd toen opnieuw een Aussendienststelle. De SD was belast met het opsporen van alle soorten van (mogelijke) tegenstanders van het nationaalsocialistische regime in Duitsland en later in de bezette gebieden. De competenties tussen SS, SD en Gestapo waren echter onduidelijk geregeld. In Leeuwarden werd het Burmaniahuis, een monumentaal herenhuis in de binnenstad uit de 15e eeuw, het symbool van de Duitse onderdrukking, vergelijkbaar met de reputatie van het Scholtenhuis in Groningen. De SD betrok in de oorlog het oude gedeelte van het Burmaniahuis; in het nieuwe gedeelte werkte de verzekeringsmaatschappij ‘Algemeene Friesche’ heel de oorlog gewoon doorwerken. Ter herinnering aan de martelingen en verhoren zal bij het Burmaniahuis een gedenkteken worden geplaatst. Kopstukken bij de SD in Leeuwarden waren onder meer Wilhelm Albrecht, Theodor Vogel, Friedrich Grundmann en Jozef Keijl. (meer…)
In 1559 voerde Filips II, het staatshoofd van Spanje en de Spaanse gebieden, herindeling van de bisdommen in de Nederlanden door. De noordelijke gewesten vielen onder de Utrechtse kerkprovincie, de zuidelijke onder de Mechelse. Utrecht werd een aartsbisdom, met daarvan afhankelijk de bisdommen Haarlem, Middelburg, Deventer, Groningen en Leeuwarden; onder het aartsbisdom Mechelen vielen de bisschopszetels van ‘s-Hertogenbosch en Roermond. De eerste nieuwe aartsbisschop van Utrecht was echter ook meteen de laatste. De opstand tegen Spanje had namelijk grote gevolgen voor het katholicisme in de rebellerende noordelijke Nederlanden. Nadat het Spaanse gezag was verdreven uit de Noordelijke Nederlanden werd het calvinisme overheersend in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795). In 1592 verklaarde Rome de Utrechtse kerkprovincie tot ‘missiegebied’ omdat naar mening van de katholieke kerk de bevolking weer tot het heidendom was teruggevallen. In 1622 vertrouwde paus Gregorius XV het opperste bestuur over de Kerk in de Noordelijke Nederlanden toe aan de Congregatio de Propaganda Fide (Congregatie voor de voortplanting van het geloof), de instantie die het toezicht uitoefende over missiegebieden. De benaming voor de Katholieke Kerk in de Noordelijke Nederlanden werd vanaf dat moment de Hollandse Zending genoemd, die onder leiding kwam te staan van een apostolisch vicaris. Toen na de Vrede van Münster ook in ‘s Hertogenbosch geen normaal bisschoppelijk bestuur meer mogelijk was, kwam ook hier een apostolisch vicariaat. Na de vervolgingen tot deze Vrede van Münster werden katholieken nu getolereerd, maar het was nog steeds niet erg verstandig in de noordelijke provincies er al te opvallend uiting aan te geven dat men katholiek was. In veel steden kwamen katholieken samen voor de mis in zogenaamde schuilkerken die aan de buitenkant niet herkenbaar waren als kerk. (meer…)

Vanaf 1872, toen Tidore de soevereiniteit van het Koninkrijk der Nederlanden erkende over Nieuw-Guinea kon Nederland formeel alle aanspraken maken op het gebied Nederlands-Nieuw-Guinea. Lang zou dat alleenrecht echter niet duren want ook de Britten en Duitsland hadden hun oog op het gebied laten vallen. Dat betekende dat er grenzen tussen de diverse nationaliteiten moesten worden vastgesteld. In 1884 werd bij een verdeling onder de koloniale machten (Congres van Berlijn)besloten dat het westelijk deel van het eiland Nederlands zou blijven. De 141ste meridiaan werd gesteld als grens tussen het westelijk en oostelijk deel. De zuidelijke helft van het oostelijk deel kwam in Britse handen, dat vanaf dat moment Brits-Nieuw-Guinea werd genoemd. De Britten zagen blijkbaar al snel dat het gebied hen weinig zou opleveren, want in 1906 droegen ze het over aan Australië, dat het daarna Territorium Papoea noemde. De noordelijk helft van het oostelijk deel van het eiland kwam in Duitse handen, die het deel omdoopte tot Kaiser-Wilhelms-Land. Dit gebied zou het belangrijkste deel uitmaken van de kolonie Duits-Nieuw-Guinea van het Duitse Rijk, die verder bestond uit een aantal eilanden en eilandgroepen (Bismarck-archipel, Marshalleilanden, Noordelijke Salomonseilanden, Carolinen, Palau, Duitse Marianen en Nauru), die in een volgende aflevering worden besproken. Daarnaast was ook Duits-Samoa een Duitse kolonie in Oceanië, maar die hoorde niet tot Duits-Nieuw-Guinea. Ook deze kolonie wordt in een aparte aflevering besproken. (meer…)

Anna Bikont (Warschau, 1954) is een Poolse journaliste en auteur. Haar moeder was joods; ze overleefde de holocaust met hulp van een Pool die haar Arische papieren bezorgde, waaronder een geboortecertificaat. Later huwde zij met haar redder. Anna Bikont studeerde biologie en psychologie aan de universiteit van Warschau en was daarna een tijdje werkzaam aan het Departement Psychologie van deze universiteit. Ze was later een actief medewerkster in de solidariteitsbeweging. In 1989 stichtte ze samen met Adam Michnik de Gazeta Wyborcza, de tweede grootste Poolse krant. Bikont schreef hiervoor artikelen over politiek, cultuur en geschiedenis. In 2000 begon ze aan een onderzoek naar de schokkende gebeurtenissen in het stadje Jedwabne (in de omgeving van Bialystok), wat zou uitmonden in dit boek dat in 2004 in Polen werd uitgegeven.
Jedwabne is een plaatsje dat bij het begin van de oorlog bijna 4.000 inwoners kende: 3.670 Polen, 250 joden en 65 Wit-Russen. Als gevolg van het Von Ribbentrop-Molotovpact marcheerde in september 1939 de Sovjettroepen Oost-Polen binnen. Tot juni 1941 zou het Rode Leger de baas zijn in Jedwabne, tot het moment dat Hitler de tijd rijp achtte de aanval van de aartsvijand Rusland in te zetten. De communistische overheersing ging gepaard met een golf van anti-Poolse onderdrukking door de Russische geheime politie. Die werd daarin ondersteund door de communistische aanhang in het plaatsje, die zowel uit Poolse als joodse inwoners van Jedwabne bestond. Een aantal Poolse en joodse gezinnen werden door de sovjets gearresteerd en naar Siberië gedeporteerd. (meer…)
Jan Louis Guillaume Doornik (Parijs, 26 juni 1905, Mont Valérien bij Parijs, 29 augustus 1941)werd weliswaar in Parijs geboren en groeide daar ook op, maar hij bleef zich toch altijd honderd procent Nederlander voelen. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen, was hij dan ook vastbesloten om naar Nederland te gaan om zijn vaderland te bevrijden. Hij kwam er al snel achter dat terugkeren naar Nederland niet echt mogelijk was. Talloze pogingen om Nederland te bereiken mislukten. Op 20 mei 1940 meldde hij zich bij de Nederlandse militaire attaché in Parijs met het verzoek in de Nederlandse krijgsmacht te mogen dienen. Dat was op dat moment al een achterhaalde vraag, want het Nederlandse leger had al op 15 mei 1940 de strijd moeten staken. Doornik besluit om samen met zijn ouders naar Engeland te vluchten. Op 18 juni 1940, vlak voordat de Franse strijdkrachten voor de Duitse overmacht moeten buigen, scheepte het gezin Doornik zich in Bordeaux in voor de overtocht. Jan Doornik trekt verder naar Cardiff, waar zich een Nederlands legeronderdeel bevond. Daar aangekomen meldde zich als vrijwilliger aan voor een formatie stoottroepen. Met zijn eenheid nam hij deel aan diverse verkenningstochten van de Franse kust. Bij een van deze tochten sneuvelden alle officieren, waarna Doornik het bevel van de eenheid overnam en erin slaagde met de overgebleven manschappen naar de basis terug te keren. Door deze actie werd hij tot luitenant benoemd. (meer…)

Iman Jacob van den Bosch (Groningen, 30 mei 1891 – Kamp Westerbork, 28 oktober 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was een zoon van de militair Isaac van den Bosch. Voor de oorlog was Van den Bosch was werkzaam bij de Koninklijke Marine. Hij begon in 1909 zijn opleiding tot marineofficier aan het Koninklijk Instituut voor de Marine. In 1919 verliet hij de marine als luitenant ter zee der tweede klasse. Hij werd in 1940 aangesteld als procuratieouder-afdelingshoofd van de buitenlandse expeditiedienst van de Philipsfabriek te Eindhoven. Hij was gehuwd, had drie kinderen en was aangesloten bij de Nederlands Hervormde kerk. In december 1940 stichtte hij de verzetsgroep Tromp en het daaraan gelieerde Trompfonds, dat onder meer geld inzamelde voor de gezinnen van marinemensen die in geallieerde dienst voeren. Op last van de Duitse bezetter worden deze transacties in april 1941 stopgezet. Hierna ontstaan verschillende initiatieven van verzetslieden en –groepen om alsnog financiële steun te bieden aan zeemansgezinnen. Samen met bankier en oud-koopvaardijofficier Walraven van Hall richt Iman Jacob begin 1942 het Nationaal Steun Fonds (NSF) op, waarin al deze verschillende initiatieven worden verenigd. De doelgroep wordt dan ook verbreed; ook ondergedoken joden en gezinnen van ondergedoken beroepsofficieren komen in aanmerking voor financiële steun. Later ontvangen ook de gezinnen van onderduikers van de Arbeitseinsatz steun van het NSF. Na 17 september 1944 vormt de spoorwegstaking van dertigduizend personeelsleden een extra belasting voor het NSF. De voortzetting van de staking is een grote verdienste geweest van het fonds. Van de ruim tweeduizend medewerkers van het NSF werden er 84 door de Duitsers gefusilleerd, waaronder de beide voormannen: Walraven van Hall en Iman Jacob van den Bosch.
(meer…)

Arend Andries Bontekoe (Naarden, 13 oktober 1895 – Sachsenhausen, 13 januari 1945) was een Nederlandse kapitein der infanterie van het Indische leger en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was het achtste en jongste kind van Andries Bontekoe (Wanswerd, 12 november 1860 – Rotterdam, 11 mei 1943), een uit Friesland afkomstig adjudant-administrateur., die in mei 1881, nog maar twintig jaar oud, in Leeuwarden in het huwelijk was getreden met Klaske Biegel. De meest van hun acht kinderen zouden vroegtijdig sterven; zes werden niet ouder dan 1 tot zes jaar oud, één broer van Arend zou 21 jaar oud worden. Slechts het achtste kind, Arend Andries, zou uiteindelijk overblijven.
Arend Andries Bontekoe begon zijn militaire loopbaan te Kampen bij het instructiebataljon op 6 februari 1912, zijn opleiding werd voltooid op de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Hij werd achtereenvolgens korporaal, sergeant en vaandrig bij het 4e en 15e regiment infanterie. Hij slaagde in september 1920 als onderofficier voor het toelatingsexamen voor de hoofdcursus, die hem opleidde voor de rang van tweede luitenant bij het wapen der infanterie in het Indische leger. In augustus 1921 slaagde hij voor het overgangsexamen en in december 1921 werd hij bevorderd tot vaandrig titulair. In augustus 1922 slaagde Bontekoe voor de hoofdcursus en op 4 september 1922 werd hij benoemd tot tweede luitenant. Op 31 oktober 1922 trouwde hij in Leiden met Adriana Maria Voorbroot (Leiden, 13 maart 1892). Een maand later, op 18 november 1922, vertrok de 27-jarige Bontekoe en zijn echtgenote met het stoomschip Patria naar Nederlands-Indië. Daar werd hij bij het veertiende bataljon te Buitenzorg (het huidige Bogor op West-Java) geplaatst en vervolgens overgeplaatst van Sigli naar het zevende bataljon te Magelang, een stad op Midden-Java, gelegen tussen de gebergten Merbabu en Sumbing en de rivieren Progo en Elo. Al in de VOC-tijd was hier een militaire post gevestigd en gedurende de gehele koloniale tijd was Magelang een belangrijke militaire garnizoensstad. Zijn echtgenote zal in de stad op 2 mei 1925 overlijden aan kraamvrouwenkoorts. Een dag eerder was dochtertje Klaske Wilhelmina Bontekoe geboren. Die zal op 20 april 1945 in Batavia vlak voor haar twintigste verjaardag overlijden, onwetend dat twee maanden eerder haar vader is overleden. Een andere dochter, Adriana, zal wel de volwassen leeftijd bereiken. (meer…)
De verzetsstrijder Jan Verleun is een van de weinigen uit het verzet die aan de vergetelheid zijn ontrukt. Een beetje althans, want Nederland gaat slordig om met zijn helden. Harder geformuleerd, Nederland houdt niet van helden. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Waar in de meeste landen helden op allerlei wijzen geëerd worden en geprobeerd wordt alle dode helden in het collectieve geheugen vast te pinnen, lijkt Nederland er vooral op uit om helden zo snel mogelijk weer te vergeten. Het gevolg is dat de meeste landgenoten amper enig besef hebben van de hoeveelheid activiteiten die in de oorlogsjaren onder grote dreiging zijn verricht. Men is zelfs geneigd te denken dat er amper enig verzet is geweest en, nog erger, dat bijna alle Nederlanders al dan niet met volle inzet met de bezetters collaboreerde. Men heeft amper weet van het grote aantal verzetsstrijders dat door de Duitsers is gefusilleerd of naar een van de vernietigingskampen is gestuurd. Slechts een enkele naam is blijven hangen en dat zijn ook steevast dezelfde namen die dan opduiken. Het merendeel is echter geruisloos verdwenen in ‘de mist van het schimmenrijk’, zoals de schrijver Hermans de vergetelheid zo fraai omschreef.
Willem Frederik Hermans (1921-1995, een van onze meest geroemde auteurs en onder meer de schrijver De donkere kamer van Damocles (1958) dat erg geïnspireerd is door de activiteiten van de links-radicale verzetsgroep CS-6, publiceerde in 1979 de bundel Houten leeuwen en leeuwen van goud, dat meer dan dertig korte stukken bevat die Hermans verspreid over een langere periode had gepubliceerd. De vroegste bijdrage stamt uit 1963, maar het grootste deel van de artikelen schreef Hermans in de tweede helft van de jaren zeventig. Hermans bracht de bijdragen onder in zeven thematische hoofdstukken en vatte, in een speciaal voor de bundel geschreven voorwoord, het overkoepelende thema van de geselecteerde stukken samen als ‘de afbraak van de taboes’. (meer…)
23 mei 1945, Flensburg
De Duitse delegatie keerde na de ondertekening van de capitulatie op 4 mei meteen naar Flensburg terug (zie: Bevrijding van Nederland en België 1). Flensburg lag binnen de Britse bezettingszone, maar de geallieerden ondernamen geen stappen om de regering te arresteren. President Dönitz regeerde na de capitulatie dus onverdroten voort als hoofd van een marionettenregering. De regering-Dönitz deed zelfs nog een onderzoek in naar de ‘misstanden’ in de concentratiekampen. Men had ook de Hitlergroet in het leger afgeschaft, maar tegelijk bleven Dönitz’ militaire rechtbanken doodvonnissen uitspreken en uitvoeren. Pas op 13 mei 1945 arresteerden de Britten veldmaarschalk Wilhelm Keitel wegens zijn betrokkenheid bij de executie van vijftig Britse krijgsgevangen gemaakte luchtmachtofficieren. Keitel zou later bij het Proces van Neurenberg ter dood worden veroordeeld en worden opgehangen. Na Keitels arrestatie werd kolonel-generaal Alfred Jodl benoemd tot (laatste) stafchef van het Duitse opperbevel. Ook die zou op 16 oktober 1946 aan de Neurenbergse galg eindigen. (meer…)
11 juni 1945 – Schiermonnikoog
Schiermonnikoog werd op 16 mei 1940 bezet. Vlak daarvoor had burgemeester H.W. van den Berg de Duitsers om bescherming had verzocht. Op 28 juli 1943 werden Amerikaanse bommenwerpers boven de Waddenzee aangevallen door Duitse jagers. Ze ontdeden zich van hun lading, waardoor zeventien bommen op het eiland terechtkwamen. Zeven bewoners kwamen om het leven, waaronder Hendrik Willem van den Berg en zijn echtgenote. Reden voor de Duitsers direct een NSB’er van het vasteland te halen en te installeren als nieuwe burgemeester. De andere opzienbarende gebeurtenis op het eiland gedurende de oorlog was dat de predikant Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard (Amsterdam, 25 juli 1870 – aldaar, 4 januari 1955) na zijn opzienbarende toespraak in Groningen tot het eind van de oorlog naar dit eiland werd verbannen. De roemruchte Nederlandse predikant, publicist, flamingant en Groot-Nederlander. Tevens een neef van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, was in de herfst van 1944 per fiets naar Groningen getrokken om zijn beide zoons te bezoeken. Op 25 september 1944 werd zijn jongste zoon Jakob, die betrokken was bij verzetsacties, door een Duitse politiepatrouille in zijn woning doodgeschoten. Domela, die kort na de moord het huis van zijn zoon en schoondochter binnentrad, geraakte buiten zichzelf van woede en smart, wierp een venster open en hield voor een talrijk publiek een scheldkanonnade tegen ‘Hitler, Himmler en hun bende’. Hij werd door de teruggekeerde patrouille gegrepen en naar het beruchte Scholtenshuis gebracht, waar hij zich kranig heeft gedragen en zijn medegevangenen tot een daadwerkelijke geestelijke steun is geweest. Dankzij bemiddeling van enkele invloedrijke personen kon worden verhinderd dat hij niet werd afgevoerd naar een van de Duitse kampen om daar in nacht en nevel te verdwijnen, maar werd hij voor de duur van de oorlog verbannen naar het eiland Schiermonnikoog. (meer…)
3 juni 1945 – Ameland
Binnen een paar uur nadat de Duitse troepen in 1940 op Ameland kwamen hadden ze het eiland onder controle. Wel moesten in juli-augustus ongeveer zestig lijken worden geborgen ddie op het Noordzeestrand waren aangespoeld, slachtoffers van de strijd tussen Duitsers en Britten bij Dunkerken. Op Ameland probeerden men ook zoveel mogelijk de identiteit van de kijken te achterhalen. Er bleek onder meer een Nederlandse 2e luitenant bij te zijn. In de daarop volgende periode werden door de Wehrmacht een paar bunkers aangelegd die deel uitmaakte van hun Atlantikwall. Langs de kust verscheen prikkeldraad, bunkers, radarposten, kust- en luchtafweerbatterijen. Dat werken aan de Atlantikwall had voor de eilanders het voordeel dat ze niet werden opgeroepen voor tewerkstelling in Duitsland. De lichte bunkers aan de kust waren hoofdzakelijk schuilplaatsen en bergplaatsen. De bunkers ten zuidwesten van Hollum dienden als kustbescherming voor de verdediging van het Borndiep, ook wel het Amelander Gat genoemd, die de Noordzee met de Waddenzee verbond. Zowel de Duitsers als de geallieerden kenden Ameland weinig strategische waarde toe. De Duitse militaire hadden een zeer rustige oorlogsvoering en ook voor de Amelanders ging eigenlijk het gewone leven verder. In de beginjaren van de oorlog waren wel vier Amelanders omgekomen doordat hun schepen, die deel uitmaakte van geallieerde konvooien, door Duitse onderzeeërs werden getorpedeerd. (meer…)
29 mei 1945 – Terschelling
In de ochtend van 11 mei 1940 verschenen de eerste Duitsers op het geïsoleerde Waddeneiland. Pas op 16 mei 1945 kwam een groep Duitse kwartiermakers aan. Alle Nederlandse militairen op Terschelling werden tot krijgsgevangenen genomen en een maand later naar huis gestuurd. De bezetting had aanvankelijk weinig invloed op het dagelijkse leven op Terschelling. Zoals alle Waddeneilanden kreeg ook Terschelling een Inselkommandant: Kapitein-luitenant ter zee Helmut Klett, die een tamelijk mild regime voerde waardoor zich nauwelijks zichtbare spanningen voordeden op het eiland. Wel moest hij de recreatieondernemers tot de orde roepen, die het gebruikelijke zomerseizoen met veel badgasten weer wilden oppakken. Kett had namelijk grote delen van het eiland aangewezen tot spergebied, daarmee de bewegingsvrijheid van de eilanders flink ingeperkt en kwam echter in augustus 1940 met de verordening dat het eiland alleen bezocht mocht worden als hij daar uitdrukkelijk toestemming voor verleende. Hierdoor kwamen de bewoners van Terschelling in een isolement te verkeren. Op verschillende fronten ondervond Terschelling ook de gevolgen van de strijd op zee. Met enige regelmaat liepen namelijk geallieerde schepen op een mijn. In totaal verloren tijdens de oorlogsjaren 34 Terschellingers hun leven op zee. (meer…)
20 mei – 31 mei 1945 – Texel en Vlieland
In Nederland waren twee locaties langs de Nederlandse kust voor de Duitsers van groot belang, namelijk de Festung Hoek van Holland aan de monding van de Nieuwe Waterweg met Rotterdam in het achterland en de Festung IJmuiden met in het achterland de haven van Amsterdam. Beide locaties werden uitgebouwd met een groot aantal bunkers, mijnenvelden en versperringen. Verder waren er sterken fortificaties aangebracht bij Den Haag, dat ook onder de Duitse bezetting de regeringsstad bleef. Dwars door de stad werd een tankgracht aangelegd waarvoor duizenden huizen werden gesloopt en honderdduizend Haagse inwoners moesten evacueren. Deze 300 meter brede gracht lag ongeveer anderhalve kilometer landinwaarts, parallel aan het strand. Verder waren Den Helder en Vlissingen voor de Duitsers van belang, maar toch aanzienlijk minder dan Hoek van Holland en IJmuiden. Van nog minder belang waren de verdedigingswerken op de Waddeneilanden, die door de Duitsers slechts werden gezien als een noodzakelijke lichte versterking in de keten die tot in Noorwegen doorliep. Een geallieerde aanval via de Waddenzee was inderdaad erg onwaarschijnlijk. (meer…)
9 mei 1945 – Veenendaal
Na de bevrijding van de laatste steden en streken in Noord- en Zuid-Holland resteerde op 9 mei 1945 nog maar twee steden op het vasteland die nog steeds in Duitse handen waren: Veenendaal en De Klomp. Treinreizigers kennen het waarschijnlijk vanwege het treinstation Veenendaal-De Klomp op het traject Utrecht-Arnhem. Die naam versluiert dat het dorp De Klomp onderdeel uitmaakt van de gemeente Ede en in de provincie Gelderland ligt, terwijl het slechts een paar kilometer verder gelegen Veenendaal in de provincie ligt. In augustus 1939, in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, waren vanwege de Nederlandse mobilisatie ongeveer tweeduizend soldaten gelegerd in en om Veenendaal. Na de Duitse inval op 10 mei 1940 werd de bevolking van Veenendaal geëvacueerd, want de stad lag vlakbij de Grebbelinie waar de verwachte grote confrontatie met de Duitse aanvallers zou plaatsvinden. Wat ook zo geschiedde.
Na de Duitse capitulatie bleven in eerste instantie de in Veenendaal gelegerde Nederlandse en Duitse SS’ers er de dienst uitmaken. Vanuit het hele land klonterden vluchtende Nederlandse SS’ers hier samen en terroriseerden de bevolking. Men was blijkbaar niet vergeten dat deze stad zo vlakbij de Grebbeberg voor hen goed verdedigbaar was. De SS’ers wisten dat ze in deze laatste dagen van de oorlog relatief veilig waren in Veenendaal. Niemand deed ze iets, maar ze wisten ook dondersgoed dat het einde naderde. Ze grepen daarom massaal naar de fles en zorgde daarna voor hele nare incidenten in de stad. Zo ging de toenmalige Vaartbrug bij de Kerkewijk op zondag 6 mei 1945 per ongeluk de lucht in. (meer…)
8 mei 1945 – Schouwen-Duiveland en Goerree-Overflakkee
In de Tweede Wereldoorlog waren de Waddeneilanden onderdeel van de Duitse Atlantikwall, een 5.000 kilometer lange verdedigingslinie, die een geallieerde invasie moest voorkomen. Deze linie, die nooit helemaal werd voltooid, liep van Noorwegen, via Denemarken, Duitsland, Nederland en België naar Frankrijk tot aan de grens met Spanje. In tegendeel met wat de naam suggereert was het geen aaneengesloten muur van verdedigingswerken, maar waren de verdedigings-werken geconcentreerd op strategische punten als riviermondingen, zoals bij Hoek van Holland en IJmuiden. Langs de tussenliggende kust werden op geruime afstand van elkaar verdedigingsposten gebouwd. Feitelijk was het een aaneenschakeling van kustbatterijen, versperringen, ondersteuningsbunkers, artillerie tegen invasieschepen, luchtafweer en antitankgeschut, met bij het antitankgeschut de tankversperringen (tankgrachten, drakentanden, tankmuren en tankvallen). In Nederland en België speelden enkele van deze verdedigingswerken een rol bij de Duitse verdediging van de Westerschelde. Toen de geallieerden eind 1944 het laatste stukje België en Zeeuws-Vlaanderen veroverden, vreesden de Duitsers dat er een aanval op Walcheren zou komen. Het eiland Walcheren had tot dan amper een rol van betekenis gespeeld in de Atlantikwall, werd het direct gepromoveerd tot Fort Walcheren. Lang heeft dat Fort Walcheren niet stand gehouden, want op 1 november 1994 begon de Strijd om Walcheren (de Operatie Infatuate) en slechts enkele weken later was bijna geheel Zeeland bevrijd. (meer…)
8 mei 1945 – Alkmaar
In het kader van Operatie Chowhound vonden bij vliegveld Bergen voedseldroppings plaats om de hongerende bevolking van Alkmaar en de kop van Noord-Holland van eten te voorzien. Op 2 mei kwam de 452th Bombardment Groep (BG) met 13 vliegtuigen over en op dezelfde dag vloog ook de 490th BG met 7 vliegtuigen over. In totaal werd 161,1 ton voedsel gedropt. Op 3, 5 en 6 mei 1945 kwamen op een hoogte van 120-150 meter respectievelijk 20, 21 en 18 vliegtuigen van de 100th BG over om voedselpakketten af te gooien. Op 7 mei 1945 ten slotte kwam de 390th BG met 10 vliegtuigen om de laatste voedseldroppings te doen.
In april 1945 was het zuiden van Nederland al bevrijd en de geallieerden stonden aan de grenzen van de drie westelijke provincies. Daar was het leven in de steden verschrikkelijk slecht. De echte winter was weliswaar inmiddels achter de rug, maar door een enorm gebrek aan brandstof overheerste een gevoel van grote kou. Bovendien was er nog steeds een voedselschaarste. In de hongerwinter waren ruim 17.000 mensen overleden door honger en kou. Er moest dus snel hulp komen. De verstrekking van het zogenaamde ‘Zweeds wittebrood’ in maart 1945 had weinig verlichting gegeven. Eind januari 1945 werd door het Zweedse Rode Kruis met drie grote schepen (Noreg, Dagmar Bratt en Hallaren) in de haven van Delfzijl 7.700 ton graan aangevoerd, waarvan in Nederland brood werd gebakken en gedistribueerd. (meer…)
8 mei 1945, Amsterdam
Amsterdam werd in de oorlogsjaren door twee grote rampen getroffen: de deportatie van ruim 60.000 joodse bewoners en de Hongerwinter van 1944-1945 toen 2.300 burgers stierven door het gebrek aan voedsel, brandstof, medicijnen. In de laatste oorlogsdagen kwam daar nog een kleine ramp bij.
Op vrijdagavond 4 mei 1945 werd de officiële capitulatie ondertekend en was de oorlog officieel ten einde, maar het zou nog vier 4 dagen duren voordat de grote troepenmacht van de geallieerden Amsterdam binnen zou trekken en de stad officieel was bevrijd. Op zaterdag 5 mei trokken duizenden Amsterdammers al richting Amstellaan (Vrijheidslaan) en Berlagebrug om feestelijk uitgedost de bevrijders te verwelkomen. Dat was rijkelijk vroeg, want de uitwerking van het capitulatieverdrag werd pas op 5 mei in Wageningen overeengekomen. Een van de afspraken daarbij was dat de geallieerden legers pas op maandag 7 mei 1945 het nog bezette deel van Nederland zouden binnentrekken. Op een enkele geallieerde patrouille na bleef die 5e mei een grote intocht in Amsterdam dus uit en dat zou ook op 6 mei en 7 mei het geval zijn. Daardoor bleef de situatie behoorlijk gevaarlijk, want de bezetter weigerde zich over te geven aan de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) en de andere gewapende ondergrondsen. Enerzijds had dat met enig dedain ten opzichte van de BS te maken, maar een andere belangrijke reden was dat men vreesde dat die BS en de verzetsbewegingen zouden overgaan tot represailles. Zij wilden daarom de wapens alleen neerleggen bij de geallieerden van wie men een eerlijkere behandeling verwachten. (meer…)
8 mei 1945, Den Haag
De Prinses Irene Brigade, die in Nederland eerder al had deelgenomen aan Operatie Market Garden, betrokken was geweest bij zware gevechten in Zeeland en Hedel (Noord-Brabant) en op 25 oktober 1944had meegeholpen Tilburg te heroveren, was begin mei 1945 naar Wageningen vertrokken. Daar kreeg daar de opdracht om als eerste geallieerde eenheid Den Haag binnen te trekken. Op de weg daarnaar toe werd eerst Woerden op 7 mei bevrijd.
Op 8 mei 1945 trok de brigade Den Haag binnen. De stad had aan het eind van de oorlog flink geleden. Op 11 oktober 1944 was de gastoevoer in Den Haag gestopt en op 20 november hield ook de elektriciteitslevering op. Het majo-kachteltje, een zelfgemaakt allesbrandertje, werd bij de meeste Hagenaars het kooktoestel en de enige verwarming. In de winter 1944-1945 leidde de enorme brandstofschaarste ertoe dat een ware jacht begin op alles wat maar brandbaar was. Verkleumde Hagenaars roofden alle Haagse parken en plantsoenen. In het Haagse Bos en de Scheveningse Bosjes kapten mannen, vrouwen en kinderen illegaal bomen om te dienen als brandhout in de kachels. Leegstaande huizen in het voor de Atlantikwall geëvacueerde deel van de stad werden voor het hout gesloopt. Ongeveer 6.000 huizen werden onttakeld, waarvan zo’n 1.700 onherstelbaar. Vanwege de hongersnood en kou stierven alleen al in 1945 ongeveer 2100 mensen. Bij de lanceringen van V-2’s vanuit Den Haag op Londen ging vaak wat mis waardoor de afgevuurde raketten met hun vernietigende lading neerkwamen op Haagse woonwijken. Het gevolg was dat er vele doden te betreuren waren en veel huizen ernstige schade opliepen. In totaal waren vanaf Den Haag 1039 lanceringen, waarvan 87 mislukten. De geallieerden probeerden via precisiebombardementen de lanceringen te stoppen, maar die waren minder precies dan beoogd. Op 3 maart 1945 ging het helemaal mis, toen Engelse bommenwerpers het Bezuidenhout en het Korte Voorhout raakte. In totaal werd 67.000 kilo aan brisantbommen uitgeworpen boven de Haagse wijk. Meer dan 500 mensen werden gedood, ruim 250 mensen raakten zwaargewond. Duizenden mensen werden dakloos en velen huizen, winkels, bedrijven, scholen en kerkgebouwen lagen in puin. (meer…)
8 mei 1945, Reims
Op 4 mei 1945 tekende Von Friedeburg dus ten overstaan van Montgomery de overgave van de Duitse strijdkrachten in Noord-Duitsland, Nederland, Denemarken en Noorwegen (zie: Bevrijding van Nederland en België 1), die op 5 mei 1945 zou ingaan en waarvoor nog wat practische uitwerkingen moesten worden afgeproken tussen beide partijen (zie: Bevrijding van Nederland en België 2). Daarna zijn er echter nog genoeg gebieden waar de Duitsers nog steeds niet hebben gecapituleerd.
Direct na de ondertekening op 4 mei werd de Duitse delegatie van de Lüneburger Heide overgebracht naar het geallieerde hoofdkwartier in de Franse stad Reims, waar de besprekingen begonnen over een algemene capitulatie. Kolonel-generaal Alfred Jodl voegde zich een dag later bij de Duitse delegatie in een ultieme poging om enkel voor de westerse mogendheden te capituleren. Toen dat niet lukte en de geallieerden dreigden alle Duitsers tegen te houden die voor de Russen op de vlucht waren, gaf Dönitz via de radio toestemming om de geallieerde eis in te willigen. In de vroege ochtend van 7 mei 1945 ondertekende Jodl in Reims een akkoord over de onvoorwaardelijke overgave van alle Duitse strijdkrachten, die de dag daarop zou ingaan. Voor België geldt sindsdien 8 mei 1945 als de dag van bevrijding. België werd vooral bevrijd door het Tweede Britse Leger en het Eerste Amerikaanse Leger, bijgestaan door Britse, Amerikaanse, Canadese en Poolse legeronderdelen, plus de Belgische troepen van de Brigade Piron. België werd hoofdzakelijk bezet door het 15de Duitse Leger, dat zich in versneld tempo terugtrok en slechts één strategisch doel overhield: het blokkeren van de Westerschelde en de toegang tot de haven van Antwerpen. (meer…)
7 mei 1945, Utrecht en Woerden
Op 7 mei 1945 waren Woerden en Utrecht de twee volgende steden die werden bevrijd en in beiden steden ging dat geheel geruisloos. Woerden lag op de route van de Prinses Irene Brigade, die op 5 mei 1945 in Wageningen de eervolle opdracht had gekregen Den Haag te bevrijden. Worden lag mooi op die route. De dag daarop zou het legeronderdeel ook Leiden en Alphen aan de Rijn bevrijden, ook zonder enige tegenstand. Het meest opvallends was steeds de arrestatie door de Binnenlandse Strijdkrachten van de lokale NSB’ers en het kaalscheren van de net zo lokale ‘moffenmeiden’, een activiteit waar velen jaren later alsnog het schaamrood van op de kaken kregen. Onderweg naar Utrecht was dat kaalscheren ook al gebeurd in Oudewater. Door de lokale kapper werden vrouwen die tijdens de oorlog een relatie hadden gehad met een Duitser, of er zelfs maar van werden verdacht, niet al te vakkundig geknipt en daarna publiekelijk te schande gezet. Het minste was wel dat ze werden uitgescholden voor ‘moffenmeiden’, ‘moffenhoeren’ en ‘moffenkleders’. Vaak werden deze vrouwen en jonge meisjes uit hun huis gesleurd en op een boerenkar door de straten gereden, bespuugd, uitgescholden, besmeurd met hakenkruizen en in het openbaar kaalgeschoren. Soms kwamen er ook nog pek en veren aan te pas. Er werden ook vergissingen gemaakt, waarna aanspraak kon worden gedaan op een compensatie van 200 gulden. (meer…)
5 mei 1945, Gouda
De bevrijding van de Duitse bezetting in Nederland was al in september 1944 begonnen. Op 11 september 1944 trokken Britse verkenningstroepen voor het eerst de Nederlandse grens over bij Valkenswaard. Het Zuid-Limburgse kerkdorp was op 12 september het eerste dorp dat werd bevrijd, hier door Amerikaanse soldaten van de 30e Infanteriedivisie, beter bekend als The Old Hickory. Een gedenksteen naast de openbare basisschool herdenkt dit begin van de bevrijding. Dezelfde soldaten bevrijden nog dezelfde dag de dorpen Mariadorp, Mheer en Noorbeek, die nu deel uitmaken van de gemeente Eijsden-Margraten. Door de geallieerde legers werd daarna snel het gebied ten zuiden van de grote rivieren bevrijd. Als op 17 september 1944 de operatie Market Garden begint in een wanhopige poging ook het gebied ten noorden van de rivieren te bevrijden en een snelle doorgang naar Duitsland te creëren, worden ook de eerste gemeenten in Noord-Brabant ontzet. Waaronder Valkenswaard dat na een voorzichtige bezoek van verkenningstroepen nu definitief werd bevrijd. Op 20 september kan vanwege Market Garden Nijmegen als eerste stad in Gelderland worden bevrijd. In dezelfde dagen werd ook Zeeuws-Vlaanderen bevrijd. Het mislukken van Market Garden betekende echter dat het gebied ten noorden van de grote rivieren in Duitse handen bleef en dat in West-Nederland een hongerwinter ontstond, die aan zeker 20.000 mensen het leven kostten. (meer…)
5 mei 1945, Wageningen
Op 4 mei 1945 om half 7 ’s avonds was in het hoofdkwartier van veldmaarschalk Montgomery op de Lüneburger Heide het document getekend dat de onvoorwaardelijke capitulatie inhield van de Duitse legers in Nederland, Noordwest-Duitsland, Sleeswijk-Holstein en Denemarken. De afspraak is dat op 5 mei 1945 alle wapens vanaf 8 uur ’s ochtends zouden zwijgen. Namens Duitsland zette onder meer admiraal Von Friedeburg zijn handtekening onder het document dat geen enkele ruimte liet voor onderhandeling of discussie. Generaal Crerar, de bevelhebber van het Eerste Canadese Leger, had zo’n hekel aan de Duitsers dat hij niet betrokken wilde zijn bij de uitvoering van de capitulatie. Hij belastte daarom zijn twee korpsbevelhebbers en voor Nederland was daardoor luitenant-generaal Charles Foulkes ermee belast alle overgavebevelen en militair-technische bijlagen ter ondertekening voor te leggen aan de gecapituleerde Duitse bevelhebber. De locatiekeuze voor Wageningen kwam doordat de plaats toevallig aan de toegang van de geneutraliseerde zone lag en eerder al was gebruikt bij overleg over voedseltransporten. De dagen voorafgaand aan de capitulatiebespreking vonden al onderhandelingen plaats om voedseltransporten mogelijk te maken voor de hongersnood in het Westen van Nederland. Op woensdag 2 mei 1945 werden in Wageningen de Protocollen van Achterveld ondertekend. Bovendien was de bevolking geëvacueerd en de stad in geallieerde handen. De keuze voor het zwaar beschadigde hotel ‘De Wereld’ lag min of meer voor de hand. (meer…)
4 mei 1945, Lüneburger Heide
Op 20 april vierde Adolf Hitler in de Führerbunker zijn 56e verjaardag, zijn laatste. Slechts een paar laatste getrouwen waren gekomen om hem te feliciteren, om daarna zo snel mogelijk Berlijn te ontvluchten. De stad lag al dagenlang onder aanhoudend Russisch artillerievuur. Het was voor iedereen overduidelijk dat het definitieve einde van de nazi’s nog slechts een kwestie van dagen was. Op die dag overwoog Hitler nog even om Berlijn te ontvluchten en vanuit Zuid-Duitsland dat nog geheel in Duitse handen was de oorlog voort te zetten. Joseph Goebbels overtuigde hem echter om in Berlijn te blijven.
Twee dagen later verklaarde Hitler aan zijn generaals dat de oorlog verloren was, maar Keitel en andere fanatieke nazi’s wilden echter kost wat kost verder vechten. Ze wisten dondersgoed wat er de voorgaande jaren aan oorlogsmisdaden was gepleegd en dat ze zeker van de Russen op geen enkele clementie hoefde te rekenen. Op 28 april waren door allerlei verwikkelingen voormalige kopstukken als Hermann Goering en Heinrich Himmler uit de gratie geraakt.
Op 29 april trouwde Hitler met Eva Braun en maakte zijn testament op. Terwijl in de bunker de resterende manschappen een ware orgie van drank en seks begonnen, raakte Hitler steeds radelozer omdat hij vernam dat zijn Italiaanse strijdmakker Benito Mussolini door zijn landgenoten was vermoord en aan de voeten was opgehangen aan een portaalbalk van een tankstation in Milaan. Zijn levensgezellin Clara Petacci en drie lotgenoten hingen naast hem, waar ze werden bespot en aangevallen door een grote menigte. Op 30 april pleegden Hitler en Eva Braun zelfmoord. Daarna gaf Goebbels de opdracht de beide lichamen met benzine te overgieten en in brand te steken. De lichamen zouden niet geheel verbrand zijn geweest, doordat de SS-lijfwachten die met dit karwei waren belast hun karwei door de constant neerkomende Russische granaten niet konden afmaken. (meer…)

Op 1 mei 1813 om kwart voor twaalf ’s middags werd in Den Haag Arijaantje Apersdr Bouwman, op 7 september 1793 in Zevenhuizen geboren, door middel van de guillotine onthoofd. De pas negentienjarige Adriana Bouwman had als dienstmeid gewerkt op een boerderij in Nieuwerkerk aan de IJssel. Er is slechts van haar bekend dat ze op die boerderij had gestolen en daarna de boerderij in brand had gestoken. Of daarbij mensen en/of vee in de brand is omgekomen in nergens vastgelegd. In elk geval werd haar misdrijf ernstig genoeg geacht om haar vanwege brandstichting en diefstal ter dood te veroordelen. Op dat moment leefde Nederland onder de Franse bezetting en was de guillotine het geëigende instrument om deze straf ten uitvoer te leggen. Door het Hof van Assisen van het departement der Monden van de Maas werd de arme dienstmeid ter dood veroordeeld. Ze ging hiertegen nog wel in beroep bij het Hof van Cassatie in Parijs, maar dat beroep werd dit werd begin april verworpen. Adriana was een van de weinige Nederlanders die door middel van de guillotine terecht werden gesteld: voor zover bekend is zij in Den Haag de tweede en laatste persoon die op deze manier ter dood gebracht werd. In Nederland de guillotine in 1809 ingevoerd door de Fransen, die andere vormen van het ten uitvoer leggen van de doodstraf afschafte. (meer…)
Heather Macadam deed twintig jaar lang nauwgezet onderzoek naar de verhalen van de 999 meisjes en vrouwen van het eerste officiële Joodse transport naar Auschwitz. Ze interviewde hun dochters en nichtjes, en sprak met historici, getuigen en overlevenden. Zo ontrukte ze hun verhaal aan de vergetelheid en bracht hun hiermee een laatste eerbetoon. Heather Macadam schreef eerder over dit onderwerp, wat haar nominaties opleverde voor onder meer de National Book Award, de American Jewish Book Award en de National Library Association Award. Voor haar werk aan Het eerste transport ontving ze de Yad Vashem-onderscheiding.
Maar eerst een kort overzicht over het concentratiekamp Auschwitz. In februari 1940 werd Reichsführer-SS Heinrich Himmler ervan op de hoogte gebracht dat iets buiten de stadskern van het dorpje Auschwitz een aantal lege Poolse legerkazernes stonden. Het betrof twintig gebouwen, veertien met één verdieping en zes met twee verdiepingen. Mooi afgeschermd voor nieuwsgierige dorpelingen dus, met bovendien volop uitbreidingsmogelijkheden en goede spoorwegverbindingen. Kortom, een ideale locatie voor een groot concentratiekamp om gevangenen te herbergen die vanuit het hele Duitse Rijk en haar veroverde gebieden zouden worden aangevoerd. Al in april 1940 gaf Himmler het bevel in Auschwitz een kamp in te richten, enerzijds nodig om de overvolle gevangenissen in Silezië te ontlasten, maar vooral om alle nieuwe gevangenen in op te sluiten. Het lag namelijk in de verwachting dat er onder de bevolking in Silezië en de Poolse gebieden binnen het Generalgouvernement nog vele politieke tegenstanders zouden worden gearresteerd. Het nieuwe concentratiekamp had aanvankelijk als taak bij te dragen tot de ‘germanisering van het Oosten’. De gevangenen moesten de zompige gebieden rond het kamp omzetten in vruchtbare akkers, waarna zich hier Duitse kolonisten konden vestigen. Op 4 mei 1940 werd Rudolf Höss benoemd tot de eerste kampcommandant, die er een ‘ordelijk concentratiekamp’ van moest maken. (meer…)
De oorsprong van oranjebitter is niet echt bekend. In de 16e en 17e eeuw kwamen scheepsmedicijnen op de markt die bedoeld waren als medicijn tegen de beruchte scheurbuik. Dat was vroeger op schepen op de grote vaart een gevreesde ziekte. Zeelieden die lang onderweg waren kregen op een gegeven moment last van zwellingen en bloedingen van het tandvlees, rode of paarse puntvormige huidbloedingen (vooral op onderbenen), slapte, stijve en pijnlijke ledematen en inwendige bloedingen. Hoewel de naam anders doet vermoeden was er geen sprake van een specifieke buikaandoening. Onbehandelde scheurbuik was op lange termijn dodelijk, maar omdat men lang niet wist wat tegen de verschijnselen te doen, was scheurbuik op de verre ontdekkings- en handelsreizen die men na de middeleeuwen de voornaamste doodsoorzaken aan boord. Hoewel sinds de eerste ontdekkingsreizen duidelijk was dat het eten van citrusvruchten (vitamine C) de ziekte binnen enkele dagen deed verdwijnen bleven de geneeskundigen eeuwenlang zoeken naar andere remedies. De geneeskundige en hoogleraar Herman Boerhaave beschreef rond 1700 de ziekte als een probleem van de bloedcirculatie, veroorzaakt door vochtig en koud weer en een tekort aan beweging. Door zijn groot gezag in de Europese geneeskundige wereld bleef deze opvatting nog lang opgeld doen en bleef scheurbuik dus bestaan. De Britse marinearts James Lind (1716-1794) wist na 1747 gedaan te krijgen dat op Engelse marineschepen citroensap werd verstrekt, nadat hij in een klein onderzoekje had aangetoond dat van zes groepen van twee patiënten met een verschillend voedingssupplement de groep die twee sinaasappels en een citroen kreeg binnen zes dagen genazen, terwijl de overigen niet herstelden. In die tijd waren citrusvruchten in Nederland al te krijgen. Vooral naar Nederland gevluchte Portugese joden verhandelden ze vaak, want zij hadden nog veel contacten in Spanje en Portugal. Om het bittere vruchtensap beter naar binnen te krijgen, werd het aangelengd met alcohol. (meer…)





Etienne Giran (Vauvert, 17 augustus 1871 – Buchenwald, 13 september 1944) was een predikant. Van 1900 tot 12 mei 1921 was hij de predikant van de Waalse Gemeente in Amsterdam. In de periode schreef hij een aantal theologische boekjes, die zowel in het oorspronkelijke Frans en in de Engelse vertaling nog steeds herdrukt worden. Enkele van die boeken werden ook in het Nederlands vertaald en kenden toen een meer dan behoorlijke populariteit. Zo verscheen in 1905 van hem ‘De Godsdienstige Waarheid en de Moderne Christenen’ en in 1916 ‘Een onhoudbare leer. Denkbeelden van Jezus over de leer, dat men het kwade niet met geweld te keer mag gaan‘, die nog slechts via het antiquariaat beschikbaar zijn. Na zijn terugkeer naar Parijs bleef hij een goede bekende binnen de Nederlandse gemeenschap in de Franse hoofdstad, althans het christelijke deel daarvan. Een van de vele contacten die hij hier had was Johan Herman Laatsman de Bailleul (Gent, 14 september 1903 – Den Haag, 28 mei 1976), een Nederlandse diplomaat en degenen die in de periode januari 1943 – februari de hoogste leiding zou hebben over Dutch-Paris. Dat was een ondergronds netwerk van het Nederlands, Belgisch en Frans verzet met als doel mensen te redden en belangrijke documenten te smokkelen. De ontsnappingsroute heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het Frans verzet en was verantwoordelijk voor de redding van meer dan 1.080 mensen, waaronder 800 Nederlandse Joden en meer dan 112 neergehaalde geallieerde piloten. Er werkte ongeveer 300 man voor het netwerk, waarvan in de bezettingsjaren ongeveer de helft werd gearresteerd. Veertig leden werden gedood of stierven aan de gevolgen van gevangenschap. Het duurde niet al te lang na de Duitse bezetting van Frankrijk dat Etienne Giran en zijn zoon Olivier Giran voor Dutch-Paris gingen werken. (meer…)

Olivier Giran (Sèvres, 14 september 1920 – Angers, 16 april 1943) was een Franse verzetsstrijder met de schuilnaam Monsieur Alain tijdens de Tweede Wereldoorlog. In november 1939 nam hij dienst bij de infanterie om de opleiding tot reserve-officier te gaan volgen. Op het moment in juni 1940 dat de Fransen een wapenstilstand met de Duitse aanvallers overeenkwamen bevond hij zich in Vichy. Aan de gevechten had zijn onderdeel niet deelgenomen. Op 16 juni 1940 begon maarschalk Pétain onderhandelingen met de Duitse bezetters. Charles de Gaulle was lid van het Franse oorlogskabinet tijdens de Duitse invasie en was door voorzitter Paul Reynaud op een diplomatieke missie naar het Verenigd Koninkrijk gestuurd om daar steun te krijgen voor het Franse verzet. Op 18 juni 1940 sprak generaal De Gaulle de Franse bevolking toe in een radio-uitzending van de BBC. De Gaulle deed een hartstochtelijk beroep op de Franse soldaten en burgers de oorlog voort te zetten. Ondanks de oproep van De Gaulle tekende Pétain op 22 juni 1940 toch de overgave met de asmogendheden en werd zo de president van Vichy-Frankrijk. Door het oorlogskabinet, met De Gaulle als belangrijkste woordvoerder, werd daarop de beweging Vrije Fransen of Vrije Franse Strijdkrachten opgericht, die bestonden uit Franse oorlogsstrijders, officieren en burgers die de asmogendheden wilden bevechten. De Vrije Fransen stonden recht tegenover het collaborerende Vichy-regime. (meer…)



Kevin Prenger (1980, hoofdredacteur bij Traces of War) heeft een aantal boeken over de Tweede Wereldoorlog geschreven, waarin vaak Duitse onderwerpen centraal stonden. Zo schreef hij boeken over Kurt Gerstein (‘Een boodschapper uit de hel’), Konrad Morgen (‘Een rechter in Auschwitz’) en Arthur Nebe (‘Het masker van de massamoordenaar’), drie SS’ers die een dubbelrol gespeeld zouden hebben. Enerzijds volop actief in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds ook met betrokkenheid in het Duitse verzet. SS-Oberstürmführer Gerstein, die betrokken was bij het euthanasie-programma en Aktion Reinhard en Zyklon-B aan het concentratieprogramma leverde, claimde na de oorlog informatie aan buitenlanders te hebben gegeven over de geheime en gewelddadige operaties in Oost-Europa. Konrad Morgen werkte binnen de juridische sector van de SS en beriep zich na de oorlog op verzetsactiviteiten, omdat hij talrijke SS’ers voor ernstige vergrijpen voor de rechtbank had gebracht. In beide gevallen lijkt het er erg op dat ze heel sluw een ontsnappingsroute voor zichzelf wilden creëren toen men eenmaal inzag dat de oorlog verloren was. Spijt, berouw en pogingen het verhaal naar buiten te brengen zijn natuurlijk sterke verzachtende omstandigheden, maar maakt de schuld niet ongedaan en maakt er zeker geen voorbeeld of held van. Dat geldt nog meer voor de Kriminalpolizeichef Arthur Nebe, die ronduit een oorlogsmisdadiger was, maar op het eind van de oorlog ook betrokken was bij de mislukte aanslag op Hitler van Von Stauffenberg en daardoor op een lijstje verzetshelden terecht kwam. Dat werd door Prenger in het derde deel van de trilogie vakkundig rechtgezet. Tot slot schreef hij een aardig boek over de manieren waarop aan de diverse fronten gedurende de oorlog Kerstmis werd gevierd (‘Kerstmis onder vuur’). (meer…)

Iedereen die iets af weet van de vreselijke bombardementen op steden gedurende de Tweede Wereldoorlog kent het bekende rijtje plaatsnamen: Dresden, Hamburg, Berlijn, Londen, Coventry, Hiroshima en Nagasaki. Of om bij Nederland te blijven: Rotterdam en Nijmegen (de laatste plaats pas sinds kort, decennialang wilden men niks weten over dit ‘vergissingsbombardement’, waarbij waarschijnlijk meer doden dan in Rotterdam te betreuren waren). Het zijn slechts enkele namen van steden, die synoniem zijn voor grootschalige verwoesting en de massale vernietiging van mensenlevens door bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Weinigen zullen weten dat Tokio aan dat rijtje moet worden toegevoegd, eigenlijk bovenaan deze lijst moet staan.
In de maanden maart, april en mei 1945 werd Tokio hevig gebombardeerd. De aanvallen op 9-10 maart was de meest vernietigende aanvallen. Er kwamen toen meer dan 100.000 inwoners om het leven. Het wordt algemeen gezien als het dodelijkste luchtbombardement ooit. Op 9 maart 1945 vertrokken 334 hypermoderne B-29 Superfortress bommenwerpers van bases op Saipan, Tinian en Guam voor ‘Operation Meetinghouse’. De architect was Amerikaanse luchtmachtgeneraal Curtis LeMay (1906-1990), die later binnen het Amerikaanse leger werd geroemd vanwege het voorbereiden en uitvoeren van een effectieve, systematische bombardementscampagne in de Stille Oceaan, vanwege zijn leiding bij de Berlijnse Luchtbrug en vanwege het herstructureren van het Strategic Air Commando (SAC) tot een effectieve strijdmacht tijdens een nucleair conflict. Anderen hebben niet geheel ten onrechte een minder positief beeld van LeMay. Zij zien hem als een oorlogszuchtige ruziestoker vanwege ‘Tokio’ en andere bombardementen en zijn agressieve aanpak tijdens de Koude Oorlog, die daardoor enkele keren dreigde te ontvlammen in een echte oorlog met de Sovjet-Unie. Hij was in 1968 bij de presidentsverkiezingen de running-mate van de onafhankelijk kandidaat George Wallace, nog zo’n redneck. (meer…)






Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In Duitse Koloniën 4 kwam Togoland, een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent, aan bod, in Duitse Koloniën 5 werd Duits-Oost-Afrika besproken en in Duitse Koloniën 6 werd het verblijf in Duits-Witu besproken. Nu de laatste Duitse kolonies in Afrika: Duits-Kameroen en Neukamerun.
(meer…)
Joseph Limburg (Den Haag, 29 december 1866 – Den Haag, 15 mei 1940) was een Nederlandse advocaat en politicus. Hij groeide op in een joods middenstandsgezin als zoon van de koopman Elkan Limburg (1821-1906) en Jansje van Raalte (1837-1915). Hij was een volle neef van de architect en naamgenoot Jos Limburg (1864-1945), de zoon van de joodse winkelier in manufacturen Levy Joseph Limburg (1825-1907) en Hester van Raalte (1831-1911). Deze Jos Limburg bouwde veel kantoren, villa’s en volkswoningen, waarvan er een aantal op de lijst van beschermde rijksmonumenten staan. Als gevolg van de Holocaust moesten hij en zijn vrouw onderduiken in de Haagse wijk Bezuidenhout. Aangenomen wordt dat beide omkwamen bij het bombardement op het Bezuidenhout in 1945. Joseph Limburg studeerde rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden en promoveerde in 1890 op zijn dissertatie Strafbare opruiing. Hij vestigde zich als advocaat in zijn geboorteplaats. In 1898 verdedigde hij Pieter Jelles Troelstra, die wegens belediging van de officier van justitie in Leeuwarden terechtstond. Limburg was van 1898 tot 1926 rechter-plaatsvervanger van Arrondissementsrechtbank in Den Haag en had daarnaast tal van nevenfuncties (lid van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks tucht- en opvoedingswezen (1903-1925), voorzitter en mede-oprichter van het curatorium Het Nederlandsch Lyceum te ‘s-Gravenhage (1909-1940), deken van de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad (vanaf 1921), lid van de Raad van Defensie (1922-1940), voorzitter van de Commissie van Advies voor Volkenrechtelijke vraagstukken (1924-1940), lid van de Staatscommissie voorbereiding Codificatie Internationaal Privaatrecht (1924-1940) en voorzitter van de Bond van Verenigingen voor Volkenbond en Vrede). (meer…)
Mathilde Adrienne Eugenie Verspyck (Semarang, 16 juni 1908-Ravensbrück, 11 februari 1945) was tijdens de Tweede Wereldoorlog een Nederlandse verzetsstrijder. Ze werd geboren in de patricische en deels adellijke familie Verspyck die in het toenmalige Nederlands-Indië fortuin maakte. De oudst bekende voorvader was Lenhardt Verspycken, die oorspronkelijk azijnmaker was in Venlo, in 1614 verhuisde naar Nijmegen om er brouwer te worden en er omstreeks 1650 overleed. De familie leverde onder andere militairen, bestuurders en medici op. Gustave Marie Verspyck (1822-1909) werd in 1881 verheven in de Nederlandse adel en dus stamouder van de adellijke tak van de familie, die sindsdien werd opgenomen in het Nederland’s Patriciaat. Blijkbaar was het platbranden van verschillende kampongs hiervoor geen belemmering. Een broer van Gustave was Rudolph Paul Verspyck (1837-1929), die eind negentiende eeuw een van de belangrijke generaals in de kolonie was en die Mathilde’s grootvader was. Haar vader Rudolph Verspyck (1869-1949) was firmant in het bedrijf Dunlop & Kolff, dat in Nederlands-Indië vanuit Batavia, Semarang en Soerabaja handelde in vis, suiker, thee en andere veelgevraagde luxe goederen. Haar ouders scheidde omstreeks 1920; haar vader vestigde zich in Londen en hertrouwde daar, haar moeder bleef achter in Semarang. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonde Mathilde in Brussel (Jan van Lutenslaan 4) en raakte ze al snel betrokken bij een ontsnappingslijn voor neergeschoten geallieerde piloten en werd ze betrokken bij het netwerk Comète (Komeet), een ontsnappingsroute om vanuit België naar Engeland te gaan. Dat netwerk werd in het begin van de oorlog opgericht door Andrée de Jongh, een 24-jarige vrouw uit Brussel. Het Comètenetwerk bracht tijdens de jaren 1942-1945 zo’n achthonderd geallieerde soldaten en ongeveer driehonderd vliegeniers in veiligheid. (meer…)
Niberco was de artiestennaam van Nico van Berkel (Rotterdam, 22 december 1925-Den Haag, 18 januari 1993), een Nederlandse goochelaar. Hij was de zoon van Johannes Cornelis van Berkel (2 april 1895-?), een andere beroemde Nederlandse goochelaar, die het ook nodig vond de achternaam te wijzigen om internationaal beter aan de bak te kunnen komen. Onder de artiestennaam Bercelini trad hij gedurende de Eerste Wereldoorlog meer dan zeshonderd keer op voorde Nederlandse militairen die langs de grens de Nederlandse neutraliteit moesten garanderen. Hij bouwde later on de naam The Great Bercelini een grote internationale carrière op en had ook samen met zijn echtgenote een ‘Second Sight act‘, een act waarbij de twee partners schijnbaar elkaars gedachten kunnen lezen en waarbij de ene partner geblinddoekt op het podium achterblijft en de ander zich tussen het publiek begeeft. De suggestie is dat er een vorm van telepathie is tussen de twee personen. Hij was de uitvinder van diverse goocheltrucs en heeft enkele boekjes met kaarttrucjes uitgegeven, die met wat zoeken nog steeds te vinden zijn en voor beginnende goochelaars interessant kunnen zijn. Zijn twee dochters zouden Leonie en Mary zouden als gedachtelezers in het artiestenvak gaan werken. Ook Niberco zou helemaal in de voetsporen van zijn vader treden en ook een grote internationale carrière als ‘manipulator’ opbouwen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte Niberco deel uit van het gezelschap van cabaretier Wim Sonneveld. Die trad voor de oorlog op in Parijs maar nadat in september 1939 de oorlog was uitgebroken besloot hij terug te keren naar Nederland. (meer…)
D.B. Cooper is de veronderstelde naam van een vliegtuigkaper die verantwoordelijk was voor een van de spectaculairste ontsnappingen in de Amerikaanse geschiedenis. Meer dan 45 jaar lang duurde het onderzoek van de FBI naar de identiteit van de mysterieuze man, waarvan ook onbekend is gebleven of hij de kaping wel had overleefd. Pas in 2016 liet de misdaadonderzoeksdienst weten niet langer tips over D.B. Cooper in behandeling te nemen, tenzij mensen nog geld of parachutes van Cooper vinden. Op 24 november 1971 had deze kaper onder de naam Dan Cooper voor 12 dollar en 04 cents een ticket gekocht voor een korte vlucht Northwest Orient Airlines van Portland, Oregon naar Seatle, Washington. Waarschijnlijk had Cooper zijn naam ontleend aan de naam van het Belgisch-Franse stripverhaal Dan Cooper. Het verhaal, gepubliceerd in het blad Kuifje, ging over een Canadese piloot die regelmatig zijn parachute gebruikte. In het eerste persbericht dat na de kaping werd uitgegeven werd om duistere redenen de naam D.B. Cooper genoemd, die vervolgens door alle media werd overgenomen en nog steeds geldt als de officiële naam van de vliegtuigkaper.
Vlucht 305 zou slechts een half uurtje moeten duren, maar al snel gebeurde er wat opmerkelijks. De passagier op stoel 18C, een lichtgetinte man met een zonnebril en gekleed in een donker pak, gaf aan stewardess Florence Schaffner een briefje met daarop de mededeling dat hij een bom bij zich had. Hij dreigt het vliegtuig, een Boeing 727, op te blazen als hij niet 200.000 dollar (in 2018 zou dat een waarde vertegenwoordigen van $1.180.000 in 2018) en vier parachutes zou krijgen. Aanvankelijk negeerde de stewardess het briefje, in de veronderstelling dat de man met haar probeerde te flirten. Die sprak haar echter direct aan met de woorden: ‘Miss, you’d better look at that note. I have a bomb’. Hij vroeg haar vervolgens naast hem te zitten, waarna hij zijn koffer valies opende en haar een indrukwekkende reeks cilinders met draden niet zien. (meer…)
Theodore Willem Lodewijk baron van Heemstra (Sassenheim, 27 maart 1883 – Zutphen, 31 maart 1945) was een hoofdingenieur van het seinwezen te Nijmegen en beheerder van het grote district Nijmegen. De gereformeerde Van Heemstra, telg van een oude Friese familie met vele militairen, bestuurders en politici die vanaf 1814 tot de Nederlandse adel behoorde en vanaf 1816 de titel van baron of barones mochten voeren, was gehuwd en had acht kinderen. In 1910 behaalde hij in Luik het ingenieursdiploma, waarna hij als constructeur in dienst trad bij Siemens-Schuckert in Berlijn. In 1912 stapte hij over naar de Staatsspoorwegen in Nederland, waar hij adjunct-ingenieur bij het Seinwezen werd. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 meldde hij zich vrijwillig aan als 1e luitenant bij de artillerie; in 1918 volgde de bevordering tot reserve-kapitein. In 1919 werd hij geplaatst bij het Seinwezen in Zutphen als ingenieur, in 1925 volgde de benoeming bij het Seinwezen in Amersfoort en na een reorganisatie volgde de overplaatsing naar Nijmegen, waar hij na enige tijd hoofdingenieur van het Seinwezen werd. Direct na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd hij actief in het verzet. Hij weerde NSB-ers uit zijn afdeling bij de Spoorwegen, ondersteunde personeelsleden die vanwege de Arbeitseinsatz onderdoken en steunde ook actief de spoorwegstaking in september 1944 en daarop volgende maanden. Namens de directie had hij de opdracht om voedselbonnen en geld te verstrekken aan ondergedoken spoorpersoneel in Oost-Nederland. Als zodanig ging hij ook te werk in Nijmegen. Samen met dr. ir. E.J. Bosch van Rosenthal gaf hij leiding aan de sabotageactiviteiten binnen de Nederlandsche Spoorwegen. Hij hield kantoor in een villa aan de Spoorstraat 34, op de hoek met de Nassausingel (ter hoogte van later de Tunnelweg zou worden). (meer…)
Mimi Hamminck Schepel (Venlo 15 december 1839 – ‘s-Gravenhage, 25 september 1930) was een vrijdenkster, schrijfster, vertaalster en onderwijzeres. Ze is echter vooral bekend omdat ze gehuwd was met de schrijver Eduard Douwes Dekker, beter bekend als Multatuli (Amsterdam, 2 maart 1820 – Ingelheim am Rhein, 19 februari 1887). Mimi was een dochter van de militair Johannes Christiaan Pieter Hamminck Schepel (1808-1870) en Maria Volck (1815-1863), als oudste in een gezin van vijf meisjes en twee jongens (zie foto hieronder). Haar vader had simpelweg besloten zijn laatste doopnaam aan zijn achternaam toe te voegen aan zijn achternaam, waarna het weinig deftige ‘Schepel’ ineens werd gewijzigd in het adellijk klinkende ‘Hamminck Schepel’. Vanwege de vele verplaatsingen die een militaire loopbaan met zich meebracht, verhuisde het gezin veel. Omstreeks 1860 woonde Mimi in Den Haag, waar ze dat jaar een eerste onderwijsakte haalde, in 1861 volgden de lagere akten voor Frans en Engels en op 11 april 1863 de akte als hoofdonderwijzeres. In die jaren volgde zij ook de lidmatencatechisatie (voortgezet godsdienst-onderwijs voor leden van een bepaalde protestante kerk) van de ‘moderne’ predikant J.C. Zaalberg. In die periode maakte ze via de feministische schrijfster Marie Anderson kennis van de Minnebrieven (1861) van Eduard Douwes Dekker (Multatuli), met daarin de revolutionaire ‘Geschiedenissen van gezag’. Uit eigen beweging schreef zij de schrijver een brief. Daarop deed Multatuli bij de aflevering van zijn Ideën van 22 april 1862 een oproep aan haar om een postadres aan hem bekend te maken: ‘Zijzelve kan begrijpen dat ik haar iets te zeggen heb’. (meer…)
Petrus Gonsalvus (1537-1618), de gelatiniseerde naam van Pedro Gonzalves, werd rond 1537 geboren op Tenerife, een van de Canarische eilanden. Naar verluidt was hij een afstammeling van de oorspronkelijke Guanche-koningen van Tenerife. De Canarische eilanden werden begin 15e eeuw door het koninkrijk Castilië veroverd, de Guanchen, de toenmalige bewoners van de eilanden, werden toen gevangen genomen en als slaaf verkocht. De jonge Pedro was als kind al zwaar behaard als gevolg van een genetische erfelijke afwijking hypertrichose, ook bekend als het Syndroom van Ambras of het Weerwolfsyndroom. Pedro kreeg dan ook de bijnaam Hombre Lobo Canario (ofwel de Weerwolf van Canario) en werd vanwege zijn uitzonderlijke aandoening al gauw een beroemdheid, die ook de aandacht trekt van de Spanjaarden. Op tienjarige leeftijd werd hij door een gezant van het Castiliaanse Hof naar het vasteland overgebracht. In die tijd was het ‘bon ton’ voor koningen en edelen om aan hun hof allerlei curiositeiten te verzamelen. In deze periode van grote ontdekkingsreizen werden allerlei nieuwe diersoorten, nieuwe planten, nieuwe cultuurvoorwerpen van over de hele wereld naar Europa getransporteerd en gretig verzameld door adellijke families en collectioneurs. Elk zich respecterend hof bezit een rariteitenkabinet met daarbij als vanzelfsprekend ‘levende curiosa’: kleurrijke papegaaien, exotische reptielen, dwergen en mensen met een bizar uiterlijk. Een freakshow die nu van weinig goede smaak getuigt, maar toen model stond voor universele belangstelling.
In 1547 komt Pedro aan in Parijs, want ook de Franse koning Henry II had belangstelling voor het weerwolfkind en liet hem overkomen. De koning was blijkbaar opgetogen over zijn nieuwe aanwinst en gaf hem een prinselijke opvoeding in Parijs en in het paleis van Fontainebleau. Omdat de Europeanen dachten dat de inwoners van de Canarische eilanden oorspronkelijk in grotten woonden, zou men zelfs een artificiële grot hebben gemaakt in de tuinen van het paleis, waar Pedro zich dan thuis zou kunnen voelen. In werkelijkheid verbleef hij gewoon in het paleis als bevoorrechte beschermeling van de vorst: Le sauvage du Roi. (meer…)

Een sigarenzakje is een papieren zakje waarin sigaren verpakt werden. In een sigarenzakje werd gewoonlijk een enkele sigaar of hooguit een klein aantal daarvan verpakt. Het zakje vrijwaarde de sigaar van beschadigingen en hield het aroma beter vast. Het sigarenzakje is in de eerste helft van de 19e eeuw ontstaan; de oudst bekende exemplaren stammen uit omstreeks 1840. In die tijd werd het roken van sigaren steeds meer een gewoonte en omdat de sigaar een relatief duur product was, kreeg elke winkelier/handelaar de noodzaak zijn product een goede verpakking te geven. Omdat de sigaar per stuk of zeer kleine aantallen werd verkocht en het een erg kwetsbaar product was, lag een verpakking per sigaar voor de hand. Zo’n verpakking beschermde de sigaar niet alleen tegen beschadiging, stof en vuil, maar zorgde er ook voor dat het aroma beter werd geconserveerd. Verpakt in een eenvoudig bedrukt papieren zakje was de sigaar geschikt voor transport en kon door de koper in de binnenzak of onder de hoed worden meegenomen. Die oudste sigarenzakjes werden van stevig papier gemaakt en kreeg daarmee bijna de uitstraling van de toen gangbare papier machee sigarenkoker. Het was niet zomaar een zakje, maar eerder een enveloppe met een sluitdriehoek. De luxe uitvoering, die nog erg lijkt op de sigarenkoker, wordt ook nog extra benadrukt door de opdruk in gravurestijl. Rond 1870 was het sigarenzakje een algemeen gangbaar verpakkingsmiddel geworden. Met de opkomst van de commerciële drukpers vanaf circa 1860 kwam ook in zwang deze sigarenzakjes te bedrukken, soms met op de achterzijde een rebus (zie hieronder een voorbeeld). De zakjes werden fraai bedrukt met gestileerde tabaksplanten, allegorische voorstellingen van handel en scheepvaart, rokende morianen of dito andere personen of afbeeldingen van spraakmakende gebouwen. Vaak werd op een sigarenzakje ook de winkelpui van de sigarenhandel weergegeven, met de naam van de winkel en winkelier. (meer…)
Johan Barger (Amsterdam, 8 december 1853 – Leeuwarden, 2 mei 1900) was een Nederlandse dominee en moordenaar. Hij was de zoon van de timmerman Petrus Barger en Johanna ten Broekhorst. Hij studeerde theologie te Utrecht en bracht in 1975 een redelijk goed ontvangen dichtbundel uit, getiteld Van Bloesems en knoppen. Vanaf 2 mei 1880 was hij predikant te Goudswaard. Hij was toen al getrouwd, maar blijkbaar was was dat een weinig gelukkig huwelijk. In 1882 ontvluchtte hij wegens huwelijksproblemen zijn woning en legde zijn ambt in Goudswaard neer. In 1883 werd hij hulppredikant te Lettelbert,een gehucht in het Westerkwartier van de provincie Groningen met minder dan tweehonderd inwoners. Een jaar later werd hij er predikant en weer een jaar later werd hij benoemd te Garnwerd. Op 16 juli 1885 trouwde hij in Leek voor de tweede maal, met Eilke Venema (1864-1944), de 21-jarige dochter van schoolmeester Jan Venema en zijn Doortje Kooij. In 1888 maakte hij opnieuw een promotie met zijn aanstelling als predikant in Harlingen, waar hij een statig pand aan de Noorderhaven 29 betrok.
Hij leerde in Harlingen al snel de 17-jarige Catharina Helena Mirande (Harlingen, 25 maart 1870 – Harlingen 6 maart 1894) kennen, die catechisatielessen bij hem volgde. Cato, zoals ze gebruikelijk werd genoemd was de dochter van winkelier Carel Louis Mirande (1829-1895), de jongste in het gezin. Ze had twee broers en twee zussen; een jonger zusje overleed jong en de moeder Laurina Jacoba van den Broeke (Middelburg, 1836 – Harlingen, 1874) stierf toen Cato vier jaar oud was. Het gezin leidde een teruggetrokken leven in hun woning op de Grote Bredeplaats 21, vlak bij de haven van Harlingen. Er ontstond via de catechisatielessen al snel een vriendschap tussen mevrouw Eilke Barger-Venema en Cato, die Cato twee dagen per week in dienst nam als naaister. Cato werd in de domineeswoning kind aan huis en zo kwam ze steeds meer in privécontact met de dominee. (meer…)
Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In Duitse Koloniën 4 kwam Togoland, een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent, aan bod en in Duitse Koloniën 5 werd Duits-Oost-Afrika besproken. In dit blog: Duits-Witu.
(meer…)



Frans Duwaer (Amsterdam, 1 januari 1911 – Overveen, 10 juni 1944) was directeur van NV Drukkerij J.F. Duwaer, een drukkerij en uitgeverij aan de Nieuwe Looiersgracht in Amsterdam. Duwaer zat tijdens de oorlog ook in het verzet en richtte zich erop goede valse persoonsbewijzen te maken, inclusief een goed ondergrondpatroon en watermerk. Toen in juli 1942 begonnen werd met de transporten van de Joden werd Duwaer door Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, gevraagd te gaan zorgen voor vervalste persoonsbewijzen. Duwaer ging onmiddellijk in op dat verzoek. Hij schafte speciale zet- en gietmachine aan, waarmee hij het goede lettertype kon maken. Het persoonsbewijs was ontwikkeld door de Nederlandse ambtenaar Jacob Lentz, die in samenwerking met de Duitse bezetter het beste persoonsbewijs van Europa ontwierp. Het is het Nederlandse verzet eigenlijk nooit gelukt om dit persoonsbewijs goed te vervalsen en na te maken. Dat kwam omdat een speciale inktsoort voor het persoonsbewijs werd gebruikt: onder een kwartslamp werd de inkt onzichtbaar. Ook reageerde het karton van het persoonsbewijs met aceton, waardoor veranderingen in de geschreven tekst direct opvielen. Verder was het niet mogelijk om de pasfoto in het persoonsbewijs te verwijderen omdat dan een doorzichtige zegel aan de achterkant werd verbroken, waarop een vingerafdruk stond. De lijm van de zegel was buitengewoon moeilijk te verbreken zonder dat de zegel ook verbrak. De vingerafdruk op de achterkant van de pasfoto moest weer overeenkomen met de vingerafdruk aan de linkerkant. Vervalsingen met een pasfoto waren daarom vrijwel uitgesloten. Om het kopiëren nog moeilijker te maken werd een schaduwarchief van de persoonsbewijzen bijgehouden, zodat vervalste nummers zouden opvallen. Deze paspoortnummers staan bovenaan het persoonsbewijs. Dit Duitse archief in Huize Kleykamp in Den Haag werd op verzoek van het Nederlandse verzet op 11 april 1944 om 15:00 uur gebombardeerd door de geallieerden. Het ambtelijk personeel was nog aan het werk toen het bombardement begon. Er vielen 59 doden, waaronder ook een aantal Nederlanders die aan het verzet hand-en-spandiensten verleenden.
(meer…)
Zodra de Duitsers in mei 1940 Nederland hadden bezet, werd begonnen met de vervolging van het Joodse deel van de bevolking. Al na twee maanden kwam de eerste van een eindeloze reeks maatregelen, die er op waren gericht de Joodse bevolking stapsgewijs te isoleren, te beroven en uiteindelijk uit de samenleving te verwijderen. De zogenoemde Colonne Henneicke was werkzaam gedurende de slotperiode van de vervolging van de Joodse bevolking in Nederland. De groep, onder leiding van Willem Henneicke en Willem Briedé, was actief in de periode maart – september 1943. Het was een gezelschap van omstreeks vijftig Nederlandse premiejagers die ondergedoken Joden opspoorde en aan de Duitse instanties uitleverde. Ook verrijkten de premiejagers zich met het opsporen en zich toe-eigenen van Joodse bezittingen. In de Duitse organisatiestructuur was Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart de hoogste autoriteit in bezet Nederland. Direct onder hem viel Hanns Rauter, de Generalkommissar für das Sicherheitswesen en tevens Höhere SS-und Polizeiführer, daarmee de hoogste politiechef van de bezetter. Onder Rauter werkte dr. Wilhelm Harster, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD (= Sicherheitsdienst), tevens de baas over het kamp Amersfoort. Binnen Harster’s staf kwam een afdeling IVB4 (een naam die precies is overgenomen van de afdeling van Adolf Eichmann in zijn Berlijnse hoofdkwartier), met Willi Zöpf als hoogste landelijke baas en Willi Lages als eindverantwoordelijke voor de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, de instelling die verantwoordelijk was voor de deportatie van de Nederlandse Joden. Lages liet de dagelijkse leiding over de Zentralstelle over aan Ferdinand Aus der Fünten en Karl Wörlein. Vanaf 1942 begon de Duitse oorlogsmachine op volle toeren te draaien. Hoofdzakelijk een Duitse aangelegenheid, maar ondersteund door Nederlandse handlangers. Van de ruim 160.000 geregistreerde Joden werden wekelijks duizenden naar de vernietigingskampen in Polen gestuurd. Later zou blijken dat meer dan 100.000 Joodse Nederlanders de oorlog niet hadden overleefd. (meer…)

.
Frans van den Muijsenberg / 12 september 2019 / Belfort, Frankrijk
Max Nico Léons (Rotterdam, 24 november 1921 – Amsterdam, 2 november 2019) was een Nederlands verzetsstrijder. Hij groeide op in een liberaal joods gezin weigerde, dat toen hij een puber was naar Amsterdam verhuisde. Begin 1942 zag de jonge Léons dat van de Duitse bezetters niet veel goeds te verwachten was. Hij geloofde niks van de verhalen die werden verteld over Joden die naar Oost-Europa werden getransporteerd en was ervan overtuigd dat ze daar allemaal zouden worden vermoord. o die reden weigerde hij ook een baantje dat hij bij de Joodsche Raad kon krijgen. Toen zijn familie werd opgeroepen zich te melden voor deportatie naar Polen, wist hij ervan te overtuigen onder te duiken. Op 12 juli 1942 volgde zijn ouders en anderen zijn advies en doken onder. Max zelf zwierf enige tijd door het land om buiten bereik van de nazi’s te blijven. Uiteindelijk belandde hij begin 1943 in het grotendeels gereformeerde Drentse dorp Nieuwlande. Hij legde zich echter niet neer bij zijn positie als onderduiker, neemt de schuilnaam Nico aan (eigenlijk niet zo slim, omdat het zijn tweede voornaam is en dus redelijk makkelijk te traceren), zorgde ervoor dat hij goed integreerde in de lokale bevolking en ging zelfs bij het verzet. Daarbij was hij in contact gekomen met de domineeszoon Arnold Douwes uit Laag-Keppel, die inmiddels zelf ook als ondergedoken was. Samen zochten zij in de wijde omgeving voor onderduikadressen voor anderen, zorgden ervoor dat die onderduikers op dat adres werden afgeleverd en onderhielden allerlei contacten om te zorgen dat de onderduik kon blijven bestaan. dat betekende onder meer zorgen voor voedsel, kleding, informatie en afleiding. Ze redden honderden joden het leven, vooral veel kinderen. Op deze manier runden Léons en Douwes het meest vreedzame deel van de almaar uitdijende organisatie van Johannes Post, de vermaarde verzetsstrijder. Die had inmiddels zelf de kant van het gewapende verzet gekozen. (meer…)
Al vanaf de opkomst van Adolf Hitler en de NSDAP hebben talloze wetenschappers, journalisten en schrijvers zich gebogen over het mysterie dat Adolf Hitler heet. Telkens weer wordt vanuit een ander perspectief gekeken naar de persoon die zo’n destructief stempel heeft gedrukt op de vorige eeuw en het leven van vele tientallen miljoenen mensen heeft bepaald. De historicus Lambert Giebels (in de periode 1973-1977 lid van de Tweede Kamer en auteur van de biografieën van Louis Beels en Soekarno) wil in dit boek een aspect uit het leven van de dictator onder de aandacht brengen waarvan hij vindt dat het ten onrechte aan de aandacht is ontsnapt van veel biografen: de ambities van de jonge Hitler om beeldend kunstenaar en architect te worden. Ambities die zijn hele leven intact zijn gebleven en slechts vanwege zijn politieke activiteiten naar de achtergrond werden gedrongen. Het zijn immers niet zijn politieke maar zijn kunstzinnige aspiraties die de eerste dertig jaren van het leven van de latere Führer hebben beheerst. Giebels concentreert zich in dit boek wel op de ontwikkeling van Adolf Hitler als beeldend kunstenaar om vervolgens na te gaan of diens eerste dertig levensjaren inderdaad herkenningspunten bieden voor de latere charismatische leider van het Derde Rijk. (meer…)
Freerk Datema (Oosterhesselen, 30 april 1922 – Assen, 30 december 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werkte als bankbediende bij de Nederlandsche Middenstandsbank te Meppe. Toen hij in 1943 werd opgeroepen voor de arbeidsdienst in Duitsland dook hij onder en werd hij lid van het georganiseerde verzet. Eerst was hij actief voor de illegale krant Trouw, daarna sloot hij zich aan bij een knokploeg in noord-Drente. Hij was daarbij vooral actief bij het organiseren van wapendroppings en ook nam de pas 21-jarige deel aan overvallen. Op 11 december 1944 was hij een van de twaalf verzetsstrijders van de overval op het Huis van Bewaring in Assen, waarbij eenendertig gevangenen werden bevrijd die door de Duitsers met executie werden bedreigd. Later is gebleken dat de Duitsers de executie voor 12 december hadden gepland. Alle bevrijde gevangenen overleefden de Tweede Wereldoorlog. Er werden na de overval en de bevrijding van de verzetsmensen in Assen en omgeving geen represaillemaatregelen genomen door de Duitsers. In de documentaire De Gideonsbende vertellen de inmiddels overleden Jan Bulthuis en zijn zuster Marie, samen met nog enkele bevrijde verzetsmensen, het spectaculaire verhaal van hun overval op de gevangenis in Assen, die slecht een kwartier heeft geduurd. Op Drenthe in de oorlog trof ik over de overval het volgende verhaal aan. (meer…)
Overstromingen zijn er op het Gelders Eiland de afgelopen eeuwen volop geweest, net als overigens in de rest van de delta Nederland. En als er geen overstromingen op het Gelders Eiland waren, was er wel erg hoog water en dus een behoorlijke dreiging dat het water weer over de dijken zou kletsen. In 1906 ondervond men in maart veel overlast van de hoge stand van het water in de Rijn. Op vrijdag 13 maart 1914 is er bij Spijk om 16.00 uur een dijkdoorbraak die het hele dorp blank zet. Alle huizen komen onder water te staan en ook de gloednieuwe kerk en de steenfabrieken houden het niet droog. Veel bewoners vluchten naar de zolders, anderen zoeken hun toevlucht op daken. Veel huisgezinnen verliezen ‘al hun have en goed’. In 1920 is het weer hoogwater. Als gevolg van grote massa’s smeltende sneeuw en overvloedige regen staat het water in de rivieren eind 1919 en begin 1920 uitzonderlijk hoog. Op 29 december loopt de Pannerdense Waard onder. Via de Oude Rijn en de Wildt stroomt veel water naar de Oude IJssel, waardoor Wehl en Angerlo te maken hebben met wateroverlast. In Lathum gaat men op Nieuwjaarsdag ‘s morgens zoals gewoon om 05.00 uur aan het werk, maar vijf uur later staat alles onder water. Begin januari 1920 kamperen op het Gelders Eiland honderden gezinnen op de dijken. Door een defect aan een sluis raken ook de dorpen Aerdt en Herwen onder water. In Herwen staat het water tot het dak van de zuivelfabriek. Hieronder twee foto’s van het hoogwater in 1908 (boven) en 1920 (onder).
(meer…)

.
Frans van den Muijsenberg / 10 september 2019 / Melisey, plateau des mille étangs
Elizabeth Lupka (Klein-Dammer), 27 oktober 1902 – Krakau, 8 januari 1949) was een Duits SS-lid. Ze werd geboren in het gehucht Klein-Dammer, een verzameling houten huizen voor een paar honderd inwoners, dat voor de oorlog in Silezië in het oostelijk deel van Duitsland lag. Na 1945 kwam het in west-Polen te liggen en werd de naam aangepast in Dąbrówka Mała. In 1934 trouwde ze, maar het huwelijk werd al in 1937 ontbonden. Het huwelijk bleef kinderloos. Lupka ging daarna in 1937 werken in de luchtvaartindustrie in Berlijn, wat ze tot 1942 bleef doen. Er is over haar opleiding niks bekend, maar waarschijnlijk was ze ongeschoold en kwam ze in het bedrijf waarvoor ze werkte aan de lopende band te staan. In 1942 verliet zij het voor haar vervelende baantje en melde zich aan voor een opleiding tot SS-Aufseherin in het concentratiekamp Ravensbrück.
Een Aufseherin was tijdens de Tweede Wereldoorlog in nazi-Duitsland een vrouwelijke bewaker van een concentratiekamp. Van de 55.000 bewakers die in de Duitse concentratiekampen gewerkt hebben, waren er ongeveer 3.600 vrouw. Halverwege de oorlog ontstond er een tekort aan mannelijke bewakers, waarna men een campagne begon om vrouwen voor deze baan te werven. De Duitse overheid plaatste advertenties in de kranten waarin gezonde vrouwen werden opgeroepen hun liefde voor het Reich te tonen. Ze werden goede arbeidsomstandigheden en een goed salaris in het vooruitzicht gesteld. Een belangrijke voorwaarde was wel dat ze Rijks- of Volksduitsers waren. De eerste vrouwelijke bewakers arriveerden in 1942 na het volgen van een opleiding in Ravensbrück in de kampen Auschwitz en Majdanek. Het is dus zeker dat Lupka behoorden tot de eerste groep Aufseherinnen. (meer…)
Cornelis Vlot (Koudekerke, 29 november 1906 – Haarlem, 26 oktober 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was bedrijfseconoom van beroep en voor de oorlog voorzitter van het Nederlands Jongeren Verbond. Aan het begin van de oorlog was hij gewestelijk commissaris van de Nederlandse Unie in de provincie Utrecht; hij was een van de medeoprichters van de Unie. Toen in december 1941 de Unie echter op bevel van de bezetter werd verbonden, raakt Vlot betrokken bij de illegaliteit. Zijn eerste streven was de onderlinge contacten tussen de leden van de nu verboden Unie in stand te houden, waarvoor hij in mei 1942 samen met Johan Wüthrich met een landelijk informatieblad, het Bulletin genaamd, voor de oud-Unieleden. Dit blad ging samen met het illegale krantje B.C. Nieuws in februari 1943 op in een ander illegaal blad, Je Maintiendrai. Het nieuwe blad had een oplage van enkele tienduizenden exemplaren per keer en verscheen twee keer per maand. Er was veel aandacht voor de actualiteit en nieuwsfeiten en in tegenstelling tot de andere grote verzetskranten Vrij Nederland, Trouw, Het Parool en De Waarheid was Je Maintiendrai niet verbonden aan een bepaalde levensbeschouwelijke zuil. Qua politiek gedachtegoed kwam het blad namelijk voort uit de politiek-neutrale Nederlandsche Unie. Men bepleitte voor de naoorlogse samenleving dan ook voor een ontzuilde samenleving met brede, niet-confessionele volkspartijen. Kort na de Tweede Wereldoorlog hield het blad op te bestaan. Naar schatting waren er bij de redactie, productie en distributie van Je Maintiendrai in de periode 1943 – 1945 drie- tot vierduizend mensen betrokken geweest. Dat blad had wel een zekere samenwerking met het rooms-katholieke blad Christofoor, waarvan ook prof. dr. Jan de Quay artikelen schreef. (meer…)


Jacob Hamel (Amsterdam, 20 oktober 1883 – Sobibór, 9 juli 1943) was een Nederlands musicus en dirigent. Hij was de zoon van Meijer Hamel (Amsterdam, – Amsterdam, – Amsterdam, Jansje zou meer dan 56 jaar op het adres Tilanussraat 39 in Amsterdam wonen. Het echtpaar zeven kinderen, waarvan Jacob de oudste was. Een dochter met de zeldzame naam Vogeltje (20 juli 1895 – 7 september 1895) zou al enkele maanden na de geboorte overlijden. Drie kinderen zouden tijdens de Tweede Wereldoorlog in Sobibór door de Duitsers worden omgebracht: Marie Hamel zou op 28 mei 1943 samen met haar man, de musicus Meijer Frank, om het leven komen. (Hun zoon, de musicus Abraham Frank, zou op 24 april 1945 op 34-jarige leeftijd in het Aussenkamp Mühldorf van Dachau sterven). Helena en haar man, de diamanthandelaar Arnold Berlijn, stierven op 2 juli 1943 is de gaskamers van Sobibór. Hun 21-jarige zoon Philip Berlijn stierf daar een week later. En Jacob Hamel en zijn vrouw Jeannette stierven op dezelfde 9 juli 1943 in Sobibór; hun zoon Jacques Hamel, 26 jaar en ook een musicus, was er al op 11 juni 1943 vermoord. De andere zoon, Meijer Hamel, zou de oorlog wel overleven en op80-jarige leeftijd in augustus 1992 in Amsterdam overlijden. Een andere dochter van het echtpaar Hamel-Speijer, Heintje Groen-Hamel, was al in 1935 in Amsterdam gestorven. Resteerde slechts de twee andere kinderen Elisabeth (7 januari 1890) en Rachel (25 september 1897) die blijkbaar wel de oorlog hebben overleefd. De geschiedenis van het gezin Hamel-Speijer is te volgen op de website Joods Monument. (meer…)
Willem Santema (Scharnegoutum, 2 maart 1902 – Vught, 10 augustus 1944) werd geboren als tweede zoon van boer op het Friese platteland. Hij volgde de Mulo in Sneek, werkte daarna een tijd bij zijn vader op de boerderij en haalde in 1921 een diploma aan de Rijkslandbouwwinterschool te Leeuwarden. In 1926 trouwde hij met Tryntsje Atsma uit het naburige Oppenhuizen. Aanvankelijk betrokken het jonge echtpaar een boerderij in Scharnegoutum, maar in 1932 begonnen ze samen een radiozaak. Santema was in de jaren twintig een enthousiaste radiopionier; samen met broer Pier knutselde hij een radiotoestel in elkaar. Hij was lid van het provinciaal comité van de NCRV en hield regelmatig radiolezingen. In de jaren dertig kwam hij diverse keren in Hitler-Duitsland, waar hij het nationaalsocialisme van nabij zag en zijn afschuw daarover ventileerde in artikelen, onder meer in het orgaan van de Christelijke Werkmansbond waarvan hij hoofdbestuurslid was. Dit had wel tot gevolg dat zijn naam op de zwarte lijst van de Duitse staatspolitie terecht kwam, zodat hij voor de oorlog al niet meer veilig in Duitsland kon reizen. Santema was ook, zoals het een Fries betaamd,een verwoed schaatser. Vijf keer voltooide hij de Elfstedentocht, het laatst in 1942. Santema verhuurde ook auto’s, soms met zichzelf als chauffeur. Dat leverde soms mooie reisjes op, zoals in 1934 toen hij dominee W.A. Dekker en diens vrouw naar Hongarije reed, waar de dominee een eredoctoraat in ontvangst nam. Santema schreef over de reis een verslag, dat onder de titel Per B-2001 naar het randje van de Balkan in twaalf delen verscheen in het tijdschrift Land en Volk. In zijn reisverslag waarschuwde Santema tegen het nieuwe regime in Duitsland. Voor degenen die de Friese taal machtig zijn is hier een recensie te lezen van Henk van der Veer. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog verhuisden Santema naar Sneek, waar ze hun elektrotechnische bedrijf voortzetten en uitbreidden met een tweede vestiging. Santema werd in 1939 lid van de gemeenteraad van Sneek, nadat hij van 1931 tot 1938 gemeenteraadslid geweest was van Wymbritseradeel, beide keren voor de CHU. (meer…)
Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In Duitse Koloniën 4 kwam Togoland, een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent, aan bod. In dit blog: Duits-Oost-Afrika.
(meer…)
Joseph Merrick (Leicester, 5 augustus 1862 – Londen, 11 april 1890) was een Engelsman die bekend werd vanwege zijn afwijkende lichamelijk voorkomen en daar de naam The Elephant Man aan overhield. Aan het begin van zijn leven zag hij er als een gewone jongen uit, maar tussen zijn derde en vijfde levensjaar veranderde dat. Als eerste viel op dat zijn armen niet gelijkmatig groeiden en dat zijn voeten opmerkelijk groot werden. Zoals in die tijd niet ongebruikelijk werd als verklaring voor deze vreemde afwijkingen gekeken of zich geen opvallende gebeurtenis tijdens de zwangerschap had voorgedaan. Volgens het volksgeloof konden baby’s ernstige misvormingen oplopen wanneer hun moeder tijdens de zwangerschap erg schrok. Volgens de familie Merrick was dat in dit geval ook gebeurd, want moeder Mary Jane zou toen ze vier maanden zwanger was van Joseph namelijk door een kermisolifant omver zijn geduwd en daar heftig van zijn geschrokken. Joseph Merrick zou zijn leven lang geloofd hebben dat dit de oorzaak was van zijn ziekte. Aan de rechterkant van zijn gezicht en lichaam begonnen in snel tempo bulten te groeien. De artsen die hem onderzochten gingen ervan uit dat hij aan de zeldzame aandoening elefantiase ofwel olifantsziekte leed, die wordt veroorzaakt door parasieten en bij een deel van de patiënten lijdt tot een dikker wordende huid, heftige pijnen en overmatige zwelling in de armen, benen of geslachtsdelen. Bijna altijd zorgen de veranderingen in het lichaam ervoor dat personen met deze ziekte sociale en economische problemen krijgen. Dat was ook bij Merrick het geval, want door zijn misvorming raakte hij geïsoleerd van normale omgang met kinderen en kon hij nauwelijks nog naar school aangezien hij zwak was en gepest werd. De meeste mensen vonden hem te afschrikwekkend om naar te kijken. De artsen konden niets voor hem doen en Merrick werd al snel door zijn omgeving uitgestoten. (meer…)
Jan Wildschut (Den Bosch, 28 november 1913 – Leonberg, 31 januari 1945) was een wachtmeester-vlieger die vanaf 1932 bij het 1e Regiment Huzaren diende. In 1937 werd hij toegelaten tot de opleiding tot vlieger en diende vervolgens bij het 2e Luchtvaartregiment. Op 10 mei 1940 werd zijn vliegveld Gilze-Rijen gebombardeerd en weken de vliegtuigen uit naar een reserveveld bij Haamstede in Zeeland. Van daaruit werden vluchten uitgevoerd tegen de oprukkende Duitsers, onder meer bij de linies van de Grebbeberg. Uiteindelijk werden alle toestellen vernietigd en neergeschoten. Wildschut maakte drie vluchten, werd bij die laatste vlucht door Duitse vliegtuigen aangevallen en wist aan zijn belagers te ontsnappen door zeer laag te vliegen. Toen de Nederlandse militairen in april-mei 1943 werden opgeroepen om in krijgsgevangenschap te gaan, dook hij onder in Nieuwlande (Drente), waar hij Johannes Post leerde kennen. Vanaf juni 1943 voerde ze overvallen uit in Steen, Zweeloo, Oosterhesselen, Nieuweroord en Hollandscheveld, waarbij veel distributiebonnen en officiële papieren werden buitgemaakt. Daarna verplaatste het werkterrein zich naar Noord-Brabant, Zuid-Holland en Noord-Holland. (meer…)
Anita Ekberg (Malmö, 29 september 1931 – Rome, 11 januari 2015) was een Zweeds actrice, fotomodel en sekssymbool die vanwege haar tamelijk koele uitstraling de bijnaam IJsberg verwierf. Ze groeide op in een gezin met zeven broers en zussen. In 1950 werd ze gekozen tot Miss Zweden, waardoor ze mee kon doen aan de Miss Universe-verkiezing die toen in de Verenigde Staten werden gehouden. Eigenlijk was ze helemaal niet zo lang (slechts1.69 meter), maar ze gaf altijd de indruk minimaal een centimeter of tien langer te zijn. Ze had een welgevormde gestalte, met horizontale maten die gaandeweg 39-22-37 werden en een fraai, bijna klassiek gelaat, omlijst door weelderige blonde lokken. Zo iemand viel natuurlijk al snel op, dus de Amerikaanse modellenbureaus en filmmakers, die na Marilyn Monroe driftig op zoek waren naar nieuwe spectaculaire blonde sterren, boden haar direct een contract bij zowel een modellenbureau als aan filmmaatschappij, Universal in dit geval. Op die manier ontmoette ze ook de excentrieke filmproducent Howard Hughes, die van haar een ster wilde maken. Eerste werkte ze echter in enkele nachtclubs en deed ze wat modellenwerk. In 1953 maakte ze dan eindelijk haar filmdebuut en de jaren daarna gehad ze ook in diverse andere films een kleine rol. Eigenlijk werd er ook niet meer van haar verwacht dat ze er mooi en sexy uitzag. Het was voldoende om in de jaren vijftig bekend te worden als sexsymbool. (meer…)
Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In dit blog een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent: Togoland.
(meer…)
Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het Julianakanaal. Hieronder eerst een beschrijving die een kleine twintig jaar geleden over het kanaal werd geplaatst in De Volkskrant, als onderdeel van een serie columns over bijzondere waterwegen. Daaronder een fotografische sfeerimpressie van het kanaal.
Limburgs kolenkanaal
Ten noorden van Maastricht mag de Maas haar gang gaan. Zwierig meandert ze omhoog naar Maasbracht. Ze hoeft alleen maar grens te zijn, tussen België en Nederland. En grind te leveren. Het Julianakanaal is er voor de serieuze doorvaart.
Het begon met steenkool, die moest naar het noorden, en glas, keramiek, cement, papier, het kwam allemaal uit Limburg. Transport was een groot probleem. Het Julianakanaal was het antwoord. Jaren hebben de Belgen en Nederlanders geruzied om de Maas gezamenlijk te kanaliseren, tot Nederland tussen 1925 en 1935 een apart kanaal groef op eigen grondgebied.
Het Julianakanaal ligt tussen hoge flanken. Vanaf de weg is alleen een grashelling te zien, het dak van een boot schuift voorbij. Boven op de dijk fietst een echtpaar over het asfaltlint. Een verveloos schip, de Kasia uit Werkendam, dobbert dwars op het water terwijl een groen sleepbootje in zijn zij port en van inspanning zwarte rookwolken uitstoot. Op het dek begeleiden twee mannen met walkietalkies de manoeuvre. De Kasia moet naar scheepswerf Maasdok in de insteekhaven. In de verte komt uit Maastricht MS Santana aangegleden, ze maakt lome golven in het water. (meer…)
Rond 1900 was in Limburg de kolenindustrie sterk in opkomst en ontstond er een dringende behoefte aan een bruikbare waterweg. Nederlandse en Belgische ingenieurs overlegden hoe ze de Maas bevaarbaar kunnen maken, maar dat initiatief strandde als snel omdat de Belgen de rivier op sommige plekken niet dieper dan 2,60 meter wilden maken. Daardoor zouden grote schepen alleen via de haven van Antwerpen naar Luik kunnen varen en bleef de haven van Rotterdam, de grote Belgische concurrent, buiten bereik. Nederland was uiteraard weinig enthousiast over de Belgische insteek. In 1912 ligt er een plan om de Maas aan te passen, maar België en Nederland hebben genoeg van de samenwerking en willen nu elk een eigen kanaal, langs weerskanten van de Maas. De Belgen graven hun Albertkanaal, in Nederland beginnen in 1925 de werkzaamheden voor het Julianakanaal. ‘Ze werkten van twee kanten, vanuit Maastricht en vanuit Maasbracht. Bij Elsloo en Stein kwamen ze bij elkaar. Op dit punt moesten ze zich door een hoogte heen graven, de Scharberg, en bovenop die berg lag het dorp Elsloo. Bij deze werkzaamheden werd een grondlaag die rijk was aan haaientanden uit het Mioceen aangesneden. De school, het gemeentehuis en 43 huizen moesten wijken. De kerk kwam vlak langs het kanaal te liggen. De mensen kregen aardig geld voor hun stulpjes en konden daarvan nieuwe huizen laten bouwen. De meeste bewoners vonden eigenlijk dat het dorp er eigenlijk heel mooi van was geworden. Niemand was er verdrietig over, hooguit wat melancholiek. (meer…)
Jan Ernst Matzeliger (Paramaribo, 15 september 1852 – Lynn, Massachusetts), 24 augustus 1889) was een Surinaamse uitvinder. Hij werd in 1852 aan de Cotticarivier geboren als zoon van een Duitse vader en Surinaamse moeder, waarvan wordt verondersteld dat ze nog slavin was toen Jan Ernst werd geboren en de zoon dus ook als slaaf ter wereld kwam. Matzeliger is de uitvinder van de schoenzwikmachine, die ervoor zorgde dat goedkoper bovenschoen en schoenzool met elkaar verenigd worden. Daarmee werden schoenen voor veel mensen betaalbaar en niet slechts beschikbaar voor de ‘happy few’. Hij kreeg het octrooi voor deze machine op 20 maart 1883. Drie weken voor zijn 37e verjaardag overleed Matzeliger te Lynn aan tuberculose. In 1985 vernoemde de stad Lynn een brug naar de uitvinder en te zijner nagedachtenis gaven de Amerikaanse posterijen op 15 september 1991 een speciale postzegel uit. In het boek Emancipatie 1863-1963 schreef R.A. Raan onderstaande biografie over Jan Ernst Matzeliger. Het boek verscheen in 1964 en het pleidooi aan het slot laat zien dat er de laatste vijftig nog niet veel progressie is geboekt. In Suriname is een paar jaar geleden een Stichting Matzeliger Instituut in het leven geroepen die een voordracht heeft ingediend bij de Anton de Kom Universiteit van Suriname om een postuum eredoctoraat in de Technologische Wetenschappen toe te wijzen aan Jan Ernst Matzeliger. Ik heb nog geen bericht gelezen dat een en ander inmiddels is gerealiseerd. (meer…)

Frans van den Muijsenberg / 20 januari 2019 / Lalique Museum Doesburg
Willy Kruyt (Amsterdam, 8 september 1877 – Berlijn, juli 1943) was een Nederlands predikant, Tweede Kamerlid en spion tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 30 april 1901 trad hij in het huwelijk met Truus Hogerzeil, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 18 oktober 1922 hertrouwde hij op 18 september 1923 met Nelly Dentz, musicus, met wie hij twee zoons kreeg. Dit huwelijk werd op 4 juni 1932 ontbonden en nog hetzelfde jaar hertrouwde hij met Gustel Schmidt, een maatschappelijk werkster. Dit huwelijk bleef kinderloos. Kruyt had het grootste deel van zijn schooltijd doorgebracht op een Engelse kostschool doorbracht (zijn moeder was Schotse) en hij ging daarna aan de slag in de uitgeverij van zijn vader. Buiten werktijd verdiepte hij en zijn eerste vrouw in maatschappelijke vragen en socialistische literatuur. Truus was hiervoor de grote inspirator, want ze was als dochter van een Hervormd predikant een brede religieuze, culturele en maatschappelijke belangstelling. Kruyt ging steeds meer het ambt van predikant ambiëren en besloot alsnog naar het christelijk gymnasium in Utrecht te gaan. In 1907 begon hij zijn studie theologie in Utrecht. In 1909 traden Willy Kruyt en zijn vrouw toe tot de redactie van het christelijk-sociale tijdschrift Wereldvrede. Zij ontwikkelden zich steeds meer naar het christen-socialisme en traden in 1910 toe tot de Bond van Christen-Socialisten, een christelijk-marxistische partij, opgericht in 1907, die het kapitalisme en particulier bezit afwees en het principe van de klassenstrijd aanvaardde. Zijn vrouw werd redactielid van het bondsorgaan Opwaarts, hij in 1913 bestuurslid en in 1914 de voorzitter van de bond, die zich afzette tegen de SDAP, de concurrerende partij. (meer…)

Pas in 1871 werd Duitsland een staatkundige eenheid. De Frans-Duitse Oorlog, die duurde van 19 juli 1870 tot 10 mei 1871, betekende voor de Fransen dat met hun nederlaag een eind kwam aan het Tweede Franse Keizerrijk en de heerschappij van keizer Napoleon III. De overwinning van de door Pruisen aangevoerde coalitie van de Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken (zie plattegrond bij Duitse Koloniën 2) leidde tot de oprichting van het Duitse keizerrijk, met de koning van Pruisen die tot keizer van de nieuwe mogendheid werd uitgeroepen. De volgende stap voor kanselier Otto von Bismarck en keizer Wilhelm I was het verkrijgen van meer invloed op het Europese continent en het verkrijgen van koloniën, zodat men op gelijke voet zou komen te staan met de andere Europese grootmachten. In een lang verleden waren er voor het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen enkele bescheiden koloniën en handelsposten gehad in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt. Het zorgde er wel voor dat Brandenburg-Pruisen werd opgenomen in het bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden, maar veel stelde het eigenlijk niet voor. Vanaf 1870 richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen. (meer…)
Willem Ruys (Rotterdam, 25 augustus 1894 – Goirle, 15 augustus 1942) was een telg uit een beroemd Nederlands redersgeslacht en directeur van de Rotterdamsche Lloyd. Na de HBS in Rotterdam studeerde Ruys in het Zwitserse Neuchâtel aan de Hogere Handelsschool. In 1917 vertrok hij naar Nederlands-Indië, en daarna naar Australië, Japan en de Verenigde Staten om zich ze bekwamen in de praktijk van het scheepvaartbedrijf. In 1919 werd hij firmant van Wm. Ruys & Zonen en de Rotterdamsche Lloyd. In latere jaren was ook commissaris van andere belangrijke ondernemingen. Nadat zijn vader en zijn oom in 1940 waren teruggetreden als directeur van de Rotterdamsche Lloyd werd hij tot directeur benoemd. Al in het begin van de oorlog werd Ruys gearresteerd door de bezetters op verdenking van het ondersteunen van het verzet. Van 18 december 1940 tot 17 mei 1941 zat Ruys voor de eerste maal gevangen omdat hij had geweigerd om het verenigingsgebouw van ‘de Maas’ en de boten van de vereniging en haar leden af te staan aan de bezetter. Van 11 oktober 1941 tot 5 januari 1942 zat Ruys weer gevangen, nu omdat hij contact had gehad met een Engelse agent. Op 13 juli 1942 volgde zijn derde arrestatie en werd hij als gijzelaar gevangengezet in kamp Sint-Michielsgestel. Daar zaten op dat moment al twee andere Rotterdammers die ervan werden verdacht verzetsleden te zijn. Christoffel Bennekers (Zwolle, 28 mei 1894 – Goirle, 15 augustus 1942), een politie-inspecteur, werd er door de Duitsers van verdacht vlak voor de bezetting de archieven van de politie-inlichtingendienst te hebben vernietigd om te verhinderen dat de dossiers van communisten en andere personen in de handen van de Duitsers zouden komen. Robert Baelde (Rotterdam, 22 juli 1907 – Goirle, 15 augustus 1942) was een Nederlands jurist en reclasseringsambtenaar, die tevens redacteur was van het tijdschrift Het Kouter, een literair-religieus tijdschrift dat tussen 1936 en 1941 verscheen. Hij was ook kaderlid van de Nederlandsche Unie. Baelde was gehuwd met Petronella Tideman, die in 1944 via Kamp Vught naar Duitsland werd afgevoerd, waar zij een maand voor het einde van de oorlog overleed. (meer…)

Guido von List (Wenen 5 oktober 1848 – Berlijn 17 mei 1919) was een Oostenrijkse dichter, journalist, esoterisch schrijver, en zakenman. Hij verwierp het christendom en propageerde een heropleving van het voorchristelijke Germaanse heidendom. Guido von List was een van de grondleggers van de Völkische Bewegung en de Ariosofie. De Völkische Bewegung was een extreme vorm van volksnationalisme (Volkstum), waarbij het volk in enge zin werd gedefinieerd, namelijk enerzijds gebaseerd op de voorouders (Duits: Ahnen) en dus op etnische afkomst, maar anderzijds ook op de volkscultuur, die als onveranderlijk werd beschouwd en bestond uit traditionele riten. Daarmee onderscheidde de beweging zich van puur racisme. De Völkische Bewegung speelde een belangrijke rol in de bepaling wat onder het Deutschtum moest worden verstaan. Van oorsprong zijn de Duitsers namelijk een geheel van West-Germaanse stammen die zich vermengden met Slaven (in het oosten), met Kelten (in het zuiden en westen) en met Romeinen (Rijnland en zuiden). Tot in de negentiende eeuw werd met de term Duitser iedereen bedoeld die de Duitse taal sprak en zelfs dat was een weids begrip. De meesten spraken namelijk geen Hoogduits, maar allerlei streektalen die onderling niet direct verstaanbaar waren. De streektalen in het noorden (het Nederduits of Plattdeutsch) leken taalkundig erg op de Nederlandse streektalen en het Plattdeutsch liep vanaf de Nederlandse kust tot in de Baltische landen. In de middeleeuwen werden daarom ook de sprekers van de Nederlandse streektalen als Duitsers beschouwd; de Engelse aanduiding ‘dutch’ verwijst er nog naar. Tot in de zeventiende eeuw was het in de Nederlanden gebruikelijk om de eigen schrijftaal ‘duytsch’ of ‘nederduytsch’ te noemen, terwijl in de zuidelijke Nederlanden de variant ‘Dietsch’ gebruikelijk was. (meer…)

Phineas Gage (9 juli 1823 – 21 mei 1860) was een Amerikaanse spoorwegarbeider die in 1848 bij de aanleg van een spoorweg een arbeidsongeval kreeg waarbij hij zware schade aan zijn frontale kwabben in de hersenen opliep. Op 13 september 1848 begeleide hij als ploegbaas een team arbeiders bij de aanleg van de Rutland-Burlingtonspoorlijn bij Cavendish in de staat Vermont. Gage nam zelf de taak op zich om een rotsblok op te blazen. Zijn mannen hadden een gat in de rots geboord, dat Gage vulde met kruit. Met een stevige ijzeren staaf, ruim een meter lang, drie centimeter dik en zes kilo zwaar, stampte hij het kruit aan. Dat moet een kleine vonk hebben veroorzaakt, want opeens ontplofte het kruit en werd de staaf als een projectiel uit het gat geschoten. Gage stond nog over het gat gebogen, precies in de schootslijn. De staaf boorde zich met hoge snelheid in zijn jukbeen vlak onder het linkeroog, ging dwars door de hersenen heen en schoot er boven aan de schedel weer uit. De staaf landde zo’n dertig meter verderop, besmeurd met bloed en hersenweefsel. Gage viel neer, terwijl zijn collega’s ontzet toesnelden. Ze gingen ervan uit dat hun ploegbaas dood was, maar al snel kwam hij bij en was hij tot ieders verbijstering volledig bij kennis. Na een paar minuten stond Gage zelfs op, praatte hij met mensen en kon hij lopen. De mannen haalden snel een kar en brachten hem naar dokter John Martyn Harlow. Gage werd een medische sensatie, want tot dan wees alle expertise en ervaring erop dat een patiënt met een dergelijke ernstige hersenschade nooit kon overleven. Gage was de eerste waarbij dat niet het geval was. Harlow maakte de wond schoon, verwijderde stukjes schedel en dekte de openingen af met een nat verband. Toen hij voelde of er nog botresten in het gat zaten, bleek dat hij zijn hele middelvinger in de wond kon duwen zonder ook maar enige weerstand te ondervinden. Hij besloot om geen chirurgische ingrepen te doen, maar om de wonden uit zichzelf te laten genezen. Dat bleek een juiste beslissing te zijn geweest, want Gage herstelde snel. Zijn spraakvermogen en geheugen waren intact gebleven en leidde al na een paar maanden weer een normaal leven. (meer…)
Robert Wilhelm Lehnhoff (Elze, 11 augustus 1906 – Groningen, 24 juli 1950), was een Duitse SD’er en oorlogsmisdadiger die opereerde vanuit het gevreesde Scholtenhuis in Groningen. Het Scholtenhuis was een statig herenhuis aan de Grote Markt in Groningen. Het enorme gebouw in eclectische stijl was eigendom van de rijke industrieel W.A. Scholten (1819-1892), die het pand tussen 1879 en 1881 liet bouwen. Architect was J. Maris, het interieur werd verzorgd door zijn collega P.M.A. Huurman. Met zijn echtgenote betrok hij het linkerdeel, zijn zoon Jan Evert (1849-1918) bewoonde het rechterdeel. Scholten was directeur van bijna 24 fabrieken, die onder andere aardappelmeel, suiker, strokarton en turfstrooisel produceerden en bezat ook boerderijen en veengebieden. Ook na het overlijden van de industrieel en zijn zoon bleven andere leden van de familie Scholten er wonen. Een maand na de Duitse inval in 1940 werden de weduwe van Jan Evert Scholten en haar zoon echter zonder pardon op straat gezet. Vanaf dat moment werd het Scholtenhuis het noordelijke hoofdkantoor van de Sicherheitspolizei (SIPO) en de Sicherheitsdienst (SD). Vooral vanaf september 1944 werd vanuit het Scholtenhuis een waar schrikbewind gevoerd. Het kreeg in die periode de naam Het voorportaal van de hel werd genoemd en was na de oorlog het meest gehate gebouw in de stad. Bij de bevrijding in 1945 werd het Scholtenhuis kapot geschoten door de Canadezen en in brand gestoken door de Duitsers. Ook als dat niet was gebeurd, had het gebouw er zeker niet meer gestaan, want de Groningers zouden het maar wat graag eigenhandig tot de laatste steen hebben afgebroken. Er is nu wel een virtuele wandeling door het Scholtenhuis mogelijk, om de herinnering aan de gruwelijkheden die er plaats vonden levendig te houden. Daarin een fragment van de beruchte Robert Lehnhoff tijdens het verhoor van een jonge vrouw. Eerst rookt hij nog een sigaret met haar, allengs wordt het verhoor bruut. Als de vrouw blijft zwijgen, opent Lehnhoff een kast waarin de studente en verzetsvrouw Anda Kerkhoven zit opgesloten. Kerkhoven, die later wordt omgebracht, is geslagen, gebeten en ondergedompeld. Maar is slechts te horen via de commentaarstem, want om de site niet te schokkend te maken voor kinderen, worden geen gruwelijkheden getoond. Bij uitgeverij Profiel zijn enkele interessante boeken over het Scholtenhuis verschenen. (meer…)
Bernard IJzerdraat (Haarlem, 13 oktober 1891 – Waalsdorpervlakte (Den Haag), 13 maart 1941) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was opgeleid tot onderwijzer en had zich toegelegd op het geven van les in handenarbeid. Hij was enige jaren verbonden aan de gemeentelijke kweekschool in Rotterdam. Hij richtte daarna een eigen kunstweefschool op in Laren (Noord-Holland), die echter inde crisisjaren moest sluiten. Hij sloot zich in 1936 aan bij de beweging Eenheid door Democratie, die zich zowel tegen fascisme en nationaalsocialisme als tegen het communisme verzette. Zij waarschuwden vanaf het begin voor de pro-Duitse propaganda van de NSB. In 1938 was hij ontwerper en bedrijfsleider bij de Deventer tapijtfabriek van Maurits Prins in Dinxperlo. In september 1939, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, keerde hij terug naar Rotterdam; hij werd leraar aan enkele scholen in Schiedam en Vlaardingen. Vervolgens werd hij gobelinrestaurateurin het Frans Hals Museum in Haarlem. Het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 en de capitulatie de dag erna maakten een enorme indruk op hem en waren voor hem het signaal om op te roepen tot verzet.Zijn verontwaardiging over de Duitse inval en snelle Nederlandse capitulatie was zo groot dat hij een handgeschreven vlugschrift samenstelde, vermenigvuldigde en als kettingbrief verspreidde. Hij koos hiervoor de naam ‘Geuzenactie’. Zijn eerste bericht is niet bewaard gebleven, wel de tweede Geuzenbrief van 18 mei 1940 met daarin de voorspelende passage: ‘Al onze voorraden zullen worden weggehaald, voedsel, kleding, schoeisel, spoedig krijgen we het bonnenstelsel voor alles en nog wat en daarna kunnen we zelfs op de bonnen niets meer krijgen. Onze jonge mannen zullen worden gedwongen elders te gaan werken voor de overweldiger’.
(meer…)
De Geuzen warende eerste verzetsgroep in Nederland gedurende de Tweede Wereldoorlog. De groep ontstond al direct na de Duitse inval op 10 mei 1940 en stond onder leiding van de Schiedammer Bernard IJzerdraat. Door roekeloos gedrag, naïviteit en verraad werd de hele verzetsgroep al in november 1940 door de Sicherheitsdienst opgerold. Op 24 februari 1941 stonden 43 Geuzen in het gebouw van de Hoge Raad voor het Feldgericht des Kommandierenden Generals und Befehlshabers im Luftgau Holland. Op 4 maart 1941 werd bekendgemaakt dat tegen achttien van hen de doodstraf was opgelegd. Generaal Christiaansen, de Duitse bevelhebber in Nederland, nam de gratieverzoeken in behandeling en zette van drie minderjarige leden van de verzetsgroep De Geuzen de doodstraf om in een gevangenisstraf. De andere vijftien werden, samen met drie communisten, op 13 maart 1941 op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd. Vlak voor hun terechtstelling in de duinen van Scheveningen zouden de Geuzen psalm 43:4 hebben gezongen ( Dan ga ik op tot Gods altaren; Tot God, mijn God, de bron van vreugd; Dan zal ik, juichend, stem en snaren; Ten roem van Zijne goedheid paren; Die, na kortstondig ongeneugt’; Mij eindeloos verheugt). (meer…)
Het gebied dat nu de Verenigde Staten heeft werd oorspronkelijk bewoond door talrijke inheemse Amerikaanse volken. Vanaf de 16e eeuw werd het gekoloniseerd door Spanje, later verschenen de koloniale machten Engeland, Nederland, Zweden, Frankrijk en Rusland op het toneel. De rol van Zweden en Nederland was al in 1664 uitgespeeld, Rusland bleef vanwege Alaska nog een tijd een relevante partner, maar speelde verder ook maar een marginale rol. Tussen Engeland, Frankrijk en Spanje waren er echter heftige conflicten. De Britse kolonisatie van Noord-Amerika kwam aan het eind van de 16e eeuw op gang. Na de Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604), waarbij de kaapvaart een belangrijke rol speelde werd dor de Britten een begin gemaakt met het ontdekken van de oostkust van Noord-Amerika. De Britten zetten nederzettingen op langs de kustlijn van Florida tot aan Newfoundland. Oorspronkelijk werd de gehele oostelijke kustlijn tot aan het noorden van het huidige Canada Virginia genoemd ter ere van koningin Elizabeth I. Vooral vanaf 1620 werden in een hoog tempo nieuwe nederzettingen gebouwd voor ambitieuze kolonisten, vooral boeren en Poolse huurlingen. In 1664 werd het Britse grondgebied flink uitgebreid met de bezetting van Nieuw-Nederland (waaronder Nieuw Amsterdam), die dat gebied in 1655 op de Zweden hadden veroverd. In 1763 kwam het tot verdere uitbreidingen na veroveringen op de Franse en Spanjaarden, officieel bevestigd in de Vrede van Parijs.
In 1776 kwamen dertien kolonies in opstand tegen de Britten. In New England de provincies New Hampshire en Massachusetts Bay en de kolonies Rhode Island and Providence Plantations en Connecticut. In de Middle Colonies (het voormalig Nieuw-Nederland) waren de provincies New York, New Jersey, Pennsylvanië en Delaware van de partij en tot slot waren er de Southern Colonies, die bestonden uit de provincies Maryland, Georgia, North Carolina en South Carolina, plus de kolonie-dominion Virginia. De kolonies verschilden nogal van elkaar, zowel door geografische ligging als door de heersende opvattingen. In New England lagen vrij onvruchtbare en rotsachtige gebieden, bloeide de nijverheid en visserij en werd vooral handel gedreven. De puriteinse, calvinistische waarden overheersten. In het middengebied waren New York, New Jersey en Pennsylvanië kosmopolitisch; vooral New York was als smeltkroes van allerlei natiën, was een sterke handelsstad, maar Philadelphia was in de 18e eeuw de grootste stad van de Engelse koloniën. De groep zuidelijke kolonies waren agrarische, vruchtbare gebieden, die rijst, indigo, tabak en andere gewassen teelden. De plantages die door Afrikaanse slaven werden bewerkt en werden geleid door aristocratische families. Meer landinwaarts, tegen het gebergte, woonden en werkten vrije boeren met een meer democratische instelling. (meer…)

.
Frans van den Muijsenberg / 29 april 2019 / Westvleteren, België
Tot ver in de 19e eeuw waren er tientallen Duitse staten, die elk een grote mate van zelfstandigheid hadden en deze ook niet wensten op te geven. Ten tijde van het Congres van Wenen (1815) waren er nog 39 Duitse staten. In 1848 waren in grote delen van Europa nationaal-liberale opstanden. Het begin lag bij de Februarirevolutie in Frankrijk, die een einde maakte aan de heerschappij van de burgerkoning Lodewijk Filips. In Nederland werd onder leiding van Thorbecke gekomen tot de invoering van een grondwet en het verruimen van de bevoegdheden van de volksvertegenwoordiging ten koste van de almacht van de koning. Voor Koning Willem II was het aanleiding af te treden en plaats te maken voor zijn zoon, die overigens een leven lang trachtte de volksvertegenwoordiging ‘kort te houden’. In Duitsland eisten revolutionairen liberale, democratische hervormingen en de vorming van een nieuwe Duitse eenheidsstaat, wat bekend i skomen te staan als de Maartrevolutie. De niet-Duitse bevolkingsgroepen (Slaven en Hongaren) eisten autonomie of gehele onafhankelijkheid van de vreemde overheerser. De voornaamste oorzaak van het uitbreken van de revoluties was de wijdverbreide ontevredenheid over het reactionaire, absolutistische regeringssystemen, die de persvrijheid beknotten en liberaal-nationalistische bewegingen verboden en vervolgden. In economisch opzicht speelden de industriële revolutie, de daarmee samenhangende verpaupering en de grote misoogsten van 1846 een rol. In de landen van de Duitse Bond en de buiten deze bond gelegen delen van Oostenrijk en Pruisen mislukte echter de poging om een constitutioneel keizerrijk op liberale grondvesten te stichten. Nadat in 1862 Otto von Bismarck premier van Pruisen was geworden, startte hij een actieve politiek om de Klein-Duitse optie te verwezenlijken door stelselmatig Oostenrijkse invloed in de Duitse Bond af te breken en tegelijkertijd de toch al niet onaanzienlijke macht van Pruisen te vergroten. Pruisen bezat een grote industriële basis in het Rijnland en gebruikte deze om haar grote leger steeds verder te moderniseren. (meer…)
De Republiek West-Florida bestond gedurende 74 dagen in het najaar van 1810. De republiek ontstond op 23 september, toen het gebied onder druk van Amerikaanse kolonisten in opstand kwam tegen het Spaanse bestuur, maar al op 6 december 1810 werd het geannexeerd door de Verenigde Staten van Amerika en daarna verdeeld over Louisiana, Mississippi en Alabama.
De Spanjaarden waren de eerste Europese staat die het schiereiland Florida bezetten.Het gebied en het aangrenzende Georga werd in die tijd bewoond door de ongeveer 200.000 Timucua-indianen, verdeeld over 35 verschillende stammen. Al in 1595, na twee eeuwen Spaanse bezetting, was dat aantal teruggelopen tot ongeveer 50.000 man en 13 stammen. Weer een eeuw later waren er door oorlogen en zieketen nog slechts 1.000 over en bij de volgende eeuwwisseling in 1800 waren de Timucua-indianen geheel uitgestorven. Tegelijkertijd kwamen vooral de Seminoles–indianen het gebied binnen. De groeiende groep werd ook uitgebreid met vrije en ontsnapte slaven, de Black Seminoles, die zich bij hen voegde of in hun directe omgeving gingen wonen. In de periode 1816-1858 zouden er drie Siminoles-oorlogen zijn, die zowel in economisch opzicht en qua aantal slachtoffers voor de Verenigde Staten de langste en duurste oorlogen met indianen zou zijn. Na 1858 waren op een kleine honderdtal overlevers na alle Seminoles-indianen gedood of verbannen naar reservaten in Oklahoma. Bij de bezetting hadden de Spanjaarden het gebied in twee provincies verdeeld, Oost- en West-Florida, van elkaar gescheiden door de rivier Suwannee. In de loop van de 18e eeuw kregen de Spanjaarden te maken met andere Europese landen en maatschappijen. Niet alleen in Florida, maar in de gehele koloniale wereld.
(meer…)
Pas in 1871 verscheen Duitsland dus op het wereldtoneel. Andere Europese landen hadden in de voorgaande eeuwen vaak omvangrijke koloniale rijken opgebouwd. Gedurende een korte periode aan het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw hadden enkele Duitse staten wel pogingen gedaan om koloniën te stichten, maar door de zware concurrentie van koloniale grootmachten zoals Groot-Brittannië, Frankrijk en de Nederlanden gingen deze na korte tijd weer verloren. De Brandenburgisch-Afrikanische Compagnie had vanaf 1682 koloniën (handelsposten) op de Goudkust gesticht. Met de plaatselijke bevolking werd een verdrag gesloten, waarna begonnen werd met de bouw fort Groß Friedrichsburg en de Brandenburgse rode adelaar kon worden geheven aan de kust van het huidige Ghana. In de nieuw gestichte kolonie werd vooral gehandeld in slaven, gom, ivoor, goud en zout. Frederik Willem, de heerser over Brandenburg-Pruisen, streed tot aan zijn sterfbed voor het behoud van ‘zijn’ koloniën, maar zijn kleinzoon, de zuinige Soldatenkoning Frederik Willem I van Pruisen, zag het belang ervan niet zo in en verkocht zijn Afrikaanse bezittingen in 1717 voor ‘7200 dukaten en 12 moren’ aan de Nederlanders. Ondanks de verkoop duurde het nog tot 1724-1725 voordat ze hun eigendom in bezit konden nemen, want het Afrikaanse Ahante-opperhoofd Jan Cunny aan wie Frederik Willem de bescherming van het fort had overgelaten, legde zich niet neer bij de verkoop. Pas na een lange, bloedige en dure strijd wisten de Hollanders het fort Gross Friedrichsburg te veroveren. Ze doopte het om tot Fort Hollandia en lieten het min of meer aan zijn lot over. In 1815 werd het verlaten en in 1872 kwam het in Engels bezit. De ruïne van het fort, een paar uur verwijderd van de Ghanese hoofdstad Accra, staat er nog steeds en bestaat uit een massieve vesting, een herenhuis en bunkers. (meer…)
Henk Raak (Hollandscheveld, 21 juli 1920 – Overveen, 6 juni 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werd geboren als een van de elf kinderen in een Nederlands-hervormd boerengezin dat woonde op het ‘Hoekje’ in het veendorp Hollandscheveld bij Hoogeveen. Hij was loket-beambte in het hoofdpostkantoor aan de Hoofdstraat in Hoogeveen en woonde bij zijn ouders in Hollandscheveld. Henk was een lange, zwijgzame jongen, die actief was in het bestuur van de plaatselijke voetbalclub HSC en met een aantal vrienden een muziekvereniging oprichtte. In mei 1940 was hij als militair gewond geraakt bij de gevechten aan de Grebbeberg. Zijn onderdeel moest helpen de Grebbelinie te verdedigen. Deze verdedigingslijn lag bij Wageningen en Rhenen, aan een van die plekken waar dagenlang hevig gevochten werd tussen het Nederlandse en het Duitse leger. In ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog citeert Lou de Jong een hoge Nederlandse officier: ‘Een soldaat die rechts van mij staat, merkt rustig op dat ook hij getroffen is en dat zijn oog eruit hangt. Desondanks hielp die soldaat de gewonde adjudant wegbrengen voor hij zelf medische hulp zocht.’ Die soldaat was Henk Raak, die een granaatsplinter in zijn rechteroog en vanaf dat moment dat oog moest missen. Bij de gevechten waarbij Henk was betrokken vonden 380 Nederlandse militairen de dood. Sindsdien was het gezin Raak fel anti-Duits. (meer…)
Lennert Savenije (Zevenaar, 1985) studeerde tussen 2003 en 2009 geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Sinds 2010 werkt hij als historicus aan deze universiteit. Tijdens zijn tweejarige onderzoeksmaster verbleef hij achtereenvolgens in Münster, Brussel en Parijs. In 2018 promoveerde hij te Nijmegen op zijn studie ‘Nijmegen, collaboratie en verzet. Een stad in oorlogstijd’, een studie die hij in opdracht van de gemeente Nijmegen schreef.
Dat proefschrift is nu onder dezelfde naam uitgegeven. Het is overigens meer dan slechts een oorlogsgeschiedenis, maar vooral een rijk geïllustreerde stadsgeschiedenis tegen de achtergrond van de crisis van de dertiger jaren, de oorlogsperiode en de jaren van de wederopbouw van de stad. Savenije beschrijft die gehele periode door de ogen van burgemeesters, priesters, politieagenten, politici en andere Nijmegenaren. De titel van het boek suggereert dat hij zich beperkt tot de periode 1940-1945, waarbij de stad van 5 mei 1940 tot en 20 september door de Duitsers was bezet en daarna tot mei 1945 zuchtte onder Duitse beschietingen vanaf de overkant van de Waal en vanuit het Reichswald. Het boek begint echter al in 1936 met diverse voorbeschouwingen van de jaren daarvoor. Het eerste kwart van het boek wordt uitgebreid aandacht besteed aan de voorgeschiedenis, niet alleen die van de stad maar ook aan de nationale en internationale ontwikkelingen. Dat is een mooie opzet, omdat het de gebeurtenissen die in een rap tempo passeren steeds in een juist kader plaatsen. Deze opzet wordt ook gevolgd in het verdere verloop gedurende de oorlogsjaren en de wederopbouw. Dat alles in een magnifieke lay-out en met veel fotowerk, waardoor het een zeer informatief en lezenswaardig boek is geworden. (meer…)
Jan Harm Bosch (Nijkerk, 21 juni 1900 – Enschede, 31 maart 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Nederlands-hervormde Bosch was belastingambtenaar te Enschede. In de oorlog begon hij al gauw met verzetswerk. Hij hielp onder meer om uit krijgsgevangenschap ontsnapte Franse militairen en neergeschoten geallieerde piloten. Bosch sloot zich aan bij de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en de Landelijke Knokploegen. Als lid van het Landelijk Comité van Verzet had hij een belangrijke taak in het bundelen van de verzetskrachten in Twente. In heel Twente was hij bezig met de hulp aan onderduikers en het plegen van aanslagen.Toen in september 1944 de Binnenlandse Strijdkrachten werden opgericht, had hij een belangrijke taak bij het samenvoegen van verschillende illegale groeperingen en organisaties. De illegale bijeenkomsten werden gehouden in het Centraal belastinggebouw in Enschede, een perfecte dekmantel voor zijn werkzaamheden want het komen en gaan van diverse mensen van verschillende pluimage viel daar helemaal niet op. In het laatste oorlogsjaar hield hij zich vooral bezig met het bijeenbrengen van geld, bonkaarten en identiteitspapieren voor het steeds verder oplopend aantal onderduikers. Daaronder waren veel personeelsleden van de NS, die waren ondergedoken vanwege hun betrokkenheid bij de Spoorwegstaking. Op 31 maart 1945, één dag voor de bevrijding van Enschede, had hij afgesproken om te overleggen met zijn verzetscollega’s waaronder de 31-jarige Jan Hendrik Wennink en 33-jarige Antonie van Essen in de tuin van de synagoge van Enschede die in die periode als gevangenis dienstdeed. Ze waren verraden, werden door de SD gearresteerd en opgesloten in de synagoge. Bosch werd de volgende ochtend in de tuin doodgeschoten. Enkele uren later trokken de Canadese troepen Enschede binnen. Na de oorlog werd hem postuum het Verzetskruis toegekend. In Enschede is ook een straat naar de vooraanstaand verzetsman genoemd. (meer…)
Antwerpen had de eerste Olympische Zomerspelen na de Eerste Wereldoorlog gekregen. De stad had hiervoor al in 1912 bod uitgebracht. Er waren drie andere kandidaten voor de organisatie (Amsterdam, Rome en Boedapest), maar vanwege de oorlog kwam het niet tot een stemming. Na de oorlog meldde Lille zich even als vijfde kandidaat, maar trok zich ook weer snel terug. Boedapest, dat voor de oorlog de beste papieren leek te hebben, viel af omdat Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en Turkije niet werden uitgenodigd. Ook Rusland ontbrak, dit vanwege de burgeroorlog die het land verscheurde. Er meldde zich echter vier overzeese kandidaten (Cleveland, Philadelphia, Atlanta en Havana), maar al vrij snel na de wapenstilstand gaf het IOC de voorkeur aan Antwerpen indien de stad de organisatie rond kregen. Bij de stemming op 5 april 1919 in Lausanne werd Antwerpen benoemd als organisator. Ze hadden gehoopt de financiering rond te krijgen via gulle gaven van reders en diamantairs, maar in het naoorlogse België dat economisch geruïneerd was door de oorlog, was dat ijdele hoop. De Spelen waren niet het gehoopte populaire succes. Het slechte weer hield veel publiek weg, maar vooral de hoge toegangsprijzen schrikten het grote publiek af. Voor een toegangsticket voor de volksplaatsen moest bijvoorbeeld 3 frank worden betaald en een loge op het tennistoernooi kostte een heel fortuin: 3500 frank. Het organisatiecomité nam alle schulden op zich, maar weigerde elke extra uitgave, zelfs de publicatie van een gedenkboek. De openingsceremonie vond plaats op 20 april 1920 in het nieuwe stadion van Beerschot. De Spelen vonden plaats tussen 14 augustus 1920 en 12 september 1920: er deden 2.591 mannen en 78 vrouwen mee aan de 22 sporten waarvoor medailles beschikbaar waren én de demonstratiesport korfbal. (meer…)
Wolter Jacobus Heukels (Deventer, 23 juni 1892 – Utrecht, 22 januari 1945) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarbij hij opereerde onder de schuilnaam ‘Ome Henk’. De Nederlands-hervormde Heukels was eerste opzichter bij de PTT en was lid van de Ordedienst (OD). Hij werkte ook samen met de LO-LKP, de landelijke knokploeg van de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers, de Centrale Inlichtingen Dienst en wat later de Binnenlandse Strijdkrachten. Hij stond vanuit die functies in contact met het Nationaal Comité van Verzet, voornamelijk met mej. M.A. Tellegen. Deze mejuffrouw was in 1944 actief betrokken bij de Spoorwegstaking en na de oorlog werd ze directeur van het Kabinet der Koningin. Vanuit zijn dienstwoning organiseerde Heukels een geheim telefoonnetwerk, waarbij hij dankbaar gebruik maakte van het dienstnet van het hoofdbestuur van de PTT. Door zijn inspanningen kon vanaf 22 september 1944 contact worden onderhouden met het inmiddels bevrijde Nijmegen en speelde hij ee rol in het verspreiden van spionageberichten die afkomstig waren van Sectie V-OD in Amsterdam en informatie over het treinverkeer door te geven. Ook J.A. van Bijnen, de landelijke sabotagecommandant, kom van dikt telefoonnetwerk gebruik maken om berichten door te geven. De leden van de Knokploeg Utrecht leerde hij de clandestiene telefoonpost in het hoofdgebouw van de Nederlandse Spoorwegen in Utrecht te bedienen, zodat ze door de Duitsers gevoerde telefoongesprekken konden afluisteren. Met behulp van de verkregen gegevens werden ongeveer zestig treinen door sabotage, beschieting of bombardement verhinderd hun bestemming te bereiken. Heukels werd op 16 oktober 1944 samen met Leendert Johannes Lans, die ook bij de telefoonpost betrokken was, en enkele andere medewerkers door de Sicherheitsdienst (SD) gearresteerd. (meer…)
Het proces van kolonisatie begon zodra de Spanjaarden en Portugezen de wereld gaan ontdekken en dan al direct in elkaars vaarwaters terecht kwamen. De Canarische Eilanden waren het eerste slachtoffer van de overwinningstocht van Spanje. De eilanden waren al onder de Romeinen bekend, maar daarna door de Europeanen vergeten. Pas in 1312 werden ze opnieuw ontdekt door de uit Genua afkomstige Lancelotto Malocello, die zijn voornaam zou geven aan een van de eilanden. Pas in 1402 zette de Franse ontdekkingsreiziger Jean de Béthencourt opnieuw voet aan land toen hij een expeditie naar de Canarische Eilanden leidde om in opdracht van de Kroon van Castilië de eilanden te veroveren. De Guanchen, de toenmalige bewoners van de eilanden, gaven zich echter niet zonder slag of stoot gewonnen. Pas na twee jaar en vele, vele gesneuvelde Guanchen later werden de eiland bezet. De rest werd gevangen genomen en als slaaf verkocht. De toon van de kolonisatie was gezet. Langs de haven van Tenerife herinneren een rij beelden aan de oorspronkelijke bewoners. Inmiddels hadden ook de Portugezen, die met hun buren streden om de hegemonie op zee, een begerig oog op de eilanden laten vallen, maar ze waren te laat. Vanaf het begin van de 15e eeuw ontdekten beide landen de kust van Afrika en de eilanden in de Atlantische Oceaan (Madeira en de Azoren). In 1415 had Portugal Ceuta al veroverd om effectiever tegen de Moren te kunnen strijden. Want niet alleen onderlingen wedijver en machtsstreven dreven de Spanjaarden en Portugezen, maar ook christelijke zendingsijver of een kruistochtmentaliteit. Elementen die bij andere landen en latere kolonisaties steevast zouden terugkeren. (meer…)
Simon Vissering (Amsterdam, 23 juni 1818 – Ellecom, 21 augustus 1888) was een Nederlands jurist, journalist, econoom, statisticus, en politicus. Vissering volgde de Latijnsche School in Amsterdam, studeerde van 1835 tot 1838 letteren en rechten aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam (algemeen beschouwd als de voorloper van de Universiteit van Amsterdam; sinds 1815 had de instelling een wettelijke erkenning voor hoger onderwijs, sinds 1877 ook het promotierecht) en begon in 1837 de studie rechten aan de Universiteit Leiden, waar hij onder andere les kreeg van Thorbecke. In 1842 promoveerde hij in Leiden. Een jaar later vestigde Vissering zich als advocaat in Amsterdam en wijdde zich hiernaast aan literaire en economische studies. Hierbij was hij korte tijd journalist bij het Algemeen Handelsblad en sinds 1846 medewerker en redacteur bij De Gids, een algemeen cultureel en literair tijdschrift dat sinds 1837 verscheen. In 1847 werd hij door het Amsterdamse stadsbestuur aangesteld als hoofdredacteur van de Amsterdamsche Courant, maar na nog geen jaar stapte hij op na onenigheid met het stadsbestuur over de journalistieke vrijheid. In 1850 kreeg hij een aanstelling als hij hoogleraar staatshuishoudkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden als opvolger van zijn oude leermeester Thorbecke. Hij bleef hoogleraar in Leiden tot 1879. (meer…)
Helena Petrovna Blavatsky (Jekaterinoslav, 31 juli 1831 – Londen, 8 mei 1891) was een occultist, medium en auteur van Duits-Russische aristocratische afkomst. Ze was de dochter van kolonel Pyotr Alexejevitsj von Hahn, afkomstig uit een Duitse aristocratische familie. Haar moeder was de romanschrijfster Helena Andreyevna de Fadayev, die afkomstig was uit een van de oudste Russische adellijke families, de Dolgorukov. De grootmoeder van moederskant was prinses Helena Pavlovna Dolgorukov. Haar vader was beroepsmilitair en als gevolg daarvan was er sprake van frequente verhuizingen en verplaatsingen naar andere delen van het Russische rijk. In 1835 verhuisden de moeder en Helena naar Odessa waar haar grootvader Andrei Fadeyev een bestuurlijke functie had gekregen. Een jaar later verhuisde het gezin naar Sint-Petersburg waar Von Han een nieuwe functie had gekregen. Toen die een jaar later weer beroepshalve moest verhuizen, bleef de rest van het gezin in Sint-Petersbrug wonen. Pas in 1838 werd men herenigd in Poltava, de nieuwe standplaats van Von Hahn. Haar moeder bevond zich inmiddels in slechte gezondheid en verhuisde met haar twee dochters weer naar Odessa, waar ze in 1842 op de leeftijd van achtentwintig jaar overleed aan tuberculose. De drie kinderen werden verder opgevoed door de grootouders in Saratov en later in Tbilisi. Blavatsky kreeg de klassieke aristocratische opleiding in onder meer Frans, muziek- en dansles. In haar latere geschriften vermeldde zij, dat zij in deze periode veel tijd doorbracht in de bibliotheek van haar grootvader die veel boeken over esoterie bevatte. Hier zou ze ook de eerste visioenen ontvangen waarin ze een mysterieuze Indiër ontmoette, die zij later als Mahatma Morya zou leren kennen. Al op zeer jonge leeftijd werden Helena magische vermogens toegedicht. Ze joeg de lijfeigenen de stuipen op het lijf met griezelverhalen over waterspoken en demonische bosgeesten, een voorteken van de horrorverhalen die ze aan het eind van haar leven zou schrijven. Nog voor haar vijftiende verslond ze de hele bibliotheek met occulte klassiekers die haar overgrootvader prins Paul bij zijn dood aan haar grootmoeder had overgedaan. De bibliotheek bevatte honderden boeken over alchimie en magie. Een van haar favorieten was de Occulta Philosophia van Heinrich Cornelius Agrippa von Nettesheim (1486-1535). Al voor haar vijftiende, zo schreef madame Blavatsky, ‘had Agrippa geen geheimen meer voor mij’. (meer…)
Clark Stanley was eind van de 19e eeuw de zelfbenoemde Rattlesnake King. Volgens eigen zeggen was hij in 1854 in Abilene geboren, wat lastig in overeenstemming te krijgen is met de werkelijkheid aangezien het Texaanse stadje pas in 1881 zou worden gesticht. Stanley verwierf eeuwige roem/beruchtheid als de uitvinder van het patentmedicijn Clack Stanley’s Snake Oil. Stanley claimde dat hij, nadat hij eerst elf jaar lang als cowboy had gewerkt, twee jaar lang onder de Hopi-indianen verbleef in Walpi, Arozona. Van een Hopi-medicijnenman leerde hij in die tijd de geheimen van het maken van slangenolie, dat door de stam zou zijn gebruikt bij hun traditionele regendans. In 1879 kon hij dan eindelijk met behulp van een drogist uit Boston zijn product op de markt brengen. Via de bekende ‘medicine shows’ in het Wilde Westen werd het ‘geneesmiddel’ aan de man gebracht. Net als zovele andere patentmedicijnen en oude middeltjes tegen allerlei kwaaltjes, zoals in Nederland onder meer de Haarlemmerolie, moest Clack Stanley’s Snake Oil dé oplossing zijn voor vele lichamelijke ongemakken. In 1893 wist Stanley alle aandacht op zich te vestigen bij een spectaculaire presentatie op de World’s Columbian Exposition in Chicago. Voor de ogen van de verbaasde toeschouwers pakte Stanley uit een zak een slang, sneed die doormidden en gooide de slang vervolgens in kokend water. Al snel dreef een laagje vet op het water, dat door hem werd weggeschept en ter plaatse produceerde hij vervolgens zijn ‘Stanley’s Snake Oil’, direct geschikt voor de verkoop aan het publiek. (meer…)
De Koloniale Conferentie van Berlijn was een bijeenkomst van vijftien Europese landen en de Verenigde Staten, die tussen 15 november 1884 en 26 februari 1885 werd gehouden. Veertien Europese landen plus de Verenigde Staten waren aanwezig om onbeschaamd Afrika te verdelen. Afrika was op de kaart grotendeels een lege plek en dus begerenswaardige prooi. Tot dan toe hadden de Europeanen zich beperkt tot het vestigen van handelsposten en minder directe van machtsuitoefening, bijvoorbeeld via het sluiten van verdragen met lokale machthebbers. Groot-Brittannië, Frankrijk, Portugal en in bescheiden mate Spanje bezaten als gebieden in Afrika. Het Osmaanse Rijk heerste nog over een groot gebied aan de Middellandse Zee en was dus vooral uitgenodigd om, net als een aantal jaren eerder bij het Congres van Berlijn, nederig afstand te doen van die gebieden ten faveure van de grootmachten Frankrijk en Engeland. Het kleine België was ineens een belangrijke partij geworden, nadat koning Leopold II onder het mom van een humanitair project van plan was het Kongobekken te gaan exploreren. Hij had daarvoor in 1878 de Association internationale africaine opgericht (vanaf 1879 de Association internationale du Congo). Het Britse satirische blad Punch maakte er een treffende spotprent van het morele gehalte van de Belgische vorst. Het maakte andere erop attent dat men er snel bij moest zijn om ook een deel van Zwart-Afrika te kunnen claimen. De Duitsers wilden ook wel eens, zoals keizer Wilhelm II het uitdrukte, ‘hun plaatsje onder de zon hebben’ dus koloniale grondmacht worden. Daarom zou ook hun positie ten opzichte van Frankrijk en Groot-Brittannië worden versterkt en wellicht zou men beide grootmachten tegen elkaar kunnen uitspelen. Ook Nederland als koloniale grootmacht was aanwezig, maar liet blijken geen interesse te hebben in een nieuw avontuur. Men had de handen al vol aan de continue oorlogen in de Indonesische archipel. Om te waarborgen dat alles eerlijk en naar ieders tevredenheid kon worden afgewikkeld waren ook de andere Europese landen (Oostenrijk-Hongarije, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Italië, Rusland) uitgenodigd. De meesten zonder ambities, een enkel land hoopte wellicht dat wat kruimels hen zouden toevallen. Tot slot was de Verenigde Staten, de opkomende, overzeese grootmacht, uitgenodigd, waarvan het vaag was wat hun politiek zou zijn. Het land had zich namelijk zelf amper als voormalig kolonie op de kaart gezet, had net een Burgeroorlog achter de rug en was nog druk doende de eigen staat op te bouwen. Er was geen enkele Afrikaan aanwezig om zelfs maar een opgestoken vingertje te geven.
(meer…)
Albertus Hahn (Groningen, 12 mei 1885 – Neuengamme, 17 februari 1945) was een Nederlandse verzetsman en pianofabrikant/pianohandelaar in de stad Groningen. Hij woonde in Huize Venix te Vries (Drente) en was op allerlei manieren berokken bij het verzet. In 1941 begon hij met het in veiligheid brengen van Joodse eigendommen; een jaar later ging hij een stapje verder door Joodse onderduikers in huis op te nemen. In zijn woning verborg hij ook papier voor de Illegale krant Trouw, plus de geboorteregisters van de gemeenten Oldenhove en haren. Verder was er ook nog plaats voor allerlei wapens, uniformen en bonkaarten. Hij was verder betrokken bij een knokploeg (KP-3) en later lid van een knokploeg van de Dienst-Wim. In zijn fabriek werd regelmatig vergaderd door een lokale verzetsgroep, waarbij zijn zoon Gepko betrokken was. Die betrokkenheid leidde er toe dat de Duitsers Hahn sr. en zijn fabriek in de gaten gingen houden. Op 3 november 1943 werd zonder enig resultaat huiszoeking bij hem gedaan, dus blijkbaar wist hij mensen en materiaal vakkundig te verbergen. De Duitsers moeten echter niet helemaal tevreden zijn geweest of wellicht (nogmaals) zijn getipt bij Hahn een kijkje te nemen, want in september 1944 komen ze een twee keer langs en in november 1944 een derde keer. Daarna werd het Hahn iets te heet onder de voeten. Hij dook zelf onder, maar wist niet lang uit Duitse handen te blijven. Op 4 december 1944 werd hij te Groningen gearresteerd en overgebracht naar de gevangenis te Assen. Voor ondervraging werd hij getransporteerd naar het beruchte Scholtenhuis te Groningen, waar hij ernstig werd mishandeld; onder meer werden zijn ribben gebroken, maar Hahn gaf geen namen prijs. (meer…)
Recent gebruikte Baudet twee keer het woord ‘boreaal’ in een politieke context gebruikt, waarbij hij zijn onwetende achterban steeds liet weten dat ‘onze boreale wereld’ niets anders is dan ‘een mooie, poëtische aanduiding van Europa, de westerse wereld of de westerse beschaving’. In zijn verklaring is het een neutrale term, die staat als aanduiding voor het gedeelte van de wereld dat wordt beschenen door de aurora borealis, beter bekend als het noorderlicht. Dit zijn dus de westerse landen in Noord-Europa en Noord-Amerika. Terecht werden er echt al direct verbanden gelegd met het extreemrechts gedachtegoed, waarin de term toch een wat andere betekenis heeft. In extreemrechtse kringen is het namelijk een veelgebruikte eufemistische verwoording van de overtuiging dat Europa van oorsprong uit één enkele blanke bevolking bestond en de wens om dit zo te behouden. Vaak wordt voor de (her-)introductie van de term verwezen naar Jean-Marie Le Pen, die vanwege zijn veelvuldig geflirt met het nationaalsocialistische gedachtegoed door dochterlief uit de partij werd gezet. Niet dat die er veel anders over denkt, maar het is marketingtechnisch niet handig openlijk te laten weten je je de theorieën van Hitler en partijgenoten onderschrijft. (meer…)
Anton Alexander von Werner (Frankfurt a/d Oder, 9 mei 1843 – Berlijn, 4 januari 1915) was een Duits schilder in het koninkrijk Pruisen. Hij kwam uit een vooraanstaande Pruisische officiersfamilie. Hij begon te schilderen in 1857 als student en studeerde vervolgens aan de Kunstacademie te Berlijn. Hij ging verder met zijn studies in Karlsruhe, waar hij studeerde onder Johann Wilhelm Schirmer, Ludwig Des Coudres, Adolf Schroedter en Carl Friedrich Lessing, allemaal zeer gerenommeerde schilders van portretten en historische taferelen. Bij zijn eerste expositie won hij een beurs die hem in de gelegenheid stelde om te reizen te maken. In 1867 bezocht hij Parijs en daarna Italië, waar hij enige tijd verbleef. Bij zijn terugkeer ontving hij verschillende opdrachten van de staat. Bij het uitbreken van de Frans-Duitse Oorlog in 1870 was Werner staflid van de staf van het Derde Legerkorps en verbleef hij in Frankrijk tot het einde van de campagne in 1871. In 1872 trouwde hij metMalwine Schroedter, de dochter van zijn voormalig leermeester. In 1873 werd hij professor van de Berlijnse Kunstacademie. Zijn carrière bereikte haar hoogtepunt in 1875, toen von Werner directeur werd van de Königliche Hochschule der bildenden Künste in Berlijn. Na 1888 verbleef hij aan het hof van Willem II om de keizser schilderles te geven. In 1909 werd hij directeur van de Nationalgalerie in Berlijn. Hij stierf in Berlijn in 1915 en werd opgebaard in de Alten Zwölf-Apostel-Kirchhof in Berlijn-Schöneberg. In Nederland laat de naam Anton von Werner niet echt allerlei belletjes rinkelen, maar in Duitsland heeft hij nog steeds een grote naam. Niet verwonderlijk want hij was de schilder van vele belangrijke gebeurtenissen in de Duitse geschiedenis. In een korte fil ‘The court paintings of Anton von Werner’ geeft daarvan een aardige illustratie, en anders is er altijd google-afbeeldingen nog. Zijn werk is vooral belangrijk vanwege de historische waarde van zijn weergave van de gebeurtenissen in de Frans-Duitse Oorlog, zoals in De Capitulatie van Sedan, Proclamatie van het Duitse Rijk te Versailles, Moltke voor Parijs, Moltke in Versailles, De Ontmoeting van Bismarck en Napoleon III, Willem I bezoekt de tombes en Het Congres van Berlijn. Von Werner schilderde de slotdag van het Congres van Berlijn (13 juli 1878), toen alle deelnemers in schijnbare grote tevredenheid en goede harmonie de slotacte ondertekende. Het schildering is 360 bij 615 meter groot. (meer…)
Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het Kanaal Almelo-Nordhorn. Hieronder eerst een beschrijving die een kleine twintig jaar geleden over het kanaal werd geplaatst in De Volkskrant, als onderdeel van een serie columns over bijzondere waterwegen. Daaronder een fotografische sfeerimpressie van het kanaal.
Een verstilde waterweg
In de oever is een bord geprikt, rood met een witte streep: verboden in te varen. Hier, in de haven van Almelo, begint het Kanaal Almelo-Nordhorn. Op de smalle strook braakland langs het kanaal komen drie nieuwbouwtorens. Een reclamebord kondigt ze aan: ‘Residentie. City Haven’,
Zelfs een kano komt niet ver op het Kanaal Almelo-Nordhorn. Straten lopen over het water zonder zich te verheffen. Buiten de stad zijn de oude jaagpaden voor de trekschuiten zandpaden of B-wegen geworden. Ernaast loopt een bibberig uitgesleten zandlint voor fietsers.
Voor de scheepvaart heeft het Kanaal Almelo-Nordhorn, waar in 1961 het laatste turfscheepje passeerde, nooit gedeugd. De plannen waren veelbelovend: het kanaal zou Twente verbinden met het Roergebied en het zou de transportader voor de landbouw en textielindustrie worden. Tweehonderd werklozen begonnen te graven, maar toen ze in 1889, na vijf jaar, de Pruisische grens bereikten, was daar niemand die verder groef. Pas in 1904 werden de resterende zeven kilometer naar Nordhorn doorgetrokken. Maar toen ging het meeste transport al over het spoor en de weg. (meer…)
Het Kanaal Almelo-Nordhorn verbindt de Nederlandse stad Almelo met de Duitse stad Nordhorn. Soms wordt ook wel de naam Almelo-Nordhornkanaal gebruikt en in Duitsland hanteert men Nordhorn-Almelo-Kanal, wat dan gemakshalve wordt afgekort tot NAK. Tegenwoordig is het niet meer erg zichtbaar, maar Almelo was een stad die vroeger met het water leefde. Niet echt verwonderlijk, want bij de stad, in het diepst gelegen deel van Twente, kwamen vroeger meerdere riviertjes bij elkaar. Op oude kaarten is dat nog goed zichtbaar. In de 17e en 18e eeuw was de stad dan ook voor het achterland een belangrijke overslaghaven. Over de Almelose Aa kwamen de de platbodems vanuit Zwolle aanvaren. Dat waren ondiepe boten, 2.70 breed en door hun lengte van circa 12 meter bezaten ze voortreffelijke zeileigenschappen. De stad kende twee havens: één haven was eigendom van de heer van Almelo en lag tegenover het toenmalige stadhuis (nu Wetshuys) en één haven lag tussen de Schuttenstraat en Prinsenstraat. Deze haven was eigendom van de stad. In de 19e eeuw voldeed het tonnage van de vrachtschepen, zompen van 12 ton, niet meer voor de opkomende textielindustrie. Deze industrie vereiste een grotere vaarweg en die kwam er in 1855 door het graven van het kanaal Almelo-Zwolle. Dit kanaal eindigde in een nieuwe haven in Almelo, ongeveer tegenover het huidige pand van café Nielz. Deze haven heeft 100 jaar bestaan en was buitengewoon handig met zijn loswal, direct gesitueerd aan de markt. (meer…)
CS-6 was een linkse Amsterdamse verzetsgroep die haar naam ontleende aan het adres waar de groep haar oorsprong vond: Corellistraat 6 te Amsterdam, het woonadres van het gezin Boissevain. De familie Boissevain is een oud Amsterdams geslacht, afstammelingen van ene Lucas Bouysavvy, die vanwege de onderdrukking door de katholieken van het protestantse geloof zijn zaken in de omgeving van Bordeaux verkoopt en zich in 1691 in Amsterdam vestigt. De familie heeft in de loop der eeuwen vele vooraanstaande burgers binnen de Amsterdamse samenleving voortgebracht. Daartoe horen de broers Gideon (‘Gi’) en Jan Karel (‘Janka’) Boissevain, die in de zomer van 1940 met enkele medestudenten de verzetsgroep CS-6 oprichtte. In de kelder van hun ouderlijk huis maakten ze bommen om treinen te saboteren en een arbeidsbureau te overvallen, maar ook legde ze zich toe op de liquidatie van verraders. Gideon Boissevain (Schiedam, 6 juni 1921 – Overveen, 1 oktober 1943) werkte bij een levensverzekeringsmaatschappij. Jan Karel Boissevain (Schiedam, 24 mei 1920 – Overveen, 1 oktober 1943) zat op de Middelbare Technische School en werkte bij de Amsterdamse Telefoondienst. Beiden woonden bij hun ouders thuis, samen met hun zusjes Annemie en Sylvia. In de zomer van 1940 ondernamen de broers een mislukte poging om naar Engeland te varen op een van wijnvaten gemaakt vlot. Ze werden echter bij Texel opgepikt en moesten terug. Thuis in de Corellistraat 6 te Amsterdam ving moeder Mies Boissevain-van Lennep al Joodse vluchtelingen op. In de kelder was een werkplaats waar Janka en Gi hun verzameling telefoons hadden, waar springstof werd opgeslagen en waar ontstekingsmechanismes en tijdbommen gemaakt werden. De CS-6 groep probeerde gevangenentransporten tegen te houden door treinrails te vernielen. (meer…)
Sinds de Oudheid zijn sentimenten van haat en afkeer jegens Joden, als vreemde minderheid binnen een samenleving, een constante. Al in het oude Egypte werden de Joden verdreven, door de Grieken was vaak sprake van een vijandige bejegening van Joden en Keizer Tiberius verbande ‘het vervloekte ras’, zoals de wijsgeer Seneca hen noemde, uit de stad Rome. In West-Europa begon de ellende pas goed vanaf de Eerste Kruistocht (1096-1099), een militair-christelijke expeditie om het Heilige Land terug te veroveren op de moslims, wat uiteindelijk resulteerde in de herovering van Jeruzalem. De start van die kruistocht ging in Duitsland gepaard met grote moordpartijen in verschillende steden op de Joodse gemeenschappen door de boerenbevolking.Duizenden Joden in Rijnlandse steden werden vermoord, omdat de kruisvaarders (Duitsers, Oost- en West-Franken, Lagelanders en Engelsen) meenden dat de strijd tegen de ‘ongelovigen’ het beste daar al kon beginnen, voordat de ‘Saracenen’ in het Heilige Land werden aangepakt. Deze zogeheten Duitse kruistocht van 1096 ging de geschiedenis in als de eerste grote Jodenvervolging. De moordpartijen droegen een duidelijk religieus karakter. De joden werden in het gunstigste geval gezien als ‘blind’ omdat ze Jezus niet als de christus (messias) wilden erkennen, in het ergste geval waren het eenvoudig ketters die streng aangepakt moesten worden. Daarnaast kwam de notie van ‘godsmoordenaars’ op: de joden hadden Jezus gekruisigd en dus God vermoord (uitgaande dat Jezus God is volgens de drie-eenheid). In conservatieve christelijke kringen heerst deze opvatting vandaag de dag nog steeds. Sinds de vroege Middeleeuwen hebben religieuze argumenten, zoals oude theologische meningsverschillen tussen rabbijnen en de kerkvaders, steeds gediend om antisemitisch geweld te rechtvaardigen. (meer…)
Tot eind 18e eeuw was het Osmaanse Rijk een van de machtigste staten in Europa, een serieuze bedreiging voor Rusland en Oostenrijk. In de zestiende eeuw hadden de Osmanen de Balkan en het grootste deel van Hongarije veroverd. In 1529 was een eerste poging Wenen in te nemen mislukt, waarna een lange periode begon van slepende oorlogen, lange bestanden en kortdurende vredes. In 1683 stonden de Osmaanse legers, in totaal 138.00 man sterk, weer aan de poorten van Wenen, de hoofdstad van het aartshertogdom Oostenrijk in te nemen. Het was toentertijd ook de residentie was van keizer Leopold I van het Heilige Roomse Rijk en de zetel van de Habsburgse Monarchie. Het Beleg van Wenen begon op 14 juli 1683 en eindigde op 12 september 1683 toen de belegeringsmacht verslagen werd door een ontzettingsleger van 80.000 soldaten van de Duitse vorsten. De Osmanen sloegen op de vlucht, waarna de Grote Turkse Oorlog volgde waarin heel Hongarije voor hen verloren ging. In 1684 werd op het initiatief van de paus een Heilige Liga gevormd voor een gezamenlijke strijd van het christelijke westen tegen de islamitische Osmanen. Daarbij koos Frankrijk, het grootste christelijke land, om geopolitieke redenen de kant van de Osmanen. Het mislukte beleg van Wenen in 1683 wordt dan ook wel gezien als het begin van het einde van het Ottomaanse Rijk. (meer…)
Jan Bonekamp (Velsen, 19 mei 1914 – Amsterdam, 21 juni 1944) was een Nederlands communist en verzetsman tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij het uitbreken van de oorlog was Bonekamp werkzaam als chauffeur bij de Hoogovens en lid van de Centrale Bond van Transportarbeiders. Hij is ook kaderlid van de Communistische Partij van Nederland. Op 15 september 1938 trouwde hij met Trien van den Brink. Op 30 april 1940 wordt een dochter geboren. In april-mei 1943 breken stakingen uit tegen een oproep voor Nederlandse militairen om in krijgsgevangenschap te gaan en uit algemene onvrede met de Duitse bezetting. Ook bij de papierfabriek Van Gelder en bij de Hoogovens in Velsen wordt gestaakt. Jan Bonekamp speelde een rol in de staking bij de Hoogovens, aanvankelijk met het verspreiden van illegale kranten en stakingsoproepen. Na de staking werd hij samen met tal van anderen opgepakt en verhoord. Omdat de Duitsers dachten de verkeerde Bonekamp in bewaring te hebben, werd hij vrijgelaten. Hij liep toen terug naar huis gelopen en verstopte zich daar onder de vloer, maar beslot vervolgens elders onder te duiken. Hij besluit bij het gewapend verzet aan te sluiten. (meer…)
Hans Geul (Blora, Nederlands-Indië, 12 mei 1916 – Overveen, 1 oktober 1943) was woonachtig in Den Haag, waar hij lid was van de plaatselijke atletiekvereniging Vlug & Lening. Hij was een sprinter die in de tweede helft van de jaren dertig van de vorige eeuw tot goede prestaties kwam (beste tijd 10,8 seconden). Als 20-jarige maakte deel uit van de Nederlandse delegatie voor de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn. Hij was meegenomen als reserve voor de 4 x 100 m estafetteploeg. In de basisopstelling van deze ploeg stonden echter wereldtoppers als Chris Berger, Wil van Beveren (de vader van Nederlands beste keeper ooit, Jan van Beveren) en Tinus Osendarp, de latere collaborateur en SS’er die medeverantwoordelijk zou worden voor de arrestatie en dood van tientallen verzetsmensen. Hans Geul kreeg in Berlijn geen kans om in actie te komen en er zou ook geen tweede mogelijkheid meer komen. De Nederlandse ploeg zou uiteindelijk in de finale, op weg naar een vrijwel zekere derde plaats, het estafettestokje verliezen en daardoor worden gediskwalificeerd. Na het afronden van zijn studie in Amsterdam aan de academie voor lichamelijke opvoeding voor leraar MO was hij in de eerste oorlogsjaren trainer bij het Amsterdamse AV’23 en aan de St. Vincentiusscholen. In mei 1940 nam Hans Geul als dienstplichtig korporaal deel aan de strijd tegen de Duitsers. Omdat hij niet wilde voldoen aan de oproep van de Duitsers aan Nederlandse militairen in 1943 om terug te keren in krijgsgevangenschap, werd hij ontslagen en dook onder. Hij deed nog een vergeefse poging naar Engeland te vluchten, maar werd opgepakt. Het lukte hem echter te ontsnappen en dood toen onder bij zijn vriend Marten Klasema en diens vrouw. Klasema en Geul waren op dezelfde dag jarig en omdie reden noemde ze elkaar wel eens ‘tweelingbroers’. Hij kende Klasema van de Olympische ploeg van 1936, waar Klasema de 15e plaats haalde bij het hink-stap-springen met een sprong van 14,43 meter en ook deelnam aan het verspringen, maar de kwalificatie-eis van 7,15 meter zich niet haalde. Hij zou later vier keer de Elfstedentocht uitrijden. (meer…)
Punch was een Brits satirisch en humoristisch tijdschrift dat grote populariteit had in de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw. Het is wereldberoemd geworden door de vele maatschappijkritische cartoons die door het blad werden gepubliceerd. Met de satirische teksten en prenten werd op humoristische wijze maatschappijkritiek of kritiek op personen. De doelwitten konden personen, politici, tradities, religie, kunstenaars, entertainers, media, normen, waarden, trends zijn. Niet alles was uitsluitend humoristisch bedoeld, want sommige satires waren redelijk agressief en scherp en hadden als doel te provoceren of tot actie aan te zetten. Het blad werd opgericht in 1841 en publiceerde tot 1992. Tijdens de Tweede Wereldoorlog haalde het blad haar hoogste oplage (175.000 exemplaren), maar daarna daalde de afzet zo sterk dat in 1992 werd besloten dat het na iets meer dan 150 jaar welletjes was geweest. De Egyptische zakenman Mohamed Al-Fayed kocht in 1996 de rechten op de naam en probeerde vervolgens het blad nieuw leven in te blazen, maar zes jaar later moest hij erkenning dat het een mislukt avontuur was. In 2002 had het blad nog slechts een schamele 6.000 abonnementen en hield Punch definitief op te bestaan. (meer…)

Nationale Dodenherdenking op de Waalsdorpervlakte, 4 mei 2016 (meer…)
Geert Mak beschrijft in ‘Lopen met Van Lennep. De zomer van 1823’ hoe begin 19e eeuw het Nederlandse landschap eruit ziet aan de hand van het dagboek van Jacob van Lennep. De latere auteur maakt samen met zijn studievriend Dirk van Hogendorp een rondreis door het prille koninkrijk. In de dagboeken komen alle toenmalige middelen van transport wel een keer langs. Op een regenachtige dag gaan ze met de trekschuit van Leeuwarden naar Dokkum, op andere dagen hobbelen ze in karren en diligences door het land. Met een vissersschuit steken ze de toenmalige Zuiderzee over en verder wordt er bijna dagelijks vele kilometers te voet afgelegd. Bijna alle grotere wegen waren bezaaid met tolhekken. Een tijd met in moderne ogen een verbijsterende traagheid van bestaan, door amper bevolkte streken, met eindeloos oponthoud bij sluizen en bruggen en al even eindeloos wachten vanwege slechte weersomstandigheden. Snelheid was in 1823 niet de allesbepalend norm, want iedereen besefte dat men vertraging moest accepteren als een onvermijdelijk deel van het leven. Het is lang voor de komst van de spoorwegen, ook de eerste fiets moest nog zijn intrede doen en de introductie van de auto zou nog langer op zich laten wachten. De diligence was het snelste vervoersmiddel, maar het kostte nog steeds zes uur om van Utrecht naar Den Bosch te gaan. Het was druk op de wegen met allerhande voetvolk, die een flinke infrastructuur van herbergen en logementen ter beschikking hadden. De afstanden werden niet uitgedrukt in kilometers, maar er werd aangegeven hoeveel uur gaans de volgende stad of dorp was. (meer…)
In de 16e eeuw verkenden Spaanse en Portugese ontdekkingsreizigers het oostelijk deel van het eiland Nieuw-Guinea. Het eiland trok daarna vooral de belangstelling van Nederlanders, die de soevereiniteit over Nieuw-Guinea binnen Nederlands-Indië opeiste via zijn heerschappij over het sultanaat Tidore. Dit was een sultanaat op een Moluks eiland ten westen van Halmahera. In 1660 sloot de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) een verdrag met dit sultanaat, waarbij ze haar protectoraat over de Papoea’s, de bevolking van Nieuw-Guinea, erkende. Dit sloeg waarschijnlijk op enkele Papoease eilanden in de buurt van de Molukken; in ieder geval heeft Tidore nooit gezag over Nieuw-Guinea uitgeoefend en moet dit protectoraat dan ook als een juridische fictie worden beschouwd. In 1872 erkende Tidore de soevereiniteit van het Koninkrijk der Nederlanden en gaf het Nederland toestemming bestuur te vestigen in zijn gebieden, wanneer het Nederlands-Indische gouvernement daartoe de behoefte voelde. Daarmee kon Nederland een aanspraak op het gebied Nieuw-Guinea dus rechtvaardigen. Door de komst van Britten en Duitsers moesten grenzen tussen de diverse nationaliteiten worden vastgesteld. In 1884 werd bij een verdeling onder de koloniale machten (Congres van Berlijn) de zuidelijke helft van het oostelijk deel van het eiland in Britse handen, dat vanaf dat moment Brits-Nieuw-Guinea werd genoemd. De noordelijk helft van het oostelijk deel van het eiland kwam in Duitse handen, die het deel omdoopte tot Keizer Wilhelmsland. De 141ste meridiaan werd als oostgrens gesteld. In 1898 ging het Nederlandse gouvernement ertoe over bestuursposten te vestigen in Fakfak en Manokwari, en in 1902 in Merauke. Dit gebeurde voornamelijk wegens gebiedsuitbreiding door de Britten en de Duitsers in het oosten; men wilde voorkomen dat Groot-Brittannië en Duitsland de grens nog meer naar het westen zouden opschuiven. (meer…)
Herman Van den Reeck (Borgerhout, 21 april 1901 – Antwerpen, 12 juli 1920) was een Vlaams student die tijdens een betoging door de politie werd neergeschoten. Hij was al op zeer jeugdige leeftijd bedrijvig in de Vlaamse Beweging en engageerde zich tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Activisme, de benaming voor het deel van de Vlaamse Beweging dat via de collaboratie met Duitsland een aantal Vlaamse grieven en zelfs Vlaamse onafhankelijkheid hoopte te verwezenlijken. Ze noemden zichzelf ‘Maximalisten’ en spraken ietwat denigrerend over dat deel van de Vlaamse beweging dat samenwerking met de bezetter afwezen (‘Passivisten’ of ‘Minimalisten’) Het Activisme begon met de oprichting van de groep Jong-Vlaanderen in oktober 1914 te Gent, onder leiding van dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard. De oprichting werd flink ondersteunt door de zgn. Flamenpolitik van de Duitse bezettende macht, waarvan gouverneur-generaal Moritz von Bissing de grote architect was. Het doel was tweedracht in België te zaaien door allerlei vooroorlogse Vlaamse eisen in te willigen en via de activisten België te kunnen controleren. Zo werd onder andere in oktober 1916 de Universiteit Gent geheel vernederlandst, waarna ze door velen smalend de Von Bissing-universiteit werd genoemd. In februari 1917 richtte de Duitse regering een marionettenregering op, de Raad van Vlaanderen, om het activisme internationale legitimiteit te verschaffen. Deze Raad ging in maart 1917 op bezoek bij de Duitse regering in Berlijn. In maart 1917 zou dezelfde Von Bissing België opdelen in twee afzonderlijke taalgebieden. De Raad van Vlaanderen vergaloppeerde zich door in december 1917 deze scheiding aan te grijpen om de onafhankelijkheid van Vlaanderen af te kondigen, maar dar werd door de Duitsers snel afgezwakt tot ‘autonomie’. (meer…)
Op het Gelders Eiland zijn vanaf de aanleg van de eerste dijken in de dertiende eeuw tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw tientallen grote dijkdoorbraken en overstromingen geweest. Eeuwenlang is het water een niet te beheersen onderdeel van het dagelijkse leven geweest. De Watersnoodramp van 1926 is de laatste grote dijkdoorbraak en overstroming geweest. In twee afleveringen ooggetuigenverslagen van deze gebeurtenis, waarvan Deel 1 op 28 maart werd geplaatst.
J.H. Breuking, in: De kroniek voor het St. Michaëls-Gesticht, 1973
In 1926 maakte de oude heer Rijn er een waterballet van de bovenste plank van. In de dagen rond Kerstmis was ’t water al hoger en hoger komen te staan, zodat de toestand dreigend begon te worden. Dag en nacht werden overal de dijken bewaakt. Vanaf 2 januari mochten de kerkklokken niet meer geluid worden dan alleen bij een dijkdoorbraak.
Op 5 januari had je dan het gedonder in de glazen: om kwart over zes werd de koster uit z’n bed getrommeld met het bericht, dat er een doorbraak was in de Deukerdijk bij Pannerden. Zo gauw z’n benen hem dragen konden, rende Mulder naar de kerk en hing hij al gauw aan de touwen. Angstaanjagend gebeier klonk over het duistere dorp. Iedereen schrok op en massaal hees de bevolking zich in de kleren. Ook de zusters natuurlijk. De nodige voorzorgsmaatregelen hadden zij al genomen: de kelder was ontruimd, de aardappelen en allerlei andere etenswaren waren een verdieping hoger gebracht. (meer…)